[25zi.00492] Ruimtelijke motivering, Bijlage bij RE_ BOPA Boksheidesijk 6 Eersel (november 2024)
Tekst van het document
4.5
Geluid
4.5.1
Beleidskader
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat’). Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl).
Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).
4.5.2
Toets
Door de gemeente Eersel is de ‘Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Eersel’ vastgesteld. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag de instructieregels toepast bij het vaststellen van een omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan-activiteit (BOPA). Er moet altijd worden gestreefd naar een geluidbelasting die ‘voldoet aan de standaardwaarde’ (ondergrens). De standaardwaarden gelden als algemeen geaccepteerd geluidniveau. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen binnen- of buitenstedelijk gebied. Voor gemeentewegen geldt een standaardwaarde van 53 Lden. Uit de kaart met de geluidbelasting van wegverkeer van de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van de beoogde geluidgevoelige objecten sprake is van een geluidbelasting van 46-50 Lden. Daarmee wordt de standaardwaarde niet overschreden en is nader onderzoek niet noodzakelijk.
Crijns Rentmeesters bv
33
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Figuur 13: Geluidbelasting (dB)
4.5.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
34
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.6
Geur
4.6.1
Beleidskader
Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: ‘zorg voor de fysieke leefomgeving’). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour.
Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan.
4.6.2
Toetsing
Binnen het besluitgebied wordt een voor geurgevoelig gebouw toegevoegd. Van belang voor het aspect geur zijn veehouderijbedrijven in de omgeving. Navolgend wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6.2.1 Veehouderijen in de omgeving In de omgeving van het besluitgebied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen.
4.6.2.2 Woon- en leefklimaat Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor het woon- en leefklimaat, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Navolgend worden derhalve de voorgrond- en achtergrondbelasting ter plaatse van het besluitgebied inzichtelijk gemaakt.
Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen.
Crijns Rentmeesters bv
35
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
In de omgeving van het besluitgbeied zijn geen veehouderijbedrijven gelegen. De voorgrondbelasting ter plaatse van het besluitgebied zal dan ook verwaarloosbaar zijn.
A chtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Navolgende tabel geeft de relatie tussen de achtergrondbelasting en het leefklimaat weer.
5 - 10
Goed
7 - 13
10 - 15
Redelijk goed
CO
15 - 20
Matig Tamelijk slecht
CO CO
25 - 30
Slecht
38 -50
30 - 35
Zeer slecht
S 50
35 - 40
Extreem slecht
i
20 - 25
CO CN
co
CN
3-7 O
Zeer goed
CN
c 5
1
á3
O
Leefklimaat
1
Geurgehinderden ("/o)
CN
Achtergrondbelasting
Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de achtergrondbelasting (peildatum juni 2023) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het besluitgebied met een blauwe cirkel is aangeduid.
Achtergrondbelasting geur juni 2023
kwaliteit leefomgeving concentratiegebied Zeer goed (-c3) | Good (3-7) Redelijk goed (7-13) Matig (13 20) Tamelijk slecht (20 28) | Slecht (28 35) H Zeer slecht (35 50) Extreem slecht (5*50)
Figuur 14: Achtergrondbelasting ter plaatse van besluitgebied en omgeving
Ter plaatse van het besluitgebied is op basis van de achtergrondbelasting sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat ( 0-3 oue/m3). Herontwikkeling van het besluitgebied is in het kader van het woonen leefklimaat dan ook geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
36
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Conclusie woon- en leefklimaat De beoogde herontwikkeling van het besluitgebied is in het kader van het woon- en leefklimaat geen bezwaar.
4.6.2.3 Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende bedrijven De herontwikkeling van het besluitgebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen niet belemmeren. Deze belangen bestaan uit de voortzetting van de bestaande bedrijfsactiviteiten en, indien concrete uitbreidingsplannen aanwezig zijn (bijvoorbeeld een reeds vergunde uitbreiding), de realisatie van deze uitbreidingsplannen. De veehouderijen in de omgeving van het besluitgebied worden reeds belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden door geurgevoelige objecten welke gelegen zijn tussen het besluitgebied en de veehouderijen dan wel door geurgevoelige objecten die op kortere afstand tot de veehouderijen gelegen zijn dan het besluitgebied.
Crijns Rentmeesters bv
37
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.7
Gezondheid
4.7.1
Endotoxine
4.7.1.1
Beleidskader
De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij
en
Volksgezondheid
van
het
Bestuurlijk
Platform
Omgevingsrecht de
‘Notitie
Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0’ opgesteld. Deze notitie haakt in op de lopende ontwikkeling van het landelijke endotoxinetoetsingskader en maakt gebruik van de daaruit voortkomende onderzoeksresultaten. De voorlopige onderzoeksresultaten zijn voor de Gezondheidsraad in 2012 aanleiding geweest om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van 30 EU/m3 aan het Rijk te adviseren. Deze advieswaarde wordt tevens gehanteerd in de notitie. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EUZm3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EUZm3 eenvoudig bepaald kan worden.
4.7.1.2 Toets In de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen intensieve veehouderijbedrijven gesitueerd. De dichtstbijzijnde veehouderij met een emissie van endotoxinen (varkens of pluimvee) is gelegen op een afstand van circa 600 meter. Op deze veehouderij worden vleeskuikens gehouden, waarbij sprake is van een fijnstofemissie van 1.496 kg/jr. Op basis van het berekeningsmodel dient bij een dergelijke bedrijfsvoering een afstand van 236 meter in acht te worden genomen. Daaraan wordt ruimschoots voldaan.
4.7.1.3 Conclusies De beoogde herontwikkeling is in het kader van endotoxine geen bezwaar.
4.7.2
Geitenhouderijen
4.7.2.1 Beleidskader Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige
Crijns Rentmeesters bv
38
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico’s op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.
4.7.2.2 Toets Binnen de gemeente Eersel is een drietal geitenhouderijen gelegen, te weten aan Vondereind 4a, Meerven 2a en Knegselsedijk 13. Deze drie locaties zijn op een grotere afstand dan 2 kilometer van het besluitgebied gelegen.
4.7.2.3 Conclusie Binnen een straal van 2 kilometer rondom het besluitgebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Herontwikkeling van het besluitgebied is in het kader van geitenhouderijen dan ook geen bezwaar.
4.7.3
Gewasbeschermingsmiddelen
4.7.3.1
Beleidskader
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermings middel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid ínhouden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt.
4.7.3.2 Toets Binnen een afstand van 50 meter tot het besluitgebied is geen sprake van spuit-activiteiten in het kader van gewasbescherming. Daarnaast is het besluitgebied reeds bestemd voor wonen en betreft het derhalve reeds een gevoelige functie waarmee rekening dient te worden gehouden. Er is derhalve sprake van een evenwichtige functietoedeling.
4.7.3.3 Conclusie Herontwikkeling van het besluitgebied is in het kader van gewasbeschermingsmiddelen geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
39
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.8
Klimaat
Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit ‘Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie’ beoordeeld. Binnen het besluitgebied wordt rekening gehouden met het klimaat door hemelwater te bergen binnen het bouwperceel. Het is aan te bevelen te werken met groene daken, zowel in het kader van hittestress als waterberging.
Crijns Rentmeesters bv
40
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1
Beleidskader
In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Aandachtsgebieden In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied
bevindt,
maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt.
De
beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. Uitgezonderde locaties (blootstelling) De luchtkwaliteit hoeft alleen te worden beoordeeld door een toetsing aan de omgevingswaarde. De omgevingswaarde is bepaald voor de bescherming van de gezondheid van mensen. Het is daarom alleen zinvol om de luchtkwaliteit te beoordelen wanneer er blootstelling aan mensen plaatsvindt. Op plaatsen waar publiek niet toegankelijk is of geen vaste bewoning is, is een beoordeling daarom niet nodig (paragraaf 5.1.4, artikel 5.53 in het bkl). Niet in betekende mate (NIBM) Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM10) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook ‘niet in betekende mate’ (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) niet hoger is dan 1,2 ggZm3. Dat is 30Zo van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets.
Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Het maximum aantal woningen of kantoren ligt vast. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Kantoren zijn NIBM als het gaat om een bruto vloeroppervlakte van maximaal 100.000 m2 bij minimaal 1 ontsluitingsweg.
4.9.1.1
Toets uitstoot schadelijke stoffen
Binnen het besluitgebied worden drie nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Derhalve kan worden gesteld dat dit plan onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
41
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.9.2
Toets blootstelling aan verontreiniging
4.9.2.1
Inleiding
Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. In navolgende paragrafen wordt achtereenvolgens ingegaan op fijnstof en stikstofdioxide.
4.9.2.2 Fijnstof De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarde vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Het doel is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. De richtlijn geeft de volgende grenswaarden voor fijnstof: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 gg/m3.
-
de grenswaarde daggemiddelde concentratie van PM10 is 50 gg^. De concentratie fijn stof mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar hoger zijn dan deze waarde.
-
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 gg^.
Ter plaatse van het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie PM10 in 2021 van 16-18 gg^ (bron: Atlas Leefomgeving). De jaargemiddelde concentratie PM2,5 bedraagt in 2021 9-10 gg^ (bron: Atlas Leefomgeving). De grenswaarde van maximaal 35 dagen boven een daggemiddelde concentratie PM10 van 50 gg^ is sinds 2011 op geen enkele meetlocatie meer overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van fijnstof geen bezwaar is.
4.9.2.3 Stikstofdioxide De Europese richtlijn luchtkwaliteit geeft de volgende grenswaarde voor stikstofdioxide: -
de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO2 is 40 gg^.
Ter plaatse van het besluitgebied is sprake van jaargemiddelde concentratie NO2 van 10-12 gg^ in 2021 (bron: Atlas Leefomgeving). Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in het kader van de blootstelling aan luchtverontreiniging als gevolg van stikstofdioxide geen bezwaar is.
Crijns Rentmeesters bv
42
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.10
Bedrijvigheid
4.10.1
Beleidskader
Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Onder de Omgevingswet wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Deze ruimtelijke milieunormen bestaan náást de normen in het milieuspoor. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte per bedrijf. Hiermee krijgt ieder bedrijf zijn eigen gebruiksruimte. Dit kan per zone zijn vastgelegd, of bij bedrijven buiten een bedrijventerrein, specifiek per bedrijf. In het omgevingsplan van de gemeente Eersel zijn nog geen milieunormen aan bedrijven toegekend. Derhalve wordt in het kader van onderhavige motivering gebruik gemaakt van de beoordeling op basis van de ‘oude stijl’.
Bij de milieuzonering ‘oude stijl’ wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. In de lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden richtafstanden gegeven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is.
4.10.2 Toets Op basis van de VNG-publicatie is voor omliggende niet-agrarische bedrijven, gelegen binnen een straal van 500 meter rondom het besluitgebied nagegaan met welke richtafstanden rekening gehouden dient te worden. In dit overzicht is uitgegaan van bedrijven en milieuzonering Editie 2009.
Adres
Omschrijving
Cat.
Grootste richtafstand
Werkelijke afstand
Deelconclusie
Rosheuvel ong.
Scouting
2
30 meter geluid
125 meter
Geen
Rosheuvel ong.
Gildeterrein
5.1
500 meter gevaar
240 meter
beperkingen Beperkingen
300 geluid 10 geur
Crijns Rentmeesters bv
43
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Voor het gildeterrein aan Rosheuvel ong. betreft de grootste richtafstand 500 meter in verband met gevaar. De schietbomen van het gilde staan in de zuidwesthoek van het terrein, waarbij de schietrichting naar het zuidwesten gelegen is, dus van het besluitgebied af. De gevarencontour zal dan ook niet over het besluitgebied gelegen zijn. Daarnaast is er sprake van een richtafstand van 300 meter in verband met geluid (schietlawaai). Ten behoeve van de realisatie van de woningen tussen het besluitgebied en het gildeterrein, is de vergunning van het gilde aangepast zodat er geen sprake is geluidsoverlast door schietlawaai. Het gildeterrein vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10.3 Conclusie Er is in de omgeving van het besluitgebied geen sprake van bedrijvigheid die een belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Crijns Rentmeesters bv
44
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.11
Omgevingsveiligheid
4.11.1
Inleiding
Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico’s van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feítelijke” risico’s (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico’s worden ervaren. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.
4.11.2 Risico’s Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.
Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond locaties met milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen kunnen er zich levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). De grenswaarden van de aandachtsgebieden zijn geregeld in het Bkl. Voor de bepaling ervan is uitgegaan van de bescherming die nieuwbouw en rampenbestrijding bieden. De aard en de omvang van een aandachtsgebied wordt bepaald door de effecten van een scenario, niet door de kans.
Crijns Rentmeesters bv
45
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Binnen aandachtsgebieden moet het bevoegd gezag rekening houden met het groepsrisico. Dit gebeurt bij het ontwikkelen van nieuwe beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.
4.11.3 Beleidskader 4.11.3.1 Bal: algemene rijksregels voor milieubelastende activiteiten In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan maatregelen die een initiatiefnemer van een risicovolle milieubelastende activiteit moet toepassen. Het gaat om maatregelen voor activiteiten met gevaarlijke stoffen, met vuurwerk, met ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en om windturbines.
4.11.3.2 Bkl: beoordelingsregels vergunningen voor milieubelastende activiteiten Een aantal risicovolle milieubelastende activiteiten is vergunningplichtig. Beoordelingsregels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat bijvoorbeeld om regels voor de opslag van gevaarlijke stoffen en regels voor Seveso-inrichtingen.
4.11.4 Toets 4.11.4.1 Bedrijven Het besluitgebied is op de kaart ‘Externe veiligheid’ van de Atlas Leefomgeving niet aangewezen als gelegen in een plaatsgebonden risico contour of aandachtsgebied van een bedrijf met betrekking tot de externe veiligheid. Het dichtstbijzijnde bedrijf met risicocontouren betreft een tankstation aan de Postelseweg, op een afstand van circa 1,6 kilometer. Legenda: r Seveso A TankenBrandstoffen * OpslagtankGas o An derlnslu it Systeem * OpslagtankVloeistof c Aa rdgasst at i o n/Mij n b o uw m OpslagVerpakt w Vervoer d
AmmoniakKoelinstallatie
o BadGiftig * Mestvergisting Vuurwerk ■ù Opslagũntplofbaar 1, Nucleair n Windturbine * Restcategorie
ū Terreingrens zf Buisleidirg zf Basisnet Weg z Basisnet Water Basisnet Spoor Z Onbekend type vervoer
Besluitgebied Figuur 15: Uitsnede risicoatlas
Crijns Rentmeesters bv
46
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.11.5 Transport 4.11.5.1 Vervoer over het spoor Op het grondgebied van de gemeente Eersel bevindt zich geen spoortracé. Dit aspect is dus niet van toepassing.
4.11.5.2 Vervoer over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen moet primair via het hoofdwegennet plaatsvinden. Woonkernen moeten hierbij vermeden worden. De grote doorgaande weg in de omgeving van het besluitgebied waarover dergelijke transporten kunnen plaatsvinden is de A67. Het besluitgebied is gelegen op een afstand van 2,0 kilometer van de A67. Plaatsgebonden risico In het Bkl wordt voor het plaatsgebonden risico van een weg een veiligheidszone gehanteerd. Dit is een zone langs een weg waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan. De veiligheidszone wordt gemeten vanaf het midden van de weg en begrensd door de maximale 10-6/jaar contour. Ten aanzien van de A67 dient ter plaatse van het besluitgebied een veiligheidsafstand van 29 meter te worden aangehouden. Het besluitgebied ligt buiten deze veiligheidszone. Aandachtsgebieden De A67 kent een brandaandachtsgebied van 30 meter en een explosieaandachtsgebied van 200 meter. Het gehele besluitgebied is buiten deze aandachtsgebieden gelegen.
4.11.5.3 Vervoer over het water Binnen de gemeente Eersel vindt geen transport over water plaats. Dit aspect is dus niet van toepassing.
4.11.5.4 Vervoer via buisleidingen Het besluitgebied is op de kaart ‘Externe veiligheid’ van de Atlas Leefomgeving niet aangewezen als gelegen in een plaatsgebonden risico contour of aandachtsgebied van een buisleiding.
4.11.6 Hoogspanningslijnen Voor hoogspanningslijnen gelden geen risicoafstanden, maar gezondheidsafstanden. Rondom hoogspanningslijnen zijn magneetvelden aanwezig, verschillend in sterkte en afhankelijk van de hoeveelheid elektriciteit die door de lijnen gaat. Binnen magneetvelden waarbinnen het berekende jaargemiddelde hoger is dan 0,4 microtesla worden geen nieuwe woningen, scholen en KDV toegestaan. Ten noorden van Knegsel bevindt zich een hoogspanningslijn. Deze hoogspanningslijn bevindt zich op een afstand van circa 2,8 kilometer van het besluitgebied en betreft de hoogspanningslijn Eindhoven zuid - Hapert. Deze lijn kent een spanning van 150 kV met een 0,4 microtesla-zone van 60 meter aan beide zijden. Het besluitgebied is buiten deze zone gelegen.
4.11.7 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in het kader van omgevingsveiligheid geen bezwaar.
Crijns Rentmeesters bv
47
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.12
Natuur
4.12.1
Beleidskader
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
4.12.2 Toets gebiedsbescherming 4.12.2.1 Inleiding Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.
4.12.2.2 Natura 2000 Inleiding Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een ‘Natura 2000-activiteiť genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving). Het meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebied betreft het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’.
Een uitloper van dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer meter ten noordoosten van het besluitgebied.
Crijns Rentmeesters bv
48
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies,
verontreiniging, versnippering,
verzilting,
optische verstoring, verzuring
en
vermesting.
4.12.2.3 Potentiële externe effecten, niet zijnde stikstof Gezien de afstand van het besluitgebied tot het Natura 2000-gebied zal er geen sprake zijn van oppervlakteverlies, verontreiniging, optische verstoringen, geluids- en lichtverstoring of mechanische effecten op het Natura 2000-gebied.
4.12.2.4 Stikstof In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Met Aerius Calculator wordt de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling berekend. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met Aerius Calculator een Aerius-berekening uitgevoerd. Deze berekening en de toelichtende memo d.d. 2 mei 2024 zijn als separate bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Navolgend is de conclusie uit de memo weergegeven: “Aan de Boksheidsedijk 6 te Eersel bestaat het voornemen om een vrijstaande woning te realiseren en in een bestaand bijgebouw een tweetal woningen te realiseren.
In dit onderzoek zijn de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van dit project berekend met het rekenprogramma Aerius Calculator. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van dit project vrijkomt in zowel de (ver)bouw- als gebruiksfase (in combinatie) leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Daarbij is uitgegaan van diverse worst-case uitgangspunten. De belangrijkste hiervan zijn: -
Voor het bouwmaterieel is uitgegaan van Stage IIIB werktuigen (bouwjaar 2011 en later), zonder AdBlue met aanvullend op het ingeschatte materieel een post onvoorzien;
-
De verkeersaantrekkende werking in de gebruiksfase is ingeschat op basis van de maximale norm uit de CROW Publicatie en kent relatief lange rijlijnen;
-
De gebruiksfase is gecombineerd met de aanleg- en bouwfase, hoewel deze logischerwijs niet voor 12 maanden gelijktijdig met de bouwfase aan de orde zal zijn in de maatgevende periode. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het project geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Stikstofdepositie vormt daarmee geen belemmeringen voor de ruimtelijke procedure en aanvraag omgevingsvergunning. ”
Crijns Rentmeesters bv
49
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.12.2.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
Het NNN
bestaat over het algemeen uit kerngebieden,
natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Het besluitgebied ligt op een afstand 125 meter ten westen van een gebied opgenomen in het Natuurnetwerk Brabant. Van een directe aantasting of afname van areaal aan NNB gebied is geen sprake. De beoogde herontwikkeling zal niet leiden tot aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van een NNB-gebied.
4.12.3 Toets soortenbescherming 4.12.3.1 Inleiding Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en faunaactiviteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: -
Óf er soorten aanwezig zijn;
-
En indien aanwezig, welke soorten dat zijn.
Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.
4.12.3.2 Flora en fauna toets Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage van deze quickscan d.d. 25 april 2024 met rapportnummer 3977 is al separate bijlage bij deze ruimtelijke motivering gevoegd. Navolgend zijn de conclusies en aanbevelingen uit de rapportage weergegeven:
Crijns Rentmeesters bv
50
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
“Alvorens de werkzaamheden kunnen starten dient er rekening gehouden te worden met de onderstaande voorwaarden: -
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een stikstoftoets uitgevoerd te worden om de effecten op het Natura 2000-gebied te onderzoeken;
-
Het wordt geadviseerd om contact met de gemeente op te nemen omtrent het kappen van de bomen;
-
Voorafgaand
aan
de
start
van
de
werkzaamheden
worden
de
uilenkasten
gecontroleerd op aanwezigheid van de bosuil en kerkuil: ^
Bij aanwezigheid van de bosuil worden de werkzaamheden rondom de schuur buiten de broedtijd van de bosuil uitgevoerd;
^
Bij aanwezigheid van de kerkuil en werkzaamheden rondom de overkapping en woning dient een ecoloog te bepalen of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder de nestplaats te verstoren;
-
Voorafgaand
aan
de
werkzaamheden
dient
een
nader
onderzoek
naar
de
aanwezigheid van gierzwaluw- en huismusnesten gedaan te worden in de schuur (en overkapping en woning indien hier werkzaamheden worden uitgevoerd) -
Groenelementen worden buiten het broedseizoen verwijderd. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot halfjuli;
-
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen gedaan te worden: •
Onderzoek
naar
zomer-,
dwergvleermuis,
gewone
kraamen
grijze
en
paarverblijfplaatsen
grootoorvleermuis,
van
de
laatvlieger
gewone en
ruige
dwergvleermuis in de schuur; •
Onderzoek
naar
zomer-,
dwergvleermuis,
gewone
kraamen
grijze
en
paarverblijfplaatsen
grootoorvleermuis,
van
de
laatvlieger
gewone en
ruige
dwergvleermuis in de woning indien er externe verbouwingen of werkzaamheden gaan plaatsvinden; •
Onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in de overkapping indien er externe verbouwingen of werkzaamheden gaan plaatsvinden;
-
Indien
er bomen
verwijderd
worden
buiten
de
noordoostelijke
hoek
van
de
onderzoekslocatie, wordt er voorafgaand aan het verwijderen een boomholtecheck gedaan bij deze bomen. Indien er geschikte boomholtes aanwezig zijn, worden deze ontzien of wordt nader onderzoek naar verblijfplaatsen van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de gewone grootoorvleermuis gedaan; -
Tijdens de werkzaamheden wordt er rekening gehouden met de zorgplicht. Dit artikel beschrijft dat er tijdens werkzaamheden voldoende zorg in acht moet worden genomen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren. ”
4.12.4 Toets houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4
Crijns Rentmeesters bv
51
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde
wijze’.
De
provincie
kan
daar
bij
omgevingsverordening
maatwerkregels
of
maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158). Het besluitgebied is binnen het stedelijk gebied gelegen. De rijksregels gelden alleen voor houtopstanden buiten het stedelijk gebied. De gemeente Eersel heeft haar beleid vastgelegd in het ‘Bomenbeleidsplan gemeente Eersel 2023-2033’. Daarin is opgenomen dat voor het kappen van bomen binnen de bebouwde kom enkel de APV van toepassing is. Bomen mogen worden gekapt, zolang dit geen monumentale bomen zijn. Binnen het besluitgebied zijn geen monumentale bomen aanwezig.
4.12.5 Conclusie De beoogde ontwikkeling is in het kader van gebiedsbescherming en houtopstanden geen bezwaar. In het kader van soortenbescherming dient voorafgaand aan de start van de werkzaamheden nog een aantal checks/onderzoeken te worden uitgevoerd.
Crijns Rentmeesters bv
52
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.13
Water
4.13.1
Inleiding
Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. De watertoets is in het leven geroepen omdat met name het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie heeft gekregen: van reageren naar anticiperen. Water heeft een aantal specifieke kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen waar de ruimtelijke ordening rekening mee moet houden. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van de oprichting van de woning binnen het besluitgebied inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gedestilleerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het besluitgebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel.
4.13.2 Beleidskader 4.13.2.1 Nationaal Water Programma In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: -
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering:
-
Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een
-
Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.
klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
4.13.2.2 Waterschapsverordening De Dommel Algemeen Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is.
Crijns Rentmeesters bv
53
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn. Algemene uitgangspunten grondwaterbeheer Gelet op de kaders en doelstellingen van de Omgevingswet heeft het grondwaterbeheer dat door de waterschappen wordt uitgevoerd vier pijlers: -
Adequaat
voorraadbeheer;
het
voorkomen
van
uitputting
of
aantasting
van
de
grondwatervoorraden. -
Bescherming van de grondwaterkwaliteit; gericht op hoogwaardig gebruik van grondwater met name diepere lagen ten behoeve van menselijke consumptie.
-
Samenhangend beheer van grondwater- en oppervlaktewaterlichamen; bijvoorbeeld afstemming met wateraan- en afvoermogelijkheden in het oppervlaktewatersysteem.
-
Tegengaan/beheersen van lokale nadelige gevolgen van grondwateronttrekkingen of infiltreren, bijvoorbeeld verzakking of vernatting van gebouwen, maar hieronder valt ook het standstill beleid voor de beschermde gebieden en attentiegebieden.
Het besluitgebied is gelegen in ‘attentiegebied, invloedsgebied Natura 2000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000’. In deze gebieden kan een gebruiker die grondwater wil gaan onttrekken naast een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit tevens een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig hebben.
4.13.2.3 Waterbeheerprogramma 2022-2027 Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel met de watertransitie met als doel een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Hierbij ligt in tegenstelling tot eerder beleid met name de nadruk op de volgende focuspunten: -
van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat naast het beekdal ook uit naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied;
-
van sectoraal naar integraal; samen met overheden en gebiedspartners worden keuzes gemaakt
-
van water afvoeren naar elke druppel telt; maximaal water conserveren, minder grondwater
over meerdere opgaven in een gebied; gebruiken en slimmer sturen.
4.13.2.4 Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Deze uitgangspunten zijn op 26 maart 2021 geactualiseerd onder de titel ‘Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater’.
Crijns Rentmeesters bv
54
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt staan de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1.
hergebruik
2.
vasthouden Z infiltreren
3.
bergen en afvoeren
4.
afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect)
5.
afvoeren naar de riolering
De waterschappen vragen aan
initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te
beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. ‘Vasthouden’ betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Omdat niet alle plannen een door het waterschap goedgekeurd waterparagraaf hebben, ziet het waterschap de noodzaak een grens te benoemen. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen of afgekoppeld verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Dit heeft er toe geleid dat voor kleine plannen kan worden volstaan met het toepassen van een eenvoudige rekenregel voor het bepalen van de compensatie-opgave. Het gaat dan om plannen met een toename van verhard oppervlak vanaf 500 m2 tot en met 10.000 m2. Voor grotere plannen volstaat de rekenregel niet voor het bepalen van de compensatie-opgave, omdat de impact van dergelijke plannen op het watersysteem (veel) groter is. Voor grote plannen is daarom altijd een waterhuishoudkundig onderzoek door de initiatiefnemer noodzakelijk en dient het waterschap vroegtijdig te worden betrokken.
Voor een toename van het verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door de toename van het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf 0,06 m. De factor 0,06 m vertegenwoordigt een waterschijf van 60 mm (600 m^hectare) die het verschil aangeeft tussen de hoeveelheid neerslag en enkele verliesposten op het maaiveld. Het geeft dus de hoeveelheid water weer die onder maatgevende omstandigheden daadwerkelijk op het watersysteem terecht zou komen als er geen voorziening wordt aangelegd. Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m3).
4.13.3 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023-2027 Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023-2027 (vGRP) beschrijft de gemeente Eersel de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Eersel voor de periode 2023-2027.
Crijns Rentmeesters bv
55
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
Wat betreft hemelwater in het buitengebied is het volgende opgenomen in het vGRP: “In gebieden waar een druk- of persriool aanwezig is (vooral buiten de bebouwde kom) bedoeld voor de inzameling van alleen stedelijk afvalwater, is het niet toegestaan om regenwater op de riolering aan te sluiten. De pompcapaciteiten en de afmetingen van de drukleidingen zijn niet berekend op de afvoer van regenwater. Perceeleigenaren moeten het hemelwater op eigen terrein oppervlaktewater.
Dit
leggen
verwerken we
of zorgen voor een aansluiting op het
eveneens
vast
in
de
hemelwater-
en
grondwaterverordening." In navolgende subparagraaf wordt de verwerking van hemelwater binnen het besluitgebied in de toekomstige situatie beschreven.
4.13.4 Hemelwaterafvoer na herontwikkeling 4.13.4.1 Bodem en grondwater Het besluitgebied bestaat uit Veldpodzolgronden; lemig fijn zand (Hn23g). De GHG ter plaatse bedraagt 40-60 cm-mv.
4.13.4.2 Benodigde infiltratiecapaciteit Het beoogde bouwplan voorziet in een verwachte toename van verhard oppervlak van circa 400 m2, bestaande uit hoofdgebouw, bijgebouw en erfverharding rondom de woning. Voor het besluitgebied dient bij een verwachte toename van het verhard oppervlak van 400 m2 zorggedragen te worden voor (400 x 0,06) s 24 m3 aan berging ten behoeve van regenwater. Het te verbouwen bijgebouw heeft geen toename van het verhard oppervlak tot gevolg. Reden hiervoor is dat daar nu een hoveniersbedrijf is gevestigd. Hiervoor is een gedeelte van het erf verhard met betonplaten. Hiervan wordt circa 250 m2 betonplatenverharding verwijderd. De woningen kennen 480 m2 achtererfgebied. In totaal mag maximaal 240 m2 worden bebouwd. In de praktijk zal dit minder zijn. De perceeleigenaar draagt in eerste instantie zelf zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. In de bestaande situatie infiltreert het hemwelwater in een greppel/zaksloot binnen het besluitgebied.
4.13.4.3 Hemelwaterafvoer In de nieuwe situatie zal de infiltratie van het regenwater dat valt op daken van de woning en de bijgebouwen worden bewerkstelligd door het schone hemelwater via dakgoten en regenpijpen af te voeren naar een bergingsvoorziening. Gezien de hoge GHG ter plaatse, ligt een bovengrondse bergingsvoorziening zoals een infiltratieveld voor de hand. De locatie biedt hiervoor meer dan voldoende ruimte. Andere mogelijkheden zijn grindkoffers en groendaken. Een combinatie van voorzieningen is mogelijk.
Crijns Rentmeesters bv
56
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.13.4.4 Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van lood of asfalt etc.). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBomaatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.
4.13.5 Huishoudelijk afvalwater in nieuwe situatie Het afvalwater afkomstig van het besluitgebied wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Indien het rioolstelsel ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient te worden aangepast, dan worden deze kosten verhaald op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer draagt eveneens zorg voor de aansluitingskosten.
Crijns Rentmeesters bv
57
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
4.14 MER-beoordeling 4.14.1 Wettelijk kader Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (mer) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de mer is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de mer. Op deze manier vormt de mer een hulpmiddel voor de besluitvorming. Een Omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34). De Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit: a.
de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
b.
als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: 1)
de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
2)
4.14.2
het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
Toets beoogde ontwikkeling
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Onder J11 is opgenomen: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een “Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen.” Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2019 (201807060/1/R1) blijkt dat de ontwikkeling van een enkele woningen niet aangemerkt wordt als een stedelijk ontwikkelingsproject. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.
Crijns Rentmeesters bv
58
Ruimtelijke motivering ‘Boksheidsedijk 6 Eersel'
5.
PARTICIPATIE
5.1
Algemeen
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op ‘actieve deelname’. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: “Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.