CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 RO Toelichting 20231129

Commissie WenR 8 april 2024, gemeente eemnesBij agendapunt: Ontwerp wijzigingsbestemmingsplan Goyergracht zuid 3A18.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

kleine vliegenvanger koolmees kortsnavelboomkruiper oeverzwaluw pimpelmees raaf ruigpootuil spreeuw tapuit torenvalk zeearend zwarte kraai zwarte mees zwarte roodstaart zwarte specht

Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

22 Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 3.5 Habitatrichtlijn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. In onderstaande tabel worden deze onderdelen nader toegelicht.Zoals reeds eerder beschreven zijn er holten en loshangend schors en bergroeide bomen met hedera aangetroffen. Zodoende kan de planlocatie een essentiele functie voor bepaalde soorten hebben. Denk hierbij aan holten en / of loshangende schors als verblijfplaats.

Schade op onmisbare vliegroutes van vleermuizen kan optreden. Het “bos” is een aaneengesloten geheel en wordt onderbroken door de paardenschuur. Op de planlocatie zijn mogelijke lijnelementen aanwezig die met de ontwikkeling mogelijk verloren gegaan. In de planvorming is opgenomen dat de weide aan de noordzijde van het perceel in de toekomst verlicht zal worden. Vastgesteld dient te worden of dit een mogelijk essentieel foerageergebied is voor de vleermuis. Het biotoop en habitat laat zich het beste omschrijven door een landelijke omgeving tegen de bebouwing. Advies / conclusie Zoals reeds eerder is beschreven dient nader onderzocht te worden of de te verwijderen bomen een functie als verblijfplaats hebben. Daarnaast dient vastgesteld te worden of de wijde aan de noordzijde welke mogelijk in de toekomst zal worden verlicht een essentieel foerageer gebied voor de vleermuis is. Nader onderzoek vleermuis naar verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied wordt geadviseerd.

Holte

Lijnelement

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

23

Vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.)

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa. Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

24 Overige zoogdieren

Slaapmuizen

Soorten van Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn

Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in ZuidLimburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van overige zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen. Bever en otter In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra) of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van beide soorten kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Vanwege het bebouwde karakter van het plangebied is het habitat voor deze soort ongeschikt. Hamster, hazelmuis en noordse woelmuis Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een zeer natte, kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland. Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde soorten voorkomen. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

Ware muizen Het verspreidingsgebied van de grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Spitsmuizen Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen en ligt derhalve buiten het plangebied. De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren met een rijke oevervegetatie. Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het plangebied voorkomen. Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

25 Woelmuizen De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. Sporen zijn van deze soort niet aangetroffen. De planlocatie leent zich dan ook niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime vallende woelmuizen zijn door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen. De bomen op het plangebied zijn onderzocht. Vanwege het (winter)seizoen zijn de bomen goed te inspecteren door het ontbreken van blad. Ook het NDFF geeft geen waarnemingen van eekhoorn. Het betreft een solitait bosje zonder te fungeren als netwerk tussen overig groen. Haasachtigen, egel en vos Deze soorten zijn door de provincie Gelderland voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Marterachtigen Op het perceel zijn rommelige hoekjes door middel van takkenrillen aanwezig. Hoewel er geen (poep)sporen of prooiresten aangetroffen zijn hebben marterachtigen een mogelijk essentieel leef- en foerageergebied in of nabij het plangebied. Er zijn veel rommelige hoekjes, schuilplaatsen QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

bomen en voedselvoorraden. Een nader onderzoek naar marterachtigen wordt geadviseerd. De bunzing (Mustela putorius), hermelijn (Mustela erminea) en wezel (Mustela nivalis) zijn niet te verwachten op de planlocatie. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Overige zoogdieren De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren. Tevens valt de das onder de overige zoogdieren. Gesteld kan worden dat deze soorten op de Veluwe en nabij de planlocatie aanwezig zijn. Met de uitgevoerde en geplande ingreep zal er niet wezenlijk iets veranderen dan wel veranderd zijn aan het eventuele leefgebied dan wel de functie van de planlocatie. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen in de vorm van prenten dan wel verblijfplaatsen zoals een dassenburcht. Reptielen en amfibieën en vissen Het plangebied ligt buiten het bereik van beschermde reptielen en amfibieën door het ontbreken van water(gangen). De kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus) zijn door de provincies

26 voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De effectafstanden en invloeden van genoemde soorten zijn dus irrelevant. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten. De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden aangetroffen. De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels) beperkt tot de provincie Limburg. De beekprik komt ook elders op de hogere zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Veluwe. De kwabaal (Lota lota) is een soort van grote wateren en riviertjes. Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied ook niet voor. Derhalve kan worden gesteld dat in het plangebied geen onder dit beschermingsregime voorkomende vissen te verwachten zijn. De ingreep heeft geen invloed op het habitat van deze soorten.

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties voor die geschikt zijn als leefgebied voor onder dit beschermingsregime vallende libellen en dagvlinders. Het voorkomen van deze libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de diverse databases zijn wel verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Overige ongewervelden Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberinus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Brabant) bekend. Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken in het plangebied kan het voorkomen van andere overige ongewervelden redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied bevindt zich buiten het bekende verspreidingsgebied van de Europese rivierkreeft (Astacus astacus) en het vliegend hert (Lucanus cervus). In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.

27 6.3

Bescherming houtopstanden

Op de planlocatie worden geen bomen gekapt zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Wet

Natuurbescherming. Overtreding op dit onderdeel Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

Houtopstanden

Deze regel geldt niet voor :

Hoofdstuk 4 wet natuurbescherming regelt de bescherming van houtopstanden. Een bij wet beschermde houtopstand betreft een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend buiten de bebouwde kom, die een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Voor het kappen (van een deel) van een beschermde houtopstand geldt meld(artikel 4.2) en herplantplicht (artikel 4.3). Er geldt een verbod op de kap als het voornemen daartoe niet (maximaal een jaar en minimaal een maand) vooraf is gemeld bij bevoegd gezag. Binnen drie jaar moet dezelfde grond op bosbouwkundig verantwoorde wijze zijn herbeplant. De gemeenteraad stelt de grens bebouwde kom Wet natuurbescherming vast. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Provinciale staten kunnen in de provinciale verordening regels opnemen over de melding en de herplant, zoals herplant op andere gronden dan waar de (deels) gevelde opstand stond.

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

1.

2. 3. 4. 5. 6.

7. 8.

Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; Houtopstanden op erven of in tuinen; Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; Kweekgoed; Uit populieren of wilgen bestaande: a. Wegbeplantingen; b. Beplantingen langs waterwegen, en c. Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; Het dunnen van een houtopstand; Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: a. Ten minste eens per tien jaar worden geoogst; b. Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en c. Zijn aangelegd na 1 januari 2013.

28

Verantwoording Literatuur/bronnen • • • •

Wet Natuurbescherming Omgevingsverordening Fauna inventarisatie, Rik Schoon 150416_Rapport_Effectafstanden_Natura_2000.pdf

Materiaal

Internet

• • • • • • • •

• • • • • • • •

Camera Zaklamp Thermometer Windmeter Verrekijker Endoscoop Ladder (5 meter) Uv lamp

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

www.rvo.nl www.bij12.nl wwww.verspreidingsatlas.nl www.ndff.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 https://atlasnatuurlijkkapitaal.nl/kaarten www.natura2000.nl https://www.infomil.nl

29 Vrijgestelde soorten per provincie

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

30

Disclaimer Deze QuickScan is vervaardigd op verzoek van de

opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze QuickScan mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Bureau Natuurlijk, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Bureau Natuurlijk is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Bureau Natuurlijk voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2022 Bureau Natuurlijk; Nunspeet

QuickScan natuurtoets Goyergracht zuid 3a Eemnes

Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK

MARTERACHTIGEN Locatie onderzoek:

Datum:

19 september 2022

Goyergracht- Zuid 3a Eemnes

Project:

NOM50004

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

INHOUD 1. Colofon

3

2. Samenvatting

4

3. Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

4. Wettelijk kader

6

4.1

Planlocatie

6

4.2

Vrijgestelde soorten

7

4.3

Onderzoeksmethode

7

4.3

Ecologie kleine marterachtigen

8

5. Resultaten en conclusie

11

Disclaimer

14

2

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

1. Colofon Onderzoek

Nader onderzoek kleine marterachtigen

Document

NOM50004

Datum

19 september 2022

Locatie

Goyergracht Zuid 3a Eemnes

Opdrachtgever

Stichting Het spookbos.

Opdrachtnemer

Ecofect

Ecoloog

P. Smits

Adres

Van Oordtstraat 3, 8071 KV Nunspeet

Telefoon

06-12918775

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

NL864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

2. Samenvatting Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Ook de vele waarnemingen van de huiskat (predator) maakt het leefgebied suboptimaal. Derhalve blijft een groot deel van het habitat intact. Het ontbreken van hits op de wildcamera’s in combinatie met het ontbreken van overige aanwijzingen (verblijfplaatsen, krabsporen, prooiresten of uitwerpselen) heeft opdrachtgever alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming betreffende de steenmarter (en kleine marterachtigen) niet wordt overtreden.

4

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen op de Goyergracht-Zuid 3a te Eemnes, heeft EDOK-RO namens Stichting Het Spookbos, Ecofect gevraagd een nader onderzoek kleine marterachtigen uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Uit dit verkennende natuurwaardenonderzoek en een habitatsonderzoek ter plaatse is gebleken dat het plangebied functies kan hebben voor de steenmarter en dat de aanwezigheid van kleine marters als wezel, bunzing en hermelijn aannemelijk is. De steenmarter en kleine marterachtigen zijn in Utrecht beschermd op basis van de Wet natuurbescherming art. 3.10. Dit betekent dat zonder vrijstelling, of d.m.v. een goedgekeurde gedragscode of ontheffing deze soorten niet mogen worden verwond of gedood, en dat vaste rust- en verblijfplaatsen niet mogen worden beschadigd of vernield.

3.2 Planlocatie De geplande ontwikkelingen betreffen het perceel aan de Goyergracht-Zuid te Eemnes. Dit adres is gelegen aan een doorlopende weg te midden van weilanden aan de rand van Eemnes. Op het perceel staat opstallen die in de huidige plannen gehandhaafd zullen blijven. Achter de bebouwing (stal) is een kleine bosperceel bestaande uit eik, Amerikaanse eik, beuk, berk, hulst en braam.

Globale planlocatie / onderzoeksgebied Goyergracht-Zuid 3a Eemnes (Bron: Google maps)

5

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

4. Wettelijk kader 4.1 Planlocatie Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is o.a. Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet welke van kracht waren voor 1 januari 2017. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. In de toekomst zal deze wet worden opgenomen in de omgevingswet. Dit onderzoek is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken van de projectlocatie. Als door het tijdig nemen van (effectief bewezen) maatregelen een vaste rust- en verblijfplaats in stand blijft, en daardoor geen verbodsverboden uit de Wnb worden overtreden, is een ontheffingsaanvraag niet noodzakelijk. Wel is het dan van belang om een en ander onderbouwd vast te leggen in een mitigatieplan/ projectplan, voor het geval er een handhavingsverzoek of toezicht aan de orde is. Kan ondanks het nemen van maatregelen

niet

worden

voorkomen

dat

verbodsbepalingen

worden

overtreden,

dan

is

een

ontheffingsaanvraag noodzakelijk. De steenmarter wordt landelijk beschermd onder het beschermingsregime van ‘andere soorten’, art. 3.10 Wnb. Het is verboden steenmarters te doden, te verwonden en hun vaste rust- of voortplantingsplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) De kleine marters bunzing, wezel en hermelijn zijn in de provincie Utrecht vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Deze soorten zijn wel meegenomen in het onderzoek in het kader van zorgvuldig handelen daar alle in het wild levende soorten of dieren niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantings- plaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsenof rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.

Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Niet van toepassing.

6

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

4.2 Vrijgestelde soorten De steenmarter is in de provincie Utrecht niet vrijgesteld en valt dus onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. De kleine marterachtigen zijn wel vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Eventuele consequenties naar aanleiding van dit onderzoek betreffende de kleine marterachtigen zullen alleen invloed hebben indien de steenmarter negatieve effecten ondervind van de planontwikkeling.

4.3 Onderzoeksmethode Voor de (kleine) marterachtigen is geen kennisdocument opgesteld. De onderzoeksmethode die is gekozen is een beproefde methode om de aanwezigheid en functies van kleine marterachtigen vast te stellen of uit te sluiten. De wijze van onderzoek en de eventueel te nemen maatregelen zijn opgesteld volgens de structuur van de kennisdocumenten van andere beschermde soorten. Er is gekozen voor een tweetal onderzoeksmethoden: een cameraval met een gewone wildcamera en een cameraval met de zogenaamde struikrover. De Struikrover® is een onderzoeksinstrument speciaal ontworpen buis waarmee alle in Nederland voorkomende marters en andere roofdieren (bv. vos, wasbeer, wasbeerhond) met een wildcamera gefotografeerd of gefilmd kunnen worden. Maar ook zangvogels zijn er goed mee op beeld vast te leggen. De Struikrover® is een verdere optimalisatie van eerder uitgedachte onderzoeksinstrumenten en voldoet aan de volgende eisen: •

Geschikt voor inventarisatie van alle marterachtigen

•

Goedkoop lokmiddel dat detectiekans maximaliseert

•

Vrijwel onzichtbaar in het veld te plaatsen

Met functioneel leefgebied wordt het gebied bedoeld dat door de marter ook daadwerkelijk wordt benut. Terreinen die te weinig dekking bieden als weiden, akkers, wegen etc. zijn ongeschikt en worden daar dus niet in meegenomen

Struikrover

Wildcamera

7

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

4.4 Ecologie kleine marterachtigen De steenmarter De steenmarter heeft het formaat van een huiskat maar dan met veel kortere poten. Deze soort is te vinden in de omgeving van dorpen, boerderijen en zelfs in grote steden. De voorkeur gaat uit naar gebieden met kleinschalige landbouw, oude schuren, en geriefhoutbosjes. Daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang omdat hij zich hierlangs verplaatst en foerageert. Het leefgebied kan een grootte van 80 tot 700 ha. omvatten. Binnen het leefgebied heeft de steenmarter tientallen verblijfplaatsen die wisselend worden gebruikt. Van deze tientallen verblijfplaatsen zijn er enkele van groter belang als nestplek en/of voedselopslag. De steenmarter heeft verblijfplaatsen in boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders, kruipruimtes, spouwmuren en ruimtes onder dakbedekking. De steenmarter eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Op zijn menu staan o.a. muizen, ratten, egels, jonge konijnen, vogels, eieren, kevers, rupsen, kikkers en regenwormen, bessen en fruit. Vaak wordt de prooi meegenomen naar een rustig plekje om daar verorberd te worden. Kleine marterachtigen Anders dan bij grote marters, is er nog veel onbekend over bunzing, hermelijn en wezel. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze soorten in aantallen achteruitgaan.

De oorzaak is complex, maar heeft in ieder geval te maken met de verandering van het agrarisch cultuurlandschap. Door de afname van kleinschaligheid en diversiteit en de toename van verkeersintensiteit komen populaties onder druk te staan. Als de soorten niet actiever worden beschermd bestaat de kans dat ze uitsterven. Dat zou nadelig zijn voor de biodiversiteit. Alle drie de soorten hebben een territoriumgrootte die afgestemd is op het voedselaanbod. Het leefgebied vervult de volgende ecologische functies: 1. foerageergebied met voldoende dekking, 2. verbindingen met andere leefgebieden en 3. rust- en voortplantingsplaatsen. En voor de hermelijn en in mindere mate ook voor de bunzing is van belang: 4. water. De hermelijn en de wezel zijn ook overdag actief, de bunzing voornamelijk s ’nachts. Ze zijn dan meestal op zoek naar voedsel. Het voedsel van de hermelijn bestaat uit konijnen, woelmuizen, maar ook ware muizen, ratten, vogels, inclusief hun jongen en eieren worden gegeten. De wezel is een specialist die voornamelijk op woelmuizen jaagt, maar op zijn menu staan ook ware muizen, spitsmuizen en ongewervelden. De bunzing jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren zoals woelmuizen, ware muizen, en ratten maar ook amfibieën worden geregeld gegeten evenals bessen en fruit. Slapen doen ze in een verborgen hoekje, meestal in een hol.

Ze graven nooit zelf een hol, maar maken gebruik van bestaande gaten en holten, zoals mollennesten, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooien strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen die een erf of een opslagplaats kan hebben. Elk dier beschikt over meerdere van zulke onderkomens. Kenmerken Bunzing De bunzing (Mustela putorius) is de grootste kleine marter. Het mannetje is met een kop- romp lengte van 33 tot 45 cm en een gewicht van 500 – 1800 gram duidelijke groter dan het vrouwtje, welke doorgaans een kopromp- lengte heeft van 28 tot 38 cm en 300 tot 900 gram weegt. De bunzing is herkenbaar aan de donkerbruine vacht waarbij de geel of geelwitte ondervacht vaak duidelijk doorschijnt. Ook de witte snuit, witgerande oren en witte ‘halve maantjes’ boven de ogen zijn kenmerkend. De gedomesticeerde bunzing, de fret, komt soms verwilderd voor.

8

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

Biotoop De bunzing komt in allerlei landschapstypen voor. Het dier lijkt echter een voorkeur te hebben voor kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. Ook in een bebouwde omgeving met veel groen kan de bunzing voorkomen, evenals in open bossen (Pertoldi et al., 2006). In de winter wordt de bunzing ook wel in schuurtjes, kelders of hooizolders aangetroffen (Birks, 1998) aangezien deze locaties goede beschutting bieden tegen de kou Kenmerken Hermelijn De hermelijn lijkt erg op de wezel maar is duidelijk groter. Hij heeft een lange zware behaarde staart met een zwarte pluimpunt. De rug is grijs- of beigebruin en de buik wit. De demarcatielijn (scheidingslijn tussen de bruine rugkleur en de lichte buikkleur van de vacht) is strak en recht, in tegenstelling tot de wezel waarbij die kronkelig is. De hermelijn heeft geen donkere keelvlekken. De hermelijn heeft een zomer- en een wintervacht. In de zomer is de vacht roodbruin, in de winter is het soms wit. Het staartpuntje blijft echter altijd zwart. In het koudere deel van het verspreidingsgebied van de hermelijn wordt de vacht in de winter geheel wit. In warmere gebieden wordt de wintervacht slechts gedeeltelijk wit. Nederland ligt net op de grens tussen koud en niet koud: een deel van de hermelijnen veranderd van kleur, maar er worden elke winter ook bruine dieren waargenomen.

Vroeger werden wintervachten van hermelijnen gebruikt voor het vervaardigen van koningsmantels. De kenmerkende witte bontkraag met zwarte stippen. Biotoop De hermelijn leeft solitair in territoria van tussen de 4 en 50 ha groot. Het vrouwtje heeft een leefgebied dat drie- tot viermaal zo klein is als die van het mannetje. Een leefgebied van een mannetje overlapt dat van meerdere vrouwtjes. Met geurklieren markeren ze hun territorium. De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter Tijdens de route gaat de hermelijn op zijn achterpoten staan om de omgeving goed te kunnen overzien. Men noemt dit ook wel ‘kegelen’. Hermelijnen kunnen goed klimmen en jagen soms zwemmend (achter woelmuizen aan).

9

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

Kenmerken wezel De wezel (Mustela nivalis) is het kleinste roofdier van Europa en behoort tot de familie der marterachtigen. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Verwarring met andere marterachtigen kan optreden (hermelijn). De vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan de mannetjes. Ze zijn zelfs zó klein, dat ze muizen tot in hun gangenstelsels kunnen achtervolgen. Ze kunnen door een opening van slechts 28 mm doorsnee. Een wezel lijkt wel wat op een slanke, lange, snelle muis die zich met golvende bewegingen met 30 cm verre sprongen verplaatst. Het lichaam is slank en langgerekt met korte poten en een korte staart. De rug is grijsbruin, de buik wit met een onregelmatige afscheidingslijn, in tegenstelling tot de hermelijn die een scherpe kleurlijn heeft tussen bruin (rug) en wit buik. Soms zijn de voetjes wit. Soms met een bruine keelvlek bij de mondhoeken. De staart van de wezel is kort en geheel bruin, in tegenstelling tot de staart van de hermelijn die langer is met een zwarte punt. In Nederland wordt de wezel in de winter niet (deels) wit; een andere ondersoort die voorkomt in Zweden en Rusland wel. In Nederland is de hermelijn dus het enige zoogdier dat 's winters wit kan worden. Biotoop De wezel komt voor in heel Europa, behalve in Ierland.

In Nederland komt hij nog overal voor, maar minder dan vroeger. Op de Waddeneilanden ontbreekt de soort. De soort leeft tot boven de boomgrens. Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt.

10

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

5. Resultaten en conclusie In september 2022 is er onderzoek uitgevoerd doormiddel van het plaatsen van cameravallen. Deze zijn geplaatst op locaties die vrij is van menselijke activiteit en in potentie geschikt is als (migratie)route voor kleine marterachtigen. Enkele takkenrillen langs het voetpad geven voldoende voedselmogelijkheden, maar ook dekking en veiligheid voor eventuele predatoren. De aantrekkende werking van de geurende sardientjes heeft diverse zwerfkatten gelokt naar de Struikrover. Ook een aantal (spits)muizen zijn gedetecteerd. Naast nog diverse insecten zijn er geen marterachtigen op beeld vastgelegd. In combinatie met het ontbreken van overige aanwijzingen (verblijfplaatsen, krabsporen, prooiresten of uitwerpselen) heeft opdrachtgever alles gedaan wat redelijkerwijs van hen verwacht mag worden om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming betreffende de steenmarter (en kleine marterachtigen) niet wordt overtreden.

11

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

De wildcamera is verderop in de bosjes aan een boom gehangen om een ander deel van het plangebied in beeld te krijgen. Deze had als focus gebied een (droge) greppel met kruidige vegetatie. Dit heeft geen waarnemingen/hits opgeleverd. De grootte van de home range is onder andere afhankelijk van het seizoen, leeftijd, sekse en voedselaanbod. Onder optimale omstandigheden kan 10 hectare functioneel leefgebied al genoeg zijn voor een vrouwtje2 (Hofmeester & Dekker, 2016). Territoria kunnen tot enkele duizenden hectare groot zijn. Dit gebied is kleiner dan deze genoemde afmetingen. Voor zowel bunzing, hermelijn als wezel geldt dat zij in ons land in zeer verschillende biotopen worden aangetroffen. Om bestaand (potentieel) leefgebied te kunnen herkennen of om nieuw leefgebied te realiseren is het goed om een beeld te hebben van waar leefgebied van kleine marters aan moet voldoen en welke functies het vervult. Hoewel het leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel verschilt, is er wel een aantal overeenkomsten aan te wijzen. Alle drie de soorten hebben een territoriumgrootte die is afgestemd op het voedselaanbod. Het leefgebied vervult de volgende ecologische functies: 1.

Foerageergebied met voldoende dekking

2.

Verbindingen met andere leefgebieden

3.

Rust- en voortplantingsplaatsen

4.

Voor hermelijn, en in mindere mate ook voor de bunzing, is ook van belang:

5.

Water Foerageergebied met voldoende dekking

Kleine marters hebben een voorkeur voor structuurrijk kleinschalig (cultuur-)landschap waarin zij voldoende dekking vinden (Zub, et al., 2008; Ĉervinka, et al., 2013). Als jachtgebied wordt gebruik gemaakt van landschapselementen zoals overhoekjes, bosjes en hagen. Ook (delen van) weilanden die direct grenzen aan dekking biedende structuren worden als jachtgebied benut. Buiten de dekking van vegetatie zijn kleine marters kwetsbaar voor andere predatoren. Open veld wordt dan ook gemeden en in de regel zullen ze zich

12

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

niet verder dan enkele meters uit de dekking van vegetatie wagen. De bunzing kan ook in het bos worden aangetroffen (Baghli, et al., 2005). Kleine bosjes, bosranden en bossen met een open structuur hebben dan de voorkeur. Verbindingen Het belang van lijnvormige landschapselementen is groot voor kleine marters. Deze lijnvormige elementen verbinden niet alleen leefgebieden met elkaar, zij vormen zelf eveneens leefgebied. Via de landschapselementen verplaatsen de dieren zich tussen hun rustplaatsen en ook vinden zij er hun prooi. Hoewel zowel wezel, hermelijn als bunzing kan klimmen, verplaatsen de dieren zich over het algemeen over de grond. Lanen, kale bomensingels of opgesnoeide hagen zijn dan ook niet geschikt, de vegetatie moet tot aan de grond reiken. Wel potentieel geschikt als leefgebied zijn landschapselementen als: •

Groene oevers

•

Houtwallen

•

Hagen

•

Takkenrillen

•

Bosranden

•

Struweel

•

Hoge graslandvegetatie

•

Boomgaarden

•

Rommelhoekjes

•

(Wilgen-)singels

•

Graften en steilranden

•

Greppels

•

Rietlanden‘

Conclusie: Het bureau-onderzoek, habitatgeschiktheidsonderzoek en de cameravallen geven geen aanleiding om aan te nemen dat de kleine marterachtigen gebruik maken van de planlocatie. Ook de vele waarnemingen van de huiskat (predator) maakt het leefgebied suboptimaal. Derhalve blijft een groot deel van het habitat intact.

13

NADER ONDERZOEK SOORTEN MARTERACHTIGEN – GOYERGRACHT ZUID EEMNES

Disclaimer Deze rapportage is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven. Niets uit deze rapportage mag, met uitzondering van de opdrachtgever, worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, kopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van Ecofect B.V., noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecofect B.V. is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden of andere gegevens verkregen. De opdrachtgever vrijwaart Ecofect B.V. voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie. © 2022 Ecofect B.V.; Nunspeet

14

Nader onderzoek soorten NADER ONDERZOEK

VLEERMUIS Vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021

Locatie onderzoek:

Datum:

5 december 2022

Goyergracht Zuid 3a Eemnes

Project:

NOV50005

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

INHOUD 1.

Colofon

3

2.

Samenvatting

4

3.

Inleiding

5

3.1

Aanleiding

5

3.2

Planlocatie

5

3.3

Werkzaamheden

5

4.

Wettelijk kader

6

5.

De vleermuis

9

6.

Werkwijze

11

6.1

Vleermuisprotocol 2021

11

6.2

Checklist

11

6.3

Bureauonderzoek

16

6.4

Werkwijze onderzoek

16

6.5

Onderzoeksresultaten

17

7.

Verantwoording

Disclaimer

19 20

2

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

1. Colofon Onderzoek

Nader onderzoek vleermuis

Document

NOV50005

Datum

5 december 2022

Locatie

Goyergracht Zuid 3a Eemnes

Opdrachtgever

Edok-RO

Opdrachtnemer

Ecofect B.V.

Ecoloog

P. Smits

Adres

Van Oordtstraat 3, 8071 KV Nunspeet

Telefoon

06-41737676

Email

info@ecofect.nl

Internet

www.ecofect.nl

KvK-nummer

87036487

Btw-identificatienr.

Nl864184311B01

Rekeningnummer

NL39 RABO 0198 8908 69

3

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

2. Samenvatting Samenvattend: •

Er zijn geen verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes dan wel zwermlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de bebouwing of in de te rooien bomen.

•

Er zijn geen paarroepjes en baltsgedrag waargenomen, waardoor er ook geen opnames zijn gemaakt.

•

Het plangebied zelf heeft geen belangrijke waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute:

•

Er gaan geen verblijfplaatsen of essentiële functies verloren door of tijdens de geplande ingreep.

•

Elke inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnamen. Er is voldaan aan de onderzoekstijden en perioden zoals gesteld wordt in het vleermuisprotocol 2021. Alle functies zijn onderzocht voor de genoemde soorten.

•

Het gehele plangebied is in beeld gebracht door het onderzoek uit te voeren met twee waarnemers.

Hierdoor is niet uitgesloten dat soorten en functies die tijdens de inventarisatie niet waargenomen zijn, op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat met het volgen van de inventarisatieprotocollen gedaan is ‘wat redelijkerwijs verwacht kan worden’. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (Zorgplicht) van de Wet natuurbescherming.

4

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

3. Inleiding 3.1 Aanleiding Met de voorgenomen ontwikkelingen op de Goyergracht-Zuid 3a te Eemnes, heeft EDOK-RO namens Stichting Het Spookbos, Ecofect gevraagd een nader onderzoek vleermuis uit te voeren t.b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren werkzaamheden conflicteren met de Wet Natuurbescherming. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.

3.2 Planlocatie De geplande ontwikkelingen betreffen het perceel aan de Goyergracht-Zuid te Eemnes. Dit adres is gelegen aan een doorlopende weg te midden van weilanden aan de rand van Eemnes. Op het perceel staat opstallen die in de huidige plannen gehandhaafd zullen blijven. Achter de bebouwing (stal) is een kleine bosperceel bestaande uit eik, Amerikaanse eik, beuk, berk, hulst en braam.

.

5

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

3.3 Werkzaamheden De opdrachtgever is voornemens om de huidige opstallen te behouden voor de huidige doeleinden. Het is de bedoeling om achter de huidige opstallen een nieuwe opstal te realiseren t.b.v. een zorgafdeling inclusief nachtverblijf van ca. 480m 2. Om dit te realiseren is het noodzakelijk om een gedeelte van de aanwezige houtopstand te kappen. De verbeelding t.b.v. de ruimtelijke ordening is hieronder opgenomen. Het is de bedoeling om achter het huidige maatschappelijke perceel de nieuwe opstal te realiseren In de verbeelding aangegeven met M 30%. Ten opzichte van eerdere onderzoeken is de aanleg van een paardenrijbak met verlichting aan het plan toegevoegd. In de verbeelding aangegeven met A-3. T.b.v. de geplande ontwikkelingen is het noodzakelijk om de directe omgeving opnieuw in te richten. T.b.v. de compensatie van de bomenkap staat het planten bomen gepland aan de noordzijde van het perceel in het huidige weiland.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn blijvend van karakter. De functie van het plangebied zal opnieuw ingevuld worden en in verband met de compensatie ecologisch gezien nauwelijks veranderen. De ingrepen en effecten van de ingreep in relatie tot natuurwaarden: • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen (bomen en struiken),: •

graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen;

•

egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport;

•

realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden;

•

revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

6

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

4. Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wetgeving vervangt de Flora- en faunawet, boswet en natuurbeschermingswet. In deze wet is de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden geregeld. Dit onderzoek beperkt zich tot soortbescherming vleermuis.

Wet natuurbescherming Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: • Vogels met jaarrond beschermde nesten; • Overige vogels; • Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); • Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; • Overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Voor vogels geldt dat er twee categorieën zijn: de vogels met jaarrond beschermde nesten (o.a. Huismus, Gierzwaluw en Buizerd) en de overige broedvogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten hebben een strikte beschermingsstatus binnen de Wet natuurbescherming. Van overige broedvogels zijn hun nesten alleen tijdens het broedseizoen beschermd zijn (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest). Voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn zijn in artikel 3.5 verboden vastgelegd (o.a. verboden om dieren te doden en voortplantings- of rustplaatsen te vernielen) en geldt een strikte beschermingsstatus. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën.

Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en geldt eveneens een strikte beschermingsstatus. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een uitgebreide rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.

De Wet natuurbescherming onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 2). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Het 3e beschermingsregime, andere soorten, betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau (nationaal beschermde soorten). Daarnaast geldt dat voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs verwacht van men kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen. Alle vleermuissoorten worden strikt beschermd door de Wet natuurbescherming en ook de vaste verblijfplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Hierdoor is er, bij ruimtelijke ingrepen, een ontheffing nodig in het kader van de Wet natuurbescherming wanneer vaste verblijfplaatsen aangetast, vernield en/of verstoord zullen worden of wanneer individuen van de soorten verwond of gedood zullen

7

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

worden. Het is daarom noodzakelijk om middels aanvullend onderzoek de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen vast te stellen dan wel uit te kunnen sluiten.

8

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

5. De vleermuis Vleermuizen gebruiken het landschap gedurende het jaar op verschillende manieren: in verschillende perioden van het jaar maken ze gebruik van kraamplaatsen, zomerverblijfplaatsen, paarverblijven, winterverblijfplaatsen en jachtgebied. Daarnaast gebruiken ze landschapselementen, zoals bomenrijen en watergangen als vliegroute. Het meest recente vleermuisprotocol (2021) dat door onder andere de Zoogdiervereniging en de gegevensautoriteit NGB is opgesteld, stelt daarom dat tenminste vijf inventarisatiemomenten nodig zijn om de verschillende functies, die de aanwezige bebouwing mogelijk voor vleermuizen vervult, zo goed mogelijk te inventariseren.

Vleermuizen Verblijfplaats Een object (gebouw, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters, met enige regelmaat). Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. Kraamverblijfplaats Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen. Paar(verblijf)plaats Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Het betreft bij soorten die jaarrond in hun leefgebied blijven nogal eens een voormalige paarplaats of een andere verblijfplaats. Er zijn bij soorten als gewone dwergvleermuis massa winterverblijfplaatsen en winterverblijfplaatsen voor kleinere groepen te onderscheiden. Vliegroute Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied of tussen verblijfplaatsen visa versa.

Migratieroute Een vaste route van zomerleefgebied naar winterverblijfplaats of winterleefgebied en visa versa. Foerageergebied Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.

9

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

Uit het verkennende onderzoek dat door Bureau Natuurlijk (2021) is uitgevoerd, bleek dat dat de locatie van de te realiseren opstal mogelijk geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen (bomen met holten dan wel een lijnelement in het landschap). Nader onderzoek naar de functie voor boombewonende vleermuizen was daarom nodig. Het aanvullende onderzoek naar vleermuizen in Eemnes is volgens het vleermuisprotocol 2021 uitgevoerd: een vleermuisonderzoek naar kraam-, zomer-, vliegroutes, foerageergebied en paarverblijven.

10

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

6. Werkwijze De werkwijze van Ecofect om te komen tot gedegen conclusies is als volgt: 1.

Bureau-onderzoek naar de voorkomende en te verwachten soorten

2.

Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021

3.

De checklist aanwezigheid (vleermuisprotocol) is ingevuld

4.

Het onderzoek is te voet uitgevoerd

5.

Er is gebruik gemaakt van verrekijker, zaklamp en batdetector Anabat Scout

6.1 Vleermuisprotocol 2021 Het onderzoek is uitgevoerd conform het vleermuisprotocol 2021 zoals gepubliceerd op de website van BIJ12. In het voorliggende onderzoek zijn de volgende functies voor vleermuis onderzocht: •

Paarverblijfplaatsen

•

Kraamverblijfplaatsen

•

Zomerverblijfplaatsen

De inventarisatie blijft echter een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is hieraan voldoende invulling gegeven. Wat betreft dit onderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden. •

Het gehele projectgebied is in beeld geweest tijdens de onderzoeken.

•

De tussentijd tussen de verschillende bezoeken waren conform het protocol.

•

De weersomstandigheden (temperatuur, windkracht en neerslag) waren optimaal.

•

Er is niet afgeweken van het vleermuisprotocol.

6.2 Checklist Ga eerst na welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld (binnen 20 km van het plangebied, denk daarbij indien nodig ook buiten de landsgrenzen). Daarna dient gekeken te worden welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Hiervoor kan de onderstaande checklist of geheugensteun worden gebruikt. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. De hieronder aangegeven soorten en/of soortgroepen zijn niet dekkend. Hou rekening met het voorkomen van zeldzaam voorkomende soorten. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse. Dat blijkt vaak pas uit het (nader) onderzoek.

11

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

1. Dikke bomen Is in of grenzend aan het plangebied één (of meerdere) dikke boom (doorsnede globaal > 3 dm op borsthoogte) aanwezig? 1.1 Zijn holtes, spleten, scheuren, losse bast uit te sluiten?

→ Zo niet, nader onderzoek naar (winter-,) kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van boombewonende soorten. 1.2 Maakt de boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding?

→ Nader onderzoek naar vliegroutes van alle (in de omgeving) voorkomende vleermuissoorten. 1.3 Maakt de boom (bomen) deel uit of vormt deze mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied?

→ Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. Conclusie: Bomen zijn aanwezig op en nabij de projectlocatie. Boombewonende soorten, zoals bechsteinsvleermuis, rosse vleermuis en bosvleermuis, worden daarom in dit onderzoek meegenomen.

2. Opgaande gewassen Is op of grenzend aan het plangebied één (of zijn meerdere) dunne bomen (doorsnede globaal. < 3 dm op borsthoogte) en/of struiken/gewassen > 1,5 meter aanwezig? 2.1 Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route of verbinding (lijnelement)?

→ Onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen. 2.2 Zijn er zichtbare holtes spleten, scheuren, losse bast in de boom (bomen)? → Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende soorten. 2.3 Vormt het opgaand groen mogelijk foerageergebied of beschutting van een naastgelegen foerageergebied (let vooral op kleinschalig gebied of parkachtige omgeving)?

→ Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen. Conclusie: Vegetatie en gewassen zijn op en nabij de planlocatie in mate aanwezig. De aanwezige vegetatie en gewassen blijven naar verwachting grotendeels intact. Onderzoek naar foerageergebied wordt meegenomen in de onderzoeken.

12

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

3. Open water Is er open water aanwezig? 3.1 Is er water?

→ Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute), tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis ruige dwergvleermuis, watervleermuis (> 1m breed) en meervleermuis (> 2m breed). 3.2 Is er water in tenminste iets besloten gebied?

→ Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) gewone of ruige dwerg-, baard-, brandt’s-, ingekorven, franjestaart, grijze en gewone grootoorvleermuis en laatvlieger. 3.3 Is er water in open gebied?

→ Nader onderzoek naar gebiedsfuncties (foerageergebied en vlieg- en/of migratieroute) tweekleurige-, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. 3.4 Heeft het water een mogelijk essentiële functie als drinkwater?

→ Nader onderzoek naar functie voor alle soorten vleermuizen. Conclusie: Er is geen water, zoals bedoeld in de checklist, aanwezig binnen de grenzen of in de nabijheid van het plangebied.

4. Open gebied Is er open gebied (> 1 ha)? 4.1 Bestaat het plangebied uit moeras, grasland, akker of anderszins (denk bij < 500 meter van water breder dan 2 meter extra aan meervleermuis)?

→ Nader onderzoek naar gebruik door rosse vleermuis, meervleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis en ruige dwergvleermuis. Conclusie: De planlocatie ligt aan de rand van de bebouwde kom van Eemnes. Gebieden zoals beschreven hierboven zijn aanwezig nabij het plangebied.

5. Gebouwen Zijn er gebouwen aanwezig? 5.1 Biedt het gebouw of bieden de gebouwen mogelijk winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen voor vleermuizen (denk aan de spouwmuur, dakpannen, kelders, luiken aan de muur, gevelbekleding, zolders, daklagen, kruipruimtes etc.)? (bouwtekening ter inzage vragen).

→ Nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. 5.2 Zijn er sporen van aanwezigheid, poepvlekken, keutels, vraatresten, bruinverkleuring langs de rand van invliegopeningen en dergelijke?

→ Nader onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen. 5.3 Mogelijk foerageergebied?

→ Nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen.

13

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

5.4 Zijn er lange, mogelijk in het duister liggende, muren aanwezig?

→ Nader onderzoek naar gebiedsfuncties vlieg- en/of migratieroutes. Conclusie: Er zijn geen gebouwen aanwezig binnen de grenzen van het plangebied welke met de geplande ontwikkeling zullen verdwijnen.

6. Grotten, groeves, kelders en andere objecten Zijn er grotten en/of groeves en/of kelders, bruggen, tunnels en/of andere objecten met ruimten? 6.1 Zijn deze geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen? → Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen, met de nadruk op winter-, en paarverblijfplaatsen. Conclusie: Niet aanwezig nabij planlocatie

7. Grootschalige landschapselementen Zijn er grootschalige lijnvormige landschapselementen zoals kustzones, grootschalige dijken, duinenrijen, rivierdalen of waterpartijen die een verbindingsroute zouden kunnen vormen tussen zomer- en winterleefgebieden

→ Nader onderzoek naar mogelijke migratieroutes van o.a. meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in voor- en najaar. N.v.t. Conclusie: Niet aanwezig nabij planlocatie Randvoorwaarden en vervolg De conclusies uit de veldverkenning in combinatie met deze checklist, gekende verspreiding (zie bijlagen), de ligging in het landschap, de relatie met het landschap en de uitgebreide tabel van het protocol, geven de onderzoeksinspanning (tijdstip, omstandigheden frequentie per te onderzoeken soort) voor het nader onderzoek aan.

Conclusie overall checklist: Op basis van de ingevulde checklist is het nader onderzoek naar winter-, kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen en vliegroutes uitgevoerd. Het betreft hier de boom bewonende vleermuizen rosse vleermuis, Bechsteins vleermuis, ruige dwergvleermuis. De overige gebouw- en boombewonende soorten worden uitgesloten: •

Baardvleermuis bewoont in de zomer bomen, nest- of vleermuiskasten, zolders, of de ruimte achter gevelbetimmeringen en vensterluiken van gebouwen. Baardvleermuizen worden vooral aangetroffen in bossen, aan bosranden en in kleinschalige gesloten landschappen. Biotoop ongeschikt.

•

Franjestaart: biotoop ongeschikt deze vleermuis leeft in bosrijke gebieden met waterrijke gedeelten, in winter binding met hogere zandgronden.

•

Bosleermuis: biotoop ongeschikt deze vleermuis leeft in bosrijke gebieden.

•

Ingekorven vleermuis komt uitsluitend voor in Zuid-Limburg en Noord Brabant.

•

Grijze grootoorvleermuis: zeer zeldzaam alleen in Limburg, Zeeuws Vlaanderen en Noord Brabant waarnemingen bekend.

•

Meervleermuis: biotoop ongeschikt: waterrijke gebieden met moerassen, weiden en bossen. Daarnaast is de soort zeer zeldzaam.

14

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

•

Tweekleurige vleermuis wordt uitgesloten op basis van zeldzaamheid en habitatseisen.

•

Laatvlieger is een gebouw bewonende soort.

Indien er tijdens de inventarisatieronden waarnemingen gedaan worden van de hierboven uitgesloten soorten of functies, kan de methodiek aangepast worden om het nader onderzoek uit te breiden.

6.3 Bureauonderzoek Hieronder treft u een overzicht van te verwachten soorten per provincie volgens de NDFF-verspreidingsatlas. Tevens is de mate van zeldzaamheid toegevoegd. Tijdens het veldbezoek wordt dit model ook gebruikt als focusdocument. In de bijlagen zijn de verspreidingsgegevens van genoemde soorten uitgewerkt.

Zeldzm

Fl

Gr

FR

Dr

Ov

Gld

Li

N-Br

Utr

Zld

Z-H

N-H

Vleermuis soort Baard vleermuis Bechsteins vleermuis Bosvleermuis Brandt’s vleermuis Gewone grootoorvleerm Franjestaart Gewone dwergvleermuis Grijze grootoorvleermuis Ingekorven vleermuis Laatvlieger Meervleermuis Mopsvleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Algemeen

Zeldzaam

Vrij zeldzaam

Zeer zeldzaam

6.4 Werkwijze onderzoek De vaste waarnemers (P. Smits en A.J.W. van der Vlies) hebben beiden op post gestaan en vaste looproutes aangehouden tijdens de veldbezoeken. Tijdens de veldbezoeken zijn meerdere waarnemers ingezet. De projectlocatie is volledig onderzocht. Auditieve detectie van vleermuizen is op een minimale afstand van 20 meter en verder (dwergvleermuis), afgezien van visuele waarnemingen.

15

NADER ONDERZOEK SOORTEN – GOYERGRACHT ZUID 3A EEMNES

Datum

Zon

start

Eind

gr

weer

bft

Resultaat

18-05-2022

K/Z/V

21.31

21.25

00.03

12

helder

2

L/G

07-07-2022

K/Z/V

05.24

02.10

05.24

12

Droog

2

G

22.00

22.00

00.20

06-07-2022 02-09-2022

P/Zw

20.23

20.20

01.00

16

Droog

2

G/L

24-09-2022

P/Zw

19.31

19.30

01.00

14

Droog

3

G/L

6.5 Onderzoeksresultaten Vier van de vijf inventarisaties zijn in de avond en nacht uitgevoerd. Voor één inventarisatie hebben we in onderzoekstijden verlengd tot 01.00 uur om tevens het eventuele zwermen in beeld te brengen. Eén inventarisatie heeft in de vroege ochtend plaatsgevonden die tevens in de kraamperiode viel. Tijdens de bezoeken is vooral gelet op uitvliegende, invliegende en/of zwermende vleermuizen en op vleermuizen die al rond zonsondergang actief waren. Wanneer een vleermuis rond zonsondergang wordt waargenomen, kan dit namelijk op de aanwezigheid van een verblijfplaats duiden. Dit omdat de meeste vleermuissoorten rond zonsondergang hun verblijfplaats verlaten en dan naar hun foerageergebieden vliegen. Vleermuizen die rond zonsondergang bij het te onderzoeken object worden waargenomen, hebben nog geen grote afstand af kunnen leggen, waaruit opgemaakt kan worden dat zij mogelijk in het object een verblijfplaats hebben. Ruim voor of na zonsondergang- en opkomst waren de vleermuizen niet aanwezig op of nabij de planlocatie. Tijdens de inventarisaties in de paarperiode is tevens gelet op vleermuizen die sociale geluiden (waaronder paarroepjes) uitstoten en die paargedrag vertonen. Dergelijke geluiden en gedrag kunnen duiden op de aanwezigheid van een paarverblijfplaats. Tijdens de veldbezoeken is gebruikgemaakt van heterodyne batdetectors (Anabat Scout).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14024522/1