CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[23.14536] - Bijlage 1 Programmabegroting 2024-2027, versie 2

Raadsvergadering 31 oktober 2023, gemeente EerselBij agendapunt: Begroting 202444.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

83

2. Weerstandsvermogen en risicobeheersing Wat is weerstandsvermogen en risicobeheersing? Het gemeentelijk weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin we in staat zijn financiële tegenvallers op te vangen. Om dit te kunnen moeten we beschikken over een zekere mate van vrije ruimte binnen de begroting en/of de vermogenspositie. Deze vrije ruimte heet ook wel de weerstandscapaciteit. Het weerstandsvermogen bestaat uit de verhouding tussen: - De weerstandscapaciteit: dit zijn de middelen waarover we beschikken of kunnen beschikken om niet begrote kosten te dekken; - Alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie. Om risico’s goed te kunnen relateren aan de weerstandscapaciteit, benoemen we de risico’s in kwantitatieve grootheden. Niet alle risico’s zijn relevant voor de weerstandscapaciteit. Niet relevant zijn: - Concrete of reguliere risico’s (afdekken middels voorziening of verzekering); - Risico’s lager dan € 25.000,- (vallen onder reguliere bedrijfsvoering); - Zeer zeldzame en grote risico’s met extreme gevolgen, zoals natuurrampen. Leidend in het bepalen van de risico’s is de nota weerstandsvermogen en risicomanagement. Hierin is bepaald dat bij ieder relevant risico naar de volgende punten wordt gekeken: 1. Omschrijving van het risico; 2.

Inschatting van de kans dat een gebeurtenis optreedt. Hierbij wordt aangegeven hoe vaak een risico zich voordoet. De meerjarenbegroting is voor vier jaar gemaakt. De kans kan dus variëren van:  Vierjaarlijks risico (factor 1);  Driejaarlijks risico (factor 1,33);  Tweejaarlijks risico (factor 2);  Jaarlijks risico (factor 4). 3. Uitspraak over hoe het financiële gevolg van een risico is in te schatten: goed, redelijk, slecht of niet. 4. Een inschatting van de mogelijke financiële gevolgen als het risico zich voordoet. Hierbij onderscheiden we een zestal categorieën, namelijk:  Risico’s met een indicatie > € 25.000,- < € 50.000,- (€ 37.500,-)  Risico’s met een indicatie > € 50.000,- < € 250.000,- (€ 150.000,-)  Risico’s met een indicatie > € 250.000,- < € 750.000,- (€ 500.000,-)  Risico’s met een indicatie > € 750.000,- < € 1.250.000,- (€ 1.000.000,-)  Risico’s met een indicatie > € 1.250.000,- (geschat indicatief risico)  Risico’s waarvoor geen indicatie is aan te geven (PM) Tussen haakjes ziet u hoe het financiële gevolg wordt meegenomen in de berekening. Het aangegeven bedrag vermenigvuldigen we met de risicofactor (zie punt 2). 5.

Hoe we met het risico omgaan in termen van vermijden, verminderen, overdragen of accepteren;  Vermijden: beleid waardoor een risico ontstaat wordt beëindigd of op een andere manier vormgegeven;  Verminderen: risico wordt afgedekt met een verzekering, een voorziening of een ander budget in de programmabegroting;  Overdragen: het beleid dat een risico met zich meebrengt, laten uitvoeren door een andere partij, die daarbij ook de financiële risico’s overneemt;  Accepteren: wanneer het risico niet beïnvloedbaar is en niet op een andere wijze wordt afgedekt, dient eventuele financiële schade volledig middels de weerstandscapaciteit afgedekt te worden. 6. Het ‘reële’ financiële gevolg (kans maal geschat financieel gevolg) van de niet-reguliere risico’s. Beleid en beleidsdocumenten De volgende beleidsuitgangspunten gelden: - Om risico’s en tegenvallers op te vangen, hebben we een buffer nodig. Anders is de kans groot dat dekkingsmiddelen wegvallen. Het is voor een gezond financieel beleid noodzakelijk dat we een minimale omvang voor de algemene reserve vaststellen; - Om de algemene reserve te verruimen, voegen we op te heffen reserves en voorzieningen hieraan toe; 84

-

Om onvoorziene risico’s met betrekking tot de bouwgrondexploitatie op te vangen hebben we een afzonderlijke buffer nodig. Daarom is het voor een gezond financieel beleid noodzakelijk dat we een minimale omvang voor de algemene reserve bouwgrondexploitatie bepalen.

Conform de vastgestelde beleidsnota Reserves en voorzieningen dient de gemeente om onvoorziene risico’s met betrekking tot de grondexploitatie op te vangen een afzonderlijke buffer te hebben. De hoogte van deze reserve wordt jaarlijks beoordeeld en eventueel aangepast bij de begroting en jaarrekening (paragraaf grondbeleid). De minimale omvang van de buffer wordt jaarlijks opnieuw berekend waarbij er een minimale omvang van € 2,5 miljoen wordt gehanteerd conform de grondnota. In paragraaf 7 grondbeleid staat een verdere toelichting/onderbouwing. Weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit is de verzamelterm van alle bronnen waaruit we niet voorziene financiële tegenvallers bekostigen. Het gaat om buffers in de exploitatie of het eigen vermogen, die we vrijmaken om niet begrote kosten te dekken, zonder dat we de programmabegroting en het beleid aan hoeven te passen.

Bij de exploitatie gaat het om de volgende posten: - De stelpost onvoorzien - Saldo van de jaarschijven Bij de vermogenspositie (de balans) zijn de volgende zaken van belang: - De omvang van de algemene reserve - De omvang van de bestemmingsreserves zonder beslaglegging Exploitatie (bedragen in €) Stelpost voor onvoorzien Saldo jaarschijf Weerstandcapaciteit in exploitatiesfeer Vermogen Stand reserves per Algemene reserve zonder beslaglegging Bestemmingsreserves zonder beslaglegging* Weerstandscapaciteit in vermogenssfeer

2024

2025

2026

2027

10.000 120.417

10.000 -391.357

10.000 -3.914.293

10.000 -4.342.649

130.417

-381.357

-3.904.293

-4.332.649

1-1-2024

31-12-2024

31-12-2025

31-12-2026

31-12-2027

12.201.769

4.850.555

4.639.498

4.459.697

4.190.044

1.956.329

1.956.329

1.956.329

1.956.329

1.956.329

14.158.098

6.937.301

6.214.470

2.511.733

1.813.724

*Op grond van de Financiële verordening gemeente Eersel 2021 (artikel 15 lid 2d) kan de raad besluiten om ook eventuele bestemmingsreserves mee te nemen bij het bepalen van het weerstandsvermogen indien benodigd. Op basis hiervan wordt evenals voorgaande jaren de bestemmingsreserve sociaal domein, waarop geen concreet beslag is gelegd, ook meegenomen in de beoordeling.

85

Risicobeheersing In onderstaande tabel staan risico’s. De risico’s zijn vertaald in de mate van inschatbaarheid, beheersing risico en ‘reëel’ financieel gevolg (= kans x financieel gevolg). Het totaal resulteert in een totaal benodigde weerstandscapaciteit. Welke we vervolgens gebruiken voor de berekening van de ratio weerstandsvermogen. Risico

Geschat Mate van financieel inschatbaar gevolg bij Beheersing Kans heid voordoen risico

(bedragen in €) Het eigen beleid: Prijsstijgingen

Reëel financieel gevolg

4

Slecht

100.000 Accepteren

400.000

Het beleid van hogere overheden: WMO Jeugdhulp Bijzondere bijstand WW-verplichting Onderwijshuisvesting Verontreinigde grond

4 4 4 1 4 2

Redelijk Slecht Redelijk Slecht Redelijk Slecht

37.500 150.000 25.000 100.000 100.000 150.000

Accepteren Accepteren Accepteren Accepteren Accepteren Accepteren

150.000 600.000 100.000 100.000 400.000 300.000

Samenwerking met andere gemeenten of instanties: Verbonden partijen Gemeentelijke overeenkomsten Informatiebeveiliging

4 1 1

Slecht Slecht Slecht

150.000 Accepteren 150.000 Accepteren 150.000 Accepteren

600.000 150.000 150.000

Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen: Algemene uitkering

4

Slecht

100.000 Accepteren

400.000

Totaal benodigde weerstandscapaciteit

3.350.000

Conclusie De ratio weerstandsvermogen is berekend door de beschikbare weerstandscapaciteit per jaar te delen door de benodigde weerstandscapaciteit (€ 3.350.000,-). Onderstaande ratio’s voldoen meerjarig niet meer aan de gestelde norm qua weerstandsvermogen zoals is vastgelegd in de Financiële Verordening (we streven naar een ratio tussen 1 en 2). De ratio loopt meerjarig af doordat de beslaglegging op de algemene reserve voor kredieten toeneemt conform het meerjarig investeringsprogramma en doordat het exploitatiesaldo vanaf 2026 fors negatief is. De komende jaren moet gewerkt worden aan het verbeteren van het weerstandsvermogen door het negatieve exploitatiesaldo om te buigen naar een positief saldo. 2024 Ratio weerstandsvermogen

2025

2,07

1,86

2026 0,75

2027 0,54

Risico’s voortvloeiend uit eigen beleid Prijsstijgingen Bij de uitgangspunten van de begroting is aangegeven dat rekening wordt gehouden met een prijsstijging van 6%. In hoeverre deze inschatting toereikend is zal blijken in de loop van het jaar. Vooralsnog wordt rekening gehouden met een jaarlijks risico van € 100.000,-.

86

Risico’s voortvloeiend uit het beleid van hogere overheden Wet maatschappelijke ondersteuning Voor alle Wmo maatwerkvoorzieningen geldt dat sprake is van een open-eind regeling. De hoogte van de uitgaven is afhankelijk van het aantal Wmo-voorzieningen dat uiteindelijk wordt ingezet en is dus lastig te ramen. Sinds 2019 zien we een stijging van de inzet van Wmo-voorzieningen. Deze stijging zien we met name voor hulp bij het huishouden en begeleiding, vooral ook veroorzaakt door de introductie van het abonnementstarief per 1 januari 2019. Eind 2021 hebben de landelijke regerende partijen in het regeerakkoord aangegeven te willen toewerken naar een eerlijkere eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden met landelijke normen. Inmiddels wil het rijk naar een inkomensafhankelijk bijdrage voor alle Wmo voorzieningen. Verwacht wordt dat deze bijdrage per 1 januari 2026 wordt ingevoerd. Vooralsnog wordt rekening gehouden met een jaarlijks risico van € 37.500,-. Jeugd Landelijk is uitgesproken dat de budgetten vanuit het Rijk structureel te laag zijn. Om die reden zijn de rijksmiddelen verhoogd. Tevens houdt het rijk hierbij rekening dat deze verhoging deels tijdelijk is, dit in relatie tot de hervormingsagenda Jeugd, waarin diverse maatregelen zijn opgenomen om de jeugdzorgkosten te verlagen.

In de uitvoering zijn grote verschillen tussen de verschillende gemeenten in de Kempen als het gaat om het beroep dat op jeugdhulp wordt gedaan. Zowel het aantal cliënten als het soort jeugdhulp dat zij ontvangen is daar debet aan. Voor jeugd geldt overigens, net als bij de Wmo taken, dat sprake is van een open-eind regeling. Voor jeugd geldt bijkomend dat de gemeente niet de enige verwijzer is. Huisartsen kunnen bijvoorbeeld ook verwijzen naar specialistische jeugdhulp; hierop heeft de gemeente geen directe invloed. Voor de specialistische jeugdzorg zijn we als gemeente afhankelijk van enkele essentiële zorgbedrijven. Indien deze bedrijven in de financiële problemen komen, raakt dit direct de gemeente als afnemer. Deze kwetsbaarheid is derhalve een risico. Vooralsnog wordt rekening gehouden met een jaarlijks risico van € 150.000,-. Afbouw Wet sociale werkvoorziening (Wsw) op aantallen en prijs Vanaf 1 januari 2015 is de instroom van de Wsw stopgezet. De toekenning van het Wsw-deel van de integratie uitkering is gebaseerd op een geschatte daling van het aantal arbeidsplaatsen per gemeente. Of deze daling daadwerkelijk plaatsvindt, is mede afhankelijk van persoonlijke omstandigheden. Daarboven komt nog de verlaging van de fictieve vergoeding per arbeidsjaar.

De exacte bedragen worden jaarlijks in de meicirculaire bekend gemaakt en zijn afhankelijk van de feitelijke, landelijke, uitstroom. Zie ook paragraaf verbonden partijen Kempenplus waar ook enkele risico's zijn benoemd. Vooralsnog wordt dit risico financieel als nihil verwerkt. Bijzondere bijstand Door het toegenomen aantal statushouders die op basis van de taakstelling dient te worden gehuisvest nemen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten aanzienlijk toe. Gelet op de huidige toestroom aan vluchtelingen onder andere vanuit Afghanistan en Oekraïne kan dit aantal mogelijk nog verder toenemen, waardoor het aantal aanvragen voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten nog verder zal stijgen. Ook wordt een stijging verwacht van het aantal aanvragen bijzondere bijstand en minimaregelingen als gevolg van de koopkrachtdaling en inflatie. Daarnaast bestaat er tevens een aanzienlijke kans dat de inflatie effect zal hebben op de hoogte van de bijdragen in het kader van de bijzondere bijstand en minimaregelingen. Rekening houdende met gedeeltelijke compensatie door het rijk wordt vooralsnog dit risico ingeschat op € 25.000,- per jaar. WW-verplichtingen De gemeente is als werkgever verplicht om, conform artikel 10.16 van de CAO, maandelijks 0,1% premie “Reparatie uitkering derde WW-jaar” in te houden op het salaris van alle medewerkers.

Dit betekent vervolgens dat de gemeente risicodrager is voor het derde WW-jaar en de gemeente dus mogelijk vanuit het UWV wordt aangesproken op deze WW-verplichting. De eventuele financiële consequenties zijn niet in te schatten. Vooralsnog wordt dit als een vierjaarlijks risico ingeschat voor € 100.000,-. Onderwijshuisvesting In 2022 zijn we gestart met de actualisering van het Integraal Huisvestingsplan (IHP) Onderwijs. In het nieuwe IHP komen alle scholen aan bod en wordt inzichtelijk gemaakt wat er met welke school moet gebeuren en op welke termijn. In het vorige IHP zijn verschillende huisvestingsvraagstukken niet financieel vertaald, omdat er nog veel onduidelijkheid was over renovatie. Beoogde streefdatum voor de inwerkingtreding van de wetswijziging aangaande onderwijshuisvesting is 1 januari 2025. Eén van de beoogde wetswijzigingen is dat het begrip renovatie wordt toegevoegd aan de voorzieningen in de huisvesting waar de 87

gemeente voor verantwoordelijk is. In de lijn van deze beoogde wetswijziging zal het nieuwe IHP opgesteld worden. Met het nieuwe IHP gaan we inzichtelijk maken wat de financiële verplichtingen voor nu en de komende jaren zullen zijn. In het eerste kwartaal 2024 hopen we het geactualiseerde Integraal Huisvestingplan (IHP) Onderwijs ter besluitvorming voor te leggen. Vooruitlopend daarop is de jaarlijkse storting in de bestemmingsreserve met € 700.000,- verhoogd. Pas bij het vaststellen van het IHP wordt het definitieve bedrag bepaald. De keuzes die dan gemaakt worden, hebben invloed op het bedrag. Vooralsnog wordt dit jaarlijks risico ingeschat € 100.000,- per jaar. Verontreinigde grond In Zuidoost-Brabant is de kans op bodemverontreiniging in de openbare ruimte groot. In het verleden zijn in deze regio vaak zinkassen gebruikt als funderingsmateriaal voor wegen. Naast financiële risico’s voor het (mogen) bewerken, verwerken, opslag en afvoer van vervuilde grond zijn er ook risico’s op het gebied van ARBO. Het laatste is redelijkerwijze beheersbaar door het (laten) uitvoeren van onderzoeken, het op de juiste manier beschrijven in de uitvoeringsbestekken en het verzorgen van toezicht hierop. Uiteindelijk is de gemeente als opdrachtgever altijd eindverantwoordelijk voor de (financiele) gevolgen van werken met verontreinigde grond. De risico’s zijn beperkt.

De in de regio werkzame aannemers zijn goed op de hoogte van de regelgeving. In de projectramingen voor het MIP zijn de bodemonderzoeken opgenomen in de voorbereidingskosten. Over de afgelopen jaren zijn deze kosten flink toegenomen. Kosten voor eventuele sanering proberen we op voorhand in te schatten met de bodemkwaliteitskaart en bodemonderzoeken. Zo nodig nemen we extra saneringskosten op in de projectraming. Het is echter altijd mogelijk dat verontreinigingen bij de steekproeven niet worden aangetroffen. Dit veroorzaakt dan overschrijdingen op het project. Deze zijn dan per definitie fors. Vooralsnog wordt dit risico financieel ingeschat voor € 150.000 om de twee jaren. Omgevingswet Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De inhoud van de wet is niet concreet, het is een kaderwet die uitgewerkt is in algemene maatregelen van bestuur en uitwerkingsregelingen. De afgelopen jaren zijn de algemene maatregelen van bestuur en de uitwerkingsregelingen uitgewerkt. De inhoud en strekking van een wet wordt vaak pas duidelijk op het moment dat daadwerkelijk met een wet gewerkt wordt. Voor een deel is in de financiering voorzien via het krediet “Herziening ruimtelijke plannen”, het gaat hier met name om een aantal procedurele elementen en het opstellen van Omgevingswet-instrumenten.

De invoering van de Omgevingswet heeft naast een verandering van de instrumenten ook gevolgen voor de cultuur en de informatievoorziening. De verandering op het gebied van cultuur zijn: - van nee tenzij, naar ja mits; - van toets vooraf, naar handhaven achteraf; - van zorgplicht bij overheid naar zorgplicht bij iedereen; - van inspraak en bezwaar naar brede participatie. Voor een cultuuromslag zal ook de nodige weerstand overwonnen moeten worden. Maar de organisatie van de gemeente Eersel is al langer bezig met een omschakeling van nee tenzij, naar ja mits en naar integraal werken. De cultuuromslag die gevraagd wordt voor de Omgevingswet past in de algehele verandering van de rol van de overheid van regelaar naar partner. Een belangrijk deel van de Omgevingswet is de informatievoorziening. In 2021 is de aanbesteding van de software afgerond. In 2022 is verder gewerkt aan de implementatie van de software. Met het verminderen van legesinkomsten als gevolg van de Omgevingswet is in de begroting rekening gehouden. Vooralsnog wordt dit risico financieel als nihil verwerkt. Stikstofproblematiek De provincie Noord-Brabant heeft onlangs besloten om de vergunningverlening voor aanvragen met stikstofeffecten op Natura 2000 gebieden voorlopig stil te leggen.

De reden hiervoor is dat de uitgevoerde natuurdoelanalyses van de Natura 2000 gebieden in Noord-Brabant een verslechterd beeld laten zien van de natuur. Mogelijk hebben bovenstaande maatregelen effect op (bouw-)ontwikkelingen binnen de gemeente Eersel. De financiële consequenties zijn lastig in te schatten. Vooralsnog wordt dit risico financieel als nihil verwerkt.

88

Risico’s voortvloeiend uit samenwerking met andere gemeenten en instanties Verbonden partijen We kunnen worden geconfronteerd met financiële tegenvallers van verbonden partijen waarin we onszelf verplichten bij te dragen in eventuele nadelige saldi. Hierop hebben we niet altijd directe invloed. Indien in de loop van een jaar een nadelig saldo ontstaat, leggen we hiervoor separate voorstellen voor aan de raad. Een onderdeel van de verbonden partijen zijn de gemeenschappelijke regelingen. Ons uitgangspunt is dat de gemeenschappelijke regelingen in eerste instantie zelf moeten zorgdragen voor dekking. Ten aanzien van de begroting gaan we zoveel mogelijk uit van de loon- en prijsstijgingen zoals de deelnemende gemeenten deze zelf ook hanteren. Naast dit algemene risico ten aanzien van verbonden partijen, kunnen er ook specifieke risico’s ten aanzien van één partij zijn. Vooralsnog wordt dit risico financieel jaarlijks ingeschat voor € 150.000,- . Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe) De gemeente kan haar digitale archiefbescheiden, zoals de gedigitaliseerde bouwvergunningen, opnemen in het DDO (Duurzame Digitale Opslagvoorziening) van het RHCe, waarbij de archiefbescheiden digitaal overgebracht worden naar de archiefbewaarplaats. De kosten voor opname van archiefbescheiden in het DDO vallen onder de begroting van het RHCe.

Indien de totale omvang van het DDO substantieel toeneemt gaan de kosten doorberekend worden aan de gemeenten, in navolging van de constructie voor het analoog archief. Het is nog onduidelijk wanneer het RHCe deze doorbelasting invoert en wat de financiële consequenties, afhankelijk van de omvang van de opgenomen digitale archiefbescheiden, zijn voor de gemeente. De gemeente dient tevens rekening te houden met extra kosten voor de eigen informatiesystemen, om opname van informatie vanuit de eigen systemen in het DDO mogelijk te maken. De financiële consequenties hiervan zijn nog niet in te schatten. In 2023 zijn voor het eerst digitale archiefbescheiden van de gemeente Eersel opgenomen in het DDO van het RHCe. Gemeentelijke (privaatrechtelijke) overeenkomsten De gemeente Eersel gaat diverse (privaatrechtelijke) overeenkomsten aan. Er kunnen zich in de uitvoering hiervan situaties voordoen waardoor een risico ontstaat op niet (volledige) nakoming van deze overeenkomsten door partijen. Vooralsnog wordt dit risico ingeschat voor € 150.000,- eens in de vier jaren. Informatiebeveiliging en privacy De gemeente verwerkt en beheert voor de uitvoering van haar taken informatie en persoonsgegevens. Informatie moet beschikbaar en betrouwbaar zijn. Daarnaast mogen informatie en persoonsgegevens alleen voor bevoegden inzichtelijk zijn.

Door het nemen van passende beveiligingsmaatregelen verlagen we het risico op beveiligingsincidenten en beperken we mogelijke negatieve impact van dergelijke incidenten op privacy en de gemeentelijke informatievoorziening, in de vorm van imago en/of financiële schade. De hoogte van de eventuele financiële consequenties is op voorhand niet in te schatten. De gemeente en de GRSK werken op het gebied van digitale veiligheid integraal samen om beveiligingsrisico’s te verlagen. Er worden technische maatregelen genomen om dreigingen te monitoren en in geval van een calamiteit snel de juiste expertise in te kunnen schakelen. Daarnaast is er aandacht voor de organisatorische kant van informatiebeveiliging en privacy, waarbij we maatregelen vanuit de BIO (Baseline Informatiebeveiliging Overheid) en de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) uitwerken in beleid, procedures en werkafspraken. Daarnaast is er veel aandacht voor het vergroten van bewustzijn en kennis voor informatiebeveiliging en privacy. Vooralsnog wordt dit risico ingeschat voor € 150.000,- eens in de vier jaren. Overdracht bodemtaken Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 vindt ook de overdracht van bodemtaken plaats en treedt er een verschuiving op van de bevoegd gezag taken van de provincie naar de gemeente.

Uitvoering van de bodemtaken zijn door de provincie nu belegd bij de omgevingsdienst (ODZOB). Een belangrijk deel van de overdracht van bodemtaken valt onder het basistakenpakket van de omgevingsdienst en moeten wettelijk verplicht door de ODZOB worden uitgevoerd. Voor de bodemtaken die niet onder het basistakenpakket vallen, de zogenaamde verzoektaken, is de gemeente vrij in het kiezen van een opdrachtnemer. Met de overdracht van de bodemtaken naar de gemeente wordt bijbehorende financiering geregeld, naar verwachting via een uitkering in het gemeentefonds. Ondanks herhaalde verzoeken (door provincie/ODZOB/VNG) is nog niets bekend over de hoogte van de uitkering voor de extra taken. In de kadernota en ontwerpbegroting 2024 van de ODZOB, wordt al rekening gehouden met de verschuiving van taken en kosten per 1-1-2024. Financiering van de uitvoering van de basistaken op gebied van bodem voor de gemeenten verloopt vanaf 2024 rechtstreeks via de werkprogramma’s van de ODZOB.

89

Op basis van de taakuitvoering door de ODZOB in opdracht van de provincie is voor de gemeente voor het jaar 2024 een inschatting gemaakt van de extra kosten die de overdracht van de bodemtaken met zich meebrengt. Het gaat om een grove inschatting die is gebaseerd op taken en bijbehorende kosten die voor de individuele gemeente in eerdere jaren zijn gemaakt. Voor de gemeente Eersel gaat het om een bedrag van jaarlijks € 10.000,-. De exacte hoogte van het benodigde bedrag wordt bepaald door de feitelijke uitvoering van taken door de ODZOB. Als er in een jaar veel ontwikkelingen zijn op gebied van bodem (o.a. melding grondtransporten, bodemsaneringen, advisering bodemonderzoeken) is te verwachten dat de kosten hoger zullen uitvallen dan in jaren waarin minder activiteiten op gebied van bodem plaatsvinden. Omdat qua uitvoering en in financieel opzicht er nog veel onduidelijk bestaat, wordt voorgesteld om de overdracht van bodemtaken onderdeel van de risicoparagraaf te laten uitmaken. Op een later moment wordt de raad besluitvorming over de bodemtaken voorgelegd. Verwerkingsovereenkomst restafval Attero Inmiddels heeft de rechter besloten dat de gemeente aansprakelijk is. De vraag is hoe de naheffing wordt verdeeld over de gemeenten. Gemeente Eersel heeft in de jaarrekening 2022 een voorziening getroffen voor deze naheffing.

Gelet op onduidelijkheid over de berekening van deze naheffing is er nog sprake van een risico. Vooralsnog wordt dit risico financieel als nihil verwerkt. Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen Ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds De laatste jaren was er diverse malen onzekerheid over de hoogte van het accres, echter door afschaffing van de systematiek van "samen trap op trap af” is een belangrijke fluctuatie hiermee weggenomen. Daarentegen zijn er nog diverse zaken waar onzekerheid over is en derhalve een risico vormen. Een tweetal risico's worden hieronder weergegeven. Herijking Het nieuwe verdeelstelsel is inmiddels ingevoerd per 1 januari 2023. Het laatst berekende effect voor de gemeente Eersel bedraagt op dit moment € 63,- nadelig per inwoner. Het is nog de vraag of het rijk tot het maximale nadeel van € 37,50 per inwoner blijft herverdelen. Om die reden is er vanaf 2026 nog een stelpost aanwezig die € 15,- per inwoner kan opvangen. Mocht de suppletie-uitkering volledig worden afgebouwd, dan resteert er nog een nadeel van € 10,50 per inwoner welke op dit moment nog niet is voorzien. Compensatie ravijnjaar 2026 Vanaf 2026 daalt de algemene uitkering van de gemeente Eersel met afgerond 3,2 miljoen.

In deze begroting is reeds rekening gehouden met een gedeeltelijke compensatie van het Rijk van € 810.000,-, welke in de septembercirculaire 2022 is opgenomen. Enerzijds verwachten de gemeenten dat het rijk nog met een aanvullende compensatie zal komen. Anderzijds noemt het ministerie van Financiën het terugdraaien van de structurele compensatie als bezuinigingsoptie. Dit laatste zou het tekort doen oplopen. Vooralsnog wordt voor de algemene uitkering rekening gehouden met een jaarlijks risico van € 100.000,- per jaar. Renteontwikkeling De rente op de geld- en kapitaalmarkt stijgt op dit moment. Op dit moment hebben we meer dan voldoende liquide middelen, echter de restantkredieten bedragen ruim € 55 miljoen (tot en met de raadsvergadering van 6 juli 2023). Ondanks dat wordt op dit moment voorzien dat we mogelijk in 2025 een nieuwe geldlening moeten aantrekken. Voor nieuwe investeringen wordt op dit moment gerekend met 1,25% rentelast. Dit is toereikend ter dekking van toekomstige geldleningen op basis van de huidige rente voor langlopende geldleningen. Echter het tijdstip waarop de geldlening daadwerkelijk moeten worden aangetrokken en de werkelijke rente op dat moment zijn onzeker. Ondanks dat we financieel anticiperen op de gestegen rente blijft er een risico. De ontwikkeling van de rente is moeilijk in te schatten.

Vooralsnog wordt dit risico (dus naast het voorziene) financieel als nihil verwerkt. Prijsontwikkeling gas en elektriciteit In 2023 is de levering van energie voor de jaren 2024 en volgende jaren opnieuw aanbesteed. Eind 2023 wordt bekend welke leverancier vanaf 2024 de energie voor de komende jaren levert en welk tarief deze leverancier hanteert. Gezien de huidige ontwikkelingen van de prijzen in de gas- en elektriciteitsmarkt, is een prijsstijging ten opzichte van het vorige contract te verwachten. Hierop is vooralsnog geanticipeerd door rekening te houden met een stijging van 50% in deze begroting. De uiteindelijke prijzen zijn echter afhankelijk van de uitkomsten van de aanbesteding. Vooralsnog wordt dit risico (naast de begrote stijging) financieel als nihil verwerkt. 90

Kengetallen Conform Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) nemen we de volgende kengetallen op: - netto schuldquote; - netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen; - solvabiliteitsratio; - structurele exploitatieruimte; - grondexploitatie; - belastingcapaciteit. De kengetallen worden conform het nieuwe BBV vanaf begroting 2017 ook meerjarig te worden weergegeven. De kengetallen voor de jaren 2022 tot en met 2027 zijn berekend op: Kengetallen behorende bij de begroting 2024

Rekening 2022

Begroot 2023

Begroot 2024

Begroot 2025

Begroot 2026

Begroot 2027

Netto schuldquote Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte Grondexploitatie Belastingcapaciteit

-53,21% -53,39%

-19,64% -19,64%

-22,21% -22,27%

-24,04% -24,09%

-27,13% -27,16%

-28,93% -28,96%

63,12% 2,81% 3,12% 99,91%

63,44% 3,54% 2,03% 86,33%

67,81% 1,35% 2,37% 86,66%

67,24% 0,67% 0,00% 87,18%

63,04% -6,21% 0,00% 87,18%

62,79% -7,18% 0,00% 87,18%

Schuldquote Dit kengetal geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Als algemene norm geven we de volgende richtgetallen. Algemene normwaarden schuldquote

Schuldquote

Normaal Voorzichtigheid geboden Zeer hoge schuld

0% - 100% > 100 % > 130 %

De schuldquote ligt bij de begroting 2024 onder de 0%. Dit betekent dus dat de gemeente Eersel een zeer gunstige schuldquote heeft. De verwachting is dat we in de komende jaren vreemd vermogen moeten aantrekken ter financiering van onze uitgaven. Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin het bezit van de gemeente is afbetaald en in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Deze ratio geeft het aandeel van het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen. Algemene normwaarden bruto schuld

Ratio solvabiliteit

Weinig tot geen schuld Normaal Voorzichtigheid geboden Bezit zeer zwaar belast met schuld

> 80 % 30% - 80% 20% - 30% 0% - 20%

De solvabiliteitsratio voor 2024 bedraagt 71,93% welk percentage als normaal kan worden beschouwd. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen. Zoals blijkt uit de tabel is de structurele exploitatieruimte gering en negatief vanaf 2026. Grondexploitatie Dit kengetal geeft aan hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Het is lastig om hier een norm voor te formuleren aangezien deze norm niets zegt over de relatie tussen vraag en aanbod van woningbouw c.q. bedrijventerreinen.

91

Belastingcapaciteit Dit kengetal geeft inzicht hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Bij de becijfering van dit kengetal is uitgegaan van hetgeen met betrekking tot de lastendruk is vermeld in de paragraaf “Lokale heffingen”. Hieruit blijkt dat de (voorlopige) lastendruk voor 2024 is becijferd op € 784,62 terwijl het landelijk gemiddelde voor 2023 (t-1) € 905,- bedraagt. Dit betekent dat de gemeente Eersel in 2024 ruim 13% onder het landelijk gemiddelde van 2023 zit.

92

3. Onderhoud kapitaalgoederen Wat zijn kapitaalgoederen? Kapitaalgoederen zijn belangrijk voor de openbare ruimte en het beheer en behoud daarvan is een taak voor ons. Wanneer we dit niet goed onderhouden, is de kans groot dat we veel klachten krijgen. Dit kan leiden tot ad hoc maatregelen en extra grote uitgaven. Dat noemen we ook wel kapitaalvernietiging. Via beheersplannen zorgen we ervoor dat het onderhoud systematisch gedaan wordt. Wegen Beleidskader Op grond van de Wegenwet zijn wij als wegbeheerder verantwoordelijk voor onderhoud en beheer van gemeentelijke wegen. Het gaat om wegen binnen de bebouwde kom en wegen buiten de bebouwde kom die op de wegenlegger als openbare weg zijn aangegeven. Ook de aanliggende bermen, sloten en eventuele kunstwerken (bruggen en/of viaducten) horen bij de weg. Het verhardingsoppervlak (asfalt en elementverhardingen) in onze gemeente is ongeveer 1,85 miljoen vierkante meter. De vervangingswaarde hiervan bedraagt ± € 176 miljoen. Beheer Het wegenbestand (asfalt, beton, elementverhardingen, inclusief civiele kunstwerken) houden we in stand door planmatig onderhoud. Hierbij maken we gebruik van een wegbeheerprogramma. Door de gemeenteraad is het onderhoudsniveau voor de verhardingen vastgesteld op niveau B en voor de parkeerplaatsen geldt niveau C. Het daarbij benodigde budget is berekend met het beheerprogramma.

Jaarlijks wordt hiervoor een bedrag in de voorziening ‘Onderhoud wegen’ gestort. Door iedere twee jaar alle verhardingen te laten inspecteren, dit te verwerken in het beheerprogramma en het maken van een planning en begroting, houden we een actueel wegbeheerplan en inzicht op het door de Raad vastgestelde onderhoudsniveau. Naast de voorziening ‘Onderhoud wegen’ is er tot en met 2023 ook een aparte voorziening ‘Onderhoud wegen degeneratievergoeding’ in stand gehouden. Deze voorziening voorziet in vergoedingen die worden uitgekeerd aan de instemminghouder als compensatie voor degeneratieschade van het verhardingsoppervlak door het uitvoeren van graafwerkzaamheden ten behoeve van het leggen van leidingen onder verhardingsconstructies. Voor het jaar 2024 en verder is besloten deze voorziening samen te voegen met de voorziening ‘Onderhoud wegen’. Hier zal ook rekening mee worden gehouden in het wegenbeheerplan. De storting in de voorziening ‘Onderhoud wegen’ (inclusief de zojuist genoemde voorziening degeneratievergoeding) is voor 2024 € 951.298,-. Op 1 januari 2023 was de stand van de voorziening ‘Onderhoud wegen’ € 2.342.452,- en was de stand van de voorziening ‘Onderhoud wegen degeneratievergoeding’ € 316.275,-. Tezamen € 2.658.727,-.

Uitvoering beheerplan wegen Uit de laatst uitgevoerde weginspectie (2022) blijkt dat de gemiddelde kwaliteit van onze wegverhardingen gezakt is tot rapportcijfer 4,9. Dat is lager dan de ondergrens van het streefniveau B (5,5 - 7,5). Dat dit zou gebeuren is/was (te) voorzien: Verhardingen binnen de bebouwde kom Vanuit kostenefficiëntie kiezen wij ervoor om vervanging van wegverharding en riolering gelijktijdig te doen; we maken werk met werk. Omdat riolering globaal 1,5 keer langer mee gaat dan straatwerk, is het onvermijdelijk dat de kwaliteit van de wegen langzaam achteruit gaat. Dit geldt met name voor rijbanen en parkeerplaatsen. Trottoirs en voetpaden houden we op een zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau (minimaal B) door steeds meer klein onderhoud uit te voeren. Dit vanwege beloopbaarheid, toegankelijkheid en lagere risicoaansprakelijkheid. Verminderde kwaliteit van rijbanen en parkeerplaatsen binnen woonwijken is acceptabel aangezien de snelheden hier laag zijn en de verkeersveiligheid niet in het geding is. Het is minder comfortabel en na regenval is er meer plasvorming. Met klinkerverhardingen is daarnaast ook geen sprake van kapitaalvernietiging. Straatstenen van goede kwaliteit zijn altijd herbruikbaar. Verhardingen buiten de bebouwde kom

93

Hier liggen de risico’s heel anders. De wegen buiten de bebouwde kom zijn hoofdzakelijk van asfalt en de snelheden die hier gereden worden zijn veel hoger. De onderhoudsplanning voor deze wegen is erop gericht om de verkeersveiligheid te allen tijde te waarborgen en kapitaalvernietiging te voorkomen. Door tijdige (groot) onderhoudsmaatregelen uit te voeren, kunnen we met relatief lage jaarlijkse kosten de levensduur van asfaltwegen verlengen. Zolang de jaarlijkse onderhoudskosten voor een weg lager zijn dan de kapitaallasten van rehabilitatie is dit ook financieel verantwoord. Al onze wegen in het buitengebied zijn verkeersveilig. Met de reeds beschikbare middelen en jaarlijkse toevoeging aan de onderhoudsvoorziening kunnen we onze asfaltwegen, trottoirs en fietspaden op korte en middellange termijn goed in stand houden. Beheerplan wegen 2023-2027 Afgelopen jaar hebben wij aan de hand van de weginspecties 2022 een nieuw beheerplan wegen 2023 2027 gemaakt, onze onderhoudsstrategie aangepast en een financieel groeimodel uitgewerkt. De financiele consequenties hiervan zullen worden verwerkt in de begroting 2025 en verder. In 2024 wordt een nieuwe weginspectie uitgevoerd. Dagelijks onderhoud (exploitatiebegroting) Naast het planmatig onderhoud met behulp van het wegbeheerprogramma voeren we nog diverse onderhoudstaken uit op basis van inspectierondes en vaste onderhoudscycli.

Deze onderhoudstaken omvatten onder andere het vegen van de wegen, afgraven en aanvullen bermen, onderhoud wegmarkeringen, onderhoud zandwegen, calamiteitenonderhoud verhardingen, onkruidbestrijding op verhardingen, onderhoud straatmeubilair, uitdiepen bermsloten en het onderhoud aan de duikers onder de wegen. Deze kosten zijn opgenomen in de jaarlijkse exploitatiebegroting. We zien een gestage groei van de kosten voor dagelijks onderhoud, mede ten gevolge van weersextremen en snelle stijging van prijzen in de GWW (Grond-, Weg- en Waterbouw). Dit geldt met name voor bermen, zandwegen, sloten en elementenverhardingen. Vervanging van wegen/ rehabilitatie Binnen de voorziening (onderhoud) wegen houden we geen rekening met vervangingskosten aan het einde van de levensduur van een weg. De maximale levensduur van een weg op zandgronden zoals in Eersel is ± 60 jaar. Gedurende deze levensduur voeren we twee of drie keer groot onderhoud uit. Aangezien een groot deel van de wegen in het buitengebied van Eersel is aangelegd tussen 1950 en 1970, houden we rekening met een structurele toename van de benodigde kosten voor het vervangen van de wegen. Wij vervangen de wegconstructie pas als de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten voor een weg hoger worden dan de kapitaallasten voor de vervanging van deze weg, of als de verkeersveiligheid in gevaar komt.

In het verleden hebben we ervoor gekozen om het vervangen van wegen (verhardingsconstructie) op te nemen in het Meerjarig Investeringsprogramma (MIP). Dit veroorzaakt extra kapitaallasten. Omdat we het vervangen van wegen zo lang mogelijk uitstellen is de kans aanwezig dat we onverwachts vervangingspieken krijgen. En daarmee ook afwijkingen in de prognose. Dit is begrotingstechnisch ongewenst. Daarom hebben we de “reserve rehabilitatie wegen” ingesteld. Hiermee egaliseren we deze schommelingen. Als we kijken naar de leeftijdsopbouw van de wegen, neemt ook de hoogte van de storting in deze bestemmingsreserve de komende jaren toe. Vanaf de begroting 2019-2022 storten we in het kader van het meerjarenperspectief jaarlijks oplopend € 35.000,- extra in de “bestemmingsreserve rehabilitatie wegen”. Uit de weginspectie in 2022 zijn verder geen bijzonderheden naar voren gekomen. Riolering Beleidskader Aanleg en beheer van riolering zijn gemeentelijke taken. Dit staat zo omschreven in de Wet milieubeheer. Wij zijn op grond van deze wet verplicht om een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen. In het verbreed GRP 2023-2027 is weergegeven hoe we de rioleringstaak in de komende planperiode vormgeven. Hierbij houden we rekening met de gevolgen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Wet gemeentelijke watertaken (Wgw).

In het bijbehorende kostendekkingsplan staat hoe we alle kosten door middel van een rioolheffing dekken. De totale riolering houden we in stand door middel van klein en groot onderhoud. De totale onttrekking uit de voorziening riolering is voor 2024 becijferd op € 183.959,-. Ongeveer 50% van de inkomsten dekt de 94

kapitaallasten van (toekomstige) vervangingen. Globaal wordt de andere helft gebruikt voor jaarlijks onderhoud (exploitatiebegroting). In de verre toekomst zal deze verhouding verschuiven naar 2/3 – 1/3. Beheer Op grote lijnen is de leeftijd van riolering bepalend voor de vervanging van riolering. Riolering gaat tussen de 60 en 80 jaar mee. De eerste vervangingspiek ligt vanaf 2030. Om een zo goed mogelijk inzicht te krijgen in kwaliteit van de riolering, vinden er jaarlijks camera-inspecties plaats. De inspectiecyclus is 10 jaar. Op basis hiervan passen wij het theoretische vervangingsplan riolering aan. Dit ook in combinatie met maatregelen in het wegbeheer. Riolering is in principe maatgevend, omdat het de belangrijkste kostendrager is voor reconstructies. Naast het vervangen kijken we jaarlijks op basis van de uitgevoerde inspectie naar het planmatig onderhoud. Uitvoering beheerplan Binnen het beschikbare budget in de begroting voeren we deze noodzakelijke herstelmaatregelen uit. Andere onderhoudsmaatregelen die we jaarlijks uitvoeren zijn onder andere kolken zuigen, reinigen gemalen, inspectie, maaien wadi’s (waterafvoer drainage en infiltratie) en onderhoud van pompen van de gemalen, randvoorzieningen en mechanische riolering.

Meten en monitoren Om beter inzicht te krijgen in het functioneren van de riolering meten we vanaf medio 2010 in samenwerking met het waterschap de Dommel aan de overstorten. Het betreft kwantitatieve metingen. Om inzicht te krijgen in de grondwaterstanden hebben we in 2014 een basismeetnet ingericht. Bij het beheer van het grondwatermeetnet worden we ondersteund door het waterschap de Dommel en Brabant Water. Openbare Verlichting Beleidskader De twee speerpunten uit het beleidsplan Openbare Verlichting 2014-2024 zijn uitgevoerd: het verwijderen van lichtmasten in het buitengebied en het ombouwen van 1.525 (oranje) SOX verlichting naar LED. Daarnaast wordt bij reguliere vervanging ingezet op het toepassen van LED verlichting. Wij streven naar verdere vermindering van het energiegebruik voor OV tot de 50% energiereductie in 2030 ten opzichte van het jaar 2013. Thans is ± 40% van onze openbare verlichting voorzien van LED-armaturen, hetgeen een energiebesparing van ± 30% per mast heeft opgeleverd. In 2023 schrijven we een nieuw beheerplan Openbare Verlichting met een looptijd van vier jaar (20242028). Hoofddoel is om te komen tot een goed vervangingsplan/schema om het onderhoud zo efficiënt mogelijk in te richten en het verlichtingsniveau in woonwijken op de norm te brengen. Beheer We beschikken momenteel over 5.447 lichtmasten.

Plusminus 1.525 daarvan waren lichtmasten met SOXarmaturen welke volgens het beleidsplan 2014-2024 zijn vervangen door LED. Dit is een heel belangrijke stap geweest in onze duurzaamheidsambitie met betrekking tot energiebesparing. In nieuwbouwplannen worden standaard alleen nog maar LED-armaturen geplaatst. Ook bij vervangingen gebruiken we nu uitsluitend nieuwe LED-armaturen Hoofduitgangspunt bij het onderhoud is zorgen dat we de uitval beperken. Oudere lampen gaan maximaal drie tot vier jaar mee. Daarom vervangen we al deze ± 3.400 lampen gefaseerd eens in de drie jaar. We noemen dit groepsremplace. De meerkosten voor de vervroegde vervanging wegen ruimschoots op tegen het extra storingen rijden. Met het gebruik van LED-armaturen gaan we nu naar een levensduur van twaalf jaar, en we besparen zo jaarlijks ± € 5,- per mast per jaar remplacekosten. De storting in de voorziening “onderhoud openbare verlichting” bedraagt voor 2024 € 129.800,-. Hieruit wordt de vervanging van afgeschreven masten en armaturen gefinancierd. De stand van de voorziening bedraagt per 1 januari 2023 € 664.952,-. In 2023/2024 vervangen we 2.178 oude armaturen met zogenaamde PLL-lampen door nieuwe LED-armaturen. De PLL lampen worden vanaf 2024 niet meer geproduceerd en zijn al moeilijk verkrijgbaar. De totale kosten van vervanging brengen we ten laste van de voorziening.

De voordelen hiervan zijn groot: vermindering energiegebruik, lagere remplacekosten, beter verlichtingsniveau en gelijkmatigheid, en minder uitval. Na deze vervanging is ongeveer 80% van onze openbare verlichting verduurzaamd.

95

Door de steeds hogere energiekosten, energiebelasting, Opslag Duurzame Energie (ODE) en netwerkkosten levert de energiebesparing helaas geen kostenreductie op ten opzichte van voorgaande jaren, alleen minder meerkosten in de toekomst. Deze becijferen we op ± € 100.000,- per jaar. Groen Beleidskader Als groene gemeente hebben we relatief veel openbaar groen. Het groen binnen de bebouwde kommen leggen we vast in de geldende bestemmingsplannen. In 2017 heeft de gemeenteraad voor alle kommen het beleidsplan Groen Loont vastgesteld. In dit plan worden de groenstructuren van de zes dorpen vastgelegd en nieuwe kaders voor de gewenste inrichting van zowel het gebied binnen als het gebied buiten de bebouwde kom gesteld. In 2023 is het Bomenbeleidsplan vastgesteld voor een goede bescherming en instandhouding van het huidige bomenbestand. Het beleidsplan ‘natuurlijk spelen’ hanteren we voor de speelterreinen. Het Beeldkwaliteitsplan vastgesteld in 2012, geeft ook richtlijnen voor groen. Voor de sportaccommodaties geldt het accommodatiebeleid. In dit beleidsplan staat aangegeven wat basisvoorziening is (wat wij onderhouden) en wat niet (onderhoud door sportverenigingen). De raad heeft in november 2012 de gewenste kwaliteitsniveaus voor de verschillende groenvoorzieningen vastgesteld.

Groenbeheer Het beheer van gemeentelijk openbaar groen binnen de kom wordt geheel uitbesteed op basis van meerjarige bestekken. De totale beheerkosten voor groen binnen de bebouwde kom (exclusief apparaatskosten) bedragen in 2024: € 965.903,-. Voor dit bedrag worden de evenemententerreinen, speelterreinen, plantsoenen en gazons binnen de kom onderhouden. Het beheer van gemeentelijk openbaar groen buiten de kom besteden we voor een deel (maaien sloten en bermen) uit op basis van meerjarige bestekken. Het andere deel (onder andere snoeien van hagen) doet onze buitendienst. De totale beheerkosten voor groen buiten de bebouwde kom (exclusief apparaatskosten) bedragen voor 2024 € 90.423,-. Beheer Bossen Het beheer van de gemeentelijke bossen en natuurterreinen besteden we geheel uit op basis van meerjarige bestekken. De kosten die we hier maken moeten worden afgedekt door de inkomsten. We hebben een bestemmingsreserve egalisatie bebossing om calamiteiten zoals bosbranden en boomziekten te kunnen herstellen. We streven naar een geleidelijke groei van deze bestemmingsreserve tot een bedrag van maximaal € 200.000,-. Met een dergelijk bedrag kunnen we onze grootste risico’s afdekken. Deze aanvulling op de reserve genereren we jaarlijks uit het verschil tussen de onderhoudsuitgaven en de inkomsten (van de houtverkoop).

Beheer landschapselementen (LSE) Het beheer van landschapselementen is in 2021 opgestart via een meerjarige opdracht waarmee de komende jaren eerst herstelbeheer wordt uitgevoerd. In 2022 hebben we een flinke inhaalslag gemaakt en zijn we overgegaan naar cyclisch beheer. In 2022 is een forse verhoging van het beheerbudget gerealiseerd, waardoor we nu in staat zijn om de verwaarlozing van de LSE’s te stoppen. In de komende jaren willen we dit beheer gaan uitvoeren samen met de aanliggende eigenaren, die hiervoor een beheervergoeding kunnen krijgen. Beheer Ecologische VerbindingsZones (EVZ’s) Ecologische verbindingszones zijn een optelsom van bosjes, beekdalen en landschapselementen die door hun strategisch plaats samen voor een verbinding kunnen zorgen tussen grote natuurgebieden (bijvoorbeeld NatuurNetwerk Brabant, Landschotseheide, Buikheide/Groot en Kleinmeer). Met ingang van het begrotingsjaar 2024 hebben we hiervoor een separate begrotingspost opgenomen. Inzicht geeft mogelijk uitzicht op medefinanciering. Beheer natuurgrassportvelden Het onderhoud van de natuurgras -sportvelden gebeurt op basis van een bestek. De totale beheerkosten voor de sportvelden in 2024 ramen we op € 219.356,-. Met dit budget onderhouden we de natuurgrasvelden. Beheer bomen

96

De bomen (binnen en buiten de kom) worden grotendeels beheerd door externen. Dit op basis van een snoeiplan. Klein snoeiwerk of het oplossen van incidentele problemen worden uitgevoerd door de buitendienst. Het reguliere onderhoud aan (laan)bomen voor 2024 ramen we op € 102.273,- (exclusief apparaatskosten).

Speelvoorzieningen De speeltoestellen worden voor een deel onderhouden door de buitendienst en voor deel door derden op basis van een inspectie. Het budget voor het beheer aan de speelvoorzieningen in 2024 ramen we op € 28.800,-. Hiermee kunnen we de jaarlijkse inspecties, klein onderhoud en de vervanging van een enkel speeltoestel betalen. Op deze wijze waarborgen we het onderhoud van de speelvoorzieningen op verantwoorde wijze. Dit budget is evenwel onvoldoende om speeltoestellen aan het einde van hun levensduur (vijftien jaar) te kunnen vervangen. Hiervoor schrijven we in 2024 een beheerplan speeltoestellen. Gebouwen Beleidskader Het gaat hier om de gebouwen die bij de gemeente in onderhoud zijn. Er zijn drie soorten onderhoud voor deze gebouwen te onderscheiden: - Het dagelijks onderhoud dat tot doel heeft om het gebouw en de installaties in een toestand te houden die voor de dagelijkse functievervulling noodzakelijk is. In de exploitatiebegroting wordt hier elk jaar een post voor opgenomen; - Het periodiek onderhoud waarbij in de regel geen vernieuwing plaatsvindt, zoals buitenschilderwerk. Dit betreft terugkerend onderhoud met een zekere cyclus; - Het groot onderhoud, waarbij veelal onderdelen van het gebouw of de installaties moeten worden vervangen (zoals vernieuwing van het dak of vervanging van de Cv-installatie).

De kosten van het periodiek en groot onderhoud hebben we in een meerjaren onderhoudsplan opgenomen. Op basis van dit plan hebben we de stortingen en onttrekkingen uit de voorzieningen berekend. Hiermee hebben we al het noodzakelijk onderhoud aan het onroerend goed in financiële zin afgedekt. Uiteraard moet regelmatig herijking plaatsvinden. Nieuwe investeringen voor aanpassingen of uitbreidingen nemen we in het meerjarig-investeringsprogramma op. In het accommodatiebeleid staat wat we verstaan onder een basisvoorziening. Voor de gebouwen die vallen onder het accommodatiebeleid betekent dit dat alleen de basisvoorzieningen door ons worden onderhouden. Wij dragen dan zorg voor het groot onderhoud inclusief de installaties. Voor het dagelijks onderhoud zijn de verenigingen of stichtingen zelf verantwoordelijk. De vereniging kan het onderhoud waar wij verantwoordelijk voor zijn (basisvoorziening), onder bepaalde voorwaarden, ook zelf uitvoeren (privatisering). De verenigingen ontvangen daarvoor financiële bijdragen, gebaseerd op de gemiddelde onderhoudslast over tien jaar. Naast de gebouwen die in het accommodatiebeleid staan, hebben we ook de verantwoordelijkheid voor het onderhoud van andere gebouwen. Denk hierbij aan binnensportaccommodaties, de brandweerkazernes, de gemeentewerf en het gemeentehuis. Voor deze gebouwen hebben we ook meerjaren onderhoudsplannen opgesteld.

Wij zijn hier verantwoordelijk voor het totale onderhoud. Beheer Het onderhoud gebeurt volgens een meerjaren onderhoudsprogramma en jaarlijkse na-inspecties. Deze meerjaren onderhoudsprogramma’s actualiseren we jaarlijks per gebouw. Ze geven een overzicht van het geplande onderhoud voor de eerstvolgende tien jaar (eerste jaar is het begrotingsjaar). De hoogte van storting in de begroting bedraagt het gemiddelde van de totale geraamde onderhoudskosten in genoemde periode van tien jaar. Bij de stortingen voor deze onderhoudsvoorzieningen houden we rekening met het saldo in de voorziening per 1 januari van het begrotingsjaar. Schoolgebouwen Vanaf 1 januari 2015 zijn de verantwoordelijkheden (en daarmee het budget) voor het buitenonderhoud en de aanpassing van schoolgebouwen in het primair en speciaal onderwijs van gemeenten naar schoolbesturen overgeheveld. Schoolbesturen zijn vanaf dat moment verantwoordelijk voor het gehele onderhoud, van zowel de binnen- als de buitenzijde van schoolgebouwen. Wij zijn nog verantwoordelijk voor bekostiging van voorzieningen als nieuwbouw, uitbreiding en constructiefouten. De verwachting is dat het begrip renovatie wordt toegevoegd aan de voorzieningen in de huisvesting waar de gemeente voor verantwoor97

delijk is. De beoogde inwerkingtreding van deze wetswijziging is 1 januari 2025. Het geactualiseerde Integraal Huisvestingsplan Onderwijs gemeente Eersel 2024-2038 (eerste kwartaal 2024) is de basis voor uitvoering van de verantwoordelijkheden. Bij MFA’s waar wij eigenaar zijn van het volledige gebouw, inclusief onderwijs, dragen wij ook zorg voor het onderhoud van het totale gebouw. Dit moet op basis van de verdeling van verantwoordelijkheden (en budget) verrekend worden. Beleid en beleidsdocumenten Het beheer geschiedt op basis van beleid - en beheerplannen: - Verbreed GRP 2023-2027 - Beheerplan wegen 2023-2027 - Beheerplan Openbare verlichting 2024-2028 Gemeente Eersel - Onderhoudsbestekken (meerjaren) - Beleidsplan “Groen Loont” (2017) - Beleidsplan gemeentelijke bos- en natuurterreinen - Bomenbeleidsplan 2023-2033

98

4. Treasury Wat is treasury? Treasury omvat alle activiteiten die zich richten op het besturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op: - financiële vermogenswaarden; - financiële geldstromen; - financiële posities; - hieraan verbonden risico’s. In de wet Financiering decentrale overheden (wet Fido) staat de treasuryfunctie centraal en is de treasuryparagraaf zowel bij de begroting als bij het jaarverslag verplicht gesteld. In de vergadering van december 2015 heeft de gemeenteraad het geactualiseerde treasurystatuut vastgesteld. Hierin zijn de noodzakelijke aanpassingen als gevolg van wijziging van de wet Fido, de RUDDO (Regeling Uitzettingen en Derivaten Decentrale Overheden) en de Wet Verplicht schatkistbankieren verwerkt. Deze ‘Treasuryparagraaf’ bevat de volgende onderdelen: - Risicobeheer - Gemeentefinanciering - Uitzettingen - Kasbeheer - Renteschema Risicobeheer Conform de eisen van de wet Fido moet de uitvoering van de treasuryfunctie uitsluitend de publieke taak dienen, het beheer prudent te zijn en er moet voldaan worden aan de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. De gemeente Eersel heeft conform de bepalingen in de wet Fido en het treasurystatuut enkel geldleningen gesloten en garanties uitgezet voor de uitoefening van de publieke taak.

Binnen het prudent beleid is het streven steeds gericht op het maximaliseren van het rendement op het belegde vermogen en het minimaliseren van de kosten. Hierbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met de bepalingen van het treasurystatuut. Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet wordt genoemd in de uitvoeringsregeling van de wet Financiering decentrale overheden. Deze limiet stelt een grens aan de korte financiering die gemeenten hanteren voor de financiering van lopende uitgaven om tijdelijke liquiditeitstekorten op te vangen. Een gemeente mag slechts een beperkt deel van de begroting met kort geld financieren. Een langere vastlegging van de geleende middelen zorgt voor een beter voorspelbare rentelast. Bij de huidige rentestanden is het de vraag of er wel sprake is van een risico. De kasgeldlimiet wordt uitgedrukt in een percentage (8,5%) van de totale begroting als bovengrens met een minimum van € 300.000,-. Het kasgeldlimiet bedraagt daarom voor 2024 afgerond € 4,9 miljoen. Dit is 8,5% van het totaal van de jaarbegroting 2024 (€ 58 miljoen). Het college van burgemeester en wethouders kan op grond van artikel 14 van de “Financiële verordening gemeente Eersel 2021” de benodigde financieringsmiddelen aantrekken, hetgeen, gelet op het verwacht financieringsoverschot, niet nodig zal zijn in 2024.

De programma’s (inclusief de investeringen) zijn dus binnen de door de raad vastgestelde kaders van de begroting uit te voeren. Vanuit de Rijksoverheid is een Handreiking Treasury opgesteld als hulpmiddel voor gemeenten om meer inzicht te geven in de berekening en toetsing van de kasgeldlimiet. Onderstaande berekeningsmethodiek is opgenomen vanuit deze handreiking en hieruit blijkt nogmaals dat er voldoende ruimte aanwezig is om kortlopende schulden te kunnen financieren.

99

(x € 1.000,-)

Toets kasgeldlimiet Omvang begroting per 1 januari (=grondslag) 57.919 1. Toegestane kasgeldlimiet - in procenten van de grondslag - in bedrag 2. Omvang vlottende korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar Schuld in rekening-courant Gestorte gelden door derden < 1 jaar 3. Vlottende middelen Contante gelden in kas Tegoeden in rekening-courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar 4. Toets kasgeldlimiet Toegestane kasgeldlimiet (1) Totaal netto vlottende schuld (2)-(3) Ruimte (+)/Overschrijding (-)

4.923 8,50% 4.923 7.409 4.196 0 3.213 40.519 3 34.951 5.565 4.923 -33.110 38.033

Renterisiconorm In de wet Fido en in artikel 4 van het treasurystatuut staat dat de renterisiconorm niet mag worden overschreden. Deze norm is ingevoerd ter beperking van het renterisico op de vaste schuld. Het renterisico met betrekking tot de renterisiconorm heeft betrekking op de contractuele renteherzieningen en de aflossingen op de vaste schuld. Het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. Het renterisico wordt ieder jaar getoetst aan de renterisiconorm. De renterisiconorm wordt berekend door een vastgesteld percentage (20% voor gemeenten) te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal. Voor 2024 becijferen we de renterisiconorm op (afgerond) € 11,6 miljoen (20% van € 58 miljoen). In onderstaande tabel, uit de Handreiking Treasury, is de meerjarig berekende renterisiconorm weergegeven en de toetsing aan deze norm. Uit de berekening blijkt dat de gemeente Eersel meerjarig voldoende ruimte heeft onder de renterisiconorm om dit risico op te vangen. (x € 1.000,-)

Renterisiconorm 1a 1b 1 2a 2b 2 3 4

Renteherziening op vaste schuld o/g Renteherziening op vaste schuld u/g Netto renteherziening op vaste schuld Te betalen aflossing Te ontvangen aflossing Netto aflossing Renterisico Renterisiconorm Ruimte onder rente risiconorm Overschrijding rente risiconorm Berekening rente risiconorm Begrotingstotaal jaar T Percentage regeling

(1a -/- 1b)

(2a -/- 2b) (1 + 2)

(4 > 3) (3 > 4)

Renterisiconorm

2024 0 0 0 807 6 801 801 11.584 10.783 0

2025 0 0 0 807 6 801 801 11.344 10.543 0

2026 0 0 0 807 6 801 801 10.689 9.888 0

2027 0 0 0 807 6 801 801 10.601 9.800 0

57.919 20%

56.720 20%

53.445 20%

53.004 20%

11.584

11.344

10.689

10.601

Rentevisie De gemiddelde marktrente voor vaste geldleningen lag per medio 2023 (looptijd 10 jaar, gelijke aflossing en zonder renteaanpassing) op afgerond 3,6%. Wat de rente voor de toekomst zal doen is nog ongewis. In de begroting 2024-2027 hanteren we - conform de uitgangspunten bij de voorjaarsnota/begroting 2024 en het nieuwe BBV - een rentevoet van 1,25%. Gemeentefinanciering In artikel 7 van het treasurystatuut is bepaald dat financiering voor een periode langer dan één jaar met externe financieringsmiddelen zoveel mogelijk wordt beperkt door primair gebruik te maken van interne financieringsmiddelen. Tevens is in lid 2 van artikel 7 opgenomen dat uitsluitend gebruik gemaakt wordt van onderhandse leningen. 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=86e041ec-c7d8-42b5-80e6-ef5d8efaeff5