20210928 07b Bijlage BP Noorbeek, Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Herziening Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ Gemeente Eijsden-Margraten Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Herziening Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ Gemeente Eijsden-Margraten Ontwerp
Rapportnummer BRO:
P02439
IMRO:
NL.IMRO.1903.BPLKOM7006-ON01
Datum:
8 juni 2021
Contactpersoon opdrachtgever:
JL
Projectteam BRO:
SD / LN
Concept:
24 januari 2020
Ontwerp:
8 juni 2021
Vaststelling: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woningen, Noorbeek, Eijsden-Margraten.
Bron foto kaft:
Hollandse hoogte 14
Beknopte inhoud:
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van twee woningen aan de Sint Maartensweg 20 te Noorbeek (gemeente Eijsden-Margraten).
BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING
5
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
7 7 8 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
10 11 11 12
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid
12 13 14
3.3.2 Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid
14 15
3.4.1 Strategische Visie Eijsden-Margraten 3.4.2 Gemeentelijke woningbouwprogrammering 2012-2022 3.4.3 Lokale woonvisie Eijsden-Margraten 2019-2025 3.4.4 Notitie spuitcirkels (gewijzigde versie, oktober 2013) 3.4.5 Vigerend bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ 3.4.6 Vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’
15 16 17 18 19 20
4. ONDERZOEK 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
21 21 21
4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren
21 22 22 24 27 28 29 30 33
Hoofdstuk 0
3
4.7 Waterhuishouding
33
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.6 Planonderdelen 5.7 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
36 36 36 37
5.3.2 Inleidende regels 5.3.3 Bestemmingsregels 5.3.4 Algemene regels 5.3.5 Overgangs- en slotregels
37 37 39 40
6. HANDHAVING
41
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
42
8. PROCEDURE
43
SEPARATE BIJLAGEN BRO, Quickscan flora en fauna ‘Sint Maartensweg 20’ te Noorbeek, projectnummer P02439, 22 januari 2020 BRO, AERIUS-berekening St. Maartensweg Noorbeek Gemeente Eijsden-Margraten, projectnummer P02439, 6 januari 2020
Hoofdstuk 0
4
1.
INLEIDING
Het voornemen bestaat om op de percelen kadastraal bekend als Margraten, sectie Y, nrs. 128 en 425 in totaal 2 twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. Er wordt derhalve voorzien in de realisatie van twee woonkavels. Daarnaast wordt voorzien in de sloop van de reeds bestaande bedrijfsloods binnen het plangebied. Op basis van het vigerend bestemmingsplan is de bouw van één vrijstaande woning al mogelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet enkel in een wijziging die het toelaat om twee twee-onder-een-kapwoningen te bouwen binnen het bestaande bouwvlak.
Uitsnede topografische kaart met globale aanduiding plangebied (rode pijl)
Het initiatief is voor wat betreft de realisatie van twee woningen strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’, zoals dat door de gemeenteraad van Eijsden-Margraten op 15 maart 2016 is vastgesteld. Het beoogde initiatief voorziet namelijk in de bouw van twee woningen (twee-onder-een-kapwoningen). Deze ontwikkeling is niet toegestaan, omdat voor de locatie een bouwvlak is vastgesteld met de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 1’. Daarnaast geldt ook de bouwaanduiding ‘vrijstaand’, waardoor ook het beoogde woningtype niet is toegestaan.
Hoofdstuk 1
5
De gemeente stelt als voorwaarde om medewerking te verlenen aan de ontwikkeling dat een spuitbeperking wordt opgenomen op de omliggende agrarische gronden. In de nieuwe woningen moet namelijk een goed woon- en leefklimaat kunnen worden gegarandeerd. Onderdeel daarvan is dat de geadviseerde richtafstand voor het gebruik van drift veroorzakende chemische gewasbeschermingsmiddelen op agrarische gronden wordt gerespecteerd. In paragraaf 4.2.5 wordt nader ingegaan op dit aspect. De realisatie van de nieuwe woningen kan mogelijk worden gemaakt door middel van een nieuw bestemmingsplan. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom de beoogde realisatie van de woningen juridisch-planologisch geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan. Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel, besluitprofiel en de ruimtelijke & stedenbouwkundige effecten toegelicht. Vervolgens worden de hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de handhaving van het planweergegeven.
In hoofdstuk 7 volgt de maatschappelijke uitvoerbaarheid en tot slot vindt in hoofdstuk 8 de procedure aangegeven.
Hoofdstuk 1
6
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL
2.1 Gebiedsprofiel De projectlocatie is gelegen in Noorbeek, aan de Sint Maartensweg 20. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Margraten, sectie Y nummer 425 en sectie Y nummer 128. Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de kern en maakt onderdeel uit van de lintbebouwing aan de Sint Maartensweg. Het perceel waarop de woningbouw is voorzien is circa 955 m2 groot. Op het perceel is een dubbele loods met bijbehorend erf gelegen. De loods is in het verleden in gebruik geweest als meelhandel en later als stallingslocatie voor voertuigen en materialen ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Sinds een jaar staat het pand echter leeg.
Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond (plangebied rood omlijnd)
Naast het beoogde woningbouwperceel maken delen van de agrarische percelen ten zuidwesten van dit perceel onderdeel uit van het plangebied. Dit betreffen delen van de percelen, kadastraal bekend als Margraten, sectie S, nrs. 50, 51, 52, 53 en 331. Om de woningbouw mogelijk te maken, moet op
Hoofdstuk 2
7
deze gronden namelijk een spuitbeperking worden opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Derhalve maken deze gronden deel uit van het plangebied. Voor het overige zijn op deze gronden geen ontwikkelingen voorzien. De huidige agrarische bestemming wordt overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan, overeenkomstig de vigerende planologische situatie en het feitelijke gebruik.
2.2 Besluitprofiel Het planvoornemen is om op het perceel aan de Sint Maartensweg 20 de reeds bestaande dubbele loods te slopen en hiervoor in de plaats twee twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. Hierdoor ontstaan er in de toekomstige situatie twee woonkavels. Het bouwvlak uit het vigerend bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ zal worden gehandhaafd en qua bestemmingsregeling zal aangesloten worden op de gemeentelijke standaard. Derhalve zal de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan 7 en 10 meter (dit is overeenkomstig de naastgelegen woonbebouwing) en zal de afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen aan beide zijden minimaal 3 meter bedragen. Ten opzichte van het vigerend bestemmingsplan zal de bouwaanduiding wijzigen naar ’twee-aaneen’ en zal de maatvoering wijzigen naar ‘maximum aantal wooneenheden: 2’. Het achterste deel van het perceel aan de Sint Maartensweg 20 wordt in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Op dit perceelsdeel is woonbebouwing en het gebruik voor woondoeleinden niet mogelijk, omdat het woon- en leefklimaat daar niet gegarandeerd kan worden vanwege de spuitzone van de percelen met nummers 432 en 433. Met de eigenaren en gebruikers van deze percelen zijn namelijk geen afspraken gemaakt over het gebruik van bestrijdingsmiddelen die drift (verwaaiing van spuitvloeistof) kunnen veroorzaken in het plangebied.
Met de eigenaren en gebruikers van de dichterbij gelegen agrarische gronden zijn wel dergelijke afspraken gemaakt, zoals in paragraaf 4.2.5 nader wordt toegelicht. Op het tot ‘Wonen’ bestemde deel van het woonperceel kan een goed woon- en leefklimaat vanwege het gebruik van bestrijdingsmiddelen daardoor wel worden gegarandeerd. Op de bestaande agrarische gronden die deel uitmaken van het plangebied zijn geen ontwikkelingen voorzien. Zoals aangegeven wordt op deze perceelsdelen uitsluitend een spuitbeperking opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. De huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden blijven onverminderd van kracht en worden in dit bestemmingsplan opgenomen conform het vigerende plan. Omdat op deze gronden geen ontwikkelingen zijn voorzien, worden deze percelen ook niet nader beschouwd bij de navolgende toetsing van het project aan de beleids- en onderzoeksaspecten. Uitsluitend voor wat betreft het onderdeel ‘spuitzones’ vindt een nadere beschrijving en onderbouwing plaats. In de navolgende afbeelding volgt een weergave van de toekomstige functionele indeling van het plangebied.
Hoofdstuk 2
8
Verbeelding met functionele indeling plangebied
2.3
Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
De beoogde transformatie van het plangebied zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De aanwezige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en op termijn vervangen door twee burgerwoningen. De situering en ruimtelijke uitstraling van de woningen sluit aan op de omliggende percelen. Daarnaast wordt vanuit stedenbouwkundig perspectief de lintbebouwing langs de Sint Maartensweg versterkt. Ruimtelijk en functioneel gezien past de ontwikkeling goed binnen de omgeving, aangezien er in de omgeving verschillende woningen zijn gelegen. Door de sloop van de bestaande bebouwing en herbouw van twee moderne woningen vindt ontegenzeggelijk kwaliteitswinst op de locatie plaats. Het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, dan geen negatieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten tot gevolg voor de omgeving. Binnen onderhavig bestemmingsplan worden de ruimtelijke randvoorwaarden voor de woningbouw geborgd, zodat ook bij de daadwerkelijke realisatie van de woningen sprake blijft van een kwalitatieve invulling.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Relevante belangen bij de voorliggende ontwikkeling zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Hoofdstuk 3
10
Afweging De voorliggende ontwikkeling levert een bijdrage aan een goede omgevingskwaliteit en een woningvoorraad die aansluit bij de behoeften, doordat een verouderde loods wordt vervangen door kwalitatief hoogwaardige woningbouw. Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is verder sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor sloop en nieuw te bouwen woningen. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat de gemeente verplicht moet toepassen bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. In artikel 1.1.1 Bro is gedefinieerd wat een nieuwe stedelijke ontwikkeling is: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie blijkt dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn1. Per 1 juli 2017 is de Ladder gewijzigd. Hierbij is de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om te motiveren hoe de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een be-
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
11
hoefte. Indien de stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, is een motivering nodig waarom men deze niet binnen bestaand stedelijk gebied kan realiseren (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging De voorliggende ontwikkeling betreft géén ‘stedelijke ontwikkeling’ als bedoel in artikel 1.1.1 van het Bro. Het beoogde planvoornemen voorziet enkel in de realisatie van twee woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is de bouw van één woning binnen het plangebied al toegestaan, waardoor er slecht één woning wordt toegevoegd. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is zodoende niet aan de orde.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 Op 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid
Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met aanduiding plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 3
12
gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit gebied betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De accenten liggen binnen deze zone op: (1) transformatie regionale woningvoorraad, (2) bereikbaarheid, (3) balans voorzieningen en detailhandel, (4) stedelijk groen en water en tot slot (5) de kwaliteit van de leefomgeving. Afweging De ontwikkeling past in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Daarnaast draagt het initiatief bij aan de transformatie van de regionale woningvoorraad (voorziet in de realisatie van twee kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen) en vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan 2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven.
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt het plangebied aan de westzijde voor een klein gedeelte is gelegen binnen het ‘Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg’. Derhalve geldt dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in het Beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg zijn: (1) het reliëf, (2) het open-besloten karakter, (3) het groene karakter en het (4) cultuurhistorisch erfgoed. Afweging Er wordt geen bebouwing voorzien binnen het deel van het plangebied dat valt binnen het ‘Beschermingsgebied Nationaal Landschap’. Dit gedeelte van het plangebied wordt in gebruik genomen als tuin, waardoor het groene karakter behouden blijft. Er wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten.
Het is daarnaast verboden in het Beschermingsgebied Nationaal Landschap ZuidLimburg: in een beekdal grondwerkzaamheden op of in de bodem uit te voeren die leiden tot aantasting van het reliëf, behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van het beekdal; in een beekdal ontwateringswerkzaamheden uit te voeren; in een bron of bronzone grondwerkzaamheden op of in de bodem of ontwateringswerkzaamheden uit te voeren, behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van de bron of de bronzone;
Hoofdstuk 3
13
in een graft of holle weg grondwerkzaamheden op of in de bodem uit te voeren behalve werkzaamheden voor herstel en onderhoud van de graft of de holle weg. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in geen van de bovenstaande handelingen en is tevens niet gelegen binnen de benoemde gebieden, waardoor het plan in overeenstemming is met het gesteld in artikel 4.5.1 uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. Voor het overige ligt het plangebied niet binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Er geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale woonvisie ‘Maastricht en Mergelland 2010-2020’ Op 11 september 2012 is door de gemeente Eijsden-Margraten de regionale woonvisie ‘Maastricht en Mergelland 2010-2020’ vastgesteld. De woonvisie over de periode 2010-2015 met een doorkijk naar 2020 moet voor de regio Maastricht en Mergelland een leidraad zijn voor een gezamenlijke aanpak en transformatie van de woningmarkt. In de woonvisie worden zowel de kwalitatieve als kwantitatieve kaders gegeven voor de woningbouwontwikkelingen in de regio. Door de invoering van de Omgevingsverordening 2014 en het POL 2014, is de actualiteitswaarde van de regionale woonvisie 'Maastricht en Mergelland 2010-2020' achterhaald en is hierdoor het juridische toetsingskader van deze visie niet hard. Afweging Formeel is de visie nog niet ingetrokken en kan worden geconcludeerd dat beoogde realisatie van twee woningen past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve afspraken, zoals deze in deze visie zijn opgenomen.
3.3.2 Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn.
Hoofdstuk 3
14
In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘landelijk’. Ten aanzien van het afstemmen van vraag en aanbod wordt geconstateerd, dat alleen voor de stedelijke woonsfeer de vraag groter is dan het aanbod. Dit heeft echter gevolgen voor de opgave elders in de gemeente. In de landelijke woonsfeer zijn vraag en aanbod nu in redelijk evenwicht, maar ontstaat op termijn een overschot. Tenslotte is in de suburbane woonsfeer, zowel in de steden als in de kernen, sprake van een overschot en dus een verdunningsopgave, dat wil zeggen kwaliteitsverbetering gepaard gaand met transformatie. Afweging Binnen voorliggend bestemmingsplan is sprake van twee nieuw te bouwen woningen. Echter is de bouw van één woning al reeds toegestaan op basis van het vigerend bestemmingsplan. Derhalve voorziet onderhavig plan in een kwantitatieve toename van één woning. Aangezien het vigerend bestemmingsplan de beoogde ontwikkeling niet mogelijk maakt, dient het planvoornemen te voldoen aan de uitgangspunten uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.
Binnen onderhavig plan is sprake van herstructurering binnen het bestaande stedelijk gebied, daarmee voldoet het plan aan de uitgangspunten uit de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Aangezien er sprake is van de toevoeging van twee woningen dient het plan wel op grond van de structuurvisie gecompenseerd te worden. Aangezien er geen bestaande woningen zijn gelegen binnen het plangebied en ook niet wordt voorzien in een compensatie binnen de plancapaciteit dient er een financiële bijdrage plaats te vinden aan het subregionale Sloop- en transitiefonds. Deze compensatie bedraagt 7% van de woz-waarde van de nieuw te bouwen woning, die extra aan de voorraad wordt toegevoegd en waarvoor een planologische grondslag geldt. Binnen onderhavig planvoornemen wordt bovenstaande financiële bijdrage gewaarborgd middels een overeenkomst.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Eijsden-Margraten De Strategische Visie 2022 'Vernieuwen door Verbinden' is een overkoepelende gemeentelijke beleidsvisie. De visie is in 2013 in overleg met bewoners, ondernemers en andere (regionale) betrokkenen tot stand is gekomen. In de visie zijn 5 ambities en 8 thema’s benoemd. De vijf ambities zijn: 1. Dienstverlening is onze tweede natuur; 2. Burgerkracht; 3. Buitengewone buiten (be)leven; 4. Aantrekkelijk wonen; 5. Ondernemingszin schept ruimte voor welvaart en welzijn.
Hoofdstuk 3
15
De ambities geven richting aan de keuzes binnen de onderstaande 8 thema’s: 1. Dienstverlening, goed geregeld; 2. Vitale kernen; 3. Zorg en welzijn, goed voor 'mekaar'; 4. Landschappelijk verantwoord ondernemen; 5. Uniek (im)materieel cultureel erfgoed; 6. Betere bereikbaarheid; 7. Meer met de Maas; 8. Samenwerken in de regio en euregio. Voor het plangebied is het thema ‘Vitale kernen’ van belang. In dit thema zijn uitspraken over de leefbaarheid van de kerkdorpen binnen de gemeente gedaan. De gemeente kiest ervoor: niet zelf het initiatief te nemen maar ondersteuning te bieden van leefbaarheidsinitiatieven in de eigen woonomgeving kwaliteit van de voorzieningen boven kwantiteit te laten gaan: liever verspreid van goede kwaliteit dan versnipperd aanbod waarvan de kwaliteit en continuïteit niet gewaarborgd kunnen worden. te streven naar een gevarieerde bevolking zodat draagvlak voor voorzieningen blijft bestaan. de woningvoorraad te verbeteren en aan te passen aan de bestaande voorraad om aantrekkelijk wonen voor jong en oud mogelijk te maken Afweging Transformatie van bestaande gebouwen is een van de mogelijkheden om de doelstellingen binnen het thema ‘Vitale kernen’ te bereiken. Een kerngerichte benadering waarbij sloop, nieuwbouw en functieverandering van bestaande bebouwing hand in hand gaan met investeringen in de woonomgeving wordt als wenselijk gezien.
Onderhavige woningbouwontwikkeling draagt bij aan deze doelen aangezien sprake is van de sloop van een vervallen bedrijfspand tot twee kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen. 3.4.2 Gemeentelijke woningbouwprogrammering 2012-2022 De bouwplancapaciteit voor woningbouw over de periode 2012-2022 is vastgelegd in het ‘Gemeentelijk woningbouwprogramma Eijsden-Margraten 2012-2022’. In dit woningbouwprogramma heeft de gemeente, de bouwplancapaciteit omlaag gebracht. De plancapaciteit is afgenomen van 1373 naar 671 woningen. Hoewel dit woningbouwprogramma medio 2012 door de raad van Eijsden-Margraten is vastgesteld, staat de uitvoering van dit programma ook onder druk door de vaststelling van de provinciale Omgevingsverordening 2014. Planologische harde woningbouwtitels kunnen uiteraard zonder problemen (nog) worden uitgevoerd. Het gemeentelijke woningbouwprogramma biedt ook mogelijkheden voor beperkte nieuwe planologische woningbouwinitiatieven. Deze moeten uiteraard wel getoetst worden aan het woningbeleid zoals dit is vastgelegd in de Omgevingsverordening 2014.
Hoofdstuk 3
16
Afweging Zoals reeds onder 3.2.2 van deze toelichting is beschreven is het plan hiermee niet in strijd, omdat er sprake is van de toename van 'slechts' één woning (op basis van het vigerend bestemmingsplan is de bouw van één woning al toegestaan). 3.4.3
Lokale woonvisie Eijsden-Margraten 2019-2025
De Lokale Woonvisie “Samen bouwen aan de toekomst” is het resultaat van een uitgebreid proces dat is doorlopen met betrokkenheid van de inwoners, stakeholders, experts, commissie- en raadsleden. De Lokale Woonvisie heeft vier functies: Het bieden van ondersteuning en sturing bij de samenwerking tussen alle betrokken partijen omdat het een gezamenlijk gedragen referentiekader betreft; Het inzichtelijk maken van de woonambities van de gemeente in de vorm van de formulering van speerpunten ten aanzien van relevante doelgroepen; Het leggen van de nodige relaties met de relevante beleidsterreinen, zowel fysiek (bijvoorbeeld duurzaamheid) als sociaal (bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning); Het bieden van een gedragen basis voor de beleidsuitvoering en programmering. Om de woonambities (vastgestelde binnen het gemeentelijke bestuursakkoord “Anders durven doen 2018-2022”) binnen de gemeente te bereiken wordt er aandacht besteed aan de navolgende doelgroepen en thema’s: 1. De doelgroep starters waarvoor de gemeente meer toegang wil creëren binnen de bestaande woning- en/of planvoorraad, met als doel dat het aantal koopwoningen voor starters te verhogen.
Als dit (financieel) onmogelijk blijkt dat zullen deze woningen worden gerealiseerd via nieuwe capaciteit waarvoor gecompenseerd wordt om een bijdrage te kunnen leveren aan het transformeren van de woning- en/of planvoorraad. 2. De doelgroep oudere doorstromers waarvoor woningen gerealiseerd worden binnen de kernen en binnen het bestaand vastgoed of op locatie waar een dergelijke herbestemming ruimtelijke en volkshuisvestelijk verantwoord is. 3. Het bieden van goede faciliterende mogelijkheden om de woningen voor de doelgroep langer thuis woners levensloopbestendig te maken en voor de doelgroep die niet meer langer kan thuis wonen geclusterde woonzorgvormen creëren binnen het bestaand vastgoed, passend binnen het gemeentelijke woonzorgbeleid. 4. Het realiseren van voldoende kwalitatief aanbod van betaalbare huurwoningen voor de bijzondere doelgroepen (waaronder statushouders, woonurgenten, gehandicapten en ggz-patiënten), bij voorkeur binnen het bestaande vastgoed binnen de kernen en waar nodig en mogelijk deze realiseren via bijzondere (tijdelijke) huisvesting. 5. Het invulling geven aan de stimulerende, faciliterende en waar mogelijk sturende rol ten aanzien van de verduurzaming van de woningvoorraad. 6. De instandhouding van leefbare kernen waarbij de gemeente goede burgerwooninitiatieven zo veel mogelijk faciliteert.
De gemeente Eijseden-Margaten gaat overschakelen van een ‘bouwvisie’ naar een ‘transformatievisie’. De groei van de woningvoorraad voor eigen additionele behoefte is de komende jaren weliswaar
Hoofdstuk 3
17
groeiende maar de woonvraag wijzigt (o.a. meer 1-2 persoonshuishoudens). Inbreiding gaat daarbij voor uitbreiding en vraaggericht gaat voor op aanbodsturing. Met uitzondering van de in uitvoering zijnde plancapaciteit, is bijkomende nieuwbouw op nieuwe locaties ondergeschikt aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Afweging De lokale woonvisie voorziet qua beleid hoofdzakelijk geënt op het kwalitatief afstemmen van de woningvoorraad op de verwachte woonbehoefte. Binnen de woonvisie is bepaald dat er ingezet moet worden op woningen voor de doelgroep ‘starters’ en ‘senioren’ in zowel het huur- als het koopsegment. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van kwalitatief hoogwaardige nieuwbouwwoningen binnen het koopsegment. Deze leveren een bijdrage aan de doorstroming binnen de woningmarkt van Noorbeek. Daarnaast levert het toevoegen van twee nieuwe woningen een bijdrage aan de leefbaarheid van de kern Noorbeek en diens voorzieningen. Het beoogde planvoornemen is dan ook in overeenstemming van de uitgangspunten binnen de lokale woonvisie. 3.4.4 Notitie spuitcirkels (gewijzigde versie, oktober 2013) De Notitie spuitcirkels van de gemeente Eijsden-Margraten bevat een kader hoe de gemeente wil omgaan met spuitcirkels rondom agrarische percelen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De gemeente Eijsden-Margraten bevat vele kleine kernen, die aansluiten aan de buitengebieden, waardoor spuitzones bij een groot aantal ruimtelijke ontwikkelingen een aandachtspunt vormen. Het doel van deze beleidsnotitie is een goed woon- en leefklimaat waarborgen. Het uitgangspunt hierbij is dat een afstand van 50 meter wordt aangehouden tussen gevoelige objecten, zoals een (recreatie)woning, tuin, terras, camping) en gronden waar het planologisch mogelijk is om open teelten te realiseren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient dit planologisch te worden verankerd. Indien de afstand van 50 meter aantoonbaar niet mogelijk is, kan deze afstand verkleind worden op een aantal manieren zoals is aangegeven in de notitie. Daarbij wordt de belanghebbenden gewezen op het afbreukrisico dat bestaat en dat niet afgewenteld mag worden op de gemeente. Afweging In het voorliggende geval wordt tussen de nieuwe woonbestemming en de nabijgelegen agrarische percelen die op kortere afstand dan 50 meter tot het woonperceel liggen, een spuitvrije zone opgenomen. Dit is aan de orde op delen van de percelen met kadastrale perceelnummers Margraten, sectie S, nrs. 50, 51, 52, 53 en 331. Deze gronden liggen ten zuidwesten van het woonperceel. In het voorliggende bestemmingsplan worden deze gronden voorzien van een aanduiding die het gebruik van drift veroorzakende chemische bestrijdingsmiddelen verbiedt.
Hiermee wordt de in de beleidsnotitie genoemde afstand van 50 meter tussen de nieuwe woonbestemming (gevoelige functie) en gronden waar het planologisch mogelijk is om open teelten te realiseren, planologisch verankerd. Daarnaast zijn privaatrechtelijke afspraken gemaakt tussen de initiatiefnemer voor de woningbouw en de eigenaren/gebruikers van deze percelen over het niet gebruiken van drift veroorzakende chemische bestrijdingsmiddelen.
Hoofdstuk 3
18
Op de percelen Margraten, sectie S, nrs. 432 en 433, die verder richting het zuidwesten liggen, is het planologisch nog wel mogelijk om open teelten te realiseren. Met de eigenaren/gebruikers van deze percelen zijn geen afspraken gemaakt over het gebruik van drift veroorzakende chemische bestrijdingsmiddelen. Om de afstand van 50 meter tot het nieuwe woonperceel planologisch te kunnen waarborgen, is ervoor gekozen om de grens van de nieuwe woonbestemming op een afstand van 50 meter tot deze agrarische gronden te projecteren. Binnen de afstand van 50 meter tot deze agrarische gronden wordt kortom geen gevoelige bestemming mogelijk gemaakt. Het achterste (meest zuidwestelijke deel) van het oorspronkelijke woonperceel is in het voorliggende bestemmingsplan bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Deze bestemming maakt geen gevoelig gebruik of bebouwing mogelijk. Gezien het bovenstaande voldoet het voorliggende initiatief aan de beleidsuitgangspunten van de notitie spuitcirkels en de daarin genoemde afstand van 50 meter. Hiermee is een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen vanwege de spuitcirkels van nabijgelegen agrarische percelen gewaarborgd. 3.4.5 Vigerend bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’, zoals vastgesteld op 15 maart 2016.
In dit bestemmingsplan is aan het plangebied de bestemming ‘Wonen’ toegekend met daarbinnen één bouwvlak. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ en voor een klein gedeelte ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Tevens geldt binnen het bouwvlak de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ en maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 1’. Tot slot geldt voor een gedeelte van het plangebied de bouwaanduiding ‘bijgebouwen’.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Sint Maartensweg 20 Noorbeek'
Hoofdstuk 3
19
3.4.6 Vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’ Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren EijsdenMargraten', zoals vastgesteld op 25 september 2018. Met ingang van 29 november 2014 is de woningwet gewijzigd. Door deze wetswijziging is het per 1 juli 2018 niet meer mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften, zoals parkeervoorschriften, op te nemen in de gemeentelijke bouwverordening. Dit betekend dat vanaf deze datum bij het verlenen van een omgevingsvergunning, wanneer er geen regels in het bestemmingsplan zijn opgenomen, niet meer getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen op basis van de bouwverordening. Hierdoor kan niet gewaarborgd worden dat bij een bouwplan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Gelet hierop is het paraplubestemmingsplan Parkeren opgesteld en voor 1 juli 2018 in procedure gebracht door het als ontwerpbestemmingsplan vanaf 28 juni 2018 gedurende 6 weken ter inzage te leggen. Om tot één uniforme regeling te komen als het gaat om parkeren is er voor gekozen om een zogenaamd paraplubestemmingsplan op te stellen. In dit bestemmingsplan is opgenomen dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van de gebruiksregels voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid.
Voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid zal gebruik worden gemaakt van en dient voldaan te worden aan de parkeercijfers uit de CROW publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het nationale kennisplatform verkeer en vervoer. Voor de doorwerking van het ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’ op onderhavig plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.6.
Hoofdstuk 3
20
4.
ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden de noodzakelijke onderzoeksaspecten behandeld welke in het kader van de bestemmingsplanwijziging nader onderzocht dienen te worden.
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op twee nieuwbouwwoningen en is hiermee een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. Na sloop van de bebouwing zal het terrein bouwrijp moeten worden gemaakt. Tevens dient een wateraansluiting en aansluiting op de bestaande riolering te worden gerealiseerd. De werkzaamheden zullen waar mogelijk door c.q. in opdracht van de initiatiefnemer plaatsvinden. Daar waar werkzaamheden door de gemeente noodzakelijk zijn, zullen de kosten hiervan conform artikel 6.2.1a Bro in een anterieure overeenkomst worden geborgd. Tevens wordt met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van het vigerend bestemmingsplan ‘Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ is door Econsultancy in 2015 een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbinnen zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging in de bodem op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden, dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor het functioneel gebruik van de gronden voor woondoeleinden. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. De gronden zijn binnen het vigerend bestemmingsplan derhalve ook bestemd voor ‘Wonen’. Conclusie Het beoogde planvoornemen voorziet niet in een andersoortig functioneel gebruik van de gronden. Het aspect ‘bodem’ vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
21
4.2.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Conform de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 1 en het Besluit geluidhinder (Bgh) artikel 1.2 betreffen de twee woningen een geluidsgevoelige functie. Binnen het vigerend bestemmingsplan ’Sint Maartensweg 20 Noorbeek’ is het echter reeds toegestaan het gehele plangebied te gebruiken voor woondoeleinden (conform de enkelbestemming ‘Wonen’). Daarnaast is er ook een bouwvlak vastgesteld, waarbinnen één woning mag worden opgericht. Dit bouwvlak blijft ongewijzigd in de toekomstige situatie. Enkel wordt nu voorzien in realisatie van twee woningen binnen het bouwvlak. Derhalve is reeds in het kader van het vigerend bestemmingsplan een juridisch-planologisch afweging gemaakt om de gronden te gebruiken voor woningbouw (geluidsgevoelige objecten). Daarnaast dient opgemerkt te worden dat de nieuwe woningen gelegen zijn in een 30 km gebied, op ruime afstand van de Dorpstraat (50 km/h weg). Gezien de afstand van meer dan 200 meter tot deze weg, is er vanuit de Wet geluidhinder geen noodzaak tot een akoestisch onderzoek.
De verkeersintensiteiten aan de Sint Maartensweg zijn bovendien dusdanig beperkt dat ook in kader van een goede ruimtelijke ordening geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Conclusie Het aspect ‘geluidhinder’ vormt zodoende geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
22
Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van twee woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de vestiging van de beoogde functie. Volgens de kaarten van het RIVM lag de concentratie PM2,5 in 2018 ter plaatse tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 < 18 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16, lid 1 onder a van de Wet milieubeheer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de bouw van twee woningen (op basis van het vigerend bestemmingsplan is de bouw van een woning reeds toegestaan), waardoor de ontwikkeling binnen het 3% criterium van de NIBM-grens blijft.
Hoofdstuk 4
23
4.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
Hoofdstuk 4
24
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de onderstaande afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven.
Uitsnede Risicokaart Nederland met globale aanduiding plangebied blauwe pijl
Hoofdstuk 4
25
Risicovolle bedrijvigheid In de directe omgeving van het plangebied komen volgens de Risicokaart Nederland binnen een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied geen objecten voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Gezien de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot en de aard van de dichtstbij gelegen risicovolle inrichtingen, bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen voor het initiatief. Risicovol transport over wegen In de directe omgeving van het plangebied komen volgens de Risicokaart Nederland geen wegen voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De dichtstbijzijnde weg waarover risicovol transport plaatsvindt betreft de N598 op meer dan 2 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Het plangebied is derhalve buiten het invloedsgebied van deze weg gelegen. Risicovol transport over spoorwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op meer dan 7 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorweg geen belemmering.
Risicovol transport buisleiding Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de directe omgeving van het plangebied ligt één ondergrondse buisleiding. Het betreft een brandstofleiding van defensie (K2, 10 inch, 80 bar). De plaatsgebonden risicocontour 10-6 is op basis van de risicokaart 0 meter. Uit de ‘Risicoafstanden voor buisleidingen met brandbare vloeistoffen K1 K2 K3’ augustus 2008 (rapportage in opdracht van het Ministerie van VROM) blijkt eveneens dat er voor K2 geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 is en dat het groepsrisico bij een K2-leiding bij een dichtheid van 100 personen/hectare niet de 0.1*oriëntatiewaarde zal halen. Bij deze leiding is enkel een belemmerende strook van 5 meter aan de orde. Het plangebied ligt op circa 20 meter afstand ten oosten van de buisleiding. Derhalve is er geen belemmering ten aanzien van de woningbouw.
Risicovol transport over waterwegen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport plaats over waterwegen. Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
26
4.2.5 Milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd). Toetsing De beoogde woningen vormen geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving.
Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die door de bouw van de woningen in hun activiteiten belemmerd worden. De dichtstbijzijnde bedrijven liggen op circa 170 meter ten noordwesten van het plangebied. Beide inrichtingen behoren tot milieucategorie 2, waarvoor een conform de VNG-brochure een richtafstand van 30 meter geldt. Het plangebied is ruimschoots buiten deze richtafstand gelegen. Op circa 35 meter ten westen van het plangebied is een ‘maatschappelijk’ bestemmingsvlak gelegen. Voorheen was hier een basisschool gevestigd. De maatschappelijke bestemming laat veelal activiteiten toe tot milieucategorie 2, hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied zodoende buiten het invloedsgebied. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat er reeds woningen dichter bij de maatschappelijke bestemming zijn gelegen, welke als maatgevend beschouwd kunnen worden. Het plangebied grenst daarnaast aan agrarisch gebied. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Margraten 2009’ is op deze gronden het gebruik van bestrijdingsmiddelen (zoals bij fruitbomen) toegelaten.
In het kader van een goed woon- en leefklimaat dient in principe een afstand van 50 meter te worden aangehouden tot het agrarische gebied. De beoogde woningen zijn op een korte afstand geprojecteerd van het agrarisch gebied. Opgemerkt wordt dat reeds in de huidige situatie woningen (eveneens aan de Sint Maartensweg) gelegen zijn op een kleinere afstand tot het agrarisch gebied. Deze woningen zijn daarom maatgevend
Hoofdstuk 4
27
voor toepassing van vernevelende bestrijdingsmiddelen. Bovendien zijn de gronden binnen het vigerend bestemmingsplan al geschikt bevonden voor woondoeleinden en voorziet onderhavig bestemmingsplan enkel in de realisatie van twee woningen (waar in het vigerende bestemmingsplan was voorzien in één woning). Deze woningen bevinden zich binnen het reeds vastgestelde bouwvlak, waardoor de afstand ten opzichte van het agrarisch gebied niet wijzigt. De percelen aan de achterzijde van het woonperceel zijn weliswaar bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’, maar deze zijn deels in gebruik als tuin. Bij dit gebruik is normaliter geen overlast te verwachten als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bovendien hebben de eigenaren van deze percelen een verklaring afgegeven dat zij geen gebruik maken van bestrijdingsmiddelen die drift (verwaaiing van spuitvloeistof) kunnen veroorzaken. Het perceel ten zuidwesten van het woonperceel is eveneens bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ en is in gebruik als weide. Dit perceel is in eigendom van de initiatiefnemer, die het heeft verpacht. Deze pachter heeft een verklaring afgegeven dat hij geen bestrijdingsmiddelen gebruikt die drift kunnen veroorzaken.
Om ook planologisch te kunnen waarborgen dat op de desbetreffende agrarische percelen geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, is in het voorliggende op de agrarische gronden die binnen 50 meter van de woonbestemming zijn gelegen, de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Op basis van deze aanduiding geldt een verbod op het gebruik van drift veroorzakende chemische gewasbeschermingsmiddelen. Hierdoor is er voor wat betreft het aspect spuitzones geen sprake van hinder op het woonperceel als gevolg van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de omliggende agrarische percelen. Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt naar aanleiding van bovenstaande bevindingen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Zoals in paragraaf 3.4.4 reeds is aangegeven, is in het plangebied sprake van een archeologische dubbelbestemming in de vorm van ‘Waarde – Archeologie 5’. De voor ‘Waarde – Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. Met betrekking tot de ‘Waarde – Archeologie 5’ gelden de navolgende bepalingen: a) Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. b) Op de ‘Waarde – Archeologie 5’ gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van:
Hoofdstuk 4
28
1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; 2. een bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; 3. een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 1.000 m2. Onderhavig plan voorziet niet in bodemingrepen dieper dan 0,50 meter en met een oppervlakte van meer dan 1.000 m2. Het volledige plangebied heeft immers een oppervlakte van circa 955 m 2, waarvan enkel voor een beperkt gedeelte een bouwvlak is opgenomen. Derhalve is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter bescherming van de archeologische waarden zal de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ wel behouden worden. Derhalve wordt gewaarborgd dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is wanneer de bodemingreep dieper is dan 0,50 meter en een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2 beslaat. Deze regeling is in lijn met de standaard archeologiebepalingen van de gemeente Eijsden-Margraten. Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Sint Maartensweg’ wel aangeduid als een ‘weg ouder dan of gelijktijdig met middeleeuwse verkaveling’.
Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze weg. Conclusie Vanuit het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ bestaan er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
4.4 Leidingen en infrastructuur Op circa 20 meter ten westen van het plangebied is een buisleiding gelegen. Het betreft een brandstofleiding van defensie (K2, 10 inch, 80 bar). De planologische beschermingszone van deze leiding ligt niet over het plangebied. Voor wat betreft het aspect ‘externe veiligheid’ van deze leiding wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4. Voor het overige zijn er blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een planologisch relevante beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
29
4.5 Ecologie Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en ge-biedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.