20210525 04d Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Sprinkstraat-Laatbank Margraten’ Gemeente Eijsden-Margraten Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Woningbouw Sprinkstraat-Laatbank Margraten’ Gemeente Eijsden-Margraten Ontwerp
Rapportnummer BRO:
P03376_3
IMRO:
NL.IMRO.1903.BPKOM1010-ON01
Datum:
15 december 2020
Contactpersoon opdrachtgever:
ME
Projectteam BRO:
HLe / FSi
Concept:
19 augustus 2020
Ontwerp:
december 2020
Vaststelling: Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woningen, Margraten, Eijsden-Margraten.
Bron foto kaft:
Hollandse hoogte 14
Beknopte inhoud:
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van zes appartementen en zes grondgebonden woningen aan de Laatbank en een woning in de voormalige koeienstal aan de Sprinkstraat te Margraten (gemeente Eijsden-Margraten).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Toelichting
Hoofdstuk 8
53
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING
3
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
5 5 6 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
10 10
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
12 12 13
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie 3.3 Regionaal beleid
13 14 15 17
3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid
17 19
3.4.1 Strategische Visie Eijsden-Margraten 3.4.2 Lokale woonvisie Eijsden-Margraten 2019-2025 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Kern Margraten’ 3.4.4 Vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’
19 20 22 24
4. ONDERZOEK 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
25 25 25
4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Externe veiligheid 4.2.5 Milieuzonering 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren 4.7 Waterhuishouding
25 26 27 28 34 36 38 38 41 43
Inhoudsopgave
1
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
46 46 46 47
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
47 47 48 49
6. HANDHAVING
50
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
51
8. PROCEDURE
52
SEPARATE BIJLAGEN: Bijlage 1: Ladderonderbouwing Bijlage 2: Bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Quickscan ecologische waarden Bijlage 5: Aerius-berekening Bijlage 6: Infiltratieonderzoek
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
Het voornemen bestaat om op het achterterrein behorende bij Sprinkstraat 11a en 13 Margraten nabij het parkeerterrein aan de Laatbank, kadastraal bekend als Margraten sectie A nrs. 7019, 7020 en 6357 ged., een twaalftal levensloopbestendige nieuwbouwwoningen voor senioren te realiseren in de vorm van zes appartementen en zes grondgebonden woningen. Daarnaast bestaat het voornemen om in een voormalige koeienschuur behorende bij Sprinkstraat 15, kadastraal bekend als Margraten sectie A nrs. 7016, 7017 en 7018, een woning te realiseren. Dit naast de bestaande woning in het pand aan de Sprinkstraat 15.
Figuur 1 Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied (rode pijl)
De beoogde woningbouwontwikkeling is in strijd met het vigerende bestemmingsplan ‘Kern Margraten’, zoals dat door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Margraten op 3 juli 2007 is vastgesteld. Ingevolge dit bestemmingsplan is het toevoegen van woningen niet toegestaan. De realisatie van de nieuwe woningen kan mogelijk worden gemaakt door middel van een nieuw bestemmingsplan. Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt daarom de beoogde realisatie van de woningen juridisch-planologisch geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
Hoofdstuk 1
3
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel, het besluitprofiel en de ruimtelijke & stedenbouwkundige effecten toegelicht. Vervolgens worden de hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de handhaving van het planweergegeven. In hoofdstuk 7 volgt de maatschappelijke uitvoerbaarheid en tot slot vindt in hoofdstuk 8 de procedure aangegeven.
Hoofdstuk 1
4
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL
2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen in de kern Margraten. Margraten ligt centraal op het Plateau van Margraten in het Zuid-Limburgse heuvelland ongeveer 10 kilometer ten oosten van Maastricht en circa 4,5 kilometer ten zuiden van Valkenburg. Tot 31 december 2010 maakte Margraten deel uit van de voormalige gemeente Margraten. Per 1 januari 2011 is Margraten opgegaan in de gemeente Eijsden-Margraten. Margraten is wereldwijd bekend door de aanwezigheid van de Amerikaanse begraafplaats dat ten zuidwesten van de dorpskern is gelegen. De dorpskern zelf is gelegen aan de noordzijde van de Rijksweg N278 tussen Maastricht en Vaals.
Figuur 2 Luchtfoto van de kern Margraten
De ontwikkellocatie ligt in het centrum van Margraten aan de achterzijde van de Sprinkstraat 11a t/m 13 nabij het parkeerterrein aan de Laatbank op de percelen kadastraal bekend als Margraten sectie A nrs. 7019, 7020, 6357 (ged.) en 6926 (ged.). Het perceel aan de Sprinkstraat 15, dat in dit bestemmingsplan wordt meegenomen, is kadastraal bekend als Margraten sectie A nrs. 7016, 7017 en 7018.
Hoofdstuk 2
5
De planlocatie wordt globaal begrensd door de Sprinkstraat aan de zuidzijde, Het Amerikaplein met diverse winkels aan de westzijde, het parkeerterrein aan de Laatbank aan de noordzijde met meer noordelijk daarvan een woonzorgcomplex aan de Schinkepoort en bebouwing aan de Van Schaluynhofstraat aan de noordoostzijde. Het plangebied heeft een omvang van circa 2.431 m2.
Figuur 3 Luchtfoto met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
2.2 Besluitprofiel De planlocatie is een achterterrein dat toebehoort aan de woningen gelegen aan de Sprinkstraat 1113a. Het achterterrein oogt rommelig en kenmerkt zich door oude en vervallen bebouwing (voormalige schuren). Het planvoornemen bestaat om deze vervallen bebouwing te slopen en ter plaatse zes grondgebonden woningen en zes appartementen te realiseren. Het betreft hier levensloopbestendige woningen
Hoofdstuk 2
6
voor senioren. De betreffende woningen worden georiënteerd naar het parkeerterrein aan de achterzijde van de supermarkt die gelegen is ten westen van de planlocatie aan het Amerikaplein. De ontsluiting van deze nieuwbouwwoningen zal eveneens plaatsvinden via het Amerikaplein. Het appartementencomplex wordt uitgevoerd in 3 bouwlagen met een hoogte van 9 à 10 meter. De grondgebonden woningen bestaan uit één bouwlaag van maximaal 4 meter hoog met een optionele dakopbouw van één bouwlaag die is georiënteerd op de Laatbank. Daarnaast worden ten behoeve van deze woningen op eigen terrein 14 parkeerplaatsen en 3 extra parkeerplaatsen in het openbaar gebied aangelegd. Hierna volgt een impressie van de beoogde nieuwbouw. De tweede verdieping is optioneel.
Figuur 4 Impressie grondgebonden woningen (Croonenburo5, voorlopig ontwerp d.d. 22 juni 2020)
Hoofdstuk 2
7
Figuur 5 Impressie appartementencomplex (Croonenburo5, voorlopig ontwerp d.d. 22 juni 2020)
Figuur 6 Impressie woning Sprinkstraat 15 (Croonenburo5, voorlopig ontwerp d.d. 22 juni 2020)
Hoofdstuk 2
8
Naast voornoemde nieuwbouwontwikkeling wordt de voormalige koeienschuur behorende bij het pand Sprinkstraat 15 en gelegen aan de linkerzijde van de poort omgebouwd tot een reguliere grondgebonden woning. De reeds bestaande woning aan de Sprinkstraat 15 maakt eveneens onderdeel uit van onderhavig bestemmingsplan. Deze woning zal in beginsel gebruikt worden als een zorgwoning en wordt ook levensloopbestendig uitgevoerd met een slaap- en badkamer op de begane grond. Achter de poort is een binnenplaats gelegen waar een garage ten behoeve van de stalling van twee auto’s wordt gerealiseerd.
2.3
Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
De beoogde transformatie van het plangebied zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitsverbetering. De vervallen bebouwing op het achterterrein wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw die qua schaalgrootte aansluit op de omliggende bebouwing. Door deze schuren te slopen en te vervangen door appartementen en grondgebonden woningen wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse sterk verbeterd. Bovendien krijgt het parkeerplein achter de supermarkt aan het Amerikaplein meer een pleinfunctie dan alleen het achter de supermarkt kunnen parkeren. Functioneel bezien betreft het hier levensloopbestendige woningen voor senioren die gunstig (op loopafstand) zijn gelegen van de (winkel)voorzieningen. Het plan voorziet aan de zijde van de Sprinkstraat in het toevoegen van een woning in de voormalige koeienschuur behorende bij het woonhuis aan de Sprinkstraat 15. Het stedenbouwkundige beeld, zijnde historische boerderijbebouwing aan die zijde van de Sprinkstraat, blijft verder ongewijzigd. Het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, dan ook geen negatieve ruimtelijke, functionele en stedenbouwkundige effecten tot gevolg voor de omgeving. Binnen onderhavig bestemmingsplan worden de ruimtelijke randvoorwaarden voor de woningbouw geborgd, zodat ook bij de daadwerkelijke realisatie van de woningen sprake blijft van een kwalitatieve invulling.
Het bouwplan is als schetsplan in het kader van vooroverleg welstand voorgelegd aan de monumentencommissie. De monumentencommissie heeft op 22 juni 2020 een advies afgeven. De monumentencommissie stemt in met de stedenbouwkundige opzet en de architectuur van het plan onder de voorwaarde dat bij de verdere planuitwerking nog op een aantal zaken nader wordt ingegaan. In het kader van de omgevingsvergunning van het bouwplan zal een volledig uitgewerkt plan aan de monumentencommissie worden voorgelegd.
Hoofdstuk 2
9
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
Duurzaam economisch groeipotentieel;
Sterke en gezonde steden en regio’s;
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen.
De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
Hoofdstuk 3
10
2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18.
Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie.
Hoofdstuk 3
11
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor sloop en nieuw te bouwen woningen. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen.
De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319).
Hoofdstuk 3
12
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging De onderhavige bouwontwikkeling ziet op de realisering van in totaal dertien woningen en daardoor is sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Ten behoeve van deze ontwikkeling is een Laddertoets uitgevoerd.2 Daaruit volgt dat het toevoegen van woningen in kwantitatieve zin mogelijk is in bepaalde segmenten zoals woningen voor ouderen en starters. Door woningen voor ouderen te realiseren (levensloop bestendig grondgebonden en appartementen beiden in het betaalbare koopsegment wordt enerzijds een kwalitatieve impuls gegeven, de juiste woningen voor de juiste doelgroep. en anderzijds kan ook de doorstroming op gang gebracht worden zodat er weer woningen beschikbaar komen voor starters. De volledige onderzoeksrapportage is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan 2014 p 12 december is het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 richt zich op de vraag wat er nodig is om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Limburg te verbeteren. Samen met de inspanningen op andere terreinen moet dat leiden tot een leef- en vestigingsklimaat van een voortreffelijke kwaliteit. In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema’s benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit gebied betreft gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De accenten liggen binnen deze zone op: (1) transformatie regionale woningvoorraad, (2) bereikbaarheid, (3) balans voorzieningen en detailhandel, (4) stedelijk groen en water en tot slot (5) de kwaliteit van de leefomgeving.
2
BRO, Ladderonderbouwing Sprinkstraat-Laatbank te Margraten, projectnr. P03376, d.d. 27 oktober 2020
Hoofdstuk 3
13
Figuur 7 Uitsnede kaart POL2014 met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Afweging De ontwikkeling past in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Daarnaast draagt het initiatief bij aan de transformatie van de regionale woningvoorraad. Het plan voorziet namelijk in de realisatie van twaalf levensloopbestendige woningen voor senioren. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in het Provinciaal Omgevingsplan 2014. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Afweging In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.3.
Hoofdstuk 3
14
In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio ZuidLimburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. Afweging milieubeschermingsgebieden Uit de kaarten behorende bij de omgevingsverordening blijkt dat het plangebied is gelegen binnen ‘uitsluitingsgebieden windturbines’. Het onderhavige plan ziet niet op de realisering van windturbines en deze aanduiding staat de onderhavige planvorming dan ook niet in de weg.
Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 bestaan er hiermee geen belemmeringen ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. 3.2.3 Ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd in het eerste kwartaal van 2021. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren.
De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
Hoofdstuk 3
15
-
Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadaptatie en energietransitie.
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: -
Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.
Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.
Hoofdstuk 3
16
Afweging De onderhavige nieuwbouwwoningen zijn levensloopbestendig en bestemd voor de oudere doelgroep. Zoals ook volgt uit de Ladderonderbouwing is er behoefte aan woningen voor ouderen en tegelijkertijd bevordert dit de doorstroming zodat starters een kans hebben op de woningmarkt. De onderhavige ontwikkeling past dan ook binnen de Provinciale Omgevingsvisie.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg De Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg (SVWZL) is een gezamenlijke, Zuid-Limburgse ruimtelijke visie op de woningmarkt, opgesteld door de 18 Zuid-Limburgse gemeenten Beek, Brunssum, Eijsden-Margraten, Gulpen-Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth, Onderbanken, Schinnen, Simpelveld, Sittard-Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal, vanuit het besef dat ruimtelijke ontwikkelingen in één gemeente directe invloed hebben op andere gemeenten. Het doel van de structuurvisie is het creëren van een excellent woon- en leefklimaat in Zuid-Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Een excellent woon- en vestigingsklimaat is een belangrijke voorwaarde voor de economische ontwikkeling van Zuid-Limburg en benutting van de geografische posities van Zuid-Limburg in het hart van de Euregio Maas-Rijn. In de structuurvisie worden drie woonsferen onderscheiden: stedelijk (Heerlen, Maastricht, Sittard-Geleen), suburbaan (delen van de stedelijke gebieden en grotere kernen) en landelijk (buitengebied en kleine kernen). Het plangebied maakt deel uit van de woonsfeer ‘landelijk’.
Om een aantrekkelijke woonregio te zijn én te blijven is er een omslag nodig naar meer evenwicht tussen vraag en aanbod, méér kwaliteit en méér vraaggerichtheid. Toevoegen van woningen kan daarom alleen als het niet ‘meer van hetzelfde’ is en als het past binnen de kwantitatieve kaders. Zuid-Limburgse gemeenten hebben een driedelige opgave: Verdunnen van de bestaande voorraad waar sprake is van een overschot; Terugdringen van (ongewenste) planvoorraad tot het niveau van de transformatieopgave; Toevoegen van woonproducten waar een tekort van is, passend binnen de uitgangspunten van de visie. Om invulling te geven aan de opgaven is een aantal beleidsafspraken gemaakt, waaronder: Om kwalitatief goede initiatieven toe te voegen aan deprogrammering dient compensatie plaats te vinden door middel van direct gekoppelde sloop of onttrekking.
Hoofdstuk 3
17
Recentelijke ontwikkelingen Op 29 september 2020 heeft de gemeenteraad van Eijsden-Margraten de motie “Stop de bouwstop” aangenomen. In deze motie worden burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten opgedragen per direct te stoppen met het opleggen van compenserende maatregelen als bedoeld in beleidsafspraak VI van de “Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg” (SVWZL) aan alle woningbouwinitiatieven. De raad in van oordeel dat momenteel onvoldoende aan de woonbehoefte in onze gemeente tegemoet gekomen wordt gelet op de huidige woningmarktsituatie en het opleggen van compenserende maatregelen als voornoemd eerder remmend dan stimulerend werkt om de noodzakelijke woningbouwplannen hiervoor snel gerealiseerd te krijgen. Tevens heeft de gemeenteraad in deze raadsmotie burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten opgedragen, om in de eerstvolgende raadsvergadering na aanpassing van artikel 2.4.2 lid 6 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 door Provinciale Staten, een voorstel aan hen voor te leggen, waaruit blijkt dat de plicht tot het opleggen van compenserende maatregelen als voornoemd uit de huidige SVWZL van Eijsden-Margraten wordt gehaald. Concreet betekent dit dat burgemeester en wethouders de gemeenteraad moeten voorstellen om Beleidsafspraak VI van de SVWZL vervallen te laten verklaren.
Door Provinciale Staten is bij besluit van 5 oktober 2020 de Omgevingsverordening Limburg 2014 gewijzigd vastgesteld, waarmee artikel 2.4.2 lid 6 is komen te vervallen. Door het vervallen verklaren van dit artikellid is er voor de Limburgse gemeenten geen plicht meer om compenserende maatregelen nader te motiveren in het ruimtelijke besluit dat betrekking heeft op woningbouwplannen die leiden tot een woningtoename. Naar aanleiding van deze wijziging van de provinciale verordening, hebben burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten op 20 oktober 2020 besloten een voorstel voor de gemeenteraadsvergadering van 15 december 2020 voor te bereiden, waarin haar gemeenteraad wordt voorgesteld om Beleidsafspraak VI van de SVWZL vervallen te laten verklaren. In afwachting van dit raadsbesluit en om invulling te geven aan de raadsopdracht om per direct te stoppen met het opleggen van compenserende maatregelen, zoals opgelegd in de aangenomen raadsmotie als voornoemd, hebben burgemeester en wethouders tevens besloten om tussentijds geen compenserende maatregelen meer op te leggen als voornoemd, aan alle woningbouwplannen die op 29 september 2020 bij haar in behandeling waren of na deze datum voor behandeling worden ontvangen en waarover op 29 september 2020 nog geen planologisch besluit is genomen.
Hiermee wordt geanticipeerd op het komende raadsbesluit en op de ontwikkelingen rondom de SVWZL op Zuid Limburgse schaal. In opdracht van de Zuid-Limburgse gemeente is de SVWZL in juni 2020 geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie hebben de Zuid-Limburgse gemeenten besloten om de beleidsafspraken van de huidige SVWZL te actualiseren. In navolging van het provinciale beleid hieromtrent hebben diverse ZuidLimburgse gemeenteraden inmiddels besloten om geen compensatie als voornoemd meer toe te passen op woningbouwplannen, in afwachting op een nieuwe structuurvisie wonen Zuid-Limburg. Vanwege het te doorlopen proces hieromtrent, zullen de Zuid-Limburgse gemeenteraden niet eerder dan
Hoofdstuk 3
18
het 1e kwartaal 2021 een besluit over een gezamenlijke geactualiseerde structuurvisie wonen kunnen nemen. De gemeente Eijsden-Margraten neemt ook deel aan dit gezamenlijke actualisatieproces. Echter vanwege de raadsmotie “Stop de bouwstop” en de gewijzigde Omgevingsverordening Limburg 2014 als voornoemd, wil de gemeenteraad van Eijsden-Margraten uit oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid tussentijds zijn beleid ten aanzien van deze compensatie aanpassen, in afwachting op een raadsvoorstel tot een algehele herziening van een structuurvisie voor het Zuid Limburgse woonbeleid in 2021. Afweging Binnen voorliggend bestemmingsplan is sprake van twaalf nieuw te bouwen levensloopbestendige koopwoningen voor senioren in het goedkope/middensegment en één extrawoning (met een zorgcomponent) in een bestaand woonpand. Uit de Ladderonderbouwing (zie paragraaf 3.1.3) volgt dat er behoefte is aan woningen voor ouderen en doorstroming voor starters. Daarnaast leidt deze ontwikkeling tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij een rommelig niet meer in gebruik zijnde achter-terrein wordt omgevormd naar een locatie met woningen / appartementen die zeer geschikt zijn voor ouderen en midden in het centrum van de dorpskern Margraten nabij alle voorzieningen komen te liggen. Het onderhavige woningbouwplan past dan ook binnen de kaders van Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie Eijsden-Margraten De Strategische Visie 2022 'Vernieuwen door Verbinden' is een overkoepelende gemeentelijke beleidsvisie. De visie is in 2013 in overleg met bewoners, ondernemers en andere (regionale) betrokkenen tot stand is gekomen. In de visie zijn 5 ambities en 8 thema’s benoemd. De vijf ambities zijn: 1. Dienstverlening is onze tweede natuur; 2. Burgerkracht; 3. Buitengewone buiten (be)leven; 4. Aantrekkelijk wonen; 5. Ondernemingszin schept ruimte voor welvaart en welzijn. De ambities geven richting aan de keuzes binnen de onderstaande 8 thema’s: 1. Dienstverlening, goed geregeld; 2. Vitale kernen; 3. Zorg en welzijn, goed voor 'mekaar'; 4. Landschappelijk verantwoord ondernemen;
Hoofdstuk 3
19
5. 6. 7. 8.
Uniek (im)materieel cultureel erfgoed; Betere bereikbaarheid; Meer met de Maas; Samenwerken in de regio en euregio.
Voor het plangebied is het thema ‘Vitale kernen’ van belang. In dit thema zijn uitspraken over de leefbaarheid van de kerkdorpen binnen de gemeente gedaan. De gemeente kiest ervoor: niet zelf het initiatief te nemen maar ondersteuning te bieden van leefbaarheidsinitiatieven in de eigen woonomgeving kwaliteit van de voorzieningen boven kwantiteit te laten gaan: liever verspreid van goede kwaliteit dan versnipperd aanbod waarvan de kwaliteit en continuïteit niet gewaarborgd kunnen worden. te streven naar een gevarieerde bevolking zodat draagvlak voor voorzieningen blijft bestaan. de woningvoorraad te verbeteren en aan te passen aan de bestaande voorraad om aantrekkelijk wonen voor jong en oud mogelijk te maken Afweging Transformatie van bestaande gebouwen is een van de mogelijkheden om de doelstellingen binnen het thema ‘Vitale kernen’ te bereiken. Een kerngerichte benadering waarbij sloop, nieuwbouw en functieverandering van bestaande bebouwing hand in hand gaan met investeringen in de woonomgeving wordt als wenselijk gezien. Onderhavige woningbouwontwikkeling draagt bij aan deze doelen aangezien sprake is van de sloop van vervallen bebouwing waarvoor in de plaats twaalf kwalitatief hoogwaardige en levensloopbestendige nieuwbouwwoningen voor senioren worden gerealiseerd en een voormalige koeienstal omgebouwd wordt tot een levensloopbestendig woonhuis.
De onderhavige ontwikkeling past derhalve binnen de uitgangspunten van deze strategische visie. 3.4.2
Lokale woonvisie Eijsden-Margraten 2019-2025
De Lokale Woonvisie “Samen bouwen aan de toekomst” is het resultaat van een uitgebreid proces dat is doorlopen met betrokkenheid van de inwoners, stakeholders, experts, commissie- en raadsleden. De Lokale Woonvisie heeft vier functies:
Het bieden van ondersteuning en sturing bij de samenwerking tussen alle betrokken partijen omdat het een gezamenlijk gedragen referentiekader betreft; Het inzichtelijk maken van de woonambities van de gemeente in de vorm van de formulering van speerpunten ten aanzien van relevante doelgroepen; Het leggen van de nodige relaties met de relevante beleidsterreinen, zowel fysiek (bijvoorbeeld duurzaamheid) als sociaal (bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning); Het bieden van een gedragen basis voor de beleidsuitvoering en programmering.
Om de woonambities (vastgestelde binnen het gemeentelijke bestuursakkoord “Anders durven doen 2018-2022”) binnen de gemeente te bereiken wordt er aandacht besteed aan de navolgende doelgroepen en thema’s:
Hoofdstuk 3
20
1.
2.
3.
4.
5. 6.
De doelgroep starters waarvoor de gemeente meer toegang wil creëren binnen de bestaande woning- en/of planvoorraad, met als doel dat het aantal koopwoningen voor starters te verhogen. Als dit (financieel) onmogelijk blijkt dat zullen deze woningen worden gerealiseerd via nieuwe capaciteit waarvoor gecompenseerd wordt om een bijdrage te kunnen leveren aan het transformeren van de woning- en/of planvoorraad. De doelgroep oudere doorstromers waarvoor woningen gerealiseerd worden binnen de kernen en binnen het bestaand vastgoed of op locatie waar een dergelijke herbestemming ruimtelijke en volkshuisvestelijk verantwoord is. Het bieden van goede faciliterende mogelijkheden om de woningen voor de doelgroep langer thuiswoners levensloopbestendig te maken en voor de doelgroep die niet meer langer kan thuis wonen geclusterde woonzorgvormen creëren binnen het bestaand vastgoed, passend binnen het gemeentelijke woonzorgbeleid. Het realiseren van voldoende kwalitatief aanbod van betaalbare huurwoningen voor de bijzondere doelgroepen (waaronder statushouders, woonurgenten, gehandicapten en ggz-patiënten), bij voorkeur binnen het bestaande vastgoed binnen de kernen en waar nodig en mogelijk deze realiseren via bijzondere (tijdelijke) huisvesting. Het invulling geven aan de stimulerende, faciliterende en waar mogelijk sturende rol ten aanzien van de verduurzaming van de woningvoorraad.
De instandhouding van leefbare kernen waarbij de gemeente goede burgerwooninitiatieven zo veel mogelijk faciliteert.
De gemeente Eijsden-Margaten gaat overschakelen van een ‘bouwvisie’ naar een ‘transformatievisie’. De groei van de woningvoorraad voor eigen additionele behoefte is de komende jaren weliswaar groeiende maar de woonvraag wijzigt (o.a. meer 1-2 persoonshuishoudens). Inbreiding gaat daarbij voor uitbreiding en vraaggericht gaat voor op aanbodsturing. Met uitzondering van de in uitvoering zijnde plancapaciteit, is bijkomende nieuwbouw op nieuwe locaties ondergeschikt aan de transformatie van de bestaande woningvoorraad. Afweging De lokale woonvisie voorziet qua beleid hoofdzakelijk geënt op het kwalitatief afstemmen van de woningvoorraad op de verwachte woonbehoefte. Binnen de woonvisie is bepaald dat er ingezet moet worden op woningen voor onder andere de doelgroep ‘senioren’ en ‘bijzondere doelgroepen’ in zowel het huur- als het koopsegment. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van twaalf levensloopbestendige woningen voor senioren en een levensloopbestendige woning in een voormalige koeienschuur die in beginsel als zorgwoning in gebruik zal worden genomen. Daarnaast ziet deze ontwikkeling op de transformatie van een rommelig achterterrein met sterk verouderde en vervallen bebouwing. Het beoogde planvoornemen is dan ook in overeenstemming van de uitgangspunten binnen de lokale woonvisie.
Hoofdstuk 3
21
3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Kern Margraten’ Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Margraten’, zoals vastgesteld op 3 juli 2007. In dit bestemmingsplan is aan nagenoeg het volledige plangebied de bestemming ‘Dorpsvoorzieningen, geconcentreerd’ toegekend met daarbinnen bouwvlakken ten behoeve van de bestaande bebouwing (woonhuizen en bijbehorende bijgebouwen). Ter plaatse waar de beoogde parkeerplaatsen worden gerealiseerd gelden de bestemmingen ‘Verkeer’ en ‘Groen’. Daarnaast geldt voor het gedeelte met de bestemming ‘Dorpsvoorzieningen, geconcentreerd’ tevens de dubbelbestemming ‘Cultuurhistorische waarden’.
Figuur 8 Uitsnede vigerend bestemmingsplan met globale ligging plangebied (rood omlijnd)
Bestemming ‘Dorpsvoorzieningen, geconcentreerd’ De als ‘Dorpsvoorzieningen, geconcentreerd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
detailhandel; dienstverlening; horecabedrijf;
Hoofdstuk 3
22
verblijfsrecreatieve voorzieningen; maatschappelijke doeleinden; museum; kleinschalige kantoren (met een vloeroppervlak van maximaal 150 m²); wonen, inclusief aan huis gebonden beroepen; consumentverzorgende en kleinschalige ambachtelijke bedrijfjes; verkeersvoorzieningen; informatie en telecommunicatie doeleinden.
De bestemming gaat uit van bestaande woningen ten tijde van de terinzagelegging van dit bestemmingsplan. Het toevoegen van woningen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Daarnaast wordt de beoogde nieuwbouw deels buiten bestaande bouwvlakken gebouwd en ook dit is niet toegestaan ingevolge het vigerende bestemmingsplan. Bestemming ‘Groen’ De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
groenvoorzieningen (zoals groensingels, plantsoenen en speelplekken); verkeersdoeleinden (zoals wegen, voet- en fietspaden); infiltratievoorzieningen (zoals wateropvangbuffers); geluidwerende voorzieningen (zoals geluidswallen), met de daarbij behorende andere voorzieningen. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide: leidingzone ondergrondse leidingen,
Binnen deze bestemming wordt een deel van de parkeerplaats gerealiseerd, maar parkeren is binnen deze bestemming niet toegestaan. Bestemming ‘Verkeer’ De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
bewegend en stilstaand verkeer met de daarbij behorende voorzieningen; voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut; groenvoorzieningen, ter aankleding van niet direct voor bewegend en stilstaand verkeer noodzakelijke gronden, zoals bermen en/of middenbermen; infiltratievoorzieningen, zoals wateropvangbuffers; geluidwerende voorzieningen. Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangeduide: beschermingszone watergang; leidingzone ondergrondse leidingen,
Binnen deze bestemming worden parkeerplaatsen gerealiseerd en dit is ook toegestaan binnen deze bestemming.
Hoofdstuk 3
23
Dubbelbestemming ‘Cultuurhistorische waarden’ De op de plankaart als zodanig aangewezen gronden zijn primair bestemd voor het behoud van ter plaatse bestaande cultuurhistorisch waardevolle elementen (monumenten) en patronen (beplantingsen routepatronen). De nieuwbouw heeft weliswaar geen cultuurhistorische waarde, maar moet wel aansluiten op de achterkanten van de panden die aan de Sprinkstraat zijn gelegen. Deze panden hebben wel cultuurhistorische waarde. Derhalve wordt de dubbelbestemming ‘Cultuurhistorische waarden’ gehandhaafd. Bij de verbouw van de koeienstal naar levensloopbestendig woonhuis is alleen sprake van een inpandige wijziging, maar de gevel van het pand aan de Sprinkstraat 15 maakt wel onderdeel uit van het straatbeeld. De dubbelbestemming ‘Cultuurhistorische waarden’ wordt ook hier gehandhaafd. 3.4.4 Vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’ Het plangebied is tevens gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten', zoals vastgesteld op 25 september 2018. Met ingang van 29 november 2014 is de woningwet gewijzigd. Door deze wetswijziging is het per 1 juli 2018 niet meer mogelijk om stedenbouwkundige voorschriften, zoals parkeervoorschriften, op te nemen in de gemeentelijke bouwverordening.
Dit betekent dat vanaf deze datum bij het verlenen van een omgevingsvergunning, wanneer er geen regels in het bestemmingsplan zijn opgenomen, niet meer getoetst kan worden aan de gemeentelijke parkeernormen op basis van de bouwverordening. Hierdoor kan niet gewaarborgd worden dat bij een bouwplan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Gelet hierop is het paraplubestemmingsplan Parkeren opgesteld en voor 1 juli 2018 in procedure gebracht door het als ontwerpbestemmingsplan vanaf 28 juni 2018 gedurende 6 weken ter inzage te leggen. Om tot één uniforme regeling te komen als het gaat om parkeren is er voor gekozen om een zogenaamd paraplubestemmingsplan op te stellen. In dit bestemmingsplan is opgenomen dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van de gebruiksregels voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid. Voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid zal gebruik worden gemaakt van en dient voldaan te worden aan de parkeercijfers uit de CROW publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het nationale kennisplatform verkeer en vervoer. Voor de doorwerking van het ‘Parapluplan parkeren Eijsden-Margraten’ op onderhavig plangebied wordt verwezen naar paragraaf 4.6.
Hoofdstuk 3
24
4.
ONDERZOEK
Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op twaalf nieuwbouwwoningen en de realisering van een levensloopbestendige woning in een voormalige koeienstal. Met de realisering van de twaalf nieuwbouwwoningen is sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. Na sloop van de bebouwing zal het terrein bouwrijp moeten worden gemaakt. Tevens dient een wateraansluiting en aansluiting op de bestaande riolering te worden gerealiseerd. De werkzaamheden zullen waar mogelijk door c.q. in opdracht van de initiatiefnemer plaatsvinden. Daar waar werkzaamheden door de gemeente noodzakelijk zijn, zullen de kosten hiervan conform artikel 6.2.1a Bro in een anterieure overeenkomst worden geborgd. Tevens wordt met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten.
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.
Hoofdstuk 4
25
Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft een verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek plaatsgevonden.3 Hierna wordt volstaan met de conclusie uit het rapport. Het bodemonderzoek is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd en voor verdere informatie wordt dan ook verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Conclusie Resumerend kan gesteld worden, dat de locatie grotendeels geschikt is voor de bestemming wonen. Uitzondering betreffen de sterke verontreiniging met zware metalen en asbest. Er dient een sanering plaats te vinden zowel nabij boring 3 (zware metalen) als druppelzone 1 (boring 101 t/m 104, i.v.m. asbest) waarbij de terugsaneerwaarde de klasse wonen (nieuwe bestemming) zal zijn. Vervolgens zal dan in het kader van de omgevingsvergunning het nader bodemonderzoek, saneringsplan en daadwerkelijke sanering dienen plaats te vinden.
4.2.2 Geluidhinder Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Conform de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 1 en het Besluit geluidhinder (Bgh) artikel 1.2 betreffen de te realiseren woningen een geluidsgevoelige functie. Nabij het plangebied liggen wegen met een onderzoekszone van 200 meter conform de Wgh (Rijksweg N278). In dat kader is daarom een akoestisch onderzoek uitgevoerd, waarin onder andere het aspect wegverkeerslawaai is meegenomen.4 De volledige onderzoeksrapportage is in de bijlagen opgenomen. Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Conclusie De gevelbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen restricties aan het nieuwbouwplan opgelegd. Ter plaatse van de nieuwe woning die in het pand aan de Sprinkstraat 15 wordt gerealiseerd is sprake van een verhoogde gevelbelasting.
Om te zorgen voor een acceptabel won- en leefklimaat kunnen gevelmaatregelen worden getroffen die waarborgen dat de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie gelijk is aan tenminste 28 dB (Gevelbelasting zonder aftrek minus 33 dB binnenwaarde).
3
Aelmans, Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek Sprinkstraat 11a, 13, 15 en 17, Rapportnummer E197210.008/SBI, d.d. 25 augustus 2020 4 K+ Adviesgroep, BP Sprinkstraat Margraten Akoestisch onderzoek, Rapportnummer Rm190469aaA6, d.d. 3 december 2020
Hoofdstuk 4
26
4.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van in totaal dertien woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 4
27
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de NSL-monitoringstool (monitoringsronde 2019) is de concentratie PM 2,5 ter plaatse lager dan 20 µg/m³ en de concentratie PM 10 lager dan 35 µg/m³. De concentratie NO2 is eveneens lager dan 35µg/m³. Uit de NSL-monitoringstool volgt dan ook dat de luchtkwaliteit ter plaatse de toevoeging van woningen niet in de weg staat. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.
Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer.
4.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Hoofdstuk 4
28
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.
Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de navolgende afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven.
Hoofdstuk 4
29
Figuur 9 Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe pijl)
Risicovolle bedrijvigheid Op een afstand van respectievelijk 1,4 en 1,6 kilometer zijn propaantanks gelegen met een inhoud van respectievelijk 4.990 en 8.000 liter. De afstanden van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten worden geregeld in artikel 3.28 Activiteitenbesluit, waarin tabel 3.28 is opgenomen.
Hoofdstuk 4
30
Bevoorrading tot en met 5 keer per jaar 10 meter
Opslagtank met propaan tot en met 5 kubieke meter Opslagtank met propaan groter 15 meter dan 5 kubieke meter tot en met 13 kubieke meter Tabel 3.28 veiligheidsafstanden Activiteitenbesluit
Bevoorrading meer dan 5 keer per jaar 20 meter 25 meter
Op basis van deze tabel kan worden geconcludeerd, dat gelet op de ruime afstand tussen plangebied en propaantank, geen sprake is van een belemmering inzake externe veiligheid. Voor het overige zijn er ingevolge de risicokaart binnen een omtrek van 2 kilometer een tweetal risicovolle inrichtingen gelegen, namelijk een fruitveiling (Aan de Fremme 23) en een groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen (Aan de Fremme 28). In beide gevallen is geen sprake van een risicocontour. Gezien de beperkte omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot en de aard van de dichtstbij gelegen risicovolle inrichtingen, bestaan er vanuit dit kader geen belemmeringen voor het initiatief. Risicovol transport over wegen Het pand is gelegen op een afstand van circa 120 meter van de N278. De N278 is een provinciale weg, die Maastricht via Cadier en Keer en Margraten met Aken verbindt. Over deze weg vindt op kleine schaal transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg maakt geen deel uit van het Basisnet. Er heeft in het verleden een provinciaal onderzoek plaatsgevonden naar de externe veiligheidssituatie van de provinciale wegen binnen de provincie Limburg. Op 21 september 2010 is een rapport uitgebracht waarin deze externe veiligheidssituatie voor de provinciale wegen binnen Limburg is beschreven (“Externe veiligheid provinciale wegen”, kenmerk D01011.000093).
In het rapport zijn de risicorelevante provinciale wegen nader onderzocht. Uit het rapport blijkt dat de provinciale wegen binnen het grondgebied Eijsden-Margraten geen plaatsgebonden risico kennen. Uit het onderzoek blijkt dat het groepsrisico voor de risicorelevante wegen binnen Limburg, op enkele uitzonderingen na (Noord-Limburg), niet meer dan 0,1 maal van de oriënterende waarde bedraagt. Op 17 december 2019 heeft de gemeente Eijsden-Margraten het uitvoeringsbeleid externe veiligheid vastgesteld. Als onderbouwing voor het uitvoeringsbeleid is door de RUD Zuid-Limburg een onderzoek gedaan naar de externe veiligheidsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen over de N278.