De Hilt ontwerp 4 Bijlagen toelichting
Tekst van het document
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Externe veiligheid
| 2 van 5 d01
Verantwoordingsplicht zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het vermogen van de burger om zichzelf of andere burgers in veiligheid te brengen zonder tussenkomst van professionele hulpverleners bij de dreiging van, of het optreden van, een gevaarlijke situatie. Hierbij spelen o.a. de fysieke gesteldheid van de aanwezige personen, de beschikbare vluchtmogelijkheden en de mogelijkheden tot tijdig waarschuwen een belangrijke rol.\ Verantwoordingsplicht bestrijdbaarheid In de verantwoordingsplicht moet met name aandacht worden besteed aan de benodigde en aanwezige hulpverleningscapaciteit, de inzet van blusmiddelen, bereikbaarheid e.d. Het brandweeradvies is hierbij een belangrijke informatiebron.
3
Onderzoek
Overzicht risicobronnen Uit de gegevens risicokaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de Rijksweg A27. In afbeelding 2 is een uitsnede van de Signaleringskaart EV weergegeven. Op deze afbeelding is de transportroute aangegeven met de bijbehorende zone van 200 meter langs deze route. Daarnaast is de globale ligging van het plangebied is in het rood aangeduid.
Afbeelding 2: Globale ligging plangebied De Hilt t.o.v. transportroute gevaarlijke stoffen Rijksweg A27
In de Regeling Basisnet wordt voor alle rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen een risicoplafond - dat wil zeggen hoeveel risico er maximaal mag zijn - vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen wel en niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Externe veiligheid
| 3 van 5 d01
Rijksweg A27 In het Basisnet Weg is het aantal toegestane transporten gevaarlijke stoffen weergegeven. Tabel 1 geeft een overzicht van de vervoersgegevens van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A27. Tabel 2: Vervoerscijfers gevaarlijke stoffen Rijksweg A27 Stofgroep InvloedsAantallen gebied transporten LF1 Brandbare vloeistoffen 45 meter 3.332 LF2 Brandbare vloeistoffen 45 meter 3.050 LT1 Toxische vloeistoffen 730 meter 0 LT2 Toxische vloeistoffen 880 meter 8 LT3 Toxische vloeistoffen > 4000 meter 0 GF1 Brandbare gassen 40 meter 0 GF2 Brandbare gassen 280 meter 0 GF3 Brandbare gassen 355 meter max. 4.000 GT2 Toxische gassen 245 meter 0 GT3 Toxische gassen 560 meter 0 GT4 Toxische gassen > 4000 meter 0 GT5 Toxische gassen > 4000 meter 0
Het plangebied De Hilt is op ongeveer 450 meter gelegen van de Rijksweg A27. Omdat de afstand groter is dan 200 meter is het uitvoeren van een onderzoek naar de hoogte en toename van het groepsrisico voor deze transportroutes eveneens niet benodigd. Uit tabel 2 blijkt dat het invloedsgebied voor toxische vloeistoffen (stofgroep LT2) wel over het plangebied is gelegen. Op basis van artikel 7 van het Bevt dient daardoor inzicht te worden gegeven in de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Maatgevend rampenscenario Het toxische scenario is voor het plangebied van belang vanwege het transport van toxische vloeistoffen over de Rijksweg A27. Opgemerkt wordt dat het bouwplan wordt gerealiseerd in een stedelijke omgeving, waardoor het bouwplan is omringd door bestaande gebouwen. Bij een eventueel incident zorgt de bestaande, omliggende bebouwing voor afscherming. Toxisch scenario Voor toxische stoffen is een toxisch scenario maatgevend. Door een incident met toxische stoffen scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische stoffen lekken in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten.
De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe appartementen en grondgebonden woningen zijn niet specifiek bedoeld voor het huisvesten van minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Toxisch scenario Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Externe veiligheid
| 4 van 5 d01
Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident met toxische stoffen is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Geadviseerd wordt om de ventilatievoorzieningen in de nieuwe appartementen en grondgebonden woningen afsluitbaar uit te voeren. Daarnaast is het van belang dat aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Bovendien is alarmering via de telefonische dienst NL-Alert mogelijk. Bestrijdbaarheid Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen.
Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Advies veiligheidsregio Geadviseerd wordt om de gemeente Eemnes en de Veiligheidsregio Utrecht in een vroeg stadium van de ruimtelijke procedure te betrekken en om advies te vragen.
4
Conclusie
Het voornemen is om op locatie De Hilt 53 nieuwe woningen te realiseren, te weten 23 appartementen en 30 grondgebonden woningen. Omdat dit bouwplan niet past in het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Eemnes’ wordt hiervoor een bestemmingsplanprocedure doorlopen. In het plangebied is ook een bestaande maatschappelijke functie aanwezig. Ten westen van het plangebied is de Rijksweg A27 ( 450 meter) aanwezig, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Omdat het plangebied niet binnen 200 meter van de transportroute is gelegen, is het inzichtelijk maken van de hoogte en toename van het groepsrisico niet benodigd. Het invloedsgebied van toxische stoffen (stofgroep LT2) is wel over het plangebied gelegen. Op basis van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is wel een motivering opgesteld die ingaat op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Geadviseerd wordt om de ventilatievoorzieningen in de nieuwe appartementen en grondgebonden woningen afsluitbaar uit te voeren. Geadviseerd wordt in een vroeg stadium de gemeente Eemnes, als bevoegd gezag, en de Veiligheidsregio Utrecht in staat te stellen een advies uit te brengen.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Externe veiligheid
| 5 van 5 d01
Bijlage 4
Quick scan soortbescherming
(ontwerp) De Hilt NL.IMRO.0317.EMSBPDeHilt-On01
54 - 287
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN AARTSVEEN 96 EN HASSELAARLAAN 1c TE EEMNES
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN AARTSVEEN 96 EN HASSELAARLAAN 1c TE EEMNES
rapportnummer 2019.3456 maart 2019 In opdracht van: BEL-combinatie Zuidersingel 5 3755 AZ in Eemnes
Adviesbureau Mertens B.V. Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Noord-Hollandseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Wageningen, 2020 Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 7 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 7 2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 8 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 8 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 8 3. METHODE......................................................................................................................................................... 10 4.
RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING AARTSVEEN ............................................................. 11 4.1 FLORA .................................................................................................................................................... 11 4.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 11 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 11 4.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 12 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 13 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 13 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 13 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 13 5.
RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING HASSELAARLAAN ................................................... 14 5.1 FLORA .................................................................................................................................................... 14 5.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 14 5.3 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 15 5.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 15 5.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 16 5.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 16 5.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 16 5.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 16 6.
SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 17 GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 18 BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 19 1. PLANGEBIED AARTSVEEN 96 TE EEMNES........................................................................................ 20 2. PLANGEBIED HASSELAARLAAN 1C TE EEMNES .............................................................................. 22 3. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 23
Adviesbureau Mertens
1
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
1. INLEIDING 1.1 Inleiding Er is het voornemen voor het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Wageningen gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.
N▲
Legenda = Aartsveen 96 (De 7-sprong) = Hasselaarlaan 1c (De Hilt) Figuur 1. Globale ligging van de plangebieden aan de Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes zijn respectievelijk voormalige basisschool De 7sprong en een sport- en ontmoettingscomplex De Hilt gelegen met rondom verhardingen en cultuurgroen. In bijlage 1 en 2 een detailsituatie gegeven van het plangebied Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. In figuur 2 en 3 wordt respectievelijk een beeld gegeven van het plangebied van Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c op vrijdag 25 oktober 2019. De huidige plannen voorzien in de sloop van de opstallen, het gedeeltelijk rooien van groen, bouwrijp maken en het realiseren van woonbebouwing met bijbehorende infrastructuur. In figuur 4 en 5 wordt achtereenvolgens een beeld gegeven van de plannen van Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c. In het gebied Aartsveen 96 zijn de plannen voor het water ten westen van de Vosseveen conserverend en in het gebied Hasselaarlaan 1c valt theater De Hesselbak buiten het plangebied en derhalve zijn de plannen voor dit theater tevens conserverend. Met de realisatie van de plannen worden bomen zo veel mogelijk behouden en er worden bomen aangeplant.
Adviesbureau Mertens
2
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied en directe omgeving aan de Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
3
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Figuur 3. Foto-impressie van het plangebied en directe omgeving aan de Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
4
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
N ->
Figuur 4. Impressie van de plannen aan de Hasselaarlaan 1c te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
5
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
N▲
Figuur 5. Impressie van de plannen aan de Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
6
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie?
1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten en effecten van de plannen (hoofdstuk 4 en 5 voor respectievelijk Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c). - Een samenvattende conclusie. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen.
Adviesbureau Mertens
7
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Noord-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.
Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat Adviesbureau Mertens
8
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
9
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
3. METHODE
Op vrijdag 25 oktober 2019 is een bezoek gebracht aan het plangebied Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is daarnaast gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen (o.a. via Waarneming.nl). Overige waarnemingen zijn tevens geraadpleegd zoals weergegeven in verspreidingsatlassen. Daarnaast is gebruik gemaakt van een tweetal onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes (Adviesbureau Mertens, 2019a,b).
Adviesbureau Mertens
10
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING AARTSVEEN
4.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. De houtwallen zijn natuurlijker maar hier ontbreekt een kruidachtige vegetatie bijna geheel. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Planten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming komen alleen voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zandverstuivingen. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In 2019 is gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen in de te slopen voormalige school (Adviesbureau Mertens, 2019a). Verblijfplaatsen werden bij dit gerichte onderzoek niet vastgesteld.
In de bomen ontbreekt het aan gaten en openingen waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen worden derhalve uitgesloten. Gedurende het gericht veldonderzoek in 2019 naar het voorkomen van vleermuizen zijn geen vliegroutes aangetroffen (Adviesbureau Mertens, 2019a). Opgaande lijnvormige landschapselementen kunnen een route vormen tussen een verblijfplaats en een foerageergebied. Met de realisatie van de plannen komt er bebouwing en er worden bomen gepland. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve landschapselementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen van de plannen worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (cultuurgroen en bebouwing e.d.). Het plangebied en directe omgeving is als gevolg van de aanwezige ecotopen niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen.
In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen als uitwerpselen, holen of graafsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Bovendien ontbreken in het plangebied elementen als ruigten, struweel en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht. In het plangebied zijn geen aanwijzingen Adviesbureau Mertens
11
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 gevonden van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht en de bebouwing wordt gebruikt. In het plangebied zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de steenmarter. Mogelijk komen in het plangebied en haar omgeving, wel de soorten bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Holland een algemene provinciale vrijstelling. Met uitzondering van de soorten waar een algemene vrijstelling voor geldt worden in het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, gelet op de terreingesteldheid en de bestaande verspreidingsgegevens (zie Broekhuizen e.a., 2016), geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht.
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek. Er zijn geen (oude) nesten van bijvoorbeeld buizerd, sperwer en havik vastgesteld. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen roestplaatsen van ransuilen aangetroffen. Negatieve effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten.
Figuur 6. Nesten van ekster in het plangebied Aartsveen 96 te Eemnes.
Adviesbureau Mertens
12
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, zanglijster en houtduif. Nesten van ekster zijn vastgesteld (zie figuur 6). In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. 4.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad, bruine kikker en grote groene kikker voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten is het plangebied geen essentieel leefgebied omdat in en direct rond het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling. 4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en direct rond het plangebied Aartsveen 96 te Eemnes, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. 4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a.
diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Adviesbureau Mertens
13
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
5. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING HASSELAARLAAN 5.1 Flora Het plangebied is volledig in cultuur gebracht. De houtwallen zijn natuurlijker maar hier ontbreekt een kruidachtige vegetatie bijna geheel. De aanwezigheid van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Planten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming komen alleen voor in specifieke ecotopen zoals vennen en zandverstuivingen. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. 5.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan worden uitgesloten. In 2019 is gericht veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen in de te slopen sport- en ontmoettingscomplex De Hilt (Adviesbureau Mertens, 2019b). Verblijfplaatsen werden bij dit gerichte onderzoek niet vastgesteld.
Grenzend aan De Hilt is één boom met enkele gaten. Gedurende het gericht vleermuisonderzoek zijn geen activiteiten van vleermuizen vastgesteld die duiden op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen worden derhalve uitgesloten.
Figuur 5. Nesten van grote bonte specht in het plangebied Hasselaarlaan 1c te Eemnes Adviesbureau Mertens
14
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
Gedurende het gericht veldonderzoek in 2019 naar het voorkomen van vleermuizen zijn geen vliegroutes aangetroffen (Adviesbureau Mertens, 2019b). Opgaande lijnvormige landschapselementen kunnen een route vormen tussen een verblijfplaats en een foerageergebied. Met de realisatie van de plannen komt er bebouwing en er worden bomen gepland. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve landschapselementen aanwezig. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen van de plannen worden derhalve uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (cultuurgroen en bebouwing e.d.). Het plangebied en directe omgeving is als gevolg van de aanwezige ecotopen niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. In de omgeving zijn daarnaast voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 5.3 Overige zoogdieren
Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen als uitwerpselen, holen of graafsporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren. Bovendien ontbreken in het plangebied elementen als ruigten, struweel en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht. In het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. Voor marters is het gebied te veel in cultuur gebracht en de bebouwing wordt gebruikt. In het plangebied zijn dan ook geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de steenmarter. Mogelijk komen in het plangebied en haar omgeving, wel de soorten bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze grondgebonden zoogdieren geldt in de provincie Noord-Holland een algemene provinciale vrijstelling.
Met uitzondering van de soorten waar een algemene vrijstelling voor geldt worden in het plangebied en binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden, gelet op de terreingesteldheid en de bestaande verspreidingsgegevens (zie Broekhuizen e.a., 2016), geen beschermde grondgebonden zoogdieren verwacht.
5.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen zijn ook niet vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek. Er zijn geen (oude) nesten van bijvoorbeeld buizerd, sperwer en havik vastgesteld. Gedurende het verkennend veldonderzoek op vrijdag 25 oktober 2019 zijn geen roestplaatsen van ransuilen aangetroffen.
Adviesbureau Mertens
15
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020 Negatieve effecten op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen uitgesloten. In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden zoals merel, zanglijster en houtduif. Nesten van houtduif en merel zijn vastgesteld. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
5.5 Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009) wordt de aanwezigheid van internationaal beschermde amfibieën uitgesloten. Mogelijk komen in het plangebied wel gewone pad, bruine kikker en grote groene kikker voor. Voor deze algemeen voorkomende soorten is het feitelijk plangebied geen essentieel leefgebied omdat in dit gebied geen essentieel oppervlaktewater aanwezig is. Het water ten westen van de Vosseveen wordt in de huidige vorm behouden. Voor de algemene soorten amfibieën bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de provincie Noord-Holland.
5.6 Vissen Met het van kracht worden van de Wet natuurbescherming zijn bijvoorbeeld kleine modderkruiper en bittervoorn niet meer beschermd. Voor de nog wel beschermde grote modderkruiper is het plangebied geen leefgebied doordat is het feitelijk plangebied geen oppervlaktewater aanwezig is. Het water ten westen van de Vosseveen wordt in de huidige vorm behouden. Geschikte ecotopen ontbreken voor de grote modderkruiper ontbreken in dit water (wateren met een goed ontwikkelde oever en watervegetatie). Negatieve effecten op (beschermde) vissen worden derhalve uitgesloten. 5.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van de opstallen en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl, Creemers & Delft, 2009), kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 5.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen.
Adviesbureau Mertens
16
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
6. SAMENVATTENDE CONCLUSIE
Er is het voornemen voor het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels in beide gebieden is het noodzakelijk om groen te rooien buiten het broedseizoen. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt uitgesloten. Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Er zijn daarnaast mogelijk algemene nationaal beschermde zoogdieren en amfibieën aanwezig. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in Provincie Noord-Holland. Het voorkomen van overige beschermde soorten wordt uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; het realiseren en gebruiken van woonbebouwing in de gebieden Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
De inventarisatie is een momentopname; na het onderzoek kunnen soorten zich vestigen. Het is daarom van belang om voor aanvang van de werkzaamheden de gebieden te controleren op vestiging van beschermde soorten.
Adviesbureau Mertens
17
Wageningen
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Aartsveen 96 en Hasselaarlaan 1c te Eemnes. Eindrapport maart 2020
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Literatuur Adviesbureau Mertens, 2019a. Vleermuizen ter plaatse van en rond Aartseveen 96 te Eemnes. Renkum, 1-12. Adviesbureau Mertens, 2019a. Vleermuizen ter plaatse van en rond Hasselaarlaan 1c in Eemnes. Renkum, 1-11. Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348. Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368. Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584. Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, NoordHolland, 1-260. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84. SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.
Website www.ravon.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.netwerkecologischemonitoring.nl www.verspreidingsatlas.nl
Adviesbureau Mertens
18
Wageningen
BIJLAGEN
1. PLANGEBIED AARTSVEEN 96 TE EEMNES
2. PLANGEBIED HASSELAARLAAN 1C TE EEMNES
3. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.
Verblijfplaats
Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).
Vliegroute
Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.
Voorbijvliegend
Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.
Zwermen
Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.
Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en
temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.
Bijlage 5
Onderzoek stikstofdepositie
(ontwerp) De Hilt NL.IMRO.0317.EMSBPDeHilt-On01
83 - 287
Memo - Stikstofdepositie Datum
:
13 april 2021
Bestemd voor
:
Wissing B.V.
Van
:
ing. J. Sips
Projectnummer
:
20180654-048
Betreft
:
Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes
1
Paraaf :
Inleiding
Het voornemen is om op locatie De Hilt 53 nieuwe woningen te realiseren, te weten 30 grondgebonden woningen en een appartementengebouw met 23 appartementen. Daarnaast is een bestaande maatschappelijke functie aanwezig. Dit bouwplan past niet in het vigerend bestemmingsplan ‘Kern Eemnes’. Om het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. Wissing B.V. heeft de verbeelding voor het bestemmingsplan ‘De Hilt’ opgesteld. Op afbeelding 1 is een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan De Hilt weergegeven.
Afbeelding 1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan De Hilt (d.d. 30 maart 2021)
AGEL adviseurs Hoevestein 20b 4903 SC Oosterhout
t. 0162-456481 e. info@ageladviseurs.nl i. www.ageladviseurs.nl
VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. Op alle door ons aanvaarde opdrachten en verrichte werkzaamheden zijn de Leveringsvoorwaarden Stantec B.V. van toepassing. Btw nr. NL800203823B01 - IBAN NL72ABNA0594482291 - BIC ABNANL2A - KvK Breda 20051141
Aan AGEL adviseurs is de opdracht verstrekt om het onderzoek naar stikstofdepositie uit te voeren voor de realisatie van het bouwplan De Hilt te Eemnes. Verspreid in Nederland liggen 118 Natura 2000-gebieden met overbelaste stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van (dier)soorten (hierna: ‘habitattypen’). Voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt moet daarom worden onderzocht wat de effecten zijn op de beschermde Natura 2000-gebieden. Doel van dit onderzoek is bepalen wat de bijdrage van het plan aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden is. Vervolgens is bepaald of deze resultaten leiden tot mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en of een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
2
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. De Wnb geeft uitvoering aan de verplichtingen van de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Handelingen of activiteiten binnen en buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstellingen van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend. Stikstof vormt een van de grootste belemmeringen voor het behalen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. In 118 van de Nederlandse Natura 2000-gebieden bevinden zich stikstofgevoelige habitattypen.
Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is vastgelegd dat het verboden is zonder vergunning van gedeputeerde staten van de provincie een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Samengevat betekent dat wanneer een plan gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied niet in gevaar brengt, significante gevolgen zijn uitgesloten. Indien op basis van objectieve gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie, kan in ieder geval worden geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied. Bij het berekenen van de stikstofdepositie mogen in beginsel de bestaande feitelijke en planologische legale activiteiten op de planlocatie en de daarmee samenhangende vermindering van de stikstofdepositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het plan (ABRvS 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4672).
Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van bijvoorbeeld een agrarische functie). Er hoeft dan geen passende beoordeling te worden uitgevoerd. Indien uit onderzoek (de voortoets) blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dan moet een vervolgonderzoek worden uitgevoerd (de ‘passende beoordeling’) en dient een Wnb vergunning te worden aangevraagd.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 2 van 6 d01
3
Uitgangspunten berekening
In de omgeving van Eemnes zijn verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig, waarvan het gebied ‘Eemmeer & Gooimeer Zuidoever’ het meest nabijgelegen is. In afbeelding 2 zijn de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven ten opzichte van de globale ligging van het plangebied De Hilt te Eemnes (rode stip).
Afbeelding 2: Ligging Natura 2000-gebieden t.o.v. de globale ligging plangebied De Hilt (Eemnes)
Behalve de bebouwing van de maatschappelijke bestemming is de bestaande bebouwing binnen het plangebied recent gesloopt. De realisatie van het bouwplan zorgt voor emissie van stikstof, doordat de bouwactiviteiten verkeersbewegingen genereren en er (mobiele) werktuigen, voorzien van verbrandingsmotoren, op de bouwplaats in werking zijn. Bouwfase Aangenomen is dat de bouwwerkzaamheden in totaal één jaar in beslag neemt en wordt in uitgevoerd in 2022. In de berekening voor de bouwfase is het zichtjaar 2022 aangehouden (=worst-case). Op dit moment is geen aannemer bekend. Daarom is een inschatting gemaakt van de in te zetten mobiele werktuigen. Tevens is uitgegaan dat de mobiele werktuigen allen stage IV materieel (vanaf het bouwjaar 2014) betreft. Voor de mobiele werktuigen zijn de emissiefactoren voor NOx en NH3 alsmede een percentage belasting (inclusief TAF-factor) bepaald in overeenstemming met de best aansluitende omschrijving van de werktuigen (inclusief bouwjaar en vermogen) binnen AERIUS calculator bij de invoer via ‘eigen specificatie’. Daarnaast is voor het percentage stationair draaien van de mobiele werktuigen op de bouwplaats gemiddeld 30% aangehouden (conform opgave TNO). De emissiefactoren voor het onbelast (stationair) draaien zijn verkregen uit het bestand van ‘TNO getallen voor Aerius 2020 v3 mobiele werktuigen’.
De cilinderinhoud is verkregen door het vermogen te delen door 20.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 3 van 6 d01
Daarnaast wordt de totale stikstofemissie ook bepaald door het bouwverkeer voor de bouwfase op de openbare weg, te weten: - Verkeersbewegingen bouwvakkers/onderaannemers bouwfase: 10 personenauto’s/busjes (= 20 verkeersbewegingen lichte voertuigen) per werkdag voor de bouwfase. Uitgaande van 235 werkdagen komt dit neer op ongeveer 4.700 verkeersbewegingen lichte voertuigen. - Verkeersbewegingen ten behoeve van het afvoeren van bouwafval, grond en materialen zijn 1.000 transporten zware vrachtwagens voorzien (=2.000 vrachtbewegingen). Op de bouwplaats is rekening gehouden met het manoeuvreren en stationair draaien van het vrachtverkeer door dit te modelleren met 100% stagnatie. Voor wat betreft een totaaloverzicht van de inputparameters van de bouwfase wordt verwezen naar bijlage 1. Toekomstige gebruiksfase Alle woningen in het bouwplan De Hilt worden ‘gasloos’ gerealiseerd, waardoor er geen stikstof uitstotende installaties aanwezig zijn in het toekomstige woningen. Dit betekent dat de stikstofemissie voor de toekomstige gebruiksfase wordt bepaald door de verkeersaantrekkende werking van gemotoriseerd verkeer. De verkeersgeneratie van de nieuwe woningen in het bouwplan is bepaald aan de hand van kentallen uit CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeercijfers naar parkeernormen’.
De verkeersaantrekkende werking voor zowel de grondgebonden woningen als voor de appartementen bedraagt 7 motorvoertuigbewegingen per etmaal (mvt/etm). Daarbij is aangenomen dat het bouwplan woning wordt gesitueerd in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ en wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van ‘weinig stedelijk’. De realisatie van 30 grondgebonden woningen en 23 appartementen leidt tot een totale verkeersgeneratie van 371 mvt/etm. Omdat de realisatie van het bouwplan in 2022 is voorzien, is in de berekening voor de toekomstige gebruiksfase het zichtjaar 2023 aangehouden. Verkeersafwikkeling Voor zowel het bouwverkeer tijdens de bouwfase als het verkeer van en naar het nieuwe woningen tijdens de toekomstige gebruiksfase is in de berekening rekening gehouden met eenzelfde verkeersafwikkeling, te weten via de Hasselaarlaan en de Laarderweg naar de rotonde met de Noorder- en Zuidersingel. Bij de rotonde van de Laarderweg met de Noorder- en Zuidersingel is aangenomen dat het verkeer qua rij- en stopgedrag niet meer onderscheidend is en zodoende is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. In afbeelding 3 is de aangehouden verkeersafwikkeling weergegeven.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 4 van 6 d01
Afbeelding 3: Aangehouden verkeersafwikkeling bouwfase en toekomstige gebruiksfase
4
Berekening
De berekening van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattype binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden is uitgevoerd met behulp van de AERIUS calculator, versie 2020 (releasedatum 15 oktober 2020). De calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Uit de berekeningen blijkt voor zowel de bouwfase als voor de toekomstige gebruiksfase van de nieuwe woningen in het bouwplan De Hilt het volgende: Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitaten leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Hieruit wordt geconcludeerd dat de realisatie van de ruimte-voor-ruimte woningen en de sanering van het pluimveebedrijf wordt uitgezonderd van de vergunningplicht. Voor de gedetailleerde ingevoerde emissiebronnen en rekenresultaten voor de bouwfase en de toekomstige gebruiksfase wordt verwezen naar het berekeningsjournaal van de AERIUS calculator die als respectievelijk bijlage 2 en 3 bij deze memo zijn gevoegd.
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 5 van 6 d01
5
Conclusie
Het voornemen is om op binnen het plangebied De Hilt te Eemnes nieuwe woningen te realiseren. Omdat deze ontwikkeling niet past in het vigerend bestemmingsplan wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen om het bouwplan juridisch-planologisch mogelijk te maken. Recent is de bebouwing gesloopt waardoor het slopen van bebouwing nu niet meer aan de orde is. Uit de berekeningen blijkt dat de realisatie van de nieuwe woningen en het toekomstig gebruik ervan niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op grond van de Wet Natuurbescherming geldt een vrijstelling van de vergunningplicht en is nader onderzoek niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming vormt daarom geen belemmering.
Bijlagen Bijlage 1
Uitgangspunten stikstofemissie bouwfase
Bijlage 2
Berekeningsjournaal AERIUS calculator - bouwfase (zichtjaar 2022)
Bijlage 3
Berekeningsjournaal AERIUS calculator - toekomstige gebruiksfase (zichtjaar 2023)
20180654-048 | Bestemmingsplan ‘De Hilt’ te Eemnes Memo - Stikstofdepositie
| 6 van 6 d01
Bijlage 1
Uitgangspunten stikstofemissie bouwfase
Project: Bestemmingsplan De Hilt (Eemnes) Uitgangspunt berekeningen stikstofdepositie t.b.v. de bouwfase - sloop-/bouwperiode = in totaal 1 jaar (2022)
20180654-048
Percentage stationair: Inzet mobiele werktuigen
Aantal
Aantal
werktuigen
werkdagen
uren per dag
Hei-/boorstelling
1
20
Graafmachine
1
Grote shovel Kleine shovel
30%
(Conform instructie gegevensinvoer voor Aerius Calculator 2020)
Bedrijfsuren
Bedrijfsuren
draaiuren
op toeren
stationair
8
160
112
48
20
8
160
112
48
1
20
4
80
56
24
1
55
4
220
154
66
Mobiele kraan
3
45
8
1.080
756
324
Verreiker
1
40
4
160
112
48
Betonstorter
1
25
8
200
140
60
Trilwals
1
15
8
120
84
36
Kleine machinale legmachine straatwerk
1
25
8
200
140
60
Inzet mobiele werktuigen
Stageklasse
Bedrijfsuren
op toeren
Aantal draai- Totaal aantal
Maximaal
op toeren
Emissiefactor [gr/kWh]
vermogen [kW]
NOx
NH3
Belasting
Resulterend
incl. TAF factorvermogen [kW]
Emissie [kg/jaar] NOx
NH3
Hei-/boorstelling
112
IV
130 - 300 kW
225
1,0
0,00276
69%
155,3
17,388
0,048
Graafmachine
112
IV
130 - 300 kW
140
0,8
0,00251
69%
96,6
8,655
0,027
Grote shovel
56
IV
130 - 300 kW
135
0,9
0,00283
55%
74,3
3,742
0,012
Kleine shovel
154
IV
37 - 56 kW
45
4
0,00293
55%
24,8
15,246
0,011
Mobiele kraan
756
IV
130 - 300 kW
290
0,9
0,00236
61%
176,9
120,363
0,316
Verreiker
112
IV
56 - 75 kW
56
0,9
0,00256
84%
47,0
4,742
0,013
Betonstorter
140
IV
300 - 560 kW
300
1
0,00276
69%
207,0
28,980
0,080
Trilwals
84
IV
< 18 kW
7
5,6
0,00287
55%
3,9
1,811
0,001
Kleine machinale legmachine straatwerk
140
IV
18 - 37 kW
20
3,3
0,00261
69%
13,8
6,376
0,005
Totaal
207,303
0,513
Inzet mobiele werktuigen
Stageklasse
Bedrijfsuren
Maximaal
Emissiefactor [gr/liter/uur] Cilinderinhoud
Emissie [kg/jaar]
stationair Hei-/boorstelling
stationair
vermogen [kW]
NOx
NH3
[dm3]
NOx
NH3
48
IV
130 - 300 kW
225
10
0,003142
11,25
5,400
0,002
Graafmachine
48
IV
130 - 300 kW
140
10
0,003142
7
3,360
0,001
Grote shovel
24
IV
130 - 300 kW
135
10
0,003142
6,75
1,620
0,001
IV
37 - 56 kW
45
10
0,003149
2,25
1,485
0,000
130 - 300 kW
290
10
0,003149