CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

[23.01325] - Bijlage bij voorstel - Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet IPLO

Commissievergadering 14 november 2023, gemeente EerselBij agendapunt: Verordening nadeelcompensatie34.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Daartoe behoort in ieder geval degene met wie het bestuursorgaan een schadevergoedingsovereenkomst heeft gesloten.102 In zo'n overeenkomst wordt afgesproken dat de schadevergoeding en daarmee samenhangende kosten geheel of gedeeltelijk voor rekening komen van degene die de activiteit verricht, die de schade veroorzaakt. In de Wro was dat ook al zo geregeld. De Omgevingswet bevat geen specifieke voorziening voor degenen die een anterieure of posterieure overeenkomst over kostenverhaal hebben gesloten met de overheid. Omdat nadeelcompensatie onderdeel is van de kostensoortenlijst, mag worden aangenomen dat de anterieure of posterieure overeenkomst tevens kwalificeert als een schadevergoedingsovereenkomst, en dat de contractpartijen dus belanghebbende zijn. De Omgevingswet regelt niets over degenen die op grond van kostenverhaalregels de kosten van nadeelcompensatie dragen. Bestuursorganen moeten beslissen of die belanghebbende zijn in een procedure over nadeelcompensatie.

97 Artikel 2:3 lid 1 Awb. 98 Artikel 4:5 Awb. 99 Artikel 4:130 lid 1 Awb. 100 Artikel 4:130 lid 2 Awb. 101 Artikel 4:130 lid 3 Awb. 102 Artikel 13.3c lid 2 Omgevingswet.

65 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Hoorzitting De Awb bevat geen speciale regeling over het horen van de belanghebbenden. De algemene regeling in de Awb is van toepassing. Die houdt in dat het bestuursorgaan de aanvrager moet horen als een afwijzing steunt op gegevens over feiten en belangen die de aanvrager betreffen en die gegevens afwijken van gegevens die de aanvrager zelf heeft verstrekt.103 Horen is dus meestal niet verplicht. Adviescommissie Het bestuursorgaan kan een adviescommissie instellen die adviseert over de aanvraag.104 Vaak wordt die schadebeoordelingscommissie genoemd. Het bestuursorgaan kan de commissie naar eigen inzicht inrichten en taken en instructies meegeven. Zoals bij beslistermijn is aangegeven, kan het inschakelen van een commissie ook gevolgen hebben voor de beslistermijn. Schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten Als de schade voortvloeit uit beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor rijksmonu­ mentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument moet een speciale commissie gehoord worden. Dat is de OCW-schadebeoordelingscommissie archeologische rijksmonumenten.

Die heeft tot taak advies uit te brengen aan bestuursorganen over nadeelcompensatie op grond van de Awb, voor zover de schade voortvloeit uit beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen voor rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument.105 Dit is een continuering van de bestaande praktijk van de 'OCW-schadebeoordelingscommissie monumenten'. De schadebeoordelingscommissie kan daarnaast ook in het kader van kostenverhaal gevraagd worden te adviseren over de hoogte van (de te verhalen kosten van) de schadevergoeding voor de rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot archeologische monumenten. Het aantal verzoeken om schadevergoeding is tot nu toe beperkt: gemiddeld één verzoek per twee jaar. In het stelsel van de Omgevingswet is de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) niet langer in alle gevallen het bevoegd gezag om te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument. Voor enkelvoudige omgevingsvergunningaanvragen om een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument is de minister van OCW bevoegd gezag. Voor meervoudige omgevingsvergunningaanvragen, waaronder een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument, is daarentegen het college van burgemeester en wethouders in principe bevoegd.

Het college is daarmee in dergelijke gevallen in beginsel ook bevoegd om op een verzoek om schadevergoeding voor deze meervoudige aanvragen te beslissen. De minister van OCW bepaalt bij zulke meervoudige aanvragen echter via een advies met instemmingsrecht de inhoud van de beslissing op de vergunningaanvraag voor zover die ziet op het archeologische rijksmonument. De minister blijft daarom ook het bestuursorgaan dat de redelijkheid van de daaruit voortvloeiende kosten voor de burger moet bewaken. De kosten van een schadevergoeding komen in beginsel voor rekening van de minister van OCW, ook als hij niet het bevoegd gezag is. Hetzelfde geldt voor de kosten van de inschakeling van de OCW-schadebeoordelingscommissie door het bevoegd gezag als dat niet de minister is. Het staat het bevoegd gezag dan vrij om, om welke reden dan ook, geen gebruik te maken van deze gelegenheid om de OCW-schadebeoordelingscommissie in te schakelen. Als het bevoegd gezag de kosten van de schadevergoeding vervolgens naar de minister van OCW wil doorleggen,106 komt de commissie alsnog in actie. De minister zal dan namelijk de commissie inschakelen voor een advies over de (redelijkheid van de) hoogte van de kosten van de schadevergoeding voor de rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument.

103 Artikel 4:7 lid 1 Awb. 104 Artikel 4:130 lid 1 Awb. 105 Artikel 12.6 Omgevingsbesluit. 106 Artikel 13.3 Omgevingswet.

66 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Motivering en afweging beslissing Het bestuursorgaan moet het besluit deugdelijk motiveren. Er zijn enkele beginselen van bestuursrecht die niet van toepassing zijn op nadeelcompensatie. De mogelijkheid om schadevergoeding toe te kennen wordt niet beperkt door het relativiteitsvereiste zoals dat in artikel 8:69a Awb is vastgelegd. Dat bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt vanwege de schending van een geschreven of ongeschreven regel als deze kennelijk niet strekt tot bescherming van degene die zich op de regel beroept. Ook het zogenoemde specialiteitsbeginsel is niet van toepassing. Het specialiteitsbeginsel houdt kort weergegeven - in dat de belangenafweging door een bestuursorgaan beperkt dient te blijven tot de belangen die de desbetreffende wet beoogt te beschermen. Van belang is alleen of de benadeelde schade lijdt door een rechtmatig besluit of rechtmatige maatregel van de overheid.107 Bekendmaking en kennisgeving Het besluit wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Het bestuursorgaan zendt een kennisgeving aan belanghebbenden die hebben deelgenomen in de procedure en aan de adviseur als het besluit afwijkt van het advies.108

12.3

Aanvulling van de regels door bestuursorganen (onder andere nadeelcompensatieverordening) Onder de Omgevingswet is de grondslag en de inhoud van de nadeelcompensatieregelingen van gemeenten, waterschappen en provincies veranderd. De zaken, die in de Awb en Omgevingswet uitputtend zijn geregeld, kunnen en mogen niet meer geregeld worden door het bestuursorgaan. Daardoor zijn een aantal regels van lagere overheden niet meer nodig. Maar het nieuwe stelsel laat nog ruimte voor nadere regeling. De Awb en de Omgevingswet stellen het echter niet verplicht om regels over nadeelcompensatie vast te stellen. Het bestuursorgaan mag zelf kiezen of het nodig is. Veel bestuursorganen hadden in de oude situatie verordeningen vastgesteld over de afhandeling van schadeverzoeken. Zo hadden de meeste gemeenten een planschadeverordening. Die bevatten regels over de procedure en soms ook over de inhoud van de claims. Voorbeelden van dat laatste zijn een drempel voor schadeclaims en een drempel voor inkomensschade voor ondernemers. De VNG heeft daartoe een model nadeelcompensatieverordening opgesteld. Daarin is geregeld of en hoe een adviescommissie wordt ingeschakeld. Tevens bevat de modelverordening regels over het aanvraagformulier, het heffen van griffierecht, het horen, de uitbetaling en een voorschot.

Op Rijksniveau heeft de minister van BZK in 2018 de Handleiding nadeelcompensatie bij infrastructurele maatregelen vastgesteld. Die gaat over tijdelijke schade door zulke maatregelen, en dan met name inkomensschade en bijkomende schade. Bij een aantal grote projecten hebben de betrokken bestuursorganen speciaal voor de afhandeling van nadeelcompensatie schadeschappen ingesteld, zodat benadeelden bij één loket terecht kunnen. Plaats van regeling Een gemeente kan regels over nadeelcompensatie opnemen in een omgevingsplan of een nadeelcompensatieverordening. In het omgevingsplan moeten alle gemeentelijke regels worden opgenomen over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan mag echter ook regels bevatten over andere onderwerpen, die met de fysieke leefomgeving te maken hebben, zoals regels

107 Kamerstukken II 2017-18, nr. 34986, nr. 3, p. 225 (memorie van toelichting Invoeringswet Omgevingswet). 108 Artikel 3:43 Awb.

67 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

over procedures, advisering, adviescommissies, enzovoorts.109 In het omgevingsplan kunnen dus regels over nadeelcompensatie worden opgenomen, mits het gaat om nadeelcompensatie voor besluiten en maatregelen, die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Een voordeel van regeling in het omgevingsplan is dat de regels dan te vinden zijn in het Omgevingsloket van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Een nadeel is dat er ook buiten de fysieke leefomgeving gevallen zijn waar nadeelcompensatie speelt. Denk aan schade door verkeersafsluitingen op grond van een verkeersbesluit. De regels in het omgevingsplan kunnen zich niet uitstrekken tot die gevallen. Ook als het omgevingsplan regels voor nadeelcompensatie bevat, is dus nog een gemeentelijke verordening nodig over de overige gevallen van nadeelcompensatie. Het ligt voor de hand om voor beide dezelfde regels te hanteren. Bij regeling in het omgevingsplan is dus harmonisatie met de nadeelcompensatieverordening noodzakelijk. Een ander nadeel is dat bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afgeweken kan worden van alle regels in het omgevingsplan, dus ook van die over nadeelcompensatie. Omdat dubbel regelen niet de voorkeur heeft, raadt de VNG aan om een nadeelcompensatie­ verordening vast te stellen en niet gebruik te maken van het omgevingsplan.

Iedere nadeelcompen­ satieverordening is te vinden op www.overheid.nl. Bij een waterschap kunnen aanvullende regels over nadeelcompensatie met betrekking tot de fysieke leefomgeving worden gesteld in de waterschapsverordening. Deze verordening is mede gebaseerd op de Omgevingswet.110 De waterschapsverordening staat in het DSO. Regels over nadeelcompensatie voor gevallen die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, kan een algemeen bestuur van een waterschap vaststellen in een andere verordening. Een waterschap kan ook alle regels over nadeelcompensatie (dus inclusief die gerelateerd aan de fysieke leefomgeving) opnemen in zo'n verordening. Alle provincies hebben een verordening over nadeelcompensatie. Als een provincie regels wil stellen over nadeelcompensatie met betrekking tot de fysieke leefomgeving, kan het die regels opnemen in de (provinciale) omgevingsverordening.111 Deze verordening is gebaseerd op de Omgevingswet. De gehele verordening is opgenomen in het DSO. Regels over nadeelcompensatie voor gevallen die geen betrekking hebben op de fysieke leefomgeving, kunnen Provinciale Staten vaststellen in een afzonderlijke verordening.112 Een provincie kan ook alle regels over nadeelcompensatie opnemen in zo'n verordening. Naast een verordening is er ook de mogelijkheid om beleidsregels vast te stellen over de afhandeling van verzoeken tot nadeelcompensatie.

Een verordening is echter nodig als grondslag voor het heffen van griffierecht en voor een wettelijke status van de adviescommissie.

109 Dat volgt uit artikel 2.4 van de Ogevingswet. 110 Gebaseerd op artikel 2.5 Omgevingswet en artikel 78 lid 1 Waterschapswet. 111 Artikel 2.6 Omgevingswet. 112 Gebaseerd op artikel 105 lid 1 Provinciewet.

68 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

13 Rechtsbescherming

13.1

Bezwaar Tegen een besluit op een aanvraag om nadeelcompensatie kan degene tot wie het besluit gericht is, bezwaar aantekenen bij het bestuursorgaan dat het besluit op de aanvraag heeft genomen.113 De termijn voor indiening van het bezwaarschrift bedraagt 6 weken, nadat het besluit is bekendgemaakt.114 De bezwaarschriftenprocedure kan soms worden overgeslagen.115 De bezwaarmaker kan het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de rechtbank.116 Het bestuursorgaan wijst het verzoek af als er ook een ander, ontvankelijk bezwaarschrift, is ingediend, waarin zo'n verzoek ontbreekt. Het bestuursorgaan stemt in als de zaak daarvoor geschikt is. Het is dus aan de aanvrager of hij zo'n verzoek wil doen. Daarbij kan hij meewegen of er al een deskundigencommissie heeft geadviseerd. In dat geval lijkt de toegevoegde waarde van de bezwaarschriftenprocedure kleiner. Proceduretermijnen Na het einde van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, moet het bestuursorgaan binnen 6 weken beslissen op het bezwaarschrift. Als een bezwaarschriftencommissie is ingesteld, komen daar 6 weken bij.117 Het bestuursorgaan kan de beslistermijn 6 weken verlengen.

Verder uitstel is mogelijk als alle belanghebbenden daarmee instemmen, de indiener ermee instemt en andere belanghebbenden niet in hun belangen worden geschaad, of als dat nodig is in verband met de naleving van wettelijke voorschriften.118 De beslistermijn wordt opgeschort als de indiener van het bezwaarschrift nog aanvullende gegevens moet leveren.119 Als niet tijdig beslist wordt, wil dat niet zeggen dat de indiener van het bezwaarschrift gelijk heeft gekregen. Er moet gewacht worden op de echte uitspraak van het bestuursorgaan. Bij niet tijdig beslissen kan de indiener wel wat doen. Hij kan het bestuursorgaan verzoeken om een dwangsom uit te keren voor elke dag dat het bestuursorgaan te laat is met de beslissing, met een maximum van 42 dagen.120 De indiener kan ook de voorzieningenrechter bij de rechtbank vragen een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat het bestuursorgaan binnen bepaalde termijn moet beslissen. Procedure In veel gevallen zal de zaak worden voorgelegd aan een bezwaarschriftencommissie.

Die zal de aanvrager in beginsel horen.121 Belanghebbenden worden in elkaars aanwezigheid gehoord.122 Tot tien dagen voor de hoorzitting kunnen belanghebbenden aanvullende stukken indienen.123 Het bestuursorgaan legt alle stukken tenminste een week van tevoren ter inzage voor alle belanghebbenden, tenzij geheimhouding om gewichtige redenen nodig is.124 Als geen bezwaarschriftencommissie is ingesteld, zal het bestuursorgaan of een voorzitter of lid daarvan in beginsel de aanvrager horen. Het horen kan worden overgedragen aan een of meer

113 Artikel 8:1 samen met 7:1 Awb. 114 Artikelen 6:7 en 6:8 Awb. 115 Naast het hier besproken geval is ook geen bezwaarfase als er een zienswijzeprocedure met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is gevolgd. Bij nadeelcompensatie volgt het bestuursorgaan die vrijwel nooit. 116 Artikel 7:1a Awb. 117 Artikel 7:10 lid 1 Awb. Vereist is dat de commissie tenminste drie leden telt, de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en de commissie voldoet aan eventueel gestelde wettelijke voorschriften. 118 Artikel 7:10 lid 3 en 4 Awb. 119 Artikel 7:10 lid 2 Awb. 120 Artikelen 4:17 en 4:18 Awb. 121 Artikel 7:3 Awb noemt een aantal voor de hand liggende situaties waarin horen niet nodig is. 122 Artikel 7:5 Awb. 123 Artikel 7:4 lid 1 Awb. 124 Artikel 7:4 leden 2, 6, 7 en 8 Awb.

69 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

personen, waarvan de meerderheid niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit betrokken was. De beslissing op het bezwaarschrift moet deugdelijk gemotiveerd worden.125 Als het bestuursorgaan van het schriftelijk advies van de bezwaarschriftencommissie afwijkt, vermeldt het bestuursorgaan in het besluit de reden voor afwijking en wordt het advies meegezonden.126 Het bestuursorgaan zendt de beslissing aan de indiener van het bezwaarschrift. De beslissing vermeldt de mogelijkheid van en de termijn voor het instellen van beroep. Het bestuursorgaan stuurt een mededeling aan belanghebbenden die in bezwaar of bij de voorbereiding van het bestreden besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.127 128 129 130 131

13.2

Beroep Tegen de beslissing op het bezwaarschrift kan beroep worden ingesteld. Zoals in paragraaf 13.1 is aangegeven kan soms rechtstreeks beroep worden ingesteld. De hoofdregel is dat het beroep tegen een nadeelcompensatiebesluit kan worden ingesteld bij de rechtbank.128 Daarvan was voor nadeelcompensatie afgeweken, maar de afwijking is weer geschrapt.129 Voor alle besluiten en maatregelen in artikel 15.1 van de Omgevingswet is de gewone bestuursrechter de bevoegde rechter. Als de schade is veroorzaakt door de uitvoering van een besluit, moet beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter, die over schade door het besluit beslist. Procedure Op de beroepsprocedure zijn de bepalingen uit de Awb over beroep van toepassing. Het beroep moet binnen 6 weken worden ingesteld. Degene die beroep instelt moet een griffierecht betalen.130 Voor natuurlijke personen is in 2022 het standaardtarief ē 174 en voor anderen ē 345. Als het beroep gegrond is, wordt het griffierecht vergoed door het bestuursorgaan dat beslist heeft op de aanvraag om nadeelcompensatie. Na ontvangst van het beroepschrift krijgt het bestuursorgaan de kans een verweerschrift in te dienen. De rechter kan de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen schriftelijk te reageren (repliceren). Daarna mag het bestuursorgaan daar weer op reageren (dupliceren).

De rechter stelt ook de eventuele andere partijen in het geding in de gelegenheid om eenmaal schriftelijk een uiteenzetting over de zaak te geven. Bij nadeelcompensatie kunnen dat derden zijn, die ingevolge een overeenkomst met het bestuursorgaan, de kosten van de toegekende nadeelcompensatie moeten vergoeden aan het bestuursorgaan.131

125 Artikel 7:2 lid 1 Awb. 126 Artikel 7:13 lid 7 Awb. 127 Artikel 7:12 Awb. 128 Artikel 8:6 lid 2 Awb. 129 In het wetsvoorstel wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 2) werd aangesloten bij de hoofdregel. In een nota van wijziging bij dat wetsvoorstel werd evenwel vastgelegd dat de beroepsgang van het nadeel­ compensatiebesluit hetzelfde zou zijn als die van het schadeveroorzakende besluit (zie artikel I, onderdeel Ca). Dus bij een wijziging van het omgevingsplan zou er rechtstreeks beroep zijn bij de Afdeling. Bij tweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Awb en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Kamerstukken 2019-20, 35256, nr.8) is die nog niet in werking getreden wijziging weer geschrapt uit de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (zie artikel 3.4 onderdeel aA). De reden hiervoor is dat volgens de Afdeling en de minister de wijziging tot een verslechtering van de rechtsbescherming leidde. 130 Artikel 8:41 Awb. 131 Artikel 13.3c lid 2.

70 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

13.3

Hoger Beroep Tegen de beslissing in beroep van de rechtbank kunnen partijen hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Op de behandeling van het hoger beroep zijn de bepalingen in de Awb van toepasing. Het hoger beroep moet binnen 6 weken worden ingesteld. Degene die het instelt moet een griffierecht betalen. Als het beroep gegrond is, wordt het griffierecht vergoed door het bestuursorgaan.132

132 Artikel 8:74 Awb.

71 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

14 Verhaal van de kosten van nadeelcompensatie op de initiatiefnemer 14.1

Verhaal van de kosten van nadeelcompensatie op initiatiefnemer via een overeenkomst De Awb en de Omgevingswet voorzien erin dat de nadeelcompensatie vergoed wordt door de overheid waartoe het bestuursorgaan dat de schadevergoeding toekent behoort. Dus de gemeente als burgemeester en wethouders de vergoeding toekennen. In veel gevallen wordt het besluit dat de schade veroorzaakt genomen naar aanleiding van een aanvraag van een derde. Die derde profiteert van het besluit, maar hoeft niet voor de schadevergoeding op te draaien. Titel 4.5 Awb bevat niet de bevoegdheid om de schadevergoeding te verhalen op de initiatiefnemer die baat heeft bij een nieuwe ontwikkeling. Voor besluiten in de fysieke leefomgeving wordt het in dergelijke gevallen soms redelijk geacht dat de kosten die zijn gemoeid met de vergoeding van nadeelcompensatie geheel of gedeeltelijk wel op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. In de praktijk worden deze kosten soms op de initiatiefnemer verhaald via een overeenkomst. Voor het sluiten van deze overeenkomsten is op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad een wettelijke grondslag vereist.133 Artikel 13.3c van de Omgevingswet biedt een grondslag voor het sluiten van zo'n overeenkomst met degene die de activiteit verricht, die de schade veroorzaakt.

De Omgevingswet biedt dus een zelfstandige grondslag voor een overeenkomst over nadeelcompensatie (inclusief planschade). Het verhaal van kosten in verband met een vergoeding voor nadeelcompensatie via het sluiten van een overeenkomst met de initiatiefnemer is een bevoegdheid. Met de nieuwe ontwikkeling die schade veroorzaakt, kunnen zowel particuliere als algemene belangen gemoeid zijn, ongeacht de vraag of het bevoegd gezag ambtshalve of op verzoek van de initiatiefnemer met de nieuwe ontwikkeling heeft ingestemd. De regeling biedt het bevoegd gezag de mogelijkheid om tot een redelijke verdeling van de kosten te komen. Kostenverhaal zal mogelijk zijn, voor zover de vergoeding voor nadeelcompensatie toe te rekenen is aan de activiteit van de initiatiefnemer en hij daar baat bij heeft.

14.2

Verhaal van de kosten van nadeelcompensatie via een beschikking Daarnaast bevat de Omgevingswet een speciale bevoegdheid om nadeelcompensatie die een bestuursorgaan heeft betaald aan een benadeelde, publiekrechtelijk te verhalen op de initiatiefnemer die baat heeft bij de ontwikkeling waardoor de schade is ontstaan. De bevoegdheid staat in artikel 13.3d. Deze mogelijkheid is er als: ^ de initiatiefnemer de activiteit heeft aangevraagd, of ^ de activiteit die is toegestaan op grond van een regel in een omgevingsplan, waterschapsverordening, omgevingsverordening, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling, vergunningvrij verricht is. Deze mogelijkheid mag niet benut worden als: ^ de schadevergoeding redelijkerwijs voor rekening van het bestuursorgaan hoort te komen, of ^ de schadevergoeding voldoende op een andere manier is verzekerd. De bevoegdheid geldt alleen voor gevallen die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen. Dit is uitgewerkt in artikel 8.1a van het Omgevingsbesluit. Gevallen als bedoeld in artikel 13.3d van de wet, zijn de gevallen waarin schadevergoeding als gevolg van een besluit of een regel als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, onder a, e, i of k, van de wet is betaald, voor zover dat besluit of die regel betrekking heeft op waterbeheer. Dat zijn: ^ een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 (15.1, eerste lid, onder a),

133 Hoge Raad 2 mei 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF2848.

72 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

^ ^ ^

een regel in een waterschapsverordening, als het gaat om een regel als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid (artikel 15.1, eerste lid, onder e), een maatwerkvoorschrift (artikel 15.1, eerste lid, onder i), en een omgevingsvergunning (artikel 15.1, eerste lid, onder k).134

Ook het maatwerkvoorschrift en de omgevingsvergunning moeten betrekking hebben op waterbeheer. Artikel 7.17, eerste lid, van de Waterwet bevatte een vergelijkbare bevoegdheid. Voor andere gevallen is publiekrechtelijk verhaal van nadeelcompensatie niet nodig geacht.

14.3

Verhalen van de kosten van nadeelcompensatie via kostenverhaal bij gebiedsontwikkeling Het verrekenen van nadeelcompensatie kan echter ook via het kostenverhaal bij gebiedsont­ wikkeling. Artikel 13.13 maakt het mogelijk om te contracteren over de kosten van de gebiedsont­ wikkeling voor aangewezen activiteiten, zoals de nieuwbouw van woningen. De lijst aangewezen activiteiten staat in het Omgevingsbesluit.135 De kosten van nadeelcompensatie voor de in artikel 15.1 van de Omgevingswet aangewezen besluiten maken deel uit van de kostensoortenlijst in het Omgevingsbesluit. Als een anterieure overeenkomst over kostenverhaal wordt gesloten, moeten daarin tevens de geraamde kosten van nadeelcompensatie worden meegenomen. De anterieure overeenkomst kostenverhaal wordt geacht alle kostensoorten te omvatten. Daarom is het niet nodig om een afzonderlijke overeenkomst over nadeelcompensatie te sluiten op grond van artikel 15.1 van de Omgevingswet, als er al een anterieure overeenkomst over kostenverhaal gesloten is. Dit ligt alleen anders indien de partij die de overeenkomst over kostenverhaal aangaat, een ander is dan degene die de nadeelcompensatie veroorzaakt. Als er geen overeenkomst over kostenverhaal is gesloten, moeten voor het kostenverhaal bij de aangewezen activiteiten in het omgevingsplan kostenverhaalregels worden opgenomen.

Of moeten in de omgevingsvergunning of in een projectbesluit voorschriften over betaling van het kostenverhaal worden opgenomen. Ook langs deze weg worden de geraamde kosten van nadeelcompensatie in rekening gebracht bij degene die een aangewezen activiteit in een kostenverhaalsgebied aanvraagt. Als er kostenverhaalregels of kostenverhaalvoorschriften zijn vastgesteld, hoeft het bestuursorgaan geen gebruik te maken van de speciale verhaalsbevoegdheid in artikel 13.3d. Als er kostenverhaal voor aangewezen activiteiten aan de orde is, worden de kosten van nadeelcompensatie dus omgeslagen over alle initiatiefnemers voor de aangewezen activiteiten in het kostenverhaalsgebied. Dan is het doorleggen van de kosten van nadeelcompensatie via artikel 13.3c of 13.3d niet aan de orde. Als er geen kostenverhaal voor aangewezen activiteiten aan de orde is, kan de overheid de kosten van nadeelcompensatie doorleggen naar degene die profiteert via een overeenkomst op grond van artikel 13.3c of via een beschikking op grond van artikel 13.3d. Dan drukken de kosten van nadeelcompensatie geheel op degene die de schadeveroorzakende activiteit aanvraagt.

134 In artikel 8.1a van het Omgevingsbesluit werd verwezen naar de onderdelen d, h en j in plaats van naar e, i en k. Dit is gerepareerd via het Verzamelbesluit Omgevingswet 2022. 135 Artikel 8.13 Omgevingsbesluit.

73 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

15 Overgangsrecht 15.1

Overgangsrecht lopende procedures om schadevergoeding Overgangsrecht is nodig voor een soepele overgang van het oude naar het nieuwe recht. Zonder overgangsrecht zouden bij inwerkingtreding van de Omgevingswet bijvoorbeeld alle lopende procedures hun rechtsgrond verliezen. De Invoeringswet Omgevingswet bevat in paragraaf 4.2.7 overgangsrecht voor nadeelcompensatie. Op alle lopende procedures over schadevergoeding blijft het oude recht van toepassing, totdat het besluit om schadevergoeding onherroepelijk is geworden en een toegekende schadevergoeding volledig is betaald.136 Dus op een verzoek om planschade op grond van de Wro blijft de planschaderegeling in de Wro van toepassing.

15.2

Nog in te dienen verzoeken voor oude of in voorbereiding zijnde besluiten Is het schadeveroorzakende besluit of de schadeveroorzakende handeling voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet genomen of verricht? Dan blijft ook op een verzoek om schadevergoeding dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend het oude recht van toepassing. De wet maakt per type besluit onderscheid tussen a. vastgestelde besluiten, b. onherroepelijke besluiten, c. van kracht geworden besluiten en d. aangehouden besluiten. Hier volgt een toelichting. Ad a) Vastgestelde besluiten Voor een aantal besluiten die zijn vastgesteld voor inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het oude recht nog van toepassing op een verzoek om schadevergoeding voor schade veroorzaakt door dat besluit. Daarvoor geldt de eis dat het verzoek wordt ingediend binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Op die verzoeken is dus de oude regeling omtrent schadevergoeding van toepassing. De besluiten zijn: a. een beschikking als bedoeld in artikel 40, elfde lid, onder a, van de Mijnbouwwet, b. een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet of een weigering van die vergunning, c. een beschikking als bedoeld in artikel 8 van de Ontgrondingenwet, d.

een tracébesluit als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Tracéwet, e. een beschikking als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (bevat opsomming van een groot aantal beschikkingen op grond van de Wabo), f. een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer voor zover het gaat om artikel 10.52 van die wet, een beschikking als bedoeld in artikel 15.20, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer of een bepaling als bedoeld in artikel 15.21, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet, g. een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder g, van de Wro (besluit buitenwerkingstelling Wro vanwege landsverdediging),137 of

136 Artikelen 4.17 lid 3, 4.18 lid 3, 4.19 lid 3, 4.20 lid3, 4.21 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet. 137 Artikel 4.17 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.

74 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

h. een besluit tot aanhouding als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder d, van de Wro (een besluit tot aanhouding van een aanvraag om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 3.3. lid 1 of 3.4 van de Wabo).138 Besluiten in voorbereiding De Omgevingswet bevat ook overgangsrecht voor de situatie dat de genoemde besluiten nog in voorbereiding waren op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor de gevallen genoemd onder a tot en met g luidt dat als volgt: Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: a. een aanvraag om zo'n besluit is ingediend, b. bij een ambtshalve te nemen besluit het ontwerp ter inzage is gelegd, of c. bij een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb (horen belanghebbenden bij de voorbereiding van het besluit), en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.139 Voor het geval onder h luidt het overgangsrecht als volgt: Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.3.

of 3.4 van de Wabo is ingediend en dat besluit wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangehouden, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door de aanhouding van dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan.140 Ad b) Onherroepelijke besluiten Voor een aantal besluiten die onherroepelijk zijn geworden voor inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het oude recht nog van toepassing op een verzoek om schadevergoeding voor schade veroorzaakt door dat besluit. Daarvoor geldt de eis dat het verzoek wordt ingediend binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dat zijn: a. een onherroepelijk besluit of plan als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding, b. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 8.4, 8.15, 8.43, eerste lid, 8.70, eerste lid, of 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart in samenhang met artikel 8.31 van die wet, c. een onherroepelijk besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c, van de Wro (besluit omtrent een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit, een sloopactiviteit of gebruik dat strijdig is met een bestemmingsplan of beheersverordening, exploitatieplan, algemene maatregel van bestuur, provinciale verordening of voorbereidingsbesluit).

Besluiten in voorbereiding De Omgevingswet bevat ook overgangsrecht voor de situatie dat de genoemde besluiten nog in voorbereiding waren op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: a. een aanvraag om zo'n besluit is ingediend, b. bij een ambtshalve te nemen besluit het ontwerp ter inzage is gelegd, of

138 Artikel 4.20 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet. 139 Artikel 4.17 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet. 140 Artikel 4.20 lid 2 Invoeringswet Omgevingswet.

75 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

c. bij een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb (horen belanghebbenden bij de voorbereiding van het besluit), d. zo'n ambtshalve te nemen besluit is bekendgemaakt en het besluit onherroepelijk wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld.141 Voor degene die schade lijdt is het dus opletten. De termijn voor schadevergoeding begint al te tellen bij het moment van vaststelling. Als het besluit pas drie jaar later onherroepelijk zou worden, heeft degene die schade lijdt geen vijf maar twee jaar de tijd om het verzoek in te dienen. Ad c) Van kracht geworden besluiten Voor een aantal besluiten die van kracht zijn geworden voor inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft het oude recht nog van toepassing op een verzoek om schadevergoeding voor schade veroorzaakt door dat besluit. Daarvoor geldt de eis dat het verzoek wordt ingediend binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Dat zijn: ^ een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder a, Wro (meeste bepalingen van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan), ^ een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder b, Wro (bepalingen van wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan), ^ een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder e, Wro (bepaling van een provinciale verordening of algemene maatregel van bestuur, voor zover die een weigeringsgrond voor een vergunning bevat), ^ een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder f, Wro (bepaling van een exploitatieplan, voor zover die een weigeringsgrond voor een vergunning bevat). Besluiten in voorbereiding De Omgevingswet bevat ook overgangsrecht voor de situatie dat de genoemde besluiten nog in voorbereiding waren op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet: a. een aanvraag om zo'n besluit is ingediend, b. bij een ambtshalve te nemen besluit het ontwerp ter inzage is gelegd, en het besluit van kracht wordt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit van kracht is geworden. Schade door uitvoering van taak De hiervoor genoemde gevallen gaan over schade veroorzaakt door besluiten.

Het is echter ook mogelijk dat schade wordt veroorzaakt door handelingen bij de uitoefening van een taak of bevoegdheid. De Waterwet bevat een regeling voor vergoeding van schade veroorzaakt bij de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer. De waterbeheerder (bijna altijd een waterschap of Rijkswaterstaat) moet die schade vergoeden. Ook daarvoor is overgangsrecht opgenomen. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet schade is veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid als bedoeld in artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar nadat de schade zich heeft geopenbaard of de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, maar in ieder geval binnen twintig jaar na de schadeveroorzakende gebeurtenis.

141 Artikel 4.21 Invoeringswet Omgevingswet.

76 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

15.3

Overgangsrecht tijdelijk deel omgevingsplan Een aantal besluiten gaat onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, terwijl ze voorheen geen deel uitmaakten van een bestemmingsplan. Voor deze besluiten is bepaald dat ze niet gelden als schadeveroorzakend besluit voor nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 15.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet.142 Dat zijn een onherroepelijk besluit tot aanwijzing van: a. een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument of provinciaal monument, b. een gemeentelijk of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht, c. een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht, waarvan de inhoud wordt opgenomen in een omgevingsplan. Het is immers niet de bedoeling dat bestaande onherroepelijke aanwijzingen opnieuw als schadeveroorzakend besluit gaan gelden waarbij opnieuw de mogelijkheid ontstaat om een verzoek om schadevergoeding in te dienen.

Voorts is bepaald dat een omgevingsvergunning die wordt verleend op grond van een regel in het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet geldt als schadeveroorzakend besluit als bedoeld in artikel 15.1 lid 2 Omgevingswet.143 Volgens de memorie van toelichting voorkomt deze bepaling dat een benadeelde die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht om een verzoek om vergoeding van planschade in te dienen, door de verschuiving van het schademoment opnieuw die mogelijkheid krijgt.144

15.4

Overgangsrecht nadeelcompensatie- en planschadeverordeningen De Awb en de Omgevingswet bevatten dwingende bepalingen voor nadeelcompensatie. Na inwerkingtreding van de wijziging van de Awb en de Omgevingswet hebben de bestaande verordeningen over planschade en nadeelcompensatie hun werking verloren, behalve voor gevallen die vallen onder het overgangsrecht. Op die gevallen blijft het oude recht van toepassing en dus ook de oude verordening. Het is vanuit een oogpunt van rechtszekerheid wenselijk de oude verordeningen in te trekken. De VNG raadt aan een nieuwe verordening vast te stellen en heeft daarvoor een model opgesteld.

142 Artikel 22.13 lid 2 Omgevingswet. 143 Artikel 22.13 lid 1 Omgevingswet. 144 Kamerstukken II, 2017-18, 34986, nr. 3, p. 332.

77 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Begrippenlijst

Abnormale last: schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico Actieve risicoaanvaarding: hiervan is sprake als de verzoeker zelf handelingen verricht op een moment waarop hij de ongunstige overheidsmaatregel die schade veroorzaakt kon voorzien. Anticumulatieregeling: een bepaald element kan niet twee keer worden meegeteld (anti optelsombepalingen) Directe schade: schade die het gevolg is van het aanpassen van bestaande rechten van de aanvrager Egalitébeginsel of égalité devant les charges publiques (gelijkheid tegenover publieke lasten): alleen schade die uitgaat boven het normale maatschappelijke of normale bedrijfsrisico ('abnormale last') en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft ('speciale last') komt voor vergoeding in aanmerking. Gedoogplicht: de plicht voor een eigenaar van een onroerende zaak om te dulden dat een ander zijn onroerende zaak gebruikt Indirecte schade: schade veroorzaakt door activiteiten in de omgeving Nadeelcompensatie: de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de rechtmatige uitoefening van haar taak of bevoegdheid. Het gaat om schade die uitstijgt boven het normale maatschappelijke risico of normale bedrijfsrisico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven.

Passieve risicoaanvaarding: van passieve risicoaanvaarding is sprake als benadeelde ervan heeft afgezien om passende (aanpassings)maatregelen te nemen toen hij daartoe redelijkerwijs in de gelegenheid was, terwijl hij kon voorzien of er rekening mee moest houden, dat er later bepaalde overheidsmaatregelen zouden worden genomen die dat onmogelijk zouden maken. De schade die hij aldus had kunnen voorkomen, wordt hij geacht te hebben aanvaard. Relativiteitsvereiste (uit artikel 8:69a Awb): Bepaling dat bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt vanwege de schending van een geschreven of ongeschreven regel als deze kennelijk niet strekt tot bescherming van degene die zich op de regel beroept. Schaduwschade: het negatieve effect op de waarde van onroerende zaken dat optreedt vanaf de voorbereiding van een besluit of activiteit, doordat partijen het verwachte besluit betrekken bij hun waardebepaling. Speciale last: een last die op een beperkte groep burgers of bedrijven onevenredig zwaar drukt ten opzichte van een vergelijkbare groep (de referentiegroep) Specialiteitsbeginsel: dit houdt in dat de belangenafweging door een bestuursorgaan beperkt dient te blijven tot de belangen die de desbetreffende wet beoogt te beschermen Uitvoeringsschade: schade als gevolg van de feitelijke uitvoering van de activiteit

78 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Bijlage 1: Kruimelgevallen waarvoor geen schadevergoeding mogelijk is Gevallen waarin de schade niet geacht wordt uit te komen boven het normaal maatschappelijk risico. Daardoor komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking. Ze zijn aangewezen op grond van artikel 15.7 lid 4 van de Omgevingswet. Zie voor uitleg paragraaf 3.5.

Artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken) (voor inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging bouwen genummerd artikel 2.15f

Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken: a. een bouwwerk voor zover daaraan gewoon onderhoud wordt verricht en daarbij detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet wijzigen; b. een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - ľ. voorzien van een plat dak; - 2” gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m; - 3”. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; - 4”. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en - 5”. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; c. een dakraam, daklicht, lichtstraat of soortgelijke daglichtvoorziening in een dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”. bij plaatsing in het achterdakvlak, een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak of een plat dak: i. de constructie steekt niet meer dan 0,6 m uit buiten het dakvlak respectievelijk het platte dak; en ii.

zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak of het platte dak; en - 2”. bij plaatsing in een ander dakvlak dan bedoeld onder 1”: i. de constructie steekt niet uit buiten het dakvlak; en ii. zijkanten, onder- en bovenzijde meer dan 0,5 m van de randen van het dakvlak; d. een collector voor warmteopwekking of een paneel voor elektriciteitsopwekking op een dak, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”. bij plaatsing op een schuin dak: i. binnen het dakvlak; ii. in of direct op het dakvlak; en iii. hellingshoek gelijk aan hellingshoek dakvlak; - 2”. bij plaatsing op een plat dak: afstand tot de zijkanten van het dak ten minste gelijk aan hoogte collector of paneel; en - 3”. als de collector of het paneel niet één geheel vormt met de installatie voor het opslaan van het water of het omzetten van de opgewekte elektriciteit: die installatie aan de binnenzijde van een bouwwerk geplaatst; e. een kozijn, kozijninvulling, gevelpaneel, isolatieplaat of boeideel, of stucwerk, bij plaatsing in of aan de achtergevel of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, of in of aan een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied; f.

een zonwering, rolhek, luik of rolluik aan of in een gebouw, als, voor zover het daarbij gaat om een rolhek, luik of rolluik in een voorgevel of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde

79 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

zijgevel van een ander hoofdgebouw dan een woning of woongebouw, wordt voldaan aan de volgende eisen: - ľ\ geplaatst aan de binnenzijde van de uitwendige scheidingsconstructie; en - 2” voor ten minste 75% voorzien van glasheldere doorkijkopeningen; g. een afscheiding tussen balkons of dakterrassen; h. tuinmeubilair, als dat niet hoger is dan 2,5 m; i. een sport- of speeltoestel voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”. niet hoger dan 2,5 m; en - 2”. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens; j. een erf- of perceelafscheiding, als die niet hoger is dan 1 m; k. een constructie voor het overbruggen van een terreinhoogteverschil van niet meer dan 1 m die niet hoger is dan het aansluitende afgewerkte terrein; l. een vlaggenmast op een gebouwerf, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”. niet hoger dan 6 m; en - 2”. ten hoogste een mast per gebouwerf; m. een antenne-installatie voor mobiele telecommunicatie op of aan een bouwwerk, met inbegrip van een hekwerk ter beveiliging van een dergelijke antenne-installatie op of aan een bouwwerk als bedoeld onder 1”, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”.

bij plaatsing op of aan een hoogspanningsmast, wegportaal, reclamezuil, lichtmast, windturbine, sirenemast of een niet van een bouwwerk deel uitmakende schoorsteen, of op een antenne-installatie als bedoeld onder n of een andere antenne-installatie voor zover hoger dan 5 m: i. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 5 m; en ii. de antenne hoger geplaatst dan 3 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein; en - 2”. bij plaatsing op of aan een ander bouwwerk dan bedoeld onder 1”: i. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 0,5 m; of ii. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of als deze is bevestigd aan een gevel van een gebouw, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m; waarbij: - de antenne, met antennedrager, hoger geplaatst dan 9 m, gemeten vanaf het bij het bouwwerk aansluitende afgewerkt terrein; - de bedrading in of direct langs de antennedrager of inpandig aangebracht, of in een kabelgoot, als deze kabelgoot meer dan 1 m achter de voorgevel is geplaatst; en - de antennedrager bij plaatsing op het dak van een gebouw: - 1”. aan of bij een op het dak aanwezig object geplaatst; - 2”. in het midden van het dak geplaatst; of - 3”.

elders op het dak geplaatst, als de afstand in meters tot de voorgevel van het bouwwerk ten minste gelijk is aan: 18 gedeeld door de hoogte waarop de antenne, met antennedrager, is geplaatst, gemeten vanaf het bij het gebouw aansluitende afgewerkt terrein tot aan de voet van de antenne, met antennedrager; n. een antenne-installatie met bijbehorend opstelpunt voor de C2000-infrastructuur voor de mobiele communicatie door hulpverleningsdiensten; o. een andere antenne-installatie dan bedoeld onder m en n, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - 1”. als het gaat om een schotelantenne: i. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst; ii. de doorsnede van de antenne niet meer dan 2 m; en iii. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, niet hoger dan 3 m; en

80 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

- 20. als het gaat om een andere antenne dan bedoeld onder ľ: i. de antenne-installatie achter het voorerfgebied geplaatst; en ii. de antenne, met antennedrager, gemeten vanaf de voet, of als deze is bevestigd aan de gevel, gemeten vanaf het punt waarop de antenne, met antennedrager, het dakvlak kruist, niet hoger dan 5 m; p. een bouwwerk voor een infrastructurele of openbare voorziening, voor zover het gaat om: - ľ. een bouwwerk voor een nutsvoorziening, de waterhuishouding, het meten van de luchtkwaliteit, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer, als wordt voldaan aan de volgende eisen: i. niet hoger dan 3 m; en ii. de oppervlakte niet meer dan 15 m2; - 20. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor: i. het weren van voorwerpen die de veiligheid van het weg-, spoorweg-, water- of luchtverkeer in gevaar kunnen brengen; ii. de beveiliging van een weg, spoor- of waterweg of een spoorweg- of luchtvaartterrein; iii. verkeersregeling, verkeersgeleiding, handhaving van de verkeersregels, wegaanduiding, het opladen van accu's van voertuigen, verlichting of tolheffing; of iv. iv. het verschaffen van toegang tot het openbaar vervoer of openbaar vervoersgebouwen of het overbruggen van hoogten door personen met een handicap in en nabij openbaar vervoersgebouwen of perrons; v. v.

het beperken van geluid door een weg of spoorweg ter uitvoering van een besluit tot vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde als bedoeld in artikel 2.13a of 2.15, tweede lid, van de wet; of vi. het beperken van geluid door een weg of spoorweg ter uitvoering van de in een programma als bedoeld in artikel 22.18 van de wet of een saneringsplan als bedoeld in artikel 11.60 van de Wet milieubeheer gekozen maatregel voor een locatie; - 30. bovenleidingen met de bijbehorende draagconstructies of seinpalen; - 40. ondergrondse buis- en leidingstelsels, met inbegrip van ondergrondse faunapassages en met uitzondering van: i. een buisleiding als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, aanhef en onder a tot en met e, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en ii. een buisleiding voor warm water of stoom anders dan een buisleiding als bedoeld onder i. - 50. een container voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, als wordt voldaan aan de volgende eisen: i. niet hoger dan 2 m; en ii. bij plaatsing bovengronds: de oppervlakte niet meer dan 4 m2; - 60. een elektronische sirene voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten of de dreiging daarvan, met inbegrip van de daarbij behorende bevestigingsconstructie; - 70. straatmeubilair; of - 80.

meubilair in openbaar vervoersgebouwen of op perrons; q. een bouwkeet, bouwbord, steiger, heistelling, hijskraan, damwand, terreininrichting of andere hulpconstructie die functioneel is voor bouw-, onderhouds- of sloopwerkzaamheden, tijdelijke werkzaamheden in de grond, weg- of waterbouw of werkzaamheden met een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 3.322, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij plaatsing op of in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die werkzaamheden worden verricht; of r. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied, als wordt voldaan aan de volgende eisen: - ľ. niet hoger dan 1 m; en - 20. de oppervlakte niet meer dan 2 m2.

81 | Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet

Colofon Project Handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet Auteur Hendrik van Sandick Met dank aan Josephine Roos (ministerie van BZK); Nicoline van den Heuvel, Sylvia Suurmeijer (Programma Aan de slag met de Omgevingswet); Ada Blijleven-Spelt, Yvette Boltze, Marieke de Jager (Rijkswaterstaat) en de leden van de klankbordgroep handreiking nadeelcompensatie Omgevingswet: Maarten Engelberts, Chantal van Rooijen (VNG); Kees van der Lee (SAOZ); Jody Bakker (Rho Adviseurs); Ronald de Graaf, Renata Busscher (gemeente Amsterdam); Pierre Hagenbeek (gemeente Utrecht); Leen Meijers (waterschap Scheldestromen); Anique Stroux (Rijkswaterstaat). Vormgeving Xerox/Osage De hoofdstukken 9 en 10 zijn ontleend aan een onderzoeksrapport van Rho Adviseurs te Rotterdam, opgesteld door Jody Bakker, Frits Dinkkla, Ruud Louwes en Kees van der Lee (SAOZ) in opdracht van het ministerie van BZK. Juni 2022 Aan deze handreiking kunnen geen rechten worden ontleend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=5991f5ca-0eee-4a6e-8125-520d286b9122