CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Tekst APV Eemnes 2023 (met markeringen)

Raadsessie & Raad 24 april 2023, gemeente eemnesBij agendapunt: Algemene plaatselijke verordening Eemnes 202321.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.

Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.

4.

De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1.

Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2.

Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarin aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3.2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid kan in ieder geval opleggen worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a.

geluid- of geurhinder;

b.

hinder van dieren;

c.

hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

d.

overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; of

e.

intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2.80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.

De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.

2.

Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting ook tevens bekend gemaakt door een schrijven,

waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.

Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

4.

Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

5.

Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

6.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.

In dit artikel wordt verstaan onder: a.

exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

b.

beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

c.

bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

2.

De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.

3.

Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a.

in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

b.

alsindien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

b.

alsindien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

c.

de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

d.

alsindien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

e.

alsindien niet voldaan is aan de bij of krachtens het vijfde en zesde lid gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

f.

alsindien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

g.

alsindien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.

5.

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a.

de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

b.

het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

c.

het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

d.

indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

e.

een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

f.

een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

6.

AlsIndien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

7.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen alsindien: a.

door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of

b.

door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of

c.

de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of

d.

de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

e.

de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat

strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f.

er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of

g.

er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of

h.

de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of

i.

redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of

j.

de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.

8.

AlsIndien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of alsindien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.

9.

Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

10. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven alsindien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpken

Afdeling 1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: 

beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding en beheer uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;

bezoeker: degene die aanwezig is in een overige seksinrichting als bedoeld in dit artikel, met uitzondering van:

1.

de exploitant;

2.

de beheerder:

3.

de protitué(e);

4.

het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

5.

toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.1a;

6.

andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.;

escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

exploitant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert;

prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke of besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zijn bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. In deze verordening worden twee categorieën onderscheiden: de categorie woning van een thuiswerker en de categorie overige seksinrichtingen. Onder overige seksinrichtingen wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen erotisch-massagelsalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

thuiswerker: de natuurlijke persoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig werkt, seksuele handelingen verricht in de eigen woning.

Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 3.3 Seksinrichtingen 1.

Het is verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

2.

In de (aanvraag om) vergunning wordt in ieder geval vermeld: a.

door welke natuurlijke of rechtsperso(o)n(en) de seksinrichting of het escortbedrijf zal worden geëxploiteerd;

b.

door welke perso(o)n(en) de seksinrichting, of het escortbedrijf zal worden beheerd;.

c.

de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

d.

de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van ten minste 1:1 000;

e.

bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

f.

bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting; in geval van thuiswerk: het bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister op het bewuste adres;

g. 3.

een plattegrond 1 op 100 waarop de werkruimten zijn aangegeven.;

De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant. De vergunning is persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen.

3.4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 3.4 Gedragseisen exploitant en beheerder 1.

De exploitant –indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke personen- en de beheerder:

2.

a.

staan niet onder curatele;

b.

zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;

c.

hebben de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.

Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant –indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon- en de beheerder niet: a.

met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

b.

binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

c.

binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

i. § bepalingen gesteld bij of krachtens de AlcoholwetDrank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; ii. § de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417 bis, 426 of 429 quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; iii. § de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6j, artikel 8j of artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; iv. § de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; v. § de artikelen 2 en 3 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; vi. § de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.

Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a.

vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt;

b. 4.

een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a.

bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

b.

bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

5.

De exploitant –indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon- is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.3 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3.5 Sluitingsuur 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 06.00 en 18.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 10.00 en 16.00 uur.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een afzonderlijke seksinrichting afwijkende sluitingstijden vaststellen.

3.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of het tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.6 gesloten dient te zijn.

4.

Het in het eerste en het tweede bepaalde geldt niet voor zover de in de Wet milieubeheer opgenomen sluitingstijden van toepassing zijn.

Artikel 3.6 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; (tijdelijke) sluiting 1.

Met het oog op de in artikel 3.12 tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegde bestuursorgaan: a.

tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.5 eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

b. 2.

van een afzonderlijke seksinrichting (tijdelijk) de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegde bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3.7 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.

Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat ten minste één van de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

2.

De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: a.

geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie;

b.

geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3.8 Raam- en straatprostitutie 1.

Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, te trachten als prostitué(e) de aandacht van passanten op zich te vestigen.

2.

Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk (in een bepaalde richting) te verwijderen.

Artikel 3.9 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college van burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3.10 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch/pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.

alsindien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

b.

anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

2.

Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3 Beslissingstermijn en weigeringsgronden; Nadere regels Artikel 3.11 Beslissingstermijn 1.

In afwijking van artikel 1.2 neemt het bevoegde bestuursorgaan het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de volledige aanvraag ontvangen is.

2.

Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 3.12 Weigeringsgronden 1.

De vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, wordt geweigerd alsindien: a.

de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.4 gestelde eisen;

b.

de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of

c.

er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

2.

De vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, worden geweigerd in het belang van:

3.

a.

het voorkomen of beperken van overlast;

b.

het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

c.

de veiligheid van personen of goederen;

d.

de verkeersvrijheid of -veiligheid;

e.

de gezondheid of zedelijkheid; of

f.

de arbeidsomstandigheden van de prostituee; of

g.

alsindien niet is voldaan aan het gestelde in de nadere regels als bedoeld in artikel 3.13.

De vergunning als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, kan worden geweigerd: a.

in het belang van de openbare orde;

b.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

c.

in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

d.

in het belang van de veiligheid van personen of goederen;

e.

in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

f.

in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;

g.

in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e);

h.

alsindien niet voldaan is aan het gestelde in de nadere regels als bedoeld in artikel 3.13.

Artikel 3.13 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.12 genoemde belangen kan het college van burgemeester en wethouders over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie 1.

De vergunning vervalt zodra de exploitant als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, onder a, de exploitatie van de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd.

2.

Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.

Artikel 3.15 Wijziging beheer 1.

Als Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.3, derde lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegde bestuursorgaan.

2.

Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegde bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.12, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.16 Vervallen vergunning Behoudens het bepaalde in artikel 3.15 vervalt de vergunning als: a.

indien er een jaar feitelijk geen gebruik is gemaakt van de vergunning;

b.

indien er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoon van de exploitant;

c.

indien er een wijziging van bouwkundige aard in de inrichting heeft plaatsgevonden;

d.

indien de inrichting naar een andere locatie wordt verplaatst.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting Artikel 4.1 Definities* In deze afdeling wordt verstaan onder: 

Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;

geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;

houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten*

1.

De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

2.

De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

3.

Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

4.

Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

Artikel 4.3 Melding incidentele festiviteiten* 1.

Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

2.

Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 4 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.

3.

Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

4.

De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

6.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

7.

Het college kan voorwaarden verbinden aan de festiviteiten ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten [Gereserveerd]

Artikel 4.5 Onversterkte muziek [Gereserveerd]

Artikel 4.6 Geluidhinder* 1.

Het is verboden om van 20.00 uur tot 07.00 uur van de daaropvolgende dag, dan wel tot 13.00 uur als dat een zondag betreft, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer in de openlucht een geluidsapparaat niet zijnde een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder c. van de Wegenverkeerswet 1994 , een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt.

2.

Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen.

3.

Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, (recreatie)toestellen of (bouw)machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder.

4.

De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: a.

het maximale geluidsniveau;

b.

de situering van de geluidsbronnen;

c.

de frequentie en tijden van het gebruik.

Artikel 4.6A Geluidhinder door dieren* Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4.6BA Overige geluidhinder* 1.

Onder privé feest wordt verstaan een feest dat niet een openbare verrichting van vermaak is als bedoeld in artikel 2:25 en dat plaats vindt buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit.

2.

Het is verboden ten behoeve van een privé feest in de openlucht een muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te maken op zondag tot en met donderdag tussen 23.00 u en 09.00 u van de daarop volgende dag, in de nacht van vrijdag op zaterdag tussen 00.00 u en 09.00 u en in de nacht van zaterdag op zondag na 00.00 u en op zondag voor 13.00 u.

3.

Het is verboden ten behoeve van een privé feest een muziekinstallatie in werking te hebben of muziek te maken wanneer dit een kerkdienst kan verstoren.

4.

Het geluidsniveau van de muziek van een privé feest dient zodanig te zijn dat omwonenden geen overlast ondervinden.

5.

Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen.

6.

Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer een vrachtauto als bedoeld in artikel 1, onder ao van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze

te laden of te lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt. 7.

Het college kan van het in het zesde lid bepaalde ontheffing verlenen.

Afdeling 2 Bodem-, weg en milieuverontreiniging Artikel 4.7 Straatvegen (Vervallen)

Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen* Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4.9A Oplaten van ballonnen* 1.

Het is verboden een ballon, van welk materiaal dan ook, door middel van helium of enig ander gas dat lichter is dan lucht, op te laten in de buitenlucht met het oogmerk om deze weg te laten zweven.

2.

Onder ballon wordt onder meer verstaan: feest-, geluks-, papier-, wens-, sfeer-, herdenkings- of reclameballon.

3.

Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart en op ballonnen die noodzakelijk zijn voor meteorologische waarnemingen of ander wetenschappelijk onderzoek.

Afdeling 3A Het bewaren van houtopstanden Artikel 4.10 Definities* 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder:

hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;

waardevolle bomenlijst: de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde lijst en/of kaart waarop waardevolle houtopstanden zijn geplaatst;

waardevolle boom: boom die op de waardevolle bomenlijst is geplaatst en alle bomen die gemeentelijk eigendom zijn en een omtrek van tenminste 63 cm of een diameter van tenminste 20 cm hebben, gemeten op een hoogte van 1,30 m boven maaiveld.

2.

In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen (waaronder in ieder geval de eerste keer kandelaberen) die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van een houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden* 1.

Burgemeester en wethouders stellen een lijst en/of kaart op waarop waardevolle houtopstanden zijn geplaatst.

2.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een waardevolle boom te vellen of te doen vellen en/of een boom te vellen of te doen vellen die is geplant in het kader van de herplantplicht op basis van dit artikel of artikel 4.12.

3.

Het bevoegd gezag legt onder nader te stellen voorschriften in beginsel een herplantplicht op.

4.

De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

5. a.

a.

de natuurwaarde van de houtopstand;

b.

de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c.

de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e.

de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f.

de waarde voor de leefbaarheid van de omgeving.

Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantengezondheidsziektewet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag;.

a.b. houtopstand waarvoor het college toestemming geeft tot het direct vellen van de houtopstand, als er sprake is van een situatie van acuut spoedeisend belang. 5.6. Een vergunning voor het vellen van een boom in gemeentelijk eigendom, mag alleen verleend worden voor: a.

bomen die gevaar opleveren voor mens en omgeving;

b.

bomen die moet wijken voor maatschappelijk belangrijke ontwikkelingen, zoals de bouw van een voorziening, de aanleg van een weg of geluidswerende voorziening;

c.

bomen die ernstige hinder en zware overlast veroorzaken. Onder hinder/ zware overlast wordt niet verstaan: schaduwwerking, bladval, ‘drup’ (o.a. lindes), vruchtval (o.a. eik) of het opdrukken van bestrating door de wortels;

d.

bomen die moeten worden gekapt om andere bomen duurzaam in stand te houden;

e.

bomen waarvan de onderhoudskosten niet evenredig zijn aan de leeftijd en/of functie van die bomen.

Artikel 4.12 Herplant-/instandhoudingsplicht* (vervallen) 1.

Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld of op andere wijze is tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, onder nader te stellen voorschriften een herplantplicht opleggen.

2.

Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke manier niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op waardevolle bomen of bomen die zijn geplant in het kader van de herplantplicht op basis van artikel 4.11 of dit artikel, en die: a.

moeten worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4.11, vijfde lid, onder a; of

b.

moeten worden geveld vanwege een situatie van acuut spoedeisend belang als bedoeld in artikel 4.11, vijfde lid, onder b.

4.

Als houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt of aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

5.

Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4.13 (Vvervallen)

Artikel 4.14 (Vvervallen)

Artikel 4.15 (Vvervallen in)

Artikel 4.16 (Vvervallen in)

Artikel 4.17 (Vvervallen)

Artikel 4.18 Bestrijding van boomziekten* 1.

AlsIndien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de rechthebbende, als indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: a.

de boom te vellen;

b.

conform richtlijnen van de gemeente de gevelde boom direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen.

2.

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, alsindien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.

3.

Het is verboden om in strijd met het gestelde in het eerste lid of tweede lid te handelen of na te laten.

Artikel 4.19 Afstandsgrenzen van bomen, heesters en heggen* Het is toegestaan om bomen, heesters en heggen te planten en aanwezig te hebben ongeacht de hoogte, tot aan de grenslijn van eens anders erf, een en ander als bedoeld in artikel 5:42, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek.

Afdeling 4 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke Artikel 4.20 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.* 1.

Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.

onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

b.

bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

c.

kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.24 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

d.

mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

2.

Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben.

3.

Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de geldende pProvinciale omgevingsmilieuverordening.

Artikel 4.21 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [Gereserveerd]

Artikel 4.22 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame* 1.

Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

2.

Het college kan regels stellen ter beperking van lichthinder door handelsreclame.

3.

Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

4.

Het tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer of de Pprovinciale omgevinglandschapsverordening.

Artikel 4.23 Vergunningsplicht lichtreclame [Gereserveerd]

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4.24 Definitie* In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is, dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4.25 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen*

1.

Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

2.

Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.

natuur en landschap; of

b.

v een dorpstadsgezicht.

Artikel 4.26 Aanwijzing kampeerplaatsen* 1.

Artikel 4.25, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

2.

Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4.25, vierde lid.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5.1 Begripsbepalingen (Vervallen; opgenomen in artikel 1.1)

Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.n dergelijked.* 1.

2.

Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a.

het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

b.

het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a.

voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

b. 3.

voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

a.

drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

b.

de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

4.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen* 1.

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

2.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.4 Defecte voertuigen* Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5.5 Voertuigwrakken* 1.

Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen* 1.

Het is verboden een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, keetwagen, aanhangwagen of ander voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.

langer dan op drie achtereenvolgende dagen zonder wezenlijke tijdsonderbreking binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben; op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;

b.

op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

2.

Het college kan plaatsen of tijden aanwijzen waar, respectievelijk gedurende welke tijd het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening. het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen* 1.

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

2.

Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

3.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen* 1.

Het is verboden een voertuig te parkeren dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte heeft van meer dan 2,4 meter.

2.

Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor de door het college aangewezen weggedeelten en/ of tijdstippen.

3.

Het verbod in het eerste lid is verderoorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

4.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

5.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 5.9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen* 1.

Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

2.

Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen* 1.

Het is verboden een voertuig met stank verspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.10A Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan* (Vervallen) 1.

Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

2.

Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen* 1.

Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

2.

Dit verbod is niet van toepassing op: a.

de weg;

b.

voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

c.

voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets* 1.

Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging opheffing van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

2.

Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

Afdeling 2 Collecteren Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te

werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.

Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

3.

Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die in besloten kring wordt gehouden.

4.

Het verbod geldt niet voor collectes die op het collecterooster van het Centraal Bureau voor de Fondsenwerving staan.

5.

Het college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen of wervingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen.

6.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 3 Venten Artikel 5.14 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

2.

Onder venten wordt niet verstaan: a.

het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

b.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.22;

c.

het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5.17.

Artikel 5.15 Ventverbod 1.

Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

2.

Het is verboden te venten op zondagen en maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 09.00 uur.

3.

Het verbod in het tweede lid geldt niet voor venten met etenswaren voor zover dat niet aan de deur gebeurt op maandag tot en met zaterdag tussen 20.00 uur en 22.00 uur en op zondag tussen 13.00 uur en 22.00 uur.

4.

Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5.16 Vrijheid van meningsuiting 1.

Het verbod als bedoeld in artikel 5.15, eerste lid, geldt niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

2.

Het college kan de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te stellen:

3.

a.

op door het college aangewezen openbare plaatsen, of

b.

voor bepaalde dagen en uren.

Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

3.4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 4 Standplaatsen Artikel 5.17 Definitie* 1.

In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

2.

Onder standplaats wordt niet verstaan: a.

een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

b.

een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.24.

Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden* 1.

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

2.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd: a.

wegens strijd met een geldend bestemmingsplan;

b.

als indien de standplaats hetzij op zichzelf of hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van redelijke welstand; of

c.

als een beperking in aantal of in plaats indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente als gevolg van bijzondere omstandigheden nodig is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het

verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 3.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5.19 Toestemming rechthebbende* Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5.20 Afbakeningsbepalingen* 1.

Het verbod van aArtikel 5.18, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de provinciale omgevingsverordeninghet Provinciaal wegenreglement.

2.

De weigeringsgrond van artikel 5.18, tweede lid, onder ba., is niet van toepassing op geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5.21 [Gereserveerd]

Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5.22 Definitie 1.

In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.

2.

Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: a.

een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;

b.

een evenement als bedoeld in artikel 2.24.

Artikel 5.23 (Vervallen)

Afdeling 6 Openbaar water en waterstaatswerken

Artikel 5.24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Van de melding wordt kennis gegeven door publicatie op het digitale gemeenteblad.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de pProvinciale omgevingsvaarwegenverordening of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5.25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen* 1.

Het college kan op openbaar water gedeelten aanwijzen waar het verboden is om met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben, dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.

2.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

3.

Het is in elk geval verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op de Eem anders dan in de jachthaven, op de randmeren en op de Eemnesservaart.

4.

Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water a.

nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b. 5.

beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of de pProvinciale omgevingsvaarwegenverordening.

Artikel 5.26 Aanwijzingen ligplaats*

1.

Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

2.

De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

3.

Het in het eerste en tweede zijn niet van toepassing op situaties waarin lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, of de pProvinciale omgevingsvaarwegenverordening.

Artikel 5.27 Verbod innemen ligplaats* Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5.26, tweede lid, bepaalde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12658558/2