CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[25.00362] Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel (rapport)

Commissievergadering 11 februari 2025, gemeente EerselBij agendapunt: Onderzoek Rekenkamer Jeugdhulp Eersel20.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Specialistische jeugdhulp is contractueel ingedeeld in specialistische jeugdhulp, hoogspecialistische jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf.

| 22 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

3. Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Kempengemeenten (GRSK) De afdeling maatschappelijke dienstverlening (MD) binnen de GRSK geeft dagelijks uitvoering aan verschillende opgaven in de jeugdhulp. Eersel heeft (in samenwerking met Reusel-De Mierden, Bladel en Bergeijk) een gezamenlijk Meerjarenbeleidskader (MJBK) (zie ook hoofdstuk 5). De afdeling Maatschappelijke Dienstverlening van GRSK stuurt in nauwe samenwerking met deze gemeenten op de beleidsdoelstellingen uit de MJBK. Bovendien wordt periodiek via de maraps en beraps gerapporteerd over de voortgang op het MJBK. Ook de gemeentelijke toegangspoort tot hulp en ondersteuning, het CJG+, valt onder de vlag van de GRSK. Meer over de werkwijze van het CJG is te lezen in paragraaf 6.2. Tabel 1

Rollen en verantwoordelijkheden regionale samenwerking

Beleid jeugdhulp

Inkoop

Toegang

Administratie

Gemeente Oirschot

Samen voor Jeugd

Gemeente Oirschot

GRSK

Eersel

GRSK

Samen voor Jeugd

GRSK

GRSK

Reusel- De Mierden

GRSK

Samen voor Jeugd

GRSK

GRSK

Bladel

GRSK

Samen voor Jeugd

GRSK

GRSK

Oirschot

De regionale samenwerking verloopt goed, maar vraagt veel afstemming Ondanks dat de samenwerking op verschillende niveaus is georganiseerd, verloopt deze over het algemeen soepel. Medewerkers weten elkaar goed te vinden en de "lijnen zijn kort". Dit heeft ermee te maken dat de rollen en verantwoordelijkheden helder zijn belegd voor de betrokkenen. Wel bestaan er (grote) verschillen tussen de verschillende subregio's in Samen voor Jeugd. Zo is de gemeentelijke toegang in Eersel (het CJG+) anders georganiseerd dan WIJeindhoven (in Eindhoven) of WIJzer (in Oirschot). Deze organisatiekeuzes hebben ook gevolgen voor de samenwerking in Samen voor Jeugd. Zo is recent het product "Multi" ingevoerd; een product voor gezinnen met multiproblem casuïstiek. De Kempengemeenten hebben ervoor gekozen om dit product niet in te kopen, omdat zij al conform de werkwijze van "Multi" werken in het CJG+. Eindhoven, de A2-gemeenten en de BO-gemeenten hebben dit product wel ingekocht. Verschillende ingekochte producten maken het voor aanbieders ingewikkelder, omdat zij per (sub)regio aan verschillende eisen en voorwaarden moeten voldoen. Sinds 1 januari 2023 werken de Kempengemeenten met het principe 'opnieuw verbinden'. Dat houdt in dat beleid en uitvoering meer los van elkaar georganiseerd zijn en er extra fte is bijgekomen in de beleidsuitvoering op jeugd bij de GRSK.

Voor 1 januari 2023 waren beleidsmedewerkers jeugd van de gemeenten voor een aantal uur gedetacheerd bij de GRSK. Nu zijn deze rollen gescheiden en werken beleidsmedewerkers direct bij de GRSK én bij de individuele gemeenten, waaronder Eersel. Hoewel de rollen en verantwoordelijkheden helder zijn belegd over de verschillende niveaus, kost het volgens verschillende respondenten veel tijd om de "neuzen dezelfde kant op te houden". Het gaat bijvoorbeeld over de samenwerking tussen de beleidsmedewerkers van de gemeenten ten opzichte van de GRSK, ten opzichte van de verschillende subregio's en ten opzichte van 21voordejeugd. Ook zijn er verschillende werkgroepen actief in de regio Samen voor Jeugd. Vanuit de subregio's worden medewerkers naar voren geschoven om hieraan deel te nemen namens de subregio. Tegelijkertijd gaat het hier dus wederom om een extra niveau van overleg en vraagt het dus om extra afstemming.

| 23 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

6.2 CJG+ als toegangspoort voor inwoners van Eersel Inwoners van Eersel kunnen bij het CJG+ terecht met al hun vragen over opvoeden en opgroeien. De werkwijze en manier van organiseren zijn uniform voor de Kempengemeenten. ^ Vragen van inwoners komen binnen bij het team toegang. Hier vindt een eerste vraagverheldering plaats om de situatie in kaart te brengen en te zoeken naar een passend vervolg. Professionals van het team kunnen zelf ook een aantal ondersteunende gesprekken voeren, verwijzen naar een algemene voorziening (denk aan het jongerenwerk of een vrijwilligersinitiatief) of’verwijzen' naar één van de andere onderdelen van het CJG+. Team toegang verzorgt ook het administratieve aspect, waaronder het opmaken van de beschikking en het contact met de zorgaanbieder over een specifiek product. ^ Bij hulp en ondersteuning vanuit het CJG+ is het Lokaal Ondersteuningsteam (LOT) aan zet. Zo biedt het LOT bijvoorbeeld begeleiding aan jeugdigen en gezinnen. Bovendien maken de professionals van het LOT deel uit van het netwerk in Eersel. Denk aan de verbinding met het onderwijs en (sport)verenigingen. Het LOT probeert bij alle 'vindplekken' aangesloten te zijn. ^ Complexe casuïstiek, waar vaak veiligheidsvraagstukken spelen, komen terecht bij het Kempenteam Jeugd (KTJ).

Professionals van het KTJ bieden zelf hulp en ondersteuning aan deze gezinnen, al dan niet aangevuld met jeugdhulp van een zorgaanbieder. Het gaat bijvoorbeeld over casuïstiek waarbij (een complexe) echtscheiding een rol speelt. Het LOT en het KTJ waren al vanaf het begin onderdeel van het CJG+. In de eerste jaren na de decentralisatie handelde het LOT vooral de enkelvoudige vragen af en pakte het KTJ de meervoudige vragen op. In de praktijk bleek dat de ondersteuners van het LOT met een dubbelrol bij de gezinnen werkten. Aan de ene kant als begeleider van het gezin, maar ook als verwijzer. Bovendien hadden ze de administratieve taken (beschikking en bepalen van het product) en hadden de ondersteuners hierover contact met de zorgaanbieder. Met de invoering van het team toegang zijn de rollen en verantwoordelijkheden tussen verwijzer en (ambulant) begeleider meer gescheiden en worden de ondersteuners administratief ontzien. Professionals van het CJG+ voeren casusregie. Dit betekent dat de (verschillende) hulp gecoördineerd wordt en waar nodig wordt op- en afgeschaald. In het geval dat 'alleen'jeugdhulp door een zorgaanbieder wordt geboden (en geen ondersteuning vanuit CJG+), dan houden professionals van het team toegang de vinger aan de pols. In andere gevallen zijn de ondersteuners van het LOT of KTJ casusregisseur.

Het hangt van de complexiteit en/of de veiligheidssituatie af of regie wordt gevoerd vanuit het LOT of KTJ. Het feit dat het CJG+ casusregie biedt, zorgt voor een hoge caseload. Bovendien heeft het CJG+ voor ondersteuning vanuit het LOT of KTJ soms een wachtlijst; doorgaans niet of zeer kort. Ook zorgaanbieders kampen met wachtlijsten, waardoor professionals van het CJG+ regelmatig overbruggingszorg moeten bieden. Dit legt wederom druk op de wachtlijsten bij het CJG+. In de volgende paragraaf wordt de samenwerking tussen het CJG+ en maatschappelijke partners onder de loep genomen.

6.3 Netwerken jeugd en gezin Er is veel kennis en expertise bij CJG+, maar ook discussie over de administratieve vertaling van de inhoud Een groot deel van de externe respondenten (zoals zorgaanbieders) prijzen de professionaliteit van de medewerkers van het CJG+, die volgens geïnterviewden ten opzichte van andere gemeentelijke toegangen - waar vaak alleen wordt doorverwezen naar maatwerkvoorzieningen - veel meer kennis en expertise hebben. Dit maakt dat bijvoorbeeld zorgaanbieders inhoudelijk goed kunnen sparren met de professionals van het CJG+. Bovendien voorkomt het zelf hulp verlenen door het CJG+ dat direct doorverwezen moet worden naar duurdere hulp.

| 24 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Wel zijn er in dit onderzoek signalen afgegeven dat de samenwerking aan de achterkant, dus waar het gaat om administratie en verantwoording, niet altijd even soepel verloopt. Wanneer een indicatie afloopt, dient de zorgaanbieder contact op te nemen met het CJG+ om gezamenlijk (uiteraard ook met de cliënt) te onderzoeken of wederom hulp nodig is en in welke vorm. Bepaalde organisaties ervaren dat hun administratieve beoordeling regelmatig 'in twijfel wordt getrokken' door de medewerkers van het CJG+. Dit leidt tot discussies over producten (en definities van producten), intensiteit en zorgzwaarte. Vooral kleinere organisaties hebben hier veel last van, omdat zij door hun lage overhead hier relatief veel tijd aan kwijt zijn. Tegelijkertijd raakt het ook grotere organisaties, die te maken krijgen met verschillende werkwijzen en inkoopafspraken tussen (sub)regio's. In de gevoerde gesprekken komt ook regelmatig de verwondering naar boven dat het product "Multi" voor complexe casuïstiek niet is ingekocht voor de Kempengemeenten. De relatie en wijze van verantwoording worden veelal getypeerd door respondenten als een gevoel van wantrouwen van de gemeenten, bijvoorbeeld door het hoge aantal verantwoordingsgesprekken of de discussies op productniveau. Er is voor verschillende respondenten ruimte voor verbetering in het gebruik van elkaars kennis en expertise, gebaseerd op vertrouwen.

Het gaat over de samenwerking tussen CJG+ en zorgaanbieders, maar ook over de samenwerking met voorliggende voorzieningen. Tegelijkertijd is er zelden discussie tussen CJG+ en maatschappelijke partners wat er inhoudelijk nodig is in een gezin. De discussie gaat nadrukkelijk over de administratieve vertaling van de inhoud naar een product, doorlooptijd en intensiteit. Het gaat bijvoorbeeld over eigenschappen die aan een product zijn gekoppeld, zoals het aantal beschikbare uren. Naast discussie leidt dit volgens een aantal respondenten tot onnodige administratieve lasten, zoals extra gesprekken over de herindicaties. Verder geeft een aantal respondenten aan dat het administratieve proces relatief veel tijd in beslag neemt. Het duurt lang voordat de beschikking binnen is bij de zorgaanbieder. Al die tijd is het niet mogelijk om gewerkte uren te factureren. Sommige zorgaanbieders hebben inmiddels aangegeven niet meer te starten met zorg (uiteraard is dit anders bij een urgente casus) als de beschikking nog niet binnen is. Zorgaanbieders werken vaak voor meerdere regio's, subregio's en gemeenten. Hoe meer verschillen er zijn in werkwijzen, contractafspraken en product(beschrijving)en tussen gemeenten of (sub)regio's, hoe ingewikkelder het is voor zorgaanbieders.

Zorgaanbieders spreken daarom hun nadrukkelijke voorkeur uit om zoveel mogelijk op het niveau van 21voordejeugd te opereren. Dit staat haaks op de recente uitspraak van 10voordejeugd en Samen voor Jeugd dat beide regio's voldoende 'robuust' zijn om als twee inkoopregio's op te treden, zoals te lezen is in de eerste marap/tweede berap 2024.

CJG+ zoekt de samenwerking met vindplaatsen jeugd Het CJG+ probeert zo goed mogelijk aan te sluiten bij de verschillende 'vindplaatsen'jeugd in de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan het onderwijs voor de leeftijdsgroep 4-18 jaar en jeugd- en huisartsen. Veel kinderen worden opgevangen bij de kinderopvang en nog meer kinderen gaan naar school. Bovendien zijn voor veel mensen de GGD en de huisarts een eerste aanspreekpunt bij vragen over opvoeden en opgroeien. Door goed aan te sluiten bij deze vindplaatsen kunnen signalen snel opgepakt worden door professionals van het CJG+ en kunnen kennis en expertise snel uitgewisseld worden. De samenwerking met huisartsen verloopt over het algemeen goed, bemerken respondenten. Het CJG+ heeft al jaren professionals die optreden als contactpersoon voor de huisartsen. De afspraak is dat bij een enkelvoudige vraag de huisarts zelf verwijst, terwijl bij een meervoudige of complexe vraag huisartsen zo veel mogelijk moeten doorverwijzen naar het CJG + . Er loopt op dit moment de pilot "CJG bij de huisarts" waar professionals naar voren zijn geschoven om te ondersteunen bij onder andere de vraagverheldering.

| 25 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Het helpt om bij de huisarts in de praktijk te zitten met een spreekuur. De huisarts krijgt de mogelijkheid om laagdrempelig te sparren met de professional van het CJG+. Voor inwoners is het ook laagdrempeliger, omdat het gesprek direct in de huisartsenpraktijk kan plaatsvinden. Verder zorgt de pilot "Samen Doen" ervoor dat aan iedere school een vast contactpersoon is gekoppeld vanuit het CJG+. Indien nodig kunnen deze contactpersonen individuele gesprekken voeren met leerlingen of optreden als sparringpartner voor leerkrachten en IB'ers. Er is op scholen periodiek een overleg waarin casuïstiek wordt besproken waarbij ook de GGD is aangesloten. Deze koppeling van vaste contactpersonen is er ook met kinderdagverblijven. Samenvattend probeert het CJG+ zoveel mogelijk aanwezig te zijn op vindplaatsen, onder andere om signalen snel op te kunnen pakken en waar nodig kennis en expertise uit te wisselen. De samenwerking verloopt over het algemeen goed, en ook de verbinding met de andere voorliggende voorzieningen is sterk. Het CJG+ maakt zelf onderdeel uit van het voorliggend veld met dienstverlening zoals de training "sterker uit de scheiding".

| 26 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

H7 | Resultaten In dit hoofdstuk beschrijven we de resultaten. In paragraaf 7.1 gaan we in op de beschikbaarheid en kwaliteit van de cijfers rondom cliëntenpopulatie en zorggebruik. Vervolgens gaan we in paragraaf 7.2 in op ontwikkelingen in de uitvoeringskosten. In paragraaf 7.3 komt aan bod in hoeverre de gemeente(raad) op hoogte is van alle cijfers.

Resultaten 6.

7.

8.

In hoeverre heeft de gemeente zicht op de ontwikkeling van de cliëntenpopulatie en het zorggebruik? Hoe is de ontwikkeling van de (gemiddelde) zorgzwaarte en duur van zorg? Hoe verhoudt zich deze ontwikkeling ten opzichte van andere vergelijkbare gemeenten?

^

Hoe zijn het kostenniveau en de kostenontwikkeling ten aanzien van de (uitvoering van de) jeugdzorg en zijn deze vergelijkbaar met gemeenten van vergelijkbare omvang en structuur?

•

Zijn de resultaten van het jeugdbeleid in beeld?

^

• ^

^ ^

^

^ ^

Er zijn overzichten van het aantal cliënten en de afgenomen zorg. De gemeente heeft een prognose van de zorgontwikkeling en behoeften van cliënten. Er is expliciet in kaart gebracht in hoeverre de geformuleerde streefwaarden zijn gerealiseerd.

Er is een overzicht van de uitvoeringskosten beschikbaar. De kosten voor de uitvoering blijven binnen de gestelde kaders van de gemeenteraad. De (uitvoerings)kosten zijn in lijn met andere gemeenten van dezelfde grootteklasse. Samen voor Jeugd rapporteert aan management, college en raad over de inkoop, contracten en betalingen. Er is sprake van eenduidige en structurele monitoringssystematiek die ook informatie kan opleveren voor de raad. Er wordt passende zorg geboden en de tevredenheid hierover wordt gemonitord. Er zijn cliëntervaringsonderzoeken gehouden zoals bepaald is door het Ministerie van VWS.

De belangrijkste bevindingen in dit hoofdstuk zijn: ^ De gemeente Eersel heeft relatief gezien een stabiele cliëntenpopulatie gehad in de periode 2021-2024. ^ Het zorggebruik in de jeugdzorg neemt in relatieve en absolute zin af in de periode 2021-2023 en ligt lager dan in de rest van Nederland en de benchmarkgemeenten Bladel, Reusel-De Mierden en Oirschot. ^ Er is geen eenduidige trend omtrent een toe- of afname van de zorgzwaarte. Wel neemt naar verwachting de doorlooptijd van specialistische zorgtrajecten significant toe. ^ Beschikbare cijfers omtrent cliëntenpopulatie en zorggebruik zijn op dit moment niet optimaal om mee te sturen (voor de raad). ^ De kosten voor de uitvoering stijgen bij de GRSK met 217. ^ De gemeentelijke uitgaven aan jeugd blijven per saldo ongeveer gelijk in 2024-2027. ^ De gemeente heeft qua resultaat (cijfermatig) een aardig beeld, aan het meten van het effect (impact) in de samenleving wordt gewerkt.

| 27 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

^

Er worden jaarlijks cliëntervaringonderzoeken gehouden, maar de resultaten hiervan zijn beperkt bruikbaar, mede door de lage respons. Ook worden de cijfers alleen op het niveau van De Kempengemeenten gegeven, zodat er geen informatie op gemeenteniveau beschikbaar is.

7.1 In hoeverre heeft de gemeente zicht op de ontwikkeling van de cliëntenpopulatie en het zorggebruik? In deze paragraaf gaan we in op de beschikbaarheid en kwaliteit van de cijfers rondom cliëntenpopulatie en zorggebruik. Cijfers omtrent cliëntenpopulatie en zorggebruik, zijn beschikbaar via verschillende bronnen. Ten eerste is er informatie beschikbaar in de maraps en de beraps van de GRSK. De maraps en de beraps bevatten bijlagen die voor de jaren 2021-2025 gedetailleerde informatie geven over bijvoorbeeld: het aantal (unieke) cliënten, het aantal keer dat gebruik is gemaakt van een bepaalde voorziening, het aantal doorverwijzingen, wacht- en doorlooptijden, verlengingen en op- en afschalingen. Ten tweede zijn er de kerngegevens van de P&C-producten. De kerngegevens zijn onder andere gebaseerd op de beleidsindicatoren uit de BBV-basisset en zijn ook te vinden op waarstaatjegemeente.nl. In de begroting 2024 zijn onder het subprogramma Jeugd vijf indicatoren opgenomen. Een voorbeeld van zo'n indicator is het percentage jongeren met jeugdbescherming ten opzichte van alle jongeren tot 18 jaar. Verder is er het Meerjarenbeleidskader Jeugdhulp in de Kempen (MJKB) 2020-2024. In het MJBK wordt middels diverse grafieken de huidige situatie rond jeugdhulp in de Kempen in beeld gebracht.

Voorbeelden hiervan zijn cijfers over het aantal jeugdigen, het percentage van jeugdigen in de Kempen naar type hulpverlening, en de top 10 hulpvragen die binnenkomen bij CJG+. Voor dit onderzoek hebben we tot slot een analyse gemaakt van cijfers die beschikbaar zijn op de website van het CBS. We hebben de gegevens geanalyseerd van 34 vormen van jeugdzorg onder de tab Jeugdzorg vanaf 2021'. We hebben de cijfers over de jeugdzorg van de gemeente Eersel afgezet tegen de eigen gemeente, tegen het landelijk gemiddelde en het gemiddelde van de drie andere Kempengemeenten (Bladel, Oirschot en Reusel-De Mierden).7

De gemeente Eersel heeft een stabiele cliëntenpopulatie in de periode 2021-2023 Als we kijken naar de ontwikkelingen omtrent cliëntenpopulatie, dan valt op dat er sprake is van stabiliteit. Sinds 2021 is bijvoorbeeld het aandeel jeugdigen met jeugdhulp ten opzichte van het totaal aantal jeugdigen in Eersel grotendeels gelijk gebleven: van 10,1Zo in 2021 naar 8,80Zo in 2023. Ook op geen van de 34 geanalyseerde vormen van jeugdzorg nemen de relatieve aantallen in de periode 2021-2023 significant toe of af, met maximaal 20Zo afwijking door de jaren heen (CBS). Tot slot laten gegevens over het CJG+ zien dat het aantal gevolgde trajecten met een positief resultaat op doelrealisatie, grotendeels gelijk is gebleven (tussen de 90Z en 94Z in de periode 2020-2023). In de interviews is gesproken over een afname van de instroom in de jeugdzorg in absolute aantallen. Een mogelijke verklaring die hiervoor wordt gegeven, is het zelfoplossend vermogen van de kleine kernen. Een andere verklaring, op basis van de CBS-cijfers, is dat het aantal jeugdigen in Eersel afneemt. Percentueel gezien verandert het aantal jeugdigen dat jeugdhulp ontvangt ten opzichte van alle jeugdigen nauwelijks, zoals hierboven staat beschreven.

Het zorggebruik in de jeugdzorg neemt in absolute en relatieve zin af in de periode 2021-2023, en ligt lager dan in de rest van Nederland en de benchmarkgemeenten Het aantal jeugdzorgtrajecten neemt af in de periode 2021-2023. Zo is het aantal voorzieningen bij CJG+ in die periode bijvoorbeeld afgenomen van 2.019 naar 1.970 (bijlage 'Basis Jeugd'). Alleen de voorzieningen op jeugdbescherming, jeugdreclassering en maatwerkarrangementen zijn significant toegenomen. Deze cijfers zijn in lijn met de cijfers van het CBS.

7 In de stukken en interviews wordt vermeld dat de regio Samen voor Jeugd momenteel een analyse uitvoert op de trends en ontwikkelingen op productniveau in de regio. Deze analyses zijn echter niet beschikbaar gesteld voor dit rekenkameronderzoek.

| 28 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Als we kijken naar de ontwikkelingen binnen de gemeente Eersel in de periode 2021-2023, dan is er volgens het CBS op alle vormen van jeugdzorg een afname van het gebruik, met uitzondering van 'daghulp op locatie aanbieder' en 'jeugdhulp in het netwerk van de jongere'. In 2021 maakten volgens het CBS 465 jongeren gebruik van jeugdzorg, wat neerkomt op 10,107o van het aantal jongeren. In 2023 maakten 410 jongeren gebruik van jeugdzorg, wat neerkomt op 8,87o van het aantal jongeren. Ook het aantal jeugdzorgtrajecten in natura nam af: 610 in 2021 ten opzichte van 520 in 2023. Als we voor 2021-2023 kijken naar de jeugdzorg in de gemeente Eersel ten opzichte van Nederland, dan zien we dat Eersel het goed doet. Het percentage jeugdigen dat hulp ontvangt ten opzichte van het totaal aantal jeugdigen, ligt in 2023 in Eersel voor alle vormen van jeugdhulp lager dan het landelijk gemiddelde. In 2021 lag het gebruik van jeugdhulp voor sommige vormen van jeugdhulp echter wel licht boven het landelijk gemiddelde, bijvoorbeeld 'Ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder' (1,807o boven landelijk gemiddelde) en 'Gezinsgericht' (0,17 boven landelijk gemiddelde). Als we Eersel vergelijken met de andere drie Kempengemeenten, dan ligt voor Eersel het percentage jongeren met jeugdhulp licht onder het Kempengemiddelde, met uitzondering van 'ambulante jeugdhulp op locatie aanbieder'.

We zien in de tabel echter ook dat voor Eersel de percentages in 2021 veelal hoger liggen dan het Kempengemiddelde. Er zou gesteld kunnen worden dat Eersel ten opzichte van Nederland, evenals de Kempengemeenten, in de jaren 2021-2023 een inhaalslag heeft gemaakt. Tabel 2 Zorggebruik in Eersel ten opzichte van het landelijke gemiddelde en het gemiddelde in de Kempengemeenten: bij percentages in het rood doet Eersel het 'slechter' dan het landelijk gemiddelde en/of het gemiddelde van de Kempengemeenten. De overige percentages betreft een positief of geen verschil. 0Zo jongeren met jeugdzorg Eersel Vormen van jeugdzorg

Jaren

7 jongeren met jeugdzorg Eersel

t.o.v. gemiddelde

t.o.v. landelijk gemiddelde

Kempengemeenten

2021

2022

2023

2021

2022

2023

JZ Totaal jeugdzorg

0,5

2,3

2

-0,4

0,8

0,4

JZ Totaal jeugdzorg in natura

0,5

2,3

2

-0,7

0,6

0,2

JH 1 Totaal jeugdhulp

0,3

2,1

1,9

-0,6

0,5

0,3

JH 11 Jeugdhulp PGB

0,1

0

0,1

0,4

0,3

0,4

JH 12 Totaal jeugdhulp in natura

0,3

2,2

1,9

-0,8

0,4

0,1

JH 121 Totaal jeugdhulp zonder verblijf

0,2

2,1

1,8

-0,7

0,5

0,2

JH 1212 Niet uitgevoerd door wijkteam

-0,8

1,3

1,1

-0,8

0,5

0,3

JH 12121 Ambulante JH op loc. aanbieder

-1,8

0,1

0,1

-1,2

-0,1

-0,1

JH 12122 Daghulp op locatie aanbieder

0,5

0,6

0,5

JH 12123 JH in het netwerk v.d. jongere

1,2

1,3

1,1

JH 122 Totaal jeugdhulp met verblijf

0,3

0,4

0,4

JH 1221 Pleegzorg

0,2

NB

NB

JH 1222 Gezinsgericht

-0,1

-0,1

NB

JH 1223 Gesloten plaatsing

NB

NB

NB

JH 1224 Ander verblijf bij JH-aanbieder

0,1

0,1

0,1

JB 1 Totaal jeugdbescherming

0,4

0,8

0,6

JB 11 Totaal ondertoezichtstelling

0,5

0,7

0,4

JB 111 Ondertoezichtstelling

0,5

NB

0,4

JB 112 Voorlopige ondertoezichtstelling

NB

NB

NB

JB 12 Totaal voogdij

-0,1

NB

NB

JB 121 Voogdij

-0,1

NB

NB

Bron: CBS

| 29 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Er is geen eenduidige trend omtrent een toe- of afname van de zorgzwaarte Kijken we naar de verdeling van cliënten binnen CJG+, dan ontstaat er geen eenduidig beeld over de zorgzwaarte. Zo zien we een sterke afname in het aantal cliënten dat wordt geholpen door team Toegang en door het LOT. Deze teams handelen de wat minder complexe hulpvragen af. Het aantal cliënten dat wordt geholpen door het KTJ neemt iets toe, maar niet significant. We zien daarnaast dat de zorgstapeling in de periode 2020-2023 grotendeels gelijk is gebleven, met een daling in 2021 en daarna weer een stijging in 2022. Het aantal jeugdigen met meer dan één doorverwijzing ligt hierdoor op gemiddeld 157 (tabellenboek Jeugd). Het aantal afschalingen binnen de teams van het CJG+, bijvoorbeeld van het KTJ naar het LOT, nam in de periode 2021-2023 sterk af van 31 naar 6 afschalingen, maar óók de opschalingen van zorg namen af, van 234 in 2021 naar 198 in 2023 (bijlage 'Basis Jeugd'). Tot slot zien we ook in de cijfers van het CBS geen significante toename in de aantallen omtrent zwaardere zorgtrajecten in de periode 2021-2023, zie onderstaande tabel. Het is wel mogelijk dat zorgtrajecten complexer worden, en daardoor als zwaarder worden ervaren door de behandelaars.

Met andere woorden: er is geen significante toename in zorgstapeling of het aantal zwaardere zorgtrajecten, maar de zorgtrajecten worden wel moeilijker. In de interviews wordt bijvoorbeeld gesproken over zorgen over toenemende complexiteit van de problematiek, en of gemeenten hiervoor oplossingen kunnen blijven vinden. Tabel 3

Aantal jongeren met jeugdzorg in Eersel naar vormen van jeugdzorg 2021-2023

Vormen van jeugdzorg

2021

2022

2023

JZ Totaal jeugdzorg

465

395

410

JZ Totaal jeugdzorg in natura

460

390

405

JH 1 Totaal jeugdhulp

465

390

405

JH 11 Jeugdhulp PGB

10

10

10

JH 12 Totaal jeugdhulp in natura

460

385

400

JH 121 Totaal jeugdhulp zonder verblijf

440

370

380

JH 1212 Niet uitgevoerd door wijkteam

440

370

380

JH 12121 Ambulante JH op loc. aanbieder

415

340

345

JH 12122 Daghulp op locatie aanbieder

10

10

15

JH 12123 JH in het netwerk v.d. jongere

45

45

50

JH 122 Totaal jeugdhulp met verblijf

35

25

25

JH 1221 Pleegzorg

15

NB

NB

JH 1222 Gezinsgericht

10

10

NB

JH 1224 Ander verblijf bij JH -aanbieder

15

15

10

JB 1 Totaal jeugdbescherming

30

15

20

JB 11 Totaal ondertoezichtstelling

15

10

15

JB 111 Ondertoezichtstelling

15

NB

15

JB 12 Totaal voogdij

15

NB

NB

JB 121 Voogdij

15

NB

NB

Bron: CBS

De doorlooptijd van specialistische zorgtrajecten loopt op Verder viel het op dat de gemiddelde doorlooptijd van specialistische zorgtrajecten in de periode 2021-2023 niet sterk is opgelopen, namelijk 32 weken in 2021 en 33 weken in 2023. Er wordt echter geprognosticeerd dat de doorlooptijd van specialistische zorg vanaf 2024 en verder significant zal oplopen naar 46 weken in 2024 en zelfs naar 96 weken in 2025. Er staat verder niet helder uitgelegd waar deze grote uitbreiding in doorlooptijd door komt. Het lijkt in ieder geval niet door verlengingen te komen. In 2021 werd nog 567 van de indicaties verlengd, in 2023 nog maar 167 (bijlage 'Basis Jeugd').

| 30 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Beschikbare cijfers omtrent cliëntenpopulatie en zorggebruik zijn niet optimaal om mee te sturen Hoewel er dus wel veel data beschikbaar is, kunnen deze gegevens niet altijd worden gebruikt voor het maken van toekomstig beleid en beslissingen. Een voorbeeld hiervan zijn de cijfers uit het MJBK. Deze cijfers zijn niet uitgesplitst naar gemeente, maar gelden voor de gemeenten Eersel, Reusel-De Mierden, Bladel en Bergeijk. Hetzelfde geldt voor gegevens over het CJG+ uit de bijlagen van de maraps en beraps (zie bijvoorbeeld de bijlage ’Basis Jeugd'). Ten tweede wordt in alle documenten met name vooruit gekeken op basis van het verleden. Zo wordt in de begroting de bijgeraamde bedragen voor jeugdhulp in 2024 één-op-één gekopieerd naar 2025 en verder. Ook in de begrotingen van het MJBK wordt vooruitgekeken op basis van voorgaande jaren. Zo werd de begroting van 2023 aangepast op een daling van zorggebruik in het verleden. Toen deze daling niet werd voortgezet, ontstond een tekort op de begroting voor jeugd. Zoals beschreven in de maraps en beraps: "[...] de daling waarvan sprake was in 2022 ten opzichte van voorgaande jaren, onder andere veroorzaakt door het woonplaatsbeginsel, heeft zich niet voortgezet." Soms wordt overigens wel rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen.

Een voorbeeld hiervan is de aanpassing van de begroting voor jeugdreclassering in het MJBK, omdat de tarieven van de GI's zijn verhoogd. In de maraps en beraps zijn voor de jeugdhulp wel doelstellingen geformuleerd, maar geen streefwaarden. Er worden wel veel gegevens beschikbaar gesteld via bijlagen, bijvoorbeeld in het tabellenboek Jeugd en in bijlage 5 Basis Jeugd. Op deze gegevens wordt in de maraps en beraps uitgebreid gereflecteerd: men probeert trends en ontwikkelingen te herkennen en deze zoveel mogelijk te duiden. Een vastgesteld referentiekader ontbreekt hierbij echter. In de begroting 2024 van de gemeente is onder het subprogramma Jeugd een aantal kerngegevens opgenomen voor de jaren 2021 en 2022, onderverdeeld in indicatoren, gerealiseerde waarden, en normen. De vijf indicatoren zijn onder andere gebaseerd op de beleidsindicatoren uit de BBV-basisset, en de gegevens staan ook op waarstaatjegemeente.nl. Aan alle vijf indicatoren is dezelfde norm gekoppeld, namelijk het gemiddelde van gemeenten tot 25.000 inwoners". Bij veel indicatoren zijn verder geen gerealiseerde waarden ingevuld, maar staat er onder de kop realisatie: 'geen bekende waarde'. De indicatoren zijn daarnaast niet gekoppeld aan doelstellingen.

De kerngegevens uit de begroting zijn dus hoogstens bruikbaar als een soort nulmeting, maar verder niet bruikbaar om te bepalen hoe de gemeente Eersel het doet ten opzichte van voorgaande jaren, of in vergelijking met andere gemeenten, of om te bepalen in hoeverre doelstellingen worden behaald. Tabel 4 Sturingsinformatie over jongeren met jeugdhulp in de begroting 2024 Indicator

Realisatie

Norm

7. Jongeren met jeugdhulp

2022 (tweede halfjaar): Eersel: 9,696. Gemeenten tot 25.000 inwoners: 12,1 “/o.

Norm: « het gemiddelde van gemeenten tot 25.000 inwoners

(verplicht)

96 van alle jongeren tot 18 jaar 2021 Eersel: 12,396. Gemeenten tot 25.000 inwoners 12,296

In het Meeriarenbeleidskader Jeugdhulp in de Kempen 2020-2024 (er wordt inmiddels gewerkt aan een nieuw MJBK) zijn zes actielijnen opgenomen. Per actielijn zijn beoogde resultaten opgenomen, en hieraan zijn prestatie-indicatoren gekoppeld die meerjarig worden gemeten en gemonitord. Ons valt hierbij het volgende op: ^ De beoogde resultaten zijn niet erg SMART geformuleerd. Een voorbeeld hiervan is het beoogd resultaat 'Kinderen en gezinnen worden snel geholpen' (actielijn 1) of'Minder instroom in jeugdbescherming' (actielijn 5). Bij deze beoogde resultaten is niet helder wat dan 'snel' of 'minder' concreet inhoudt, en er is ook geen tijdsperiode genoemd waarbinnen het resultaat bereikt moet worden.

| 31 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

^

^

Geen van de prestatie-indicatoren is ingevuld. Hoewel er wel een aanzienlijk aantal indicatoren is vastgesteld, zijn er in het MJBK geen waarden ingevuld. Dit geldt voor alle jaren in de periode 2020-2024. In het MJBK staat op pagina 15: "Op basis van de geformuleerde indicatoren, wordt jaarlijks aan de raden gerapporteerd over de resultaten van dit beleidskader en de op basis daarvan genomen en te nemen acties." In het MJBK wordt nog niet over de streefwaarden gerapporteerd (daar staan ze immers niet ingevuld). Wellicht dat de benoemde streefwaarden in andere rapportages aan de raden worden gepresenteerd, maar dergelijke rapportages zijn bij BMC niet bekend. De streefwaarden worden nergens tegen afgezet. Naast het feit dat voor de indicatoren geen waarden zijn ingevuld, worden de streefwaarden ook niet ergens tegen afgezet. Er wordt bijvoorbeeld niet gerefereerd aan vergelijkbare gemeenten, of aan een tijdsperiode (bijvoorbeeld tien jaar geleden).

7.2 Hoe zijn het kostenniveau en de kostenontwikkeling ten aanzien van de (uitvoering van de) jeugdzorg? In deze paragraaf gaan we in op de ontwikkelingen in de uitvoeringskosten van de jeugdzorg. We hebben ons daarbij gebaseerd op cijfers uit de maraps en beraps van de GRSK, de begroting 2024 en het MJBK. In de maraps en beraps wordt gerapporteerd op programmaniveau en (grotendeels) op taakveld niveau via de IV-3-indeling. Er wordt voor de periode 2024-2027 gerapporteerd over dertien taakvelden, bijvoorbeeld begeleiding, dagbesteding, pleegzorg en gezinsgericht. In de begroting 2024 van de gemeente wordt onder het Programma ’Maatschappelijke Dienstverlening en Gezondheid' informatie gegeven over uitvoeringskosten in de jeugdzorg. Voor de jaren 2024-2027 staan de baten en lasten beschreven, en ook een toelichting op die cijfers. Daarnaast is er de financiële begroting, waarin een toelichting op de baten en lasten wordt gegeven, alsook een overzicht van geraamde baten en lasten op programmaniveau. In de perspectiefnota 2024 en jaarstukken 2023 rapporteert men overigens op dezelfde manier over de kosten van jeugdzorg als in de begroting 2024. Tot slot het MJBK. In het MJBK staan financiële gegevens opgenomen over de kosten van het leveren van zorg.

Zo staat bijvoorbeeld meerjarig opgenomen wat de gemiddelde kosten per jeugdige zijn, wat de geprognosticeerde uitgaven zijn per kostencategorie, en budgetindicaties van de vijftien grootste zorgaanbieders. De cijfers in het MJBK zijn echter wat verouderd. Zo hebben de cijfers over de kostenontwikkeling per jeugdige bijvoorbeeld nog betrekking op 2015-2018. Tabel 5

Begroting jeugdzorg begeleiding in de maraps Huidige begroting

Voorgestelde begroting

Begrotingswijziging

2024

2025 e.v.

2024

2025 e.v.

2024

2025 e.v.

Bergeijk

430.000

430.000

580.000

580.000

♦150.000

♦150.000

Bladel

445.000

445.000

445.000

445.000

-

Eersel

325.000

325.000

375.000

375.000

♦50.000

♦50.000

Oirschot

565.000

565.000

600.000

600.000

♦35.000

♦35.000

Reusel-De Mierden

340.000

340.000

400.000

400.000

♦60.000

♦60.000

Kempengemeenten

2.105.000

2.105.000

2.400.000

2.400.000

♦295.000

♦295.000

Tabel 32: Begroting jeugdzorg begeleiding

De kosten voor de uitvoering stijgen bij de GRSK met 210Zo Uit de eerste marap 2024 en tweede berap 2023 blijkt dat voor de komende jaren in de vier Kempengemeenten meer geld nodig is voor de gehele jeugdzorg. Voor de gemeente Eersel geldt dat er structureel C 440.000 is toegevoegd aan de begroting vanaf 2025 en verder. Dit komt neer op circa 2170 van de begrote uitvoeringskosten. Voor meer gedetailleerde informatie, zie tabel 5. De grootste mutaties vinden plaats op het taakveld jeugdhulpbehandeling C+ C 105.000) en jeugdhulp met verblijf overig C+ C 160.000). Op Jeugdhulp begeleiding wordt C 50.000 toegevoegd voor 2024 en verder, op Gezinsgericht C 90.000 en op Jeugdbescherming C 35.000.

| 32 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

In de marap wordt een en ander toegelicht over de bijramingen. In het geval van jeugdhulp begeleiding is het aantal cliënten toegenomen, inclusief doorverwijzingen via de huisartsen). Daarnaast geldt bijna voor alle vormen van jeugdzorg een langere behandelduur. In de categorie jeugdhulp begeleiding was volgens de Marap voorheen de 50j08 de meest ingezette zorgvorm. Nu is dat de 50ZLI. De 50ZLI is gemiddeld ongeveer C 90 per maand duurder én het gemiddeld aantal maanden met zorg is per jaar van zeven naar acht gestegen. Voor de bijraming op jeugdhulpbehandeling worden drie redenen genoemd. Ten eerste is het totaal aantal cliënten toegenomen (inclusief doorverwijzingen via de huisartsen). Ten tweede geldt volgens de marap voor bijna alle vormen van jeugdzorg een langere behandelduur. Zowel bij de lichtere zorgvormen als de zwaardere trajecten zien de makers van de marap een toename van het aantal maanden zorg. Tot slot wordt aangenomen dat de zorgzwaarte is toegenomen. Het aantal jeugdigen met jeugdhulpbehandeling is namelijk niet met dezelfde toename gegroeid als de lasten (gecorrigeerd voor de indexatie). Een verklaring voor de toegenomen kosten kan daarom liggen in een toename van de complexiteit van de cliënten die wel zorg krijgen, en de daaruit voortvloeiende toename in het aantal behandelmaanden en zwaarte van de behandeling.

In de categorie 'gezinsgericht' zit met name het verblijf in gezinshuizen. Voor de gemeente Eersel is volgens de Marap sprake van minimaal één cliënt waarvan de beschikking voor een langere periode is afgegeven. Mede hierdoor is het bedrag structureel verhoogd. In de lasten Jeugdhulp met verblijf overig zitten relatief weinig cliënten, maar wel cliënten met intensieve zorg en een verblijfplaats bij een instelling. Voor enkele cliënten komt dit neer op > C 10.000 per cliënt per maand. Op basis van de huidige beschikkingen en mogelijke verlengingen hiervan is de begroting voor de gemeente Eersel structureel aangepast. Tot slot gelden sinds 2023 nieuwe tarieven voor de dienstverlening van de GI's binnen jeugdreclassering en jeugdbescherming. De tarieven jeugdbescherming en jeugdreclassering voor gemeenten komen daardoor gemiddeld 207 hoger uit ten opzichte van 2023. Deze tarievenverhoging heeft de GRSK doorvertaald naar de budgetten. Tabel 6

Mutaties ten opzichte van de begroting 2024 GRSK per vorm van jeugdhulp

Taakveld

Huidig

Mutatie 2024

Mutatie 2025 e.v.

Jeugdhulp begeleiding

325.000

+ 50.000

+ 50.000

Jeugdhulp behandeling

1.000.000

+ 75.000

+ 105.000

Jeugdhulp dagbesteding

30.000

0

0

Jeugdhulp zonder verblijf overig

100.000

0

0

Pleegzorg

100.000

0

0

Gezinsgericht

80.000

+ 90.000

+ 90.000

Jeugdhulp met verblijf overig

225.000

+ 160.000

+ 160.000

Jeugdhulp GGZ/crisis/LTA

60.000

0

0

Gesloten plaatsing

25.000

0

0

Jeugdbescherming

95.000

+ 35.000

+ 35.000

Jeugdreclassering

15.000

+ 25.000

0

Veilig Thuis

114.316

0

0

Bron: eerste marap 2024 en tweede berap 2023

| 33 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

De gemeentelijke uitgaven aan jeugd blijven per saldo ongeveer gelijk in 2024-2027 Onderstaande afbeelding uit de begroting 2024 laat zien dat de gemeente Eersel vanaf 2024 en verder circa C 32.000 meer gaat uitgeven aan de voorzieningen voor jeugd en jongeren, oftewel een stijging van circa 10Zo in de uitgaven. De kosten voor jeugdzorg komen voor 2024 en verder uit op in totaal C 2,3 miljoen, wat neerkomt op 40Zo van de totale gemeentelijke begrote lasten (C 57,8 miljoen in totaal in 2024). De marginale stijging wordt voor het merendeel veroorzaakt doordat er circa C 27.000 extra wordt gealloceerd aan het project STORM (dit is al eerder gemeld in de Voorjaarsnota 2024-2027). De overige afwijkingen betreffen diverse kleine mutaties met een saldo van C 8.933 en hebben onder andere betrekking op indexering van budgetten en extra uitgaven voor belastingen en verzekeringen. Bij de gelijkblijvende begrote uitgaven aan de jeugdzorg, rijst bij BMC dan wel de vraag in hoeverre de gemeente al rekening heeft gehouden met de C 440.000 aan bijraming vanuit de GRSK. Tabel 7 Uitgaven maatschappelijke dienstverlening en gezondheid gemeente Eersel

Programma: Maatschappelijke dienstverlening en gezondheid Productgroep

Rekening

Begroting

Begroting 2024 - 2027

2022

2023

2024

2025

2026

2027

15.858

18.650

19.060

19.160

19.160

19.160

Voorziening jeugd en jongeren

2.481.820

2.266.422

2.298.528

2.298.528

2.298.528

2.298.528

Ouderen, chronisch zieken en gehandi­ capten

5.061.340

5.820.450

5.776.016

5.723.516

5.723.516

5.723.516

Sociaal cultureel werk

1.547.743

837.374

525.396

525.408

525.408

525.408

857.386

992.540

945.348

930.348

930.348

930.348

9.964.147

9.935.436

9.564.348

9.496.960

9.496.960

9.496.960

Ouderen, chronisch zieken en gehandi­ capten

170.621

141.000

193.860

141.360

317.121

310.619

Sociaal cultureel werk

620.507

213.585

97.647

97.647

97.647

97.647

18.759

35.000

0

0

0

0

809.887

389.585

291.507

239.007

414.768

403.266

-9.154.260

-9.545.851

-9.272.841

-9.257.953

-9.082.192

-9.088.694

(bedraqen in ft LASTEN Vrijwilligers

Volksgezondheid

Totaal lasten (excl. kapitaallasten 8. apparaatskosten) BATEN

Volksgezondheid

Totaal baten (excl. beschikking re­ serve i.v.m. kapitaallasten) Saldo (baten - lasten) OVERIGE LASTEN Kapitaallasten

296.437

423.732

366.529

366.529

366.529

366.529

Apparaatskosten

2.596.676

3.239.300

2.682.007

2.682 007

2 682.007

2.682 007

Totaal overige lasten

2.893.113

3.663.032

3.048.536

3.048.536

3.048.536

3.048.536

48.828

0

0

0

0

0

OVERIGE BATEN Beschikking reserve i.v.m. kapitaallas­ ten

Totaal overige baten Saldo programma (baten - lasten)

48.828

0

0

0

0

0

-11.998.545

-13.208.883

-12.321.377

-12.306.489

-12.130.728

-12.137.230

In de interviews wordt weinig gesproken over het betaalbaar houden van de gemeentelijke uitgaven aan jeugdzorg. Het lijkt onder de geïnterviewden dus niet echt een belangrijk of urgent thema. Verder doet Eersel het, zoals hierboven beschreven, op de meeste vormen van jeugdzorg niet significant beter of slechter ten opzichte van het landelijk gemiddelde en het gemiddelde van de Kempengemeenten. In het beperken van de instroom naar en het gebruik van jeugdhulp lijkt dus niet (veel) besparingspotentieel te zitten. Wel kan er mogelijk nog bespaard worden door processen efficiënter in te regelen en de administratieve lasten te minimaliseren. Daarnaast is volgens sommige geïnterviewden het huidige (nationale) systeem op de lange termijn niet meer houdbaar, en volgens hen heeft het Rijk hier een belangrijke verantwoordelijkheid in. Vanuit het Rijk komen naar verwachting in de toekomst extra structurele middelen, doordat de SPUK- en GALA-middelen een structureel karakter gaan krijgen. Op deze middelen zit dan wel weer een korting.

| 34 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Er komt naar verwachting dus structureel meer geld vanuit het Rijk, maar wel minder dan de huidige jaarlijkse SPUK- en GALA-middelen.

7.3 Zijn de resultaten van het jeugdbeleid in beeld? De gemeente heeft qua resultaat (cijfermatig) een aardig beeld, aan het meten van het effect (impact) in de samenleving wordt gewerkt De gemeente heeft veel cijfermatige informatie over de ontwikkelingen in de jeugdhulp, zoals beschreven in de vorige paragrafen. Tegelijkertijd is het (maatschappelijk) effect niet voldoende in beeld. De maraps en beraps beschrijven allerlei taken en activiteiten, maar deze worden niet specifiek gekoppeld aan doelstellingen en indicatoren. Ook wordt er nog weinig vooruitgekeken met geprognosticeerde cijfers. De gemeente Eersel wil bij het herijken van het MJBK een belangrijke stap zetten richting het meten en meetbaar maken van de (maatschappelijke) effecten. Uit de interviews blijkt dat de gemeenteraad van Eersel moeite heeft om een goed beeld te vormen van de resultaten van het jeugdbeleid. Er zijn verschillende punten genoemd. Ten eerste de informatievoorziening: De raadsleden ontvangen informatie die vooral gericht is op cijfers, maar ze missen het verhaal achter deze cijfers. Dit maakt het voor hen moeilijk om echt te begrijpen hoe het ervoor staat met de jeugdzorg. Ook worden de cijfers soms als verouderd ervaren, zoals de cijfers over cliëntervaring die al een jaar oud zijn tegen de tijd dat de raad ze ontvangt . Ten tweede is er beperkte structurele aandacht voor het jeugdbeleid.

De raadsleden merken op dat jeugdzorg relatief weinig aandacht krijgt in de gemeenteraad, en dat het delen van informatie over jeugdzorg niet op een structurele basis plaatsvindt. Hierdoor worden er ook weinig vragen gesteld, of formele instrumenten ingezet rondom dit onderwerp . Tot slot is er behoefte aan werkbezoeken en meer informatie. Er is onder de raadsleden behoefte aan werkbezoeken en meer directe informatie over de jeugdzorg, bijvoorbeeld over de ervaringen met het CJG+. Dit zou hen helpen om een beter gevoel te krijgen bij wat er daadwerkelijk speelt binnen de jeugdzorg

Er worden jaarlijks diëntervaringonderzoeken gehouden, maar de resultaten hiervan zijn beperkt bruikbaar Naast informatie die geënt is op doelen en beleid, kunnen ook cliënten bevraagd worden over hun ervaring en behoefte. Het perspectief van cliënten vormt een belangrijke pijler in de verdere doorontwikkeling van het beleid rondom jeugdhulp. Vanaf 2016 zijn gemeenten ook vanuit de Jeugdwet verplicht om een cliëntervaringsonderzoek uit te (laten) voeren onder de doelgroep Jeugd. De cliëntervaringsonderzoeken voor Eersel, Bladel en Reusel-De Mierden worden gezamenlijk uitgevoerd en weergegeven, dat wil zeggen: in de grafieken staan de totaalscores van de drie Kempengemeenten bij elkaar. Dit maakt het lastig om de tevredenheid op gemeenteniveau vast te stellen. De toegang voor de Kempengemeenten wordt gemiddeld met een 7,1 beoordeeld. De afgelopen jaren is de respons op de vragenlijsten erg laag geweest. De cijfers met betrekking tot cliëntervaring worden daarom voor kennisgeving aangenomen en niet verder gebruikt voor sturing of beleidswijzigingen. Tegelijkertijd wordt er wel gekeken naar cliëntervaring op casusniveau. Over de actieplannen van de gezinnen wordt eens per zes maanden een evaluatie gehouden, waarbij ook de tevredenheid wordt besproken. Deze evaluaties worden niet vastgelegd of op meta-niveau geanalyseerd.

De gemeente is niet de enige partij die cliëntervaring meet. Uit gesprekken met zorgaanbieders blijkt dat veel van hen een cliëntenraad of een groep ervaringsdeskundigen hebben die regelmatig gevraagd wordt om mee te praten over verbetering van de uitvoering. Ook worden er na het afsluiten van een traject vragenlijsten verzonden of evaluatiegesprekken gevoerd met de cliënten. De informatie van de aanbieders gaat vaak niet naar de gemeente.

| 35 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Opvallend is dat meerdere zorgaanbieders specifiek in de interviews hebben aangegeven dat ze het als een gemis ervaren dat de gemeente geen terugkoppeling geeft over diëntervaring en andere tevredenheidsindicatoren in hun sector. Waar ze heel erg geïnteresseerd in zijn, is de vraag ’hoe doen wij het'? Op dit vlak ligt er dus ook een onvervulde behoefte aan de kant van de aanbieders. Naast cliëntervaringsonderzoeken zijn er ook andere indicatoren die inzicht kunnen geven in cliënttevredenheid, zoals de ingediende klachten en bezwaarschriften. Uit de overzichten van de gemeente blijkt dat er over de afgelopen vier jaar geen bezwaarschriften zijn ingediend. Uit dat aantal valt uiteraard geen analyse te maken. Verder blijkt dat er ook maar vier klachten zijn ingediend de afgelopen vier jaar. Het is niet duidelijk of het aantal bezwaarschriften en klachten zo laag is omdat men geen reden ziet om ze in te dienen of omdat men niet weet dat die mogelijkheid bestaat (vooralsnog hebben we geen signalen opgepikt op dit vlak). Dit zou een onderwerp kunnen zijn om op te nemen in een cliëntervaringsonderzoek.

| 36 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

H8 | Evaluatie en verantwoording In dit hoofdstuk beschrijven we op welke manier verantwoording wordt afgelegd en in hoeverre daarover teruggekoppeld wordt aan de raad en op welke wijze. Daarbij gaan we ook in op de vraag of de raad met de huidige informatievoorziening heeft kunnen sturen en ook heeft gestuurd. In dit hoofdstuk worden de volgende deelvragen beantwoord:

Evaluatie en verantwoording 9.

Op welke wijze is de gemeenteraad geïnformeerd en in staat gesteld de uitvoering te controleren of het beleid bij te stellen?

^

^

^ ^

10. Hoe heeft de gemeenteraad invulling gegeven aan zijn taken?

^ ^

De informatievoorziening aan de gemeenteraad is tijdig (er kan nog iets met de informatie worden gedaan). De informatievoorziening aan de gemeenteraad is juist (de informatie kent geen fouten en is betrouwbaar). De informatievoorziening aan de gemeenteraad is volledig. De informatievoorziening aan de gemeenteraad is begrijpelijk (de informatie is geen verzameling van losse data, maar voorzien van analyses en duiding). De informatie wordt op een toepasselijke wijze behandeld (in lijn met de behoefte van de raad). De gemeenteraad heeft gebruikgemaakt van de (geijkte) sturingsinstrumenten om (bij) te sturen.

De belangrijkste bevindingen in dit hoofdstuk zijn: ^ Er is een uitgebreide informatievoorziening vanuit de planning-en-controlcyclus. De voortgang is ondanks alle informatie op dit moment niet goed te volgen voor raadsleden. De raad mist overzicht van het veld en staat ver van de praktijk. Er is voor raadsleden op dit moment geen goed beeld te vormen van de uitvoering en de kwaliteit van de dienstverlening (ze missen het verhaal achter de cijfers). ^ De raad pakt zijn rol als kadersteller en controleur wel, maar voelt zich niet volledig geëquipeerd in die rol. Om goed te kunnen kader stellen en controleren is meer kennis en expertise nodig van het thema, dat niet alleen complex is en meerdere beleidsterreinen raakt, maar ook aan veel verandering onderhevig is door recente ontwikkelingen. ^ Er is geen gebruikgemaakt van de (bij)sturingsinstrumenten de afgelopen jaren; er zijn geen moties, amendementen of raadsvragen ingediend. ^ Er is geen samenwerking of afstemming met andere raden in de regio. Een goede samenwerking biedt kansen om bij regionale trajecten gezamenlijk aan de voorkant betrokken te worden.

8.1 Op welke wijze is de gemeenteraad geïnformeerd? In deze paragraaf wordt beschreven welke informatie wordt gedeeld met de gemeenteraad en in hoeverre er een systematiek is om de gemeenteraad te informeren over ontwikkelingen in de uitvoering van het jeugdbeleid.

| 37 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Er is een uitgebreide informatievoorziening vanuit de planning-en-controlcyclus In de planning-en-controlcyclus legt het college verantwoording af over het gevoerde beleid. Deze agenda bepaalt in hoge mate de inhoud van de verschillende documenten die onderdeel uitmaken van de jaarlijkse begrotingscyclus: de kadernota, de programmabegroting en de jaarstukken. Om te controleren of het beleid zich verder ontwikkelt volgens de principes van de gestelde kaders, heeft de gemeenteraad van Eersel de volgende gegevens tot zijn beschikking: ^ Via de reguliere planning-en-controlcyclus per jaar: voorjaarsnota, begroting, jaarstukken, bestuursrapportage en accountantsverslag. ^ De GRSK levert beraps en maraps aan voor de Kempengemeenten. De gemeente Eersel deelt deze rapportages (eventueel met lokale aanpassingen) met de gemeenteraad. Tevens worden vanuit de GRSK de verplichte cliëntervaringsonderzoeken gedeeld. Verantwoording over de uitvoering van het jeugdbeleid gebeurt in de eerste plaats dus aan de hand van jaarverslagen en de begroting in de planning-en-controlcyclus. In deze documenten is het gewenste maatschappelijke effect (wat wilden we bereiken?) gekoppeld aan de inspanning die de gemeente daarvoor wil uitvoeren (wat hebben we gedaan?). In Eersel wordt in de begroting en jaarrekening gerapporteerd per subdoel.

Hierbij is is het volgende benoemd: Indicator/Norm, Realisatie en Wat gaan we daarvoor doen? Hiermee is in de basis de voortgang (cijfermatig) te volgen. Naast de informatie vanuit de gemeentelijke organisatie, deelt de GRSK ook de nodige informatie via de eerder genoemde maraps en beraps. Hierin wordt kort gerapporteerd op de zes actielijnen (die in hoofdstuk 5 zijn benoemd). De maraps en beraps zijn echter vooral een (kwantitatieve) bron van informatie voor de organisatie en het college, niet zozeer voor de raad. Er wordt uitgebreid gereflecteerd op de resultaten van afgelopen jaren en er wordt enigszins vooruit gekeken, onder andere door middel van een meerjarenbegroting.

De voortgang is ondanks alle informatie op dit moment niet goed te volgen voor raadsleden Vanuit het college worden regelmatig raadsinformatiebrieven verstuurd. Tussen 2020 en juni 2024 heeft de raad elf raadsinformatiebrieven ontvangen over ontwikkelingen op het gebied van jeugdhulp. Deze mededelingen gaan veelal over (regionale) ontwikkelingen in de jeugdzorg, resultaten van de clientervaringsonderzoeken, afspraken met zorgaanbieders, voortgang van de inkoop, et cetera. De vraag *wat hebben we voor de jeugd bereikt en welk effect heeft ons beleid', komt minder aan bod, bemerken raadsleden. Terwijl ze juist naar die antwoorden op zoek zijn. Dit alles maakt het voor de raad lastig om de voortgang te begrijpen. Uit het gesprek met de raad is dan ook naar voren gekomen, dat ze het verduidelijkende gesprek over de cijfers en de analyse hiervan missen, zoals reeds benoemd in paragraaf 7.3. Vanuit de GRSK wordt ieder jaar een raadsinformatiebijeenkomst georganiseerd. Daar worden de laatste cijfers van het jeugdbeleid toegelicht door het management van de uitvoeringsorganisatie in samenwerking met de beleidsmedewerkers jeugd en financiën. Dit is een moment waarop raadsleden vragen kunnen stellen en nadere informatie kunnen opvragen.

Ook sluiten de teammanagers van het CJG+ een keer per jaar aan bij de gemeenteraden *als' ze daarvoor gevraagd worden (wat in Eersel niet het geval is geweest de afgelopen jaren). Hierdoor missen de raadsleden nadere duiding van de cijfers. Om een beter beeld te krijgen van de ervaringen met CJG+ en wat daar mee samenhangt, hebben raadsleden zelf aangegeven dat het waardevol kan zijn om werkbezoeken af te leggen, zodat raadsleden ook meer gevoel krijgen bij wat de verschillende partijen doen en welke thema's er mee samenhangen. Ze zijn met andere woorden op zoek naar het verhaal achter de cijfers. Krijgt het CJG+ gemiddeld een 7,1, dan is het de vraag wat het verhaal is achter de 7,1. Wat gaat er goed en waar zit nog ruimte voor verbetering?

| 38 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

De raad mist overzicht van het veld en staat ver van de praktijk Uit het onderzoek komt naar voren dat de betrokkenheid van de raad groot is. Uit verschillende gesprekken maken we op dat de houding van de raad als constructief wordt ervaren waar het gaat om het kader stellen voor het jeugdbeleid. Het is geen onderwerp waar politiek op wordt bedreven, maar meer een gezamenlijk gevoelde opgave. Toch staat de raad op afstand, waardoor ze ook het gevoel hebben dat de uitvoering er niet goed voor staat. Ook geeft de raad aan dat het thema en het beleidsveld inmiddels zo uitgebreid zijn geworden dat ze het overzicht kwijt raken. Deze zorg heeft onder andere aard in de hoeveelheid aan partijen en initiatieven die zich bezighouden met jeugdhulp. Vanuit verschillende zorgaanbieders en partijen in het voorveld is eveneens aangegeven dat zij het idee hebben dat de raad niet voldoende is ingevoerd in de uitvoeringspraktijk. Opvallend is dat deze (zorg)partijen in de gesprekken ook zelf hebben aangegeven dat zij hierin proactiever kunnen zijn. Dat wil zeggen, door zich voor te stellen in de raad of hen uit te nodigen voor kennismaking of een werkbezoek. Er wordt vanuit de gemeente veel geïnvesteerd in de toegang, preventie en het voorveld. Het is voor gemeenteraadsleden echter een zoektocht waar de grens ligt tussen het voorliggend veld en specialistische jeugdhulp.

Er is een gedeelde overtuiging dat er meer aan de voorkant ingezet moet worden op preventieve voorzieningen, maar het is onduidelijk hoeveel potentieel daar nog ligt (en hoeveel ze al doen). De raad zou graag meer inzicht in de effecten van deze investeringen willen: wat zijn de effecten voor de jeugdigen? Om zo meer inzicht te krijgen, bijvoorbeeld over de relatie tussen overlast van bepaalde jongeren in een wijk en of er voldoende te doen is in deze specifieke wijk. De informatie die op dit moment door het college van burgemeester en wethouders wordt gedeeld, is uitgebreid, bijvoorbeeld over de gemiddelde duur dat jeugdigen op een wachtlijst staan. Toch voldoet de informatievoorziening niet volledig aan de behoefte van raadsleden. Er is voor raadsleden op dit moment geen goed beeld te vormen van de uitvoering en de kwaliteit van de dienstverlening. Overigens benoemen verschillende raadsleden dat informatievragen aan het college over het algemeen goed ingevuld worden. Daarbij is in Eersel door de raad ook opgemerkt dat het huidige cliëntervaringsonderzoek voor hen te weinig informatie bevat omdat de cijfers op regioniveau zijn en niet lokaal.

8.2 Hoe heeft de raad invulling gegeven aan zijn taken? Als het gaat om deze deelvraag, hebben we niet alleen gekeken naar de vraag 'of de raad hiertoe in staat is gesteld', maar ook 'of de raad dat heeft gedaan'.

De raad wil zijn rol als kadersteller en controleur graag pakken, maar voelt zich nog niet geëquipeerd in die rol De raad heeft ondanks grote interesse een beperkte rol vervuld bij de kaderstelling. Het domein is complex en het is lastig om hier grip op te krijgen voor een gemiddeld raadslid. Vanuit het gesprek met raadsleden komt naar voren dat de raad graag beter in positie gebracht wil worden, maar dat ze ook zelf hier een rol in moeten spelen. Als de informatievoorziening als ’niet proactief' wordt ervaren, kan de raad ook zelf vragen om meer en andersoortige informatie. Ook als het gaat om het stellen van kaders, kan de raad die rol zelf beter pakken. Als de raad zelf kaders stelt met scherpe (SMART-)doelen, is het ook makkelijker om in een goede controlerende positie te komen en te blijven. In de interviews is aangegeven dat raadsleden, om goed te kunnen (bij)sturen en controleren in de toekomst, meer kennis en expertise nodig hebben en daarover graag in gesprek gaan met de organisatie, ketenpartners en experts, bijvoorbeeld tijdens informele raadsinformatiebijeenkomsten, werkbezoeken en expertsessies. Hierbij is er vooral behoefte om meer gevoel bij de praktijk te krijgen om zodoende ook meer overzicht te krijgen van het veld.

| 39 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Er is veel gebruikgemaakt van de (bij)sturingsinstrumenten de afgelopen jaren, maar vooral om informatie op te halen Raadsleden hebben diverse instrumenten waarmee ze opdrachten kunnen geven (motie) of wijzigingen kunnen aanbrengen in het ontwerpbesluit (amendement). Uit de documentenstudie komt naar voren dat de raad van Eersel tussen 2020 en juni 2024 op het gebied van jeugdbeleid geen moties en amendementen heeft ingediend. De raad kan naast het indienen van moties en amendementen ook raadsvragen (artikel 41) en zelf initiatiefnota's (artikel 36) opstellen en indienen. Hiervan heeft de raad de afgelopen jaren ook geen gebruikgemaakt. Uit het gesprek met de raad is naar voren gekomen dat zij door - in eigen woorden beperkt informatie ontvangen over jeugdhulp, ook weinig vragen stellen. Deze processen versterken elkaar. Het feit dat jeugdhulp relatief weinig op de agenda staat, leidt er ook toe dat er weinig formele instrumenten worden ingezet. Raadsleden vragen niet 'zomaar' naar de jeugdhulp, doorgaans alleen als dit op de agenda van de gemeenteraad staat.

Er is geen samenwerking of afstemming met andere raden in de regio Waar eerder werd vastgesteld dat het lastig is om als lekenbestuur goed kader te kunnen stellen en controleren op een complex thema als jeugd, kan uiteraard wel worden samengewerkt met andere raden. Bijvoorbeeld bij de inkoop van specialistische jeugdhulp dat regionaal gebeurt, maar het zou ook op subregionaal niveau kunnen binnen de Kempengemeenten. Op dit moment is er geen regionale afstemming tussen de gemeenteraden. Er vindt buiten het jaarlijkse Kempencongres dat georganiseerd wordt door de regio, geen informatieuitwisseling of afstemming plaats tussen de raden. Er wordt dus ook niet gezamenlijk nagedacht over zienswijzen of doelstellingen voor de inkoop van jeugdhulp. Dat lijkt - gezien het feit dat de gemeenten voor dezelfde opgave staan en daarin samen optrekken - een gemiste kans.

| 40 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

H9 | Nawoord De rekenkamer is blij te vernemen dat het college van B&W zich herkent in de conclusies en in de wijze waarop het college opvolging geeft aan de door ons opgenomen aanbevelingen. Het college onderstreept in zijn reactie het belang van domeinoverstijgend werken, zoals tussen jeugdzorg, schuldhulpverlening, onderwijs en Wmo. Dit achten wij een terechte aanvulling op de door ons gedane bevindingen en conclusies die wij als aanbeveling graag overnemen.

| 41 | Rekenkameronderzoek naar jeugdhulp in Eersel

BMC

Bijlage 1 | Normenkader Onderzoeksvraag

Norm

Beleid 1.

Is er sprake van helder geformuleerd

^

De regiovisie en het lokale beleidskader zijn met elkaar verbonden.

en vastgesteld beleid, met duidelijke

^

De thema's vanuit de regionale agenda en visie zijn doorvertaald

doelen en kaders?

naar het lokale beleidsplan. ^

Het beleidskader is vastgesteld en actueel.

^

De beoogde maatschappelijke effecten zijn expliciet benoemd.

•

Relaties met andere beleidsterreinen zijn expliciet benoemd en duidelijk gemaakt.

^

De raad heeft mee kunnen denken en beslissen in het kader van zijn kaderstellende rol.

^

Maatschappelijke instellingen en ketenpartners hebben mee kunnen denken vanuit hun adviseursrol in de totstandkoming van het beleid.

2.

Op welke wijze is dit beleid concreet

^

Het beleid is doorvertaald naar uitvoeringsbeleid en -plannen.

vertaald naar de uitvoering, i.c. naar

^

De doelen zijn benoemd en SMART geformuleerd (of SMT).

werkafspraken, aanbestedingen,

^

Er zijn prognoses van de zorg- en behoefteontwikkeling.

verordeningen, beleidsregels, et

^

cetera?

De gemeente heeft op enige wijze input vanuit cliënten (en hun ouders) meegenomen bij het opstellen van het beleid.

Organisatie en uitvoering 3.

Hoe zijn de jeugdhulp (inclusief de

^

toegang en verwijzing) en preventie georganiseerd?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=5dceeaa7-93b9-4d69-ae47-d3671a740a9c