CConstaterende datEijsden-Margraten
Koppel je AI →
Document · PDF

20220524 17l Bijlage 4.05 bij Toelichting Archeologisch bureauonderzoek en booronderzoek.pdf

* Raadsvergaderingen 7 juni 2022, gemeente Eijsden-MargratenBij agendapunt: Bestemmingsplan Heiweg 7 st. Geertruid14.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK HEIWEG 7 TE ST. GEERTRUID GEMEENTE EIJSDEN-MARGRATEN

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Heiweg 7 te St. Geertruid Opdrachtgever

Arvalis Nuth Mauritsstraat 11 6361 AV Nuth

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

7679.002 1 24 augustus 2018

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

P. Beurskens MA

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

7679.002

Toponiem

Heiweg 7

Opdrachtgever

Arvalis Nuth

Gemeente

Eijsden-Margraten

Plaats

St. Geertruid

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Margraten, sectie S, nummer 203

Omvang plangebied

circa 2.890 m

Kaartblad

69D (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 180.518/Y: 309.484

Bevoegde overheid

Gemeente Eijsden-Margraten Amerikaplein 1 6269 DA Margraten T: 043 458 84 88 E: info@eijsden-margraten.nl

Contactpersoon: Nicky Pouw E:nickypouw@eijsden-margraten.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

ARCHEOCOACH Drs. Henk Stoepker Tienbundersweg 8 6321 CR Wijlre

T: 06-22153580 E: hstoepker@archeocoach.nl E: hstoepker@hetnet.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4627688100

Booronderzoek 4627696100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

2

Archeoregio NOaA

Limburgs lössgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, P. Beurskens MA

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Nuth in augustus 2018 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen uitbreiding van het kampeerterrein. Het plangebied is gelegen aan de Heiweg 7 te St. Geertruid in de gemeente Eijsden-Margraten. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van de gegevens van het bureauonderzoek geldt er een hoge archeologische verwachting voor resten van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en het Mesolithicum. De situatie op de rand van een hooggelegen plateau, dichtbij een dal en bij vuursteenmijnen was een geschikte locatie voor bewoning en activiteiten, zoals vuursteenbewerking. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van twee kampementen ten zuidwesten van het plangebied. Voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd geldt een lage verwachting. Er zijn relatief weinig vindplaatsen uit deze periodes bekend. Ook zijn er geen vondsten in de omgeving aangetroffen. Voor archeologische resten uit de Romeinse tijd geldt een hoge verwachting. Dichtbij ligt een (mogelijke) nederzetting en een grafveld.

Aangezien er weinig aanwijzingen zijn voor archeologische resten uit de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, geldt voor deze periodes een middelhoge verwachting. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de top van het profiel bestaat uit een 30 cm dikke bouwvoor met hieronder een colluviumdek. In de boringen die in het dal zijn gezet, bevindt zich onder het colluvium een Bt-horizont. Deze Bt-horizont is afgedekt/beschermd door het colluvium. Op een diepte van circa 70 cm –mv bevindt zich de C-horizont. In boringen die zich bevinden op de helling is onder de bouwvoor colluvium aangetroffen. Hieronder bevindt zich de C-horizont op een diepte van circa 70 cm –mv. Conclusie Op basis van de boorprofielen kan de hoge en middelhoge archeologische verwachting voor alle periodes worden gehandhaafd.

Rapport 7679.002 versie 1

Advies De opdrachtgever heeft aangegeven dat bij de toekomstige plannen 30 cm wordt opgehoogd en er niet dieper dan 30 cm graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden. Aangezien er in het booronderzoek is aangetoond dat het archeologisch niveau dieper dan de bouwvoor (bovenste 30 cm) bevindt, zullen de toekomstige plannen niet leiden tot verstoring van de eventuele archeologische resten. Econsultancy adviseert om een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard toe te passen. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Indien er bij toekomstige plannen dieper dan 30 cm –mv wordt gegraven/verstoord, dient er een vervolgonderzoek plaats te vinden. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Eijsden-Margraten). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016. Melding van archeologische waarden kan plaatsvinden bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor 2 het Cultureel Erfgoed) , de gemeente Eijsden-Margraten of de Provincie Limburg.

2

Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456

Rapport 7679.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 9 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 11 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 14

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 14 Methoden ........................................................................................................................ 14 Resultaten ....................................................................................................................... 15 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 16

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 16

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 18 BRONNEN .......................................................................................................................................... 19

Rapport 7679.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw van boring 3, 5 en 6 Hoofdlijn bodemopbouw van boring 1, 2 en 4

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Boorprofielen

Rapport 7679.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Nuth een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Heiweg 7 te St. Geertruid in de gemeente Eijsden-Margraten (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft de voornemens om het bestaande kampeerterrein uit te breiden. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in augustus 2018 door P. Beurskens Ma (archeoloog). Het booronderzoek is uitgevoerd door drs. M. Stiekema (senior prospector) en P. Beurskens Ma (archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (senior prospector).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 3 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:      3

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 1 van 19

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:            

2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Eijsden-Margraten; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1000 meter 4 rondom het plangebied. 2

De onderzoekslocatie, circa 2.890 m , ligt aan de Heiweg 7, ongeveer 2,5 kilometer ten zuidwesten van St. Geertruid in de gemeente Eijsden-Margraten (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte tussen circa 125,5 en 130 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Margraten, sectie S, nummer 203Volgens de topografische kaart van Nederland, 69D (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X: 180.518 / Y: 309.484. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als boomgaard en grasland. Aan de Heiweg 7 bevindt zich een camping (zie figuur 3). 5

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische verwachtings- en/of beleidskaart. Deze kaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart 4

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 5 Bestemmingsplannen, gemeente Eijdsen-Margraten.

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 2 van 19

maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Volgens de bijbe2 horende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2500 m en dieper dan 30 cm –mv. Volgens de archeologische monumenten- en verwachtingskaart en archeologische beleidskaart ligt 6 het plangebied in een zone met een middelhoge en lage archeologische verwachting (zie Figuur 4). Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket 7 geen milieuhygiënische onderzoeken uitgevoerd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. Het plangebied zal deel gaan uitmaken van het bestaande kampeerterrein aan Heiweg 7. De in het plangebied aanwezige kersenbomen zullen worden gerooid. In het verleden is voor de huidige camping het glooiend verloop van het terrein geëgaliseerd. Bij de egalisatie zijn er taluds gevormd. Het verloop van uitbreiding zal op een soortgelijke wijze worden aangepast. Het talud in de zuidwestelijke richting zal worden voortgezet. Voor de egalisatie zal een ophogingslaag worden aangebracht met een dikte van circa 30 cm. Verder zal tot maximaal 30 cm –mv onder het huidige maaiveld worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie8

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert; leem (löss) (Bx7)

6

Verhoeven & Moonen, 2012. GISViewer Limburg 8 De Mulder et al., 2003. 7

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 3 van 19

Geomorfologie

9

Bodemkunde10

Zuidelijk deel: afbraakwand (17/16A2) Noordelijk deel: droog dal (+/- dekzand/loss) (11/10S3) Bergbrikgronden; siltige leem (BLb6|B)

Landschappelijke ontwikkeling Het Zuid-Limburgse lössgebied ligt tussen de schiervlakte (= landschapsvorm waarin verwering en erosie het reliëf weggesleten hebben) van de Ardennen en de Centrale Slenk. Het gebied wordt gekenmerkt door een voor Nederlandse begrippen sterk reliëf: het is een heuvelland met een hoogteligging van ongeveer 60 - 320 m +NAP. In geologische termen wordt het onderzoeksgebied gerekend tot het Limburgs Massief, dat gekenmerkt wordt door een stelsel van zuidoost-noordwest georiënteerde tektonische breuklijnen. De oudste geologische sedimenten in Zuid-Limburg behoren tot het Carboon (ca. 360-286 miljoen jaar geleden). Deze sedimenten bestaan vooral uit steenkool. Op het Carboon liggen mariene sedimenten (kalksteen) behorend tot de Krijtkalk-groep uit het Boven-Krijt (ca. 100-65 miljoen jaar geleden). In de meeste gevallen zijn deze afzettingen afgedekt door tertiaire mariene afzettingen waartussen een bruinkoollaag voorkomt. Voor een deel zijn de Tertiaire afzettingen in een kustnabije omgeving ontstaan, zoals het miocene zilverzand dat bij de Heerlerheide bij Heerlen aan het oppervlak komt. Onder warme omstandigheden is in het Tertiair (ca. 65-2,4 miljoen jaar geleden) een schiervlakte gevormd. De bovenste lagen van de kalksteen uit het Krijt zijn daarbij diep verweerd, waardoor op sommige plaatsen alleen vuursteen overbleef.

Tussen deze vuursteen komt in het zogenaamde vuursteeneluvium (= verweringsproduct van de kalksteen) een typische rode klei voor. De Tertiaire schiervlakte is gedurende het Pleistoceen versneden tot een terrassenlandschap. In deze periode, tijdens de laatste fasen van het Midden Pleistoceen (Elsterien en Saalien), was het noordelijke deel van Nederland bedekt met landijs. In het zuiden van Nederland heersten periglaciale omstandigheden, vergelijkbaar met die op de toendra’s in noordelijk Siberië. De rivierterrassen van de Maas bestaan uit enkele meters tot een tiental meters dikke pakketten grof zand en grind. Door tektonische opheffing van het gebied sneed de Maas zich steeds dieper in. De hoogteverschillen tussen de terrassen bedragen maximaal enkele meters. De Maas heeft vrijwel over geheel Zuid-Limburg een dik pakket grind afgezet. Het grind ligt dus voornamelijk bovenop de kalksteenafzettingen. Doordat het gebied onder invloed van de tektoniek feitelijk een beetje kantelde, veranderde de locatie van het dal van de Maas ook. Uiteindelijk is de rivier op de huidige locatie beland en heet de rivier eigenlijk de Westmaas. De hoogste en oudste terrassen van Maas bevinden zich in het zuidoosten van ZuidLimburg. Deze hebben een vroegpleistocene ouderdom. Alleen in het uiterste zuidoosten zijn geen pleistocene afzettingen van de Maas aanwezig.

Hoe verder de terrassen zich uitbreiden naar het noordwesten, hoe jonger ze worden en hoe lager ze liggen, waarbij de jongste terrassen vlak langs de huidige Maas liggen. Ter hoogte van Sint Geertruid bevinden zich Maassedimenten met een vroeg-pleistocene ouderdom (de Afzettingen van Sint Geertuid). Diverse kleinere en grotere zijbeken van de Maas, waaronder de Geul, hebben zich in de Maasterrassen ingesneden. Deze insnijding heeft plaatsgevonden nadat een terras door de Maas is verlaten. De beekdalen en beken zullen 11 daarom dus altijd jonger zijn dan de terrassen van de Maas. In veel gevallen is het reliëf van de Maasterrassen verminderd omdat de terrassen bedekt zijn met in het Midden en Laat Pleistoceen afgezette löss. Löss is een zeer fijnkorrelig sediment dat oorspronkelijk onder extreem koude en droge omstandigheden door de wind is afgezet tijdens de voorlaatste ijstijd (Saalien) en de laatste ijstijd (Weichselien). In de löss zijn verschillende lagen te onderscheiden. De onderste löss stamt uit het Saalien (200.000-130.000 jaar geleden). Dit is een sterk leemhouden9

Alterra, 2003. Stichting voor Bodemkartering, 1990. 11 Verhoeven, 2012/ Felder & Bosch, 1984. 10

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 4 van 19

de löss, waarin zich gedurende het Eemien interglaciaal (130.000-120.000 jaar geleden) een roodbruine bodem (de Rocourt-bodem) heeft gevormd, die in geheel West-Europa wordt aangetroffen. De middelste en bovenste löss dateren uit het Weichselien (120.000-10.000 jaar geleden). De dikte van het lösspakket varieert van 1 tot 20 m. De löss is waarschijnlijk afkomstig van afzettingen uit het Noordzeebekken. In het Holoceen vonden er geen belangrijke natuurlijke wijzigingen van het laatpleistocene reliëf meer plaats. Onder invloed van een belangrijke temperatuurstijging maakte de koudeminnende, open vegetatie van het Weichselien plaats voor een gesloten berkenbos, gevolgd door een vegetatie van meer warmteminnende soorten. Door de gesloten vegetatiestructuur bleven erosie en sedimentatieprocessen voornamelijk beperkt tot de actieve beekdalen. Binnen de stroombeddingen kon nog wel erosie 12 en sedimentatie plaatsvinden, waardoor hier nog plaatselijk klei en zand werd afgezet. Onderaan de hellingen, in de rivier- en beekdalen, is veelal een pakket colluvium afgezet. Hoewel een deel van het colluvium in het Pleistoceen is ontstaan als gevolg van gelifluctie, heeft afzetting van het colluvium voornamelijk plaats gevonden door afspoeling na de ontginning van de plateaus in het Holoceen.

Het zuidelijk deel van het plangebied bevindt zich op een lösspakket van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert. Vanwege de ligging boven op een plateau bevindt zich vermoedelijk geen of een dun colluviumdek in het plangebied. Het noordelijk deel van het plangebied ligt in een lager gelegen dal, waar mogelijk wel colluvium is afgezet. 13

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. 14

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een dik pakket leem. Dit behoort tot de lössafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Schimmert. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt het plangebied binnen een Limburgse- Heuvelrug. Het landschap bestaat voor een groot gedeelte uit plateauvormige gebieden die bedekt zijn met löss. Door de insnijding van droogdalen en beekdalen is er een glooiend reliëf ontstaan met afwisselend stijle en flauwe hellingen. Geomorfologisch gezien ligt het plangebied grotendeels op een afbraak wand (17/16A2), welke als plateau een van de hogere delen van het landschap vormt. Het noordelijk deel van het plangebied bevindt zich een droogdal (zie figuur 5). 15

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. 12

De Mulder et al., 2003. www.dinoloket.nl. 14 DINO boornummers B62C0276, B62C0281, B62C0275 en B62C0280. 15 www.ahn.nl. 13

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 5 van 19

Uitgaande van het AHN ligt het plangebied iets onder de top van een relatief hooggelegen plateau, welke in noordelijke richting afloopt naar een beekdal op circa 350 meter ten noorden van het plangebied. Het beekdal ligt circa 30 meter lager dan het plangebied. Binnen het plangebied loopt het terrein van zuid naar noord circa 5 meter af (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als bergbrikgronden; siltige leem (BLb6|B) (zie figuur 7). Bergbrikgronden behoren tot leembrikgronden die zijn ingedeeld op basis van de hydromorfe kenmerken en de textuur van de B-horizont. Het zijn overwegend gronden met diepe grondwaterstanden, zonder hydromorfe kenmerken. Deze gronden komen voor langs de randen van plateaus die vaak enigszins zijn geërodeerd. Bergbrikgronden zijn brikgronden met een textuur-B-horizont aan of direct onder het oppervlak. Ze hebben over het algemeen een 20 cm dikke donkerbruine bouwvoor die geheel of gedeeltelijk is weggespoeld en het restant bij ploegen met de onderliggende Bt-horizont is vermengd. Op een diepte van circa 60-100 cm gaat de Bt-horizont over naar een geelbruin gekleurde 16 C-horizont. In gebieden met bergbrikgronden liggen veel erosiegeultjes, zoals het droge dal in het noordelijk deel van het plangebied, die zijn opgevuld met secundaire löss/colluvium.

In deze geulen is de mogelijke brikgrond afgedekt en beschermd door het colluvium. Het colluvium is zeer waarschijnlijk afkomstig van de nabijgelegen hellingen. Door het proces van erosie aan de top van de helling, verdwijnt de B17 horizont. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Grondwatertrappen zijn een combinatie van de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). De GHG betreft de wintergrondwaterstanden, de GLG is een maat voor de grondwaterstand in de zomer. Op basis van de geohydrologische kaart blijkt dat het grondwaterniveau op circa 68 meter –mv zou moeten liggen. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf18 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1000 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. 16

Stichting voor Bodemkartering, 1990. Stichting voor Bodemkartering, 1990. 18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 17

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 6 van 19

Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied niet 19 binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 20

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMKterreinen (zie bijlage 2 en figuur 8). Circa 200 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich AMK-terrein 11226, een terrein van hoge archeologische waarde. Het betreft een vindplaats uit het Laat-Mesolithicum. Aan het oppervlak zijn vuurstenen vondsten aangetroffen, die wijzen op bewoning. Ook circa 600 meter ten zuidwesten bevindt zich een vindplaats uit het Laat-Mesolithicum/Neolithicum waarbij vuurstenen vondsten zijn aangetroffen (AMK-terrein 11224). Op dit terrein zijn ook laatpaleolithische vondsten aangetroffen. Beide vindplaatsen liggen op een hoger gelegen plateau, een vergelijkende situatie met het plangebied. Aan de rand van het plateau ligt een Vroeg- en Midden-Romeins grafveld, AMK-terrein 8541, circa 900 meter ten zuidoosten van het plangebied.

Hier zijn in de jaren ’40 bij de exploitatie van een grindgroeve Romeinse grafvondsten gedaan. De waarnemingen bestaan uit aardewerk zoals terra sigillata, kruiken, kommen, bekers en glazen flessen en een glazen kan. Op het terrein waren cropmarks zichtbaar die cirkel met een diameter van circa 12 meter vormde. De cirkel had een opening aan de noordzijde. Hiervan wordt gedacht dat dit een grafheuvel kan zijn geweest. 21

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren weinig archeologische onderzoeken uitgevoerd. In het onderzoeksgebied zijn twee onderzoeken bekend. Het betreft een archeologisch opgraving aan de Mesch/Steenberg door de universiteit van Leiden en een bureau- en booronderzoek door Archeopro (zie bijlage 3 en figuur 8). Steenberg (onderzoeksnr. 2016043100) Circa 600 meter ten zuidwesten van het plangebied heeft aan de Mesch-Steenberg een opgraving plaatsgevonden die is uitgevoerd door Universiteit Leiden in 1986. De opgraving lijkt gerelateerd aan het AMK-terrein, de exacte locatie is echter niet in Archis aangegeven. De vindplaats was de tweede opgraven laatpaleolithische vondstconcentratie in het lössgebied van Zuid-Limburg. De laatpaleolithische vindplaats bevindt zich op de rand van het plateau. Vindplaatsen van de jager-verzamelaars bestaan over het algemeen alleen uit vuurstenen vondsten. In Nederland zijn nog geen sporen van bewoning, zoals paalsporen van tenten/hutten, aangetroffen. De vondsten betreffen vuursteen afval, 19

GISViewer, provincie Limburg. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 20

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 7 van 19

kernen en werktuigen. Er zijn circa 35 werktuigen aangetroffen, waaronder kling-eindschrabbers, stekers, steil-geretoucheerde klingen en een bec. Opmerkelijk was dat er relatief veel kernen, circa 70 exemplaren, zijn aangetroffen tegenover het aantal werktuigen. De grote cortexafslagen geven aan dat de bewerking van de kernen heeft plaatsgevonden op de locatie van de vindplaats. Op basis van de werktuigen is de vindplaats toegeschreven aan het Magdalénien, een laatpaleolithische cultuur. Er wordt verondersteld dat de vindplaats was bedoeld voor met name het bewerken van vuursteen. Dit is gebaseerd op grond van het vrijwel ontbreken van geretoucheerde artefacten, namelijk minder dan 1 %. Naast de functie als bewerkingsplaats was het mogelijk een observatiepost. Deze gedachte wordt aannemelijk door het feit dat het vuursteen niet op de locatie zelf is verzameld, maar van elders naar 22 de locatie gebracht. In de omgeving van de vindplaats zijn vele vuursteenmijnen bekend, waaronder 23 Rijckholt, die tijdens het Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum werden geëxploiteerd. De keuze van de locatie op de rand van het plateau was doelbewust. Vanuit deze locatie was het namelijk makkelijk om jachtwild te observeren.

Het geringe aantal geretoucheerde artefacten geeft de indruk dat activiteiten die met het ‘huishouden’ worden geassocieerd een minder belangrijke rol heeft ge24 speeld. Gadet (onderzoeksnr. 2186890100) Circa 1000 meter ten noordwesten van het plangebied heeft een bureauonderzoek en verkennend 25 booronderzoek op de locatie Gadet in de gemeente Eijsden plaatsgevonden. Dit onderzoek is vermeld in Archis, maar er staan geen resultaten vermeld. Tevens is het rapport niet beschikbaar in 26 Dans Easy. Het rapport is aangevraagd bij gemeente Eijsden-Margraten. Na meermaals contact gehad te hebben met gemeente Eijsden-Margraten (contactpersoon dhr. Urlings), is er geen rapport bekend. Het onderzoek en rapport is geen onderdeel van het gemeentelijk archief. 27

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan 17 vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 8). De vondsten in de omgeving zijn resten van bewoning en andere activiteiten, zoals het maken van werktuigen. In de nabijheid van het plangebied zijn meerdere waarnemingen die wijzen op mesolithische bewoning. Zo bevindt zich circa 200 meter ten westen een AMK-terrein waar vuurstenen vondsten uit het Mesolithicum zijn aangetroffen. Ook bij AMK-terrein 11224, waar ook de opgraving (zie beschrijving bovenstaande paragraaf) heeft plaatsgevonden, zijn vuurstenen vondsten aangetroffen. De assemblage van de vuurstenen vondsten, met name afval, geeft een indicatie dat er op de bewuste locatie vuursteen is bewerkt. Mogelijk is de locatie ook gebruik als post voor de observatie van wild. Behalve op de locatie van het AMK-terrein en opgraving die betrekking hebben op een mesolithisch kamp Circa 400 meter ten zuidwesten zijn vondsten uit de Romeinse tijd aangetroffen, die ook mogelijk wijzen op een nederzetting. Aangezien de vondsten zijn aangetroffen bij een oppervlakte kartering zijn er geen sporen aangetroffen.

Bij de oppervlakte kartering zijn vele fragmenten van aardewerk, zoals gladwandig, ruwwandig aardewerk en terra nigra, aangetroffen. De inwoners van de mogelijke nederzetting hadden echter ook toegang tot handelsproducten wat blijkt uit terra sigillata, dolia/voorraadvaten en Belgisch grijs aardewerken bekers. Een andere aanwijzing voor de aanwezig22

Rensink, 1986. Geologische kaart van Zuid-Limburg en omgeving, 1977. 24 Rensink, 1986. 25 Excaltus & Orbons, 2010. 26 Zoeken.cultureelerfgoed.nl/ easy.dans.knaw.nl 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 23

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 8 van 19

heid van een nederzetting is een maalsteen en dakpannen. Dit zijn typische vondsten die aangetroffen worden in nederzettingen. Circa 1000 meter ten zuiden van het plangebied zijn vondsten aangetroffen die behoren tot een Romeinse grafveld. De locatie van het grafveld is benoemd tot AMK-terrein 8541. Bij de waarnemingen, die al rond 1930 zijn gedaan, is een brandgraf waargenomen. Dit is een kuil waarboven de dode en de eventuele grafgiften worden verbrand. Nadat de dode is verbrand, vallen de resten in de kuil waar vervolgens nog objecten zoals aardewerk en glas worden bijgezet. De kuil wordt vervolgens dichtgegooid. Ook al is er maar op één plek crematieresten aangetroffen, wordt er vermoedt dat er nog vele crematieresten aanwezig waren. Er zijn namelijk vele objecten die geïnterpreteerd worden als grafgiften aangetroffen, waaronder terra sigillata, terra rubra, kruiken bekers, schalen kommen en borden. Ook zijn er olielampjes en fragmenten van glazen objecten aangetroffen. Tijdens de Romeinse tijd werden grafvelden aangelegd langs wegen, aan de rand van de nederzetting. In de nabijheid van het grafveld is (nog) geen Romeinse weg aangetroffen. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek is er één wetenschappelijke publicaties geraadpleegd (zie bo28 venstaande paragraaf).

Het rapport van het andere archeologisch onderzoek was niet beschikbaar. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Het plangebied is in de afgelopen 200 jaar niet bebouwd geweest, waardoor de aanvraag voor bouwdossiers geen informatie zou opleveren. Er is geen contact gezocht met het provinciaal depot van Limburg. De heemkundekring van Sint Geertruid is geïnformeerd voor aanvullende informatie (zie onderstaande paragraaf). Aanvullende informatie Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Sint Geertruid, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. 29

Korte bewoningsgeschiedenis van Sint Geertruid In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Ofschoon in en rond Sint Geertruid veelvuldig sporen van activiteiten van de prehistorische mens zijn e aangetroffen, is het dorp als permanent woonoord pas zo'n duizend jaar oud. Voor de 11 eeuw was de bewoning van de streek vooral geconcentreerd in de rivier en beekdalen, waar vruchtbare rivierklei en vooral water te vinden waren. De plateaus, die door de Romeinen gedeeltelijk waren ontgonnen 28 29

De niet beschikbare publicatie was: Excaltus & Orbons, 2010. www.heemkundestgeertruid.nl

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 9 van 19

e

ten behoeve van landbouw, waren na hun vertrek in de 5 eeuw weer verworden tot bos. In het Maasdal ten zuiden van Maastricht bevonden zich twee heerlijkheden, Breust en Eijsden, die reeds in e e oorkonden uit de 8 en 9 eeuw worden genoemd. Beide dorpen zouden aan de wieg staan van Sint Geertruid en haar gehuchten. Rond het jaar duizend nam de bevolking in de rivierdalen toe, met name door de invoering van betere landbouwmethodes. Door deze toename van mensen bestond er behoefte aan meer grond voor huisvesting en landbouw. Aangezien deze grond in de rivierdalen niet meer in voldoende mate voorhanden was, liet men het oog vallen op het beboste plateau. In de eere ste helft van de 11 eeuw is vanuit Breust, dat eigendom was van het Luikse kapittel van Sint Martinus, een expeditie vertrokken richting plateau. Zij volgden daarbij het centrale droogdal dat vanuit Eijsden naar het plateau loopt en dat thans nog steeds de verbinding vormt tussen Sint Geertruid en Eijsden. Eenmaal op het plateau aangekomen werd begonnen met het kappen van bos. Toen er genoeg grond was vrij gemaakt voor bewoning werd een heuvel opgeworpen waarop een houten kerkje werd gebouwd. (In de eerste bouwfase is het kerkje een driebeukige basiliek: het middenschip uitrijzend boven twee lagere zijbeuken van dezelfde lengte).

In de eerste jaren van het bestaan van de nederzetting bestond deze uit drie tot zes boerderijtjes met vijf hectares landbouwgrond, gelegen rondom de kerk. In totaal zullen er in de beginfase zo'n 25-30 mensen hebben gewoond. Vanuit deze kleine nederzetting werd geleidelijk meer bos gerooid. Rond 1200 vond uitbreiding van de bewoning plaats naar de huidige Eindstraat en Dorpstraat. Het aanvankelijke houten kerkje werd al vrij snel vervangen door een stenen gebouw, opgetrokken uit vuursteen knollen. De kerk was een dochterkerk van de Sint Martinuskerk te Breust. Voor hun sacramenten (doop, huwelijk en begrafenis, al mochten overledenen veelal op het eigen kerkhof worden begraven) moesten de bewoners van Sint Geertruid de lange weg naar Breust afleggen. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel II.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart30

1803-1820

84 Margraten

1:20.000

Landbouwgrond

De Heiweg is al aanwezig als een onverhard pad. De omgeving is in gebruik als heide.

Kadastrale minuut31

1816

Gemeente Mesch, Sectie A, Blad 01

1:2.500

Landbouwgrond

-

Militaire topografische kaart32 (nettekening)

1850-1864

62 Heerlen

1:50.000

Landbouwgrond

-

Topografische kaart

1924

69D

1:25.000

Boomgaard

De omgeving wordt in gebruik genomen als landbouwgrond/ boomgaard.

Topografische kaart

1937

69D

1:25.000

Boomgaard

Ten noordoosten zijn gebouwen gerealiseerd.

Topografische kaart

1959

69D

1:25.000

Boomgaard

-

Topografische kaart

1968

69D

1:25.000

Boomgaard

-

Topografische kaart

1979

69D

1:25.000

Grasland

De bebouwing wordt uitgebreid/vernieuwd.

30

Beeldbank Vrije Universiteit Beeldbank Cultureelerfgoed 32 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 31

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 10 van 19

Topografische kaart

1999

69D

1:25.000

Grasland

Ten noordoosten is een gebouw gerealiseerd.

Topografische kaart

2011

69D

1:25.000

Boomgaard

Ten noordoosten is een gebouw gerealiseerd.

Op het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied aan het e begin van de 19 eeuw in gebruik is als landbouwgrond. Op de bijhorende tafels van de minuutplan is aangegeven dat de percelen eigendom zijn familie Petit, Dolmans, Claessens, Janssen, Ancion de Ville en Neefs. De functie van de grond is bouwland, oftewel landbouwgrond. Ten zuidoosten is de huidige Heiweg al aanwezig. In eerste instantie was dit een onverhard pad dat in de loop van de tijd werd. e

Vanaf de tweede helft van de 19 eeuw is het plangebied begroeid met heide. Ook de omgeving is begroeid met heide. Het heide gebied wordt de Mescherheide genoemd. De Mescherheide, waarone 33 der ook het plangebied, werd in de eerste helft van de 20 eeuw ontgonnen. Het plangebied werd in gebruik genomen als boomgaard. . Op de kaart van 1937 is te zien dat er ten noordoosten van het plangebied twee gebouwen zijn gerealiseerd. Dit betreft het huidige agrarisch bedrijf aan de Heiweg 7. Rond 1970 wordt de bebouwing gesloopt en vervangen of uitgebreid. Ook op de kaarten van 1999 en 2011 is te zien dat er gebouwen vlakbij de al bestaande bebouwing zijn gerealiseerd. De situatie van op de kaart van 2011 is vergelijkbaar met de hedendaagse situatie (zie figuur 9). Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Eijsden-Margraten is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange34 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.

Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel III.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting/Complextype

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen

In de top van de lössafzettingen

33

Renes, 1988. Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 34

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 11 van 19

gebruiksvoorwerpen Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Neolithicum

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Bronstijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

IJzertijd

Middelhoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf/ agrarisch gebruik: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf/ agrarisch gebruik: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

In de top van de lössafzettingen

Uit de landschappelijke ligging op de rand van een hooggelegen plateau dichtbij een dal, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en Romeinse tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jager-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties 35 was ook drinkwater bereikbaar. Uit onderzoek in het Zuid-Limburgse Heuvelland blijkt dat de jagerverzamelaars zich ook vestigden op gebieden met reliëfverschillen, met name de randen in het landschap en waarbij de vlakke gebieden werden opgezocht.

Niet alleen was in deze gebieden voedsel 36 aanwezig, maar boden ook goed uitzicht op mogelijk wild in de dalen. De gebieden in Zuid-Limburg waren ook aantrekkelijk vanwege de aanwezigheid van vuursteen relatief dicht aan het oppervlak. Bij enkele dalen, zoals 2 km ten zuidwesten en ten noorden van het plangebied was het vuursteen te 35 36

Louwe Kooijmans et al., 2005. Verhoeven & Moonen, 2012.

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 12 van 19

vinden. Tijdens het Paleolithicum, Mesolithicum en het Laat-Neolithicum legden de jagerverzamelaars mijnen aan om dit vuursteen te winnen. De bekende vuursteenmijn Rijckholt, ligt circa 2-3 km ten noorden van het plangebied. Ook op een afstand van circa 1,5 kilometer ligt een vuursteenmijn. Het vuursteen dat werd gewonnen in deze mijnen, werd over lange afstanden getransporteerd. De jager-verzamelaars stichtten verschillende soorten kampementen. Ze hadden bijvoorbeeld een basiskamp waar de families woonden, maar ook kleine kampementen waar vuursteen werd verzamelt om vervolgens de bewerken en wellicht ook werd gebruikt als kamp voor observatie van wild. Een kamp voor vuursteenbewerking en mogelijke observatiepost is 500-600 meter ten zuidwesten aangetroffen. Een tweede kamp is aangetroffen op een afstand van circa 200 meter ten zuidwesten. Beide kampementen liggen op een vergelijkende landschappelijke locatie van het plangebied, namelijk op de rand van het hooggelegen plateau. Op basis van deze kennis geldt er in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn er andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.

Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. Op de zandgronden speelt de vruchtbaarheid en de ontwatering van de grond een belangrijke rol. Dit is echter niet van toepassing in de lössgebieden aangezien loss een zeer vruchtbare grond is. Tegenwoordig bevindt de grondwatertrap zich op een diepte van tientallen meters. Vanaf het Neolithicum was de situatie hetzelfde. In het Zuid-Limburgse Heuvel37 land zijn weinig vindplaatsen uit het Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd bekend. Voor deze periodes geldt een middelhoge archeologische verwachting. Vanaf de Romeinse tijd wordt het Zuid-Limburgse Heuvelland zeer intensief bewoond en gebruikt voor onder andere de productie van graan en andere gewassen. Circa 400 meter ten zuidwesten van het plangebied is een mogelijk nederzetting aanwezig. Bij een oppervlaktekartering zijn meerdere vondsten die duiden op bewoning aangetroffen. Vlakbij de nederzetting werden de doden begraven. Op een afstand van circa 1000 meter ten zuidwesten is een Romeins grafveld aangetroffen. De doden werden begraven langs een weg, die tot nu toe nog niet is aangetroffen. Er geldt een hoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd. Voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd geldt een middelhoge archeologische verwachting.

Vanaf de Middeleeuwen zijn er schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vaak zijn de locaties van de historische kernen ook al gebruikt voor bewoning tijdens de Middeleeuwen. Het plangebied ligt enkele kilometers van de dichtstbijzijnde historische kern verwijderd. Mogelijk is het plangebied niet gebruikt voor bewoning, maar voor activiteiten zoals akkerbouw. Ook voor de Nieuwe tijd zijn er geen aanwijzingen dat het plangebied is bee e woond. Op basis van de historische kaarten van de 19 en 20 eeuw is duidelijk dat het plangebied in agrarisch gebruik was. Het plangebied ligt op de noordelijke rand van een plateau naar een lösswand. De locatie waar het plangebied zich in bevindt is redelijk vlak, maar het voorkomen van brikgronden in een groot deel van het plangebied geeft aan dat er vermoedelijk toch wat erosie heeft plaatsgevonden. Waarschijnlijk is de top van het profiel, de oorspronkelijke A- en wellicht de E-horizont geërodeerd. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen.

Organische resten en bot zullen door de

37

Verhoeven & Moonen, 2012.

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 13 van 19

relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als landbouwgrond, heidegrond en boomgaard. Door ploegen/rooiwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. 2.9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van de gegevens van het bureauonderzoek geldt er een hoge archeologische verwachting voor resten van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum en het Mesolithicum. De situatie op de rand van een hooggelegen plateau, dichtbij een dal en bij vuursteenmijnen was een geschikte locatie voor bewoning en activiteiten, zoals vuursteenbewerking. Dit blijkt ook uit de aanwezigheid van twee kampementen ten zuidwesten van het plangebied. Voor het Neolithicum tot en met de IJzertijd geldt er een lage archeologische verwachting. Er zijn relatief weinig vindplaatsen uit deze periodes bekend. Ook zijn er geen vondsten in de omgeving aangetroffen. Voor archeologische resten uit de Romeinse tijd geldt een hoge verwachting. Dichtbij het plangebied liggen een (mogelijke) nederzetting en een grafveld. Aangezien er weinig aanwijzingen zijn voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, geldt voor deze periodes een middelhoge verwachting. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek.

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK

3.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting? 3.2

Methoden

Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (versie 4.0, 07-06-2016) en KNA, versie 4.0, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 16 augustus 2018 door drs. M. Stiekema (senior prospector) en P. Beurskens MA (archeoloog) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.

Rapport 7679.002 versie 1

Pagina 14 van 19

De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) zes boringen tot maximaal 160 cm -mv gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsme38 thode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EijsdenMargraten&id=421422a6-3e74-4450-9c3b-c3f3b19f89dd