CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20221018 10 RB Erfgoedverordening .pdf

* Raadsvergaderingen 18 oktober 2022, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Wijziging Erfgoedverordening10.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

gemeente

eijsden-margraten Aan de gemeenteraad

Raadsvoorstel Onderwerp Vaststelling Erfgoedverordening 2022

Beslispunt(en) Besluiten om: de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten

2022

vastte stellen.

Toelichting-----------------——-------- —--------—------------------- ——----------------------Aanleiding/ motivering Per 1 januari treedt mogelijk de Omgevingswet inwerking. Deze wet zal ookconsequenties hebben voorhet ruimtelijke erfgoed. Om deze reden worden opdit moment voorbereidingen getroffen voor een nieuw erfgoedbeleid dat te zijner tijd voorbesluitvorming aan de raad zal worden voorgelegd.Ook heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet consequenties voorde gemeentelijke regelgeving, waaronder de erfgoedverordening, die voorde inwerkintreding van de wet moet zijn aangepast. De vaststelling van een nieuwe Erfgoedverordening kan echter niet wachten omdat de nieuwe Erfgoedverordening ookde basis moet gaan bieden voorhet verkrijgen van Provinciale restauratiesubsidie vooreen tweetal beeldbepalende panden. Hoewel de gemeente een subsidieregeling kent vooronderhoud aan beeldbepalende panden, is deze regeling onvoldoende om te voorzien in een (grootschalige) restauratie. De provincie Limburg kent wel een subsidieregeling voorrestauratie van rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. Om echter voorrestauratiesubsidie in aanmerking te komen moeten deze panden zijn aangewezen tot gemeentelijk monument. Hierin kan worden voorzien via de bijgevoegde erfgoedverordening. Met de vaststelling is haast geboden omdat anders mogelijk het subsidieplafond bij de Provincie is bereikt.

Een en ander is onderstaand nader toegelicht.

Motivering In 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet vervangt o.a. de Monumentenwet 1988, waaropde huidige Erfgoedverordening was gebaseerd. De Erfgoedwet is echter breder. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen ophet gebied van het cultureelerfgoed. Naast de Monumentenwet 1988 zijn de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 betreffende onrechtmatige invoer, uitvoerof eigendomsoverdracht van cultuurgoederenen de Wet tot teruggave cultuurgoederenafkomstig uit bezet gebied in de wet opgenomen.

Omgevingswet Per 1 januari 2023 treedt wellicht de Omgevingswet in werking. Deze wet bundelt vrijwel alle regels voorde fysieke leefomgeving. Ook de besluitvorming over cultureel erfgoed zal vanaf 2023 worden geregeld via de Omgevingswet, met name in het daarop gebaseerde omgevingsplan. De Erfgoedwet en de toekomstigeOmgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-éénworden overgenomen. Wel vindt opeen aantal wetstechnische, procedureleen inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten, in dat kader opgestelde beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen, zullen overgaan naarde Omgevingswet.

De Erfgoedwet anticipeert in zekere zin op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 deels van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is de nieuwe Erfgoedverordening zowel gebaseerd opde Erfgoedwet als opde Monumentenwet 1988. In dit verband moet worden opgemerkt dat, afhankelijk van de definitieve inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan uw raad in december een set lokale regels wordt voorgelegd die gereed zijn gemaakt voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Van deze set regels zal dan ook deze Erfgoedverordening deel uitmaken, zij het in een andere gedaante. Ondanks de korte tijdsperiode tussen de (mogelijke) vaststelling van deze Erfgoedverordening en de genoemde set lokale regels, is er voorgekozen om deze Erfgoedverordening reeds nu aan u voorte leggen. Reden is het risico dat de provinciale subsidiepotleeg is als nog een paar maanden wordt gewacht. Voorde goede orde, zoals gezegd heeft het probleem dat aanleiding is tot het opstellen van deze Erfgoedverordening, zich pas recent gemanifesteerd. Cultuurgoederen Door de invoering van de Erfgoedwet en de toekomstige Omgevingswet is het bereik van de gemeentelijke erfgoedverordening in vergelijking met de voorgaande verordening breder.

Het betreft nu monumenten én cultuurgoederen.In de nieuwe Erfgoedverordening is analoog aan het VNG-model ookde mogelijkheid geboden tot aanwijzing en bescherming van roerend cultuurgoed.Hierover is nog geen gemeentelijk beleid ontwikkeld. Desondanks vinden wij het belangrijk om de nieuwe Erfgoedverordening zoveel mogelijk in lijn te laten lopen met de nationale regelgeving en alvast een juridische basis te bieden voortoekomstig beleid. Zolang door uw raad nog geen beleid hierover is vastgesteld zal geen aanwijzing van gemeentelijk cultuurgoedplaatsvinden. Het is overigens nog dit jaar de bedoeling om aanvang te maken met het ontwikkelen van nieuw erfgoedbeleid. Vangnetarcheologie(art. 23) Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóórde invoering van deze eisen. Gelet opde geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven.

Om ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord,tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Nadereregelsvangnetarcheologie(art. 23) In de Erfgoedverordening 2013 waren de regels wanneer wel of geen archeologisch onderzoek nodig is in detail vermeld. Thans is ervoor gekozen om voor wat betreft het archeologische vangnet de bepalingen van de Modelverordening van de VNG over te nemen. In het betreffende vangnet (artikel 23) is onder lid 1 sub b opgenomen dat de verstoring geen strijd mag opleveren met de door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; Ook kunnen burgemeester en wethouders nadere regels vaststellen ten aanzien van archeologisch onderzoek. 2

In de Erfgoedverordening 2013 waren de regels wanneer wel en geen archeologisch onderzoek nodig is in detail vermeld. Thans is ervoor gekozen om voorwat betreft het archeologische vangnet de bepalingen van de modelverordening van de VNG over te nemen. In het betreffende vangnet (artikel 23) is onder lid 1 sub b opgenomen dat de verstoring geen strijd mag opleveren met de door burgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; Ook kunnen burgemeester en wethouders op grond van artikel 23 lid 2 nadere regels vaststellen ten aanzien van archeologisch onderzoek. Voorwat betreft de doorburgemeester en wethouders vast te stellen regels, als bedoeld in artikel 23 lid 1 sub b, willen wij de regels hanteren die in de Erfgoedverordening 2013 en de onderliggende beleidskaart (“Archeologische monumentenenverwachtingskaart enarcheologische beleidskaart voor de gemeente Eijsden-Margraten", RAAP-rapport4334 d.d. 1 november 2012) zijn opgenomen. Voor wat betreft nadere regels vooronderzoek als bedoeld in lid 2 van artikel 23 willen wij de uitgangspunten van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) hanteren, welke ook zijn toegepastin het kader van de Erfgoedverordening 2013, die thans komt te vervallen.

De regels als bedoeld in artikel 23 lid 1 sub b en lid 2 zullen gelijktijdig met de nieuwe Erfgoedverordening te worden gepubliceerden in werking te treden. Basisvoor subsidieverlening grootschaligerestauratie De Erfgoedverordening 2013kent niet de mogelijkheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Dat was een bewuste keuze. Na de herindeling van de voormaligegemeenten Eijsden en Margraten is gekozen om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aan te wijzen tot beeldbepalend pand en te beschermen opbasis van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten EijsdenMargraten ”. In materiële zin is deze bescherming gelijk aan de bescherming van gemeentelijke monumenten. Ook kent de gemeente Eijsden-Margraten een subsidieregeling voor beeldbepalende panden en objecten, die overeenkomt met de subsidieregeling die andere gemeenten hanteren voor gemeentelijke monumenten. Onlangs hebben zich twee eigenaren van beeldbepalende panden gemeld die voornemens zijn om een grotere restauratie uit te voeren. Het betreft de algehele restauratie van de vakwerkboerderij aan de Bovenstraat 21 in Noorbeek en de restauratie van het dak van de kerk van Rijckholt.

De subsidieverordening Cultureelerfgoed van de gemeente Eijsden-Margraten voorzietniet in de subsidiëring van grootschalige restauraties van beeldbepalende panden, die soms wel nodig is om een cultuurhistorischwaardevol gebouwin stand te kunnen houden. De provincie Limburg kent wel een subsidieregeling voor restauratie van een cultuurhistorisch waardevol gebouwen. Omdat subsidiepotten van de Provincie niet onuitputtelijkzijn, is het wenselijk dat de subsidie zo spoedig mogelijk wordt aangevraagd. Daarvoor is het echter noodzakelijk dat spoedig aanwijzing tot gemeentelijk monument plaatsvindt, waarvoor eerst de herziening van huidige Erfgoedverordening noodzakelijk is. De aanwijzing van een gemeentelijke monument doorhet college van burgemeester en wethouders vindt plaats na advies van de Monumentencommissie “Mergelland ”. Mede gelet opde bijzondere cultuurhistorischekwaliteiten van beide beeldbepalende panden wordt de aanwijzing kansrijk geacht. Om voorprovinciale subsidie in aanmerking te komen dient waar nodig ooknog te worden voorzien in een omgevingsvergunning voor herbestemming van het pand. Het herbestemmingsplan voor pand Bovenstraat 21 te Noorbeek is al door de Monumentencommissie akkoord bevonden. De formele procedure ter verkrijging van de benodigde omgevingsvergunning zal parallel lopen aan de aanwijsprocedure.

De kerk van Rijckholt zal na restauratie een verbreed gebruik krijgen, waarvoorgeen omgevingsvergunning is vereist. Resumerend kan doorbovenstaande stappen worden voldaan aan de uitgangspunten van provinciale subsidieregeling, waardoor het verkrijgen van restauratiesubsidies voor beide panden kansrijk en haalbaar wordt geacht, mits de subsidiepotten van de provincie niet zijn uitgeput. Het is overigens niet de bedoeling om zomaar gemeentelijke monumenten aan gaan te wijzen. De aanwijzing tot gemeentelijk monument vindt alleen plaats: voorbeeldbepalende panden die al zijn beschermd op basis van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten Eijsden-Margraten ’ of anderszins cultuurhistorisch waardevolle panden die al een beschermde status hebben. als de aanwijzing noodzakelijk is om Provinciale subsidie te ontvangen voor (grootschalige) restauratie van het pand. In dit geval wordt de restauratie van het pand zonder deze subsidie niet haalbaar geacht, waardoorde instandhouding van het pand optermijn niet mogelijk is 3

in overleg en met instemming met de eigenaar van het pand. Beide beeldbepalende panden waarvooreen urgente restauratieopgavegeldt voldoen aan deze criteria. De Erfgoedverordening vormt in dit geval de basis vooraanwijzing van het gemeentelijke monument. Dit is ookals zodanig in de toelichting van deze verordening verwoord.

Relatiemetbestaandbeleidenstrategische visie / integraliteit Strategische visie 2022 - vernieuwen doorverbinden en hetbestuursakkoord 2022-2026- goed leven in elkekern]zowel de visie als bestuursakkoordonderschrijven het belang van materieel en immaterieel erfgoed.

Gevolgen-------- *—---------------------- -------- ---- --------------------- —---------------- -----— Burgerparticipatie,toelichting enverantwoording n.v.t.

Financiële enpersonele aspecten,incidenteel / structureel,begrotingspost n.v.t.

Planning, uitvoeringenevaluatie Na vaststelling dooruw raad wordt de Erfgoedverordening opde gebruikelijke wijze bekend gemaakt. De verordening treedt 8 dagen na bekendmaking in werking.

Communicatie De Erfgoedverordening zal opde gebruikelijke wijze bekend worden gemaakt.

Maatschappelijkeeffecten Eigenaren van beeldbepalende panden, die grootschalige restauraties moeten uitvoeren kunnen door de aanwijzing tot gemeentelijk monument in aanmerking komen voorsubsidie van de Provincie Limburg. Zonder deze subsidie is het vrijwel onmogelijk om dit soortpanden in stand te houden. Behouden van dit waardevolle erfgoed komt te goede aan de karakteristieke belevingswaarde en identiteit van de gemeente.

Privacy n.v.t.

Risico’s Aanwijzing en beschermen van cultuurhistorisch erfgoed via de Erfgoedverordening kan doorburgers als belastend worden ervaren. Aanwijzing van gemeentelijke monumenten zal alleen plaatsvinden in overleg en overeenstemming met eigenaren e.e.a. ter verkrijging van provinciale subsidie. Voorwat betreft het overige erfgoed is er echter geen wijziging ten opzichte van de bestaande Erfgoedverordening. Er zullen altijd eigenaren zijn die bezwaar hebben tegen de aanwijzing van erfgoed.

Het college van Eijsden-Margraten De gemeentesecretaris,

De voorzitter,

Drs. M.A.G. Gerits

Drs. G.J.M. Cox

ê gemeente

eijsden-margraten

RAADSBESLUIT

De raad van de gemeente Eijsden-Margraten gelezen het voorstelvan burgemeester en wethouders; gelet opde behandeling

in de Dialoogvergadering Leefomgeving;

Besluit: De Erfgoedverordening Eijsden-Margraten

2022zoals

opgenomen in de bijlage vast te stellen.

Aldus besloten in de openbare vergadering van 18 oktober2022.

5

ê ^

6

gemeente

eijsden-margraten

Bijlage

Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022 Paragraaf 1 Algemeen Artikel1.

Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende voorschriften wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder: a archeologisch bodemarchief: alle informatie die in de bodem ligt opgeslagen en daarin terecht is gekomen dooractiviteiten van mensen en doornatuurlijke processen; b archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureelerfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voor­ werpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; c archeologisch onderzoek: onderzoek verricht volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie (KNA) doorof namens een dienst of instelling die over certificering beschikt; d archeologische vondst: overblijfsel, voorwerpof ander spoorvan menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; e beeldbepalend pand: een opgrond van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten EijsdenMargraten ” aangewezen gebouwof onderdeel van een gebouwdat kenmerkend is voorhet cul­ tuurhistorische beeld en van cultuurhistorischewaarde is vanwege de historische verschijnings ­ vorm, de historische ruimtelijke samenhang en/of historische betekenis, f beschermd gemeentelijk cultuurgoed: cultuurgoeddat, of verzamelingen van cultuurgoeddie, als zodanig is aangewezen opgrond van artikel 4 van deze verordening, of zolang nog geen opsomming

vooreen verzameling is vastge­ steld, cultuurgoeddat redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verza­ meling valt; g beschermde gemeentelijke verzameling: verzameling die is aangewezen opartikel 4 van deze verordening; h cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loopvan de tijd tot stand ge­ bracht doorde mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toe­ komstige generaties een referentiekader bieden; / cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureelerfgoed j

Gemeentelijke adviescommissie de doorde gemeenteraad ingestelde commissie, met als taak om het college opverzoek onder andere te adviseren over de toepassing van de Erfgoedwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de (toekomstige)Omgevingswet, deze verordening en het erfgoedbeleid in het al­ gemeen. De taken samenstelling, benoeming en werkwijze van de commissie zijn vastgelegd in een afzonderlijke verordening of regelement.

Pagina 2/19 k

gemeentelijk archeologisch monument: archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; I gemeentelijk erfgoedregister het register waarin het in overeenstemming met deze verordening aangewezen en beschermde cultureelerfgoed is geregistreerd; m gemeentelijk monument: gebouwd monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; n gemeentelijk stads-ofdorpsgezicht: stads- of dorpsgezicht dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; o gemeentelijke archeologiebeleid: het doorde gemeenteraad vastgestelde beleid ten aanzien van het archeologische bodemarchief; p gemeentelijke archeologische beleidskaart: kaart, die onderdeel uitmaakt van het gemeentelijk archeologiebeleid en waarop archeolo­ gische monumenten, archeologische vindplaatsen en archeologische verwachtingen zijn aangegeven; q monument: 1. een onroerende zaak die deel uit maakt van het cultureelerfgoed en van algemeen belang is vanwege schoonheid, betekenis voorde wetenschap, archeologische, bouwhistorische, natuur­ historische, historisch landschappelijke of cultuurhistorischewaarde; 2.

een terrein of gebied dat van algemeen belang is wegens één of meerdere daar aanwezig of te verwachte zaken als bedoeld onder 1; t Minister: de Minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap; u kerkelijkmonument: onroerend monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente, parochie of een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of vooreen overwegend deel wordt gebruikt voorde uit­ oefening van de eredienst; v omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo); w onderzoek: een onafhankelijke en deskundige cultuurhistorische rapportageals bedoeld in hoofdstuk5 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht MOR) naar: de architectonische, bouwhistorische, interieurhistorische, kleurhistorische, tuinhistorische, wetenschappelijke en/of cultuurhistorischewaarde van een beschermd rijksmonument of een gemeentelijk monument; of de esthetische kwaliteiten, de ruimtelijk (bouw)historische en kleurhistorische kenmerken evenals de wetenschappelijke en cultuurhistorischewaarde van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; of de archeologische relicten in de bodem; x rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister als be­ doeld in artikel 3.3 van de Erfgoedwet; y stads-ofdorpsgezicht; groepvan onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens

hun schoonheid, hun onder­ linge ruimtelijke of structurelesamenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; z verzameling: cultuurgoederendie uit cultuurhistorischofwetenschappelijk oogpuntbij elkaar horen

Pagina 3/19

Artikel2. 1 2

Gemeentelijk erfgoedregister

Burgemeester en wethouders houden een dooreenieder te raadplegen gemeentelijk register bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen cultureelerfgoed. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureelerfgoed.

Paragraaf 2 Deaanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen enverzamelingen Artikel3. 1

2

3 4

5

Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een cultuurgoeddat van bijzondere cultuurhistorischeofwetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onver­ vangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voorhet gemeentelijk cultuurbeziten dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwdaan te wijzen als beschermd gemeentelijk cultuurgoed. Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cul­ tuurhistorische ofwetenschappelijke betekenis, die als geheel of dooreen of meer van de cultuur ­ goederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voorhet gemeentelijk cultuurbeziten die in eigendom van de ge­ meente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwdaan te wijzen als beschermde ge­ meentelijk verzameling. Voorde aanwijzing van een cultuurgoeddat of een verzameling die aan de zorg van de ge­ meente is toevertrouwdis toestemming van de eigenaar vereist. Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een beschermd gemeentelijk cultuurgoedof een beschermde gemeentelijke verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoorvraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet.

Dit artikel is niet van toepassing op: a beschermde cultuurgoederenen beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en b cultureelerfgoed dat is aangewezen opgrond van een provinciale erfgoedverordening als be­ doeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet.

Artikel4 1

2

3

Aanwijzing als beschermdgemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Wijziging, intrekkingenvervallen van deaanwijzing als beschermdgemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, ambts ­ halve wijzigen of intrekken. Artikel 3, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het cultuurgoedof de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het cultuurgoedof de verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a beschermd cultuurgoedof beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erf­ goedwet, of b beschermd cultureelerfgoed opgrond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Pagina 4/19

Paragraaf 3 Aanwijzing gemeentelijk erfgoed Artikel5 1

2 3

Artikel6 1

2

3

4

2

2 3

2

2

3

Beslistermijn eninhoud aanwijzingsbesluit

Op een voornemen om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na de dag dat het voornemen tot aanwijzing is bekend gemaakt. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding, de kadastrale aanduiding of een gebiedsaanduiding, de datum van aanwijzing, en een redengevende omschrijving van het ge­ meentelijke monument of het gemeentelijke archeologisch monument.

Artikel10 1

AdviesGemeentelijke adviescommissie

Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 advies aan de Ge­ meentelijke adviescommissie, die als zodanig doorde gemeenteraad is aangewezen. De Gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn ophet ge­ bied van de archeologie, erfgoed en monumentenzorg bij het advies. De Gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaan ­ vraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit.

Artikel9 1

Voorbescherming

De bescherming van paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing ophet beeldbepalende pand of het archeologisch monument, ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 6 is bekendgemaakt. De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt ophet moment van inschrijving van de aan ­ wijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of ophet moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of doorde bestuursrechter wordt vernietigd.

Artikel8 1

Voornemen tot aanwijzing

Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 5 wordt doorhet college opde gebruikelijke wijze gepubliceerdvia de plaatselijke informatiekanalen, waarbij voorbelanghebbenden de moge­ lijkheid om zienswijzen naar voren te brengen wordt aangegeven. Indien het ontwerpbesluit betrekking heeft opeen beperkt aantal objecten en percelen wordt het voornemen om toepassing te geven aan artikel 6 doorhet college tevens schriftelijk bekendge ­ maakt aan alle zakelijk gerechtigden van de onroerende zaak, die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Het bepaalde in lid 2 is niet van toepassing voorhypothecaire schuldeisers. Voorzover dit inge ­ volge de hypothecaire overeenkomst noodzakelijk is, worden de hypothecaire schuldeisers door hypotheekgevers (eigenaren) in kennis gesteld van het voornemen tot aanwijzing. Voordateen kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voorne­ men met de eigenaar.

Artikel7 1

Aanwijzing als beschermdgemeentelijk erfgoed

Burgemeester en wethouders kunnen in overleg en met instemming van de eigenaar besluiten een beeldbepalend pand, dat van bijzonder belang is voorde gemeente aanwijzen tot gemeente ­ lijk monument Burgemeester en wethouders kunnen ambtshalve besluiten een archeologisch monument, dat van bijzonder belang is voorde gemeente aanwijzen tot gemeentelijk archeologisch monument. Dit artikel is niet van toepassing oprijksmonumenten.

Bekendmaking aanwijzingsbesluitaan rechthebbenden eninschrijving

De aanwijzing wordt opde gebruikelijke wijze via de plaatselijke informatiekanalen bekendge ­ maakt gemaakt. Indien de aanwijzing betrekking heeft opeen beperkt aantal objecten en percelen wordt de aanwij ­ zing tevens schriftelijk bekendgemaakt aan alle eigenaren van de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het ge­ meentelijk erfgoedregister

Pagina 5/19

Artikel11 1

2

3

4

5

Artikel12 1

2

3

Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk (archeologisch) monument

In een spoedeisend geval kunnen burgemeester en wethouders ambtshalve een beeldbepalend pand of een archeologisch monument aanwijzen als voorlopiggemeentelijk monument of voorlo ­ pig gemeentelijk archeologisch monument. In afwijking van artikel 8 wordt in dat geval aan de Gemeentelijke adviescommissie advies ge­ vraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopiggemeentelijk monument of voorlopigge­ meentelijk archeologisch monument. Een aanwijzing als voorlopiggemeentelijk monument of voorlopiggemeentelijk archeologisch monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 5. Paragraaf 4 is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment van bekendmaking van het besluit van het college tot aanwijzing van het voorlopiggemeentelijk monument of het voorlopig gemeentelijk archeologisch monument. Artikel 10 is van overeenkomstige toepassing opdeze aanwijzing.

Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument

Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van (voorlopige)gemeentelijke monumenten of (voorlopig)gemeentelijk archeologisch monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Als de wijziging ziet ophet schrappen uit het register is paragraaf 3 van overeenkomstige toepas­ sing, tenzij het (voorlopige)gemeentelijke monument of het (voorlopig)gemeentelijk archeolo­ gisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijke monument of het ge­ meentelijk archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het ge­ meentelijk erfgoedregister.

Paragraaf 4 Bescherminggemeentelijk erfgoed Artikel13

Instandhoudingsplïcht gemeentelijk erfgoed

Het is verboden een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument te bescha ­ digen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voorde instandhouding daarvan nood­ zakelijk is.

Artikel14 1

Omgevingsvergunning gemeentelijk monument

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument: a af te breken, te verplaatsen, te bekladden, te beschadigen of te vernielen, te wijzigen, of: b te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken opeen dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voorzover detaillering, profilering, vormgeving, materi­ aalsoorten kleur van het monument niet wijzigen, en voorzover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. inpandige veranderingen van het monument, voorzover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpuntvan monumentenzorg zonder betekenis is. 3. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de monumentenzorg voorwaarden ver­ binden aan de omgevingsvergunning ten behoeve van de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of een gemeentelijk archeologisch monument.

Pagina 6/19

Artikel15 1

Intrekken van deomgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 14, eerste lid kan doorburgemeester en wethou­ ders worden ingetrokken indien blijkt dat: a als de verlening berust oponjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouhebben geleid; b voorzover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoorde omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewij­ zigde voortzetting van die activiteit verzetten.

Artikel16 1

Weigeringsgronden

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14 kan slechts worden verleend als het belang van het erfgoed zich daartegen niet verzet. Een omgevingsvergunning vooreen kerkelijk monument wordt, voorzover deze betrekking heeft opreligieuze aspecten, niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar.

2

Paragraaf 5 Rijksmonumenten Artikel17 1.

2.

Adviesomgevingsvergunning rijksmonument

Burgemeester en wethouders zenden onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning vooreen rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en on­ der f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vooradvies aan de Gemeentelijke ad­ viescommissie. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 6 Gemeentelijke stads-of dorpsgezichten Artikel18 1. 2.

3. 4. 5.

6.

7.

De gemeenteraad kan, opvoorstelvan burgemeester en wethouders, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Burgemeester en wethouders vragen, voorafgaande aan het voorstelaan de gemeenteraad, ad­ vies aan de Gemeentelijke adviescommissie. Artikel 8, tweede en derde lid, zijn van overeenkom­ stige toepassing. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het ge­ meentelijk erfgoedregister. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een opgrond van het eerste lid aangewezen be­ schermd stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke orde­ ning. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan hiertoe een ter­ mijn worden gesteld. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van het vorige lid kun­ nen worden aangemerkt, dan wel of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke or­ dening kan worden vastgesteld. . Dit artikel is niet van toepassing opbeschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen opgrond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988.

Artikel19 1

Aanwijzing als beschermdgemeentelijk stads-of dorpsgezicht

Wijziging, intrekkingenvervallen van deaanwijzing als beschermdge­ meentelijke stads-of dorpsgezicht

De gemeenteraad kan, opvoorstelvan het burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwij ­ zing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de

Pagina 7/19

2

aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister.

Artikel20 1

2

3 4

Verbodsbepaling enaanvraag vergunning

Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerkte slopen. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeelvan burge­ meester en wethouders niet aannemelijk is dat opde plaats van het te slopen bouwwerkeen an ­ der bouwwerkkan of zal worden gebouwd. De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing. Het eerste lid is niet van toepassing ophet slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de ar­ tikelen 13, 1 3a of 1 3b van de Woningwet.

Paragraaf? Artikel21

Archeologie Vangnetarcheologie

1.

Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar arche ­ ologische vondsten worden verwacht, als in het daar geldende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: a voorde activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; b het de verstoring betreft die geen strijd oplevertmet de doorburgemeester en wethouders vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; c de activiteit plaatsvindt opbasis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorischewaarden en in de grond aanwezige ofte verwach ­ ten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voorarcheologische waarden wordt voorkomen of d met een vooronderzoekis aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2. Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.

Paragraaf 8 Handhaving entoezicht Artikel22

Strafbepaling

Degene die handelt in strijd met artikel 13 of het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel23 1.

Toezichthouders

Met het toezicht opde naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van Burgemeester en wethouders aan te wijzen personen.

Paragraaf 9 Slotbepalingen Artikel24

Intrekken ouderegeling

Op het moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Erfgoedverordening EijsdenMargraten 2013 ”, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 18 december 2012, ingetrokken.

Artikel25 1

Overgangsrecht

Een krachtens de in artikel 24 genoemde verordening aangewezen en geregistreerd gemeentelijk monument, gemeentelijk archeologisch monument of gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt geacht te zijn aangewezen in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening.

Pagina 8/19 2

Aanvragen die zijn ingediend voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening wor­ den afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2013.

Artikel26 1 2

Inwerkingtreding enciteerregel

Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Erfgoedverordening Eijsden-Margraten 2022'.

Pagina 9/19

TOELICHTING ERFGOEDVERORDENING EIJSDEN-MARGRATEN 2022 ALGEMENE TOELICHTING Deze Erfgoedverordening voorzietin: een basis ter verkrijging van provinciale restauratiesubsidie voorbeeldbepalende panden, waar ­ voorhet nodig is om deze panden aan te wijzen tot gemeentelijk monument, wijzigingen als gevolg van de inwerkingtreding van Erfgoedwet in 2016 wijzigingen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023.

Basisvoor subsidieverlening grootschalige restauraties De Erfgoedverordening 2013kent niet de mogelijkheid om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Dat was een bewuste keuze. Na de herindeling van de voormaligegemeente Eijsden en Margraten is er gekozen om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aan te wijzen tot beeldbepalend pand en te beschermen opbasis van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten EijsdenMargraten ”. In materiële zin is deze bescherming gelijk aan de bescherming van gemeentelijke monu­ menten. Ook kent de gemeente Eijsden-Margraten een subsidieregeling voorbeeldbepalende panden en objecten, die overeenkomt met de subsidieregeling welke andere gemeenten hanteren voorgemeen ­ telijke monumenten. Onlangs hebben zich twee eigenaren van beeldbepalende panden gemeld die voornemens zijn om een grotere restauratie uit te voeren. Het betreft de algehele restauratie van de vakwerkboerderij aan de Bovenstestraat 21 te Noorbeeken de restauratie van het dak van de kerk van Rijckholt. De subsidieverordening Cultureelerfgoed van de gemeente Eijsden-Margraten voorzietniet in de subsidiëring van grootschalige restauraties van beeldbepalende panden, die soms wel nodig is om een cultuurhistorischwaardevol gebouwin stand te kunnen houden. De provincie Limburg kent wel een subsidieregeling voorrestauratie van een cultuurhistorischwaardevol gebouwen.

Omdat subsidies van de Provincie niet onuitputtelijkzijn is het wenselijk dat de subsidie zo spoedig mogelijk wordt aan ­ gevraagd. Daarvoor is het echter noodzakelijk dat spoedig aanwijzing tot gemeentelijk monument plaatsvindt, waarvoor herziening van huidige Erfgoedverordening noodzakelijk is. Het is overigens niet de bedoeling om zomaar gemeentelijke monumenten aan gaan te wijzen. De aan ­ wijzing tot gemeentelijk monument vindt alleen plaats: voorbeeldbepalende panden die al zijn beschermd op basis van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten Eijsden-Margraten ofanderszins cultuurhistorischwaardevolle panden die al een beschermde status hebben. als de aanwijzing noodzakelijk is om Provinciale subsidie te ontvangen voor(grootschalige) restau­ ratie van het pand. In dit geval wordt de restauratie van het pand zonder deze subsidie niet haalbaar wordt geacht, waardoorde instandhouding van het pand optermijn niet meer mogelijk is in overleg en met instemming met de eigenaar van het pand. De Erfgoedverordening vormt in dit geval de basis vooraanwijzing van het gemeentelijke monument.

Gewijzigde Erfgoedwet In 2016 is de nieuwe Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet vervangt o.a. de Monumentenwet 1988, waarop de huidige Erfgoedverordening opwas gebaseerd. De Erfgoedwet is echter breder. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen ophet gebied van het cultureelerfgoed. Naast de Monumentenwet 1988 zijn de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 betreffende onrechtmatige invoer, uitvoerof eigendomsoverdracht van cultuurgoederenen de Wet tot teruggave cultuurgoederenafkomstig uit bezet gebied in de wet opgenomen.

Omgevingswet Per 1 januari 2023 treedt wellicht de nieuwe Omgevingswet in werking. Deze wet bundelt vrijwel alle regels voorde fysieke leefomgeving. Ook de besluitvorming over cultureelerfgoed zal vanaf 2023 wor­ den geregeld via de Omgevingswet, met name in het daarop gebaseerde omgevingsplan. De Erf­ goedwet en de toekomstige Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke

Pagina 10/19 leefomgeving. In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-op-éénworden overgenomen. Wel vindt opeen aantal wetstechni ­ sche, procedureleen inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van beschermde stads­ en dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks om­ gevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet anticipeert in ze­ kere zin opde invoering van de Omgevingswet doorovergangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 deels van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is de nieuwe Erfgoedverordening zowel gebaseerd opde Erfgoedwet als opde Monumentenwet 1988. In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunnin­ gen nagenoeg één-op-één wordenovergenomen. Wel vindt opeen aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte.

Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke adviescommissies, de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten, in dat kader opgesteldebeschermende bestemmingsplan ­ nen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestem­ mingsplannen en omgevingsvergunningen zullen overgaan naarde Omgevingswet. In dit verband moet worden opgemerktdat, afhankelijk van de definitieve inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan uw raad in december een set lokale regels wordt voorgelegd die gereed zijn gemaakt voorde inwerkingtreding van de Omgevingswet. Van deze set regels zal dan ook deze Erfgoedverordening deel uitmaken, zij het in een andere gedaante. Ondanks de korte tijdsperiode tussen de (mogelijke) vaststelling van deze Erfgoedverordening en de genoemde set lokale regels, is er voorgekozen om deze Erfgoedverordening reeds nu aan u voorte leggen. Reden is het risico dat de provinciale subsidiepotleeg is als nog een paar maanden wordt gewacht. Voorde goede orde, zoals gezegd heeft het probleem dat aanleiding is tot het opstellen van deze Erfgoedverorde­ ning, zich pas recent gemanifesteerd.

Cultuurgoederen Doorde invoering van de Erfgoedwet en de toekomstigeOmgevingswet is het bereik van de gemeen ­ telijke erfgoedverordening in vergelijking met de voorgaande verordening breder. Het betreft nu monu­ menten én cultuurgoederen.In de nieuwe Erfgoedverordening is analoog aan het VNG ookde moge­ lijkheid geboden tot aanwijzing en bescherming van roerend cultuurgoed.Hierover is nog geen ge­ meentelijk beleid ontwikkeld. Desondanks vinden wij het belangrijk om de nieuwe Erfgoedverordening zoveel mogelijk in lijn te laten lopen met de nationale regelgeving en alvast een juridische basis te bieden voortoekomstigbeleid. Zolang dooruw raad nog geen beleid hierover is vastgesteld zal geen aanwijzing van gemeentelijk cultuurgoedplaatsvinden. Het is overigens nog dit jaar de bedoeling om aanvang te maken met het ontwikkelen van nieuw erfgoedbeleid. Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooralde bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de verwachte invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erf­ goedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Doorde invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke erfgoedver­ ordening in vergelijking met de voorgaande verordening breder. Het betreft nu monumenten én cultuur ­ goederen.

Reikwijdte De Erfgoedwet integreert de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstan ­ diging museale diensten, de Monumentenwet 1988 (Mw1988), de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 betreffende onrechtmatige invoer, uitvoerof eigen ­ domsoverdracht van cultuurgoederenen de Wet tot teruggave cultuurgoederenafkomstig uit bezet ge­ bied. In aansluiting opde Erfgoedwet is gekozen vooreen brede Erfgoedverordening die conform het begrip 'cultureelerfgoed’ ziet opzowel onroerend cultureelerfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). Archeologische waarden moeten, op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 5.2 van het Besluit omgevingsrecht, in beginsels worden geborgd via het ruimtelijke spoor(lees:

Pagina 11/19 de bestemmingsplannen en de afwijkvergunning op basis van de Wabo). Omdat er binnen de ge­ meente nog bestemmingsplannen zijn waarin de bescherming van het archeologische bodemarchief niet is opgenomen, voorzietdeze verordening in het overgangsrecht en een vangnetbepaling. Deze vangnetbepaling was ookreeds opgenomen in artikel 16 van de oude Erfgoedverordening. De vang ­ netbepalingen uit de oudeverordening zijn in artikel 21 overgenomen.

Wettelijke grondslag De grondslag voordeze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en, opde voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de Monumentenwet 1988. Deze laatste wetgeving blijft opgrond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast zijn ookde artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met de bescherming van monumen ­ ten doormiddel van omgevingsvergunningen.

Systematiek eninhoud Voorwat betreft de systematiek en inhoud van deze verordening is grotendeels de modelverordening van de VNG overgenomen.

Pagina 12/19

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Paragraaf 1 Algemeen Artikel1

Begripsbepalingen

In dit artikel zijn alle relevante begripsbepalingen gedefinieerd, die in deze verordening worden gebruikt.

Artikel2

Gemeentelijk erfgoedregister

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daar ­ mee van toepassing opal het cultureelerfgoed, ongeacht of het om onroerende ofroerende zaken gaat, dat is aangewezen opgrond van deze verordening. Het woord“onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling. Het erf­ goedregister is openbaar raadpleegbaar opinternet via het ‘erfgoedregister’. Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking opal het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cul­ tureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om doorhet gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten, archeologische monumenten of cultuurgoe ­ deren.

Paragraaf 2 Deaanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen enverzamelingen Artikel3

Aanwijzing als beschermdgemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukkenvan het gemeentelijk cultuurbezitworden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederenof beschermde gemeentelijke verzamelingen, voorzover deze niet al voorhet Nederlandse cultuurbezitals beschermde cultuurgoederenzijn aangewezen door de minister opgrond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of doorgedeputeerdestaten opgrond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoedofverzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoedof beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 3 van deze verordening zullen ze ingeschre ­ ven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan doorde gemeente ofwanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom ofde zorg voor het cultuurgoeddat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd.De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoedof de betreffende verzameling.

De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederenen verzamelingen kan uitsluitend be­ trekking hebben opcultuurgoederenen verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cul­ tuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd.Dat kan bijvoor­ beeld het geval zijn bij cultuurgoederendie doorde gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Vooraanwijzing van dergelijke cultuurgoederenis overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voortsin het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere juridische voorwaarden in acht nemen. Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederenvan derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederenof verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermings ­ regime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau be­ schermde cultuurgoederen(zie Hoofdstuk4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbe ­ voegdheid voorburgemeester en wethouders te creëren.

Pagina 13/19

Artikel4

Wijziging, intrekkingenvervallen van deaanwijzing als beschermdgemeentelijk cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling

Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrek ­ king van de status als beschermd gemeentelijke cultuurgoedof beschermde gemeentelijke verzameling dezelfde adviesproceduregeldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaan ­ duiding i.v.m. verhuizing van een cultuurgoednaar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijk bruikleen wordt gegeven aan een museum.Voortsis hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoedofde verzameling waaropde aanwijzing betrekking doorde minister opeen provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoedof beschermde verzameling.

Paragraaf 3 Aanwijzing gemeentelijk erfgoed Artikel5

Deaanwijzing als gemeentelijk erfgoed

Algemeen Dit artikel regelt de toekenning van de status gemeentelijk monument of gemeentelijk archeologisch monument. De Erfgoedverordening 2013kent (opgrond van artikel 11 lid 1) wel de mogelijkheid tot de aanwijzing van een archeologisch monument, maar niet de mogelijkheid om gemeentelijke monumen ­ ten aan te wijzen. Dat was een bewuste keuze. Na de herindeling van de voormaligegemeente Eijsden en Margraten is er gekozen om cultuurhistorisch waardevolle gebouwen aan te wijzen tot beeldbepalend pand en te beschermen op basis van het "Pa­ raplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten Eijsden-Margraten ”. In materiële zin is deze bescherming gelijk aan de bescherming van gemeentelijke monumenten. Ook kent de gemeente Eijsden-Margraten een subsidieregeling voor beeldbepalende panden en objecten, die overeenkomt met de subsidieregeling welke andere gemeenten hanteren voor gemeentelijke monumenten. Deze subsidieregeling voorzietechter niet of onvoldoende in grootschalige restauraties, die soms nodig zijn om een cultuurhistorisch waardevol gebouw in stand te kunnen houden. De Provincie Limburg kent echter de subsidieregeling “Restauratie Monumenten ”, die grootschalige restauraties aan waardevolle historische bebouwing mogelijk maakt. Om in aanmerking te komen voordeze regeling moet een pand zijn aangewezen tot rijksmonument of gemeentelijk monument.

Doorin deze verordening de mogelijk­ heid opte nemen tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, kunnen eigenaren van aangewe ­ zen gemeentelijke monumenten in aanmerking komen voorrestauratiesubsidie van de Provincie Lim­ burg. Het is overigens niet de bedoeling om zomaar gemeentelijke monumenten aan gaan te wijzen. De aan ­ wijzing tot gemeentelijk monument vindt alleen plaats: voorbeeldbepalende panden die al zijn beschermd op basis van het “Paraplu bestemmingsplan beeldbepalende panden en objecten Eijsden-Margraten ofanderszins cultuurhistorischwaardevolle panden die al een beschermde status hebben. als de aanwijzing noodzakelijk is om Provinciale subsidie te ontvangen voor(grootschalige) restau­ ratie van het pand. In dit geval wordt de restauratie van het pand zonder deze subsidie niet haalbaar wordt geacht, waardoorde instandhouding van het pand optermijn niet meer mogelijk is in overleg en met instemming met de eigenaar van het pand. De Erfgoedverordening vormt in dit geval de basis vooraanwijzing van het gemeentelijke monument. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument.

Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monumenten tot be­ schermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voormonumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ookde belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en

Pagina 14/19 gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen der­ halve concreet worden onderzocht. Artikel 2 van de oudeverordening (vergelijkbaar met het oudeartikel 2, eerste lid, van de Monumenten ­ wet 1988) over het gebruik van het monument, keert niet terug in deze verordening. Voorde aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van een monument geen belang toe dat niet al opgrond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureelerfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Lid 1 De gemeenteraad stelt het beleid en de juridische instrumenten, zoals deze verordening, vast. Het col­ lege geeft uitvoering aan het vastgestelde beleid. Gelet ophet duale systeem is de aanwijzingsbevoegd ­ heid dan ookneergelegd bij het college. Voordattot aanwijzing wordt besloten worden eerst alle betrok­ ken belangen afgewogen.

De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen cultuurhistorischewaarden dient nadrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren te ko­ men (de indicatieve redengevende omschrijving). De aanwijzing geeft geen recht opschadevergoeding. De aanwijzing verandert immers niets aan het gebruik van het monument. Lid 2 Monumenten die al opde rijkslijst voorkomen, komen niet in aanmerking vooraanwijzing als gemeen ­ telijk monument. Dit geldt niet als het rijk voornemens is om de van bescherming van rijkswege te laten vervallen. In dit geval kan voorafgaande aan het vervallen van de rijksbescherming het object, terrein ofgebied reeds worden aangewezen tot gemeentelijk monument, waarmee wordt voorkomendat object of gebied na het vervallen van de rijksstatus vogelvrij is. Anderzijds vervalt de gemeentelijke bescher ­ ming na aanwijzing van het object of gebied tot rijksmonument.

Artikel6

Voornemen tot aanwijzing

Lid 1 en2 Op de voorbereiding van het aanwijzingsbesluit is Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat, voorzoverhet ontwerpbesluitbetrekking heeft opeen beperkt aan ­ tal objecten en/of percelen, het ontwerp besluit voorafgaande aan de terinzagelegging wordt toegezon­ den aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan, met vermelding van de mogelijkheid voorbelanghebbenden om binnen een termijn als aangegeven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzen naar voren te brengen bij het college. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ookvan toepassing. Lid 3 Onder zakelijk gerechtigden vallen in principe ookde ingeschreven hypothecaire schuldeisers. In het verleden is echter gebleken dat de namen, rechtspersoon en adressen van ingeschreven hypothecaire schuldeisers vaak niet meer kloppen, waardoor de kennisgevingen de hypothecaire schuldeisers niet bereiken. Om deze reden is ervoorgekozen om hypothecaire schuldeisers, voorzover dit opbasis van de hypothecaire overeenkomst noodzakelijk is, via de hypotheekgevers (eigenaren) in kennis te laten stellen van het voornemen tot aanwijzing omdat zij wel beschikken over de juiste gegevens.

Lid 4 Lid 4 is eigenlijk overbodig maar overgenomen uit de modelverordening van de VNG. De aanwijzing vindt immers altijd in overleg en met instemming van de eigenaar plaats.

Artikel7

Voorbescherming

Het is soms wenselijk om in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbe­ scherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekend ­ gemaakt aan de zakelijk gerechtigden. Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voorrijksmonu­ menten die voortvloeituit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voorinwer ­ kingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voorrijksmonu­ menten). Indien tegen het besluit tot voorbescherming (hoger)beroep is ingesteld, blijft de

Pagina 15/19 voorbescherming van kracht totdat onherroepelijk op het (hoger)beroep is beslist, tenzij voorlopige voorziening is gevraagd en de voorzieningenrechter beslist de voorbescherming opte heffen.

Artikel8

Adviesgemeentelijke adviescommissie

Voorafgaande dat het voornemen tot aanwijzing wordt bekend gemaakt, wordt advies gevraagd aan de Gemeentelijke adviescommissie. Dit artikel regelt de inschakeling van de commissie en de termijn waar ­ binnen de commissie haar advies moet uitbrengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=576afbbb-4f58-466b-b20a-6d31d99ec6d6