CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting bestemmingsplan Hoogstraat Edam_2021_03_26.pdf

Raadsplein Bespreekronde Ib 27 mei 2021, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Hoogstraat 4-8.26.397 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze verhuizen naar grootstedelijke centra, vooral naar de regio’s Amsterdam en Utrecht. Het effect hiervan is een versnelde vergrijzing en bevolkingsafname in de omliggende regio’s en tegelijkertijd een hoge en doorgaande groei in de stedelijke gebieden, waar de bevolking relatief jong blijft. Binnen Noord-Holland doen zich soortgelijke ontwikkelingen voor. In het zuidelijke deel van de provincie is de groei van de bevolking in de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen en zal de bevolking naar verwachting blijven groeien. De bevolking is vooral in de stedelijke centra ook veel jonger dan in de rest van de provincie. In het noordelijke deel van de provincie is weliswaar nauwelijks sprake van een vertrekoverschot, maar wel van een vertrek van jongeren. Daardoor neemt de bevolkingsgroei daar steeds meer af. Na 2025 zal in een steeds groter deel van de provincie de bevolking gaan afnemen. Deze demografische ontwikkeling heeft meerdere gevolgen voor het wonen. Het eerste effect is de langzame daling van de woningbehoefte in het noordelijke deel van de provincie. Na 2030 zal het aantal huishoudens en dus de woningbehoefte niet meer toenemen. Als de kinderen het ouderlijk huis verlaten neemt niet de bevolking toe, maar wel het aantal huishoudens. Nu is al zichtbaar dat het aantal huishoudens en dus de woningbehoefte meer toeneemt dan de groei van de bevolking.

Als een partner overlijdt, neemt de bevolking af, maar nog niet het aantal huishoudens. Daarom kan er sprake zijn van een krimp van de bevolking en een (lichte) stijging van het aantal huishoudens. De daling van de woningbehoefte valt altijd later dan de krimp van de bevolking. Een tweede belangrijk effect is een kwalitatieve verandering. Door de vergrijzing stijgt vooral de woningbehoefte van oudere één- en tweepersoonshuishoudens in het noorden van de provincie sterker dan in het zuiden. Dat is een belangrijk aspect bij de invulling van de regionale bouwvoornemens. Bij het opstellen van de bouwvoornemens moet rekening worden gehouden met de specifieke wensen en eisen die een deel van 32

deze huishoudens stelt aan woning en woonomgeving. De vraag naar zorgvoorzieningen in woning en woonomgeving zal toenemen. In het zuiden van de provincie blijft de groei van het aantal huishoudens groot. Ook hier is sprake van vergrijzing, maar die is minder sterk dan in het noorden van de provincie. De verschillen in ontwikkeling bestaan niet alleen tussen regio’s. Ook binnen de regio kunnen de verschillen groot zijn. In de stedelijke, de luxe suburbane en de landelijke gemeenten binnen een regio ontwikkelt de vraag zich steeds op een andere manier, zowel kwantitatief als kwalitatief. Het ruimtelijke beleid uit het verleden (groeikernen) kan daarbij nog steeds effect hebben op de toekomstige vraag naar woningen. Binnen een regio kunnen er gemeenten zijn die een overschot krijgen op de woningmarkt en gemeenten waar de woningbehoefte nog steeds groeit. Omdat de woningmarkt steeds meer een regionaal karakter krijgt, vraagt dat om regionale afstemming. De geschetste trends en ontwikkelingen vragen om een andere kijk op de NoordHollandse woningmarkt. De provincie draagt de volgende visie uit op de woningmarkt om de provinciale doelstelling te bereiken: voldoende woningen in een aantrekkelijk woonmilieu en met een passende kwaliteit in 2020.

Vanuit deze doelstelling zijn, rekening houdend met de trends en ontwikkelingen, de volgende speerpunten benoemd: − Verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning. − Verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners. Verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. De speerpunten zijn geconcretiseerd in opgaven voor de periode 2010-2020. Deze opgaven moeten door de provincie en de regio’s worden vertaald in afspraken in de RAP’s (zie hiervoor paragraaf 3.3.2). Beoordeling en conclusie Het plan geeft uitvoering aan de provinciale woonvisie door het toevoegen van maximaal 14 woningen. Nieuw te bouwen gebouwen moeten op grond van het Bouwbesluit en het BENG (per 1 januari 2021) aan bepaalde eisen voldoen op het gebied van energiezuinigheid. Het bouwbesluit en het BENG vormen in deze het formele kader waaraan de aanvraag om omgevingsvergunning getoetst dient te worden. De aanvraag om omgevingsvergunning zal aan de normen van het Bouwbesluit en het BEGN getoetst worden.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Hoofdlijnennotitie Regiovisie ‘Op weg naar 2040’ / Regiovisie Waterland 2040 'Vitaal met Karakter' (2009) De gemeente Edam-Volendam maakt deel uit van het Intergemeentelijk Samenwerkingsorgaan Waterland (ISW), een samenwerkingsverband van 7 gemeenten in de regio Waterland. Op 10 december 2008 is door het algemeen bestuur van de regio 33

Waterland de Regiovisie Waterland 2040 'Vitaal met Karakter' vastgesteld. Het ISW heeft, in zijn regiovisie, als uitgangspunt dat het bevolkingsaantal in de regio niet zal teruglopen. De regio maakt immers deel uit van de woningmarkt en arbeidsmarkt van de metropoolregio Amsterdam. In deze regio is er behoefte aan 150.000 extra woningen. Waterland draagt aan de realisatie van deze extra woningen haar steentje bij, maar kiest vanwege het waardevolle landschappelijke karakter en de mobiliteitsproblematiek niet voor grootschalige verstedelijkingsopties. In de ‘Bouwstenennotitie’ is berekend dat er in de toekomst een minimale behoefte is aan 2.200 woningen tot 2020. Hierbij zijn de kerneisen het behouden van de vitaliteit van de kernen en rekening houden met de landschappelijk waardevolle landschappen, goede verkeersafwikkeling en goede en hoogwaardige ruimtelijke ordening.

In de gebiedsvisie zijn onder meer de volgende strategische beleidslijnen opgenomen: − Daar waar ruimtelijk verantwoord, mogelijk en gewenst het stedelijk gebied intensiveren binnen de contouren; − Aanvullende programma's voor wonen en werken in relatief kleinschalige uitleggebieden accommoderen, met expliciete aandacht voor vergroting van de diversiteit en vitaliteit van woon- en werkmilieus; − Nadrukkelijk ruimte houden en zonodig creëren voor stedelijk groen, vooral om stedelijke en dorpse woonmilieus concurrerend te houden in de toekomst en het authentieke karakter van de regio te versterken; − Opwaarderen en herstructureren van bestaande woon- en werkmilieus, waarbij gezocht wordt naar een nieuwe balans tussen intensivering en extensivering binnen bebouwd gebied; − Geleidelijke transformatie naar meer diversiteit in woon- en werkmilieus.

Visiekaart strategische visie Waterland 2040 Beoordeling en conclusie Onderhavig plan voorziet in het (planologisch) toevoegen van (maximaal) 14 woningen en draagt daarmee bij aan de leniging van een regionale behoefte. Uit de visiekaart zoals-– hierboven opgenomen blijkt verder dat Edam is gelegen binnen het be34

staande bebouwde gebied, waarvoor geldt dat daar waar ruimtelijk verantwoord, mogelijk en gewenst het stedelijk gebied geïntensiveerd moet worden. Het initiatief past binnen de toekomstvisie van de Strategische Visie Waterland 2040. 3.4.2

Regionale Samenwerkingsagenda 2016-2020 De portefeuillehouders Wonen van de 15 gemeenten hebben in de Regionale Samenwerkingsagenda 2016-2020 vastgelegd aan welke 10 opgaven zij willen samenwerken. Deze opgaven hebben betrekking op drie onderwerpen, namelijk woningproductie, betaalbare voorraad en woonruimteverdeling. Woningproductie 1. Opgave is de woningbouwproductie te bevorderen om tegemoet te komen aan de snel-roeiende woningbehoefte en de prijzen niet te snel te laten stijgen. Doel is om 20.000 woningen naar voren te halen in de periode 2016-2020. 2. Opgave is aanvullend op de huidige locaties nieuwe plekken voor woningbouw te zoeken, vooral in binnenstedelijk gebied. Transformatie en het benutten van (leegstaand) vastgoed spelen hier een belangrijke rol in. 3. Opgave is het bevorderen van het aanbod middensegment huur in de regio. Er is behoefte aan minimaal 5.000 woningen in het middensegment huur tot prijsgrens €900. 4. Opgave is te werken aan een gezonde woningmarkt. Doel is een ‘complete metropool’, met aanbod in de verschillende woonmilieus, prijssegmenten en type woningen. Betaalbare voorraad 5. Opgave is op basis van inzicht in de positie van de verschillende doelgroepen te sturen op de ontwikkelingen in het aanbod en de voorraad van ‘betaalbare’ woningen. 6.

Een belangrijk toetspunt hierbij is de spreiding van de sociale voorraad en de beschikbaarheid over de regio, naar deelregio. Uitgangspunt is dat de verschillen tussen de deelregio’s niet verder toenemen. Aanvulling bij opgave 5 en 6:. Het gaat om te zorgen voor gelijkblijvend aanbod, een gelijkblijvende slaagkans voor de primaire doelgroep en voldoende spreiding van sociale huur, en 5% aanbod aan alternatieven voor de sociale huur. 7. Opgave is de sociale voorraad beter te benutten door doorstroming stimuleren en te zorgen voor meer flexibiliteit. 8. Opgave is om investeringen in duurzaamheid te bevorderen. Woonruimteverdeling 9. Opgave is te zorgen voor een toegankelijke, rechtvaardige en transparante verdeling van sociale huurwoningen. We maken afspraken op hoofdlijnen, maatwerk is mogelijk. Streven is woningzoekenden één etalage voor sociale huurwoningen te bieden. 10. Opgave is om samen met de corporaties en marktpartijen te werken aan oplossingen om de grote huisvestingsopgave van vergunninghouders te realiseren. Daarbij moet huisvesting van vergunninghouders niet leiden tot verdringing van ‘reguliere’ woningzoekenden. Beoordeling en conclusie

35

Dit plan draagt bij aan de leniging van de woningbehoefte en is daarmee in overeenstemming met de regionale samenwerkingsagenda. 3.4.3

Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016-2020 De (voormalige) Stadsregio Amsterdam De Stadsregio Amsterdam heeft op 15 maart 2016 het ‘Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016 – 2020’ vastgesteld. Samengevat gelden de volgende uitgangspunten: − Detailhandelsvestigingen zijn louter gevestigd in verstedelijkt of nog te verstedelijken gebied, passend in de structuur van de hoofdwinkel-, stadsdeel- of wijkcentra, alsook op specifiek benoemde locaties op bedrijventerreinen. − Solitaire vestigingen buiten en binnen woongebieden zijn uitgesloten. − Nieuwe ontwikkelingen moeten de huidige structuur versterken. − Nieuwe ontwikkelingen die uitbreiding van het ruimtegebruik vergen, zijn alleen mogelijk als de ontwikkeling niet op een bestaande winkellocatie mogelijk is. Bij nieuwe ontwikkelingen moet duidelijk zijn wat de impact op de lokale en regionale winkelstructuur is. − Clustering van detailhandel is een leidend principe, al dan niet met andere commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen. − Gemeenten streven ernaar om leegstand zoveel als mogelijk te voorkomen. Nieuwe initiatieven worden daarom altijd bekeken en beoordeeld vanuit het principe ‘nieuw voor oud’. Dat wil zeggen dat eventuele nieuwe initiatieven en uitbreiding van bestaand winkelareaal gepaard gaan met maatregelen om de bestemming detailhandel elders te beperken.

− Iedere gemeente legt de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vast in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandelsvisie. Deze visie past binnen het regionale detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciale detailhandelsbeleid uit 2014. Beoordeling en conclusie Het initiatief past binnen dit beleid, omdat de huidige structuur van Edam erdoor versterkt wordt. Bovendien vindt vestiging plaats in een bestaand winkelgebied (het centrum van Edam, als zodanig ook benoemd in de Detailhandelsstructuurvisie van de gemeente, zie paragraaf 3.5.7).

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

Omgevingsbeleidsplan 2016-2020 Het Omgevingsbeleidsplan bevat het beleid omtrent de taken van de gemeente met betrekking tot het omgevingsrecht: wat is onze visie op de omgeving, hoe wordt er getoetst, hoe vindt het toezicht plaats en hoe wordt er gehandhaafd? Het eerste deel gaat over de kwaliteit van de leefomgeving; het tweede deel over het proces omtrent vergunningverlening, handhaving en toezicht. Omgevingskwaliteit gaat hand in hand met klimaat en duurzaamheid. De gemeente wil deze verbinding leggen, niet alleen om een bijdrage te leveren aan de eigen leefomgeving, maar eveneens om een bijdrage te leveren aan een duurzame wereld. De gemeente zet zich in om

36

schadelijke activiteiten tegen te gaan en positieve activiteiten te stimuleren. Duurzaamheid is een belangrijk item. Het zestal speerpunten dat in het huidige programma is opgenomen, zal worden doorgezet, namelijk: 1. Duurzame ruimtelijke ontwikkelingen; 2. Duurzame bouw (nieuwbouw en bestaande bouw); 3. Energiebesparing; 4. Eigen organisatie; 5. Duurzame mobiliteit, en 6. Duurzaam ondernemen. Op bovenstaande thema's wil de gemeente een actief beleid voeren. Bij het onderwerp duurzame bouw wil de gemeente (deels) voorlopend zijn, en in de eigen organisatie eveneens (deels) voorlopend en innovatief. Zie navolgende paragraaf voor de beoordeling en conclusie. 3.5.2

Programmaplan 2019-2022 Het leven in de karakteristieke wijken en kernen wordt gekoesterd door de inwoners die wonen in de kern waarmee zij zich verbonden voelen. Ruimtelijke ordening en ontwikkeling, inclusief diverse herontwikkelingen, en volkshuisvesting staan daarbij centraal. In de gemeente worden ondernemers gestimuleerd om te investeren waardoor de werkgelegenheid wordt vergroot. In het sociale domein wordt ingezet op de omslag van decentralisatie en transitie naar transformatie. Zorg, participatie, jeugd, sport en kunst en cultuur zijn speerpunten binnen samenleving. De agrarische sector vraagt om het faciliteren van innovatieve ideeën om de marktpositie te verbeteren. Om dit toekomstbeeld in de nieuwe gemeente een plaats te geven, moet de bedrijfsvoering hierop afgestemd worden. Duurzaamheid is een belangrijke prioriteit en dit zal centraal worden gesteld in te actualiseren milieubeleid en de duurzaamheidsagenda. De motie om te investeren in duurzaamheid, met aandacht voor een realistische terugverdientijd, zal worden uitgevoerd. Verder zullen particuliere initiatieven worden gestimuleerd en gaat de gemeente haar voorbeeldrol invulling geven, bijvoorbeeld door openbare verlichting te verduurzamen. Voor windmolens is hierbij geen plaats. Het belang van een open horizon en toerisme wegen in dit verband zwaarder.

Door duurzaamheid structureel op te nemen in de Meerjaren Onderhoudsplanning (MOP) van gemeentelijk vastgoed kan de gemeente Edam-Volendam kansen benutten om duurzaamheid op een kostendekkende manier mee te nemen bij het reguliere onderhoud. Beoordeling en conclusie Aangegeven kan worden dat voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid. Nieuw te bouwen gebouwen moeten op grond van het Bouwbesluit en het BENG (per 1 januari 2021) aan bepaalde eisen voldoen op het

37

gebied van energiezuinigheid. Het bouwbesluit en het BENG vormen in deze het formele kader waaraan de aanvraag om omgevingsvergunning getoetst dient te worden. De aanvraag om omgevingsvergunning zal aan de normen van het Bouwbesluit en het BEGN getoetst worden. Over participatie wordt opgemerkt dat initiatiefnemer in de voorfase reeds gesproken heeft met stakeholders en dit interactief proces zal met de gemeente en stakeholders worden voortgezet. Hiertoe is een Communicatie -en participatieplan opgesteld, als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan 5.In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt de participatie verder vorm gegeven door het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage te leggen. 3.5.3

Structuurvisie Edam-Volendam (2009) Bij besluit van 26 februari 2009 heeft de gemeenteraad een Structuurvisie vastgesteld. Deze Structuurvisie geeft een beschrijving van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot 2020 met een doorkijk naar de lange termijn (2040). De geformuleerde speerpunten van beleid zijn: − voldoende woningbouw ter voldoening aan de vraag van de eigen ingezetenen; − de ontwikkeling van een aantal zogenaamde inbreidingslocaties; − een woningbouwprogramma met uitgangspunten voor benoemde doelgroepen; − de aanleg van een 3e ontsluitingsweg; − een bescheiden groei in het aanbod van eigen bedrijventerrein; − een uitvoeringsprogramma met een aantal afzonderlijke ontwikkelingen; − een kader voor kostenverhaal. Het plangebied is gelegen in Edam. In de Structuurvisie wordt gesteld dat het van groot belang is dat zorgvuldig wordt omgegaan met de cultuurhistorische waarden, karakteristieken en kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig getoetst op beeldkwaliteit die past bij het historische karakter. De behoefte aan betaalbare woningen voor starters wordt als aandachtspunt genoemd in de structuurvisie. Starters zijn door het gebrek aan goedkope koopwoningen aangewezen op de huurmarkt. De huurwoningvoorraad kent echter een beperkt aantal woningen voor startende huishoudens. Dit uit zich in de massale reacties op vrijkomende huurwoningen.

Ook typen huishoudens als jonge éénpersoonshuishoudens en huishoudens na echtscheiding zouden aanspraak moeten kunnen maken op woningen in de sociale huursector. In die zin verdient het aanbeveling om het aandeel huur in de voorraad niet terug te laten lopen en zo mogelijk zelfs toe te laten nemen. Een algemeen gegeven is dat starters uit Edam-Volendam zich bij het zoeken naar een woning vooral richten op de woningmarkt in de eigen gemeente. De regio ziet men veelal niet als een optie. Dit heeft te maken met de sterke sociale binding aan de gemeente. Starters hebben over het algemeen de behoefte aan bereikbare eengezinskoopwoningen. De jonge éénpersoonshuishoudens hebben minder te besteden dan de tweepersoonshuishoudens en zullen eerder op zoek zijn naar een bereikbare huur- of koopwoning. Ook is rekening te houden met een ontwikkeling waarbij een deel van de

5 Communicatie en participatieplan, HSB, 20 juni 2020

38

meer vitale senioren in de toekomst een stap zou willen maken naar een comfortabel appartement in de huur of koopsector (middelduur tot deels duur). Het aandeel huur kan op peil worden gehouden door bij te bouwen in de huursector. Hierbij zou gestreefd moeten worden naar ongeveer 20% huur en 80% koop.

Visiekaart Structuurvisie Beoordeling en conclusie Het initiatief sluit aan bij de Structuurvisie Edam-Volendam en bij de woningbehoefte inhoudende het realiseren van woningen. Daarmee wordt een zinvolle bijdrage geleverd aan de woningbehoefte van de gemeente; gezien de sterke lokale binding zoals ook omschreven in de structuurvisie, is de verwachting dat de woningen door inwoners van de gemeente betrokken zullen worden. Er wordt daarbij rekening gehouden met de aanwezige waarden in het gebied. 3.5.4

Woonvisie 2017 – 2021 Uitgangspunt voor het woonbeleid is een evenwichtige opbouw van bevolking en woonvoorraad, waarbij kwaliteit en variatie met betrekking tot woningaanbod als centrale opgave voor de toekomst staan. Het accent ligt op het gebied van herontwikkeling en doorontwikkeling van bestaande locaties en op de bestaande woningvoorraad. Daarnaast legt de Woonvisie ook verbindingen met beleid op aanpalende terreinen als zorg en welzijn, duurzaamheid en leefbaarheid. De gemeente streeft naar voldoende en kwalitatief goede woningen, uitgaande van migratiesaldo 0. Vanwege de verandering van bevolkingssamenstelling met name (lichte) vergrijzing stijgt in het bijzonder op langere termijn het aantal 65-plussers. Het aanpassen van woningen, het creëren van nultredenwoningen en de combinatie van wonen met wel-

39

zijn en (in een later stadium) zorg worden steeds belangrijker. Ook het bieden van voldoende sociale woningen vormt een opgave. Voor zowel de kernen Edam, Volendam, Oosthuizen als de kleine kernen van de voormalige gemeente Zeevang wordt de behoefte afgezet tegen de plancapaciteit. Er is dan voor Edam een overschot aan plannen berekend, zie hierna. Voor de gemeente als geheel is er wel een tekort. De druk op de regionale woningmarkt is groot. Dit komt ook in de gemeente Edam-Volendam terecht, vanwege de aantrekkingskracht en de ligging van deze woongemeente. Dit blijkt immers uit het grote aantal vestigers vooral in de kern Volendam dat er de afgelopen jaren was. Met name goedkope koopwoningen en huurwoningen zijn bij hen in trek.

Door vergrijzing neemt ook het aantal ouderen toe. Dit leidt tot een toename van de doelgroep van beleid voor corporaties, omdat ouderen vanwege pensionering een inkomensterugval hebben. Ouderen verhuizen niet snel. Zo lang ze zich weten te redden in de huidige woning zullen ze daar zo lang mogelijk in blijven wonen. Als ze toch verhuizen, kiezen ze relatief vaak voor een huurwoning. Deze overwegingen leiden ertoe dat de volgende groepen in deze Woonvisie extra aandacht krijgen: • Senioren; • Starters/Jongeren/eenpersoonhuishoudens; • Statushouders/Woonurgenten. Edam is meer dan Volendam georiënteerd op de huursector. De afgelopen jaren was de vraag naar huurwoningen groot. Uit eerder onderzoek bleek dat zowel eengezinshuurwoningen als huurappartementen populair zijn; mits levensloopgeschikt. In het goedkope koopsegment is er vraag van jonge huishoudens. Daarnaast is er ook in het duurdere koopsegment in potentie vraag, niet in de minste plaats van vestigers van buiten de gemeente. Er is vooral vraag naar het middensegment tot € 900, met name in Edam en Volendam. De gemeente wil de kloof tussen sociale huur en koop overbruggen. Om doorstroming uit de sociale huur te bevorderen moeten de kansen voor midden en hoge inkomens in de duurdere huur vergroot worden.

Dat zorgt ervoor dat de meeste mensen hun woonwensen kunnen realiseren en vervolgens hun wooncarrière verder voort kunnen zetten. De volgende activiteiten voor de periode 2017-2020 zijn voor dit plan relevant: • Jaarlijks tot 2021 circa 125 woningen toevoegen ten behoeve van de lokale behoefte, gespreid over de kernen, en een aantal extra woningen aansluitend bij de regionale vraag.

40

•

• • •

Nieuwbouw in Volendam, Edam en Oosthuizen voor appartementen op inbreidingslocaties zo veel mogelijk levensloopgeschikt realiseren en op uitleglocaties aanpasbaar bouwen. Bij nieuwbouw prioriteit geven aan woningen voor starters en jonge huishoudens, zowel woningen tot € 180.000 als tot € 250.000 realiseren (voor doorstromers). Onderzoeken condities voor betaalbare nieuwbouw koopwoningen, zoals bouwconcepten en daarbij passende grondkosten; In de dorpen organische toevoeging, passend in de ruimtelijke structuur, met in het bijzonder ruimte voor woningen voor (jonge) koopstarters.

Voor de kern Edam geldt de volgende specificering (zie navolgende tabel).

Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in een organische uitbreiding van de woonvoorraad binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Edam. Daarvan komt 30% in de betaalbare sector (koop). Er wordt een bijdrage geleverd aan de gewenste uitbreiding van de woonvoorraad. 3.5.5

Verkeersplan 2018-2023 en parapluplan parkeren Het Verkeersplan is een beleidsplan op hoofdlijnen voor de periode 2018-2023. Het plan dient als toetsingskader om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Aan de hand van zes thema’s worden doelen geformuleerd: 1. netwerk en verkeersveiligheid fiets; 2. verkeersveiligheid voetganger; 3. gedrag en handhaving; 4. wegencategorisering auto; 5. parkeren binnen Edam; 6. parkeren binnen Volendam. Relevant voor dit plan is met name het thema parkeren binnen Edam: Voor de korte termijn (5 jaar) zijn de doelen: 41

beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen) beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen) minder overlast door parkeren toeristen Voor de lange termijn zijn de doelen: verminderen parkeerdruk waarbij ook naar bredere maatregelen wordt gezocht (meenemen technologische ontwikkelingen, deelsystemen e.d.) delen van het centrum zijn verblijfsgebied voor voetganger en fiets; geen parkeren in het centrum door toeristen. Onder meer wordt in het verkeersplan voorts geconstateerd dat de hoofdwegenstructuur van Edam-Volendam tegen haar grenzen aanloopt. Het verkeer is flink gegroeid en na enkele jaren van afvlakking wordt voor de toekomst weer een toename van de intensiteiten verwacht. Het bestaande wegennet kan niet veel extra verkeer meer verwerken. Daardoor ontstaan problemen met de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.

De gemeente Edam-Volendam kiest voor de realisatie van een nieuwe verbinding tussen de Dijkgraaf Poschlaan en de N247: de zogenaamde Derde Ontsluiting als structurele oplossing voor de geconstateerde verkeersproblemen. Met de aanleg van deze nieuwe verbinding kunnen de bestaande ontsluitingswegen Singelweg en Julianaweg worden ontlast, waardoor zowel de verkeersafwikkeling als de verkeersveiligheid op deze routes kan verbeteren. De meer algemene doelstellingen ten aanzien van parkeren en het voorkomen van parkeerdruk zijn in juridische zin vastgelegd in een paraplu bestemmingsplan parkeren, dat voor de gehele gemeente geldt. Beoordeling en conclusie: Zie paragraaf 4.3.5, waarin in detail wordt ingegaan op verkeer en parkeren. Hieruit wordt duidelijk dat dit plan verwezenlijking van de beleidsdoestellingen van de gemeente niet in de weg staat. 3.5.6

Welstandsnota (2017) Het welstandsbeleid van de gemeente Edam-Volendam is neergelegd in de Welstandsnota 2017, die in feite een samengevoegd welstandsbeleid van de gemeente Edam-Volendam en (voormalige) gemeente Zeevang behelst. Met welstandstoezicht regisseert de gemeente het uiterlijk van de stad; het doel is om een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de ruimte. Cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden worden daarbij benoemd en kunnen zodoende een rol spelen

42

bij ontwikkelingen. Er is sprake van zowel een gebiedsgerichte als een objectgericht aanpak met bijbehorende criteria. Beoordeling en conclusie Het plan zal moeten voldoen aan de welstandsnota; op voorhand zijn hier geen belemmeringen te verwachten. 3.5.7

Detailhandelsstructuurvisie Edam-Volendam 2018 De gemeente Edam-Volendam heeft behoefte aan een actueel beleidskader voor detailhandel, om te kunnen anticiperen op landelijke en lokalenontwikkelingen, en om marktinitiatieven goed te kunnen beoordelen. Ondanks landelijke en lokale ontwikkelingen zijn de hoofdlijnen van de analyse en het beleid uit 2007 nog altijd actueel. De gemeente Edam-Volendam telt in totaal circa 240 winkels, met een totale omvang van circa 56.000 m² winkelvloeroppervlak (wvo). Het centrum van Edam is daarbij zowel gericht op de lokale bevolking als op toeristische bezoekers (kaas- en overige souvenirwinkels, horeca); Het winkelaanbod is beperkt van omvang en kleinschalig. Winkels en horeca liggen verspreid over een relatief groot centrumgebied, met daartussen diverse andere functies, met name wonen; Het centrum is een aantrekkelijk dwaalmilieu met historische pandjes. De autobereikbaarheid en de parkeersituatie zijn matig door de smalle straatjes. De ambities voor de toekomstige detailhandelsstructuur voor de gemeente EdamVolendam zijn als volgt: − een aantrekkelijk en compleet winkelaanbod met voldoende keuzemogelijkheden en kwaliteit voor verschillende doelgroepen (inwoners, regio, toeristen); − een duurzame winkelstructuur die zowel voor ondernemers als eigenaren − aantrekkelijk is om in te investeren; − leefbare en vitale dorpen.

Beleidsmatige kaders − De visie op de toekomstige winkelstructuur van Edam-Volendam moet passen binnen provinciale en regionale beleidskaders. De provincie Noord-Holland* geeft prioriteit aan hoofdwinkelgebieden en het voorkomen van extra leegstand. Winkels mogen slechts bij uitzondering vestigen buiten winkelgebieden (zoals detailhandel in volumineuze goederen, en internet-afhaalpunten zonder uitstalling). Distributieve uitgangspunten Geconstateerd dat in de huidige situatie vraag en aanbod in de dagelijkse sector min of meer in evenwicht. In het huidige aanbod is echter de afgebrande supermarkt Dirk niet meegerekend. Door groei van het inwonertal en lichte stijging van de binding (door versterking aanbod) is er enige uitbreidingsruimte voor grotendeels dagelijks winkelaanbod te berekenen (circa 1.900 m² wvo). Deze marktruimte wordt deels ingenomen door herbouw van de afgebrande Dirk. Door ontwikkelingen in de winkelmarkt en het consumentengedrag moet rekening gehouden worden met een autonome afname van het reguliere niet-dagelijkse winkelaanbod in de gemeente. 43

Centrum Edam: toeristische functie Het centrum van Edam heeft zich, behalve als lokaal centrum, steeds meer ontwikkeld als toeristisch-recreatief centrum. Winkels en overige voorzieningen gericht op de lokale inwoners zijn echter grotendeels uit het centrum verdwenen. Het historische en kleinschalige karakter is een onderscheidende kwaliteit, maar biedt geen kansen voor substantiële versterking van het dagelijks aanbod met een supermarkt. Het beleid voor het centrum van Edam is gericht op het behouden en zo mogelijk versterken van de toeristische functie. Het dwaalmilieu, met historische panden, verrassend aanbod, kleine straatjes, steegjes en bruggetjes over de grachten, heeft grote aantrekkingskracht op (internationale) toeristen. Voor de toekomst wordt ingezet op behoud van de kwaliteit van dit gebied, waarbij binnen het centrum volop ruimte wordt geboden voor vestiging van kleinschalig aanbod dat aansluit bij de toeristisch-recreatieve functie (winkels, horeca, galeries, ambachten). Zwaartepunt van publieksgerichte (toeristische) functies ligt in het gebied Spui/Damplein. Ondernemers worden gestimuleerd tot vernieuwende concepten en arrangementen, om nieuwe doelgroepen aan te Centrum Edam: functioneel-ruimtelijke visie trekken. Buiten het huidige centrumgebied wordt de winkelfunctie niet versterkt.

Juist door verdere clustering binnen het dwaalmilieu wordt de aantrekkingskracht voor regionale bezoekers en overige toeristen vergroot.

44

45

Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt binnen het concentratiegebied toerisme en horeca en binnen het dwaalmilieu. Het plan versterkt dat dwaalmilieu doordat een gat in de stedelijke structuur hergebouwd wordt en er een bijdrage wordt geleverd aan de levendigheid door commerciële functies in de plint te realiseren. Het plan past binnen de Detailhandelsstructuurvisie. 3.5.8

Duurzaamheidsagenda Edam-Volendam 2017-2022 Verantwoord Vooruit Op 14 december 2017 is door de gemeenteraad de Duurzaamheidsagenda EdamVolendam 2017-2022 Verantwoord Vooruit vastgesteld. Hierin heeft de gemeente Edam-Volendam zich gecommitteerd aan het nationale streven naar een klimaatneutrale samenleving 2050. Dit betekent onder meer dat er dan voor de gebouwde omgeving geen aardgas meer gebruikt mag worden voor de verwarming van gebouwen en dat de benodigde energie dient te worden verkregen uit andere duurzame bronnen. Om de noodzaak hiervan te onderstrepen hebben de gemeenten in de Metropoolregio Amsterdam, inclusief de gemeente Edam-Volendam, een overeenkomst ondertekend om met ingang van 1 februari 2018 alle nieuwbouwprojecten aardgasvrij te realiseren. Dit is een enorme omslag in denken en bouwen, waarbij de maatschappelijke urgentie centraal staat. Het naderhand (verplicht) aanpassen van recent gebouwde gebouwen

46

levert immers desinvesteringen en financiële schade voor eigenaren op ten opzichte van het reeds bij oprichting aardgasvrij ontwikkelen. Beoordeling en conclusie: het plan leidt tot meer wooncomfort en extra isolatie v.w.b. de transformatiepanden. Daarmee wordt gehandeld in lijn met de duurzaamheidsagenda. 3.5.9

Erfgoedverordening gemeente Edam–Volendam Op 22 juni 2018 is de Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam in werking getreden, welke in de plaats treedt van de daarvoor geldende verordening. Deze erfgoedverordening regelt de status van gemeentelijke monumenten via het bestemmingsplan. Naast een vergunning–procedure ingevolge de Wabo voor rijksmonumenten wordt het bestemmingsplan als instrument gebruikt om het gemeentelijk cultureel erfgoed te beschermen. Dit cultuurgoed krijgt via een dubbelbestemming “Waarde–Edams–Volendams erfgoed” (WR-EV) een vaste positie binnen het bestemmingsplan. Hierdoor worden de ruimtelijke kwaliteiten op het gebied van cultuuren architectuurhistorie, alsmede landschap integraal bewaakt. Mede hierdoor wordt er als het ware een koppeling gelegd tussen de Wet ruimtelijke ordening, de wetgeving inzake erfgoed, de Woningwet en de Wabo, zodat een dekkend, meer integraal regime ontstaat. In de Erfgoedverordening zijn gradaties in beschermingsniveaus opgenomen, te weten: − karakteristiek waardevol bouwwerk; − beeldbepalend bouwwerk; − stolp; − waardevol cultuurhistorisch element; − cultuurhistorisch attentiegebied. Het gemeentelijk monumentenbeleid van Edam-Volendam wordt daarmee beheerst door: − de eerder genoemde Erfgoedverordening; − de uitwerking in het bestemmingsplan, zoals dat schematisch is weergegeven in paragraaf 4.3 van deze toelichting.

Beoordeling en conclusie Onderhavig plangebied over enkele aangewezen monumentale waarden; deze zijn gelegen aan het binnenterrein en aan de Nieuwhaven (zie hoofdstuk 2), deels gaat het om afgebrande panden die in cultuurhistorisch opzicht op een waardevolle wijze worden vervangen. De bestaande historische panden op het binnenterrein blijven behouden.

47

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.

4.2

Milieu-aspecten

4.2.1

Besluit m.e.r Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een plan onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.

Beoordeling plan Het plan biedt de mogelijkheid om (maximaal) 14 woningen te realiseren en drie winkels. Dit is een activiteit die is genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de geringe omvang van het plan, ruim onder de drempelwaarde (deze bedraagt 2.000 woningen of 100 ha) en de ligging van het plan in het bestaand bebouwd gebied, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van dit plan in de navolgende paragrafen in voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. 48

M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Beoordeling M.e.r.-plicht De beoordeling of er significante effecten zijn te verwachten vindt plaats in paragraaf 4.3.2. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Conclusie Gelet op de geringe omvang van de toename, ruim onder de drempelwaarde, en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van dit bestemmingsplan in voldoende mate afgewogen (zie verder dit hoofdstuk). Een nadere beoordeling in een m.e.rbeoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet noodzakelijk. 4.2.2

Milieuzonering Beleid en regelgeving Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 past de nieuwe functie in de omgeving? 2 laat de omgeving de nieuwe functie toe? Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie. Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

49

Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

Dit deel van Edam is als gemengd gebied te typeren. Er komen zowel woningen, als winkels, horecagelegenheden als dienstverlenende en maatschappelijke bedrijfjes voor. Er is dus reeds sprake van een hogere achtergrondbelasting. In de nabijheid bevinden zich enkele winkels, waarvoor een richtafstand van 0 m geldt. Tevens bevindt zich aan het Damplein het stadhuis, waar nu o.m de VVV Edam en een trouwzaal is gevestigd, en het Damhotel met restaurant. Petersburch wordt een horecagelegenheid met tuin. Ook voor deze functies geldt een richtafstand van 0 m. Meest relevant is een bedrijf aan de Voorhaven 131. Dit bedrijf is in het bestemmingsplan als milieucategorie 2 getypeerd. De richtafstand is in gemengd gebied 10 m. de kleinste afstand van de rand van de inrichting tot de gevel van een nieuwe woningen bedraagt ruim 11 m. er wordt dus voldaan aan de richtafstanden. Daarom kan geconcludeerd worden dat in de nieuwe situatie er een acceptabel woon- en leefklimaat zal zijn. Omgekeerd leiden de nieuwe woningen niet tot milieu-overlast en de winkels kunnen in gemengd gebied op 0 m van gevoelige functies aanwezig zijn.

Bedrijf i.r.t. plangebied 50

Het onderwerp bedrijven en milieuzonering werpt gelet hierop geen belemmeringen op voor het plan. 4.2.3

Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken

Zones langs wegen Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig 6. De omliggende wegen kennen allen een 30km/h regime en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig. Er liggen geen wegen binnen de 200 m zone. Bovendien kan gelet op 6

Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.

51

de lage verkeerintensiteiten ter plaatse geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een hoog geluidniveau vanwege wegverkeer. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar voor wat betreft geluid. 4.2.4

Bodem Algemeen De bodemkwaliteit is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling van belang indien er sprake is van nieuwbouw of functieverandering. De bodem en het grondwater moeten worden onderzocht op geschiktheid voor de toekomstige bestemming en het toekomstige gebruik. Verkennend en nader bodemonderzoek Er zijn reeds enkele bodemonderzoeken verricht. In een verkennend bodem- en asbestonderzoek Hoogstraat 4-8 Edam zijn de percelen aan de Hoogstraat onderzocht. In de mengmonsters van de puin houdende grond zijn maximaal lichte verhogingen van koper, kwik, lood, zink en of minerale olie geconstateerd. In het grondwater zijn lichte verhogingen van arseen en benzeen aangetroffen. Tijdens de visuele inspectie zijn alleen op het maaiveld asbesthoudende materialen waargenomen. Tijdens het graven van de gaten, het zeven en de monstername is in de grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. In de onderzochte grond van mengmonster MMA is door het laboratorium ook geen asbest aangetroffen. De verwachting, dat niet meer dan 50 mg (gewogen) asbest / kg ds in en op de grond aanwezig is, wordt daarmee in het onderzoek bevestigd. De grond mag, hoewel lokaal asbesthoudend plaatmateriaal is aangetroffen, als ‘asbestvrij’ worden beschouwd. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd.

Er zijn maximaal licht verhoogde gehalten gemeten. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en of PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van puin in de grond en de langdurige bewoningsgeschiedenis van het gebied. In deze situaties worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom geen aanleiding gezien. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek op nietverdachte locaties wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. Voor de licht verhoogde concentratie benzeen is geen verklaring voorhanden. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op

52

grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogd gebruik. In een Aanvullend bodemonderzoek Hoogstraat 4-8 Edam, Landview, 2 oktober 2018 is aanvullend onderzoek gedaan, onder andere naar PFAS. In het onderhavige aanvullend onderzoek zijn in de mengmonsters van de (onderliggende) klei en veenlagen eveneens maximaal lichte verhogingen van koper, kwik, lood, molybdeen, minerale olie en of som PAK. In het (puin houdende) zand zijn lichte verhogingen van PFAS aangetroffen. In de klei en veenlagen zijn geen verhogingen van PFAS aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen van de onderzochte stoffen (PFAS) aangetroffen. Het grondwater wordt daarmee als verontreinigd beschouwd, maar er is geen sanering noodzakelijk. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogd gebruik. In een Verkennend bodemonderzoek Nieuwehaven 68 Edam, Landview, 21 oktober 2018 is ook het binnenterrein onderzocht. In de matig puinhoudende zandgrond is een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met lood geconstateerd. In de zwak puinhoudende zandgrond is een matig verhoogd gehalte aan lood geconstateerd.

Voor het overige zijn licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen, som PAK en minerale olie aangetroffen. In de ondergrond (klei) is een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met lood geconstateerd. Voor het overige zijn licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen aangetroffen.

Onderzocht gebied met boorpunten 53

Op basis van het tijdelijk handelingskader PFAS valt zowel de zandgrond (voornamelijk bovengrond) als de kleigrond (ondergrond), voor deze parameters, op de locatie in de klasse wonen of industrie, wanneer toegepast op een landbodem boven grondwaterstand. In het grondwater is een lichte verhoging met zink geconstateerd. De overige onderzochte stoffen uit het standaardpakket zijn niet aangetroffen. In het grondwater zijn lichte verhogingen aan PFASverbindingen aangetroffen. Het grondwater wordt daarmee als verontreinigd beschouwd, maar er is geen sanering noodzakelijk. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en som PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van puin in de grond. In puin houdende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. Het verhoogde gehalte aan minerale olie kan zijn ontstaan door het gebruik van olieproducten op de locatie. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden.

Tijdens eerder onderzoek op de locatie zijn eveneens sterk verhoogde gehalten aan lood gemeten. Voor het instellen van een vervolgonderzoek wordt daarom in dit stadium geen aanleiding gezien. Op basis van de nu bekende gegevens (huidig onderzoek en eerder onderzoek op de locatie) kan reeds worden gesteld dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging voor lood in de grond. De licht verhoogde concentratie van zink in het grondwater kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. Dit is mogelijk ondanks het volgen van de vereiste procedures, zoals de filtratie van het bemonsterde grondwater. Waarschijnlijk is het bodemchemisch evenwicht bij de plaatsing van de peilbuis dusdanig verstoord, dat de gestelde standaard wachttijd van één week onvoldoende is geweest. Op het deel Nieuwehaven is nog bodemonderzoek benodigd ter plaatse van de bestaande loods (werkplaats Brandweer). Hier is onderzoek benodigd naar de standaard parameters en naar asbest in bodem conform de NEN5707. Dit onderzoek wordt uitgevoerd direct nadat de sloop van de bestaande loods heeft plaatsgevonden tot en met de vloer. Een en ander wordt als voorwaarde aan de vergunning gekoppeld.

Het deel Hoogstraat is voldoende onderzocht en hier zijn geen vervolgstappen te verwachten in het kader van de Wet Bodembescherming en zijn dus geen BUS melding en/of Saneringsplan benodigd voor de nieuwbouwplannen. Voor de uitvoering van werkzaamheden in (sterk) verontreinigde grond ter plaatse van het deel Nieuwehaven zal een BUS melding worden ingediend bij bevoegd gezag. Dit gebeurt als onderdeel van de vergunning en zal als voorwaarde worden gekoppeld aan de vergunning. De omvang van de kosten van de sanering zijn ingeschat en vormen geen aanleiding tot de omstandigheid dat de financiële haalbaarheid van het plan in het geding is.

54

Conclusie Gelet op bovenstaande, vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavig initiatief. 4.2.5

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen -uitzonderlijke situaties daargelaten- bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2 een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3 een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4 een project is opgenomen in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van NSL. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL, in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Voor woningen bedraagt de grens 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

55

Conclusie In het bestemmingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zodat dit bestemmingsplan NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit de Grootschalige Depositiekaarten is af te leiden dat de concentraties stikstofdioxide voor 2015 uitkomen op maximaal 15 µg/m3 en voor 2025 voor delen maximaal 15 µg/m3 en voor delen maximaal 10 µg/m3. Voor fijn stof bedraagt de concentratie voor 2015 maximaal 20 µg/m3 en voor 2025 maximaal op 20 µg/m3, deels in de range 18-20 µg/m3.De wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 wordt daarmee niet overschreden voor zowel het jaar 2015 als 2025. Uit de figuur met PM2,5 blijkt dat de concentraties voor zeer fijn stof in 2015 uitkomen tussen de 12 en 14 µg/m3. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde (25 microgram per m3) voor zeer fijn stof in 2015. Van 2025 is nog geen concentratie berekend, maar gezien de voorspelde afname van fijn stof (PM10) is het hoogst waarschijnlijk dat zeer fijn stof eveneens verder zal afnemen.

56

Uitsneden Grootschalige Depositiekaarten Uit een verkeersberekening (zie paragraaf 4.3.5) blijkt dat de verkeersintensiteit niet substantieel toeneemt, zeker niet wanneer deze wordt vergeleken met de huidige situatie. Het initiatief draagt daarom niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Er vinden geen overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen plaats; gelet hierop is de conclusie dat een goed woon- en leefklimaat aanwezig is. Bovendien worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zodat dit bestemmingsplan NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor stikstof en de invloed op Natura 2000-gebiede, zie paragraaf 4.3.2. 4.2.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toe57

passing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie.

Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde.

Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiekmaatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is.

58

Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. Beoordeling Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico’s wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=01d39ef7-b113-478a-8ff4-68638f3d0077