CConstaterende dateemnes
Koppel je AI →
Document · PDF

05. Ontwerp-Omgevingsverordening Provincie Utrecht prb-2025-21377

Commissie WenR 3 februari 2026, gemeente eemnesBij agendapunt: RV Zienswijze Eemnes ontwerp-omgevingsvisie en -verordening (POVI) provincie Utrecht46.678 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

PROVINCIAAL BLAD

Nr. 21377 18 december 2025

Officiële uitgave van de provincie Utrecht

2e wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht Besluit van Gedeputeerde Staten van 16 december 2025 tot vaststelling van Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht Gelet op: Artikel 2.6 van de Omgevingswet Besluiten:

Artikel I De Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht vast te stellen, zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II De Ontwerp wijziging Omgevingsverordening provincie Utrecht ter inzage te leggen. Aldus besloten te Utrecht op 16 december 2025, Voorzitter, Secretaris,

Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien. Dit document is een ontwerpbesluit.

1

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Bijlage A A Het opschrift van artikel 1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen B Na artikel 1.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.8a Vergunningvoorschriften Gedeputeerde staten kunnen voorschriften verbinden aan een omgevingsvergunning. C Artikel 1.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.9 Wijzigen of intrekken omgevingsvergunning Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning die verleend is op grond van deze verordening wijzigen of intrekken, als: a. in strijd met de omgevingsvergunning of de daaraan verbonden voorschriften wordt gehandeld; b. de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige gegevens is verleend; c. door verandering van wetgeving, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen waarop deze verordening ziet, zwaarder wegen weegt dan het belang van de betrokkene bij een ongewijzigde omgevingsvergunning; of d. gedurende 2 jaar of een binnen de omgevingsvergunning langere genoemde termijn geen activiteiten zijn uitgevoerd met gebruikmaking van de omgevingsvergunning. D Na artikel 1.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.9a Wijzigingsverzoek verleende omgevingsvergunning De houder van de omgevingsvergunning dient in ieder geval een wijzigingsverzoek in voor de verleende omgevingsvergunning als: a. de activiteit op een andere manier uitgevoerd gaat worden dan waarvoor de omgevingsvergunning verleend is; b. de activiteit later uitgevoerd gaat worden dan waarvoor de omgevingsvergunning verleend is; c. de geldigheidstermijn van de omgevingsvergunning verstrijkt; d. het plangebied van de omgevingsvergunning verandert; e. de houder van de omgevingsvergunning verandert; f. de eigenaar van de grond waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, verandert; g. de eigenaar van het object waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, verandert; of h. het object waarvoor de omgevingsvergunning verleend is, dusdanig verandert dat dit gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving. E Artikel 1.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

2

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 1.11 Indieningsvereisten aanvraag toepassing hardheidsclausule Bij een aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. als de toepassing van de hardheidsclausule wordt aangevraagd vanwege een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit: deze aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden; en b. een onderbouwing van de aanvraag tot toepassing van de hardheidsclausule. F Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Omgevingswaarde regionale waterkering

3

1.

Voor het Dijktraject 1 op 10 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 10 jaar van de hoogste waterstand waarop een dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 10 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

2.

Voor het Dijktraject 1 op 30 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 30 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 30 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

3.

Voor het Dijktraject 1 op 100 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 100 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 100 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

4.

Voor het Dijktraject 1 op 300 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 300 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 300 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

5.

Voor het Dijktraject 1 op 1000 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1000 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend; b. de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1000 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; c. deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en d. aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

6.

Voor het Dijktraject 1 op 1250 geldt: als omgevingswaarde een gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1250 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend. a. als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans waarop een dijktraject moet zijn berekend;

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

b. c. d.

de gemiddelde overschrijdingskans van 1 keer per 1250 jaar van de hoogste waterstand waarop het dijktraject moet zijn berekend; deze omgevingswaarde is een resultaatsverplichting; en aan de omgevingswaarde wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

7.

De omgevingswaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, zijn een resultaatverplichting.

8.

Aan de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste tot en met zesde lid, wordt voldaan met ingang van 1 januari 2031.

9.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de datum, bedoeld in het achtste lid, als niet aan de resultaatverplichting voldaan kan worden vanwege: a. omstandigheden die maken dat het voldoen aan de omgevingswaarden op dat tijdstip onevenredig kostbaar is; b. omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschap; of c. de doorlooptijd van de te nemen maatregelen.

G Artikel 2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.4 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

5.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in eerste en tweede lid.

H Artikel 2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.5 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

4

1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

5.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

I Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

5.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

J Artikel 2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.7 Omgevingswaarde wateroverlast binnen de bebouwde kom Waterschap Rivierenland 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland binnen de bebouwde kom waar feitelijk bebouwing, hoofdinfrastructuur of spoorwegen aanwezig zijn, als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het overige gebied binnen de bebouwde kom geldt als omgevingswaarde een gemiddelde overstromingskans van 1 keer per 10 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

5.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

K Artikel 2.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.8 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 1.

5

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land-

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

en tuinbouw aanwezig zijn als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar. 2.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

3.

Voor het overige gebied buiten de bebouwde kom geldt in de periode 1 maart tot 1 november als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

4.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het derde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

5.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

6.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste en derde lid.

L Artikel 2.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.9 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht buiten de bebouwde kom waar bebouwing aanwezig is, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar.

5.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

6.

Voor het gebied buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt in de periode 1 maart tot 1 oktober als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

7.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 10% buiten beschouwing worden gelaten.

8.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

9.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste, tweede, vierde en zesde lid.

M Artikel 2.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 2.10 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Vallei en Veluwe 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Vallei en Veluwe buiten de bebouwde kom als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

2.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het eerste lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

3.

Deze omgevingswaarde is een inspanningsverplichting.

4.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid.

N Artikel 2.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.11 Omgevingswaarde wateroverlast buiten de bebouwde kom Waterschap Rivierenland 1.

Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren worden ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland buiten de bebouwde kom waar feitelijk hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap, als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 100 jaar.

2.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw aanwezig zijn in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 50 jaar.

3.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het tweede lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

4.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar akkerbouw aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 25 jaar.

5.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het vierde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 1% buiten beschouwing worden gelaten.

6.

Voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom waar grasland aanwezig is in het beheersgebied van het waterschap geldt als omgevingswaarde een gemiddelde kans op overstroming van 1 keer per 10 jaar.

7.

Bij de beoordeling of een gebied bedoeld in het zesde lid voldoet aan de omgevingswaarde, kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied van maximaal 5% buiten beschouwing worden gelaten.

8.

Voor bebouwing die is gelegen buiten de bebouwde kom, geldt de omgevingswaarde van het omringende landgebruik, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid.

9.

Deze omgevingswaarde is omgevingswaarden zijn een inspanningsverplichting.

10.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de omgevingswaarden, bedoeld in het eerste, tweede, vierde, zesde en achtste lid.

O

7

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Paragraaf 2.1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.1.3 Monitoring regionale waterkering en wateroverlast Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale waterkering 1.

Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3.

2.

Het waterschap stelt in 2036 en daarna elke 12 jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen in zijn beheer.

3.

Het verslag, bedoeld in het tweede lid, bevat: a. de resultaten van de monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3; b. een beoordeling van de resultaten van monitoring en toetsing of aan deze omgevingswaarden wordt voldaan; en c. als uit de beoordeling van de resultaten van de monitoring blijkt dat niet wordt voldaan of zal worden voldaan aan de omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen, een omschrijving van de maatregelen die op een daarbij aangegeven termijn nodig zijn.

4.

Het waterschap betrekt bij de beoordeling van de veiligheid in ieder geval: a. de voor de regionale waterkeringen geldende omgevingswaarden; b. de door gedeputeerde staten vastgestelde maatgevende hoogwaterstanden; c. de technische leidraad vastgelegd in actuele documenten van de Stichting Toegepast Waterbeheer, zoals afgestemd met gedeputeerde staten; en d. de legger.

5.

Het waterschap brengt eens per 12 jaar, voorafgaande aan de beoordeling op veiligheid, advies uit aan gedeputeerde staten over de maatgevende hoogwaterstanden.

6.

Het waterschap verstrekt het verslag, bedoeld in het tweede lid, aan gedeputeerde staten.

7.

Het waterschap kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van de termijn van verslaglegging, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.12 Instructieregel monitoring omgevingswaarde regionale kering Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.2 en Artikel 2.3.

Artikel 2.12a Instructieregel uitvoeringsprogramma regionale waterkering 1.

Het waterschap stelt een uitvoeringsprogramma op gericht op de toetsing van de regionale waterkeringen.

2.

Het uitvoeringsprogramma bevat in ieder geval: a. een beschrijving van prioriteitstelling, fasering en risicobeheersing van het programma; b. de aanpak van de toetsing en bijbehorende onderzoeken; c. de aanpak van de verbetering van de afgekeurde regionale waterkeringen; en d. een indicatie van de kosten van het programma.

3.

Het waterschap brengt jaarlijks aan gedeputeerde staten verslag uit over de voortgang van het uitvoeringsprogramma.

Artikel 2.13 Instructieregel monitoring omgevingswaarde wateroverlast

8

1.

Het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in de Artikel 2.4 artikelen 2.4 tot en met 2.11 Artikel 2.11 .

2.

De monitoring vindt plaats door bepaling van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren in de actuele toestand door metingen, berekeningen en modellen volgens: a. een door gedeputeerde staten beschikbaar gestelde leidraad; of b. een door het waterschap, in overleg met gedeputeerde staten, te bepalen methode.

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

P Artikel 2.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.15 Instructieregel waterbergingsgebied bergingsgebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Waterbergingsgebied bergingsgebied bevat geen regels die ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving toestaan die in strijd zijn met de waterbergingsfunctie waterbergende functie, tenzij die ontwikkelingen plaatsvinden op basis van bestaande uitbreidingsrechten ter plaatse van de al aanwezige functies.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het waterbergingsbelang is omgegaan.

Q Na artikel 2.15 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.15a Instructieregel zoekgebied waterberging Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Zoekgebied waterberging staat nieuwe activiteiten of ontwikkelingen alleen toe als uit een analyse en na vroegtijdig overleg met de waterbeheerder binnen de weging van het waterbelang blijkt dat: a. de activiteit of ontwikkeling verenigbaar is met de waterbergende functie; of b. de locatie niet nodig is voor waterberging. R Artikel 2.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse I bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen betrekt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling de overstromingsrisico’s daarvan. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse II houdt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening met de overstromingsrisico's voor vitale en kwetsbare functies. Daarbij worden doelmatige, fysieke maatregelen genomen om schade als gevolg van een overstroming tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

3.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse III houdt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening met de overstromingsrisico's voor vitale en kwetsbare objecten, woningen en bedrijven. Daarbij worden doelmatige, fysieke maatregelen genomen om schade als gevolg van een overstroming tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

4.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Overstroombaar gebied klasse IV bevat geen regels die nieuwe functies voor wonen, bedrijven of vitale en kwetsbare infrastructuur en objecten toestaan.

5.

De motivering van het omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan.

S

9

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Na artikel 2.16 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.16a Instructieregel omgevingswaarden waterkwaliteit Een omgevingsplan houdt bij de weging van het waterbelang, bedoeld in artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in ieder geval rekening met de effecten op het halen van de omgevingswaarden voor waterkwaliteit, bedoeld in paragraaf 2.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving T Paragraaf 2.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.2 Zoetwatervoorziening Artikel 2.17 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Amsterdam-Rijnkanaal en Lek 1.

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, gelet met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lek over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuit beheer van de Amsterdam-Rijnkanaal en Lek regionale watersystemen wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan: a. het verwerken van industrieel proceswater; en b. de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

2.

Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, gelet met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit Amsterdam-Rijnkanaal en Lek over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij de verdeling van het beschikbare water vanuit beheer van regionale Amsterdam-Rijnkanaal en Lek watersystemen wat betreft de in Artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit aan: a. de waterkwaliteit in het Stedelijk gebied; doorspoeling van stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van stankoverlast; b. beroepsvaart; c. beregening van akkerbouw en vollegrondstuinbouw; d. beregening van sportvelden en greens; e. grasland beregening van gras- en maisland; f. recreatievaart; en g. natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

3.

Bij waterbehoeften buiten het gebied van het waterschap zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.18 Instructieregel rangorde bij waterschaarste Neder-Rijn Bij waterschaarste of dreigende waterschaarste geeft het waterschap, met het oog op de verdeling van het beschikbare water voor het aanvoergebied vanuit de inlaat Grebbesluis in de Neder-Rijn over de maatschappelijke en ecologische behoeften, bij het beheer van de regionale wateren watersystemen wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, voor de regionale wateren achtereenvolgens prioriteit aan: a. doorspoeling in geval van een milieu-incident of vanwege de volksgezondheid; b. beroepsvaart; c. doorspoeling van stedelijk gebied ter verbetering van de waterkwaliteit of ter bestrijding van stankoverlast; d. beregening van akkerbouw en vollegrondstuinbouw; e. beregening van sportvelden en greens; f. beregening van gras- en maïsland; g. recreatievaart; en h. overige natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade, met inbegrip van maatregelen die nodig zijn voor het realiseren van de doelstellingen van de kaderrichtlijn water.

10

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

U Artikel 2.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.19 Instructieregel inhoud waterbeheerprogramma 1.

Het waterbeheerprogramma bevat in ieder geval: a. de een beschrijving van de bestaande toestand van watersystemen waarover het beheer van het waterschap zich uitstrekt; b. het beleid voor het beheer van de watersystemen, gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen; c. een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen; en d. een raming van de kosten van de gedurende de planperiode te nemen maatregelen, een overzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de planperiode.

2.

De motivering van een waterbeheerprogramma bevat een onderbouwing waarin in ieder geval is opgenomen: a. de aan het waterbeheerprogramma ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken; en b. een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c.

V Paragraaf 2.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.2.4 Legger Artikel 2.20 Instructieregel legger waterstaatswerken 1.

De legger bevat in ieder geval: a. het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen; en het profiel van vrije ruimte; b. de dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd; en c b. een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkeringen en van de oppervlaktewaterlichamen die door het waterschap worden beheerd.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de Slaperdijk, bedoeld in Artikel 2.3.

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger 1.

De in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet bedoelde verplichtingen om in de legger vorm, afmeting en constructie te beschrijven, gelden niet voor: a. bergingsgebieden; en b. oppervlaktewaterlichamen.

2.

De in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet bedoelde verplichting om in de legger ligging te beschrijven, geldt niet voor secundaire of tertiaire oppervlaktewateren.

Artikel 2.21 Vrijstelling verplichtingen inhoud legger De in artikel 2.39, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen om in de legger vorm en constructie te beschrijven, gelden niet voor: a. waterbergingsgebieden; en b. oppervlaktewaterlichamen die in de legger zijn aangeduid als C-wateren of tertiaire watergangen. W

11

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 2.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.23 Instructieregel inhoud peilbesluit 1.

Het peilbesluit bevat de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewaterlichamen gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

2.

De motivering van een peilbesluit bevat een onderbouwing waarin in ieder geval is opgenomen: a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken, waarbij als onderdeel van de bredere belangenafweging in ieder geval rekening wordt gehouden met de effecten op; 1. Natura 2000-gebieden; 2. bodemdaling, bij peilbesluiten in het bodemdalingsgevoelig gebied; 3. de hoeveelheid CO2 die vrijkomt, bij peilbesluiten in het Veengebied; en 4. weidevogels, bij peilbesluiten in Weidevogelkerngebied; b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie; en c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse betrokken belangen.

X Artikel 2.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.24 Instructieregel actuele peilbesluiten Het waterschap draagt zorg dat een peilbesluit actueel is en in ieder geval is toegesneden op veranderingen in zowel de omstandigheden ter plaatse als de aanwezige functies en belangen. Y Paragraaf 2.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 2.3.1 Beheer zwemlocatie Artikel 2.25 Oogmerk beheer zwemlocatie De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een Zwemlocatie; en b. het in en om het zwemwater voorkomen van verdrinking en letsel van de gebruikers van een Zwemlocatie.

Artikel 2.26 Toepassingsbereik beheer zwemlocatie Deze paragraaf is van toepassing op het beheer van een Zwemlocatie die gedeputeerde staten aangewezen hebben op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving door gedeputeerde staten aangewezen Zwemlocatie in oppervlaktewater.

Artikel 2.27 Specifieke zorgplicht beheer zwemlocatie

12

1.

Als de houder van een zwemlocatie weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in diens badwaterbassin nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen in Artikel 2.25, dan is degene verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene gevraagd kunnen worden om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet voorkomen kunnen worden: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende beperkt kunnen worden: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene gevraagd kan worden.

2.

De houder van een Zwemlocatie: a. is gedurende het badseizoen verantwoordelijk voor een veilige en hygiënische zwemlocatie;

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

b.

treft maatregelen op grond van de resultaten van het jaarlijkse, conform de Handreiking fysieke veiligheid zwemmers in oppervlaktewater door of namens gedeputeerde staten uitgevoerde, veiligheidsonderzoek om de veiligheid te waarborgen of te verbeteren; c. draagt er zorg voor dat de maatregelen worden getroffen op basis van het zwemwaterprofiel die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend; d. voert periodiek voldoende beheer en onderhoud uit gericht op de veiligheid en hygiëne voor de gebruikers; e. draagt er zorg voor dat maatregelen worden genomen, die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend, als er naar aanleiding van de monitoring uitgevoerd door de waterbeheerder van het oppervlaktewater zwemwaterverontreinigingen worden vastgesteld; f. voert periodiek voldoende onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemwaterlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de gebruikers; g. draagt zorg voor voldoende adequate sanitaire voorzieningen voor de gebruikers; h. draagt er zorg voor door middel van afbakening van een veilige zwemzone dat gebruikers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de gebruikers in gevaar kunnen brengen; i.

staat, met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de gebruikers, de provincie of RUD Utrecht of de Omgevingsdienst Utrecht toe tekens bij de zwemlocatie te plaatsen om gebruikers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod; j. houdt, voldoende toezicht op de veiligheid van de zwemmers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek, voor die locaties waar een financiële vergoeding wordt gevraagd aan de gebruikers voor het gebruik van de zwemlocatie; en k. stelt bij onverwachte situaties die negatieve gevolgen kunnen hebben op de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van de zwemmers de provincie of de RUD Utrecht of de Omgevingsdienst Utrecht zo snel mogelijk hiervan op de hoogte. De plicht houdt in ieder geval in dat de houder van een Zwemlocatie: a. gedurende het badseizoen verantwoordelijk is voor een veilige en hygiënische zwemlocatie. De houder voert een risicoanalyse uit en stelt een beheersplan op; b. maatregelen neemt om de veiligheid van zwemmers te waarborgen of te verbeteren, op grond van de resultaten van het jaarlijkse veiligheidsonderzoek, bedoeld in Artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; c.

maatregelen neemt die op basis van het zwemwaterprofiel, bedoeld in Artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid gerekend kunnen worden; d. periodiek voldoende beheer en onderhoud uitvoert gericht op de veiligheid en de hygiëne voor de gebruikers; e. maatregelen neemt, die redelijkerwijs tot diens verantwoordelijkheid gerekend kunnen worden, als er zwemwaterverontreiniging vastgesteld worden in de monitoring, bedoeld in paragraaf 11.2.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; f. periodiek voldoende onderzoek uitvoert naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van de gebruikers; g. voldoende adequate sanitaire voorzieningen plaatst voor de gebruikers en deze voldoende schoon houdt; h. een veilige zwemzone afbakent zodat gebruikers veilig kunnen zwemmen en niet in aanraking kunnen komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de gebruikers in gevaar kunnen brengen; i. met het oog op gevaren voor de veiligheid en hygiëne van de gebruikers, de provincie en de Omgevingsdienst Utrecht toestaat tekens bij de zwemlocatie te plaatsen om gebruikers te informeren over een waarschuwing, negatief zwemadvies of zwemverbod; en j.

een toezichtsplan maakt en voldoende toezicht houdt op de veiligheid van de zwemmers en overige bezoekers gedurende de uren dat de zwemlocatie opengesteld is voor het publiek, voor die locaties waar een financiële vergoeding gevraagd wordt aan de gebruikers voor het gebruik van de zwemlocatie.

Artikel 2.27a Informeren over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater Bij onverwachte situaties die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de zwemwaterkwaliteit of de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers van de Zwemlocatie stelt de houder van een zwemlocatie gedeputeerde staten, de waterbeheerder en de Omgevingsdienst Utrecht hiervan onmiddellijk op de hoogte.

13

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 2.27b Benodigde gegevens over ongewoon voorval zwemlocatie in oppervlaktewater Zodra de onderstaande gegevens over het ongewoon voorval in de Zwemlocatie bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten: a. informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich voorgedaan heeft; b. informatie over de nadelige gevolgen voor de zwemwaterkwaliteit en de gezondheid en veiligheid van de gebruikers van de zwemlocatie; c. andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de zwemwaterkwaliteit en de gezondheid en veiligheid van de gebruikers van de zwemlocatie te kunnen inschatten; en d. informatie over de maatregelen die genomen zijn of overwogen worden om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet. Z Subparagraaf 2.3.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 2.3.2.2 Activiteiten met woonschip Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een woonschip ligplaats te laten innemen, te ankeren, af te meren, of op een andere manier in het water te plaatsen of te houden. Tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.31 of Artikel 2.31a van toepassing is.

Artikel 2.30 Vergunningplicht woonschip 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een woonschip ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in het water te plaatsen of te houden.

2.

Het is verboden om bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oeveren afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als: a. het woonschip in strijd met het eerste lid is afgemeerd; b. voor het woonschip een omgevingsvergunning met oeverbeleid geldt; of c. voor het woonschip een voorschrift bedoeld in Artikel 2.32, derde lid, aan de omgevingsvergunning is verbonden.

Artikel 2.31 Vrijstelling vergunningplicht woonschip

14

1.

Het verbod in Artikel 2.30, eerste lid geldt niet voor: a. woonschepen waarvoor een omgevingsvergunning geldt op basis van type- of oeverbeleid; b. een woonschip bij een ligplaats, die als zodanig in een omgevingsplan is aangewezen, als: 1. dat omgevingsplan voldoet aan Artikel 9.6; of 2. dat woonschip voldoet aan de maximale maatvoering, bedoeld in Artikel 2.32, eerste lid, onder b en c; en c. een woonschip in een jachthaven of bedrijfshaven, dat daar in gebruik is als verenigingsaccommodatie. Het verbod in Artikel 2.30, geldt niet voor: een woonschip bij een in een omgevingsplan aangewezen ligplaats, als: a. dat omgevingsplan voldoet aan Artikel 9.6, eerste lid; of b. dat woonschip voldoet aan de maximale maatvoering, genoemd in Artikel 2.32, eerste lid, onder b en c.

2.

Deze vrijstelling van de vergunningplicht voor een woonschip geldt niet voor de volgende locaties: a. locaties waarop alleen een bepaald type waterwoning toegestaan is; b. locaties waarvan de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorzieningen mag hebben.

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 2.31a Vrijstelling vergunningplicht woonschip bij gebruik als verenigingsaccommodatie Het verbod in Artikel 2.30 geldt niet voor een woonschip dat als verenigingsaccommodatie in gebruik is in een jachthaven of bedrijfshaven.

Artikel 2.32 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning woonschip

15

1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in het water plaatsen of houden van een woonschip in het Gebied ligplaatsen, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de ligplaats voor het woonschip aangewezen is in een omgevingsplan of als voor de ligplaats van het woonschip al een ontheffing gold op grond van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996, de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011 of de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017; of b. een het woonschip woonschip maximaal 30 meter lang, maximaal 6 meter breed en maximaal 4 meter hoog is. Hierbij gelden de volgende criteria geldt: 1. deze maten zijn inclusief een eventueel terras in het verlengde van de lengterichting van het woonschip op aan waterzijde van het woonschip; deze maten zijn inclusief een eventueel terras aan de waterzijde van het woonschip en inclusief een eventueel terras in het verlengde van de lengterichting van het woonschip; 2. deze maten worden gemeten waar zij, met inbegrip van al hetgeen vast aan het woonschip verbonden is, boven of onder water het grootst zijn en de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn en 3 2.

bij het meten worden stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen buiten beschouwing gelaten. deze maten gelden voor alles dat vast aan het woonschip verbonden is. Stuurhutten, masten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en andere ondergeschikte onderdelen tellen niet mee in de maatvoering; 3. deze maten worden gemeten op het punt waar deze boven of onder het water grootst zijn; en 4. de hoogte wordt gemeten vanaf de waterlijn. c. de onderlinge afstand tussen 2 woonschepen ten minste minimaal 5 meter bedraagt is; en d. als het gaat om een woonschip waterwoning in een uiterwaard dan heeft de aanlegplaats op de oever minimale voorzieningen en heeft het woonschip het uiterlijk heeft van een varend voormalig binnenvaartschip. : 1. heeft de waterwoning het uiterlijk van een varend voormalig binnenvaartschip; en 2. moet de oever vrij blijven

2.

Gedeputeerde staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het eerste lid.

3.

Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning het voorschrift verbinden dat deze na afloop van de geldigheidsduur niet meer zal worden verleend aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip. Gedeputeerde staten kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften verbinden: a. dat de omgevingsvergunning na afloop van de geldigheidsduur niet meer verleend zal worden aan dezelfde of een andere vergunninghouder of voor hetzelfde of een ander woonschip. b. dat alleen een bepaald type waterwoning toegestaan is. c. dat de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorziening mag hebben.

4.

Gedeputeerde staten kunnen typebeleid of oeverbeleid opnemen in een omgevingsvergunning. Het collega van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

5.

Het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap, of een andere toepasselijke waterbeheerder, zijn adviseur voor

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

de omgevingsvergunning, tenzij de aanvraag om omgevingsvergunning betrekking heeft op eigendomsoverdracht van een bestaande omgevingsvergunning of verlenging van de periode waarvoor omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 2.33 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning woonschip In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.30, minimaal worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aangeleverd: a. gegevens genoemd in Artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; a b. eventuele als dit van toepassing is: naam van het woonschip; b c. lengte van het woonschip in centimeters; c d. breedte van het woonschip in centimeters; d e. hoogte van het woonschip vanaf de waterspiegel in centimeters; e f. kenmerk van het omgevingsplan waarin de ligplaats is aangewezen aangewezen is; f g. een tekening situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop het woonschip, en de ligplaats en . En eventuele als dit van toepassing is daarop ook de eventuele afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen; g h. de reden voor de aanvraag: 1. verlenging van een bestaande omgevingsvergunning; 2. wijziging van de tenaamstelling van een bestaande omgevingsvergunning; 3. vervanging van het woonschip; 4. verbouwing van het woonschip; of 5. nieuwe ligplaats; h i. eventuele als dit van toepassing is: kenmerk van een eerder verleende omgevingsvergunning of een eerder verleende provinciale ontheffing; en i j. eventuele als dit van toepassing is: startdatum en einddatum van de werkzaamheden.

Artikel 2.34 Verzoek omgevingsvergunning op naam van ander of vervangend woonschip De houder van een omgevingsvergunning voor een woonschip kan gedeputeerde staten verzoeken de omgevingsvergunning: a. op naam van een ander te stellen; of b. te verlenen voor een vervangend woonschip op dezelfde locatie.

Artikel 2.34a Verbod aanlegplaats bij woonschip Het is verboden bij een woonschip een aanlegplaats en daarmee verband houdende oevervoorzieningen en afmeervoorzieningen te maken of te hebben, als: a. het woonschip afgemeerd is in strijd met Artikel 2.30; b. voor het woonschip een omgevingsvergunning verleend is met daarin het voorschrift dat de aanlegplaats op de oever alleen minimale oevervoorzieningen mag hebben; of c. voor het woonschip een omgevingsvergunning verleend is met daarin het voorschrift bedoeld in Artikel 2.32, derde lid, onder a. AA Artikel 2.36 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36 Verbod voorwerp in en op het water Het is verboden in het Gebied ligplaatsen een voorwerp, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen innemen, te ankeren, af te meren, of anderszins op een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.36a van toepassing is. BB Artikel 2.36a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.36a Vrijstelling verbod voorwerp in en op het water Het verbod in Artikel 2.36 geldt niet voor:

16

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

a.

b. c.

d.

e.

f.

g.

h.

een vaartuig of drijvend voorwerp afgemeerd op plaatsen waarbij één van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement en bijlage 7 van het Rijnvaartpolitiereglement zijn geplaatst; een drijvend voorwerp dat afgemeerd is op een plaats een waar dit is toegestaan op grond van een verkeersbesluit; voor zover aan dit verkeersbesluit voldaan wordt; vaartuigen en voorwerpen een voorwerp in een jachthaven s, bedrijfshaven s en of waterscoutinglocatie s; vaartuigen en drijvende voorwerpen, die worden gebruikt bij het vervoer van uitsluitend bedrijfsmiddelen, voor zover zij tijdelijk voor het laden en lossen van die bedrijfsmiddelen worden afgemeerd; een drijvend voorwerp voor het tijdelijk laden en lossen van uitsluitend bedrijfsmiddelen; 1 open vaartuig met een lengte van maximaal 7 meter bij een direct aan het water gelegen erf, mits er geen gebruik wordt gemaakt van onderdeel e; 1 open vaartuig per erf als: 1. dit maximaal 7 meter lang is 2. dit bij een direct aan het water gelegen erf afgemeerd wordt; en 3.

op de locatie niet al vaartuig, boatsaver of insteekhaven ligt; 1 vaartuig, of 1 boatsaver met inliggend vaartuig, in een insteekhaven binnen een direct aan het water gelegen erf, als voor de insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, is verleend en mits het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig binnen de begrenzing van de insteekhaven past; 1 vaartuig, of 1 boatsaver met inliggend vaartuig, per insteekhaven als: 1. deze insteekhaven ligt binnen een direct aan het water gelegen erf; 2. voor deze insteekhaven een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.41, verleend is; en 3. het vaartuig of de boatsaver met inliggend vaartuig volledig in de insteekhaven past; 1 vaartuig bij een direct aan het water gelegen erf in de periode 1 april tot en met 30 september, voor zover het aanmeren plaatsvindt ten behoeve van het zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is in- of uitladen, of vaarklaar maken van het vaartuig voor recreatief gebruik; 1 vaartuig per erf voor recreatief gebruik als: 1. het vaartuig afgemeerd wordt bij een direct aan het water gelegen erf; 2. het afmeren plaatsvindt tijdens het recreatieseizoen dat loopt van 1 april tot en met 30 september; en 3.

bij het afmeren plaatsvindt; voor het zo snel mogelijk inladen, uitladen, en vaarklaar maken van het vaartuig; het tijdelijk afmeren van vaartuigen voor het laten in- of uitstappen van passagiers bij horecagelegenheden, die als zodanig zijn aangewezen in een omgevingsplan; en vaartuigen voor passagiers bij een horecagelegenheid als: 1. deze vaartuigen gebruikt worden voor het kortstondig laten instappen en uitstappen van passagiers; en 2. deze horecagelegenheid aangewezen is in een omgevingsplan; historische vaartuigen, die als varend erfgoed, varend monument of historisch casco zijn ingeschreven in het register van de Federatie Varend Erfgoed Nederland en in goede staat van onderhoud verkeren, bij aanlegplaatsen voor historische vaartuigen, die als zodanig in een omgevingsplan zijn aangewezen. een historisch vaartuig, als dit: 1. als varend erfgoed, varend monument of historisch casco ingeschreven is in het Register Varend Erfgoed Nederland; 2. in goede staat van onderhoud verkeert; 3. afmeert bij een aanlegplaats voor historische vaartuigen; 4. deze aanlegplaats aangewezen is in een omgevingsplan.

CC Artikel 2.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.37 Vergunningplicht vaartuig en vergunningplicht boatsaver Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen : een vaartuig, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of op een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden. a. een vaartuig, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.36a; of

17

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

b.

een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.36a.

DD Na artikel 2.37 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.37a Vergunningplicht boatsaver Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen een boatsaver ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren of op een andere manier in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden. EE Artikel 2.38 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.38 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning partyschip vaartuig 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden van een partyschip in het Gebied ligplaatsen, kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als: a. het gaat om maximaal 1 partyschip bij een in een omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid; en b. het partyschip voldoet aan een landschappelijk inpassingsplan waarin het partyschip en de aanlegplaats op landschappelijke aspecten positief beoordeeld zijn. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden in het Gebied ligplaatsen van een vaartuig (geen partyschip) kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als: a. het vaartuig bij een erf afgemeerd wordt; en b. het vaartuig als varend monument of varend erfgoed ingeschreven staat in het Register Varend Erfgoed Nederland, waarbij het vaartuig een meerwaarde vormt voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van die locatie; of c. op de locatie geen sprake is van landschappelijke waarden.

2.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden in het Gebied ligplaatsen van een partyschip kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als: a. het gaat om maximaal 1 partyschip bij een in een omgevingsplan aangewezen horecagelegenheid; en b. het partyschip en de bijbehorende aanlegplaats landschappelijk inpasbaar zijn.

FF Na artikel 2.38 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.38a Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning boatsaver Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het ligplaats laten innemen, ankeren, afmeren, of op een andere manier in, op of vlak boven het water plaatsen of houden van een boatsaver in het Gebied ligplaatsen kan de omgevingsvergunning alleen verleend worden als: a. de boatsaver in een natuurlijke inham komt te liggen; en b. de natuurlijke inham deel uitmaakt van het erf; of c. op de locatie geen sprake is van landschappelijke waarden

18

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

GG Artikel 2.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.39 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning vaartuig en omgevingsvergunning boatsaver In aanvulling op de aanvraagvereisten in de Bij wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37, minimaal worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aangeleverd: a. gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; a b. eventuele als dit van toepassing is naam van het vaartuig; b c. lengte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; c d. breedte van het vaartuig of de boatsaver in centimeters; d e. hoogte van het vaartuig of de boatsaver vanaf de waterspiegel in centimeters; e f. type vaartuig (open of gesloten); f g. in geval van als het gaat om een partyschip een : landschappelijk inpassingsplan; g h. omschrijving van de ligplaats (eigen erf, oeverzone tussen vaarweg en weg, oeverland); omschrijving van de ligplaats; h i. een tekening situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop het vaartuig of en de boatsaver, de ligplaats en eventuele ligplaats. En als dit van toepassing is daarop de afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen. HH Na artikel 2.39 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.39a Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning boatsaver Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 2.37a, worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden aangeleverd: a. gegevens genoemd in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling; b. lengte van de boatsaver in centimeters; c. breedte van de boatsaver in centimeters; d. hoogte van de boatsaver vanaf de waterspiegel in centimeters; e. omschrijving van de ligplaats; f. situatietekening in A4-formaat op schaal met daarop de boatsaver en de ligplaats. En als dit van toepassing is daarop de afmeervoorzieningen, zoals steigers, vlonders en afmeerpalen. II Artikel 2.41 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.41 Vergunningplicht haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen insteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders, te maken of te houden, of als zakelijk gerechtigde dan wel gebruiker van een oever toe te laten of te gedogen dat insteekhavens, havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen op of aan de betreffende oever worden aangelegd, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 2.42. Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Gebied ligplaatsen, een haven en aanlegplaats en de daarmee verband houdende voorzieningen te maken of te houden, tenzij een vrijstelling uit Artikel 2.42 van toepassing is. JJ Artikel 2.42 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

19

Provinciaal blad 2025 nr. 21377

18 december 2025

Artikel 2.42 Vrijstelling verbod haven en aanlegplaats voor vaartuig en voorwerp Het verbod in Artikel 2.41 geldt niet voor: a. aanlegplaatsen een haven en aanlegplaats en daarmee verband houdende voorzieningen, in een jachthaven s, bedrijfshaven s en waterscoutinglocaties waterscoutinglocatie ; b. 1 aanlegsteiger met maximaal 2 meerpalen per direct aan het water gelegen erf, mits met maximaal 2 meerpalen als deze aanlegsteiger: 1. in of boven water een oppervlakte heeft van maximaal 7,2 m2; en 2. geen afbreuk doet aan het karakter van een eventueel aanwezige natuurlijke of natuurvriendelijke oever. KK Artikel 2.43 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.43 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning insteekhaven 1.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een insteekhaven in het Gebied ligplaatsen , wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als: a. de insteekhaven in een erf uitgegraven is of wordt; a b. de insteekhaven is of wordt uitgegraven in een erf, waarbij per erf maximaal 1 insteekhaven is of wordt uitgegraven; per erf maximaal 1 insteekhaven uitgegraven is of wordt; b c. een dubbele insteekhaven op de grens ligt van 2 naast elkaar gelegen erven ligt; c d. de insteekhaven dwars op de vaarweg aangelegd wordt of aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op de betreffende locatie niet mogelijk is; de insteekhaven: 1. dwars op de vaarweg aangelegd wordt; of 2. aansluit op de cultuurhistorische verkavelingsrichting van sloten en waterwegen in het achterliggende landschap, tenzij het bevoegd gezag op het gebied van waterveiligheid gemotiveerd aangeeft dat een insteekhaven dwars op de vaarweg op die locatie niet mogelijk is; d e. een enkele insteekhaven maximaal 8 meter lang en 3,25 3.25 meter breed is; e. een dubbele insteekhaven niet in de lengterichting van de vaarweg ligt; f. een dubbele insteekhaven maximaal 8 meter lang en 6 meter breed is; en g.

als op grond van onderdeel c, de insteekhaven wel dwars maar niet loodrecht op de vaarweg aangelegd kan worden, kan een geringe afwijking van de lengtemaat toegestaan worden. een dubbele insteekhaven niet in de lengterichting van de vaarweg ligt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16560404/1