CConstaterende datEersel
Koppel je AI →
Document · PDF

2. [26zi.00525] Onderbouwing bij BOPA-aanvraag Kerkdijkje (20.11.2025)

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente EerselBij agendapunt: Bindend advies buitenplanse omgevingsplanactiviteit Kerkdijkje te Steensel21.396 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gelet op deze grote afstanden tussen de veehouderijen in de omgeving en het projectgebied kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een overschrijding van de endotoxine advieswaarde ter plaatse van het projectgebied. In de directe omgeving van het projectgebied is derhalve geen bedrijvigheid aanwezig die een belemmering vormt voor de voorgenomen woonontwikkeling. De woonontwikkeling stelt ook geen beperkingen aan bestaande hinderlijke bestemmingen van veehouderijen.

Pagina 26 van 53

Conclusie Vanuit het aspect veehouderijen en volksgezondheid is de ontwikkeling in het projectgebied aanvaardbaar.

4.6 Luchtkwaliteit Ons gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Bijvoorbeeld luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dat wordt 'niet in betekenende mate' genoemd, hierna: NIBM. Het gaat bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Dan is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ^/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig deze 'standaardgevallen' te toetsen aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Artikel 5.54 van het Bkl geeft grenzen aan.

Als een activiteit binnen deze grenzen valt, is geen toetsing nodig aan de rijksomgevingswaarden voor (NO2) en fijnstof (PM10), want de activiteit draagt dan per definitie niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het gaat onder meer over grenzen ten aanzien van nieuw te realiseren woningen. Woningen zijn niet in betekende mate als de omvang ervan onder de in artikel 5.54 van het Bkl vastgelegde grens ligt. Het aantal NIBM-woningen is afhankelijk van het aantal ontsluitingswegen. Bij twee ontsluitingswegen in een projectgebied zijn meer woningen mogelijk dan bij één ontsluitingsweg, want twee ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot, als het verkeer zich (gelijkmatig) verdeelt over de wegen. Woonwijken zijn volgens artikel 5.54 van het Bkl niet in betekende mate als het gaat om maximaal 1500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3000 woningen bij twee of meer ontsluitingswegen. Het voorliggende project bestaat uit de realisatie van zes zelfstandige woningen. Het project draagt daarmee zeer weinig bij aan luchtverontreiniging en is daarmee niet in betekende mate (NIBM). Een specifiek luchtkwaliteitsonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Er worden vanwege het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen verwacht voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.

4.7 Parkeren, verkeer en mobiliteit Het toelaten van woningen op een locatie kan effect hebben op de verkeersafwikkeling en het parkeren. Woningen moeten goed bereikbaar zijn en er moeten voldoende parkeerplaatsen zijn. Bij het toelaten van woningen speelt mobiliteit mee bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het verkeer moet goed afgewikkeld kunnen worden en er moeten voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden bij de woningen. In beeld moet worden gebracht of de nieuwe woningen leiden tot een toename van verkeer en parkeren. En, of dit tot problemen leidt op de locatie. Getoetst wordt aan de gemeentelijke parkeernormen.

Pagina 27 van 53

De gemeente kan eigen beleid formuleren voor mobiliteit, bijvoorbeeld eigen parkeerbeleid of mobiliteitsbeleid gericht op het verbeteren van de verkeersstructuur. Vaak is het gemeentelijk parkeerbeleid gebaseerd op de CROW-kentallen van het Kennisplatform CROW. Hierin staan parkeerkengetallen en kengetallen voor verkeersgeneratie voor verschillende typen woningen. Ook is er een onderscheid naar type gebied waar de woning komt (bijvoorbeeld matig stedelijk of sterk stedelijk). Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente of de kencijfers van kennisplatform CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De kencijfers van het CROW zijn algemeen erkend. Het zijn geen normen, maar kentallen. Hiervan kan afgeweken worden. Op 8 april 2025 heeft de gemeenteraad van Eersel besloten om het 'Parkeerbeleidsplan 2025' en de 'Nota parkeernormen 2025 gemeente Eersel' vast te stellen, met als belangrijke wijzigingen ten opzichte van het vorige parkeerbeleidsplan uit 2014: a. gebruik van actuele landelijke parkeerkencijfers 2024; b. meer ruimte bieden voor maatwerkoplossing, zoals deelauto's; c. instellen wegsleepregeling. Ook heeft de gemeenteraad besloten om het 'Parkeerbeleidsplan 2014 gemeente Eersel' (vastgesteld op 27 februari 2014) in te trekken.

Vanaf 8 april 2025 dient het project derhalve getoetst te worden aan het 'Parkeerbeleidsplan 2025' en de 'Nota parkeernormen 2025 gemeente Eersel'. Parkeerbeleidsplan 2025 Ten opzichte van het vorige parkeerbeleidsplan uit 2014 is in het 'Parkeerbeleidsplan 2025' een splitsing aangebracht tussen het parkeerbeleid en de parkeernormen. Hierdoor kan door de gemeente sneller worden ingespeeld op nieuwe landelijke parkeerkencijfers, door het alleen aanpassen van de 'Nota parkeernormen'. Behalve actuele parkeerkencijfers, zijn er ook meer woningtypen opgenomen. Door het vastleggen van normen voor parkeren wordt duidelijkheid geschapen voor nieuwe ontwikkelingen en worden gelijke gevallen gelijk beoordeeld. Ten aanzien van nieuwbouwprojecten biedt het 'Parkeerbeleidsplan 2025' de gemeente de mogelijkheid om maatwerk toe te passen. Nota parkeernormen 2025 gemeente Eersel De parkeernormen uit het vorige parkeerbeleidsplan van 2014 waren verouderd. Daarnaast blijkt dat sommige beoogde ontwikkelingen geen doorgang kunnen vinden als gevolg van die parkeernormen. Initiatieven voor ontwikkelingen vragen om maatwerk. Het beleid uit 2014 bood daar onvoldoende handvatten voor. Die handvatten zijn er gekomen door vaststelling van de Nota parkeernormen 2025.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling wordt de parkeervraag in basis op eigen terrein gerealiseerd of, bij grootschaligere ontwikkelingen, binnen het projectgebied. Bezoekersparkeerplaatsen moeten openbaar toegankelijk zijn. De parkeernormen zijn gebaseerd op parkeerkencijfers van het CROW, publicatie 744, Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering 2024.' Wanneer het CROW de parkeerkencijfers actualiseert wordt de 'Nota parkeernormen' hierop aangepast. De parkeerkencijfers van het CROW maken onderscheid naar stedelijkheidsgraad. Deze is voor de gemeente Eersel 'weinig stedelijk' op basis van de demografische kencijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek per gemeente. Afhankelijk van het van het toepassing zijnde deelgebied in een gemeente is de parkeernorm hoger of lager. Het CROW onderscheidt de volgende deelgebieden: centrum, schil centrum, rest bebouwde kom of buitengebied. Voor de kern Eersel is dit onderscheid belangrijker dan voor de kleinere kernen, zoals Steensel. In de kern Steensel wordt uitgegaan van de parkeernorm die hoort bij het gebied 'rest bebouwde kom'.

Pagina 28 van 53

Voor woningbouwprojecten geldt volgens de nota de volgende tabel met parkeernormen:

Woning

Centrum

Schil centrum

Rest bebouwde

Buitengebied

kom Koop, vrijstaand

1,75

2,05

2,3

2,5

Koop, twee-onder-een-kap

1,65

1,95

2,2

2,3

Koop, tussenflioek

1,45

1,75

2,1

2.2

Koop, appartement,»100 m2 bvo

1,55

1,85

2.1

2,2

Koop, appartement, 75 - 100 m2 bvo

1,35

1,55

1,7

1,7

Koop, appartement,« 75 m2 bvo

1,25

1,35

1.6

U

Huur, vrije sector

1,25

1,55

1,7

1,8

Huur, sociale huur

1,05

1,15

1,4

1,5

Huur, appartement, vrije sector,»100 m2

1,25

1,55

1.7

1,7

0,95

1,05

1.3

1,4

0,35

0,95

1.2

1,3

0,95

1,05

1,3

1,4

0,85

0,95

1,2

1,3

0,75

0,85

V

1,2

0,55

0.65

0,7

0,3

Kamerverbuur, studenten, niet-zeltstandig

0,25

0,45

0,5

0,7

Aanleunwoning, serviceflat (zelfstandige

0,95

0,95

1,1

1,2

0,55

0,65

0,7

0,8

0,15

0,15

0,2

0,3

bvo Huur, appartement, vrije sector. 75 -100 m2bvo Huur, appartement, vrije sector, < 75 m2 bvo Huur, appartement, sociale buur,»100 m2 bvo Huur, appartement, sociale buur, 75-100 m2 bvo Huur, appartement, sociale buur,«75 m2 bvo Huur, appartement, sociale buur ol vrije sector,«30 m2 bvo

woning met beperkte zorgvoorzieningen) Kleine eenpersoonswoning (Tiny house, meestal grondgebonden) Bezoekersaandeel (al verwerkt in parkeernorm)

Pagina 29 van 53

Parkeerbalans - toetsing van het project aan de normen Het project ligt in het deelgebied 'rest bebouwde kom' en voorziet in een zestal grondgebonden huurwoningen, waarvan twee in de sociale huursfeer, twee in de middenhuursector en twee in de vrije huursfeer. Voor de sociale huurwoningen geldt een norm van 1.4 parkeerplaats per woning. Voor de woningen in de middenhuursector en vrije huursfeer geldt een norm van 1.7 parkeerplaats per woning. Het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein, inclusief bezoekersparkeerplaatsen, komt daarom neer op 10 parkeerplaatsen. Op onderstaande situatietekening is te zien dat er 12 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, ingepast in het groen. Er is zelfs ruimte voor 2 extra parkeerplaatsen, indien de behoefte daaraan bestaat.

Situatietekening Parkeren

Het projectgebied ligt ontsloten aan een voldoende uitgeruste weg, te weten aan het Kerkdijkje, een zijstraat van een van de belangrijke verkeersaders van het dorp (Koppelen/Genderdreef). De verkeersgeneratie vanwege het project leidt gelet op het hiervoor uiteengezette, en de kleinschaligheid van het woningbouwprogramma, logischerwijs niet tot grote problemen voor verkeersveiligheid of de doorstroming van het verkeer. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect 'Parkeren, verkeer en mobiliteit' geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling in het projectgebied.

Pagina 30 van 53

4.8 Bodem Adviesbureau SILT heeft in januari 2025 een verkennend bodemonderzoek inclusief onderzoek naar polyen perfluoralkylstoffen (PFAS) verricht. De bodem binnen de onderzoekslocatie wordt op basis van het vooronderzoek en de terreinverkenning door adviesbureau SILT niet als asbestverdacht beschouwd. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van nader of aanvullend onderzoek naar asbest in de bodem. De bevindingen van het verkennend bodemonderzoek en het aanvullend onderzoek zijn samengevat weergegeven in het rapport van SILT d.d. 22 januari 2025. Laatstgenoemde rapport is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Met de invoering van de Omgevingswet zijn de Wet bodembescherming (Wbb), de Circulaire bodemsanering en het Besluit uniforme saneringen (BUS) ingetrokken. Hiermee vervalt de toetsingssystematiek aan de achtergrond-, streef- en interventiewaarden en de beoordelingssystematiek voor een “geval van ernstige bodemverontreiniging" en de bijbehorende afweging van de saneringsnoodzaak. Of een locatie moet worden gesaneerd, wordt door de gemeente vastgelegd in het Omgevingsplan. Het bouwen op een bodemgevoelige locatie is niet toegestaan wanneer de toelaatbare kwaliteit wordt overschreden. In dat geval moeten sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

Tot het moment dat een gemeente de toelaatbare kwaliteit heeft gedefinieerd in het Omgevingsplan, geldt dat de bodemkwaliteit onvoldoende is als meer dan 25 m3 grond boven de interventiewaarde verontreinigd is. Dit is vastgelegd in de zogenaamde bruidsschat: een aantal regels die met het ingaan van de Omgevingswet automatisch onderdeel worden van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Deze regels mogen in de komende jaren door de gemeente worden geschrapt, overgenomen of vervangen door eigen regels. Toetsingskader Het toetsingskader voor de kwaliteit van bodem en grond is vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bodemkwaliteit. Er zijn vijf kwaliteitsklassen. Grond met bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur, wonen of industrie, kan onder voorwaarden worden toegepast als bodem. Matig of sterk verontreinigde grond komt niet voor toepassing in aanmerking. De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en grondwater aan de achtergrondwaardes grond en streefwaarden grondwater en de interventiewaarden grond en grondwater. De achtergrondwaarden geven het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. De Provincie Noord-Brabant heeft normen/toetsingswaarden opgenomen voor grondwater in haar Omgevingsverordening.

De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een 'geval van ernstige bodemverontreiniging' te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Algemeen De bodem in het projectgebied bestaat tot de verkende diepte van 2,4 m-mv overwegend uit matig fijn, matig siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonsters MM03 en MM04 (bovengrond) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan cadmium aangetoond. De gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. In de zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonsters MM01 en MM02 (bovengrond) zijn analytisch geen verhoogde gehaltes aan bestrijdingsmiddelen (OCB) aangetoond. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM05 (ondergrond) zijn analytisch geen verhoogde gehaltes aangetoond. Allen liggen onder de interventiewaarde.

De kwaliteitsklasse van de boven- en ondergrond betreft Landbouw/Natuur. Pagina 31 van 53

PFAS Volgens het Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie voldoet het grondmengmonster MM07 (bovengrond) aan de klasse Landbouw/Natuur voor het toepassen op landbodem. De PFAS-toetsing is als bijlage 7 bij het rapport van SILT toegevoegd. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch licht verhoogde concentraties aan barium, cadmium, koper, nikkel en zink aangetoond. Deze concentraties overschrijden de streefwaarden doch niet de interventiewaarden. Asbest in grond In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een indicatieve inspectie van het terrein plaatsgevonden. In de vrijkomende grond en op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen en/of bijmengingen aangetroffen. Toetsing hypothese De hypothese 'onverdacht' kan op basis van de resultaten, slechts lichte verhogingen in grond en grondwater, formeel worden aanvaard. Slotconclusie inzake Bodem Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn door adviesbureau SILT geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor het beoogde project.

De eventueel bij werkzaamheden vrijkomende grond is op of buiten het onderzoeksterrein herbruikbaar. Indien vrijkomende grond van de locatie afgevoerd dient te worden, dient rekening gehouden te worden met de regels van het vigerende Besluit Bodemkwaliteit, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het tijdelijk deel van een gemeentelijk Omgevingsplan.

4.9 Weging van het waterbelang De gemeente dient bij een afwijking of wijziging van het omgevingsplan de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Met ingang van de Omgevingswet is de term 'watertoets' vervangen door 'weging van het waterbelang' en volgt uit artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. In het kader van de beoogde herontwikkeling van het projectgebied en bijbehorende ruimtelijke procedure is derhalve onderhavige waterparagraaf opgesteld. Nationaal beleid: Nationaal Water Programma 2022-2027 Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, heeft de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Het NWP 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de Rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen.

Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en RijnmondDrechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat ons nu en in de toekomst te wachten staat. De belangrijkste thema's hieruit zijn doorvertaald naar het Bkl en het provinciaal- en waterschapsbeleid. In het Bkl zijn voorwaarden opgenomen met oog op de bescherming van waterbelangen vanuit het Rijk met oog op primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeergebied. De ontwikkeling is niet

Pagina 32 van 53

gelegen ter plaatse van de betreffende waterstaatswerken en is bovendien dermate kleinschalig van aard, dat deze geen invloed heeft op de betreffende waterbelangen vanuit het Rijk. Provinciaal beleid: Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 van de provincie Noord-Brabant is op 22 december 2021 in werking treden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma's van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Provinciaal beleid: Omgevingsverordening Noord-Brabant De belangrijkste regels inzake het RWP zijn overgenomen in de Omgevingsverordening Noord- Brabant (hierna Ov). Middels de themakaarten van deze verordening wordt inzicht gegeven in hoeverre er belangrijke waterhuishoudelijke thema's op het projectgebied van toepassing zijn. Hieruit blijkt dat op het projectgebied de volgende regels van toepassing zijn. Een aantal daarvan zijn niet relevant om uiteen te zetten.

Ter plaatse geldt een inspanningsverplichting voor het waterschap met betrekking tot een 'Norm wateroverlast Stedelijk gebied'. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen stedelijk gebied als norm een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en 1/10 per jaar voor overige gebieden. Het initiatief heeft hier geen invloed op. Gezien voorgaande zijn er slechts de reguliere rechtstreeks werkende regels en instructieregels voor waterschappen van toepassing. Het projectgebied is voor het overige niet gelegen ter plaatse van een beschermd gebied inzake grondwater, drinkwater, boringen of andere beschermde gebieden inzake de waterhuishouding. Er zijn dan ook geen belangen vanuit de Omgevingsverordening Noord-Brabant in het geding met oog op het thema 'Water en watersystemen'. Beleid Waterschap De Dommel: Waterbeheerprogramma 2022 — 2027 In 2021 heeft waterschap De Dommel het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Dit Waterbeheerprogramma schetst de visie en ambities van het waterschap voor de lange termijn (2050).

De ambities in het programma zijn gericht op: ^ van beekdalgericht naar gebiedsgericht: de aandacht gaat vanaf nu ook naar de flanken, de hoge zandruggen en bebouwd gebied, niet alleen naar het beekdal; ^ van een sectorale aanpak naar een integrale aanpak; samen met overheden en gebiedspartners werken we aan meerdere doelen in het gebied; ^ van 'water afvoeren' naar 'elke druppel telt'; we richten het waterbeheer in op maximaal water vasthouden, we gaan minder grondwater gebruiken en slimmer sturen. Het waterschap bereidt zich voor op een watertransitie, waarbij wordt ontwikkeld van de huidige situatie naar de gewenste situatie in 2050. Het waterschap hanteert drie eenvoudige, sterke richtinggevende principes voor alle ontwikkelingen. De onderstaande principes geven richting en prioriteiten aan de watertransitie op de korte, middellange en lange termijn: 1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt. 2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan. 3. Wat schoon is moet schoon blijven. De praktische uitgangspunten van het waterschap zijn verder uitgewerkt in de Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024.

Pagina 33 van 53

Beleid Waterschap De Dommel: Waterschapsverordening Waterschap De Dommel 2024 Sinds 1 januari 2024 heeft Waterschap De Dommel een waterschapsverordening. Deze verordening vervangt de Keur. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De keur was een traditionele verordening met regels en verboden. De waterschapsverordening is digitaal en de regels zijn verbonden aan de gebieden waar ze gelden. Dus in plaats van algemeen en overal geldig, naar specifiek geldig voor sommige gebieden en activiteiten. Met de Omgevingswet wordt gewerkt met de 'ja, op voorwaarde dat'-regel. Dit betekent dat activiteiten mogen, zolang er aan de voorwaarden in de waterschapsverordening voldaan wordt. Met de Keur en Algemene regels mochten activiteiten pas als je daarvoor een vergunning had. Bij de waterschapsverordening hoort een kaart waarop je kunt zien waar, welke regels gelden. Daar waar beschermingszones en beschermde gebieden zijn aangegeven, geldt veelal een vergunningsplicht met extra restricties. Overeenkomstig de digitale kaart vanuit het Omgevingsloket is het projectgebied gelegen binnen een attentiegebied, invloedsgebied Natura 20000 of beperkt invloedsgebied Natura 2000. Hiervoor gelden regels met betrekking tot het onttrekken van grondwater voor beregening van landbouwgronden.

Dit is niet van toepassing bij het beoogd initiatief. Daarnaast is het projectgebied gelegen buiten een beschermd gebied, attentiegebied en beekdal. Dit houdt verband met het toepassen van drainage en het niet van toepassing zijn van een vergunningsplicht (onder voorwaarden). Dit is niet van toepassing bij het beoogd initiatief. Gezien voorgaande zijn de reguliere voorwaarden vanuit de waterschapsverordening van toepassing en geeft dit geen extra belemmeringen met oog op het beoogd initiatief. Hydrologische uitgangspunten voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hebben hun regelgeving geharmoniseerd. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt of er sprake is van afkoppelen. Hiermee geven de waterschappen ook invulling aan de wens van met name de grensgemeenten die in het verleden te maken hadden met verschillend beleid van de waterschappen. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding of afkoppelen van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.

Voor lozingen op een oppervlaktewater eist het waterschap daarom een vervangende berging, die de extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert. Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voorwaarden aan de afvoer via een rioleringsstelsel. Bij het invullen van de compensatieopgave wordt tevens gekeken naar de mogelijke realisering van andere waterdoelen. Het gaat hierbij dus om een optimale inpassing van een plan in zijn omgeving, waarbij ook gekeken moet worden naar het huidig en toekomstig functioneren van het totale (deel)stroomgebied waar de ontwikkeling onderdeel van uitmaakt. Naast het behoud van voldoende systeemrobuustheid, kan hiermee beter invulling worden gegeven aan de gewenste doelmatigheid. Bovendien biedt dit mogelijkheden voor waterschappen en gemeenten om ook andere dan hydrologische aspecten mee te nemen in de afweging. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het oplossen van waterkwaliteitsknelpunten of het tegengaan van verdroging. Voor hemelwater dat op verharde oppervlakten valt stellen de waterschappen onderstaande voorkeursvolgorde voor, waarbij optie 1 het meest wenselijk en optie 5 het minst wenselijk is: 1. Hergebruik 2. Vasthouden | infiltreren 3. Bergen en afvoeren 4. Afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect) 5.

Afvoeren naar de riolering De waterschappen vragen aan initiatiefnemers deze voorkeursvolgorde te doorlopen en te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als hergebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater | riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Pagina 34 van 53

Met behulp van een eenvoudige rekenregel uit artikel 2.31 lid 4 onder b van de waterschapsverordening (lozen van water in een oppervlaktewaterlichaam) kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Deze rekenregel (Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) geldt voor een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m2 en maximaal 10.000 m2. Voor grotere plannen geldt de Beleidsregel (Beleidsregel 13 - Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak). Voor plannen van maximaal 500 m2, groene daken en afkoppelplannen van maximaal 10.000 m2 geldt een vrijstelling voor de realisatie van de compensatie. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023-2027 Het waterbeleid van de gemeente Eersel is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2023­ 2027. Uit dit beleid vloeit onder ander voort dat voor nieuwe gebouwen een bouwpeil van 25 cm tot 35 cm boven de kruin van de weg aangehouden dient te houden. Ook geldt bij nieuwbouw een hemelwaterberging van 60 liter (mm) op eigen terrein per vierkante meter verharding. Toetsing van het project aan het geldende beleid Hieronder wordt het project getoetst aan het geldende beleid, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen het hemelwater en het huishoudelijke afvalwater. Hemelwater Het projectgebied is in de bestaande situatie onverhard.

In nieuwe situatie wordt circa 750 m2 verhard, bestaande uit onder meer de dakoppervlakken van de toekomstige bebouwing en de gesloten bestrating van de inrit c.q. eigen weg op het terrein, de terrassen en verharding rond de voordeuren. Daarnaast zijn er 12 parkeerplaatsen in halfverharding, zijnde 180 m2 halfverharding. Het bevoegd gezag heeft een hemelwaterbergingsnorm van 6 mm geëist. Voorgaande resulteert in een maatgevende berging van in totaal 50,5 m3, waarbij het uitgangspunt is dat het hemelwater afkomstig van alle daken en erfverharding volledig wordt opgevangen om vervolgens gescheiden en vertraagd af te voeren richting de omgeving (zoals bij wijze van infiltratie in de bodem). Bij de aanleg half-verharding kunnen de betreffende m3 zoals hierboven vermeld in mindering worden gebracht. Dat resulteert in de volgende maatgevende bergingsopgaaf: 750 m2 toename verharding x 0,06 m3 = 45 m3 180 m2 toename half-verharding x 0,06 m3 = 11 m3 x 50% = 5,5 m3 Totale maatgevende hemelwaterbergingsopgaaf = 50,5 m3 De toepassing van bovengrondse voorzieningen in de vorm van wadi's, zoals die op basis van het gemeentelijke beleid de voorkeur hebben, is goed mogelijk ter plaatse in combinatie met de landschappelijke inpassing van het project in een groene omgeving.

Indien de wadi op het diepste punt circa 40 centimeter diep is en een waking van 10 centimeter heeft, dan kom je op een gemiddelde diepte van de wadi van circa 30 centimeter onder maaiveldniveau, wat resulteert in een benodigd oppervlak van (50,5 m3 I 0,3 m1) 168 m2 ten behoeve van de wadi. Die ruimte ruimschoots aanwezig in het projectgebied, waardoor hemelwaterberging op eigen terrein in de vorm van de aanleg van een wadi mogelijk is. Wateroverlast vanwege extreme buien kan tevens worden voorkomen door het creëren van een veilig bouwpeil, rekening houdend met de hoogte van de aangrenzende gronden en infrastructuur. Extreme neerslag zal dan niet direct tot natte voeten leiden. Op onderstaande afbeelding is te zien dat het deelgebied waarop de woningbouw gerealiseerd wordt een redelijke egale maaiveldhoogte van circa 25.7 m1 boven NAP heeft. Het deelgebied van het project ten noorden van de woningen, dat landschappelijk wordt ingericht en onbebouwd blijft, is lager gelegen, hetgeen logisch is gezien het noordelijk gelegen beekdal van De Gender. De woningen blijven daardoor 'hoog en droog' gelegen.

Pagina 35 van 53

HOOGTE 24“ 18­ 12-

laagst: gemiddeld: hoogst: verschil:

24.86 m 25.29 m 25.69 m 0.83 m

Op 25 oktober 2024 heeft Waterschap De Dommel middels een vooroverlegreactie aangegeven dat op de kaart van de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Brabant en de kaart van de Waterschapsverordening het projectgebied niet aangeduid is als regionale waterberging en ook niet als reservering-waterberging. Dat betekent dat in de huidige en in de toekomstige situatie dit projectgebied niet vanuit de beek De Gender onder water kan lopen. Huishoudelijk afvalwater Voor nieuwbouw geldt dat het “schone" regenwater van het “vuile" huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. Het huishoudelijke afvalwater wordt naar aanleiding van het vooroverleg met de gemeente aangesloten op een bestaand rioolstelsel aan het Kerkdijkje dat vervolgens in de richting van Koppelen/Genderdreef gaat. De woningen aan het Kerkdijkje 3 en 5 te Steensel, de dichtstbijzijnde, bestaande woningen nabij het projectgebied zijn gekoppeld op drukriolering. Er is geen vrij verval riolering aanwezig. Het huishoudelijk afvalwater van de zes nieuwe woningen die het project met zich meebrengt worden derhalve via een te realiseren rioolgemaal met persleiding aangesloten op de bestaande drukriolering in de straat. Het afvalwater dat voor de nieuwe woningen afgevoerd moet worden bevat geen chemische stoffen die schadelijk zijn voor het water in het openbaar riool.

Ook geeft het af te voeren water geen stankoverlast en bevat het water geen snel bezinkende- en/of grove afvalstoffen. Van een verontreiniging van het rioolwater door toedoen van het afvalwater is dan ook geen sprake.

Vooroverleg met Waterschap De Dommel Waterschap De Dommel heeft positief geadviseerd bij brief van 22 april 2025. Er wordt voldoende afstand bewaard tot de beekdalgrens van de noordelijk gelegen beek 'De Gender'. Het waterschap adviseert wel om het bouwpeil goed op de omgeving af te stemmen. Er wordt met de bebouwing ruim voldoende afstand gehouden tot de riooltransportleiding die in de buurt van A-watergang 'De Gender' loopt. Ook adviseert het waterschap ten aanzien van de groene aankleding van het plan geen diepwortelende beplanting (bomen of struiken) worden geplant in de beschermingszone van deze riooltransportleiding (5 meter aan weerszijden van de hartlijn) en ook niet in de obstakelvrije zone langs de A-watergang (5 meter vanaf de insteek). Hiermee houdt het plan rekening. Het volledige advies, alsook het beplantingsplan, is bijgevoegd als bijlage. Conclusie Uit de toets inzake de verhardingsopgave is gebleken dat er sprake is van een toename van verhard oppervlak in het projectgebied. Het hemelwater kan op eigen terrein worden opgevangen door het voorzien van een wadi waarop het hemelwater wordt geloosd. Het huishoudelijke afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijke drukriool. Ook is het project getoetst aan het geldende waterbeleid.

Gezien het voorgaande zal de weging van het waterbelang geen belemmering vormen voor de uitvoering van het project en komen er geen waterbelangen in het gedrang.

Pagina 36 van 53

4.10 Flora en fauna De bescherming van natuur is in Nederland vastgelegd in nationale wetgeving. De nationale wetgeving is een Nederlandse implementatie van de belangrijkste Europese wetgevingselementen. Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming. En per 1 januari 2024 zijn deze allen opgenomen in de Omgevingswet. De uitvoering van deze nieuwe wet is grotendeels in handen Gedeputeerde Staten van de provincies. De volgende hoofdonderwerpen worden gediend. Gebiedsbescherming De Omgevingswet noemt bekende maar ook enkele nieuwe soorten natuurgebieden die bescherming behoeven: de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), bijzondere provinciale natuurgebieden en landschappen, bijzondere nationale natuurgebieden en de nationale parken. Bij ontwikkelingen met name in het buitengebied moet rekening worden gehouden met het al dan niet van toepassing zijn van de beschermingsregimes van deze natuurgebieden. Ieder gebied kent een eigen beschermingsregime dat afzonderlijk gewogen dient te worden in relatie tot plannen, projecten en andere handelingen met mogelijk nadelige effecten voor de beschermde natuurwaarden. Soortenbescherming De Omgevingswet verbiedt het om zonder omgevingsvergunning voor de activiteit flora en fauna, activiteiten te verrichten.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wordt het beschermingsregime geregeld van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende dieren en planten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten beschermingsregimes: 1) 2) 3)

Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2) Beschermingsregime soorten habitatrichtlijn (paragraaf 11.2.3) Beschermingsregime ander soorten (paragraaf 11.2.4)

Daarnaast zijn er vrijgestelde soorten en jaarrond beschermde vogelnesten. Houtopstanden Afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) gaat over het vellen van houtopstanden en het herplanten van grond na het vellen van houtopstanden. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Naast de Omgevingswet kan ook een gemeente beperkingen opleggen ten aanzien van het kappen van bomen. Er is dan een omgevingsvergunning nodig voor het kappen van bomen op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV). Tenslotte kan ook in een provinciale verordening een kapverbod opgelegd worden. Indien hier sprake van is, moet er bij de provincie een ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Door adviesbureau Exlan is op 28 november 2024 het projectgebied ter plaatse geïnventariseerd middels een verkennend veldbezoek, om te onderzoeken of het projectgebied een zodanig belangrijke status heeft dat een aanvullend veldonderzoek noodzakelijk is. Op het moment van inventarisatie was het 6 graden Celsius en zwaar bewolkt. Het totale onderzoek naar flora en fauna is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en het verkennend veldbezoek aan het projectgebied. Het rapport d.d. 11 december 2024 met de onderzoeksresultaten en het advies is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing.

Het beeld dat uit het onderzoek naar voren is gekomen vormt voldoende basis om gefundeerd uitspraken te doen over de gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden voor beschermde soorten en gebieden.

Pagina 37 van 53

Conclusie Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Omgevingswet, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief en deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. 2. 3.

Welke wettelijk beschermde soorten komen in het projectgebied voor? Welke status hebben deze soorten? Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig?

Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het projectgebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het projectgebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De specifieke zorgplicht (artikel 11.27 Bal) blijft onverminderd van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat uit het oogpunt van flora en fauna er geen belemmeringen zijn voor het realiseren van het project.

4.10.1 Stìkstofdepositìe Door adviesbureau Agrifirm is een onderzoek verricht naar de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase voor het slopen en bouwen van een gebouw in het projectgebied op omliggende Natura 2000-gebieden. Ook de gebruiksfase, de fase na oplevering van het project, is onderzocht. Het doel van dit onderzoek is om middels het rekenmodel Aerius-calculator de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase te bepalen. De resultaten van deze berekeningen zijn vervolgens getoetst aan de eisen van het bevoegd gezag. De rapportage van 9 december 2024 en Aerius-berekeningen van Agrifirm d.d. 6 november 2025 met daarin de onderzoeksresultaten en het advies zijn opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied is "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux". Dit gebied is gelegen op een afstand van cirac 1,7 km ten zuiden van de projectlocatie. Er liggen ook Belgische Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer rondom het projectgebied. Ook hieraan is getoetst door adviesbureau Agrifirm. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4923) wijzigt het intern salderen bij de beoordeling van de gevolgen van projecten voor de natuur.

In de kern komt het erop neer dat intern salderen niet meer mag worden betrokken in de zogenoemde voortoets, dus bij de vraag of een natuurvergunning voor een project nodig is. Intern salderen mag wel worden betrokken bij de vraag of een natuurvergunning voor een project kan worden verleend. De mogelijkheden voor het intern salderen worden hierdoor beperkt. Als gevolg Pagina 38 van 53

hiervan is de 'Handreiking Voortoets Stikstof van bureau BIJ21, versie februari 2021' niet meer geheel actueel vanwege het onderdeel intern salderen. De basis van een voortoets (zonder intern salderen) is echter gelijk gebleven. Voor projecten die kunnen volstaan met een voortoets stikstof wordt voortaan verwezen naar het toetsingsschema op de website van de ABRvS, genaamd: 'Schema beoordelingskader intern salderen, bijlage bij persbericht bij uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van 18 december 2024 zaaknummer 202201311/1.' Hiermee kan worden geconcludeerd dat het beoogde project geen significant nadelige gevolgen met betrekking tot het aspect verzuring op Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Conform hiervoor genoemde toetsingsschema is er geen passende beoordeling noodzakelijk. Conclusie Uit de berekening met de Aerius-calculator blijkt dat de er geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase. Er geldt dus ook geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit in de aanlegfase. Uit de berekening met de Aerius-calculator blijkt dat de er geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden in de gebruiksfase. Er geldt dus ook geen vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit in de gebruiksfase.

Geconcludeerd kan worden dat uit oogpunt van stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor het realiseren en in gebruik nemen van het project.

4.11 Geluid De Omgevingswet bevat regels voor het bereiken en/of in stand houden van de gewenste geluidkwaliteit, in samenhang met andere belangen. De regels en instrumenten gaan over het belang van geluid voor het leefmilieu en de gezondheid van mensen. In de Omgevingswet en de onderliggende besluiten en regelingen staan regels over geluid. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden bij een aantal situaties direct overgangsregels. Adviesbureau Tritium Advies heeft een akoestisch onderzoek verricht naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe situatie in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor wegverkeerslawaai is het project gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de Rijksweg A67. Conform Omgevingsregeling artikel 17.5 is het project voor wegverkeerslawaai gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Genderdreef en Koppelen. De weg Kerkdijkje is enkel voor bestemmingsverkeer en is derhalve niet meegenomen in onderhavig onderzoek. Het plan is tevens gelegen net buiten het geluidaandachtsgebied van de gemeentewegen Doornbocht en Sint Lucijweg. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan is het geluid van voornoemde wegen alsnog beschouwd binnen onderhavig akoestisch onderzoek. Het rapport van adviesbureau Tritium Advies d.d.

24 januari 2025 met de onderzoeksresultaten en het advies is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. In alle gevallen waarin de aanleg van een geluidgevoelig object en/of een (spoor)weg door vaststelling of herziening van een omgevingsplan wordt voorzien, is er sprake van 'nieuwe situaties'. Conform de Omgevingsregeling dient met betrekking tot de geluidbelasting van een weg in nieuwe situaties de geluidbelasting in Level Day-Evening-Night in decibel (Lden in dB) te worden bepaald. Dit is een gemiddeld geluidniveau over de dag-, avond- en nachtperiode en wordt bepaald met de formule zoals in het onderzoeksrapport van adviesbureau Tritium Advies is vermeld. Het gemiddelde geluidniveau wordt in decibel (dB) uitgedrukt per etmaal (24 uur), waarbij geluid 's avonds en 's nachts zwaarder meetelt dan overdag. Indien het geluidaandachtsgebied van gemeentelijke wegen nog niet is vastgesteld, wordt dit bepaald aan de hand van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. Normen met betrekking tot de geluidbelasting in nieuwe situaties zijn in artikel 5.78t t/m 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving vermeld. Er gelden

Pagina 39 van 53

standaardwaarden en grenswaarden per geluidbronsoort. In eerste instantie wordt ervan uitgegaan dat de standaardwaarde niet mag worden overschreden. Indien de standaardwaarde wel maar de grenswaarde niet wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden bij Algemene Maatregel van Bestuur ontheffing worden verleend voor een hogere toelaatbare geluidbelasting. Bij het overschrijden van de standaardwaarde dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Tevens dient de gecumuleerde geluidbelasting op het geluidgevoelig gebouw te worden beoordeeld. Daarnaast dient de gezamenlijke geluidbelasting te worden bepaald en in het omgevingsplan te worden vastgelegd. De gezamenlijke geluidbelasting betreft het geluid van de verschillende relevante bronnen opgeteld, zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid. Voor de gecumuleerde geluidbelasting dient rekening te worden gehouden met de hinderlijkheid van de verschillende soorten bronnen. Wanneer de grenswaarde uit artikel 5.78u Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt overschreden, is realisatie van nieuwbouw alleen mogelijk door het toepassen van een of meer niet-geluidgevoelige gevels of door middel van het treffen van bouwkundige voorzieningen waarmee ervoor wordt gezorgd dat de optredende gevelbelasting op het te openen deel aan de grenswaarde voldoet.

Een niet-geluidgevoelige gevel betreft een gevel zonder te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie voor zover hierachter direct een verblijfsruimte is gelegen. Bouwkundige maatregelen kunnen in en/of aan de uitwendige scheidingsconstructie worden getroffen. Als de grenswaarde wordt overschreden wordt in het belang van het beschermen van de gezondheid een geluidluwe gevel betrokken. Een geluidluwe gevel wordt in het Besluit kwaliteit leefomgeving als volgt gedefinieerd: een gevel die ten opzichte van de andere gevels van een geluidgevoelig gebouw relatief weinig wordt belast door geluid. Geluidbeperkende maatregelen komen enkel in aanmerking als deze financieel doelmatig zijn en er geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard tegen bestaan. Indien de grenswaarde wordt overschreden kan enkel een geluidgevoelig gebouw worden gerealiseerd indien, conform artikel 5.78y van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bouwkundige maatregelen worden getroffen. Het toepassen voor voornoemde bouwkundige maatregelen bij een overschrijding van de grenswaarde is enkel toegestaan indien er geen doelmatige geluidbeperkende maatregelen.

Het toepassen voor voornoemde bouwkundige maatregelen bij een overschrijding van de grenswaarde is enkel toegestaan indien er geen doelmatige geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen en de overschrijding van de grenswaarde zoveel mogelijk wordt beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Geluidbeperkende maatregelen worden enkel in aanmerking genomen als deze financieel doelmatig zijn en er geen overwegende bezwaren tegen bestaan. In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn in paragraaf 4.3.1 voorschriften opgenomen voor bescherming tegen geluid van buiten. Als bij weglawaai de betreffende standaardwaarde wordt overschreden kunnen gemeenten een plaatselijk hogere geluidbelasting toestaan die in het omgevingsplan zal worden opgenomen. In dergelijke situaties mag alleen worden gebouwd wanneer de karakteristieke geluidwering van de verblijfsgebieden van het betreffende gebouw gelijk of hoger te zijn dan het verschil tussen het gezamenlijke geluid en 33 dB met een minimum van 20 dB, conform artikel 4.102 en 4.103 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Pagina 40 van 53

Geluidbeleid van de gemeente Eersel Het geluidbeleid van de gemeente Eersel is neergelegd in 'Beleidsregels geluid onder de Omgevingswet gemeente Eersel'. Adviesbureau Tritium Advies vat dit beleid samen in haar onderzoeksrapport en ook heeft zij het project aan dit beleid getoetst. Het college van burgemeester en wethouders heeft een zekere beoordelingsvrijheid bij het hanteren van het begrip 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Zij kan in redelijkheid beslissen om al dan niet van deze beleidsregels af te wijken. Voor het college blijft de mogelijkheid bestaan om, in uitzonderlijke gevallen en om zwaarwegende redenen, gemotiveerd af te wijken van de eisen met betrekking tot de geluidluwe gevel, woningindeling, buitenruimte. Bijvoorbeeld wanneer de beleidsregels onevenredige gevolgen hebben voor belanghebbenden. Hierbij dienen overwegingen betrokken te worden als financiële, technische, maatschappelijke uitvoerbaarheid en een onderzoek naar alternatieve of compenserende maatregelen. Conclusie Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 53 dB nergens overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het geluid op de nieuwe woningen ten gevolge van deze geluidbronsoort aanvaardbaar is.

Voor de rijkswegen geldt dat het geluid op de gevels van de nieuwe woningen de standaardwaarde van 50 dB met maximaal 7 dB overschrijdt ter plaatse van de achtergevel. Om te voorzien dat het geluid op de nieuwe woningen aanvaardbaar is, is nader onderzoek gedaan naar de toepassing van geluidbeperkende maatregelen. De Rijksweg A67 is reeds voorzien van het stille wegdek 1-laags ZOAB. Het verder akoestisch verbeteren van dit wegdek wordt niet realistisch geacht. Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is in onderhavige situatie niet doeltreffend. Het plaatsen van geluidsschermen of andere fysieke maatregelen schieten echter haar doel echter voorbij, gezien de grote afstand tussen de Rijksweg A67 en de positie van de woningen (400 meter afstand tussen de woning en de wegas van de rijksweg), alsook gezien de kleinschaligheid van het woningbouwplan versus het borgen van de financiële haalbaarheid ervan. Bovendien zouden fysieke maatregelen ten koste gaan van de ruimtelijke kwaliteit van het project. Uit het onderzoek volgt de overweging om de terrassen van de woningen niet aan de noordzijde te projecteren. Echter beoogt initiatiefnemer de terrassen van de woningen wel aan de noordzijde te projecteren, omdat de noordzijde gericht is op het groen en het beekdal van De Gender, wat bijdraagt aan een prettig woonklimaat.

De terrassen naar de zuidzijde richten zou het belang van een prettig woonklimaat en een goede ruimtelijke kwaliteit van het project schaden, omdat aan de zuidzijde van de woningen de ontsluiting en het parkeerhof van het project gelegen zijn. Ook is de kans op hinder richting de bestaande omwonenden kleiner als de terrassen van de woningen in het project geprojecteerd zijn aan de noordzijde, omdat aan de noordzijde van het projectgebied geen omwonenden leven. Op 7 december 2023 heeft adviesbureau Verhoeven-De Ruijter een inrichtingsschets opgesteld waarin aangegeven wordt hoe omgegaan moet worden met groen en landschappelijke inpassing in het project. Ook zij adviseert om de terrassen van de woningen aan de noordzijde te creëren, omdat er dan sprake is van wonen aan het landschap, hetgeen de ruimtelijke kwaliteit van het project ten goede komt. De grenswaarde van 60 dB wordt in het project nergens overschreden. Het gecumuleerd geluid op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt ter plaatse van de noord­ en zuidgevel respectievelijk maximaal 57 en 50 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als “matig" tot “goed". Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het geluid op de nieuwe woningen aanvaardbaar is. Het gezamenlijk geluid op de gevels van de beoogde nieuwe woningen bedraagt maximaal 57 dB.

Middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels in de vorm van een bouwakoestisch onderzoek wordt aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Pagina 41 van 53

Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen, conform dat bouwakoestisch onderzoek, is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. Gelet op het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect 'Geluid' geen belemmering vormt voor de uitvoering van het project, mits de juiste geluidwerende materialen en maatregelen worden toegepast die voortvloeien uit een te verrichten bouwakoestisch onderzoek.

4.12 Archeologie Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart van gemeente Eersel (2021) geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. Vanwege deze aanduiding is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 500 m2 en dieper reiken dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het plangebied (circa 3000 m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm Mv) een archeologisch vooronderzoek nodig is. Adviesbureau Transect heeft in februari 2025 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.2 (KNA 4.2). Het rapport hiervan is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. De vraagstelling van dit onderzoek richt zich op het vaststellen van de archeologische verwachting en de bepaling in hoeverre de voorgenomen ingrepen in het kader van de planvorming effect hebben op eventuele archeologische resten in het gebied. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Resultaten bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor de periode Midden-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen.

Het projectgebied ligt op een gradiënt zone van een dekzandrug naar een lager gelegen beekdalgebied. Vanwege de hogere ligging in het landschap zijn theoretisch gezien resten uit de periode Midden-Paleolithicum-Vroege Middeleeuwen te verwachten. Volgens geologische informatie in de omgeving van het projectgebied, wordt de rivierafzettingen, die de mogelijk archeologische relevante niveau vormde voor de periode MiddenPaleolithicum vanaf een diepte van 150-200 cm -Mv verwacht. Deze rivierafzettingen worden afgedekt met dekzand. In de top van het dekzand worden archeologische resten verwacht voor de periode LaatPaleolithicum-Vroege Middeleeuwen. De verwachting hierop is hoog. Voor de periode Late Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Vanaf de Late Middeleeuwen lag het projectgebied circa 50 meter ten noorden van een historische weg, de Koppelen, met daarlangs bewoning aanwezig behorende tot de historische dorp Steensel. Hierdoor is de aanwezigheid van bewoning vanaf de Late Middeleeuwen echter niet uit te sluiten. Dit komt overeen met de gegevens van de gemeentelijke verwachtingskaart. Voor de periode Nieuwe Tijd geldt tot slot een lage archeologische verwachting. Volgens historische kaarten was het projectgebied gedurende de Nieuwe Tijd onbebouwd geweest.

Resultaten veldonderzoek Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum - Late Middeleeuwen bevestigd. In de ondergrond van het projectgebied is dekzand aanwezig. Het dekzand is aangetroffen vanaf 0-80 cm -Mv (25,12-24,89 m +NAP). Boven het dekzand ligt plaatselijk een bouwlanddek. In het zuiden van het projectgebied zijn sporen van bodemvorming in de top van het dekzand aanwezig (B- en BC-horizonten). De voormalige humeuze bovengrond en uitspoelingshorizont zijn niet meer aanwezig en waarschijnlijk door verploeging in het bouwlanddek opgenomen. In het noorden zijn helemaal geen sporen van bodemvorming aangetroffen, maar er zijn ook daar geen aanwijzingen voor verstoringen. Grondsporen uit de periode Neolithicum - Late Middeleeuwen kunnen dus nog aanwezig zijn. De verwachting hierop is hoog. Alleen in boring 6 (zie rapport in de bijlage) is sprake van een diepe verstoring. Deze is waarschijnlijk lokaal. Archeologische resten uit het LaatPaleolithicum - Mesolithicum zullen echter naar verwachting niet meer in het projectgebied intact aanwezig zijn. Deze resten worden getypeerd door een dunne vondstlaag en ondiepe grondsporen in de top van het Pagina 42 van 53

dekzand. Vanwege de aanploeging van de oorspronkelijke zijn deze resten daarom niet meer intact te verwachten. De rivierafzettingen zijn tijdens het veldonderzoek niet bereikt. De hoge archeologische verwachting op resten uit het Midden-Paleolithicum blijft daarom gelden en kunnen theoretisch gezien beneden 150 cm -Mv aanwezig zijn. Conclusie Gezien de vermoedelijke toekomstige graafwerkzaamheden (80 cm -Mv), adviseert adviesbureau Transect een vervolgonderzoek uit te voeren (karterende en waarderende fase). Het onderzoek kan gezien de verwachting op hoofdzakelijk grondsporen het beste plaatsvinden in de vorm van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor een dergelijk onderzoek wordt van te voren een programma van eisen opgesteld waarin de precieze aanpak van het onderzoek is vastgelegd. Het programma van eisen wordt voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag. Na uitvoering van het archeologische vervolgonderzoek met vastlegging van de archeologische waarden in het projectgebied, vormt het aspect 'Archeologie' geen belemmering voor de uitvoering van het project. Het selectiebesluit van 12 juni 2025 van de gemeente Eersel volgt deze redenering. Het selectiebesluit is als bijlage bijgevoegd.

4.13 Cultuurhistorie De omgang met het cultureel erfgoed in onze leefomgeving is ook geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Het projectgebied is niet aangewezen als monument en heeft geen cultuurhistorische waarde volgens de 'Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024' van de Provincie Noord-Brabant. Ook het archeologisch bureauonderzoek van Transect, dat als bijlage is bijgevoegd, concludeert dat er geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Uit dit bureauonderzoek blijkt dat in de Late Middeleeuwen bewoning voornamelijk plaats vond op de hoger gelegen delen, ten oosten van het projectgebied. Vanaf de 12e en 13e eeuw vond verplaatsing van bewoning plaats naar lagere gelegen gebieden (Berkvens en Drenth, 2021). Vanaf de Late Middeleeuwen maakt Steensel deel uit van acht dorpen ten zuiden van Eindhoven, die tezamen de Acht Zaligheden worden genoemd. Het dorp Steensel wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1224 na Chr.. Volgens de historische kaarten van Steensel, bevindt het projectgebied zich direct ten noordwesten van de oorspronkelijke dorp. Op de Kadastrale Minuut uit 1811-1832 is te zien dat het projectgebied onbebouwd is en in gebruik als bouwland en/of weiland.

Ten westen sluit het projectgebied aan op een historische weg (tegenwoordig het Kerkdijkje). Vijftig meter ten zuiden van het projectgebied ligt de voorganger van de Genderdreef, waarlangs wel bebouwing is gekarteerd. Tevens staat direct 100 meter ten zuiden van het projectgebied de oude kerk van Steensel. Rond 1880 kwam er meer bebouwing ten zuiden van het projectgebied te staan, zij het van tijdelijke aard. Later breidt de bebouwing zich richting het projectgebied uit. Het projectgebied blijft echter al die tijd onbebouwd en in gebruik als bouwland en/of weiland. Conclusie Het projectgebied is niet aangewezen als monument en heeft geen cultuurhistorische waarde. Vanuit het aspect 'Cultuurhistorie' zijn derhalve geen belemmeringen voor het project.

4.14 Groen en klimaatadaptie Op 16 mei 2023 heeft de gemeente adviesbureau Verhoeven-De Ruijter een gebiedsconcept laten opstellen, waarin onder meer stilgestaan wordt bij de landschappelijke inpassing van het project. Op 7 december 2023 heeft adviesbureau Verhoeven-De Ruijter een inrichtingsschets opgesteld waarin aangegeven wordt hoe omgegaan moet worden met groen en landschappelijke inpassing in het project.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Eersel&id=073289c5-dd4a-404a-9ce9-57c1975018e2