05. Ontwerp-Omgevingsverordening Provincie Utrecht prb-2025-21377
Tekst van het document
Artikel 3.59c Meldplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone 1.
57
In Boringsvrije zone Langerak en Lexmond is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
2.
In Boringsvrije zone Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 10 meter onder het maaiveld.
3.
In Boringsvrije zone Veenendaal is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 30 meter onder het maaiveld.
4.
In Boringsvrije zone Bilthoven, Benschop-ondiep, Bunnik, Cothen, Eempolder, Leidsche Rijn, Langerak-Noord, Lexmond-Noord, Linschoten en Nieuwegein is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 40 meter onder het maaiveld.
5.
In Boringsvrije zone De Meern is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 48 meter onder het maaiveld.
6.
In Boringsvrije zone Tull en t Waal, Vianen en Vianen - Panoven is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 55 meter onder het maaiveld.
7.
In Boringsvrije zone WCB Nieuwegein is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 60 meter onder het maaiveld.
8.
In Boringsvrije zone Benschop-diep is het verboden zonder melding funderingswerk uit te voeren dieper dan 80 meter onder het maaiveld.
9.
Bij het uitvoeren van funderingswerk wordt uitsluitend gebruik gemaakt van: a. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; b. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis gebruikt wordt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend ingebracht wordt; of c. voorgevormde of in de grond gevormde schroefpalen;
10.
Minimaal 4 weken voordat het funderingswerk uitgevoerd wordt, wordt de melding ingediend.
11.
Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.
Artikel 3.60 Meldplicht boorputten, grond- en funderingswerken boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond 1.
Het is verboden zonder melding in een Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen de volgende activiteiten uit te voeren: a. grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en b. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of 3. voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen. Het is verboden zonder melding in een Boringsvrije zone Langerak en Lexmond een boorput buiten gebruik te stellen.
2.
Het is verboden zonder melding in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond: a. heipalen te verwijderen; b. boorputten buiten gebruik te stellen. Binnen 2 weken na de buitengebruikstelling van de boorput wordt de boorput afgedicht door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.
3.
Minimaal 4 weken voordat de activiteit uitgevoerd boorput buiten gebruik gesteld wordt, wordt de melding ingediend.
4.
Als activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.
Artikel 3.60a Meldplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond 1.
58
Het is verboden zonder melding in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond een heipaal te verwijderen.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
2.
Het ontstane gat wordt zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.
3.
Minimaal 4 weken voordat de heipaal verwijderd wordt, wordt de melding ingediend.
4.
Als de activiteit anders uitgevoerd gaat worden dan gemeld, dan wordt direct een nieuwe melding ingediend.
Artikel 3.61 Indieningsvereisten melding horizontaal gestuurde boringen in Boringsvrije zone In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van een horizontaal gestuurde boring in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.59 minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59 worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert; gegevens genoemd in Artikel 1.12; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd; kadastrale aanduiding van de locaties waar de horizontaal gestuurde boring uitgevoerd wordt; c. het doel van de horizontaal gestuurde boring; d. het diepste punt van de boring; e. de lengte van de boring tussen in- intredepunt en uittredepunt; de totale lengte van de boring; en f. g. het conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerde bodemonderzoek; h. boorplan met daarin de uitwerking van de voorwaarden in Artikel 3.59; en g i. de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.62 Indieningsvereisten melding grondwerken in Boringsvrije zone In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van grondwerken in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder a minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert; gegevens genoemd in Artikel 1.12; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd uitgevoerd wordt; c. het doel waarvoor wordt van het ontgraven; d. de aard van het oppervlak van de ontgraving; oppervlakte in m2, lengte, breedte e. de diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld; f. de aard van het bodemprofiel ter plaatse; g. de wijze hoe het bodemprofiel hersteld wordt zodat minimaal dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en h. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.63 Indieningsvereisten melding funderingswerken in Boringsvrije zone In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van funderingswerken in een Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder b, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.59a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit uitvoert; gegevens bedoeld in Artikel 1.12; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt uitgevoerd het funderingswerk uitgevoerd wordt; c. het doel waarvoor de fundering wordt geplaatst geplaatst wordt; d. de aard van de te gebruiken funderingstechniek welke funderingstechniek gebruikt wordt: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt wordt die niet plaatselijk verbreed is en wordt grondverdringend ingebracht wordt; of
59
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
e. f.
3. voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen; de diepte tot waar de fundering komt in meters beneden maaiveld; en de start- verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.63a Indieningsvereisten melding boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.60, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. gegevens genoemd in Artikel 1.12; b. opdrachtgever van de buitengebruikstelling van de boorput; c. kadastrale aanduiding van de locatie waar de boorput buiten gebruik gesteld wordt; d. aantal boorputten dat buiten gebruik gesteld en afdicht wordt; e. putnummer van de boorput die buiten gebruik gesteld wordt; f. bedrijf dat de afdichting na de buitengebruikstelling van de boorput binnen 2 weken uitvoert; g. bewijs van certificering van het bedrijf dat de afdichting uitvoert conform BRL SIKB 2100; h. materiaal dat gebruikt wordt voor de afdichting; en i. verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.63b Indieningsvereisten melding heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.60a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. gegevens genoemd in Artikel 1.12; b. opdrachtgever van de heipaalverwijdering; c. kadastrale aanduiding van de locatie waar de heipaal verwijderd wordt; d. aantal heipalen dat verwijderd wordt; e. tot welke diepte de heipalen verwijderd worden; f. afdichtmateriaal dat gebruikt wordt; en g. verwachte startdatum en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.63c Informatieplicht horizontaal gestuurde boring uitvoeren in Boringsvrije zone 1.
De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.
2.
Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.
Artikel 3.63d Informatieplicht grondwerk uitvoeren in Boringsvrije zone 1.
De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.
2.
Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.
Artikel 3.63e Informatieplicht funderingswerk uitvoeren in Boringsvrije zone 1.
De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.59c, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.
2.
Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.
Artikel 3.63f Informatieplicht boorput buiten gebruik stellen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond
60
1.
De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.60, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.
2.
Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.63g Informatieplicht heipaal verwijderen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond 1.
De uitvoerder van de activiteit, bedoeld in Artikel 3.60a, levert minimaal 1 week voor de start van de uitvoering, de precieze startdatum en einddatum van de activiteit aan.
2.
Direct na het wijzigen van een eerder doorgegeven startdatum of einddatum van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, geeft de uitvoerder van de activiteit deze wijziging door.
Artikel 3.64 Eis verwijdering van heipalen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij verwijdering van heipalen in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet. [Gereserveerd]
Artikel 3.64a Eis buitengebruikstelling boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij buitengebruikstelling van een boorput in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond laat de eigenaar of exploitant binnen maximaal 2 weken na buitengebruikstelling de boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101. [Gereserveerd] OOOO Artikel 3.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.65 Oogmerk grondwaterverontreiniging De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem. PPPP Paragraaf 3.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 3.3.2 Instructieregels grondwaterverontreiniging Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging
61
1.
Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging in het Gebied saneringsregels voor grondwater is gericht op: a. het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied; b. het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging; c. de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied; en d. het verbeteren van de mogelijkheden om doelmatig gebruik te maken van de ondergrond in verontreinigd gebied.
2.
Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.
3.
Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen; b. de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt; c. een beschrijving van de uitgevoerde onderzoeken; d. de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma; e. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen; f. de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
g.
de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied.
4.
In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en te beheersen.
5.
Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing is.
Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging 1.
Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging in het Gebied saneringsregels voor grondwater is gericht op: a. het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied; b. het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging; c. de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied; en d. het verbeteren van de mogelijkheden om doelmatig gebruik te maken van de ondergrond in verontreinigd gebied.
2.
Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.
3.
Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen; b. de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt; c. een beschrijving van de uitgevoerde onderzoeken; d. de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma; e. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen; f. de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en g. de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied.
4.
In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken, en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en te beheersen.
5.
Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, van toepassing is.
QQQQ Artikel 3.69 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.69 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering 1.
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op de sanering het saneren van verontreinigd grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico in het Gebied saneringsregels voor grondwater, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt , beperkt wordt; en b. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven.
2.
De aanvraag wordt getoetst aan de saneringsdoelstellingen uit hoofdstuk 4 van de Circulaire bodemsanering 2013.
RRRR
62
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.70 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning grondwatersanering In aanvulling op Bij de aanvraagvereisten in de wet, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.68, minimaal worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aangeleverd: a. gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; a b. een vooronderzoek bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving; b c. een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving; c d. een nader bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving; d e. een beschrijving van de te treffen nemen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; e f. een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd beoogd worden, waaronder een aanduiding van de terugsaneerwaarde; f g. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en g h. een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting getroffen moeten worden getroffen. SSSS Artikel 3.71 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.71 Informatieplicht start en locatie grondwatersanering 1.
Minimaal 2 weken voor het begin van de sanering verstrekt de vergunninghouder gegevens en bescheiden over: De vergunninghouder levert minimaal 2 weken voor het begin van de grondwatersanering de volgende gegevens en bescheiden aan: a. de begrenzing van de locatie waar de sanering wordt uitgevoerd grondwatersanering uitgevoerd wordt; en b. de startdatum van de sanering grondwatersanering.
2.
Gewijzigde gegevens worden onverwijld verstrekt na het wijzigen De vergunninghouder geeft het direct door als een van de volgende gegevens wijzigt: a. een wijziging van de startdatum van de sanering; b. een wijziging van de begrenzing van de te saneren locatie; of c. een verandering van de locatie van de sanering.
TTTT Artikel 3.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.72 Informatieplicht uitvoerder en milieukundige begeleider grondwatersanering
63
1.
Minimaal 5 werkdagen voor het begin van de sanering worden gegevens en bescheiden verstrekt over uitvoerder en milieukundige beheerder die bij de sanering zijn betrokken.
2.
De gegevens en bescheiden bevatten minimaal: a. de naam en het adres van de persoon die de sanering gaat uitvoeren; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan uitvoeren. De vergunninghouder levert minimaal 5 werkdagen voor het begin van de grondwatersanering de volgende gegevens en bescheiden aan: a. naam en adres van het bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 die de grondwatersanering gaat uitvoeren; en b. naam en adres van het bedrijf met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000 die de milieukundige begeleiding bij de grondwatersanering gaat uitvoeren.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
UUUU Na artikel 3.72 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.72a Informatieplicht evaluatieverslag grondwatersanering 1.
De vergunninghouder levert binnen 4 weken na afronding van de grondwatersanering een evaluatieverslag aan, opgesteld volgens BRL SIKB 6000.
2.
Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit voorgedaan hebben; b. beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, als dit van toepassing is, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; c. beschrijving van gebruiksbeperkingen, als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem nodig zijn; en d. beschrijving van de nazorgmaatregelen, als deze na de grondwatersanering nodig zijn.
VVVV Artikel 3.73 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.73 Eis uitvoering van de activiteit grondwatersanering 1.
De sanering wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en wordt begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
2 1. De sanering wordt uitgevoerd overeenkomstig de beschrijving van de te treffen nemen saneringsmaatregelen, bedoeld in Artikel 3.70, onder d e. 3 2. Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de sanering uitgevoerd overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in Artikel 3.70, onder f g. WWWW Artikel 3.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.74 Eis evaluatieverslag grondwatersanering 1.
Binnen 4 weken na afronding van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL SIKB 6000 en aan gedeputeerde staten verstrekt. [Gereserveerd]
2.
Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan; b. een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; c. als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en d. als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen.
XXXX
64
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.75 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.75 Eis beperkingen en nazorgmaatregelen grondwatersanering 1.
De eigenaar Een initiatiefnemer, erfpachter eigenaar of gebruiker erfpachter van het grondgebied een locatie waar na de sanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven gebleven is, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven zijn in het evaluatieverslag.
2.
Degene die de sanering heeft uitgevoerd uitgevoerd heeft, dan wel of degene die daartoe is aangewezen is in het evaluatieverslag, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen.
YYYY Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.76 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering 1.
Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het bepaalde in de artikelen 3.70 tot en met 3.75. Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het bepaalde in paragraaf 3.3.3.
2.
Met een maatwerkvoorschrift kan afgeweken worden van het bepaalde in paragraaf 3.3.3.
ZZZZ Het opschrift van paragraaf 3.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 3.3.4 Onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw AAAAA Het opschrift van artikel 3.77 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.77 Toepassingsbereik onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw BBBBB Artikel 3.78 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.78 Eis vooronderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw Voordat een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwd gebouwd wordt, wordt op het perceel een vooronderzoek grondwater uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5725. CCCCC Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
65
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.79 Eis verkennend onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw 1.
Als uit het vooronderzoek grondwater blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem, wordt een verkennend grondwateronderzoek uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5740.
2.
Bij dit verkennend grondwateronderzoek worden betrokken: a. de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage VC Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in bijlage IV bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.
Het veldwerk wordt uitgevoerd door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4.
De laboratoriumanalyse wordt uitgevoerd door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
DDDDD Het opschrift van artikel 3.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.80 Eis nader onderzoek grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw EEEEE Het opschrift van artikel 3.81 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.81 Eis risicobeoordeling grondwaterverontreiniging bij bouwen bodemgevoelig gebouw FFFFF Artikel 3.82 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.82 Eis maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw
66
1.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterverontreiniging blijkt dat er een onaanvaardbare risico voor verspreiding verontreiniging van verontreiniging in het grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico is en de bronzone zich deels geheel of geheel bevindt gedeeltelijk ligt binnen het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerd uitgevoerd wordt, wordt voorafgaand aan de bouwactiviteit: a. een bodemsanering voor de bronzone uitgevoerd; b. een grondwatersanering voor de bronzone uitgevoerd; en c. een grondwatersanering voor de verontreinigingspluim uitgevoerd.
2.
De bodemsanering en grondwatersaneringen worden uitgevoerd: a. op het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerd uitgevoerd wordt; en b. buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerd uitgevoerd wordt, voor zover dat redelijkerwijs gevergd kan worden gevergd.
3.
Voor zover de bronzone of verontreinigingspluim zich bevinden buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt uitgevoerd uitgevoerd wordt, belemmert het te bouwen bouwwerk de bodemsanering van de bronzone en de grondwatersaneringen van de bronzone en verontreinigingspluim niet.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
GGGGG Artikel 3.83 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.83 Maatwerkvoorschriften maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico bij bouwen bodemgevoelig gebouw Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over Artikel 3.82. Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen over het bepaalde in Artikel 3.82. HHHHH Paragraaf 3.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Paragraaf 3.3.5 Grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico Artikel 3.84 Toepassingsbereik verdenking vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico Deze paragraaf is van toepassing als een redelijk vermoeden bestaat van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.
Artikel 3.85 Informatieplicht initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico Een initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter van een locatie die een redelijk vermoeden heeft van een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico is verplicht de informatie die bij degene diegene bekend is over de deze grondwaterverontreiniging bekend is, door te verstrekken geven aan de provincie gedeputeerde staten.
Artikel 3.86 Informatieplicht gemeente bij vermoeden grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico De Een gemeente die een redelijk vermoeden heeft van of wordt geïnformeerd wordt over een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico, geeft van de verstrekte deze informatie onverwijld kennis onmiddellijk door aan: a. gedeputeerde staten; en b. andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die belang hebben bij een onverwijlde kennisgeving deze informatie. IIIII Artikel 3.88 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.88 Toepassingsbereik grondverzet en rommelterrein 1.
Deze afdeling is in het Landelijk gebied van toepassing op het: a. storten van materialen; inrichten of en hebben van een stortplaats; b. c. ophogen of en egaliseren van gronden; en d. aanleggen, vullen, uitvlakken en hebben van een baggerdepot; en d e. inrichten of en hebben van een rommelterrein.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. een rommelterrein dat in geen enkel seizoen zichtbaar is vanaf een voor het publiek openbaar toegankelijke plaats plek; en b. stortplaatsen die zijn aangewezen in een omgevingsplan of zich bevinden in een gebouw. een stortplaats die aangewezen is in een omgevingsplan; en c. een stortplaats die zich in een gebouw bevindt.
JJJJJ
67
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.89 Specifieke zorgplicht grondverzet en rommelterrein Degene die in het Landelijk Gebied materiaal stort, een stortplaats inricht of houdt, gronden grond ophoogt of egaliseert, een baggerdepot aanlegt, vult, uitvlakt of heeft, of een rommelterrein inricht of houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.87, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, ; b. voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden voorkomen, : die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, ; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, : die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden gevraagd. KKKKK Artikel 3.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.90 Verbod rommelterrein Het is verboden in het Landelijk gebied een rommelterrein in te richten of en te hebben, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.90a van toepassing is. LLLLL Na artikel 3.90 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.90a Vrijstelling verbod rommelterrein Het verbod in Artikel 3.90 geldt niet als het rommelterrein: a. op een agrarisch bouwperceel ligt of onmiddellijk grenst aan een agrarisch bouwperceel; b. noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; en c. materiaal bevat dat komt uit het eigen agrarisch productieproces of bedoeld is voor de verwerking in dat productieproces; d. hooibalen, kuilgrasbalen, rij-kuilen of sleufsilo's bevat die afgedekt of gewikkeld worden in plasticfolie; of e. materieel bevat dat nodig is voor het eigen agrarisch productieproces. MMMMM Artikel 3.91 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.91 Vergunningplicht grondverzet Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Landelijk gebied materialen te storten, een stortplaats in te richten en te hebben en , gronden op te hogen en te egaliseren en een baggerdepot aan te leggen, te vullen, uit te vlakken en te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 3.92 tot en met Artikel 3.98 of de meldplicht uit Artikel 3.99 van toepassing is. NNNNN Artikel 3.91a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.91a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op grondverzet in het Landelijk gebied, wordt de omgevingsvergunning verleend voor zover het oogmerk van Artikel 3.87 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.
68
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
[Gereserveerd] OOOOO Artikel 3.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.92 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werken werkzaamheden 1.
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor: a. het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang waarbij wordt gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als: 1. de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of 2. de werken zijn aangewezen in een omgevingsplan. b. onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen waarbij wordt gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan. Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor: het storten, ophogen en egaliseren in het kader van de uitvoering en het onderhoud van een infrastructureel openbaar werk en van een bouwwerk van groot maatschappelijk belang als: a. alle benodigde vergunningen verleend zijn of het werk planologisch toegestaan is; en b. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.
2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
PPPPP Na artikel 3.92 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.92a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij werkzaamheden op aangewezen bouwperceel 1.
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten, ophogen en egaliseren in het kader van onderhoudswerkzaamheden, herstelwerkzaamheden, bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden op een bouwperceel als: a. het bouwperceel als bouwperceel aangewezen is in een omgevingsplan; en b. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.
2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
QQQQQ Artikel 3.93 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.93 Vrijstelling vergunningplicht bij grondverzet voor rijpad op agrarisch perceel gebruikt weideperceel of akkerperceel 1.
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor: a. het storten of ophogen op agrarische weide- en akkerpercelen als dat nodig is voor het aanleggen van rijpaden op die percelen; b. het inrichten of houden van een stortplaats of rommelterrein op of onmiddellijk aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel als dat noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het: storten, ophogen en egaliseren in het kader van de aanleg en het onderhoud van een rijpad op een agrarisch gebruikt weideperceel of akkerperceel als: a. het rijpad noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; en b. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.
2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
RRRRR
69
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Na artikel 3.93 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 3.93a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor inrichting stortplaats op of direct naast een agrarisch bouwperceel 1.
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten, ophogen en egaliseren in het kader van de inrichting of het houden van een stortplaats op of direct naast een agrarisch bouwperceel als: a. de stortplaats noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; b. het materiaal uit het eigen agrarisch productieproces komt of bedoeld is voor de verwerking in dat productieproces en het materiaal of materieel nodig is voor het eigen agrarisch productieproces; c. als het gaat om een stortplaats van grond: er maximaal 1 hoop grond van maximaal 50 m3 gestort wordt; en d. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.
2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
Artikel 3.93b Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij dempen oppervlaktewaterlichaam Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten in het kader van de demping van een oppervlaktewaterlichaam als: a. de locatie van het oppervlaktewaterlichaam in het Gebied dempen oppervlaktewaterlichaam ligt; b. voor de demping van het oppervlaktewaterlichaam op basis van Artikel 2.48 een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend is; en c. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk. SSSSS Artikel 3.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.94 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij normaal onderhoud oppervlaktewaterlichaam Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het gelijkmatig verspreiden over de aangrenzende oevers van bagger en plantenresten die vrijkomen bij normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als: a. het perceel voor de verspreiding van de bagger en de plantenresten: 1. direct naast het oppervlaktewaterlichaam ligt; 2. buiten een Natuurparel, Waterparel, Ganzenrustgebied, Weidevogelkerngebied, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour ligt; en 3. geen oever bevat die valt onder agrarisch natuurbeheer; b. losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam neergelegd worden; c. bagger en losse plantenresten zo snel mogelijk geëgaliseerd worden; d. het oorspronkelijke maaiveld met maximaal 10 centimeter opgehoogd wordt; a e. het storten, egaliseren of ophogen met baggerspecie vrijkomend uit normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als: bij de verspreiding van de bagger de aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd worden; en 1. losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam worden neergelegd; 2. het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 centimeter wordt opgehoogd; 3.
de baggerspecie niet wordt gestort op gronden die in agrarisch natuurbeheer zijn of zich bevinden binnen een natuurparel, waterparel of natuurnetwerk Nederland; 4. losse plantenresten en baggerspecie zo spoedig mogelijk worden uitgevlakt; en 5. de baggerspecie gelijkmatig over een perceel, dat gelegen is naast het oppervlaktewaterlichaam, wordt verspreid, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten. b f. het storten van baggerspecie in een baggerdepot als:
70
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk. 1. het depot niet is of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid; 2. het depot voor inklinken maximaal 1,50 meter hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld; 3. de kaden minimaal 2 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen worden aangelegd en zowel eind juni als in november worden gemaaid; 4. het perceel waarop het baggerdepot zich bevindt na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie niet meer dan 10 centimeter hoger ligt dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen; en 5. na inklinken, dan wel maximaal na 3 jaar na de activiteit, de bagger en de om het depot opgeworpen kaden zo spoedig mogelijk gelijkmatig worden verspreid tot minimaal 1 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten. TTTTT Na artikel 3.94 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.94a Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij baggerdepot aanleggen en bagger storten Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het aanleggen, vullen, uitvlakken en hebben van een baggerdepot met bagger die vrijkomt bij normaal onderhoud van een oppervlaktewaterlichaam als: a. de planlocatie voor het baggerdepot: 1. buiten een Natuurparel, Waterparel, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied, het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour ligt; en 2. buiten een open of extreem open landschap ligt; b. het omringende kaden (zandwallen) van het baggerdepot: 1. minimaal 2 meter vanuit de oever van het oppervlaktewaterlichaam aangelegd worden; en 2. eind juni en in november gemaaid worden; c. het baggerdepot maximaal 1,5 meter uitsteekt boven het maaiveld van het laagste naastgelegen perceel; d. na het inklinken of na maximaal 3 jaar na de stort van de bagger in het baggerdepot: 1. het baggerdepot en de omringende kaden zo snel mogelijk gelijkmatig verspreid worden over het perceel; 2. de bagger op minimaal 1 meter van de oever van het oppervlaktewaterlichaam verspreid wordt; 3. bij de verspreiding de aardkundige waarden en archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd worden; en 4. het perceel waarop het baggerdepot zich bevond maximaal 10 centimeter hoger is dan het maaiveld van naastgelegen niet opgehoogde percelen; en e.
de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk. UUUUU Artikel 3.95 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.95 Vrijstelling vergunningplicht bij viaduct, grondverzet voor ecoduct, faunapassage of en viaduct en planmatige inrichting en ontwikkeling van natuurterrein of en ecologische zone 1.
71
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond en baggerspecie met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken ten behoeve van een takkenril, stobbewal en broeihoop nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone als: a. de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone hiermee heeft ingestemd en dit schriftelijk vastgelegd en verantwoord is; b. de grond en baggerspecie zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot een maximale hoogte van 1 meter boven het maaiveld hebben; c. de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal of gemeentelijk beleid wordt aangetoond; d. het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; en
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
e. uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt. Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond, bagger en bladeren, takken, stobben en boomstronken voor een takkenril, stobbewal en broeihoop in de buurt van een ecoduct, faunapassage of viaduct en de planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone als: a. de takkenril, stobbewal of broeihoop deel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; b. de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone schriftelijk heeft ingestemd met de stort van het materiaal en dit verantwoord is; c. de stort van het materiaal aantoonbaar ecologisch meerwaarde heeft; d. alleen gebiedseigen materiaal gebruikt wordt; e. het materiaal zo snel mogelijk geëgaliseerd wordt zodat het maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt; en f. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk; g. het materiaal zo snel mogelijk geëgaliseerd wordt zodat het maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt. 2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
VVVVV Artikel 3.96 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.96 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet bij snoeihout en dunhout voor takkenwal en takkenril 1.
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van takhout ten behoeve van een takkenwal of takkenril, anders dan bedoeld in Artikel 3.95, als: a. de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand; b. het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand; c. aanwezige of potentiële natuurwaarden op deze manier worden versterkt; d. het gebruikte takhout zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 meter breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 meter hebben gemeten vanaf het maaiveld; en e. de wallen en rillen geen stobben of boomstronken bevatten. Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van snoeihout en dunhout voor een takkenwal of takkenril anders dan bedoeld in Artikel 3.95, als: a. de takkenwal of takkenril aangelegd wordt tegen de buitenrand van de houtopstand; b. het snoeihout of dunhout uit de houtopstand zelf komt; c. de takkenwal of takkenril niet bestaat uit stobben of boomstronken; d. de aanwezige of potentiële natuurwaarden met de takkenwal of takkenril versterkt worden; e. het snoeihout of dunhout zo snel mogelijk gebruikt wordt voor de takkenwal of takkenril; f. de takkenwal of takkenril een basis heeft van maximaal 1 meter breed en maximaal van 1,5 meter boven het maaiveld uitsteekt; g. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk.
2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
WWWWW Artikel 3.97 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.97 Vrijstelling vergunningplicht grondverzet voor grondwal in tuin, park, landgoed of en sportaccommodatie 1.
72
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond voor een wal of grondlichaam in een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie als: a. een landschapstype dat aan de stortlocatie grenst niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen; b. aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan; c. de wal of het grondlichaam wordt ingeplant met een gebiedseigen beplantingsmengsel; en d. de grond zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wal of het grondlichaam maximaal 2 meter breed is en een maximale hoogte heeft van 1 meter gemeten vanaf het maaiveld.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Het verbod in Artikel 3.91 geldt niet voor het storten van grond voor een grondwal in een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie als: a. de grondwal niet het landschap doorkruist of onderbreekt dat naast de tuin, het park, landgoed of de sportaccommodatie ligt, tenzij dit vanuit cultuurhistorische overwegingen aanvaardbaar is; b. eventueel aanwezige bomen niet in de grondwal komen te staan; c. de grondwal ingeplant wordt met een gebiedseigen beplantingsmengsel; d. de grond zo snel geëgaliseerd mogelijk wordt; e. de grondwal maximaal 2 meter breed is en maximaal 1 meter boven het maaiveld uitsteekt; en f. de werkzaamheden niet langer duren dan noodzakelijk. 2.
Deze vrijstelling geldt niet in een Ganzenrustgebied.
XXXXX Na artikel 3.97 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3.97a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning grondverzet Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op grondverzet in het Landelijk gebied wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover het oogmerk van Artikel 3.87 niet onaanvaardbaar geschaad wordt. YYYYY Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.98 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning grondverzet In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.91, minimaal worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aangeleverd: a. gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; a b. kaart van de planlocatie; b c. locatie van het werk de werkzaamheden; c d. materialen die worden toegepast; materialen die gebruikt worden voor de stort, ophoging, egalisatie, de stortplaats of het baggerdepot; d e. hoeveelheid van de materialen die worden toegepast gebruikt worden; e f. herkomst van de materialen die worden toegepast gebruikt worden; f g. afmetingen van de werkzaamheden; g h. of het gaat om permanente of tijdelijke werkzaamheden; h i. reden van de werkzaamheden; en i j. start- startdatum en einddatum van de werkzaamheden. ZZZZZ Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.99 Meldplicht ophogen of en egaliseren agrarisch gebruikt weide- weideperceel en akkerperceel
73
1.
Het is verboden zonder melding in het Landelijk gebied een agrarisch gebruikte weide- gebruikt weideperceel en akkerpercelen akkerperceel op te hogen of en te egaliseren.
2.
De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de eisen van Artikel 3.102. De gemelde werkzaamheden zijn alleen toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. het perceel ligt buiten een Natuurparel, Waterparel, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied, het natuurnetwerk Nederland en de Groene contour; b. de ophoging en egalisatie is in het kader van de normale bedrijfsvoering; c. voor het ophogen wordt alleen grond, heideplagsel of bosstrooisel gebruikt;
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
d. e. f. g. h. i. 3.
de grond, het heideplagsel of het bosstrooisel wordt zo snel mogelijk geëgaliseerd ; als wordt opgehoogd met grond dan wordt dit gedaan volgens het principe “zand op zand”, “klei op klei” en “veen op veen”; bij de ophoging en de egalisatie worden de aardkundige waarden en de archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderd; het perceel wordt maximaal 1 keer in de 5 jaar opgehoogd met maximaal 10 centimeter. Deze 10 centimeter geldt na de egalisatie ; de melding wordt minimaal 4 weken voor de start van de werkzaamheden ingediend; en de werkzaamheden worden binnen 4 weken na de start van de werkzaamheden afgerond.
Minimaal 4 weken voordat het agrarisch gebruikt weide- en akkerperceel opgehoogd of geëgaliseerd wordt, wordt de melding ingediend.
AAAAAA Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.100 Indieningsvereisten melding ophogen of egaliseren agrarisch gebruikt weideen weideperceel of akkerperceel In aanvulling op de indieningsvereisten in Artikel 1.12 worden bij een melding voor ophoging of egalisatie van een agrarisch gebruikt weide- of akkerperceel, bedoeld in Artikel 3.99, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: Bij een melding, bedoeld in Artikel 3.99, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. gegevens genoemd in Artikel 1.12; a b. kaart van de planlocatie; b c. locatie van het werk; c d. is de locatie buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour; dat de locatie buiten een Natuurparel, Waterparel, natuurnetwerk Nederland, Weidevogelkerngebied, Ganzenrustgebied en Groene contour ligt; d e. functie van de planlocatie in volgens het omgevingsplan; e f. huidig gebruik van de planlocatie; f. hoeveelheid grond, heideplagsel of bosstrooisel die wordt toegepast; g. afmetingen van de werkzaamheden; h. start- startdatum en einddatum van de werkzaamheden; i. of grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei, veen op veen; dat de ophoging en egalisatie in het kader is van de normale bedrijfsvoering; j. materiaal dat gebruikt wordt voor de ophoging; k. hoeveelheid grond, heideplagsel of bosstrooisel die gebruikt wordt; l.
als grond gestort wordt, dan wordt dit gedaan volgens het principe "zand op zand", "klei op klei", "veen op veen"; j m. of bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en dat bij de ophoging en egalisatie de aardkundige waarden en de archeologisch en landschappelijk waardevolle terreingedeelten niet veranderen; en k n. of de percelen eens in de 5 jaar worden opgehoogd met maximaal 10 centimeter na uitvlakking. dat het perceel maximaal een keer in de 5 jaar opgehoogd wordt met maximaal 10 centimeter na egalisatie. BBBBBB Artikel 3.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 3.101 Specifieke eis bij werk De activiteiten bedoeld in Artikel 3.92 duren niet langer dan noodzakelijk. [Gereserveerd] CCCCCC Artikel 3.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
74
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
Artikel 3.102 Eisen agrarisch perceel 1.
Bij een stortplaats of rommelterrein is het te storten of opgeslagen materiaal afkomstig uit het eigen agrarisch productieproces of bestemd voor de verwerking in dat productieproces. [Gereserveerd]
2.
Bij een stortplaats of rommelterrein is het aanwezige materieel benodigd voor het eigen agrarisch productieproces.
3.
Op een stortplaats of rommelterrein zijn rijkuilen, sleufsilo's en hooi- en kuilgrasbalen afgedekt of gewikkeld in plasticfolie.
4.
Op een stortplaats of rommelterrein ligt niet meer dan 1 hoop grond van maximaal 50 m3.
5.
In het Landelijk gebied worden binnen een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour zonder omgevingsvergunning geen agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen opgehoogd en geëgaliseerd.
6.
Voor het zonder omgevingsvergunning ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weideen akkerpercelen binnen het Landelijk gebied buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en het Gebied Groene contour geldt dat: a. alleen grond, heideplagsel en bosstrooisel wordt gestort; b. grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen; c. grond, heideplagsel en bosstrooisel na het storten daarvan zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt; d. bij verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en e. de percelen maximaal een keer in de 5 jaar opgehoogd worden met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.
7.
Het ophogen of egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen wordt binnen 4 weken na aanvang afgerond.
DDDDDD Afdeling 3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats Artikel 3.103 Oogmerk gesloten stortplaats De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu. [Vervallen per <datum>]
Artikel 3.104 Toepassingsbereik gesloten stortplaats Deze afdeling is van toepassing op activiteiten in het Gebied gesloten stortplaats. [Vervallen per <datum>]
Artikel 3.105 Vergunningplicht activiteiten op gesloten stortplaats Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied gesloten stortplaats: a. een bouwactiviteit uit te voeren; b. een milieubelastende activiteit uit te voeren; of c. een boom of houtopstand te kappen. [Vervallen per <datum>]
Artikel 3.106 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning gesloten stortplaats Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in het Gebied gesloten stortplaats, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er worden maatregelen genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;
75
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
b. voorzieningen ter bescherming van de bodem worden regelmatig geïnspecteerd; en c. de bodem onder de stortplaats wordt regelmatig onderzocht. [Vervallen per <datum>]
Artikel 3.107 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning gesloten stortplaats In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld Artikel 3.105, minimaal de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit; b. een tekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; en c. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om beschadiging van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te voorkomen. [Vervallen per <datum>]
Artikel 3.108 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt in het Gebied gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang. [Vervallen per <datum>] EEEEEE Na afdeling 3.5 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Afdeling 3.6 Ontgrondingsactiviteit Artikel 3.109 Oogmerk ontgrondingsactiviteit De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. doelmatig uitvoeren van een ontgrondingsactiviteit; b. behoud van aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.
Artikel 3.110 Toepassingsbereik ontgrondingsactiviteit Deze afdeling is van toepassing op een ontgrondingsactiviteit op het land, in een regionaal water en in een winterbed van een rijksrivier.
Artikel 3.111 Specifieke zorgplicht ontgrondingsactiviteit Degene die een ontgrondingsactiviteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen in Artikel 3.109, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden.
Artikel 3.112 Afwijking vergunningplicht ontgrondingsactiviteit
76
1.
Voor onderdeel g. onder 2° van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is ook van toepassing in het kader van andere grote infrastructurele werken, maar alleen als: a. de ontgrondingsactiviteit uitgevoerd wordt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap; b. de ontgrondingsactiviteit een te nemen maatregel is uit een omgevingsplan; en c. de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijk maaiveld ongemoeid blijven.
2.
Voor onderdeel h. onder 2° van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is alleen van toepassing als de grondlagen dieper dan 2 meter in plaats van dieper dan 3 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.
Provinciaal blad 2025 nr. 21377
18 december 2025
3.
Voor onderdeel j. van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving: deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een ontgrondingsactiviteit is in het Agrarisch cultuurlandschap niet van toepassing voor zover dit het aanleggen of veranderen van een watergang betreft.
Artikel 3.113 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend voor zover; a. voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 8.76 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. het oogmerk van Artikel 3.109 niet onaanvaardbaar geschaad wordt.
Artikel 3.114 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning ontgrondingsactiviteit Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. gegevens genoemd in artikel 7.3 en artikel 7.207 van de Omgevingsregeling; b. onderbouwing waaruit blijkt dat de ontgrondingsactiviteit de aardkundige, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van het gebied niet onaanvaardbaar zal aantasten; en c. indien van toepassing: schriftelijke toestemming van de grondeigenaar voor de ontgrondingsactiviteit. FFFFFF Het opschrift van hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 4 Bereikbaarheid en mobiliteit infrastructuur GGGGGG Artikel 4.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid
77
1.
Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, bevat regels die waarborgen dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen.
2.
De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben; b. een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen; c. een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en d. een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen verslechtert en of de reistijd significant toeneemt. Door middel van een bereikbaarheidsscan uit Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse wordt bekeken welke bereikbaarheidseffecten optreden, en of een bereikbaarheidsonderzoek noodzakelijk is.