20210525 04d Toelichting.pdf
Tekst van het document
Hoofdstuk 4
31
Middels het voorgeschreven rekenpakket RBM II zijn de omgevingsveiligheidsrisico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N278 berekend. Berekeningen zijn uitgevoerd voor de huidige en de toekomstige situatie. Uit onderzoek naar de externe veiligheidsrisico’s over de N278 in het kader van het Uitvoeringsbeleid externe veiligheid Eijsden-Margraten volgt dat:
geen sprake is van een plaatsgebonden risico PR 10-6; geen plasbrandaandachtsgebieden (PAG) geldt; het groepsrisico in de huidige situatie lager is dan de oriëntatiewaarde, maar iets hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde; het groepsrisico in de toekomstige situatie lager is dan de oriëntatiewaarde, zelfs lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
Uit het vastgestelde beleid volgt dat, gelet op het feit dat voor de provinciale weg het groepsrisico kleiner is dan 0,1 van de oriënterende waarde, een standaard verantwoording afdoende is. Onder het kopje ‘verantwoording groepsrisico’ is een standaard verantwoording opgenomen. Risicovol transport over spoorwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen. De dichtstbijzijnde spoorweg is gelegen op ongeveer 5 kilometer afstand ten noorden van het plangebied. Gezien deze afstand vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de spoorweg geen belemmering. Risicovol transport over waterwegen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport plaats over waterwegen. De Maas, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt, ligt op een afstand van ruim 8,5 km van het besluitgebied en vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief. Risicovol transport buisleiding Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Binnen een afstand van 2 kilometer van het plangebied zijn twee ondergrondse buisleidingen gelegen.
Hoofdstuk 4
32
Naam
Beheerder
Diameter (inch)
Werkdruk (bar) 80
Inventarisatieafstand (m) 160
Afstand tot plangebied (m) 650
10,75
Z-504-01
Defensie Pijpleiding Organisatie Gasunie
12,76
40
140
1300
Gezien de grote tussenliggende afstand ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze leidingen. De ligging ten opzichte van de leidingen vormt hierdoor geen belemmering. Verantwoording groepsrisico Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
Verantwoording Over de N278 worden in beperkte mate gevaarlijke stoffen vervoerd. De risico’s zijn met name gelegen in ongelukken: - met brandbaar gas (BLEVE5); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Het besluitgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van deze weg . De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is echter zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
Door de ligging binnen het invloedsgebied van het transport van toxische vloeistoffen en brandbare gassen wordt hierna alleen ingegaan op een toxisch scenario in de vorm van een toxische gaswolk en het ontstaan van een BLEVE.
Toxische gifwolk Bij een toxische wolk zullen de aanwezige personen in eerste instantie worden gewaarschuwd met de instructie schuilen waarbij het advies luidt ramen en deuren gesloten houden en de ventilatie afschakelen. Nieuwe bouwwerken zijn veelal goed geïsoleerd, waardoor deze woningen voor ten minste 4 uur na het incident, een goede bescherming bieden tegen het binnendringen van het toxisch gas. De personen in het plangebied zijn in het algemeen als zelfredzaam te beschouwen. De bereikbaarheid van het plangebied is goed. De ontvluchting van het gebied en de toegang voor hulpdiensten is gewaarborgd. BLEVE
5
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof)
Hoofdstuk 4
33
Bij een BLEVE komt de lading van de tankwagen vrij en tot ontbranding, hetgeen tot een enorme explosie met vuurbal leidt. Bij een explosie ontstaat er overdruk (luchtdruk, piekbelasting) die ervoor zorgt dat het gebouw ernstig wordt beschadigd. Daarnaast ontstaat er een vuurbelasting op de omgeving. Het gebouw wordt matig tot zwaar beschadigd vanwege het incident met een brandbaar gas. Ten gevolge van een incident kunnen dodelijke slachtoffers vallen. De personen in het plangebied zijn in het algemeen als zelfredzaam te beschouwen. De bereikbaarheid van het plangebied is goed. De ontvluchting van het gebied en de toegang voor hulpdiensten is gewaarborgd. Algemeen Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Opgemerkt wordt dat de kans op een dergelijk ongeval dusdanig klein is dat het verwaarloosbaar wordt geacht. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid transport over de weg geen belemmeringen voor de besluitvorming.
Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.2.5 Milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).
Hoofdstuk 4
34
Toetsing De beoogde woningen vormen geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn diverse niet-woonfuncties gelegen zoals detailhandel, kantoren, horeca en andere kleinschalige bedrijven in maximaal milieucategorie 2. De richtafstand tussen deze functies en woningen bedraagt ingevolge voornoemde brochure 10 of 30 meter in het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Al deze functies zijn gelegen op een afstand van meer dan 30 meter van de beoogde woningbouw met uitzondering van de supermarkt aan het Amerikaplein, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt, en de afstand tussen woningen en deze supermarkt minder dan 10 meter bedraagt. Daarnaast is aan de voorzijde van de beoogde woningen een parkeerplaats ten behoeve van de supermarkt gelegen met een richtafstand van 30 meter. De beoogde woningen worden op kortere afstand dan deze richtafstand gebouwd.
Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarin naast het aspect wegverkeerslawaai (paragraaf 4.2.2) tevens onderzoek is verricht naar de omliggende functie in relatie tot het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat.6 De volledige onderzoeksrapportage is als bijlage toegevoegd en samenvattend is daarin het navolgende naar voren gekomen.
Conclusie Er is nader onderzoek verricht naar de nabij gelegen Plus supermarkt en de glasbakcontainer. Plus supermarkt Uit het onderzoek blijkt dat de gevelbelasting voldoet aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG en de geluideisen uit het Activiteitenbesluit. Het nieuwbouwplan beperkt de Plus supermarkt niet in haar vergunde geluidruimte. Glasbakcontainer Uit het onderzoek blijkt dat de gevelbelasting bij het ledigen van de container de piekgeluiden plaatselijk hoger zijn dan wenselijk. Aangezien de frequentie hiervan beperkt zal zijn tot 1 à 2 maal per week en het om laad- en los activiteiten gaat worden geen eisen gesteld aan de piekgeluiden en om die reden zijn dergelijke pieken toelaatbaar. Op grond van het bovenstaande kan worden gesteld dat het nieuwbouwplan qua geluid akoestisch inpasbaar is er zal sprake zijn van een goed/acceptabel woon- en leefklimaat. 6
K+ Adviesgroep, BP Sprinkstraat Margraten Akoestisch onderzoek, Rapportnummer Rm190469aaA6, d.d. 3 december 2020
Hoofdstuk 4
35
4.3 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Binnen het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ van toepassing. Ingevolge de ‘Archeologische monumenten- en verwachtingskaart voor de gemeente Eijsden-Margraten’ heeft het plangebied een drietal archeologische waarden: -
-
-
Monumenten van hoge waarde (verwachtingswaarde 3): Voor het vergraven / bebouwen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en een diepte van meer dan 50 cm geldt een onderzoeksplicht. Gebieden met een hoge verwachting / trefkans (verwachtingswaarde 4): Voor het vergraven / bebouwen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 50 cm geldt een onderzoeksplicht. Gebieden met een lage verwachting / trefkans (verwachtingswaarde 6): Voor het vergraven / bebouwen met een oppervlakte van meer dan 25.000 m2 en een diepte van meer dan 50 cm geldt een onderzoeksplicht.
Hoofdstuk 4
36
Figuur 10 Uitsnede Archeologische monumenten- en verwachtingskaart voor de gemeente Eijsden-Margraten met globale aanduiding plangebied (rood omcirkeld)
Het bouwplan is zodanig van opzet dat het terrein diverse niveaus kent en dat tijdens de bouw lagere niveaus worden opgehoogd. De diepte van 50 cm zal dan ook niet gehaald worden, waardoor nader onderzoek niet nodig is. In het thans vigerende bestemmingsplan ‘Kern Margraten’ uit 2007 is nog geen archeologische waarde opgenomen. Gelet op de Erfgoedverordening uit 2013 moeten archeologische waarden in een bestemmingsplan opgenomen worden. Derhalve is in dit bestemmingsplan per genoemde waarde een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ opgenomen. Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Wel geldt ter plaatse de dubbelbestemming ‘Cultuurhistorische waarden’. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de locatie eveneens aangemerkt als een matig veranderde oude stads- of dorpskern (1810) waarbij de wegenstructuur en het bebouwingspatroon nog herkenbaar zijn.
Het beleid is binnen de dubbelbestemming "cultuurhistorische waarden" gericht op behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden door het tegengaan van verdere versnippering van historische patronen, het zo mogelijk verwijderen van incidentele objecten zonder enig verband met de oorspronkelijke situatie en het voorkomen van het toevoegen van nieuwe elementen, anders dan bedoeld ter reconstructie van de oorspronkelijke situatie. Daarom wordt bij de beoordeling van ontwikkelingen binnen dit gebied advies ingewonnen bij een commissie van deskundigen
Hoofdstuk 4
37
(monumentencommissie). Deze beoordeelt of voldoende rekening wordt gehouden met de aangrenzende cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundig beeld en de schoonheid en de ruimtelijke structurele samenhang van de straatwanden aan de Pastoor Brouwersstraat, Kerkplein en Sprinkstraat. Binnen het plangebied bevinden zich geen monumenten. Het plan maakt onderdeel uit van de straatwand van de Sprinkstraat. Aan het plangebied is derhalve de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ toegekend. Conclusie Het definitieve ontwerp wordt voorgelegd aan de monumentencommissie. Vanuit het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ bestaan er in beginsel geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.
4.4 Leidingen en infrastructuur Blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland zijn in of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een planologisch relevante beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Ecologie Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuur-netwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in het POL2014 en de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden
Hoofdstuk 4
38
(voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet Natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet Natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet Natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd.
Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld.
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming,
Hoofdstuk 4
39
geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebieden zijn het ‘Geuldal’ en het gebied ‘Bemelerberg en Schiepersberg’, op circa 1,9 kilometer respectievelijk ten noordoosten en ten noordwesten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Wel dient in het kader van voorliggend bestemmingsplan aangetoond te worden dat er geen negatieve effecten worden voorzien in het kader van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden.
Om de effecten omtrent stikstofdepositie inzichtelijk te maken wordt gebruik gemaakt van het programma AERIUS calculator. De AERIUS calculator maakt de depositie van stikstofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000gebied inzichtelijk. Met de recente uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) is beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet zondermeer als toestemmingsbasis mag gelden voor nieuwe activiteiten. In lijn met de recente uitspraak van de Raad van State geldt derhalve dat binnen onderhavig planvoornemen een projectbijdrage van 0,00 mol/ha/jaar als aanvaardbaar wordt geacht. In het kader van onderhavig bestemmingsplan heeft een stikstofdepositie berekening plaatsgevonden voor de aanleg- en gebruiksfase7. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. De berekening is als bijlage toegevoegd. Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 760 meter ten noorden van het plangebied.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
7
Geonius, Notitie stikstofberekening Sprinkstraat, perceel A 6793, in Margraten, rapportnummer EA200087.R01.V.1.0, d.d. 17 augustus 2020
Hoofdstuk 4
40
Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming heeft een quickscan flora en fauna plaatsgevonden. 8 Deze rapportage is als bijlage toegevoegd en hieruit is het navolgende naar voren gekomen.
Terplekke van de ingreep- en onderzoekslocatie komen geen broedvogels voor met jaarrond beschermde nesten. Effecten op broedvogels treden dan ook niet op. In de bebouwing zijn geen geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig en/of te verwachten voor vleermuizen. Primaire jachtgebieden en vliegroutes zijn eveneens niet aanwezig. Effecten op vleermuizen zijn dan ook op geheel voorhand uit te sluiten. Op een van de bakstenen pilaren van de te slopen schuur groeit één steenbreekvaren. Door het verplaatsen van dit deel, naar een schaduwrijke plek en uit de zonkant, blijft deze bijzondere varensoort behouden voor de locatie. Vanuit de Wet natuurbescherming is dit niet noodzakelijk, omdat de soort niet beschermd is. Effecten op andere beschermde soorten amfibieën, vissen, libellen, dagvlinders, overige ongewervelden en grondgebonden zoogdieren treden in het geheel niet op. Omdat deze niet aanwezig zijn en of te verwachten zijn, vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied. De beoogde renovatie en herinrichting kan derhalve wel leiden tot verstoring van broedende vogels als de werkzaamheden in de zomerperiode opgestart worden. Het advies hierin is dan ook om de werkzaamheden zoveel als mogelijk buitend e kwetsbare broedperiode (buiten half maart en half juli) uit te voeren.
In het kader van de Wet natuurbescherming kan geconcludeerd worden dat er voorts geen knelpunten zijn in relatie tot het overtreden van verbodsbepalingen. Nader soortgericht onderzoek op locatie wordt niet noodzakelijk geacht, evenals het doorlopen van een procedure tot ontheffing Wet natuurbescherming. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn enkele bomen aanwezig. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming is zodoende niet aan de orde.
4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisering van twaalf levensloopbestendige woningen in de vorm van zes appartementen en zes grondgebonden woningen. Daarnaast wordt een levensloopbestendige woning in een voormalige koeienschuur gerealiseerd. De verkeersgeneratie is berekend op basis van de CROW-rekentool (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 318). Hierbij is uitgegaan van een globale berekening voor 13 woningen in het
8
Ecolybrium, Rapportage Quickscanonderzoek Ecologische Waarden Sprinkstraat 15, Margraten, kenmerk 20-724, d.d. 2 september 2020
Hoofdstuk 4
41
woonmilieutype ‘Centrum-dorps’. Het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per woning bedraagt 6,3 per weekdagetmaal. De verkeersgeneratie bedraagt dan 81,9 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Deze toename van kan volledig worden opgevangen binnen de bestaande wegenstructuur en zal niet tot knelpunten leiden. De twaalf woningen aan het Amerikaplein worden ontsloten via het Amerikaplein en de woning aan de Sprinkstraat wordt direct ontsloten aan de Sprinkstraat. Parkeren Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 10 augustus 2018 met als doel om in een parkeerregeling te voorzien nu per 1 juli 2018 de parkeerregeling in de Bouwverordening is komen te vervallen. De gemeente is bezig met de voorbereiding om nieuw parkeerbeleid op te stellen. Tot de vaststelling van het nieuwe gemeentelijk parkeerbeleid worden de kencijfers conform de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ gehanteerd. Om dit te waarborgen in de vigerende plannen is voornoemd parapluplan opgesteld.
Met een paraplubestemmingsplan is het mogelijk om in één keer de onderliggende bestemmingsplannen gedeeltelijk te herzien, zodat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen of afwijkend gebruik de aanvraag omgevingsvergunning getoetst kan worden aan het bestemmingsplan als het gaat om het onderdeel parkeren. Daar waar de parkeerregeling al juist vertaald is in geldende bestemmingsplannen is een herziening niet noodzakelijk. De gemeente Eijsden-Margraten heeft in het principebesluit van 3 februari 2020 de volgende uitspraak gedaan over het aantal benodigde parkeerplaatsen. ‘Uitgaande van de CROW-kencijfers behorende bij dit bestemmingsplan dient voor de nieuwe woning aan de kant van de Sprinkstraat te worden voorzien in (afgerond) 2 parkeerplaatsen. Hieraan wordt voldaan. Wel dienen deze zo gesitueerd te worden dat deze beide gelijktijdig gebruikt kunnen worden (niet achter elkaar situeren). Wat betreft de 6 grondgebonden senioren woningen en de 6 senioren appartementen dient te worden voorzien in 17 parkeerplaatsen. Ook hier wordt aan voldaan. Wel dient hiervoor de bestaande parkeerplaats (openbare ruimte) achter de supermarkt aangepast te worden.
Uitgangspunt is dat de bestaande rijbreedtes tussen de parkeervakken gerespecteerd dienen te worden en de ruimte inclusief bijbehorende manoeuvreerruimte voor het laden en lossen aan de achterkant van de supermarkt door vrachtauto’s. Gelet hierop wordt de ontwikkelaar verzocht om een plan voor het parkeren inclusief bijbehorende openbare ruimte uit te werken op basis van inmeetgegevens en deze aan de gemeente ter beoordeling voor te leggen.’ Ten behoeve van de onderhavige woningbouwontwikkeling worden 14 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd en 3 extra parkeerplaatsen worden toegevoegd aan het huidige openbare parkeerterrein.
Hoofdstuk 4
42
Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de onderhavige planontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal: Nationaal Waterplan; Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021. Beleid waterschap Het Waterbeheerplan 2016-2021 is op 14 oktober 2015 vastgesteld door de Algemene besturen van Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei. Zo konden zij, vooruitlopend op de fusie in 2017 (tot Waterschap Limburg), alvast invulling geven aan gezamenlijk waterbeheer. Met dit Waterbeheerplan zetten de waterschappen de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg; hoe men invulling wil geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In dit plan is vastgelegd hoe het waterschap het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden.
Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Brochure ‘Regenwater schoon naar beek en bodem’ In deze brochure van de Limburgse waterbeheerders worden de richtlijnen en de voorkeursvolgorde voor het afkoppelen van regenwater van het riool beschreven bij (vervangende) nieuwbouw. De voorkeursvolgorde gaat voor het afkoppelen uit van de trits vasthouden, bergen, afvoeren. Voor het grondoppervlak, dakoppervlak, en voor hergebruik worden richtlijnen gegeven voor het afkoppelen.
Hoofdstuk 4
43
Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving bevindt zich geen oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied wordt geloosd op het bestaande rioolstelsel. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhardingen wordt binnen het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd. Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel.
In het kader van dit bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de waterdoorlatendheid van de ondergrond en de infiltratiemogelijkheden.9 Op 1 april 2019 zijn de nieuwe beleidsregels Keur Waterschap Limburg 2019 in werking getreden. In deze beleidsregels is vastgesteld dat de bergings- / infiltratievoorziening minimaal gedimensioneerd dient te worden op een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van een in de 100 jaar gebaseerd op het gemiddelde klimaatscenario 2050. Voor de regio Zuid-Limburg geldt bij maatwerk een buiduur van twee uur, zijnde 80 mm. De totaal te verwerken hoeveelheid hemelwater, vanwege de beoogde ontwikkeling, komt derhalve uit op circa 107,9 m3. Uit de gemeten doorlatendheid blijkt dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van de Sprinkstraat 15-17 te Margraten. De doorlatendheid van de ondiepe ondergrond is vrij goed. Het infiltreren zou middels een wadi of grindkoffers direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd en voor nadere informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. 9
Aelmans, onderzoek naar de waterdoorlatendheid ondergrond Sprinkstraat 15-17 te Margraten, rapportnummer E200146.004.R1/RKR, d.d. 7 september 2020
Hoofdstuk 4
44
Overleg waterbeheerder Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak minder zal bedragen dan 2.000 m² en er voor het overige geen Waterschapsbelangen in het geding zijn, hoeft het bestemmingsplan niet aan het Waterschap te worden voorgelegd. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.
Hoofdstuk 4
45
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1 Planonderdelen Het onderhavige bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Omdat het thans vigerende bestemmingsplan is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de huidige Wet ruimtelijke ordening en daardoor niet voldoet aan de huidige standaarden is aansluiting gezocht bij meer recentere bestemmingsplannen voor woningbouw binnen de gemeente Eijsden-Margraten.
Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe woningen, alsmede verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Door middel van aanduidingen zijn aanvullende bouwregels, waaronder het maximum aantal woningen en maximum bouwhoogte en goothoogte, opgenomen. Daarnaast is een bouwaanduiding opgenomen voor het woningtype.
Hoofdstuk 5
46
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1
Inleidende regels
Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2
Bestemmingsregels
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden
Hoofdstuk 5
47
en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. ‘Wonen’ Het totale plangebied is bestemd als ‘Wonen’. Binnen deze bestemming zijn 6 gestapelde en 6 grondgebonden woningen toegestaan. Daarnaast is voor de locatie Sprinkstraat 15 opgenomen dat ter plaatse twee woningen zijn toegestaan, een en ander om de toevoeging van een woning in een voormalige koeienschuur mogelijk te maken. De hoofdbebouwing moet plaatsvinden binnen het bouwvlak en voldoen aan de bouw- en maatvoeringsaanduidingen die op de verbeelding zijn opgenomen. Bij de gestapelde woningen is tevens een aanduiding opgenomen ten behoeve van het realiseren van bijgebouwen.
Binnen deze bestemming zijn tevens parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en waterbergende voorzieningen toegestaan. ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waarde – Archeologie 6’ De voor ‘Waarde - Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 6’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij elke waarde is aangegeven wanneer een onderzoek moet worden verricht. ‘Waarde – Cultuurhistorie’ De dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ uit het vigerende bestemmingsplan wordt overgenomen en is van toepassing binnen het gehele plangebied. 5.3.3
Algemene regels
In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent maatvoeringen en bebouwingspercentages.
Hoofdstuk 5
48
In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het gebruik van de gronden. In de Algemene afwijkingsregels en Algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht, te weten voorrangsregels en verwijzingen naar geldende wet- en regelgeving. 5.3.4
Overgangs- en slotregels
In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Hoofdstuk 5
49
6.
HANDHAVING
Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
50
7.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
Ingevolge artikel 1.3.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of er een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in artikel 1.3.1. Bro bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12 lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en langs elektronische weg. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. Bro dient vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. In het kader van onderhavig plan zijn geen nationale belangen in het geding.
Vooroverleg met de Rijksoverheid is dan ook niet noodzakelijk. Gezien de ligging binnen het stedelijk gebied en het gestelde in de Interim Belangenstaat van de provincie Limburg zijn er met plan ook geen provinciale belangen gemoeid en is vooroverleg met de provincie dan ook niet noodzakelijk. Overleg met het Waterschap is, conform het Toepassingsbereik Watertoets ook niet nodig, aangezien er geen Waterschapsbelangen in het geding zijn en er gezien de bestaande situatie, geen toename van meer dan 2000 m2 verhard oppervlak plaatsvindt. Zienswijzen De resultaten van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemming worden hier te zijner tijd beschreven.
Hoofdstuk 7
51
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp-bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 8
52
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl
Hoofdstuk 8
55