CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[23.19132] - toelichting juni 2023

Commissievergadering 14 november 2023, gemeente EerselBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan KLG Meerheide ong15.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Navolgende figuur betreft een uitsnede van de integrale visie op de fysieke leefomgeving in de omgeving van het plangebied. Werkgelegenheid als sleutel A67 als economische levensader Goede regionale verbindingen, om samen sluipverkeer aan te pakken (Lokale) bedrijvigheid op Meerheide Potentiële uitbreiding bedrijvigheid Werkgelegenheid Brainportals kans

Figuur 13: Integrale visie op fysieke leefomgeving omgeving plangebied

Het gedeelte van het plangebied waar de uitbreiding van de huidige bedrijfsbestemming plaatsvindt, is in de integrale visie aangeduid als ‘potentiële uitbreiding bedrijvigheid’. De beoogde ontwikkeling is dan ook passend binnen de ‘Omgevingsvisie 2.0’.

4.3.3

Visie buitengebied 2.0

Op 2 november 2021 is de ‘Visie buitengebied 2.0’ vastgesteld. Met de ‘Visie buitengebied 2.0’ zet de gemeente de lijnen uit voor het buitengebied. De visie vormt het startpunt voor een nieuwe koers. Een koers waarbij kwaliteitsverbetering van het buitengebied voorop staat en ruimte is voor maatwerk. Dit betekent dat buiten de kaders gedacht kan worden als plannen bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Het meest westelijke gedeelte van het plangebied is op basis van de ‘Visie buitengebied 2.0’ gelegen in een ‘Dorpsovergangsgebied’. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de zoneringskaart uit de ‘Visie buitengebied 2.0’, ingezoomd op het plangebied, waarbij het gedeelte van het plangebied binnen de zone ‘Dorpsovergangsgebied’ met een gele ovaal is aangeduid.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

27

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

LEGENDA Gebiedsindeling Agrarisch overgangsgebied

Beekdal

Bestaande recreatieve voorzieningen

Bos en natuur

Dorpsovergangsgebi ed

Primair agrarisch gebied

Recreatieve schakeizone

Verkeer

Zorginstelling

Algemeen Plangebied

ondergrond: BGT en BRK (datum: 17-07-2019)

Figuur 14: Uitsnede zoneringskaart uit ‘Visie buitengebied 2.0’

Gronden binnen een ‘Dorpsovergangsgebieď betreffen gronden gelegen rondom woonkernen op de overgang naar het buitengebied, waar vaak al sprake is van functiemenging. Deze gronden maken vaak onderdeel uit van kleinschalige oude ontginningen. De gronden gelegen binnen het plangebied ter plaatse van het ‘Dorpsovergangsgebieď zijn gereserveerd om te worden ingericht als bufferzone en landschappelijke inpassing van de bedrijfslocatie. Een dergelijke inrichting van de gronden is passend binnen een ‘Dorpsovergangsgebieď.

4.3.4

Parapluplan parkeren

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren’ gelegen. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 14 augustus 2018 en geldt aanvullend op vigerende bestemmingsplannen. Dit bestemmingsplan heeft tot doel dat de gemeente Eersel bij nieuwbouwplannen of gewijzigd gebruik eisen kan blijven stellen aan het aantal parkeerplaatsen op basis van het ‘Parkeerbeleidsplan’ van de gemeente Eersel. Het ‘Parkeerbeleidsplan’ maakt als bijlage bij de regels deel uit van het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren’. In het ‘Parkeerbeleidsplan’ is aangegeven dat op bedrijventerreinen het parkeren in principe op particulier terrein dient te worden opgelost. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied rekening gehouden met de volgende aantallen voor parkeren: Soort parkeerplaats

Aantal

auto parkeerplaatsen

292

trailer parkeerplaatsen

92

17 m vrachtwagen parkeerplaatsen

157

Izv vrachtwagen parkeerplaatsen

88

opstel plaatsen melden

10

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

28

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

Initiatiefnemer van onderhavig bestemmingsplan heeft een plan opgesteld voor de realisatie van een (uitbreiding van het oostelijk gelegen) transportbedrijf binnen het plangebied. Het plangebied biedt echter niet voldoende ruimte voor een parkeervoorziening voor personenauto’s van de chauffeurs van het transport- en logistiek bedrijf. Dit vormt de aanleiding voor het opstellen van onderhavig bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan beoogt de volgende aantallen voor parkeren: Soort parkeerplaats

Aantal

auto parkeerplaatsen (130 kort, 287 lang)

417

trailer parkeerplaatsen

58

17 m vrachtwagen parkeerplaatsen

214

Izv vrachtwagen parkeerplaatsen

59

opstel plaatsen melden

3-6

Op basis van het ‘Parapluplan parkeren’ toetst het bevoegd gezag bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en ruimte voor laden en lossen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

29

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.

MILIEUPARAGRAAF

5.1

Geurhinder

Bij besluitvorming omtrent de ontwikkeling van een nieuw geurgevoelig object dient in het kader van het aspect ‘geur’ antwoord gegeven te worden op de vragen: Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object). Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? (belangen veehouderij en derden). De beoogde ontwikkeling heeft echter geen oprichting van een nieuw geurgevoelig object tot gevolg. De beoogde ontwikkeling ziet slechts op de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het aspect geurhinder is dan ook niet relevant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

30

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.2

Gezondheid

5.2.1

Endotoxinen

De intensieve veehouderijen binnen de agrarische sector dragen bij aan de emissies van fijn stof PM10 in Nederland. Dit geëmitteerde fijn stof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Op 7 juli 2016 zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie uit veehouderijen. Uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een advieswaarde van 30 EU/m3 niet wordt overschreden. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een berekeningsmodel opgesteld waarmee de individuele afstandscontour of endotoxine-risicocontour van 30 EU/m3 eenvoudig bepaald kan worden. De Kempengemeenten adviseren bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van een te realiseren kwetsbare object een veehouderij gelegen is, gebruik te maken van de afstandsbepalingen uit de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 2.0’. De beoogde ontwikkeling heeft geen oprichting van een nieuw kwetsbaar object tot gevolg. De beoogde ontwikkeling ziet slechts op de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen.

Het aspect endotoxinen is dan ook niet relevant.

5.2.2

Geitenhouderijen

Mensen die in de nabijheid van een geitenhouderij wonen, hebben meer kans op longontsteking dan gemiddeld. Het gaat om een straal van twee kilometer rondom geitenhouderijen. Een eerdere studie, over de periode 2007-2013, gaf dit verband al aan. Het nieuwste onderzoek naar Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (rapportage VGO 3, september 2018) bevestigt deze bevindingen voor de járen 2014-2016 in het oosten van Noord-Brabant en het noorden van Limburg. Beide onderzoeken zijn uitgevoerd door het Nivel in samenwerking met IRAS/UU, WUR en het RIVM. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. De beoogde ontwikkeling heeft geen oprichting van een nieuw gevoelig object tot gevolg. De beoogde ontwikkeling ziet slechts op de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het aspect endotoxinen is dan ook niet relevant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

31

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Inleiding

Het beleid om tot een goede luchtkwaliteit te komen volgt twee sporen: 1. beperken van de uitstoot van schadelijke stoffen en; 2. voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. De belangrijkste regels over de luchtkwaliteit staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm).

5.3.2

Uitstoot van schadelijke stoffen

De borging van de luchtkwaliteit vindt onder andere plaats middels een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging als de 30Zo grens niet wordt overschreden. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ wordt aangeven op welke manier snel kan worden vastgesteld of de bijdrage van een nieuwbouwproject op de luchtkwaliteit valt onder de term ‘niet in betekenende mate’. De regeling geeft een harde omschrijving van het aantal gevallen. De ontwikkelingen die onderhavig bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet direct onder een categorie uit de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’. Aan de hand van berekeningen moet aangetoond worden dat de bijdrage van de beoogde ontwikkeling NIBM is. Ten behoeve van dergelijke berekeningen heeft het voormalige ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een rekentool ontwikkeld: de NIBM-tool.

Hiermee kan op een eenvoudige en snelle manier bepaald worden of er sprake is van een NIBM bijdrage. In de NIBM-tool dient alleen het extra aantal voertuigbewegingen als gevolg van een ontwikkeling te worden ingevoerd. De beoogde ontwikkeling leidt tot maximaal 96 extra voertuigbewegingen van auto’s per dag ten opzichte van de huidige situatie. In paragraaf 4.3.4 van onderhavige toelichting is dit nader gemotiveerd. Uit de NIBM-tool blijkt dat het plan op basis van deze gegeven onder het begrip ‘niet in betekende mate’ valt en in het kader van de uitstoot van schadelijke stoffen geen bezwaar is. Navolgend is de berekening met de NIBM-tool weergegeven. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit

Jaar van planrealisatie 2020 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 96 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 0,0o7o Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in pg/m3

0,08

PM10 in pg/m3

0,02

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

32

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.3.3

Blootstelling aan verontreiniging

Met wet- en regelgeving wil de overheid zorgen voor een goede luchtkwaliteit en de burgers beschermen tegen de schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn de belangrijkste stoffen in de luchtkwaliteitsregelgeving. Om een voldoende kwaliteit van de buitenlucht in de leefomgeving te waarborgen zijn er grenswaarden en regels voor een aanvaardbare luchtkwaliteit op leefniveau. De beoogde ontwikkeling ziet slechts op de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het aspect blootstelling aan verontreiniging is dan ook niet relevant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

33

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.4

Wegverkeerslawaai

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient getoetst te worden aan de Wet geluidhinder (Wgh). Het hoofddoel van de Wgh is het beschermen van de mens tegen geluidhinder. In de Wgh is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een geluidzone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van een geluidgevoelig object binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. De beoogde ontwikkeling heeft geen oprichting van een nieuw geluidgevoelig object tot gevolg. De beoogde ontwikkeling ziet slechts op de uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen. Het aspect wegverkeerslawaai is dan ook niet relevant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

34

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.5

Bodem

Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers. In het kader van het bestemmingsplan ‘KLG Europe Logistics Meerheide’ (vastgesteld 28 maart 2013) is door SRE Milieudienst een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage betreffende dit onderzoek d.d. 22 september 2008 met rapportnummer 461006 is als separate bijlage bij deze toelichting gevoegd. De conclusie van het betreffende onderzoek luidt dat de resultaten van het onderzoek op basis van de bodemkwaliteit geen beperkingen opleveren ten aanzien van het gebruik van het terrein. Sinds het uitvoeren van het betreffende onderzoek hebben er binnen het plangebied geen activiteiten plaatsgevonden die tot een verontreiniging van de bodem kunnen hebben geleid. Het uitvoeren van een nieuw verkennend bodemonderzoek in het kader van deze bestemmingsplanprocedure is dan ook niet aan de orde.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

35

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Inleiding

Onder externe veiligheid verstaat men het beheersen van risico’s die direct of indirect voortvloeien uit de opslag, de productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risico is daarbij gedefinieerd als ‘de kans op overlijden’ voor personen. De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: risicovolle inrichtingen, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg en het water) en kabels en leidingen. Deze aspecten worden in de navolgende (sub)paragrafen nader toegelicht.

5.6.2

Risico’s

Ten aanzien van risico’s wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die continu op die plaats aanwezig is. De wetgever schrijft voor hoe moet worden omgegaan met de PR 10­ 6/jaar contour. Binnen deze contour heeft iemand die hier continu aanwezig is de kans van 1 op één miljoen om te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen (minimaal 10) overlijdt, als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de '\0Zo letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop niet meer dan '\0Zo van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

5.6.3

Beleidskader

5.6.3.1

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Met het besluit wordt beoogd een wettelijke grondslag te geven aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit bevat eisen voor het PR en regels voor het GR. 5.6.3.2

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het externe veiligheidsbeleid bij buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd is sinds 1 januari 2011 vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In dit besluit is vastgelegd hoe gemeenten moeten omgaan met de externe veiligheid van buisleidingen bij het vaststellen van ruimtelijke besluiten.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

36

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.6.3.3

Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) waarborgt een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Het besluit van 11 november 2013 bevat eisen voor het PR en regels voor het GR.

5.6.4

Beoordeling van plangebied

Onderhavig bestemmingsplan heeft geen oprichting van een (beperkt) kwetsbaar object tot gevolg, maar maakt slechts de aanleg van parkeerplaatsen mogelijk. Het aspect externe veiligheid is dan ook niet relevant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

37

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), geeft richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. In het gemengd gebied is sprake van matige tot sterke functiemenging. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

5.7.2

Beoordeling plangebied

Binnen het plangebied is een transport- en logistiek bedrijf toegestaan. Deze bestemming wordt in westelijke richting vergroot ten behoeve van de realisatie van parkeerplaatsen. Een transport- en logistiek bedrijf valt op grond van de lijst ‘Bedrijven en milieuzonering’ onder de omschrijving ‘Goederenwegvervoerbedrijven (zonder schoonmaken tanks): b.o. > 1000 m2’ (SBI code 494) en valt daarmee in milieucategorie 3.2. Bij een milieucategorie 3.2 dient een richtafstand van 100 meter te worden gehanteerd. Het aspect geluid is hierbij de bepalende afstand. Het dichtstbijzijnde gevoelige object is gelegen op een afstand van circa 200 meter ten opzichte van het uitbreidingsgedeelte van de bedrijfsbestemming. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is derhalve in het kader van bedrijven en milieuzoneringen geen bezwaar.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

38

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.8

Archeologie

5.8.1

Verdrag van Valletta

In 1992 is het Verdrag van Valletta door de landen van de Europese Unie waaronder Nederland ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij realisatie van bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard.

5.8.2

Wet op de archeologische monumentenzorg

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. In de Wamz zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Valletta voor Nederland nader uitgewerkt. Eén van de uitgangspunten van de Wamz is dat op gemeentelijk niveau op verantwoorde wijze wordt omgegaan met het archeologisch erfgoed. De Wamz heeft dan ook een decentraal karakter en heeft gemeenten tot bevoegd gezag gemaakt wat betreft de zorg voor het archeologische bodemarchief binnen hun grondgebied.

5.8.3

Archeologiebeleid gemeente Eersel

De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale erfgoedkaart op te stellen. De erfgoedkaart bestaat uit drie delen: de inventarisatiekaarten, de verwachtingen- en waardenkaarten voor archeologie en cultuurhistorie en de beleidskaarten voor archeologie en cultuurhistorie. Navolgende figuur betreft een uitsnede van de archeologische beleidskaart ter plaatse van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsbestemming.

Archeologisch beleid ■ Categorie 1: Archeologisch monument ■ categorie 2: Gebied van archeologische waarde ICategorie 3: Gebied met hoge verwachting (historische kernen en linten) Categorie 4: Gebied met hoge verwachting Categorie 5: Gebied met middelhoge verwachting Categorie 6: Gebied met lage verwachting DCategorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting □ Esdek □ Mogelijk verstoord □Water

Figuur 15: Uitsnede archeologische beleidskaart

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

39

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

De locatie van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsbestemming is op de archeologische beleidskaart aangeduid als ‘Categorie 4: Gebied met hoge verwachting’. Daarnaast kent de locatie de aanduidingen ‘mogelijke verstoringen’ en ‘esdekken’. Binnen categorie 4 gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot. Om die reden is een archeologisch onderzoek vereist bij bodemingrepen en te bebouwen oppervlakten die groter zijn dan 500 m2 en dieper gaan dan 0,3 m onder maaiveld of 0,5 m onder maaiveld bij esdek en agrarisch bestemde gronden.

5.8.4

Archeologisch onderzoek

In het kader van het bestemmingsplan ‘KLG Europe Logistics Meerheide’ (vastgesteld 28 maart 2013) is in april 2008 en juli 2009 door SRE Milieudienst archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de conclusies van het bureauonderzoek heeft de gemeente Eersel besloten verder onderzoek in de vorm van waarderende boringen, oppervlaktekartering en proefputten/proefsleuven uitgevoerd diende te worden. Het bedrijf dat de opgravingen heeft uitgevoerd betreft ACVU-HBS Amsterdam. De onderzoeksrapportage is van 2010: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Meerheide Zuidrand te Duizel, gemeente Eersel, door Johan van Kampen en Cees Koot met een bijdrage van Rob Paulussen. Er zijn tijdens het vervolgonderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat er zich binnen het gebied sporen bevinden die archeologisch relevant te noemen zijn. De conclusie van het evaluatierapport is dat vervolgonderzoek ter plaatse niet noodzakelijk is.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

40

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.9

Cultuurhistorie

5.9.1

Provinciaal beleid

Het ruimtelijk erfgoed binnen de provincie Noord-Brabant wordt weergegeven op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Het plangebied is op de CHW aangeduid als ‘Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)’ en ‘Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)’. Navolgend wordt op deze aanduidingen ingegaan. Regio (provinciaal cultuurhistorisch belang)

Het plangebied is gelegen in de regio ‘Kempen’. De bewoningsgeschiedenis en de inrichting van de regio ‘Kempen’ zijn in hoge mate bepaald door de natuurlijke terreingesteldheid. De indeling in agrarische gebruikseenheden (akkers, graslanden en woeste gronden) is op veel plaatsen nog goed herkenbaar. Vooral de beekdalen zijn hier en daar buitengewoon goed bewaard gebleven. In combinatie met de dorpen en buurtschappen en de plaatselijk aanwezige kleinschaligheid verleent dit het gebied een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Archeologische landschappen (Provinciaal cultuurhistorisch belang)

Het plangebied is gelegen in archeologisch landschap ‘Kempenland’. Dit landschap omvat een groot deel van het relatief hoog gelegen zandlandschap ten zuidwesten van Eindhoven. Het landschap wordt doorsneden door verschillende beken en zijbeken. In het westen zijn dat de Reusel en de Groote en Kleine Beerze die in noordelijke richting afwateren. In het oostelijke deel liggen de Ekkersrijt, de Gender en de Run, die in noordoostelijke richting uitmonden in het riviertje de Dommel. Tussen de beekdalen liggen verschillende licht glooiende dekzandruggen die (vooral) langs de beekdalen bedekt zijn met uitgebreide complexen van oude bouwlanden. Verder komen reliëfrijkere zones voor met stuifduinen uit de late middeleeuwen. Ter plaatse van het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Het plangebied is momenteel het braakliggend terrein. Als gevolg van de ontwikkeling gaan geen cultuurhistorische waarden verloren.

5.9.2

Gemeentelijk beleid

De vijf Kempengemeenten Bladel, Eersel, Bergeijk, Oirschot en Reusel-De Mierden en anderzijds de vier A2 gemeenten Waalre, Heeze-Leende, Valkenswaard en Cranendonck hebben in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en de Wet ruimtelijke ordening SRE Milieudienst opdracht gegeven een regionale cultuurhistorische beleidskaart op te stellen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

41

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

Categorie 1: Beschermde cultuurhistorische monumenten Categorie 2: Object of gebied niet een zeer hoge cultuurhistorische waarde Categorie 3: Object of gebied niet een hoge cultuurhistorische waarde

Figuur 16: Uitsnede cultuurhistorische beleidskaart

Het plangebied is op de cultuurhistorische beleidskaart aangeduid als ‘Categorie 3: Object of gebied met een hoge cultuurhistorische waarde’. Op basis van de bekende historische gegevens en/of de landschappelijke ligging zoals aangeduid op de gemeentelijke erfgoedkaart, kunnen deze objecten of gebieden gezien worden als belangrijke elementen van de lokale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Op de locatie Meerheide ong. te Eersel is bestemmingsplanmatig reeds een transport- en logistiek bedrijf toegestaan. Dit transport- en logistiek bedrijf is nog niet gerealiseerd. De huidige uitbreiding van de bedrijfsbestemming vindt plaats binnen de grenzen van de totaalontwikkeling van het transport- en logistiekbedrijf zoals deze reeds is toegestaan. De uitbreiding van de bedrijfsbestemming doet dan ook geen afbreuk aan eventuele cultuurhistorische waarden.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

42

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.10

Flora en fauna

5.10.1

Inleiding

Natura 2000 is het Europese netwerk van beschermde natuurgebieden in de Europese Unie. Dit netwerk verbindt bestaande natuurgebieden die vallen onder de Europese Vogelrichtlijn- of de Habitatrichtlijngebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn bedoeld ter bescherming van bedreigde levensgemeenschappen van planten en dieren en bedreigde soorten van planten en dieren en hun leefgebieden. De Vogel- en Habitatrichtlijnen zijn geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving middels de Wet natuurbescherming. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden en vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

5.10.2

Gebiedsbescherming

De Wet natuurbescherming voorziet in specifieke kaders voor gebieden die op grond van internationale verplichtingen moeten worden beschermd, te weten de Natura 2000-gebieden, bedoeld in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Ten aanzien van de gebiedsbescherming is het de bedoeling dat plannen en projecten eenduidig en integraal worden getoetst op hun invloed op de te beschermen natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden betreft een uitloper van het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote Heide à De Plateaux’, gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage van deze berekening d.d. 16 juni 2020 met rapportnummer 220-EMe-lk-v1 is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Navolgend is de conclusie van de berekening weergegeven: “Met behulp van de vigerende Aerius Calculator, is de stikstofdepositie bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden, door de activiteiten op het terrein aan de Meer ong. in Eersel. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de nieuwe situatie in Aerius. Uit de resultaten blijkt dat de toename van de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2020. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het parkeerterrein.

” Het aspect ‘gebiedsbescherming’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.10.3

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming heeft tot doel in het wild levende planten en dieren te beschermen met het oog op de instandhouding van soorten. De verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden in de Wet natuurbescherming zijn uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit de vereisten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern, het Verdrag van Bonn, het Biodiversiteitsverdrag en de Benelux-overeenkomst op het gebied van de jacht en de vogelbescherming. Het gaat daarbij om alle op het Europees grondgebied in het wild levende vogels en voorts om de dieren en planten van de soorten van Europees belang die van nature op het Nederlands grondgebied voorkomen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

43

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft een quickscan flora en fauna plaatsgevonden. De rapportage van dit onderzoek d.d. 20 augustus 2020 met rapportnummer 2005/265/JVB-01 is als bijlage bij onderhavige toelichting gevoegd. Navolgend is de eindconclusie van het onderzoek weergegeven: “In onderstaande punten wordt de eindconclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van

-

vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; -

-

-

-

om een verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten, dienen de voorgenomen bouwwerkzaamheden overdag te worden uitgevoerd; nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; een berekening van de stikstofdepositie is noodzakelijk; een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. ”

Het aspect ‘soortenbescherming’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

44

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.11

Water

5.11.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief binnen de planlocatie inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap De Dommel. Aanvullend op het beleid van het waterschap, heeft de gemeente Eersel beleid opgesteld voor de omgang met stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Navolgend wordt ingegaan op zowel het relevante beleid van het waterschap als het relevante gemeentelijke beleid.

5.11.2

Relevant waterschapsbeleid

5.11.2.1

Keur Waterschap De Dommel 2015

Voor waterhuishoudkundige ingrepen in het plangebied is de ‘Keur waterschap De Dommel 2015’ van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is niet gelegen in een, op basis van de Keur, beschermd gebied. 5.11.2.2

Waterbeheerprogramma 2022-2027

Het Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050). Dit Waterbeheerprogramma is een echte koersverandering van het waterschap. De Dommel is op een andere manier gaan denken over omgaan met water. Dat is nodig om goed in te kunnen spelen op de veranderingen in ons klimaat en in onze omgeving. In 2050 wil De Dommel een leefomgeving die klaar is voor de toekomst en een watersysteem dat daarbij past. Dat laatste wil zeggen; een waterhuishouding die robuust, flexibel en in balans is met de natuur en de omgeving én zorgt voor een goede waterkwaliteit. Het klimaat verandert, daardoor is het watersysteem van Midden-Brabant kwetsbaar geworden. Daarbij speelt mee dat het weer extremer wordt, de vraag naar ruimte toeneemt en er meer (grond)water wordt verbruikt. Bovendien is ons water, ondanks alle inspanningen, nog steeds niet schoon genoeg. Daarnaast zijn er ook andere uitdagingen in de leefomgeving. Denk aan natuurherstel, de energie- en landbouwtransitie en de woningbouwopgave. Het watersysteem speelt een cruciale rol in ál deze uitdagingen. De komende zes jaar maakt het waterschap het verschil door de focus in de aanpak te verleggen. De ambitie en de verandering zijn gericht op: -

van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal;

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

45

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

-

van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; van ‘water afvoeren’ naar ‘elke druppel telt’; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen.

De Dommel wil samen met partners en andere watergebruikers werken aan concrete uitvoeringsplannen, waarin samen gezocht wordt naar nieuwe oplossingen en antwoorden. Het waterschap wil meer water vasthouden in het gebied, dit water benutten voor gebruik in droge periodes én voor de noodzakelijke aanvulling van het grondwater. Ook werkt De Dommel aan een betere waterkwaliteit in ons gebied. Naast de wateropgaven, ziet het waterschap kansen om opgaven in het gebied slim met elkaar te verbinden. 5.11.2.3

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m2, toename van een verhard oppervlak tussen de 500 m2 en 10.000 m2 en projecten met een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2. De ontwikkeling binnen het plangebied heeft een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 tot gevolg. Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met het waterschap bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.

5.11.3

Gemeentelijke beleid

5.11.3.1

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021

Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. In het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (vGRP) beschrijft de gemeente Eersel de beleidsvoornemens en maatregelen voor inzameling, transport en (lokale) verwerking van afval-, hemel- en grondwater in Eersel voor de periode 2016-2021. De algemene voor deze periode zijn: 1. Zorgen voor inzameling stedelijk afvalwater; 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater; 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (voor zover niet verzorgd door particulieren); 4.

Zorgen voor de verwerking van ingezameld hemelwater;

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

46

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5. 6.

Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert; Doelmatig beheer en een goed gebruik van de riolering.

Wat betreft hemelwater is het volgende opgenomen in het vGRP: “Gemeenten zijn verplicht om de zorg voor het hemelwater als onderdeel op te nemen in het vGRP. De ambitie voor het inzamelen en verwerken van hemelwater sluit aan bij de zorgplicht hemelwater, volgens artikel 3.5. van de WatenA/et. Belangrijk vertrekpunt in de wetgeving is dat de zorgplicht in eerste instantie bij de burger ligt. De burger draagt in eerste instantie zorg voor het verwerken van hemelwater op het eigen perceel. Dit kan door hergebruik, infiltreren in de bodem of bergen in bijvoorbeeld een vijver. Wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is, moet de gemeente de zorgplicht overnemen mits dit doelmatig is. ”

5.11.4

Huidige situatie

Onderhavig bestemmingsplan beoogt de oostelijk gelegen bedrijfsbestemming aan Meerheide ong. in westelijke richting uit te breiden met 7.297 m2. Deze uitbreiding vindt plaats op een terrein dat thans bestemd is als ‘Bos’ en onderdeel uitmaakt van de landschappelijke inpassing van de oostelijk gelegen bedrijfsbestemming. De uitbreidingslocatie is thans dan ook onverhard. Op de bodemkaart van Nederland wordt het plangebied getypeerd als een samengesteld bodemtype, bestaande uit veldpodzolgrond en voedselrijke eerdgrond. De bodem bestaat uit lemig fijn zand. De opbouw van de grond bestaat uit een toplaag van 5-25 m dik grof zand en grind (formatie van Sterksel), met daaronder een laag van 10-15 m dik met zand van diverse korrelgrootte en lagen leem, klei of grind. Het plangebied maakt deel uit van het Kempisch Plateau. Deze horst wordt begrensd door de tektonische breuk Feldbiss. Het plangebied is gelegen in een geologisch stijgingsgebied. De GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) is ter plaatse van de uitbreidingslocatie gelegen tussen 80-100 cm-mv. Volgens de grondwaterkaart van TNO is de grondwaterstand in het gebied circa 26 m 4- NAP en stroomt in noordoostelijke richting. De infiltratiesnelheid (k-waarde) van de bodem ter plaatse wordt geschat op 0,5 m/d.

Het betreft een ruime schatting die gebaseerd is op het bodemtype en in het veld vastgestelde k-waarde in de omgeving van de onderzoekslocatie.

5.11.5

Toekomstige situatie

5.11.5.1

Hemelwater

Verhard oppervlak Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de beoogde ontwikkeling toe met 11.532 m2. Dit betreft de uitbreiding van de bedrijfsbestemming ten koste van de huidige bestemming ‘Bos’. Het verhard oppervlak zal bestaan uit een parkeervoorziening voor personenauto’s.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

47

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

Benodigde compensatie De vereiste compensatie kan berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). De benodigde compensatie bedraagt derhalve 692 m3. Hemelwaterinfiltratie Ten westen van de uitbreidingslocatie is reeds een infiltratievoorziening voor hemelwater aanwezig ten behoeve van de reeds bestaande bedrijfsbestemming binnen het plangebied. De capaciteit van deze infiltratievoorziening zal worden vergroot met 692 m3 zodat het hemelwater dat valt op het nieuw verharde oppervlak ook in deze infiltratievoorziening kan worden geïnfiltreerd. Deze uitbreiding zal boven GHG worden gerealiseerd. De bestaande infiltratievoorziening is reeds voorzien van een noodoverloop. De locatie van de bergingsvoorziening is hoger gelegen dan de uitbreidingslocatie. Zorggedragen zal worden voor een correcte afvoer van het hemelwater naar de bergingslocatie. Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen. Het nieuwe verharde oppervlak zal in gebruik worden genomen voor het parkeren van personenauto’s.

Het hemelwater afkomstig van de parkeerplaatsen kan eventueel via een slibvang en olie afscheider geleid worden. Wat het waterschap betreft is dat niet nodig, auto’s zijn tegenwoordig niet meer zo vervuilend als ze geparkeerd staan. Belangrijk is dat de slibvang/olie afscheider alleen met een laag debiet werkt (kleine hoeveelheden). Anders wordt bij een hoosbui het opgebouwde vuil uit de filters naar de berging gespoeld, omdat de filters deze niet kunnen verwerken. Maak daarom een first flush voorziening en leidt grotere hoeveelheden daarna rechtstreeks naar de retentie. Alternatief is het uitvoeren van de parkeervakken in infiltrerende half-verharding zoals grasbetontegels met grind. Dan kan hemelwater rechtstreeks in de bodem zakken. Wanneer de parkeerplaatsen íets dieper dan de toeritten worden gelegd, kan er ook nog water worden geborgen dat niet direct kan infiltreren tijdens hevige buien. Er zal dan tijdelijk water op maaiveld staan maar dat is maar een laagje van een paar centimeter voor een kortere tijd op een moment dat weinig mensen buiten lopen. De bodemgesteldheid (zand) en GHG zijn ter plaatse goed voor deze oplossing en zullen zorgen voor een vlotte infiltratie. 5.11.5.2

Afvalwater

Als gevolg van de herontwikkeling zal geen sprake zijn van een toename van afvalwater.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

48

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

5.12

Besluit milieueffectrapportage

5.12.1

Inleiding

De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een mer moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een mer te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarden dient een mer te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Europese Hof d.d. 15 oktober 2009 en het daarop per 1 april 2011 aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een mer nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarden uit lijst D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit mer dient een vormvrije mer-beoordeling plaats te vinden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit mer in werking getreden. In dit besluit is de vormvrije merbeoordeling voor activiteiten uit lijst D, ook beneden de grenswaarden, vervangen door de merbeoordelingsplicht.

5.12.2

Toets beoogde ontwikkeling

Het realiseren van een parkeerterrein is opgenomen op de lijst D onder 11.2 ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Derhalve is een aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling opgesteld. Op basis van deze aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling kan het bevoegd gezag besluiten of er wel of geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen (en dus of er wel of geen m.e.r.-procedure wordt opgestart).

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

49

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

6.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

6.1

Inleiding

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

6.2

Algemene toelichting verbeelding

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. De analoge verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:5.000. Het plangebied kent de enkelbestemmingen ‘Bedrijf - Transport en logistiek bedrijf’, ‘Bos’ en ‘Groen - Landschappelijke inpassing’.

6.3

Algemene toelichting regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingen); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels);

-

Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels;

-

Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

50

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

6.4

Toelichting bestemmingen

6.4.1

Bedrijf - Transport en logistiek bedrijf

Het plangebied kent grotendeels de bestemming ‘Bedrijf - Transport en logistiek bedrijf’. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor een transport- en logistiek bedrijf (met uitzondering van risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour (PR10-6) die tot over de perceelsgrens reikt) met bijbehorende voorzieningen zoals perceelsontsluitingen, erf- en terreinafscheidingen, verhardingen, parkeervoorzieningen, groen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

6.4.2

Bos

Het westelijk gedeelte van het plangebied kent de bestemming ‘Bos’. De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor bos en bebossing, groenvoorzieningen, paden, erf- en terreinafscheidingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterbergende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding ‘waterberging’.

6.4.3

Groen - Landschappelijke inpassing

Aan de zuidzijde van het plangebied is een strook grond bestemd voor 'Groen - Landschappelijke inpassing'. Deze gronden zijn bestemd voor het aanbrengen en in stand houden van (erf)beplanting ter landschappelijke inpassing van gebouwen, paden, in- en uitgangen, vluchtwegen, erf- en terreinafscheidingen, nutsvoorzieningen, straatmeubilair, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ‘waterberging’.

waaronder waterbergende

voorzieningen

ter

plaatse

van

de

aanduiding

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

51

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. De gemeente Eersel zal middels een overeenkomst in het kader van het bepaalde in de Grexwet alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan zal een heroverweging op deze onderdelen plaatsvinden en kan besloten worden dit bestemmingsplan op een aantal punten gewijzigd vast te stellen.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

52

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

8.

JURIDISCHE VERANTWOORDING

8.1

Procedure

De bestemmingsplanprocedure conform de Wro wordt beschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In de Wro zijn hierop nog enkele wijzigingen beschreven. Samengevat is de bestemmingsplanprocedure als volgt: het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende 6 weken ter inzage; gedurende deze periode kan een ieder schríftelijke of mondelinge zienswijzen naar voren brengen aan de gemeenteraad; -

binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan vast; de vaststelling van het bestemmingsplan dient binnen twee weken na de vaststelling bekend gemaakt te worden behoudens de hieronder genoemde uitzonderingen;

-

-

-

Gedeputeerde Staten of de Inspecteur van VROM hebben een zienswijze ingediend en deze zienswijze is niet of niet volledige door de gemeenteraad meegenomen in het vastgestelde bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan - met uitzondering van het overnemen van de zienswijzen van Gedeputeerde Staten of de inspecteur van VROM wijzigingen aangebracht.

Is één van bovenstaande twee gevallen aan de orde, dan mag het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan pas bekend worden gemaakt nadat zes weken zijn verstreken. Het bestemmingsplan wordt dan voor zes weken ter inzage gelegd waartegen beroep kan worden ingesteld. Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan in werking en wordt het bestemmingsplan onherroepelijk. Wanneer een beroep aanhangig is gemaakt treedt het bestemmingsplan in werking maar wordt (vooralsnog) niet onherroepelijk. Bij het instellen van een voorlopige voorziening kan het bestemmingsplan worden geschorst en treedt dan niet in werking.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1. Bro

8.2.1

Inleiding

Volgens artikel 3.1.1 Bro pleegt het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarover overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen, en diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn met de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Waterschap De Dommel en de provincie Noord-Brabant zullen bestemmingsplan betrokken worden in het vooroverleg.

in

het

kader van

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

53

dit

RENTMEESTERS

Bestemmingsplan ‘Meerheide ong.’ - toelichting

8.3

Inspraak

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

8.4

Omgevingsdialoog

De beoogde ontwikkeling is door initiatiefnemer op 17 oktober 2019 toegelicht aan (een afvaardiging van) Leefbaarheidgroep ‘Zorg om Duizel’, welke de belangen behartigt van de inwoners van Duizel. Door Leefbaarheidgroep ‘Zorg om Duizel’ is op 26 november 2019 schríftelijk aangegeven dat de beoogde ontwikkeling, voor zover zij op dat moment konden beoordelen, weinig tot geen weerstand zal ondervinden vanuit Duizel. De omvang van de ontwikkeling is na 2019 toegenomen. Deze gewijzigde planomvang is eveneens gepresenteerd aan Leefbaarheidgroep ‘Zorg om Duizel’.

8.5

Vooroverleg

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel. De vooroverleg reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

8.6

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan en het verzoek tot herbegrenzing van het stedelijk gebied ‘Meerheide ong.’ heeft van 25 augustus 2022 tot 6 oktober 2022 ter inzage gelegen. Door de provincie NoordBrabant is een zienswijze ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. In deze zienswijze is aangegeven dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is met het provinciale beleid met betrekking tot meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering. Beide aspecten zijn in onderhavige toelichting aangepast. Zo is de omvang van de kwaliteitsverbetering die dit bestemmingsplan levert naar beneden bijgesteld en zal een storting in het gemeentelijke groenfonds worden gedaan. Daarnaast is in onderhavige toelichting het aspect meerwaardecreatie uitgewerkt. Daarmee is tegemoet gekomen aan de zienswijze van de provincie Noord-Brabant.

Vast te stellen Crijns Rentmeesters bv

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=3fe5c501-000c-47f3-b470-e74af7c017cb