CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[ZS00054315] Ruimtelijke motivering D’n Bolle Akker Vessem

Raadsvergadering 10 maart 2026, gemeente EerselBij agendapunt: Bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit Bolle Akkers aan de Flinkert te Vessem12.030 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

FLINKERT 21, 23 en 26 Vessem Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo)

Gemeente Eersel

Status:

Versie-2

Projectnr:

24-014-B

Datum:

28 juli 2025

BUELENS

------- RUIMTE--------

COLOFON Titel

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Onderdeel

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke Leefomgeving (GoFlo)

Projectnummer

24-014-B

Status

Versie-2

Datum

28 juli 2025

Auteur

Ralf Buelens (BUELENS Ruimte)

BUELENS

------- RUIMTE--------

INHOUD 1

2

3

4

INLEIDING

1

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Projectgebied Het omgevingsplan Leeswijzer

1 1 2 3

HUIDIGE SITUATIE EN PLAN

4

2.1 2.2

4 5

TOETSING AAN BELEID

7

3.1 3.2 3.3

7 9 11

6

7

Rijksbeleid en Rijksregels Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU

14

Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling Gezondheid Milieubelastende activiteiten Geluid Luchtkwaliteit Geur Bodem Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren Omgevingsveiligheid Ecologie Weging waterbelang Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed Bedrijfsmatige activiteiten Klimaatadaptatie Trillingen

14 14 14 15 16 17 19 20 21 23 25 28 31 33 33

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15

5

Beschrijving huidige situatie Planbeschrijving

PARTICIPATIE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

34

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5

Participatie Principeverzoek Advies en instemming Vaststellingsprocedure Bezwaar/ Beroep

34 34 34 34 34

FINANCIELE HAALBAARHEID

35

6.1 6.2

35 35

Kostenverhaal Nadeelcompensatie

CONCLUSIE EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIESAAN LOCATIES

BUELENS

------- RUIMTE--------

36

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Woningstichting De Zaligheden is voornemens om in samenwerking met Joriszorg en Lunet Zorg 12 appartementen te realiseren in de bestaande woonzorgboerderijen van D'n Bolle Akker aan de Flinkert te Vessem. Daarnaast wordt een bestaande berging getransformeerd naar een kantoor ten behoeve van het personeel van de woonzorgboerderij. Er wordt met het toevoegen van deze appartementen een woonzorgleefgemeenschap gecreëerd waarin verschillende groepen mensen met elkaar samenleven. Het initiatief past niet binnen de kaders van het omgevingsplan. Om het initiatief planologisch mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) aangevraagd. Een BOPA kan alleen worden verleend als onderbouwd wordt dat sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Hiervoor dient een goede onderbouwing voor de fysieke leefomgeving (GoFlo) te worden opgesteld. Voorliggend document voorziet hierin. In deze onderbouwing wordt toegelicht wat de gevolgen zijn voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast wordt er onderbouwd dat het initiatief uitvoerbaar is en in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2

Projectgebied

Het projectgebied ligt in het noorden van de kern van Vessem. Op afbeelding 1.1 is een luchtfoto van Vessem weergegeven. Met rode stip is de locatie van het projectgebied aangegeven.

Afbeelding 1.1: Ligging van het projectgebied 28 juli 2025

1

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

1.3

Het omgevingsplan

Op 1 januari 2024 is het 'omgevingsplan gemeente Eersel' in werking getreden. In het omgevingsplan staan alle regels die betrekking hebben op de leefomgeving. Het omgevingsplan bestaat uit twee delen, namelijk het nieuwe deel en het tijdelijke deel. De bestemmingsplannen zoals dat die voorheen golden, zijn per 1 januari 2024 rechtstreeks overgegaan in het tijdelijke deel. Deze regels gelden totdat deze regels zijn omgezet naar het nieuwe deel. Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Kom Vessem'. Dit bestemmingsplan is op 23 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. Op afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven. Met rode cirkel is de locatie van het projectgebied aangegeven.

Enkelbestennming Maatschappelijk - Zorginstelling

Bouwvlak Maatvoering o maximum bebouwingspercentage: 100(to

o maximum bouwhoogte: 9 m o maximum goothoogte: 3 m Gebîedsaanduiding luchtvaartverkeerzone obstakelbeheergebieden

Gebîedsaanduiding milîeuzonegrondwaterbeschermingsgebied

Gebîedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan

Aan de locatie is de bestemming 'Maatschappelijk - Zorginstelling' toegekend. Deze gronden zijn bestemd voor een zorginstelling met bijbehorende dagbesteding, maatschappelijke voorzieningen, tuinen, erven en verhardingen, voorzieningen voor verkeer en verblijf, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen hoofdgebouwen zijn toegestaan. Daarnaast is er een gebiedsaanduiding opgenomen voor de bescherming van het grondwater, een gebiedsaanduiding voor de bescherming van de molen en een gebîedsaanduiding voor restricties aangaande de bouwhoogten vanwege vliegverkeer. Strijdigheid Binnen de bestemming 'Maatschappelijk - Zorginstelling' zijn geen reguliere woningen toegestaan. Procedure Omdat voorliggend initiatief een concreet en afgebakend project betreft kan een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) worden verleend. 28 juli 2025

2

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving en analyse van de huidige ruimtelijk- functionele situatie. Daarnaast wordt er ingegaan op de gewenste situatie, de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse planologische aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 komt de participatie aan de orde en in hoofdstuk 6 de financiële haalbaarheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de conclusie getrokken.

28 juli 2025

3

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

2

HUIDIGE SITUATIE EN PLAN

2.1

Beschrijving huidige situatie

Het projectgebied heeft betrekking op drie bestaande woonzorgboerderijen van Woonzorgcentrum D'n Bolle Akker aan de Flinkert 21, 23 en 26 te Vessem. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Vessem, sectie K, nummer 1290. Op afbeelding 2.1 zijn de drie woonzorgboerderijen met rood aangegeven.

Afbeelding 2.1: Luchtfoto bestaande situatie

Woonzorgcentrum D'n Bolle Akker bestaat uit een woon- en zorgvoorziening voor mensen met verschillende zorgvragen. Het voorziet in wonen en werken op de boerderij voor dementerende ouderen en mensen met een verstandelijke beperking in een landelijke omgeving. Het woonzorgcentrum bestaat uit een 5-tal woonzorgboerderijen, een ontmoetingsruimte, stallen, een schuur, een dierenweide en een moestuin. Voor mensen uit de Kempen, met veelal een agrarische achtergrond, is het een plek van herkenning waar men zich snel vertrouwd en thuis voelt. De woongebouwen zijn gebaseerd op de typologie van de langgevelboerderij. Ze zijn gesitueerd rond een rustiek gezamenlijk binnenhof waar de bloementuin en de kippenren een prominente plaats innemen.

28 juli 2025

4

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Het ligt aan de rand van het dorp, op de overgang naar open agrarische gronden (bolle akkers). Aan de zuidzijde grenst het aan de landelijke weg Flinkert. Deze weg is omzoomd met oude eiken en doodlopende voor autoverkeer. Aan de noordoostzijde is er zicht op de open agrarische gronden. Op afbeelding 2.2 is een foto van de bestaande situatie weergegeven.

Afbeelding 2.2: foto bestaande situatie

2.2

Planbeschrijving

Van een aantal woonzorgboerderijen hebben de verdiepingen momenteel een beperkte gebruiksmogelijkheid. Het is de bedoeling om deze zolders alsnog een functionele invulling te geven en de bestaande bebouwing aan te passen. De woonboerderijen Flinkert 21 en 23 zijn verbonden met elkaar door middel van een berging. Op de locatie van deze berging wordt een nieuwe hoofdentree gerealiseerd ten behoeve van het personeel en de bezoekers. Op de zolderverdiepingen van Flinkert 21, 23 en 26 worden in totaal 12 appartementen gerealiseerd. 4 per gebouw. 4 appartementen worden aangewezen voor mensen zonder zorg die een maatschappelijke bijdrage willen leveren aan de woonzorgleefgemeenschap. Starters, jongvolwassenen en eenpersoonshuishoudens kunnen op dit moment moeilijk of geen geschikte betaalbare woning vinden. Deze doelgroep is uitermate geschikt voor deze appartementen. Daarnaast worden 8 appartementen aangewezen voor cliënten van Joris Zorg en Lunet Zorg. Hierdoor wordt er een woonzorgleefgemeenschap gecreëerd waarin verschillende groepen mensen met elkaar samenleven. De functiewijziging vindt plaats binnen de bestaande bebouwing. Er wordt met voorliggend initiatief geen bebouwing of verharding toegevoegd. Ten behoeve van de beleving van de buitenruimte wordt een Velux balkonvenster toegepast.

Op afbeelding 2.3 zijn impressies van de gevels van nummer 21 en 23 weergegeven, gezien vanaf de Flinkert.

28 juli 2025

5

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Afbeelding 2.3: impressies

28 juli 2025

6

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

3

TOETSING AAN BELEID

3.1

Rijksbeleid en Rijksregels

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als rijksstructuurvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Beoordeling Voorliggend initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang. Het plan bevindt zich niet in de nationale hoofdstructuur en omvat geen ontwikkelingen van landsbelang. Het initiatief is niet strijdig met de rijksbelangen en past binnen de kaders van de NOVI.

3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit);

28 juli 2025

7

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

c.

de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

De hoofdonderwerpen van de rijksinstructieregels zijn: ^ waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) ^ beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) ^ beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ^ beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; ^ het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; ^ het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; ^ het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Relevante regels Radarstations Militaire en civiele radarstations zorgen voor de beveiliging van het nationale luchtruim.

Ze zorgen ook voor de veilige afhandeling van het militaire verkeer en het burgerluchtverkeer. Hoge bouwwerken en windturbines in gebieden rond een radarstation kunnen het radarbeeld verstoren. De gemeente kan daarom in het omgevingsplan geen bouwwerken en windturbines toelaten, die de maximaal toegelaten hoogte overschrijden. De toegestane maximale bouwhoogte van bouwwerken ten aanzien van radarstations is geregeld in artikel 5.155 van het Bkl: 1. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een gebied waar bouwwerken het bereik van een radar kunnen verstoren, laat het omgevingsplan niet toe dat: a. binnen een straal van 15 km vanaf de radar bouwwerken worden gebouwd die de maximale hoogte van bouwwerken, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, overschrijden; en b. binnen een straal van 15 tot 75 km vanaf de radar windturbines worden gebouwd met een tiphoogte die de maximale hoogte van windturbines, bedoeld in de tabel in bijlage XIV, onder E, overschrijden. Het projectgebied is niet gelegen binnen een straal van 15 kilometer van een radarstation. Onderdeel a. (van artikel 5.155 lid 1 Bkl) is dan ook niet van toepassing en er worden dan ook geen beperkingen gelegd op de hoogte van bouwwerken ten aanzien van het radarbeeld. Het voornemen voorziet daarnaast ook niet in de ontwikkeling van windturbines. Onderdeel b. is eveneens niet van toepassing.

Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouwplannen. Bij een nieuwe woningbouwontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling. Bij woningbouw vanaf 12 woningen is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand 28 juli 2025

8

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van twaalf woningen. Het initiatief kan worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er dient te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. De vraag die moet worden beantwoord, is of het projectgebied wordt beschouwd als bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt in de kern van Vessem. Voor de gronden geldt het bestemmingsplan 'Kom Vessem'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld voor de kern van Vessem. Gelet hierop kan het projectgebied worden aangemerkt als 'bestaand stedelijk gebied'. Omdat het projectgebied binnen 'bestaand stedelijk gebied' ligt dient te worden aangetoond dat het initiatief voorziet in een behoefte. Het initiatief voorziet in het toevoegen van sociale huurwoningen en zorgwoningen. Uit de 'Brabants Agenda Wonen' blijkt dat er behoefte is aan deze woningen. Zie paragraaf 3.2.3 voor een nadere toelichting hierop.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving'

De Omgevingsvisie is op 14 december 2018 vastgesteld. De omgevingsvisie is een samenhangende visie op de fysieke leefomgeving en bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. Gesteld wordt dat gemeenten de eerstverantwoordelijken zijn waar het gaat om ontwikkelen en beschermen van de fysieke leefomgeving. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk weggelegd. Gemeenten moeten een eigen invulling geven aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Om de doelen te kunnen realiseren dient een zorgvuldige afweging plaats te vinden bij het realiseren van ontwikkelingen. De primaire verantwoordelijkheid voor het maken van keuzes over de inrichting van de fysieke leefomgeving ligt bij de gemeente. Een hulpmiddel om te zoeken naar oplossingen en leggen van verbindingen voor maatschappelijke opgaven is om een ontwikkeling vanuit meerdere invalshoeken te bekijken, namelijk diep, rond en breed: ^ Diep - niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar betrekken hierin de dynamiek en randvoorwaarden die de onderste lagen meegeven. Daarbij kijken we op verschillende schaalniveaus naar gelang een vraagstuk daarom vraagt en benutten we de factor tijd actief.

Hierbij kijken we ook naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ^ Rond - niet sectoraal maar combineren opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Vanuit een gebiedsgerichte insteek. Een nieuwe ronde manier van kijken naar een balans tussen people, planet en profit. ^ Breed - niet kijken vanuit één gezichtspunt maar betrek daar veel partijen bij, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.

3.2.2

Omgevingsverordening Noord-Brabant

Vanuit de Omgevingswet moet de provincie naast een omgevingsvisie ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (omgevings)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. 28 juli 2025

9

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Beoordeling Het projectgebied is in de verordening aangeduid als 'Stedelijk gebied'. Op afbeelding 3.1 is een uitsnede van de kaart van de verordening weergegeven. Met rode pin is de locatie van het projectgebied aangegeven.

Afbeelding 3.1: Uitsnede kaart omgevingsverordening

Stedelijke gebieden zijn gebieden met een stedelijke functie, waar voorzieningen zijn gevestigd en waar toekomstige stedelijke ontwikkeling plaatsvindt. Binnen stedelijk gebied kan worden voorzien in de ruimte voor wonen, werken en andere voorzieningen om zo de verstedelijking zo veel mogelijk te bundelen. Voor het stedelijke gebied geldt dat het initiatief een duurzame stedelijke ontwikkeling dient te zijn en past binnen de regionale afspraken. Daarnaast dient er sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. De woningen worden gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. Er wordt geen verharding of bebouwing toegevoegd. Dit betreft zorgvuldig ruimtegebruik. Daarnaast worden de woningen duurzaam en gasloos gerealiseerd. Hierdoor kan het initiatief worden gezien als een duurzame stedelijke ontwikkeling. Het initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen. Uit de 'Brabants Agenda Wonen' blijkt dat er behoefte is aan woningen. Hierdoor past het initiatief binnen de kaders van de regionale afspraken. Gelet hierop is het initiatief is in overeenstemming met de provinciale verordening.

3.2.3

Brabants Agenda Wonen

Wonen is een centraal thema in het provinciale beleid. Brabant wil blijven behoren tot de top van Europese kennis­ en innovatieregio's. Daarvoor is een aantrekkelijk woon-, leef- en vestigingsklimaat belangrijk, evenals een goed functionerende woningmarkt. Brabant heeft nog een flinke woningbouwopgave, de eerstkomende 10 tot 15 jaar moeten er nog ongeveer 120.000 woningen bij komen. Bovendien verandert de vraag naar woonruimte sterk. De provincie heeft 4 regio's beschreven die samen moeten werken: West-Brabant, Midden-Brabant, NoordoostBrabant en Zuidoost-Brabant. Beoordeling Het projectgebied ligt in de regio Zuidoost-Brabant en in de subregio de Kempen. Voor de woningbouwafspraken in de subregio Kempen is onder meer vastgelegd dat de woningbouwbehoefte en -afspraken per gemeente worden

28 juli 2025

10

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

gebaseerd op de woningbouwprognose van de provincie Noord-Brabant. In 2020 heeft de provincie haar bevolkings- en woningbehoefteprognose geactualiseerd. Op basis van deze prognose dient de gemeente Eersel 280 woningen toe te voegen aan de woningvoorraad tot 2025 en minimaal 520 woningen tot 2030. De woningen die met voorliggend initiatief mogelijk worden gemaakt passen binnen deze prognosecijfers.

3.2.4

Regionale Woondeal Zuidoost-Brabant

In de provincie Noord-Brabant zijn vier regionale woondeals opgesteld. In de vier regionale woondeals zijn ook diverse afspraken vastgelegd over overkoepelende thema's. Zo heeft elke regio afspraken gemaakt over Woningbouwaantallen en het aandeel betaalbare en sociale woningen. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over verschillende aandachtsgroepen zoals arbeidsmigranten, woonwagenbewoners of studenten. Elke regio heeft dit, aan de hand van de karakteristieken van de desbetreffende regio, ingevuld. Elke gemeente neemt een fair share van de regionale opgave. Daarom worden afspraken gemaakt over de minimale opgave per gemeente (zie bijlage 2 bij de Woondeal Zuidoost-Brabant). Voor gemeente Eersel geldt dat de totaalopgave van 2022 t/m 2030 bedraagt een netto toevoeging van 505 woningen. Meer realiseren mag, dan wordt het woningtekort sneller ingelopen. Uiteraard wel op goede, ruimtelijk afgewogen en regionaal afgestemde locaties. Beoordeling Voorliggend initiatief voorziet in 12 woningen voor verschillende doelgroepen. 4 sociale huurwoningen en 8 zorgwoningen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de gezamenlijke woningbouwopgave van ZuidoostBrabant.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Eersel 2.0

Op 21 december 2021 heeft de gemeenteraad van Eersel de "Omgevingsvisie 2.0, Kempisch wonen in een wereldregio" vastgesteld. Met deze visie toont de gemeente haar ambities. De gemeente wil laten zien welke kwaliteiten er liggen in en hoe zij om wil gaan met de ontwikkelingen die in de toekomst op ons af komen. Door op deze wijze openheid van zaken te geven, willen zij betrokkenheid en initiatieven van inwoners stimuleren. Beoordeling Voor een gebiedsgerichte aanpak zijn er detailkaarten opgesteld. Op deze kaarten zijn per kern de bestaande kwaliteiten en knelpunten weergegeven, evenals koppelkansen en uitdagingen waar in de toekomst mee aan de slag kan worden gegaan. Op afbeelding 3.2 is de detailkaart van Vessem weergegeven. Met blauwe pijl is de locatie van het projectgebied aangegeven.

28 juli 2025

11

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Bos als ecologische hoofdstructuur Oude cultuurgronden respecteren V

Beekdalen beschermen en benutten Kempisch wonen in levendige kernen Zoeken naar inbreidingslocaties Uitbreidingslocatie woningbouw Veilig verkeer tussen de dorpen

dpfi) Basisvoorziening sociale cohesie Duurzame detailhandelsstructuur

vÍTr{) Horeca-potentie in Eersel (Markt) Ŵ) Landschapstypen toevoegen STC wordt woningbouw Transformatie naar wonen aanloopstraten Zoeken naar uitbreidíngslocaties ţa; Overige (zorgWoorzieningen

Suï

Afbeelding 3.2: Uitsnede plankaart structuurvisie

Er is veel vraag naar woningen in de gemeente. De komende jaren zullen er extra woningen moeten worden gebouwd om te kunnen blijven groeien. Deze groei dient echter wel in verhouding te staan tot de kwaliteit die de gemeente wil bieden. Met de huidige voorraad woningen en de nieuwbouw wil de gemeente alle doelgroepen en inkomensgroepen kunnen bedienen. Met name starters, senioren, zorgbehoevenden en mensen met een beperking kunnen op dit moment moeilijk een passende woning vinden. Met voorliggend initiatief wordt voorzien in twaalf woningen voor woningzoekende (starters, senioren en zorgbehoevende mensen) Dit sluit aan op de behoefte. Gelet hierop past het initiatief binnen de kaders van de visie.

3.3.2

Kempische visie op wonen 2024-2028

De wereld om ons heen verandert. Steeds sneller. De Brainport regio is één van de snelst groeiende regio's in Europa. De groei in de hele Brainportregio gaat in razend tempo en trekt ook steeds meer mensen naar De Kempen. Dit gaat veel sneller dan we een aantal jaren geleden verwachtten. Als gevolg van die groei staat onze woningmarkt onder grote druk. Woningprijzen stijgen. Starters en jonge gezinnen komen er steeds moeilijker tussen en de roep om meer betaalbaar aanbod (zowel koop als huur) is groot. Dit vraagt aan de ene kant om het snel realiseren van woningen ter voorkoming van verdringing. Aan de andere kant vraagt dit ook om een transitie naar betaalbaarder bouwen, zodat mensen met een lager inkomen ook een woning kunnen blijven vinden. De Kempische visie op wonen 2024-2028 - Volkshuisvestingsprogramma, is vastgesteld met hierbij de volgende belangrijkste punten: 1. In de periode t/m 2030 bouwen we als ondergrens voor de autonome groei (minimaal 3.220 woningen in de Kempen) en halen we extra plannen naar voren in de planning gelet op de regionale vraagdruk (2.000 woningen extra in de Kempen). 28 juli 2025

12

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

2.

3.

4. 5.

Voor de jaren na 2030 gaan we op zoek naar locaties voor 2.350 tot 8.000 woningen. Met oog voor zowel de gezamenlijke doelstellingen als de individuele ambities van de gemeenten werken we dit in de Bestuursopdracht Ontwikkelstrategie verder uit. We zetten in de nieuwbouw sterker in op betaalbaarheid: minimaal 30% van de nieuwe woningen betreft een sociale huurwoning, en 37% een betaalbare koop (of middenhuur). We laten ruimte om dit per gemeente verder aan te scherpen. Bij woningbouw te sturen op het aanbrengen van diversiteit en werken we samen met onze partners aan leefbaarheid en vitaliteit in delen van de gemeente waar dit onder druk komt te staan. Als Kempengemeenten kiezen we er voor om zoveel mogelijk gezamenlijk op te trek ken om voldoende en kwalitatief goede huisvesting te regelen voor 'aandachtsgroepen' die zorg en ondersteuning nodig hebben (zoals ouderen, uitstromers uit zorginstellingen, statushouders en arbeidsmigranten).

Het gemeenschappelijke woningbouwprogramma voor de periode 2024-2031 is als volgt herzien/geactualiseerd: 1. Minimaal 30% sociale huurwoningen; 2. Minimaal 37% betaalbare woningen; 3. 33% van de woningen vrij invulbaar. Beoordeling Uit de visie blijkt dat er een grote behoefte is aan woningen. Met voorliggend initiatief wordt voorzien in twaalf woningen voor woningzoekende (starters, senioren, zorgbehoevende mensen). Dit sluit aan op de behoefte. Gelet hierop is het initiatief passend binnen de Kempische visie op wonen.

28 juli 2025

13

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

4

ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU

4.1

Toetsing Besluit m.e.r./ m.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een BOPA volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Situatie Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen (4 sociale huurwoningen en 8 zorgwoningen) binnen de bestaande bebouwing. Er vindt geen uitbreiding van verharding en bebouwing plaats. Op basis van bijlage V bij het omgevingsbesluit geldt voor het initiatief geen mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht. Conclusie Vanuit het aspect milieueffectrapportage is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.2

Gezondheid

Wettelijk kader Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd.

4.3

Milieubelastende activiteiten

Wettelijk kader Het begrip "milieubelastende activiteit" (mba) is als volgt gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op

28 juli 2025

14

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. Beoordeling Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen (4 sociale huurwoningen en 8 zorgwoningen) binnen de bestaande bebouwing. Er vindt geen uitbreiding van verharding of bebouwing plaats. Wonen betreft geen milieubelastende activiteit.

4.4

Geluid

Wettelijk kader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: ^ Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springter-reinen (par. 22.3.4.2 BS); ^ Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); ^ Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. Beoordeling Wegverkeerslawaai In deze situatie is het geluid van wegen maatgevend. Daarom is er een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai1 uitgevoerd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de waarde van geluid vanwege het wegverkeer op de ten hoogste 38 dB Lden bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB Lden conform art. 5.87t uit het Bkl wordt derhalve nergens overschreden. De geluidbelasting vanwege wegverkeer wordt daarom aanvaardbaar geacht.

1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai D'n Bolle Akker Vessem, Gbs Milieuadvies, R2025.004, 31 januari 2025. 28 juli 2025

15

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Industrielawaai Op ca. 5 kilometer van het projectgebied ligt Eindhoven Airport. Het terrein van Eindhoven Airport betreft op grond van de Wgh een gezoneerd industrieterrein. Hierdoor is er een geluidszone vastgesteld. Het gebied tussen het industrieterrein en de buitengrens van de zone behoort tot deze geluidszone. Buiten deze geluidzone mag de geluidbelasting die wordt geproduceerd niet hoger zijn dan 50 dB(A). Het projectgebied ligt buiten de geluidszone. Aanvullend onderzoek naar industrielawaai is niet noodzakelijk. Luchtvaartverkeerlawaai Vanuit de Wet luchtvaart is voor Eindhoven Airport een luchthavenbesluit vastgesteld. Vanuit deze wet zijn grenswaarden vastgesteld voor de maximaal toegelaten geluidbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen. Deze geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Kosteneenheden (Ke). De grenswaarde voor de maximaal toelaatbare geluidsbelasting voor het burgerluchtverkeer en voor het militaire luchtverkeer is in beginsel 35 Ke. Deze grenswaarde geldt voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen alsmede voor standplaatsen en ligplaatsen. Het projectgebied ligt buiten de 35 Ke-contour. Aanvullend onderzoek naar luchtvaartverkeerlawaai is niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.5

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: ^ er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ^ het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; ^ het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Beoordeling Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Daarom is het niet nodig deze 'standaardgevallen' te toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Het gaat om woningen, kantoren, een combinatie van woningen en kantoren, het telen van gewassen en het aanleggen of wijzigen van een spoorwegemplacement. Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen (4 sociale huurwoningen en 8 zorgwoningen) binnen de bestaande bebouwing. Er vindt geen uitbreiding van verharding of bebouwing plaats. Deze activiteit draagt per definitie NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Een verder toetsing aan de rijksomgevingswaarden is niet noodzakelijk. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

28 juli 2025

16

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

4.6

Geur

Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Dat doet de gemeente vanuit haar taak van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Veehouderijen In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw. Beoordeling Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang.

Een gebouw met een dergelijke functie dat nog niet is gebouwd, maar wel is gepland volgens het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is voor de toepassing van de regels ook een geurgevoelig gebouw (art. 5.91 Bkl). Deze definitie van een geurgevoelig gebouw geldt voor het hele Bkl. De richtafstand tussen geurgevoelige objecten en veehouderijen dient minimaal 100 meter te bedragen binnen de bebouwingscontour en 50 meter buiten de bebouwingscontour (art 5.115, Bkl). Op afbeelding 4.1 zijn de omliggende agrarische bedrijven weergegeven. Met groene stippen zijn de bestaande bedrijven aangegeven. Met blauwe stip is de locatie van het projectgebied aangegeven.

28 juli 2025

17

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Afbeelding 4.1: Uitsnede kaart veehouderijen in Noord-Brabant (bron: https://atlas.odzob.nl/)

De afstand van het projectgebied tot het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf bedraagt meer dan 400 meter. Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Daarnaast dient er te worden beoordeeld wat de kwaliteit is van de leefomgeving ter plaatse van het projectgebied. Op afbeelding 4.2 is de achtergrondbelasting van geur van veehouderijen in de omgeving weergeven. Met blauwe stip is de locatie van het projectgebied aangegeven.

28 juli 2025

18

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Afbeelding 4.2: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur (bron: atlas.odzob.nl/portal/apps/webappviewer)

De achtergrondbelasting van geur bedraagt tussen de 0 en 3 ouE/mS. De locatie wordt als zeer goed beschouwd. Er is sprake van een goed verblijfsklimaat vanwege geur. Hierdoor zijn er wat betreft het aspect geur geen beperkingen. Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.7

Bodem

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; ^ beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; ^ evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; ^ duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.

28 juli 2025

19

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Beoordeling Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 12 woningen (4 sociale huurwoningen en 8 zorgwoningen) op de verdieping van de bestaande bebouwing. Er vindt geen uitbreiding van verharding of bebouwing plaats. Er worden geen graafwerkzaamheden verricht. Bij de omgevingsdienst Zuidoost-Brabant is een bodemrapport opgevraagd. Hieruit blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat op de locatie of in de omgeving een bodemverontreiniging aanwezig is, of een calamiteit is gebeurt. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect bodem zijn er geen bezwaren tegen voorgenomen initiatief. Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.8

Verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren

Wettelijk kader De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente Eersel heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het 'Parkeerbeleidsplan gemeente Eersel'. Dit plan is vastgesteld op 27 februari 2014. De parkeernormen die hierin zijn opgenomen zijn afgeleid uit de landelijke richtlijn van het CROW. Beoordeling Parkeren Het projectgebied ligt binnen een weinig stedelijke omgeving (bron: CBS) in de rest van de bebouwde kom. Op grond van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' uit december 2018 wordt voor een huurappartement (midden/goedkoop en sociaal) uitgegaan van een parkeernorm van 1,0 tot 1,8 parkeerplaatsen per appartement. De CROW kent geen norm voor zorgappartementen. Dit betreft maatwerk. Daarom is uitgegaan van een verpleegen verzorgingstehuis. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,5 tot 0,7 parkeerplaats per appartement. In onderstaande tabel zijn de benodigde parkeerplaasten weergegeven. Tabel parkeren Functie Type Huurappartement sociaal Zorgappartement

Aantal/ opp. 4

Parkeercijfers (CROW Toekomstbestendig parkeren) Min. Max. Eenheid Per woning 1,0 1,8

8

0,5

Per woning

0,7

Totaal

Aantal parkeerplaasten Min. 4,0

Max. 7,2

Gemiddeld 5,6

4,0

5,6

4,8 10,4

Er dient te worden voorzien in 11 parkeerplaatsen. Er is voldoende plek op de bestaande parkeerplaats, op eigen terrein, om in deze toename te voorzien. Verkeer Het initiatief brengt extra verkeer met zich mee. Op grond van de CROW-publicatie 'bedraagt de toename 37,2 motorvoertuigen per etmaal. De CROW kent geen verkeerscijfers van een verpleeg-en verzorgingstehuis. Daarom is aangesloten bij de verkeerscijfers voor een zelfstandige woning met beperkte zorgvoorzieningen. In onderstaande tabel is de toename van het verkeer weergegeven.

28 juli 2025

20

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Tabel verkeersgeneratie Functie Type Huurappartement sociaal Zorgappartement

Aantal/ opp 4

Verkeersgeneratie (CROW Toekomstbestendig parkeren) Min. Max. Eenheid Per woning 3,7 4,5

8

2,2

Per woning

3,0

Totaal

Mvt/etmaal Min. 14,8

Max. 18

Gemiddeld 16,4

17,6

24

20,8 37,2

De toename zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. De capaciteit van de omliggende wegen is groot genoeg om het extra verkeer op te vangen. De woningen worden ontsloten via de bestaande ontsluiting aan de Flinkert. Conclusie Vanuit het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling & (fiets)parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.9

Omgevingsveiligheid

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ^ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; ^ Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ^ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. ^ Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.

Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: ^ Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). ^ Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

28 juli 2025

21

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

^ ^

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

Beoordeling Met behulp van de kaart 'veilige leefomgeving' uit de Atlas leefomgeving is op 24 januari 2025 gekeken of in de directe omgeving van het projectgebied risicobronnen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.3 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven Ten westen van het projectgebied staat een LPG-tankstation (rode driehoek op afbeelding 4.5). Het LPG-tankstation heeft een brandaandachtsgebied (BAG) van 60 meter en een explosieaandachtsgebied (EAG) van 160 meter (Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage VIIA1a). De afstand van de dichtstbijzijnde woonboerderij tot aan het vulpunt bedraagt 165 meter (zie afbeelding 4.3). De nieuwe woningen liggen buiten het brandaandachtsgebied en het explosieaandachtsgebied van het LPG-tankstation. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen Het projectgebied is gelegen buiten brandaandachtsgebieden en explosieaandachtsgebieden van transportroutes van het basisnet die op grond van het Bkl, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de Regeling basisnet zijn aangewezen. Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Rondom het projectgebied liggen geen buisleidingen. Het projectgebied is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleiding.

28 juli 2025

22

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.10

Ecologie

Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ^ er soorten aanwezig zijn; en ^ welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Situatie Natura 2000 Op circa 1,8 kilometer van het projectgebied ligt Natura 2000-gebied 'Kempenland-West'. Dit Natura 2000-gebied heeft met waterloop 'De Kleine Beerze' een uitloper die het projectgebied in het westen benaderd tot circa 585

28 juli 2025

23

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

meter. Op afbeelding 4.4 is de ligging van het projectgebied (rood) ten opzichte van deze gebieden (geel) weergegeven.

Afbeelding 4.4: Natura 2000 (bron: https://www.atlasleefomaevina.nl/kaarteni

Verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met voorliggende initiatief niet aan de orde. Om te beoordelen of voorliggend initiatief leidt tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied is er een voortoets2 naar stikstofdepositie uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het ruimtelijk beleid is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het NNN. Het is een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. In de omgevingswet is over het NNN opgenomen dat ruimtelijke ingrepen in ieder geval niet leiden tot: ^ Achteruitgang kwaliteit en oppervlak NNN. ^ Achteruitgang samenhang NNN.

Op afbeelding 4.5 is de ligging van het projectgebied (rood) ten opzichte van deze gebieden (groen) weergegeven.

2 Voortoets Stikstofdepositie 12 appartementen Flinkert te Vessem, Rapportage M - QUO-34641-T9T1X6-3, 17-7-2025, Van Empel Milieu Advies. 28 juli 2025

24

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

Afbeelding 4.5: Natuurnetwerk Nederland (NNN) (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Ten oosten en westen van het projectgebied ligt het dichtstbijzijnde NNN. Er is met voorliggend initiatief geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Aangezien het initiatief geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNN en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurnetwerk is met voorgenomen initiatief eveneens geen sprake. Soortenbescherming Met voorliggend initiatief worden geen bomen gekapt, struiken gerooid of bebouwing gesloopt. Ook vinden er geen werkzaamheden plaats in of rondom een watergang. Schadelijke handelingen in het kader van de Omgevingswet als gevolg van het initiatief zijn dan ook niet te verwachten. Zorgplicht Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.

Indien er tijdens de werkzaamheden onverhoopt dieren worden aangetroffen die niet uit zichzelf (kunnen) vluchten, moet contact opgenomen worden met een ecoloog. Conclusie Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

4.11

Weging waterbelang

Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan wordende wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige

28 juli 2025

25

Flinkert 21, 23 en 26 Vessem

maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden. Waterschap De Dommel Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap De Dommel. Waterschap De Dommel heeft op 24 november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Binnen het programma zijn drie principes geformuleerd die inhoudelijk sturing geven aan de watertransitie. 1. Elke druppel telt: Op allerlei manieren wordt er ingezet om zoveel mogelijk water te laten infiltreren, zowel in de stad als op het platteland. 2.

Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan: Alle functies in ons gebied moeten uiteindelijk in overeenstemming zijn met de mogelijkheden en natuurlijke condities van het water- en bodemsysteem. 3. Wat schoon is moet schoon blijven: Alle gebruikers zijn verantwoordelijk. Ze geven het water minstens zo schoon af als ze het hebben ontvangen. Aanvullend op het waterbeheerplan hebben de drie Brabantse waterschappen sinds 1 maart 2015 de beschikking over één gezamenlijke verordening. Dit betreft de zogenaamde Brabant Keur. Hierdoor hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten. Het Waterschap maakt onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m2, 2.000 m2 tot 10.000 m2 en meer dan 10.000 m2. Wanneer de toename van het verhard oppervlak minder is dan 2.000 m2 is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In 2021 is een partiele herziening van de keur vastgesteld. Met deze herziening is het verhard oppervlakte aangescherpt van 2.000 m2 naar 500 m2. Gemeentelijk beleid In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023 - 2027 is, voor een periode van vijf jaar, het beleid ten aanzien van riolering en stedelijk water van de gemeente Eersel vastgelegd. Binnen de gemeentelijke voorzieningen speelt de riolering een prominente rol.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=8e25c2b0-83d1-45b4-b3a4-9450f40c3aa8