CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

2021 Actieplan lokale transformatie gemeente Eemnes, met analyse financiele tekorten jeugdzorg

Gemeenteraad 22 november 2021, gemeente eemnesBij agendapunt: Actieplan Lokale transformatie gemeente Eemnes, met analyse van de financiële tekorten jeugdzorg19.005 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Werkproces 3: eigen begeleiding

Werkproces 2:casusregie

8) Houd bij hoe het gaat: kijk regelmatig met de inwoner naar de doelen en of die behaald worden. 9) Houd een vinger aan de pols en blijf zichtbaar en benaderbaar. 10) Verzamel inzichten in hoe het gaat: over de uitkomsten voor de inwoner, de samenwerking en hoe het proces loopt. Geef de professional handelingsruimte en creëer tijd en ruimte voor reflectie, omdat dit de sleutel tot verbeteren is. Ontwikkel op basis van inzichten een gezamenlijke visie op goede zorg en vertaal die naar alle organisatieniveaus. Durf die bij te stellen. Evalueer individuele en wijkgerelateerde vraagstukken in samenhang, zodat gezocht wordt naar structurele oplossingen.

Het valt op dat er in de taakinvulling van het JGT vrijwel geen ruimte is voor de andere taken die ook van belang zijn voor de gemeentelijke toegang, namelijk: (1) wees aanwezig waar de doelgroep is – werk outreachend. (2) investeer in preventie (8) houd bij hoe het gaat (monitoring) (9) houd vinger aan de pols.

5. Complexe casuïstiek Data analyse van de ingezette jeugdzorg geeft een belangrijk inzicht van de kosten inzet per cliënt, voor verevening. Het valt op dat de grootste kosten zitten in een aantal zeer complexe casussen. In 2020 is in Eemnes 45% van de kosten van jeugdhulp voor verevening ingezet voor 38 cliënten en is de helft van de kosten van alle jeugdzorg besteed aan 10 cliënten en in 2021 aan 6 cliënten. In onderstaande grafieken is de inzet in beeld gebracht, ieder partje staat voor een jeugdige en de totale kosten Jeugdzorg van dat jaar.

n=209 geheel 2020

n=160 jan tm aug 2021

€ 2.060.141

€ 1.329.870

Om een verklaring voor deze hoge inzet te vinden is voor deze analyse inhoudelijk gekeken naar de 7 duurste trajecten van 2021. De grootste lasten betreffen 2 zeer complexe casussen waarbij sprake is van meervoudige problematiek in combinatie met anorexia. Dat is een levensbedreigend ziektebeeld waar LTA zorg voor is ingezet. Inmiddels is bij de 1 cliënt de hulpverlening via een zeer bijzondere regeling per augustus toegelaten tot de WLZ. Deze regeling van de WLZ is in het leven geroepen waarbij ingeschat wordt dat maximaal 6 jongeren in Nederland hiervoor in aanmerking zou komen. Dat laat zien hoe uitzonderlijk deze casus is. Van deze 7 trajecten zijn er 3 cliënten waarbij er sprake is van een onveilige thuissituatie. Hiervan zijn 2 jongeren uit huis geplaatst, deze uithuisplaatsingen in een instelling kosten € 10.000, - per maand. 20

Als er crisis is dan moet er snel gehandeld worden en als er dan geen mogelijkheden zijn binnen het eigen netwerk en bij een tekort aan pleeggezinnen en gezinshuizen is dit het resultaat. Eén casus valt op omdat hier ook sprake lijkt te zijn van WLZ en dat deze jongere nog onder de jeugdwet valt. Deze casus wordt nu verder uitgezocht. De andere 2 casussen betreffen complexe gezinsproblematiek waarbij de BSA betrokken is.

5.1. Invloed van complexe casuïstiek op financiën Complexe casuïstiek lijkt grote invloed te hebben op de hoge kosten per jeugdige. We zien dat de helft van de kosten op Jeugdzorg in Eemnes ten laste gaan van een aantal zeer complexe casussen. Echter door de regionale vereveningsafspraken is het uiteindelijke effect van de kosten van jongeren in zorg bij de BSA of LTA minder groot. Risicodeling is immers in regio’s ingevoerd zodat de financiële risico’s m.b.t. de kosten voor hulp en ondersteuning onderling verdeeld worden. Zoals ook in de jaarrapportage 2020 te zien is bijvoorbeeld in de verevening van de kosten van LTA, waarbij het vereveningseffect voor Eemnes € 319.849,- was. Tabel 17: Financiën Landelijk Transitie Arrangement

Maatwerkvoorzieningen jeugd (voor verevening) 14. Landelijk transitie arrangement jeugd

€

Uitgaven 2019

Uitgaven 2020 voor verevening

307.304

€

530.211

% Eemnes tov Regio 5,2%

Realisatie 2020 na verevening €

210.362

Effect verevening -/- € 319.849

Deze verevening geldt voor de duurdere zorgvormen, zoals verblijf, LTA, BSA en SAVE. Per perceel wordt jaarlijks berekend welk procentueel aandeel volgend jaar voor de helft het bedrag bepaald. Gemiddeld betaalt gemeente Eemnes voor LTA 9% mee aan de regionale lasten. Dit ligt aanzienlijk lager dan de werkelijke lasten voor LTA. Het afschalen van de duurste zorg, heeft ook pas een jaar later effect op de bijdrage van gemeente Eemnes. Echte, indien het percentage hoog blijft, doordat de zorgkosten in dat jaar verhouding tot de andere regiogemeenten hoger zijn, heeft de gemeente het jaar erop hogere kosten. Het afschalen van de duurste zorg zal daardoor alsnog een grote invloed hebben op de totale inzet van Jeugdzorg in Eemnes. Vanaf 2023 gelden er in de nieuwe regionale inkoop andere afspraken. In de nieuwe taakgerichte bekostigingssystematiek worden gemeenten beter (vooraf) in staat gesteld om te sturen en daarmee de kosten te beheersen. Bij verevening hebben gemeenten veel minder invloed op de kosten van LTA, BSA en SAVE, immers doordat gemeenten met elkaar de lasten delen, hangen de kosten ook af van de inzet van jeugdzorg bij de regiogemeenten. Vandaar dat onderdeel van de nieuwe inkoopafspraken ook is dat alle gemeenten de capaciteit van hun wijkteam uitbreiden zodat er meer eigen begeleiding door de wijkteams kan worden geboden.

Zodat er bij alle gemeenten minder wordt ingezet op de dure specialistische jeugdzorg. Geen verevening betekent dat een gemeente veel meer invloed heeft op de uiteindelijke kosten. De gemeente ziet direct effect van bepaalde maatregelen of afschaling van zorg of overdracht naar de WLZ, maar merkt dan zelf ook het grote financiële effect van complexe casuïstiek waar de gemeente verantwoordelijkheid heeft onder de jeugdwet. De verwachting is dat de nieuwe inkoopafspraken een effect gaat hebben op de vereveningsafspraken, maar welke dat zijn is in het najaar van 2021

21

nog niet te zeggen. In januari 2022 zal vanuit de werkgroep financiën advies worden gegeven over de verveningsafspraken. De vereveningsafspraken hebben voor Eemnes altijd redelijk positief effect gehad. De hoge kosten van de specialistische jeugdzorg van die LTA en BSA zijn voor Eemnes moeilijk op te brengen. Het vereveningseffect heeft anderzijds vanwege het solidariteitsprincipe tot gevolg dat het terugbrengen van de hoge kosten op LTA, SAVE en BSA alleen goed lukt als de hele regio inzet op de transformatieopgave. Als het één gemeente lukt om de instroom naar deze percelen terug te brengen, zal die gemeente vanwege de vereveningsafspraken nog steeds een grote bijdrage hebben aan deze percelen. De hele regionale samenwerking is erop gebouwd dat alle gemeenten met elkaar bijdragen aan de transformatieopgave. Vandaar dat de regio komend jaar ook inzet op een regionale transformatiemanager die de verschillende gemeenten in de transformatie opgave meer op lijn zal proberen te brengen. Het is niet zo dat beperking op de kosten van deze percelen helemaal niet loont, het effect is alleen minder groot. De verevening wordt berekend op 50% van de totale regionale kosten van het perceel en de andere 50% wordt berekend op basis van het verbruik van de gemeente en op basis van het aantal jeugdigen. Het is een heel technisch verhaal, de berekening verschilt iets per perceel.

In principe werkt het op hoofdlijnen zo dat € 200.000,- reductie op de kosten op deze percelen, € 100.000,- reductie op de gemeentelijke financiën betekent. De bijstelling van de financiën vindt ook altijd pas na een jaar later plaats. De regionale inkoopafspraken zullen vanaf 2023 gaan verschuiven. Het wordt steeds meer gericht op samenwerking met lokale partijen en er worden grotere eisen gesteld aan de gemeentes om ook lokaal accounthouderschap met jeugdhulpaanbieders vorm te geven en zelf bijvoorbeeld ook afspraken met de gebiedsteams te maken. Doordat deze afspraken gaan verschuiven en gemeentes mogelijk ook meer effect van hun inspanningen op transformatie willen gaan zien, zou dit ook gevolgen kunnen krijgen voor de vereveningsafspraken. Hoewel er natuurlijk nog altijd sprake kan zijn van pech, valt er in de preventie ook veel te voorkomen. De vereveningsmodellen worden vormgegeven binnen een werkgroep financiën die daar in januari 2022 advies in zal uitbrengen.

5.2. Complexe casuïstiek voorkomen De begeleiding van een aantal complexe casussen vraagt veel tijd van het JGT. Het beeld is dat door de afschaling van OTS mogelijk ook door effecten van corona de complexiteit van casuïstiek is toegenomen. Als een hulpvraag eerder in beeld is kan complexe casuïstiek beter worden voorkomen. Juist te late interventie kan ervoor zorgen dat er sprake is van crisishulp. Dat is de meest kostbare zorg, die liefst voorkomen wordt. Het onvoldoende outreachend werken duidt op een reactieve werkwijze. Wanneer men outreachend werkt en kan adviseren bij lichte opvoed- en ondersteuningsvragen dan kan het opstapelen van problemen worden voorkomen. Het vinger aan de pols houden na afloop van hulpverlening is belangrijk bij gezinnen met complexe multiproblematiek. Door het contact laagfrequent in stand te houden, om de zoveel tijd te informeren hoe het gaat, kan worden voorkomen dat een hulpvraag weer terugkeert en zeer complex wordt. Gerichte preventie is ook een mogelijkheid om complexe casuïstiek te voorkomen. Daarover in hoofdstuk 8 meer. Preventie heeft bij het JGT grote aandacht, maar door de werkdruk en wachtlijsten komt het onvoldoende aan bod. De consulenten van het JGT zijn gediplomeerde

22

jeugdhulpverleners met een SKJ registratie33 vanuit de preventieve toegangstaak trekt het JGT veel professionals aan met een lichter ondersteuningsprofiel. Een probleem waar het JGT nu mee te maken heeft met de veranderende richtlijn van SAVE dat een groot deel van de complexe casuïstiek niet zwaar genoeg is voor SAVE, maar complex genoeg is om niet los te laten. Hierdoor is het JGT veel tijd kwijt aan deze casuïstiek. Tussen de lichte profielen van het JGT en de zwaardere zorg lijkt nu een gat te zitten, waardoor de complexe casuïstiek te zwaar op het team drukt. De druk die ligt bij het JGT zou mogelijk door meer expertise naar de voorkant te brengen kunnen worden verlicht. De GZ psycholoog coacht consulenten en heeft nu 8 uur beschikbaar voor het JGT, Een gedragswetenschapper ontbreekt in het team. Voor diagnostiek en behandeling worden cliënten nu verwezen naar externe jeugdhulp. Uitbreiding van de uren van de GZ-psycholoog en inzetten van een gedragswetenschapper zou van grote toegevoegde waarde zijn voor uitbreiding van de expertise in het team. Het stelt het JGT in staat meer diagnostiek en lichte behandelingsvragen zelf op te pakken. In de korte tijdspanne van deze analyse is de indruk dat het JGT werkt vanuit een integrale blik.

Het JGT signaleert wel schulden, maar mensen met schulden komen mogelijk te laat in beeld bij het JGT, het Sociaal team verwijst niet veel gezinnen door naar het JGT. Bij complexe gezinsproblematiek gaat het vaak ook om een combinatie van opvoedvraagstukken en stressbelasting door schuldenproblematiek. Vroegsignalering van schulden kan complexe casuïstiek ook voorkomen. Gezien de grote inzet op complexe casuïstiek is de wens hier komende periode meer onderzoek naar te doen, hierin zal worden samengewerkt met de budgetcoach van de BEL gemeenten. Monitoring is daar een van de instrumenten voor. Het valt op dat er bij het JGT onvoldoende kennis is over relevante wetgeving. Die kennisoverdracht hoort plaats te vinden vanuit beleid. Samenwerkingspartners van het JGT met eigen wetgevingen zijn de kinderopvang, leerplicht, het onderwijs en de zorgverzekeraar (Wet Langdurige Zorg en Zorgverzekeringswet). Het is van belang goed te weten wat onder ieders opdracht valt om in het snijvlak van beide wetgevingen goed samen te werken. Er is bijvoorbeeld sinds 2018 de VARIA wet ingevoerd die leerplicht in staat stelt gedeeltelijke vrijstelling af te geven en het onderwijs meer onderwijs op maat aan te bieden.

Het is van belang dat wanneer het JGT betrokken wordt bij een ondersteuningsvraag van een kind, dat zij er samen met leerplicht op toezien dat de juiste professionals betrokken zijn bij een verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs of dagopvang onder onderwijstijd. Het is een aandachtspunt voor de werkprocessen van het JGT. Deze knelpunten kunnen ook in beeld komen door reflectief te leren van casuïstiekbesprekingen. Het kennis vergroten over aanpalende wetgevingen kan ook voorkomen dat ondersteuning vanuit de Jeugdwet wordt ingezet terwijl de verantwoordelijkheid voor deze hulp elders belegd is, zoals in de Kadernota Ombuigen (2021-2024) van gemeente Eemnes benoemd wordt. Lang niet altijd is de complexiteit van de vraag de oorzaak van een probleem, maar komt het door het systeem. Casuïstiek is vaak vooral ingewikkeld als er sprake is van lange wachttijden, of als de oplossing buiten de gebaande paden ligt en er een uitzondering op onze regels nodig is. Daarvoor is de ‘Doorbraakaanpak’ ontwikkeld door Instituut voor Publieke Waarden. Amersfoort kan ook onze gemeente helpen bij de ontwikkeling van deze aanpak. De aanpak is erop gericht samen

33 Zie bijlage 4: verschil taakopdracht tussen niet geregistreerde en hbo SKJ geregistreerde professionals

23

met de inwoner een maatwerkplan te maken en een oplossing te bedenken voor de stagnerende problematiek die buiten de gebaande paden ligt en binnen bestaande wetgeving mogelijk is. In de doorbraakaanpak is het – in het belang van de cliënt – soms nodig dat iemand een knoop kan doorhakken om het stagnerende proces te doorbreken. Voor Eemnes is het belangrijk om af te spreken wie deze rol heeft en dit met enige regelmaat te evalueren. Echt goed luisteren naar inwoners kan zeker met hoge werkdruk lastig zijn. Begrijpen we waar hun grootste belemmeringen zitten, vullen we dit soms niet te snel voor ze in? Begrijpen inwoners wat professionals aan hen proberen duidelijk te maken, spreken ze dezelfde taal? Dit is essentiële informatie die we in de monitoring zullen meenemen om de kwaliteit van de jeugdhulpverlening te verbeteren. We hopen dat de uitkomsten van het cliënt-ervaringsonderzoek Jeugd 2020-2021 voor Eemnes eind november aan de raad gepresenteerd kan worden. Vanaf 2022 zal het cliëntervaringsonderzoek Jeugd verbeterd worden door sneller na het contact te vragen naar de ervaring en actief feedback op te halen bij ouder(s) / verzorger(s) die contact hebben gehad met het JGT.

6. Monitoring De in het KPMG-rapport benoemde onderdelen van de toegang (8) “houd bij hoe het gaat” (monitoring) en (9) “houd vinger aan de pols” blijken belangrijke instrumenten om zowel goed op de inhoud als op kosten te sturen. Het AEF-rapport van Eemnes brengt in beeld dat daar door het Jeugd en gezinsteam van Eemnes te weinig tijd voor beschikbaar is en door de wachtlijstproblematiek staat goede monitoring door het JGT ook onder druk. Eerste prioriteit is bij de toegangsfunctie de nieuwe aanmeldingen, deze moeten binnen 3 weken tot een eerste gesprek leiden. Juist monitoring is een maatregel die effectief de kosten om laag zou kunnen brengen. Daarbij is het voordeel van goede inhoudelijk monitoring dat het bijdraagt aan het leren in een team, de expertise verhoogt en daarmee kwaliteit. Door monitoring komen beter de trajecten in beeld die afgeschaald kunnen worden. Als voorbeeld valt in de data-analyse op dat de 2 jongeren die uit huis zijn geplaatst niet in pleegzorg of een gezinshuis wonen34. Door uithuisplaatsingen actief te blijven monitoren en mogelijkheden te onderzoeken om deze jeugdhulp af te schalen van een instelling naar een gezinsvorm, dan levert dat een besparing op. Het is belangrijk zowel voor de jeugdige - als financieeldat de plaatsing zo kort mogelijk is.

preva l enti e Jeugdhul pkos ten 2020 Om dit verder in beeld te brengen is in bijgevoegd tabel van a a nta l tota a l bedra g s prei di ng Eemnes over de prevalentie jeugdhulpkosten in 2020 de 40 € 18.000,> € 1.000,kosten van jeugdhulp per cliënt in beeld gebracht in relatie 40 € 60.000,1.000 – 2.000 tot het aantal cliënten met vergelijkbare kosten. Hiermee 19 € 50.000,2.000 – 3.000 komt in beeld wat het meeste resultaat oplevert wanneer er 25 € 90.000 3.000-4.000 actief door monitoring op afschaling van lopende casuïstiek 47 300.000,4.000-10.000 wordt ingezet. Het levert het meeste financiële resultaat op 19 € 270.000 10.000-20.000 door vooral eerst te richten op de duurste zorg, bijvoorbeeld 6 € 155.000 20.000-30.000 vanaf € 10.000,-. Het gaat om gericht te kijken naar de 5 € 175.000 30.000-40.000 situaties die knellen waarbij de jeugdzorg anders kan worden 5 € 325.000 40.000-100.000 ingezet door maatwerk-oplossingen te bedenken aan de 3

34

€ 630.000

De residentiele jeugdzorg is 2x zo duur als een gezinshuis en 15x zo duur als plek in een pleeggezin.

24

hand van de zogenoemde ‘doorbraakmethode’35. In deze methode worden oplossing bedacht hoe het anders kan binnen bestaande wetgeving met zo min mogelijk bureaucratie.

7. Eigen begeleiding Zoals door AEF in het rapport van Eemnes in beeld is gebracht, kan het JGT door aanbieden van eigen begeleiding een besparing opleveren. De tijd die eigen begeleiding vraagt wordt door AEF ingeschat op zo’n 30 trajecten van ieder 30 uur die het JGT zelf in 2019 had kunnen begeleiden. AEF richtte zich op lichte, niet te zware ondersteuningsvragen die gemiddelde ongeveer € 3.000 per traject bedroegen. Voor dit type begeleidingsvraag staat gemiddeld 1,5 uur tijdsinvestering per week voor cliënt gesprek, afstemming en verslaglegging en AEF gaat uit in de berekening uit van een gemiddelde trajectduur van 5 maanden. Om deze jeugdhulp vanuit het JGT in te zetten is de extra benodigde capaciteit ingeschat op 0,7 fte. AEF berekent dat er per 30 trajecten er € 43.000,- netto per jaar bespaard zou kunnen worden door het bieden van meer eigen begeleiding. AEF is er bij de berekening van eigen begeleiding van uitgegaan dat het JGT zelf de lichte trajecten begeleidt en de rest doorverwijst. Deze analyse kiest een andere invalshoek door te onderzoeken wat het financiële effect zal zijn wanneer het beleid verandert naar: eigen begeleiding, tenzij. De tenzij gaat om die ondersteuningsvragen die andere expertise vraagt waardoor het JGT andere jeugdhulp zal inschakelen. In 2019 werd bijvoorbeeld 92% van de vragen verwezen naar jeugdhulp.

Wanneer het JGT zelf meer capaciteit en aanvulling op specialistische expertise binnen het team krijgt, zal het minder naar externe jeugdhulp hoeven te verwijzen. Anders gezegd hoe meer jeugdhulp het JGT zelf kan bieden, hoe groter de besparing op deze kosten zal zijn. Om te onderzoeken wat meer jeugdhulp door het JGT zou kunnen opleveren is in deze analyse een berekening gemaakt op basis van het door het JGT onderscheidde 3 type begeleidingsvragen36, die allen een andere vorm van begeleiding vragen en daarmee variëren in tijd. Deze zijn voor de leesbaarheid in deze analyse ingedeeld in licht, middel, zwaar: 1. Enkelvoudige vragen (licht) 2. Meervoudige vragen met een hoge zelfredzaamheid (middel) 3. Meervoudige complexe vragen (zwaar) Doordat er sprake is van maatwerk zullen trajecten in de praktijk onderling van elkaar verschillen. Voor de berekening wordt uitgegaan dat voor enkelvoudige (lichte) trajecten die vaak korter duren, daar met 1 uur gesprek per week en 30 minuten verslaglegging zo’n 4 maanden in totaal 24 uur voor staat. Het AEF rapport maakt geen onderscheid tussen licht en middel en is uitgegaan van een gemiddeld begeleidingstraject van 5 maanden. Meervoudige vragen met hoge zelfredzaamheid (middel) vraagt meer afstemming met andere partijen.

Voor deze afstemming met andere partijen wordt een uur extra gerekend en vraagt een iets langer traject, wat uitkomt 2,5 uur per week met ongeveer 6 maanden begeleiding, wat uitkomt op ongeveer 60 uur. Het JGT is ook veel tijd kwijt aan 35

https://voordejeugd.nl/praktijkvoorbeelden/gestapelde-problemen-bij-gezinnen-oplossen-met-dedoorbraakmethode/ 36 Bron: blz. 11 AEF rapport het Jeugd en Gezinsteam Eemnes, maart 2021.

25

enkele meervoudige complexe (zwaar) casussen. Om tot een vast aantal uren per week te komen is gebruik gemaakt van de inzichten naar coaching van gezinnen met complexe multiproblematiek in Amsterdam (2010)37. Meervoudige complexe casuïstiek vraagt 4-5 uur voor coaching en afstemming met andere partijen en verslaglegging per week, wat op 92- 120 uur voor 6 maanden uitkomt, soms met 3 maanden verlenging. Het verschil met de situatie nu in Eemnes is dat er in die aanpak doorzettingsmacht was afgesproken waarbij er in het belang van de voortgang van het hulpverleningstraject geen wachtlijsten bij externe partijen mochten zijn. Bij complexe casuïstiek werd een gezinscoach toegewezen die het mandaat had om wanneer iemand onderaan de wachtlijst was geplaatst deze voorrang op de hulpverlening bij andere instanties. Zonder deze afspraak neemt de hulpverlening meer tijd in beslag. Het geeft een richting van het aantal uren wat de begeleiding van complexe casuïstiek in de hulpverlening vraagt. Het verschil in kosten per traject is in onderstaand tabel in beeld gebracht: Jeugdhulpvraag uur per week

Trajectduur maanden

licht middel zwaar

4 6 6 (+?)

1,5 2,5 4-5

Aantal uur traject 24 60 92- 120

Kosten aanbieder

Kosten JGT38

verschil

€ 1.776,€ 4.440,€ 8.004 – 10.440,-

€ 1.224,€ 3.060,€ 4.692 – 6.120,-

-

31,09% 31,09% 41,38%

Wat in deze berekening nog niet is meegenomen is het tijdsverlies wat verwijzing naar jeugdhulp vraagt in het opnieuw aangaan van een relatie met een hulpverlener en vraagverheldering met de nieuwe hulpverlener vraagt. De wachtlijstproblematiek bij het verwijzen naar specialistische jeugdhulp vraagt ook een aantal maanden. Dat levert veel minder efficiëntie op en houdt de wachtlijst van het JGT in stand doordat de uitstroom lager ligt of stabiel blijft met de instroom. Hoe dat werkt is in onderstaande grafische weergave uitgebeeld:

Situatie met afstemming/overdracht P*Q en BSA zonder wachtlijst Fase 1

Fase 2

In deze situatie, waarin we een lichte casus we als voorbeeld hebben genomen, is er geen sprake van wachtlijsten. De eerste fase van intake, onderzoek, het plan van aanpak duurt bij een lichte casus 4 weken. Vervolgens vindt 4 we er overdracht plaats naar de externe jeugdhulp aanbieder. Hier we zullen de ouder(s) en/of jongere opnieuw contact met de hulpverlener opbouwen en deels het verhaal opnieuw doen, dat is in bovenstaande figuur 4 4 afgebeeld met het donkerblauwe vak. Als er sprake is van vertrouwensrelatie dan heeft begeleiding / behandeling het meeste effect. Dat is afgebeeld in lichtblauw, wat zo’n 4 tot 6 maanden duurt.

Situatie met overdracht P*Q en BSA met wachtlijsten van 3 maanden Fase 1

Fase 2

Hierboven zien we de situatie met wachtlijsten. De eerste fase duurt door we de wachtlijsten 3 maanden langer. Het JGT blijft contact onderhouden met het gezin en biedt maatwerk in begeleiding. In deze situatie moeten de

4

we 37 38

we

Bron: Gezinscoaching MPG2, evaluatie 4 van de pilot, Amsterdam, juni 2010. 4 Er is uitgegaan van gemiddelde uurtarieven van JGT 51,- en jeugdhulp 74,- en 87,- specialistische jeugdzorg.

26

jongere en/of ouder(s) na de eerste fase, na zo’n 4 maanden dus, opnieuw hun verhaal doen bij de externe jeugdhulp aanbieder en een relatie opbouwen. Het kost tijd om het vertrouwen te vinden in elkaar en om je na zo’n lange tijd weer open te moeten stellen aan een nieuwe persoon. In bovenstaande afbeelding is dit aangegeven in het blauwe vakje.

Situatie eigen begeleiding JGT zonder wachtlijst 1 4Fase weken

Fase begeleiding 2 4 maanden eigen JGT

In deze situatie verzorgt het JGT de eigen begeleiding. Hierbij is er geen afhankelijkheid van wachtlijsten en is er geen tijd nodig voor overdracht. Er is in deze situatie zowel sprake van een tijds- als kostenbesparing. De kosten we liggen immers lager dan wanneerwe voor eigen begeleiding JGT je gebruik maakt van externe jeugdhulp.

4 4 -------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------De verwachting is dat het meer in eigen regie houden van de hulpverlening het JGT minder kwetsbaar zal maken voor de invloeden van wachtlijsten bij externe partners en dat het niet snel kunnen inzetten van hulpverlening door de wachtlijsten het systeem heel inefficiënt maakt. Als het JGT meer capaciteit heeft om zelf hulpverlening te bieden, dan kan het proces anders vormgegeven worden. Het JGT zal ook minder afhankelijk worden van externe jeugdhulp als diagnostiek en lichte behandeling ook bij het JGT beschikbaar zou zijn. Het advies is voor de kostenbeheersing in te zetten op de beleidsrichting: eigen begeleiding, tenzij. Wanneer het JGT zelf zoveel mogelijk de eigen begeleiding biedt heeft het als voordeel dat er sneller op maat kan worden op- en afgeschaald. De regievoering over casussen die zelf begeleid worden kosten ook vaak minder tijd dan regievoering van trajecten bij externe jeugdhulpaanbieders. De conclusies van het KPMG-rapport39 bevestigen dit, het rapport geeft aan: ‘als wijkteams dit niet zelf kunnen, worden zij te veel afhankelijk van het aanbod dat door de gemeente bij aanbieders is ingekocht. Daarnaast bestaat het risico op doormodderen wanneer geen zorg en ondersteuning geboden wordt.

Hierdoor zijn teams met een eigen aanbod beter in staat dat te doen wat nodig is. Ook zijn teams die zelf zorg en ondersteuning bieden beter in staat te monitoren of hulp passend is en/of aangepast moet worden: zij hebben hiervoor meer inhoudelijke expertise. Dit draagt bij aan het goed kunnen uitvoeren van casusregie. Ten slotte kan een team dat zelf ondersteuning biedt een betere rol spelen bij het afschalen van hulp vanuit het specialistische domein en is ook een reëlere verwijsoptie voor de huisarts.’ Ook wordt het dan makkelijker om na afloop van de hulp of ondersteuning een vinger aan de pols te houden, dan wanneer een team alleen de toegang doet en daarna al gauw weer uit beeld is. Dat is met name nodig bij het afsluiten van complexe hulpverleningstrajecten. Bij complexe casuïstiek blijft het van belang dat het JGT van de expertise van de BSA gebruik kan maken, BSA blijft ook verantwoordelijk voor toeleiding naar verblijf mocht dat nodig zijn. Nu is het zo dat een gezin / jongere na onderzoek en plan van aanpak wordt verwezen naar specialistische jeugdhulp van de BSA in het gebiedsteam. Het zal beter werken wanneer het JGT na een eerste inschatting dat er mogelijk andere expertise nodig is, deze specialistische jeugdhulp al bij de triage van complexe casuïstiek te betrekken.

Met als voordeel dat niet zowel het JGT als het gebiedsteam veel uren kwijt is aan de vraagverheldering en de cliënt niet nogmaals het verhaal hoeft te doen.

39

Blz. 31, Basisfuncties voor lokale teams in kaart de route en componenten onder de loep (2019) KPMG

27

Betere afspraken tussen JGT en het gebiedsteam zouden hierdoor tot een kostenbesparing kunnen leiden. Dat is ook een beweging die met de ontwikkeling van het gebiedsteam in gang wordt gezet en waar met de nieuwe inkoopkader 2023 nog meer op in wordt gezet. Nu de ontwikkeling van de gebiedsteams verder is zal op deze afspraak komende periode ingezet worden. Bij complexe casuïstiek kunnen ervaringsdeskundigen ook een grote toegevoegde waarde hebben. KOOS wijkteam van Utrecht werkt met ervaringsdeskundigen in hun team en juist bij complexe problematiek. Dankzij de inzet van ervaringsdeskundigen kunnen cliënten vaak (eerder) zonder de reguliere formele zorg en ondersteuning verder. De voorbeeldfunctie van de ervaringsdeskundige kan een stimulerend effect hebben voor een cliënt dat verandering wel mogelijk is. Ook zijn er aanwijzingen dat cliënten minder snel uitvallen uit de reguliere ondersteuning, vermoedelijk onder meer doordat zij zich meer gezien en begrepen voelen. Er is door inzet van een ervaringsdeskundige ook veel meer tijd vrij te maken voor een cliënt. Ervaringsdeskundigen dragen er soms verder aan bij dat een impasse waar een generalist met een cliënt niet uit komt, wordt doorbroken. De inzet van ervaringsdeskundigen lijkt bij te dragen aan empowerment van de cliënten.

Die gaan er weer meer op vertrouwen dat ze het ook zelf kunnen, ze worden meer gestimuleerd in het vinden van handelingsstrategieën die bij hen passen en waarin ze geloven40. Ervaringsdeskundigen wordt ook binnen veel gespecialiseerde instellingen op gebied van eetstoornissen ingezet41.

8. Preventie Er is afgelopen jaar veel onrust ontstaan over de conclusies in het AEF rapport ‘Stelsel in groei’ (2020) dat de inzet van preventie en vroegsignalering niet kan leiden tot een structurele besparing binnen de Jeugdwet. AEF stelt dat dit enerzijds komt op basis van de berekening hoeveel individuele preventieve interventies kosten en het beperkte effect van deze interventies op latere leeftijd. Daarnaast staat in het rapport dat naarmate meer jeugdhulp gebruikt wordt, er ook het risico bestaat dat de latente vraag nog verder toeneemt, aangezien mensen, waaronder ook jongeren, geneigd zijn hun welzijn af te zetten tegen het welzijn van anderen. Naarmate het welzijn in de samenleving verbetert, stijgt tegelijkertijd ook de wens om meer mensen aan diezelfde normen te laten voldoen. Hogere welvaart leidt dus vrijwel als vanzelf tot hogere druk op publieke voorzieningen. In de jeugdhulp kan dat verschijnsel ook tot uiting komen, als een toenemend welzijnsniveau ertoe leidt dat steeds minder problemen gezien worden als ‘normaal’ onderdeel van opgroeien en opvoeden. In dat geval is er dus sprake van een glijdende schaal, die steeds meer kosten met zich meebrengt.

Toch staat er ook in dit onderzoek dat gesteld kan worden dat vroegtijdige interventies meer kans hebben om tot een kostenbesparing te leiden naarmate zij effectiever zijn en als ze zich richten op die groep van kinderen, jongeren en gezinnen die later grotere problemen ontwikkelen. Gerichte preventie richt zich op een specifieke doelgroep van mensen die extra bescherming nodig hebben.

40

De rol en meerwaarde van ervaringsdeskundigen in sociale wijkteams. Een onderzoek in Utrechtse buurtteams, Movisie 2021. 41 Bron: K-EET, Voorstel en advies voor een landelijke ketenaanpak eetstoornissen al dan niet in combinatie met andere (psychische) aandoeningen -- bij kinderen en jongeren, 2019.

28

Dat kan heel verschillend zijn. Door gericht te onderzoeken welke jeugdhulpvragen er spelen kan met preventie de toename van deze complexe hulpverleningsvragen worden voorkomen. Goede monitoring van de lopende casuïstiek kan informatie opleveren waar met gerichte preventie op ingezet kan worden. Als voorbeeld zien we in bovenstaande analyse van complexe casuïstiek dat er twee complexe casussen zijn met anorexiaproblematiek. Die problematiek is weerbarstig en complex en hangt vaak ook samen met het gevoel grip te willen krijgen op een situatie waar geen gevoel van controle is. In coronaperiode is het bijvoorbeeld aantal jongeren met eetstoornissen toegenomen. Tegelijk valt op dat in het gezondheidsonderzoek van de GGD Gooi en Vechtstreek42 45% van de meisjes aangeeft dat deze de laatste 4 weken serieus heeft geprobeerd af te vallen. Gerichte preventie kan in Eemnes vormgeven door informatie uit de jeugdhulp te analyseren en hierin samen op te trekken met GGD en onderwijs. Door klassikaal in de klas en / of in het jongerencentrum aandacht aan te besteden aan een onderwerp wat meerdere jongeren bezighoudt en daarover het gesprek te voeren kan heel effectief zijn. Het gaat hierbij om de sociale weerbaarheid van jongeren en hun eigen zelfbeeld te vergroten. Deze wijze van gerichte preventie kan de inzet van jeugdhulp voorkomen.

Het programma Kansrijke start is preventie wat gericht is op de eerste 1000 dagen van een kind die cruciaal zijn voor een goede start. De gezondheid van een kind voor, tijdens en na de geboorte blijkt een belangrijke voorspeller te zijn van problemen – zowel fysiek als mentaal – op latere leeftijd. Aan de BEL-gemeenten is vanuit het stimuleringsprogramma Kansrijke Start een impuls toegekend om een lokale coalitie rondom de eerste 1000 dagen van kinderen te vormen of te versterken. Deze ontwikkeling zal nog verder in gang gezet moeten worden. Kansrijke start is gericht op het maken van ketenafspraken die inhoudelijk gaan over de inzet van de meest effectieve maatregelen en praktisch over de manier waarop organisaties samenwerken. Ervaringsdeskundigen worden betrokken om duidelijk te krijgen waar knelpunten worden ervaren. Naast de gemeente zitten in deze coalities de belangrijkste lokale vertegenwoordigers van organisaties, zorgaanbieders, zorgverzekeraars, jeugdgezondheidszorg en betrokken professionals (wijkteammedewerkers, huisartsen, verloskundigen, kraamzorg en gynaecologen).

Het overleg van Kansrijke start zou onderdeel kunnen worden van een breder overleg vanuit gemeente Eemnes met ketenpartners binnen onderwijs, kinderopvang inclusief VVE, GGD, welzijnsorganisatie Versa, MEE, sociaal wijkteam, gebiedsteam en andere organisaties die betrokken zijn bij de jeugd van Eemnes zoals Sportief en Gezond Eemnes. Zo’n lokaal overleg is van belang om ontwikkelingen met elkaar in gang te zetten, te zien wat goed gaat, beter kan om preventie en gerichte ondersteuning van kinderen en jongeren nog meer met elkaar vorm te geven. Vanuit dit overleg kan ook meer ketensamenwerking gerealiseerd worden om aanbevelingen vanuit de K-EET aanpak vorm te geven in Eemnes samen met omringende gemeenten gezien de grote zorg over jongeren met eetproblematiek43.

42

Bron: Tabellenboek Gezondheidsmonitor Jeugd 2019-2020 - GGD Gooi en Vechtstreek, augustus 2020, Resultaten van een onderzoek naar gezondheid, welbevinden en leefstijl van leerlingen in klas 2 en 4 van het voortgezet onderwijs. 43 Kadernota Ombuigen 2021-2024 – gemeente Eemnes, H3 onze inwoners, 12/0

29

8.1. De kracht van informele steun Een ander voorbeeld is dat we ook zien dat er bij een aantal kinderen / jongeren zeer complexe gezinsproblematiek speelt. Het is ontzettend belangrijk dat deze kinderen / jongeren steun ontvangen van iemand uit hun netwerk, een nabije volwassene. Dat blijkt cruciaal voor hun welzijn. Dit kan voor jongeren een JIM (Jouw Ingebrachte Mentor) zijn een oom, tante of buurman, in wie de jongere vertrouwen heeft en die de ouders als ondersteunend ervaren. De JIM is een steunfiguur voor de jongere en een adviseur voor ouders en professionals. Dit maakt al onderdeel uit van het beleid van Eemnes en de regio. De JIM aanpak is eerder onderzocht onder 200 jongeren die intersectorale behandeling ontvingen. Levi van Dam vergeleek 96 jongeren waarbij een JIM werd ingezet met een controlegroep van 104 jongeren binnen de residentiële zorg. 83 procent van de jongeren in de JIM-groep wist een mentor te vinden na gemiddeld 33 dagen. De meesten van hen (44 procent) kozen voor een familielid. Hulpverleners rapporteerden dat deze mentoren met name sociaal-emotionele steun boden. 90 procent van de jongeren in de JIM-groep kreeg ambulante behandeling als alternatief voor uithuisplaatsing, terwijl hun problemen vergelijkbaar waren met die van jongeren in residentiële zorg.

Het is des te zorgelijker dat het AEF rapport44 aangeeft dat, hoewel de consulenten van het JGT zijn getraind met de JIM-aanpak, afschaling van ondersteuning naar het voorveld/sociale basisvoorzieningen niet altijd even goed tot stand komt. Het JGT geeft aan dat dit mede komt doordat deze begeleiding tijd vraagt van de consulenten. Door de hoge werkdruk is deze tijd er momenteel niet altijd. Het is zoals AEF in het advies aanraadt belangrijk om vooral het gesprek hierover te voeren en met elkaar na te gaan of er vaak genoeg een afweging wordt gemaakt om af te schalen naar sociale basisvoorzieningen of het eigen netwerk. Het valt mogelijk samen met het ontbreken van een gedragswetenschapper in het team, vandaar het advies om het JGT hiermee uit te breiden. Het is kwetsbaar om op de JIM in te zetten en dat te beleggen bij een klein team wat onder druk staat en vanwege een wachtlijst andere keuzes maakt. In gesprek met de BSA komt ditzelfde beeld naar voren. De JIM aanpak wordt te weinig ingezet doordat de hulpverleners onder te hoge druk staan. Juist op deze interventies moet niet worden bezuinigd. Iedere jongere heeft recht op een JIM. Dat ontstaat vaak natuurlijk, maar soms ook niet. Dan heeft een jongere hulp nodig dit zelf tot stand te brengen.

Zeker omdat uit steeds meer onderzoek naar voren komt dat het betrekken van belangrijke volwassenen naast de ouders, uithuisplaatsing kan helpen voorkomen bij jongeren met complexe problematiek. Uit gesprekken met het JGT komt in september ook naar voren dat de 2 aandacht functionarissen voor preventie bijna geen tijd hebben voor preventie vanwege de wachtlijstproblematiek. Het is kwetsbaar dat bij een klein JGT preventie onder druk komt te staan door de brede toegangstaak wat het team ook moet vervullen.

44

AEF rapport het Jeugd en Gezinsteam Eemnes, maart 2021.

30

Het advies is om, naast het trainen in de JIM aanpak van hulpverleners bij het JGT, de BSA en Versa ook het versterken van de informele steun en netwerk te beleggen bij een onafhankelijke partij buiten de systeemwereld van de gemeente. Informele steun, wat in Eemnes ook al jaren bekend is vanuit het kerkelijke netwerk, maakt onderdeel van de sterke sociale basis waar nog veel meer vanuit preventie op kan worden ingezet. Uit effectrapportage van Buurtgezinnen (waarbij een coördinator het vraaggezin koppelt aan een steungezin) blijkt dat deze koppelingen besparing oplevert bij lichte hulpvraag en dat een buurtgezin ook heel geschikt is om jeugdhulp af te bouwen. Onderstaande grafiek komt uit de effectrapportage van Buurtgezinnen (zie bijlage 5) waarbij de inzet van Buurtgezinnen in 11 gemeenten is onderzocht. Deze grafiek laat het percentage zien van de besparing die is gerealiseerd door de koppeling van steungezinnen aan vraaggezinnen vanuit de coördinator van Buurtgezinnen. Het is een besparing die is gerealiseerd bij 11 gemeenten. De kracht van Buurtgezinnen zit in de tijd die een coördinator steekt in het zoeken naar de goede match tussen gezinnen. Informele steun gaat ook om de klik die mensen met elkaar krijgen. Het ene gezin steunt het andere gezin en de vragen van gezinnen zijn heel divers. Er zijn prachtige voorbeelden van Buurtgezinnen pilots door heel Nederland.

Zie bijlage 5. Dit gegeven komt ook in onderzoek naar beschermende factoren aan bod45. Deze zorgen er na een ingrijpende gebeurtenis vaak voor dat kinderen − na een 'dip' in welzijn of functioneren − hun ontwikkelingspad weer normaal vervolgen. Onder meer je geliefd voelen, een goede opvoeding en ergens bij horen zijn beschermende factoren. Zo'n positieve invloed kan behalve van de ouders ook van een familielid, een docent, of een maatje komen. Ook een zinvolle dagbesteding naast school, zoals een baantje, sport of een vereniging, kan helpen om uit de problemen te blijven of te komen. Voorts helpt een positieve identiteit, in de zin dat een kind trots mag zijn op zijn afkomst, religie en genderidentiteit. Ook als opvoeders een sociaal netwerk hebben met volwassenen die meedenken en meedoen in de opvoeding werkt dat beschermend. Het gezond, veilig en kansrijk opgroeien en opvoeden van kinderen is geen privéproject van ouders en hun kind, maar een sociaal fenomeen waarin de hele samenleving een rol speelt. Risicofactoren kunnen problemen uitlokken, in stand houden of verergeren, maar beschermende factoren zorgen voor compensatie, of maken dat de problemen met de nodige veerkracht gemakkelijker overgaan. Het kan een hobbelig pad zijn, maar meestal komt het goed. Kamers met Aandacht is een mooi voorbeeld van informele steun.

Kamers met Aandacht is gericht op 16+ /18+ jongeren die uit de jeugdzorg uitstromen en een betaalbare woonruimte zoeken maar die nog onvoldoende vangnet, geld of praktische vaardigheden hebben om helemaal zelfstandig te wonen. Deze stichting verbindt mensen die vanuit een maatschappelijke betrokkenheid aan een jongere een kamer willen verhuren en op deze wijze informeel de jongere kunnen steunen. De jongeren wordt daarnaast professioneel ondersteund door ambulante begeleiding om de jongeren te helpen in de ontwikkeling naar zelfstandigheid. Komend jaar wordt onderzocht hoe we dit in Eemnes vorm kunnen geven. Omdat dit plan nog verder moet worden uitgewerkt wordt dit nog niet als maatregel in dit plan opgenomen. 45

Het groeiend jeugdzorggebruik Duiding en aanpak, Nederlands Jeugdinstituut, 2019

31

8.2. Eigenwijs transformeren Tot slot is het interessant om kennis te nemen van het onderzoek ‘Eigenwijs transformeren’46 naar de ervaringen van 5 gemeenten met de transformatie van de jeugdhulp die wel in staat om een (budgettair) beheersbare transformatie van de jeugdhulp te realiseren. Deze gemeenten zijn: Deventer, Peel en Maas, Roosendaal, Utrecht en Zaltbommel. Voor alle conclusies en inzichten verwijs ik u naar het rapport. Met betrekking tot de toegang valt op: In alle gemeenten is een sterke basis in de eerste lijn gevormd, uitgaande van wederkerigheid en veelal langdurige samenwerking. Alle gemeenten kennen een hoogwaardige (toegang tot) eerstelijns jeugdhulp, ook al is de organisatievorm anders. Waarbij er altijd daadwerkelijk ambulante jeugdhulp wordt gegeven. De eerstelijns jeugdhulp is dicht bij vindplaatsen als onderwijs en huisartsen georganiseerd en er is nauwe samenwerking met zowel het bredere sociale domein als de specialistische jeugdhulp veelal op basis van een netwerkmodel. De gemeenten besteden veel aandacht aan de professionele ontwikkeling en kwaliteit van de lokale jeugdhulpprofessional. Ook de specialistische jeugdhulp ontwikkelt zich door de interactie met jeugdprofessionals in de toegang. Ervaringsdeskundigheid heeft een plek in de buurtteams van Utrecht en in de aanvullende zorg gekregen.

Hierdoor staat onder andere de leefwereld van met name pubers en jongeren scherper op het netvlies van de buurtteams en ook dat bevordert laagdrempelige toegang. Generalisten kunnen met ervaringsdeskundigen praten over casuïstiek en hiervan leren. Gemeenten investeren in preventie en vroegsignalering. De gemeenten zien een stijging in het gebruik van de laagdrempelige jeugdhulp en het lukt om de instroom in de specialistische jeugdhulp beheersbaar te houden of soms zelf kleiner te maken. De jeugdhulprofessionals in de lokale basis- of toegangsteams hebben in al deze gemeenten een groot mandaat. Gemeenten hebben vertrouwen in hun kwaliteit en kunde. Na het opstellen van een gezinsplan of arrangement zijn in deze gemeenten meestal geen afzonderlijke procedures rondom beschikkingen meer nodig voor het leveren van (specialistische) ambulante ondersteuning.

Regiovisie Amersfoort Met de nieuwe regiovisie van Amersfoort47 zet onze regio een soortgelijke ontwikkeling in gang zoals deze vijf gemeenten. Dit wordt gedaan door met elkaar een visie uit te spreken om de volgende beweging in het zorglandschap realiseren:  We versterken onze lokale ondersteuning vanuit de sociale basisinfrastructuur, door gerichter te kijken welke interventies passend zijn bij het profiel van onze de gemeenten en leggen meer de verbinding met andere beleidssectoren in het sociaal domein.  Specialistische jeugdhulp zal steeds meer als een aanvullende voorziening ingezet, in combinatie met de kinderopvang en het onderwijs. Waar nodig en mogelijk realiseren we hiervoor algemene voorzieningen in plaats van individueel maatwerk.  We investeren komende jaren in het versterken van de lokale teams en zetten daardoor met elkaar in op afname van het beroep op inzet van specialistische jeugdhulpaanbieders.

46 47

Eindrapport Eigenwijs transformeren - Verwey Jonker Instituut & Radboud Universiteit, maart 2021 Regiovisie Specialistische Jeugdhulp Regio Amersfoort 2021-2026

32

 We investeren daarnaast in de ondersteuning van de huisartsen met inzet van de POH (praktijkondersteuning huisartsen) of SOJGGZ (specialistische ondersteuner Jeugd-GGZ). (Voor de 3 huisartsenpraktijken in Eemnes vervult het JGT deze functie)  We creëren een sterker samenwerkend netwerk tussen de basisinfrastructuur en de specialistische jeugdhulp. Dat doen we door meer te investeren in partnerschap met een beperkt aantal specialistische jeugdhulpaanbieders.  We sturen op de toegang en de inzet op zorg, door die daar te leggen waar de sturing op de transformatie en beheersing van de kosten het best te realiseren is.

33

9. Slotconclusie Deze analyse laat zien dat er meerdere knoppen zijn om aan te draaien om de hoge kosten op Jeugdzorg terug te dringen. Er is niet één oplossing, omdat het een ketensamenwerking vraagt waarbij iedere schakel in de keten van invloed is op de andere schakels in de keten. De analyse blikt terug op de keuzes die gemaakt bij de transitie van nieuwe gemeentelijke taken bij de invoering van de jeugdwet in 2015. De problemen waar we nu mee te maken komen grotendeels voort uit deze periode. Er is een arbitragecommissie aangesteld die onlangs uitspraak heeft gedaan dat veel gemeenten onvoldoende in staat zijn gesteld om de ontwikkeling die de transformatieopgave vraagt vorm te geven. Het Rijk heeft de middelen uitgekeerd om gemeenten te compenseren. Tegelijkertijd blijkt de spreiding tussen gemeenten groot te zijn. Weliswaar komen de meeste gemeenten met hun budget niet uit, maar toch is een aantal gemeenten door bewuste sturing daar wel toe in staat. De afspraken die in deze regio zijn gemaakt bij de gezamenlijke inkoop van jeugdzorg zijn er op gericht dat de regio verantwoordelijk is voor de beschikbaarheid van de jeugdzorg, en dat de gemeenten zelf verantwoordelijk zijn voor de toegang tot jeugdzorg. De regionale samenwerking werkt alleen als de toegangsfuncties van de verschillende wijkteams gelijkwaardig aan elkaar zijn.

Regionaal wordt nu ingezet op het terugdringen van de kosten bij de specialistische jeugdzorg door de sociale wijkteams en in Eemnes het JGT hun toegangsfunctie beter vorm te geven. Door meer in te zetten op de lokale samenwerking met partners die betrokken zijn bij de jeugdhulp wordt deze ontwikkeling in gang gezet. Van gemeenten wordt gevraagd zelf meer eigen jeugdhulp vanuit het wijkteam / JGT in te zetten, omdat dit een effectieve manier is om de kosten terug te dringen. Bij het JGT van gemeente Eemnes ligt misschien wel een grotere opgave dan de meeste andere gemeenten vanwege het verschil bij de indeling in regio’s. Toch blijkt deze verschillende wijze van invulling niet het probleem van de tekorten te veroorzaken. Dat laat onderzoek naar verschillende vormen van wijkteams zien. Ongeacht de regionale indeling zullen individuele gemeenten verantwoordelijk blijven voor het organiseren van hun eigen toegang tot jeugdzorg. Minder verwijzen naar externe jeugdhulp en meer samenwerking met informele vormen van steun blijkt van belang om de kosten voor Eemnes grotendeels terug te dringen. De grootste kosten van de jeugdzorg wordt in Eemnes veroorzaakt door een aantal zeer complexe hulpvragen. Die complexiteit is misschien opmerkelijk in een kleine gemeente als Eemnes met weinig risicofactoren.

Toch is het te verklaren door systeemproblematiek met lange wachttijden in de jeugdhulpverleningsketen en nog onvoldoende inzet op gerichte preventie. De wachtlijstproblematiek bij het JGT heeft er voor gezorgd dat andere taken van het JGT onder druk staan en dat leidt weer tot hogere kosten in de Jeugdhulp. Bij de capaciteitsvraag van het JGT blijkt onvoldoende rekening te zijn gehouden met alle toegangstaken van het JGT. Terwijl gelijkwaardige sociale wijkteams het fundament zijn binnen het model waar de regionale inkoop van jeugdzorg in de regio op is gebaseerd. Hoe sterker de lokale toegang functioneert, hoe minder de inzet van specialistische Jeugdzorg die weer deels met elkaar gefinancierd (verevend) wordt. Anderzijds als de lokale toegang minder in staat wordt gesteld deze taak goed uit te voeren dan heeft dat tot effect dat er een hogere inzet is van specialistische jeugdzorg. De werkdruk bij het JGT wordt veroorzaakt doordat het JGT de toegangsfunctie vormgeeft door voornamelijk jeugdhulp in te zetten bij externe jeugdhulp en dat dit stagneert. De wachtlijsten in de jeugdhulp van de regio en de wachtlijstproblematiek blijkt vooral te zijn ontstaan door de inkoopafspraken 2019-2022. Op dat moment zijn er met de BSA afspraken gemaakt voor taakgerichte bekostiging die valt onder vereveningsafspraken net als LTA en SAVE en is er daarmee 34

een knip gekomen in de afspraken met de resterende jeugdhulp die wordt ingezet vanuit P*Q (uurtje factuurtje) waar het profijtbeginsel van toepassing is. De richting die Amersfoort met de regio met de nieuwe inkoop vanaf 2023 verder in gang wil zetten is gericht op een sterkere, ook meer lokaal gerichte samenwerkingsrelatie met minder aanbieders op basis van dezelfde inkoopsystematiek waardoor de wachtlijstproblematiek bij specialistische jeugdzorg grotendeels oplossen. Maar het probleem van wachtlijsten bij specialistische jeugdzorg wordt ook deels veroorzaakt door gemeenten. Deze verwijzen door de vereveningsafspraken te veel door naar de specialistische jeugdzorg van de BSA die slechts voor een beperkte groep jeugdigen en gezinnen beschikbaar hoort te zijn. Om de kosten van jeugdzorg terug te dringen en de wachtlijstproblematiek tegen te gaan, is het van belang de instroom naar de specialistische jeugdzorg regionaal terug te dringen en lokaal minder afhankelijk te worden van externe jeugdhulpaanbieders. Het grootste financiële effect van minder verwijzen zal te zien zijn bij terugdringen van P*Q beschikkingen daar gelden geen vereveningsafspraken.

Toch zijn de financiële uitgaven op de specialistische jeugdzorg in Eemnes zo groot dat het terugdringen van deze zorg ook op de financiën van Eemnes effect zal hebben, al betekent 100% reductie op een trajectprijs in de praktijk door de vereveningsafspraken dan 50% reductie op kosten en duurt het even voordat het zichtbaar wordt in de financiën en zijn we ook door vereveningsafspraak afhankelijk van de ingezette transformatie bij onze regiogemeenten. Mogelijk dat deze afspraak in 2023 gaat veranderen, daar komt in het voorjaar van 2022 meer duidelijkheid over. De huidige situatie is nu dat het JGT na het plan van aanpak eerst voor de inzet van jeugdzorg verwijst naar de BSA vanwege de vereveningsafspraak en als daar geen plek is, de jeugdhulp inzet bij een andere aanbieder. De hoge caseload van het JGT lijkt met name te worden veroorzaakt doordat de eerste fase van de toegangsfunctie door de wachtlijstproblematiek bij externe jeugdhulp nu te lang duurt. De instroom van hulpvragen bij het JGT is nu bijna gelijk of hoger aan de uitstroom (aantal afgesloten zaken bij het JGT). De eerste fase bevat het verkennen van de hulpvraag, het onderzoek en plan van aanpak waarna verwijzing naar externe jeugdhulp volgt, de tweede fase waarbij het JGT de regie op proces en monitoring vormgeeft.

Als de jeugdhulp niet direct na het plan van aanpak kan worden ingezet verlengt dat de eerste fase. De begeleiding door het JGT duurt net zo lang tot de plek op de wachtlijst bij de jeugdhulpaanbieder vrijkomt en wanneer de externe jeugdhulp kan starten. Door het aangaan van nieuw contact en vertrouwensrelatie vindt een overlap plaats in het hulpverleningstraject, wat tot hogere kosten leidt. Het advies is dit beleid te veranderen naar: eigen begeleiding, tenzij. Tenzij staat voor verwijzing naar specialistische jeugdzorg wanneer het JGT de vraag zelf niet kan oppakken. Dat vraagt uitbreiding van het JGT om de toegangstaak beter vorm te kunnen geven. Door de jeugdhulp meer in eigen organisatie te houden zullen de kosten op jeugdzorg worden teruggebracht, door de toegangstaak beter uit te kunnen voeren en ingezette jeugdhulp zal korter duren doordat er sneller kan worden op- en afgeschaald. Met nadruk wordt hier aangegeven dat om in te zetten op meer jeugdhulp vanuit het JGT. Dit gaat een stap verder dan het adviesrapport van AEF voor Eemnes voor het vormgeven van eigen begeleiding. Er is meer besparing te realiseren als het JGT wordt uitgebreid in expertise, dat wil zeggen: uitbreiding van de uren van de GZ-psycholoog en de inzet van een gedragswetenschapper binnen het team.

Hierdoor kan diagnostiek en lichte behandeling ook door het JGT zelf worden geboden en zal dit te gunste komen van betere triage en de monitoring. Het voorkomt mogelijk een deel van de complexe problematiek en verkort anderzijds de duur van trajecten. Daarnaast is het advies om ook 2 ambulante ‘zwaargewichten’ aan te nemen in het team. Ambulante hulpverleners die ervaring hebben met jeugdzorg om de complexe gezinnen beter te ondersteunen. Op deze manier komt er ook weer meer ruimte vrij om de preventie vanuit het JGT beter vorm te geven. 35

Om de caseload beter te kunnen managen is het advies bij de triage en inzet van jeugdhulp vanuit het JGT van te voren een vast aantal uren af te spreken. Dit schept kaders voor consulenten en duidelijkheid naar cliënten van het JGT. Het effect van deze afspraak zal goed moeten worden gemonitord en dat vraagt duidelijke werkafspraken in het registratiesysteem van Mens Centraal. Het verschil in kosten wanneer het JGT zelf meer jeugdhulp aanbiedt is een inschatting, maar benadert een reductie van de 30-40% bij jeugdhulp die door het JGT zelf kan worden geboden in relatie tot P*Q. De kostenreductie wordt veroorzaakt door een combinatie van lagere tarief van jeugdhulp vanuit het JGT en het kortere hulpverleningstraject. Het onderzoek ‘Eigenwijs transformeren’ heeft in beeld gebracht dat de gemeenten die wel in staat zijn hun kosten te beheersen zich kenmerken door een hoogwaardige toegang en bij deze gemeenten wordt er veel geïnvesteerd in gerichte preventie. Want hoewel niet alles is te voorkomen, zijn dit de mogelijkheden om complexe casuïstiek te beperken. De inzet van een ervaringsdeskundige in het JGT en inzetten op meer inzet van informele steun zal bijdragen aan het normaliseren van vragen en een grote meerwaarde kunnen betekenen voor jongeren met complexe problematiek.

Gemeente Eemnes heeft hiermee voldoende mogelijkheid om haar invloed op de lokale situatie uit te oefenen en daarmee minder kwetsbaar te worden van regionale invloeden. De sleutel zit in het JGT in staat te stellen alle toegangstaken goed uit te voeren. Er zal dan ook eerst moeten worden ingezet op het wegwerken van de wachtlijst door uitbreiding capaciteit van het team om zo rust voor teamontwikkeling te creëren. Het JGT zal de ontwikkeling naar een andere vorm van dienstverlening moeten gaan inzetten. Waarbij ingezet wordt op meer coaching en begeleiding door JGT, maar wel met maximaal aantal uren per week per gezin / cliënt door methodisch en effectief te werken. Dit team wordt beter begeleid door de expertise uit te breiden met een gedragswetenschapper en de GZ- psycholoog meer uren krijgt. Dit zal effect hebben op het terugdringen van de wachtlijst. Het JGT zal ook meer tijd moeten besteden aan inhoudelijke monitoring, te beginnen bij de duurste complexe vormen Jeugdzorg. Dit zal leiden tot een grote besparing, mits er voldoende mogelijkheid is om zaken af te schalen. Door samenwerking met het BSA gebiedsteam van Baarn-Bunschoten-Eemnes kan in plaats van doorverwijzen ook de specialistische kennis meer naar de voorkant (bij de triage) worden gebracht, om goed te handelen bij complexe casuïstiek.

Het JGT wordt met deze samenwerking met ook beter in staat gesteld meer zelf op te pakken en minder te verwijzen. Bij het jongerenwerk van Versa zal ook genoeg capaciteit moeten zijn om voldoende mogelijkheden voor preventie én afschaling te creëren om meer kinderen en jongeren eigen begeleiding te kunnen bieden. Door in te zetten op informele steun én wanneer jeugdhulp echt noodzakelijk is dan ook de inzet van jeugdhulp (vanuit het wijkteam of jeugdhulpaanbieder) zoveel mogelijk verbinden aan informele steun en hierbij nog meer gebruik te maken van de kracht van gezinnen in de BEL gemeenten. Het JGT zal bij alle zaken goede triage uit moeten voeren en deze toetsing zoveel als mogelijk van huisartsen weer overnemen. Het JGT en Versa kunnen escalatie van problematiek voorkomen door meer outreachend te werken - eerder bij een hulpvraag betrokken te zijn en daarna ook beter in staat te zijn vinger aan de pols te houden. Daarbij ligt er een taakopgave in Eemnes om pleeggezinnen te werven. Er kan ook een besparing worden gerealiseerd door komend jaar met behulp van uitgebreidere data analyse te onderzoeken op welke plekken jongeren met jeugdhulp op school of kinderopvang verblijven. Vervolgens kan het JGT samen met deze organisaties inzetten op betere preventie en jeugdhulp bij deze organisaties meer als algemene voorziening in te zetten.

Het is een integraal plan waarbij de besparing alleen lukt als op alle onderdelen wordt ingezet. Op deze manier zal het komende jaren stapsgewijs en met goede monitoring, zodat er op tijd kan worden bijgestuurd, lukken de hoge kosten op jeugdzorg terug te dringen.

36

10. Actieplan maatregelen kostenbesparing Jeugdzorg Eemnes Actieplan 2021: extra fte voor wegwerken wachtlijst Omdat, doordat er te weinig capaciteit is, er wachtlijsten zijn ontstaan. Cliënten op de wachtlijst kosten consulenten ook tijd (er wordt immers een vinger aan de pols gehouden), en er is een grotere kans dat een hulpvraag verergert. Hierdoor kan de hulpvraag uiteindelijk, mogelijk later in de keten, meer tijd kosten – de casus wordt complex. Zo leidt de wachtlijst zelf dus ook weer tot een grotere vraag naar capaciteit (de negatieve feedback loop). De wachtlijst moet als eerste prioriteit worden aangepakt. Maatregelen 2022/2023/2024: 1 1a 1b

2 2a

Resultaat:

inzetten op informele steun: Buurtgezinnen coördinator in gezamenlijkheid BEL gemeenten resultaatafspraak maken met BSA Gebiedsteams over inzet JIM Jeugd en Gezinsteam Eemnes: 2,9 Fte uitbreiding (0,44 fte GZ psycholoog, 0,67 fte gedragswetenschapper en 1,78 fte voor 2 ambulante hulpverleners) + 1 fte flexibel monitoring duurste casuïstiek en doorbraakmethode

Minder inzet specialistische opvang, begeleiding en behandelplekken voorkomen van uithuisplaatsingen

Eigenbegeleiding, tenzij en daarmee minder inzet bij P*Q en BSA Bijvoorbeeld eerder afschalen van residentieel naar gezinsvorm

triage bij alle casuïstiek – ook bij complexe casuïstiek in samenwerking met gebiedsteam

Om de toegang tot jeugdhulp goed te kunnen sturen

meer outreachend werken in goede samenwerking met Versa, kinderopvang en onderwijs

Crisis voorkomen en minder verwijzing specialistische jeugdzorg

werken met JIM methodiek en met Buurtgezinnen

Versterken eigen regie en voorkomen van uithuisplaatsing, de combinatie met informele steun leidt tot minder inzet jeugdhulp Heeft grote meerwaarde bij complexe zwaardere casuïstiek

2b

inzet vaste ervaringsdeskundige in JGT

3 3a 3b

voorliggende voorzieningen versterken: versterken versa jongerenwerk Afschaling creëren bij het jongerenwerk analyse combinatie onderwijs en jeugdhulp data om Door gerichte preventie voorkomen van gericht preventieplan te maken jeugdhulpvragen en creëren van maatwerkoplossing en richting van minder individuele naar meer algemene voorziening actieplan werven van Pleeggezinnen Eemnes: Opvang in gezinsvorm beter voor het kind en veel goedkoper dan residentieel Pleeggezinnen voor weekendopvang Veel betere en ook goedkopere opvangplekken in Eemnes voor kinderen Pleeggezinnen voor crisisopvang Betere en ook goedkopere opvangplekken in Eemnes voor kinderen Kindgericht werven inzetten bij zoeken naar Kinderen van Eemnes blijven in Eemnes pleeggezin deelname aan regionale gezinsparaplu Behouden van pleeggezinnen

4

37

Investeringen Buurtgezinnen in gezamenlijkheid BEL gemeenten Uitbreiding jeugd- en gezinsteam 2,9 fte inzet vaste ervaringsdeskundige in JGT Flexibele schil* (niet standaard alleen inzet bij noodzaak) Deelname regionale gezinsparaplu voor goede ondersteuning van pleeggezinnen Totale investering Dekking uit begroting voorveld Investering te dekken uit besparingen

2022 15.000 240.000 12.000 80.000

2023 15.000 240.000 12.000 80.000

2024 15.000 240.000 12.000 80.000

5.000 352.000 100.000 252.000

5.000 352.000 100.000 252.000

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10823884/1