[22.18301] - begr2023 Totaaldocument begroting 2023-2026 (gewijzigd conform aanvullend raadsvoorstel)
Tekst van het document
De toekenning van het Wsw-deel van de integratie uitkering is gebaseerd op een geschatte daling van het aantal arbeidsplaatsen per gemeente. Of deze daling daadwerkelijk plaatsvindt, is mede afhankelijk van persoonlijke omstandigheden. Daarboven komt nog de verlaging van de fictieve vergoeding per arbeidsjaar. De exacte bedragen worden jaarlijks in de meicirculaire bekend gemaakt en zijn afhankelijk van de feitelijke, landelijke, uitstroom. Bijzondere bijstand Door het toegenomen aantal statushouders die op basis van de taakstelling dient te worden gehuisvest nemen de kosten voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten aanzienlijk toe. Gelet op de huidige toestroom aan vluchtelingen o.a. vanuit Afghanistan en Oekraïne kan dit aantal mogelijk nog verder toenemen, waardoor het aantal aanvragen voor duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten nog verder zal stijgen. Ook wordt een stijging verwacht van het aantal aanvragen bijzondere bijstand en minimaregelingen als gevolg van de koopkrachtdaling en inflatie. Daarnaast bestaat er tevens een aanzienlijke kans dat de inflatie effect zal hebben op de hoogte van de bijdragen in het kader van de bijzondere bijstand en minimaregelingen.
WW-verplichtingen De gemeente is als werkgever verplicht om, conform artikel 10.16 van de CAO, maandelijks 0,1% premie “Reparatie uitkering 3e WW-jaar” in te houden op het salaris van alle medewerkers. Dit betekent vervolgens dat de gemeente risicodrager is voor het 3e WW-jaar en de gemeente dus mogelijk vanuit het UWV wordt aangesproken op deze WW-verplichting. De eventuele financiële consequenties zijn niet in te schatten. Jeugd Landelijk is uitgesproken dat de budgetten vanuit het rijk structureel te laag zijn. Om die reden zijn de middelen in 2021 incidenteel verhoogd. In 2022 wordt besloten of een structurele verhoging van de middelen voor jeugdhulp aan de orde is. In de meicirculaire 2022 zijn de middelen voor het jaar 2023 toegekend. Voor 2024 en verder blijft het nog enigszins onzeker. In de uitvoering zijn grote verschillen tussen de verschillende gemeenten in de Kempen als het gaat om het beroep dat op jeugdhulp wordt gedaan. Zowel het aantal cliënten als het soort jeugdhulp dat zij ontvangen is daar debet aan. Voor jeugd geldt overigens, net als bij de Wmo taken, dat sprake is van een open-eind regeling. Voor jeugd geldt bijkomend dat de gemeente niet de enige verwijzer is. Huisartsen kunnen bijvoorbeeld ook verwijzen naar specialistische jeugdhulp; hierop heeft de gemeente geen directe invloed.
Verontreinigde grond In Zuidoost Brabant is de kans op bodemverontreiniging in de openbare ruimte groot. In het verleden zijn in deze regio vaak zinkassen gebruikt als funderingsmateriaal voor wegen.
94
Naast financiële risico’s voor het (mogen) bewerken, verwerken, opslag en afvoer van vervuilde grond zijn er ook risico’s op het gebied van ARBO. Het laatste is redelijkerwijze beheersbaar door het (laten) uitvoeren van onderzoeken, het op de juiste manier beschrijven in de uitvoeringsbestekken en het verzorgen van toezicht hierop. Uiteindelijk is de gemeente als opdrachtgever altijd eindverantwoordelijk voor de (financiële) gevolgen van werken met verontreinigde grond. De risico’s zijn beperkt. De in de regio werkzame aannemers zijn goed op de hoogte van de regelgeving. In de projectramingen voor het MIP zijn de bodemonderzoeken opgenomen in de voorbereidingskosten. Over de afgelopen jaren zijn deze kosten flink toegenomen. Kosten voor eventuele sanering proberen we op voorhand in te schatten met de bodemkwaliteitskaart. Zo nodig nemen we extra saneringskosten op in de projectraming. Het is echter altijd mogelijk dat verontreinigingen bij de steekproeven niet worden aangetroffen. Dit veroorzaakt dan overschrijdingen op het project. Deze zijn dan per definitie fors. Risico’s voortvloeiend uit samenwerking met andere gemeenten en instanties Verbonden partijen We kunnen worden geconfronteerd met financiële tegenvallers van verbonden partijen waarin we onszelf verplichten bij te dragen in eventuele nadelige saldi. Hierop hebben we niet altijd directe invloed.
Indien in de loop van een jaar een nadelig saldo ontstaat, leggen we hiervoor separate voorstellen voor aan de raad. Een onderdeel van de verbonden partijen zijn de gemeenschappelijke regelingen. Ons uitgangspunt is dat de gemeenschappelijke regelingen in eerste instantie zelf moeten zorgdragen voor dekking. Ten aanzien van de begroting gaan we zoveel mogelijk uit van de loon- en prijsstijgingen zoals de deelnemende gemeenten deze zelf ook hanteren. Naast dit algemene risico ten aanzien van verbonden partijen, kunnen er ook specifieke risico’s ten aanzien van één partij zijn. Informatiebeveiliging en privacy De gemeente verwerkt en beheert voor de uitvoering van haar taken informatie en persoonsgegevens. Informatie moet beschikbaar en betrouwbaar zijn. Daarnaast mogen informatie en persoonsgegevens alleen voor bevoegden inzichtelijk zijn. Door het nemen van passende beveiligingsmaatregelen verlagen we het risico op beveiligingsincidenten. Daarmee beperken we mogelijke negatieve impact van dergelijke incidenten op privacy en de gemeentelijke informatievoorziening, zoals imago- of financiële schade. De gemeente richt haar informatiebeveiliging in volgens de BIO, de Baseline Informatiebeveiliging Overheid. We monitoren de stand van zaken in ons Informatie Security Management Systeem (ISMS). Jaarlijks leggen we via ENSIA verantwoording af in de mate waarin we voldoen aan de BIO.
Daarnaast zijn de Kempengemeenten via het SSC aangesloten op GGI-veilig, het landelijke netwerk om de digitale weerbaarheid van gemeenten te verhogen. Door preventieve monitoring vanuit de dienst SIEM/SOC kunnen cyberrisico’s worden voorkomen. De hoogte van eventuele financiële consequenties in geval van een incident is op voorhand niet in te schatten. Overdracht bodemtaken: Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2023 vindt ook de overdracht van bodemtaken plaats en treedt er een verschuiving op van de bevoegd gezag taken van de provincie naar de gemeente. Uitvoering van de bodemtaken zijn door de provincie nu belegd bij de omgevingsdienst (ODZOB). Een belangrijk deel van de overdracht van bodemtaken valt onder het basistakenpakket van de omgevingsdienst en moeten wettelijk verplicht door de ODZOB worden uitgevoerd. Voor de bodemtaken die niet onder het basistakenpakket vallen, de zogenaamde verzoektaken, is de gemeente vrij in het kiezen van een opdrachtnemer. Met de overdracht van de bodemtaken naar de gemeente wordt bijbehorende financiering geregeld, naar verwachting via een uitkering in het gemeentefonds. Ondanks herhaalde verzoeken (door provincie/ODZOB/VNG) is nog niets bekend over de hoogte van de uitkering voor de extra taken.
In de kadernota en ontwerpbegroting 2023 van de ODZOB, wordt al rekening gehouden met de verschuiving van taken en kosten per 1-1-2023. Financiering van de uitvoering van de basistaken op gebied van bodem voor de gemeenten verloopt vanaf 2023 rechtstreeks via de werkprogramma’s van de ODZOB.
95
Op basis van de taakuitvoering door de ODZOB in opdracht van de provincie is voor de gemeente voor het jaar 2023 een inschatting gemaakt van de extra kosten die de overdracht van de bodemtaken met zich mee brengt. Het gaat om een grove inschatting die is gebaseerd op taken en bijbehorende kosten die voor de individuele gemeente in eerdere jaren zijn gemaakt. Voor de gemeente Eersel gaat het om een bedrag van jaarlijks € 10.000,--. De exacte hoogte van het benodigde bedrag wordt bepaald door de feitelijke uitvoering van taken door de ODZOB. Als er in een jaar veel ontwikkelingen zijn op gebied van bodem (o.a. melding grondtransporten, bodemsaneringen, advisering bodemonderzoeken) is te verwachten dat de kosten hoger zullen uitvallen dan in jaren waarin minder activiteiten op gebied van bodem plaatsvinden. Omdat qua uitvoering en in financieel opzicht er nog veel onduidelijk bestaat, wordt voorgesteld om de overdracht van bodemtaken onderdeel van de risicoparagraaf te laten uitmaken. Op een later moment wordt de raad besluitvorming over de bodemtaken voorgelegd. Regionaal Historisch Centrum Eindhoven De gemeente is krachtens de gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Eindhoven aangesloten bij de gemeenschappelijke archiefdienst, te weten het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven (RHCe).
Het E-depot, ook wel Duurzame Digitale Opslagvoorziening (DDO) genoemd, is volledig operationeel. Digitale archiefbescheiden kunnen in het E-depot worden opgenomen en ontsloten. De kosten voor opname van archiefbescheiden in het E-depot vallen onder de begroting van het RHCe. Daarbij moet benoemd worden dat de kosten voor de in het E-depot opgenomen archiefbescheiden op termijn, wanneer de totale omvang van het E-depot substantieel toeneemt, doorberekend worden aan de afzonderlijke gemeenten zoals dat nu ook gedaan wordt voor het aantal strekkende meters analoog archief. Daarnaast dient de gemeente rekening te houden met extra kosten voor de eigen informatiesystemen, om opname van informatie vanuit de gemeentelijke informatiesystemen in het E-depot op termijn mogelijk te maken. De eventuele financiële consequenties daarvan zijn op dit moment nog niet in te schatten. Verwerkingsovereenkomst restafval Attero In 1996 hebben de (toenmalige) 6 Brabantse gewesten met Afvalsturing Brabant een overeenkomst gesloten om t/m januari 2017 Brabantbreed jaarlijks 510 kiloton huishoudelijk restafval ter verwerking (verbranding) aan te leveren (volumeverplichting). Lopende die overeenkomst is Attero de contractpartner geworden. Omdat steeds meer gemeenten hun afval (beter) gingen scheiden, wordt sinds 2011 niet meer aan die volumeverplichting voldaan.
Dat was voor Attero reden om aan de gewesten een naheffing op te leggen voor, in eerste instantie, de jaren 2011-t/m 2015. Na meerdere juridische procedures is Attero uiteindelijk in het ongelijk gesteld. Daarmee is die naheffing van de baan. Later heeft Attero aan de gewesten weer een nieuwe naheffing opgelegd voor het niet nakomen van de volumeverplichting over de jaren 2015 t/m januari 2017 (einde verwerkingsovereenkomst). Die naheffing betrof een bedrag van € 14,5 miljoen. Vooralsnog heeft het Nationaal Arbitrage Instituut (NAI) die naheffing als terecht beoordeeld. De Vereniging van Contractanten is het daar niet mee eens en heeft daarom een procedure aangespannen bij de Rechtbank tot vernietiging van dat NAI-vonnis. Vooruitlopende op die uitspraak waren de gewesten wel verplicht om die naheffing te voldoen en daarom heeft het MRE haar deel van de naheffing (€ 6,1 miljoen) voorgeschoten voor de 21 gemeenten. Ook met betrekking tot deze naheffing is Attero in het ongelijk gesteld. Attero heeft cassatieadvies gevraagd en deze is ook ingesteld. Wanneer de cassatie onverhoopt verloren zou worden dan zullen de gemeenten waarschijnlijk een (deel van die) naheffing moeten betalen.
Niet afgedekte risico’s GGD (deel van de totale risico’s die bij de GR niet afgedekt zijn door de AR en waarbij de gemeente dus een risico loopt) Jaarlijks wordt voor het bestuur, bij het aanbieden van de programmabegroting, een actuele financiële risico-inventarisatie opgesteld. De recente inventarisatie resulteert in een benodigde weerstandscapaciteit voor PG van ca. € 2.250.000,-. Het bestuur heeft echter eerder vastgesteld dat de algemene reserve niet tot dat bedrag hoeft te worden aangevuld maar dat de kaders en staffels zoals vastgesteld in de beleidsnotitie Kaders P&C-documenten 4GR-deel 2 hiervoor leidend zijn. Gegeven de verwachte omzet is dan voor PG (incl. JGZ 0-4) een kader stellende bandbreedte van toepassing van minimaal € 1.500.000,- en maximaal € 2.000.000,-. De Algemene Reserve PG bedraagt, inclusief het resultaat 2021, ca € 1.100.000,- en naar verwachting bedraagt die begin 2023 € 1.500.000,-. Voor een bedrag van € 2.250.000 -/- € 1.500.000 = € 750.000 lopen de gemeenten dan dus een risico. De risico-inventarisatie resulteert voor AZ in een benodigde weerstandscapaciteit van ca. € 2.200.000,-. Gegeven de verwachte omzet is dan een kaderstellende bandbreedte van min. 96
€ 1.200.000 en max. € 1.500.000 voor de algemene reserve over te nemen. De Algemene Reserve AZ bedraagt, inclusief het resultaat 2021, ca. € 1.400.000,-; voor 2022 wordt geen noemenswaardige mutatie verwacht. Voor een bedrag van € 2.200.000 -/- € 1.400.000 = ca. € 800.000 (afgerond) lopen de gemeenten dus een risico. Zie onderstaande tabel. Gedeelte niet gedekte risico's voor gemeente Eersel (en totaal) Gemeente # Inw. Vlgs begr '23 Risico's PG Risico's AZ Totaal Eersel 19.822 € 18.794 € 20.047 € 38.841 Totaal 21 gemeenten 791.021 € 750.000 € 800.000 € 1.550.000 Gemeentelijke (privaatrechtelijke) overeenkomsten De gemeente Eersel gaat diverse (privaatrechtelijke) overeenkomsten aan. Er kunnen zich in de uitvoering hiervan situaties voordoen waardoor een risico ontstaat op niet (volledige) nakoming van deze overeenkomsten door partijen. Risico’s voortvloeiend uit voor de gemeente autonome ontwikkelingen Ontwikkeling algemene uitkering Gemeentefonds Accres De laatste jaren was er diverse malen onzekerheid over de hoogte van het accres doordat een aanvankelijk hoog accres op latere momenten neerwaarts werd bijgesteld. Met andere woorden de hogere rijksuitgaven (“samen trap op”) waren later toch minder hoog. Het risico bestaat dus dat bij latere circulaires het accres neerwaarts wordt bijgesteld. De eventuele financiële consequenties hiervan zijn moeilijk in te schatten.
Herijking Het nieuwe verdeelstelsel wordt toegepast vanaf het boekjaar 2023. Het effect voor de gemeente Eersel bedraagt op dit moment € 63,-- per inwoner. De uitkomsten tot en met 2025 zijn verwerkt in de meicirculaire 2022. Hierin is een trapsgewijze verhoging opgenomen tot € 37,50 per inwoner in 2025. Voor 2026 hebben we in de begroting 2023-2026 vooralsnog rekening gehouden met een nadeel van € 52,50 per inwoner. BCF-plafond In de begroting 2023-2026 wordt geen rekening gehouden met een mogelijke onderuitputting. Er bestaat echter een risico dat het BCF-plafond (macro) wordt overschreden waarna er een korting in het gemeentefonds zal plaatsvinden. In hoeverre het BCF plafond macro gezien toereikend is/blijft is pas na afloop van het begrotingsjaar bekend. Renteontwikkeling Indien de rente op de geld- en kapitaalmarkt zich ongunstig ontwikkelt ten opzichte van de percentages die in de begroting zijn opgenomen, moeten we mogelijk rekening houden met extra rentelasten (zie ook de treasuryparagraaf). De ontwikkeling van de rente is moeilijk in te schatten. Omgevingswet Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. De inhoud van de wet is niet concreet, het is namelijk een kaderwet die uitgewerkt wordt in algemene maatregelen van bestuur en uitwerkingsregelingen.
De afgelopen jaren zijn de algemene maatregelen van bestuur en de uitwerkingsregelingen uitgewerkt. Hierdoor hebben we met een aantal onzekerheden rekening moeten houden. In 2022 is gewerkt aan de implementatie en we waren gereed op 1 januari 2023. In 2023 wordt ervaring opgedaan met de wet en als het nodig is wordt bijgestuurd. Voor een deel is in de financiering voorzien via het krediet “Herziening ruimtelijke plannen”, het gaat hier met name om een aantal procedurele elementen en het opstellen van Omgevingswetinstrumenten. Voor de reguliere uitvoering van de wet is krediet gevraagd in het begrotingsproces. De invoering van de Omgevingswet heeft naast een verandering van de instrumenten ook gevolgen voor de cultuur en de informatievoorziening. De verandering op het gebied van cultuur zijn: • van nee tenzij, naar ja mits • van toets vooraf, naar handhaven achteraf • van zorgplicht bij overheid naar zorgplicht bij iedereen • van inspraak en bezwaar naar brede participatie. 97
Voor een cultuuromslag zal ook de nodige weerstand overwonnen moeten worden. Maar de organisatie van de gemeente Eersel is al langer bezig met een omschakeling van nee tenzij, naar ja mits en naar integraal werken. De cultuuromslag die gevraagd wordt voor de Omgevingswet past in de algehele verandering van de rol van de overheid van regelaar naar partner. Met het verminderen van legesinkomsten als gevolg van de Omgevingswet en de gelijktijdig in werking tredende Wet kwaliteitsborging voor het bouwen is vanaf het jaar 2023 in de begroting rekening gehouden. Mogelijk uitstel van de Omgevingswet kan nog zorgen dat een vermindering van de legesinkomsten later plaats gaat vinden. Coronavirus De uitbraak van COVID-19 (Corona) eind februari 2020 heeft een enorme impact op ons allemaal. De wereldwijde pandemie leidt tot ongekende omstandigheden. Voor de aanpak van COVID-19 kijken wij wat we, aanvullend op de landelijk maatregelen van het Rijk, kunnen doen. Dit raakt veel beleidsterreinen van onze organisatie. We streven naar een zo adequaat mogelijke uitvoering van de landelijke en lokale maatregelen en naar zoveel mogelijk continuïteit van de reguliere werkzaamheden en van noodzakelijke (digitale) besluitvorming en hebben daarvoor de nodige interne maatregelen genomen. De exacte gevolgen voor de organisatie van de gemeente Eersel zijn nog niet volledig bekend.
Kengetallen Conform Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) nemen we de volgende kengetallen op: - netto schuldquote; - netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen; - solvabiliteitsratio; - structurele exploitatieruimte - grondexploitatie - belastingcapaciteit De kengetallen worden conform het nieuwe BBV vanaf begroting 2017 ook meerjarig te worden weergegeven. De kengetallen voor de jaren 2021 tot en met 2026 zijn berekend op: Kengetallen behorende bij de begroting 2023 Netto schuldquote Netto schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen Solvabiliteitsratio Structurele exploitatieruimte Grondexploitatie Belastingcapaciteit
Rekening 2021 -36% -36%
Begr. 2022 -17% -17%
Begr. 2023 -20% -20%
Begr. 2024 -21% -21%
Begr. 2025 -22% -22%
Begr. 2026 -26% -26%
56,0% 2,40% 3,19% 100%
64% 0,86% 3,17% 92%
63% 3,54% 2,03% 86%
65% 3,06% 0,83% 87%
65% 3,11% 0% 87%
65% -2,61% 0% 87%
Toelichting op deze kengetallen: Schuldquote Dit kengetal geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. De netto schuldquote geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Als algemene norm geven we de volgende richtgetallen. Algemene normwaarden schuldquote
Schuldquote
Normaal Voorzichtigheid geboden Zeer hoge schuld
0% - 100% > 100 % > 130 %
De schuldquote ligt bij de begroting 2023 onder de 0%. Dit betekent dus dat de gemeente Eersel een zeer gunstige schuldquote heeft.
98
Solvabiliteitsratio De solvabiliteitsratio geeft inzicht in de mate waarin het bezit van de gemeente is afbetaald en in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Deze ratio geeft het aandeel van het eigen vermogen ten opzichte van het totaal vermogen. Algemene normwaarden bruto schuld
Ratio solvabiliteit
Weinig tot geen schuld Normaal Voorzichtigheid geboden Bezit zeer zwaar belast met schuld
> 80 % 30% - 80% 20% - 30% 0% - 20%
De solvabiliteitsratio voor 2023 bedraagt 63% welk percentage als normaal kan worden beschouwd. Structurele exploitatieruimte Dit kengetal is van belang om te beoordelen welke structurele ruimte een gemeente heeft om de eigen lasten te dragen. Zoals blijkt uit de tabel is de structurele exploitatieruimte gering. Dit past binnen ons beleid om strak te begroten. Grondexploitatie Dit kengetal geeft aan hoe de waarde van de grond zich verhoudt tot de totale (geraamde) baten. Het is lastig om hier een norm voor te formuleren aangezien deze norm niets zegt over de relatie tussen vraag en aanbod van woningbouw c.q. bedrijventerreinen. Belastingcapaciteit Dit kengetal geeft inzicht hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Bij de becijfering van dit kengetal is uitgegaan van hetgeen met betrekking tot de lastendruk is vermeld in de paragraaf “Lokale heffingen”. Hieruit blijkt dat de (voorlopige) lastendruk voor 2023 is becijferd op € 757,11 terwijl het landelijk gemiddelde voor 2022 (t-1) € 877,-bedraagt. Dit betekent dat de gemeente Eersel in 2023 ruim 13% onder het landelijk gemiddelde van 2022 zit.
99
3.
ONDERHOUD KAPITAALGOEDEREN
Wat zijn kapitaalgoederen? Kapitaalgoederen zijn belangrijk voor de openbare ruimte en het beheer en behoud daarvan is een taak voor ons. Wanneer we dit niet goed onderhouden, is de kans groot dat we veel klachten krijgen. Dit kan leiden tot ad hoc maatregelen en extra grote uitgaven. Dat noemen we ook wel kapitaalvernietiging. Via beheersplannen zorgen we ervoor dat het onderhoud systematisch gedaan wordt. Wegen Beleidskader Op grond van de Wegenwet zijn wij als wegbeheerder verantwoordelijk voor onderhoud en beheer van gemeentelijke wegen. Het gaat om de wegen binnen de bebouwde kom en wegen buiten de bebouwde kom die op de wegenlegger als openbare weg zijn aangegeven. Ook de aanliggende bermen, sloten en eventuele kunstwerken (bruggen en/of viaducten) horen bij de weg. Het verhardingsoppervlak (asfalt en elementverhardingen) in onze gemeente is ongeveer 1,85 miljoen vierkante meter. De vervangingswaarde hiervan bedraagt ± 166 miljoen euro. Beheer Het wegenbestand (asfalt, beton, elementverhardingen, inclusief civiele kunstwerken) houden we in stand door planmatig onderhoud. Hierbij maken we gebruik van een geautomatiseerd wegbeheerprogramma. Door de gemeenteraad is het onderhoudsniveau voor de verhardingen vastgesteld namelijk niveau B en voor parkeerplaatsen op C. Het daarbij benodigde budget is berekend met het beheerprogramma.
De storting in de voorziening (onderhoud) wegen voor 2023 is € 840.847,--. Door om het jaar alle verhardingen te laten inspecteren, dit te verwerken in het geautomatiseerde beheerprogramma en het maken van planning en begroting, houden we een actueel wegbeheerplan en inzicht op het door de gemeenteraad vastgestelde onderhoudsniveau. Uitvoering beheerplan wegen Uit de laatst uitgevoerde weginspectie (2022) blijkt dat de gemiddelde kwaliteit van onze wegverhardingen gezakt is tot rapportcijfer 4,9. Dat is lager dan de ondergrens van het streefniveau B (5,5 - 7,5). Dat dit zou gebeuren was ingecalculeerd aangezien een groot deel van onze wegen is aangelegd tussen 1950 en 1970. Klinker- en tegelverhardingen zijn kwalitatief iets beter dan asfaltverhardingen. In de komende jaren is veel grootschalig onderhoud en rehabilitatie van asfaltwegen buiten de bebouwde kom in het MIP opgenomen. Dit zal een verdere daling van de gemiddelde kwaliteit stoppen. In 2024 wordt een nieuwe inspectie uitgevoerd. Afgelopen jaar hebben wij aan de hand van de weginspecties een nieuw beheerplan wegen 2023 2027 gemaakt, onze onderhoudsstrategie aangepast en een financieel groeimodel uitgewerkt. De financiële consequenties hiervan zullen worden verwerkt in de begroting 2024 e.v. Het grootschalig klein onderhoud in 2023 wordt uiteraard wel uitgevoerd op basis van de inspecties 2022.
Naast het planmatig onderhoud met behulp van het wegbeheerprogramma voeren we nog diverse onderhoudstaken uit op basis van inspectierondes en vaste onderhoudscycli. Deze onderhoudstaken omvatten onder andere het vegen van de wegen, afgraven en aanvullen bermen, onderhoud wegmarkeringen, onderhoud zandwegen, calamiteitenonderhoud verhardingen, onkruidbestrijding op verhardingen, onderhoud straatmeubilair, uitdiepen bermsloten en het onderhoud aan de duikers onder de wegen. Deze kosten zijn opgenomen in de jaarlijkse exploitatiebegroting Vervanging van wegen/ rehabilitatie Binnen de voorziening (onderhoud) wegen houden we geen rekening met vervangingskosten aan het einde van de levensduur van een weg. De levensduur van een weg op zandgronden zoals in Eersel is ± 60 jaar. Gedurende deze levensduur voeren we twee of drie keer groot onderhoud uit. Aangezien een groot deel van de wegen in het buitengebied van Eersel is aangelegd tussen 1950 en 1970, houden we rekening met een structurele toename van de benodigde kosten voor het vervangen van de wegen. Wij vervangen de wegconstructie pas als de gemiddelde jaarlijkse onderhoudskosten voor een weg hoger worden dan de kapitaallasten voor de vervanging van deze weg, of als de verkeersveiligheid in gevaar komt.
100