Toelichting bestemmingsplan Hiatenplan 2023
Tekst van het document
26
•
Ondernemend en betrokken: Door samen te werken met verschillende partijen, worden initiatieven gefaciliteerd en bewustwording ondersteund.
Vervolgens is er door een aantal samenwerkende bureaus een verkenning uitgevoerd, waaruit een vijftal thema's zijn gerold: 1. energie; 2. circulaire economie; 3. klimaatadaptatie; 4. duurzaam toerisme; 5. duurzame gemeentelijke organisatie. Per thema zijn vervolgens enkele concrete maatregelen beschreven waarmee de gemeente op korte termijn aan de slag gaat. In het kader van voorliggende ontwikkeling zijn met name thema 1 'energie' en thema 3 'klimaatadaptatie' relevante aspecten. Binnen thema 1 beschrijft de gemeente de ambitie om een energieneutrale gemeente te zijn. Hiertoe zijn drie doelen geformuleerd: energieverbruik besparen, duurzaam opwekken of compenseren. Voor thema 3 beschrijft de gemeente dat de strategie is goed samen te werken met de Provincie en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (Regionaal Deltaplan en Waterprogramma) om te komen tot goede waterberging en buffering, zodat bij te veel/te weinig water adequaat gereageerd kan worden. Hiertoe heeft de volgende maatregelen geformuleerd: • Opstellen verbreed GRP. • Opstellen klimaatrisicokaart kosten-batenanalyse en mogelijke maatregelen (eventueel in samenwerking met het Hoogheemraadschap). • Klimaatadaptatie integraal onderdeel maken van de planvorming en (her)inrichting van de gemeente.
Dit betekent dat meer ruimte voor water en groen expliciet opgenomen worden in inrichtings-, beheers- en beleidsplannen, waaronder het bestemmingsplan. • In de prestatieafspraken met de woningbouwcorporaties vastleggen welke bijdrage zij leveren aan het klimaatbestendig maken van de gemeente en de kwaliteit van wonen van hun huurders. • Duidelijk maken wat burgers zelf kunnen doen om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Communicatie en tegengaan van ‘verstening’ via een ‘’groen voor grijs prijs’’ voor tuinen en daken. Beoordeling en conclusie De mogelijkheden die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen worden niet rechtstreeks mogelijk gemaakt. De nadere toets aan het duurzaamheidsbeleid vindt dus plaats op een later moment. Op voorhand lijken er voldoende mogelijkheden te zijn aan het beleid te voldoen. 2.5.7
Beleidsnota archeologie gemeente Edam-Volendam In de gemeentelijke Beleidsnota Archeologie zet de gemeente Edam-Volendam uiteen op welke wijze de gemeente, naar aanleiding van de herziening van de Monumentenwet 1988 in 2007, verantwoordelijkheid neemt voor haar eigen bodemarchief. Door de wetsherziening zijn gemeenten wettelijk verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen
27
waarbij bodemingrepen van enige omvang plaatsvinden, het behoud van archeologische waarden af te wegen tegen andere belangen.
Beoordeling en conclusie In dit bestemmingsplan zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen overeenkomstig de bevindingen in dit beleid. 2.5.8
Groenbeleidsplan Edam-Volendam 2020-2024 In februari 2020 is het Groenbeleidsplan 2020-2024 Edam-Volendam uitgebracht om inzicht te geven in wat de gemeente wenst de doen met het aanwezige groen en welke kwaliteitsslag zij daarbij wil maken. In het plan staan visies en ambities geformuleerd ten aanzien van de groenthema's identiteit, klimaat, participatie, biodiversiteit en beheer en onderhoud. Het doel van de gemeente is om in de openbare ruimte meer groen toe te voegen. Bij deze ambitie voor meer groen geldt dat de toekomstbestendigheid van het groen een absolute voorwaarde is. Indien er geen of onvoldoende ruimte is voor groen, worden alternatieven toegepast voor vergroening zoals waterdoorlatende verharding, het vergroten van de riolering, het gebruik van schaduwdoeken en het toepassen van waterpleinen.
Beoordeling en conclusie Op onderstaande afbeelding is de kaart behorende bij het Groenbeleidsplan te zien. Op de kaart behorende bij het Groenbeleidsplan is te zien dat er voor het plangebied geen bijzondere regels en ambities van toepassing zijn. Voor zover gelegen binnen dit bestemmingsplan (het gaat met name om het natuurpark Middengebied) zijn overeenkomstige bestemmingen toegekend (Natuur)
28
Kaart Groenbeleidsplan met plangebied in rode cirkel 2.5.9
Welstandsnota (2017, 2020) Het welstandsbeleid van de gemeente Edam-Volendam is neergelegd in de Welstandsnota. Op 4 mei 2020 is deze welstandsnota opnieuw vastgesteld. Bij deze actualisatie zijn de welstandsnota’s Edam-Volendam en Zeevang (inclusief de onderdelen die de afgelopen jaren als welstandskader zijn ontwikkeld) in het kader van de harmonisatie van beleid bij elkaar gebracht tot één nota. Daarnaast is de begrenzing van de welstandsgebieden in overeenstemming gebracht met de begrenzing van de gebieden in de bestemmingsplannen. Beoordeling en conclusie Dit plan maak rechtstreeks geen nieuwe bebouwing mogelijk. Wel is een ontwikkeling mogelijk aan de Haven 52 na toepassing uitwerkingsplicht. Bij het toepassen daarvan, of in een later stadium (verlenen omgevingsvergunning) zal verder getoetst worden aan de welstandsnota. Op voorhand lijken hier geen belemmeringen te bestaan.
2.5.10
Verkeersplan 2018-2023 en parapluplan parkeren Het Verkeersplan is een beleidsplan op hoofdlijnen voor de periode 2018-2023. Het plan dient als toetsingskader om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Aan de hand van zes thema’s worden doelen geformuleerd: 1. netwerk en verkeersveiligheid fiets; 2. verkeersveiligheid voetganger; 3. gedrag en handhaving; 4. wegencategorisering auto; 5. parkeren binnen Edam; 6. parkeren binnen Volendam. Relevant voor dit plan is met name het thema parkeren binnen Volendam: Voor de korte termijn (5 jaar) zijn de doelen: beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend -
alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen)
-
beter benutten parkeerplaatsen voor iedereen in en rond het centrum zonder overlast voor aangrenzende gebieden: 1. bewoners een plaats dicht bij huis, vooral ’s avonds en het weekend 2. bezoekers loopafstand van de winkel, vooral overdag en het weekend
-
alternatieven moeten aantrekkelijk zijn (fietsenstallingen)
-
minder overlast door parkeren toeristen
Voor de lange termijn zijn de doelen: verminderen parkeerdruk waarbij ook naar bredere maatregelen wordt
29
gezocht (meenemen technologische ontwikkelingen, deelsystemen e.d.) -
delen van het centrum zijn verblijfsgebied voor voetganger en fiets;
-
geen parkeren in het centrum door toeristen.
Onder meer wordt in het verkeersplan voorts geconstateerd dat de hoofdwegenstructuur van Edam-Volendam tegen haar grenzen aanloopt. Het verkeer is flink gegroeid en na enkele jaren van afvlakking wordt voor de toekomst weer een toename van de intensiteiten verwacht. Het bestaande wegennet kan niet veel extra verkeer meer verwerken. Daardoor ontstaan problemen met de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. De gemeente Edam-Volendam kiest voor de realisatie van een nieuwe verbinding tussen de Dijkgraaf Poschlaan en de N247: de zogenaamde Derde Ontsluiting als structurele oplossing voor de geconstateerde verkeersproblemen. Met de aanleg van deze nieuwe verbinding kunnen de bestaande ontsluitingswegen Singelweg en Julianaweg worden ontlast, waardoor zowel de verkeersafwikkeling als de verkeersveiligheid op deze routes kan verbeteren. De meer algemene doelstellingen ten aanzien van parkeren en het voorkomen van parkeerdruk zijn in juridische zin vastgelegd in een paraplu bestemmingsplan parkeren, dat voor de gehele gemeente geldt. Beoordeling en conclusie Het plan heeft geen groot effect op de bestaande en beoogde verkeerssituatie, waardoor negatieve gevolgen van dit plan niet worden verwacht. Het plan voorziet immers niet rechtstreeks in ontwikkelingen.
Ten aanzien van de indirecte mogelijkheden (aanleg van volkstuintjes e/o baggerdepot en woningbouw/detailhandel/dienstverlening aan de Haven 52) zal een andere afweging plaatsvinden op het moment dat de ontwikkeling concreet wordt. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht, zie ook paragraaf 3.2.5. Het plan voldoet daarom aan het 'Verkeersplan 2018-2023’.
30
3
Milieu- en omgevingsaspecten Nu het plan niet direct voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen, kan een uitvoerige toets aan milieu-en omgevingsaspecten achterwege blijven. Hierna wordt er derhalve slechts in beschouwende zin op ingegaan.
3.1
Milieu-aspecten
3.1.1
Besluit m.e.r Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D-lijst van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een plan onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig.
Beoordeling en conclusie In dit plan neemt het verhard oppervlak niet toe ten opzichte van de bestaande situatie en er vindt geen nieuw ruimtebeslag plaats. Met een uitwerkingsplicht worden in dit plan op één locatie (Haven 52) maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel mogelijk gemaakt (zie hoofdstuk 4). Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling1. Dezelfde conclusie geldt voor de mogelijkheid tot verplaatsing van volkstuintjes of de mogelijkheid tot aanleg van een baggerdepot naar locatie 1 (zie hoofdstuk 4).
1 ECLI:NL:RVS:2022:2394
31
M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Beoordeling M.e.r.-plicht De beoordeling of er significante effecten zijn te verwachten vindt plaats in paragraaf 3.2.2. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Het milieubelang wordt in het kader van dit bestemmingsplan in voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is daarom niet noodzakelijk. 3.1.2
Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen c.q. de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.
Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moder-
32
ne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie.
Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5
Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5
Beoordeling en conclusie De VNG publicatie gaat over nieuwe situaties, niet over bestaande. Nu dit bestemmingsplan slechts voorziet in de bestendiging van reeds bestaande functies, kan nadere toetsing achterwege blijven. Voor de Haven 52 geldt dat er woningen kunnen komen, na toepassen van de uitwerkingsplicht. Van woningen gaat geen milieuoverlast uit. Tevens kan er 150 m2 detailhandel of dienstverlening komen (zie hoofdstuk 4). De locatie ligt in het historisch dorpshart van Volendam waar reeds een verhoogde achtergrondconcentratie van met name geluid heerst. Het gaat zodoende om gemengd gebied en er kan dus uitgegaan worden van een stap lager. Functies als winkels en dienstverleningen vallen in categorie 1 en kunnen in gemengd gebied aanpandig aan woningen gerealiseerd worden gelet op de richtafstanden voor gemengd gebied. Zodoende leveren de nieuwe functies naar verwachting geen overlast op. Om dezelfde reden zal er omgekeerd bij de nieuwe woningen sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
33
Bij eventueel gebruik van een afwijkingsbevoegdheid voor de mogelijkheid tot het verplaatsen van volkstuintjes naar en de mogelijkheid tot realisering van een baggerdepot op locatie 1 dient een afstand van 30 m te worden aangehouden tot gevoelige functies (woningen). Daar kan aan worden voldaan. Zodoende levert het onderwerp bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen op. 3.1.3
Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken
Zones langs wegen Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 meter
250 meter
3 of 4 rijstroken
350 meter
400 meter
5 of meer rijstroken
350 meter
600 meter
Tabel 3-1. Overzicht van de zones langs wegen
Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig2.
2
Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.
34
Beoordeling en conclusie Dit plan voorziet niet rechtstreeks in nieuwe geluidgevoelige functies. Zodoende kan akoestisch onderzoek achterwege blijven. Wel is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om op locatie 1 een volkstuincomplex of een baggerdepot te realiseren (zie hoofdstuk 4). Dit zijn geen geluidgevoelige functies als bedoeld in de Wgh. Voorts is een uitwerkingsplicht opgenomen om op het perceel Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel/dienstverlening te realiseren (zie hoofdstuk 4). Als deze uitwerkingsplicht wordt toegepast, zal worden onderzocht of ter plaatse een acceptabel woon- en leefklimaat vanwege wegverkeer aanwezig is. Daarnaast is op genoemde locatie grotendeels geen wegverkeer aanwezig, doch merendeels voetgangers en fietsverkeer (De haven is zo goed als afgesloten voor wegverkeer). Het onderwerp geluid werpt zodoende geen belemmering op. 3.1.4
Bodem Algemeen De bodemkwaliteit is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling van belang indien er sprake is van nieuwbouw of functieverandering. De bodem en het grondwater moeten worden onderzocht op geschiktheid voor de toekomstige bestemming en het toekomstige gebruik. Om vast te stellen of de kwaliteit van de bodem geschikt is voor het gebruik van de bodem wordt getoetst aan de regels uit de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit is in het kader van een plan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld.
Beoordeling en conclusie Dit plan voorziet niet in nieuwe functies waarvoor de bodemkwaliteit moet worden vastgesteld (zoals nieuwe woningen). Zodoende kan bodemonderzoek achterwege blijven. Wel is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor een volkstuintjes of een baggerdepot op locatie 1 (zie hoofdstuk 4). Indien nodig, zal bodemonderzoek verricht worden teneinde de bodemkwaliteit vast te stellen. Voorts is een uitwerkingsplicht opgenomen om op het perceel Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel/dienstverlening te realiseren (zie hoofdstuk 4). Als deze uitwerkings-
35
plicht wordt toegepast, zal bodemonderzoek worden verricht, in 1e instantie in de vorm van verkennend bodemonderzoek. De bodemkwaliteit werpt geen belemmeringen op voor dit plan. 3.1.5
Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen -uitzonderlijke situaties daargelaten- bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2 een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3 een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4 een project is opgenomen in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van NSL. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL, in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Voor woningen bedraagt de drempelwaarde 1.500 bij één ontsluitingsweg.
36
Beoordeling en conclusie In het bestemmingsplan worden geen grootschalige ontwikkelingen mogelijk gemaakt, ook niet na toepassen binnenplanse afwijking of uitwerkingsplicht. Voor dat laatste geldt dat er aan de Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel kan worden gerealiseerd (zie hoofdstuk 4). Wanneer dit wordt afgezet tegen de voornoemde 1,500 woningen die NIBM zijn, kan gemotiveerd worden gesteld dat voornoemde mogelijkheid ook NIBM is. Nader onderzoek voor het aantonen van een goede luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. 3.1.6
Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).
37
Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde.
Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiekmaatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp. Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk: 1 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 2 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 3 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; 4 enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm). Een verantwoording van het GR kan achterwege blijven indien: b het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of c 1°. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°.
de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden.
38
Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan biedt rechtstreeks geen basis voor meer personen die ter plaatse kunnen verblijven. Wel is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om op locatie 1 een volkstuintjes te realiseren (zie hoofdstuk 4). Er kunnen daar dan dus een aantal mensen verblijven. Voorts is een uitwerkingsplicht opgenomen om op het perceel Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel/dienstverlening te realiseren. Hiervoor geldt hetzelfde. Op navolgende uitsneden van de Atlas voor de leefomgeving blijkt evenwel dat er in of nabij beide locaties geen gevaarlijke transportroutes als opgenomen in het Basisnet, buisleidingen waarin onder hoge druk gas wordt getransporteerd of Bevi-inrichtingen aanwezig zijn. De locaties liggen niet binnen een PR 10-06 contour of invloedsgebied (de gemarkeerde bedrijven op het bedrijventerrein ten oosten van locatie 1 betreffen geen Bevi-inrichtingen en de cirkel op de tweede afbeelding betreft een LPG vulpunt, evenwel gelegen op meer dan 200 m, namelijk op meer dan 600 m). Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Uitsneden Atlas voor de Leefomgeving
39
3.2
Omgevingsaspecten
3.2.1
Water Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2009 zijn de eerste (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West is het Stroomgebied beheerplan Rijn 20162021 vastgesteld. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht. De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water Nationaal Water Programma 2022–2027 (NWP) Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur
40
Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.
Er is geen sprake van strijd met het Rijksbeleid, zie verder ook onder de watertoets. Waterwet Voornoemd beleid is voor zover nodig juridisch verankerd in de Waterwet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de Waterwet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets verplicht voor ruimtelijke plannen waarin waterbelangen spelen. De watertoets bewaakt waterkwaliteit en waterkwantiteit. Een watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en beoordelen. Waterhuishoudkundige aspecten zijn onder meer veiligheid, wateroverlast, waterkwaliteit, verzilting en verdroging. De watertoets heeft betrekking op alle wateren: rijkswateren, regionale wateren, gemeentelijke en particuliere wateren en grondwater. Provinciaal beleid In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater.
Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de
41
Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Waterplan 2022-2027 Dit Waterplan geeft de koers van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het maakt onderscheid in doelstellingen op het gebied van effecten, thema’s en gebieden. De doelstellingen ten aanzien van de effecten zijn als volgt gevisualiseerd:
42
Er gelden de volgende thema’s:
Deelstroomgebiedsvisie De deelstroomgebiedsvisie bevat een wateropgave op hoofdlijnen voor korte (2015) en lange termijn (2050). De stroomgebiedsvisie bevat het wateradvies. Dit advies doet aanbevelingen vanuit een oogpunt van een duurzaam waterbeheer voor het reserveren van ruimte om wateroverlast en -tekorten tegen te gaan en om tot een betere waterkwaliteit te komen. Er zal geen definitieve deelstroomgebiedsvisie voor het Noorderkwartier komen, omdat de provincie heeft besloten het WB21 beleid op hoofdlijnen te beschrijven in de nota “Evenwichtig omgaan met Water”. Keur en algemene regels In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: "Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen." In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: "Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1.
de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken."
43
Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Rioleringsplan Edam-Volendam 2018-2023 (Zaanstreek-Waterland) Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is een planinstrument om mee te kunnen bewegen met de veranderingen om ons heen. Het GRP brengt de wateropgaven voor de komende planperiode in beeld en laat zien op welke strategische wijze hier invulling aan wordt gegeven. Net als de andere gemeenten binnen de regio Zaanstreek-Waterland streeft de gemeente bij de invulling van de zorgplichten riolering bij (grootschalige) nieuwbouw en herontwikkeling naar een sterk vooruitziende houding. Waar mogelijk anticipeert de gemeente bij elke ruimtelijke ontwikkeling op extreme buien. Hierdoor zal de inrichting van de openbare ruimte veranderen, er komt meer ruimte voor de (tijdelijke) opvang van water. Op locaties waar minder flexibiliteit bestaat streven we ernaar om zoveel mogelijk werken met elkaar te combineren. Dit doet de gemeente door continue de optimale balans te zoeken tussen kosten, risico’s en prestaties. Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld.
In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Navolgende tekst dient als watertoets (de opbouw en inhoud van de watertoets is vormvrij). Beoordeling en conclusie Het bebouwde/verharde oppervlak neemt ten opzichte van de bestaande situatie niet toe. Er wordt geen water gedempt. Ook wordt niet gebouwd binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Dit met uitzondering van Haven 52 die deel binnen de beschermingszone van een waterkering ligt. Bebouwing hier is pas mogelijk na toepassen van een uitwerkingsplicht en deze wordt pas toegepast als blijkt dat de belangen van deze waterkering niet geschaad worden. Zodoende werpt het aspect water geen belemmeringen op. 3.2.2
Ecologie Algemeen Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het projectgebied. De bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Beide onderwerpen zijn geregeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Een deel van het plangebied is gelegen in het Natura 2000-gebied het Markermeer & IJmeer. Als effect kan worden beschouwd stikstofuitstoot en verstoring. Er zal echter geen sprake zijn van verstoring als gevolg van verlichting of trillingen en in het Markermeer & IJmeer zijn voorts geen voor stikstof gevoelige habitattypen aangewezen,
44
zodat er ook geen toename aan stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitattypen verwacht wordt. De diverse locaties liggen ook niet in het Natuurnetwerk Nederland, zie navolgende afbeelding (locatie 1 grenst er aan, wat hier aangewezen is betreft de ringvaart, die buiten de locatie valt). Bij de beleidsdoelstellingen die zijn geformuleerd rondom het NNN bestaat er niets zoals externe werking. De voorngenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Ook ligt het plangebied niet in een weidevogelleefgebied of een ganzenfoerageergebied. Doordat deze gebieden van het plangebied worden afgeschermd door aanwezige bebouwing, is verstoring van deze gebieden ook niet te verwachten.
Uitsnede NNN, provinciale Omgevingsverordening Soortbescherming Wat betreft soortbescherming is de Wet natuurbescherming ook van toepassing. Veel dier- en plantensoorten hebben een beschermde status. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of sprake is van negatieve effecten op de beschermde soorten. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Gelet op het feit dat er geen panden worden gesloopt, water wordt gedempt, bomen worden gekapt of aanpassingen plaatsvinden aan gebouwen, kan op voorhand de conclusie worden getrokken dat er geen sprake is van de aantasting van een vaste rust- of verblijfplaats van (strikt) beschermde soorten. Conclusie Het onderwerp natuur werpt zodoende geen belemmeringen op.
45
3.2.3
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het sinds 2012 verplicht om de cultuurhistorische waarden mee te laten wegen. Daartoe wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Beleid Erfgoedwet Met de Erfgoedwet is in één wet overzichtelijk vastgelegd hoe met ons cultureel erfgoed wordt omgegaan, wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe het toezicht is geregeld. De Erfgoedwet is op 1 juli 2016 volledig in werking getreden. Gemeentelijk monumentenbeleid nader beschouwd Het gemeentelijk monumentenbeleid van de gemeente Edam-Volendam is nog volop in beweging en ontwikkeling. Er zijn diverse rijks- en gemeentelijke monumenten aangewezen. Bovendien is een groot deel van Edam aangewezen als een zgn. ‘Beschermd Stads gezicht’ als bedoeld in artikel van de 35 van de Monumentenwet. Mede vanuit deze traditie is het denken over het cultureel erfgoed in de gemeente Edam-Volendam de laatste jaren gewijzigd.
Dit vanuit het besef dat men in bepaalde delen van de gemeente over – in cultuurhistorisch opzicht – zeer waardevolle objecten beschikt (bouwwerken en gebouwen) of clusters daarvan, al dan niet in combinatie met openbare, publieke buitenruimten (zoals bruggen, straatjes, pleintjes, stegen, trapopgangen, watergangen of combinaties daarvan), die afzonderlijk of juist in hun onderlinge samenhang beschermingswaardig zijn. Als gevolg hiervan heeft het gemeentelijk beleid zich de laatste paar jaar verder ontwikkeld tot een meer omvattend instrumentarium, waarmee wordt beoogd: − een verdergaande bescherming te bieden aan de verschillende cultuurhistorische objecten binnen het plangebied; − aansluiting te vinden bij de opgave die voortvloeit uit het rijksbeleid ter zake van de modernisering van de monumentenzorg. De gemeente beschikt over een Monumentenlijst. Daarnaast zijn er andere panden in het gebied van cultuurhistorische waarde, die geen Monument zijn. Deze panden zijn geïnventariseerd en volgens een objectief puntensysteem gewaardeerd. Beoordeling en conclusie Het plan tast de wezenskenmerken van het gebied niet aan. Verder zijn er geen Rijks-, provinciaal of gemeentelijk monumenten in de omgeving aanwezig. Wel is de dubbelbestemming Waarde-Edams-Volendams Errfgoed over/opgenomen, daar waar van toepassing.
46
3.2.4
Archeologie Algemeen Met de ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) en de parlementaire goedkeuring daarvan (1998) heeft de Nederlandse overheid zich verplicht er op toe te zien dat met archeologische vindplaatsen rekening wordt gehouden bij ruimtelijke ordening, milieueffectrapportage, bouwactiviteiten en andere ingrepen in een gebied. Het verdrag heeft inmiddels zijn weerslag verkregen in de Erfgoedwet, die per 1 juli 2016 van toepassing is. Een belangrijk uitgangspunt in het archeologisch beleid is dat ingrepen die tot de aantasting van de verwachte archeologische resten leiden, zoveel mogelijk worden vermeden. Het behoud in situ (op de oorspronkelijke plaats) gaat voor op het behoud ex situ (opgraven en bewaren in depot). Van belang is dat door middel van vooronderzoek tijdig inzicht wordt verkregen in de archeologische waarden van een gebied, zodat deze bij beoogde planontwikkelingen kunnen worden betrokken. Voor de ruimtelijke ordening is een belangrijke bepaling, dat de wet niet van toepassing is op projecten met oppervlakte kleiner dan 100 m2; de gemeenteraad kan een hiervan afwijkende andere oppervlakte vaststellen. Beoordeling en conclusie De gemeente Edam-Volendam heeft een beleidsnota archeologie alsmede een archeologische beleidskaart opgesteld. In het kader van de nota is een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief uitgevoerd.
Daarbij is onderzocht welke archeologische waarden reeds bekend zijn en welke waarden verwacht kunnen worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met een eigen vrijstellingsgrens die aangeeft wanneer de initiatiefnemer is vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Bij het vaststellen van de vrijstellingsgrens is rekening gehouden met de aard van het bodemarchief. De verschillende vrijstellingsgrenzen zijn weergegeven op de Archeologische Beleidskaart, zodat voor een ieder in één oogopslag duidelijk is aan welke archeologische voorwaarden moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen. In het bestemmingsplan zijn diverse dubbelbestemmingen voor archeologie opgenomen. Er is evenwel geen noodzaak tot archeologisch onderzoek, omdat er geen grondroerende werkzaamheden worden verricht. Dat gaat wel het geval zijn als de uitwerkingsplicht voor locatie 6 wordt toegepast. Indien zulks volgt uit de toegekende archeologische dubbelbestemming, zal voorafgaand aan het toepassen daarvan eerst archeologisch onderzoek worden verricht. Wel geldt altijd de zorgplicht, zoals vastgelegd in de Erfgoedwet, ofwel ‘meldingsplicht’, zoals vastgelegd in Artikel 5.10.
Archeologische toevalsvondst: 1 Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. 2 De gerechtigde tot een archeologische vondst als bedoeld in het eerste lid, is gehouden de vondst gedurende zes maanden, te rekenen van de dag van de in het eerste lid bedoelde melding, ter beschikking te houden of te stellen voor wetenschappelijk onderzoek.
47
3.2.5
Verkeer en parkeren Verkeer Door de realisatie van het initiatief zal de verkeersaantrekkende werking van het plangebied niet wezenlijk veranderen aangezien geen nieuwe functies worden toegestaan. Het Hiatenplan omvat onder meer een technische reparatie met betrekking tot de in hoofdstuk 1 genoemde percelen. Volgens de huidige c.q. geldende situatie wordt alsnog een correct digitaal te ontsluiten bestemming toegekend, zodat er een adequaat juridisch-planologisch regime geldt. Het gaat hier in feite om een zo goed als beleidsneutrale overgang dan wel bestendiging van bestaande rechten. Voor de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor het realiseren van volkstuintjes, is het onderdeel parkeren een van de aspecten die bij de afweging om al dan niet de afwijkingsmogelijkheid toe te passen, wordt meegenomen." Voorts is een uitwerkingsplicht opgenomen om op het perceel Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel/dienstverlening te realiseren (zie ook hoofdstuk 4). Dit leidt ook tot een bepaalde verkeersproductie. De verwachting is evenwel dat gezien de kleinschaligheid de omliggende infrastructuur de toename kan verwerken. Parkeren Alvorens voornoemde plannen kunnen worden gerealiseerd, zal er een adequate onderbouwing voor parkeren moeten zijn. Op voorhand lijkt dit in beide gevallen goed mogelijk.
In het bestemmingsplan is voorts een regeling opgenomen waarmee een verantwoorde situatie kan worden afgedwongen. Daarbij wordt verwezen naar de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren Parkeerkencijfers 2018’.
48
4
Overzicht van de hiaten 1. Oosthuizerweg Aanleiding De gemeenteraad van Edam-Volendam heeft op 8 oktober 2015 het bestemmingsplan Industrieterrein Oosthuizerweg vastgesteld. Dit bestemmingsplan omvatte naast het bestaande bedrijventerrein, ook een uitbreiding van dit bedrijventerrein aan de westzijde daarvan. In zijn uitspraak (201600558/1/R1) van 14 september 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State echter geoordeeld dat de onderbouwing van de ladder voor duurzame verstedelijk voor deze uitbreiding niet afdoende was. Daarnaast ligt het plangebied volgens het Barro binnen het UNESCO werelderfgoed de Stelling van Amsterdam. Op het kaartmateriaal bij de destijds geldende Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is dit weliswaar niet zo aangegeven, maar de Afdeling heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel had moeten gebeuren. Op grond van de regelgeving in de PRV zou in de toelichting moeten worden aangetoond dat het bestemmingsplan aan bepaalde eisen moeten voldoen, waarbij naar de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt verwezen voor de materiële invulling van deze eisen. In het vastgestelde bestemmingsplan was onvoldoende aangetoond dat de uitbreiding van het bedrijventerrein daaraan voldeed. Gelet hierop heeft de Afdeling het bestemmingsplan voor wat betreft de uitbreiding van het bedrijventerrein vernietigd.
Provinciaal omgevingsbeleid Op 19 november 2018 hebben provinciale staten de "Omgevingsvisie NH2050" vastgesteld. De omgevingsvisie bevat een langetermijnvisie op alle aspecten die verband houden met de fysieke leefomgeving. De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland 2023, de meest recentelijke versie is die van 1 januari 2023. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het landelijk gebied of bijzonder provinciaal landschap. Wel is in de Omgevingsverordening het plangebied als 'Cultureel Erfgoed' aangegeven. Ontwikkelingen zijn uitsluitend mogelijk indien deze de kernkwaliteiten behouden of versterken. Vertaling in het hiatenplan In het onderhavige bestemmingsplan "Hiatenplan 2021" krijgt het Zeevangsdijkje de bestemmingen "Verkeer – Verblijfsgebied 1" en "Groen". Het plandeel dat voor de uitbreiding van het bedrijventerrein was bedoeld, krijgt de bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Water" overeenkomstig het bestemmingsplan Buitengebied Zeevang 2016 dat ten noorden van de locatie van toepassing is. Langs het Zeevangsdijkje zijn daarnaast nog de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 3" en "Waterstaat Waterkering" van toepassing.
Voor de locatie is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen, die het mogelijk maakt om ofwel volkstuinen, ofwel een baggerdepot te realiseren, onder meer onder de voorwaarde dat uit een landschappelijk inrichtingsplan blijkt dat de beoogde functie op een zorgvuldige wijze kan worden ingepast en de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig worden aangetast.
49
2. Zeesluis Edam Aanleiding Aan de zuidkant van de Zeesluis Edam ligt een perceelsgedeelte dat niet is opgenomen in een bestemmingsplan. Vertaling in het hiatenplan In het onderhavige bestemmingsplan wordt het perceel overeenkomstig de feitelijke situatie bestemd. Het perceelsgedeelte krijgt de bestemmingen "Groen" "Verkeer – Verblijfsgebied 1" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Archeologie 2" en "Waterstaat – Waterkering". Deze bestemmingen zijn gebaseerd op vergelijkbare bestemmingen uit het bestemmingsplan Oorgat e.o. dat 19 januari 2012 door de gemeente Edam-Volendam is vastgesteld. 3. Middengebied – ecologisch park Aanleiding Het natuurpark in het MIddengebied tussen Edam-Volendam is nog opgenomen in een analoog (niet digitaal ontsloten) bestemmingsplan "Middengebied" (vastgesteld op 20.4.1995 en goedgekeurd door G.S. op 25.7.1995). Vertaling in het hiatenplan In dit bestemmingsplan Hiatenplan 2023, krijgt het ecologisch park dezelfde bestemming "Natuur" als het park ten noorden van de Dijkgraaf Poschlaan zoals dat is opgenomen in de Beheersverordening Nieuw Volendam 2022. 4. Strook water Gouwzee Aanleiding Een strook water in de Gouwzee is ook niet opgenomen in een bestemmingsplan. Vertaling in het hiatenplan In het bestemmingsplan Hiatenplan 2021, krijgt deze strook water de bestemming "Water". 5.
Verkeersbestemming Centrum Volendam Aanleiding Een deel van het havengebied in het bestemmingsplan "Oude kom Volendam" heeft abusievelijk de bestemming "Verkeer". Deze bestemming is met name bedoeld voor wegen met een verkeersfunctie. Het gebied rondom de haven heeft echter een verblijfsfunctie. Hiervoor is de bestemming "Verkeer – Verblijfsgebied" in dat bestemmingsplan opgenomen. Vertaling in het hiatenplan Voor het gebied rondom de haven is de bestemming "Verkeer – Verblijfsgebied 2" in dit bestemmingsplan opgenomen.
50
6. Haven 52 Volendam Aanleiding In de toelichting van het bestemmingsplan Oude Kom Volendam (vastgesteld 17 oktober 2013) staat in de toelichting dat voor Haven 50/52 een verzoek is gedaan om op deze locatie detailhandel, horeca en wonen mogelijk te maken. Tegen deze mogelijke ontwikkeling zijn zienswijzen ingediend, die gegrond zijn verklaard. Bij de beantwoording van de zienswijzen werd geconstateerd dat het bestemmingsplan Oude kom Volendam een conserverend bestemmingsplan is, waarmee niet is beoogd deze ontwikkeling mogelijk te maken en waarvoor separaat een planologische procedure is opgestart die nog niet is afgerond. De tegen dit bouwplan ingediende zienswijzen behoeven verder onderzoek en een nadere afweging. De bestemmingsplanprocedure is daartoe in dit geval niet bedoeld, zodat is besloten het perceel waarop deze ontwikkeling is voorzien alsnog buiten het plangebied van dit bestemmingsplan te laten. Zodoende is het Bestemmingsplan Oud Volendam (vastgesteld door de gemeenteraad op 26 maart 1998, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 27 oktober 1998) een uit te werken bestemming nog steeds van toepassing. In dat bestemmingsplan heeft de locatie een uit te werken bestemming en is deze bestemd voor wonen, detailhandel en dienstverlening, groenvoorzieningen en verkeersvoorzieningen.
Uitwerkingsplicht onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt, wordt de wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsplicht onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Er is echter geen overgangsrecht voor de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht. Deze instrumenten verliezen daardoor hun werking. Burgemeester en wethouders kunnen dus geen wijzigings- of uitwerkingsplan meer vaststellen, ook niet als het moederplan vóór 31 december 2021 als ontwerp in procedure wordt gebracht. Immers, op het moment dat het moederplan onherroepelijk is valt dit plan onder het overgangsrecht van de Omgevingswet en vervallen voornoemde instrumenten. Artikel 22.32 van de bruidsschat bevat een 'specifieke beoordelingsregel voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht'.
In deze beoordelingsregel staat: "In afwijking van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet." Op grond van bovenstaand artikel worden wijzigings- en uitwerkingsregels omgevormd tot een beoordelingskader voor binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunningen voor bouwwerken. De omgevingsplanactiviteitvergunning voor het verrichten van de bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk kan daarmee worden verleend als de activiteit in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht.
51
Wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten die onderdeel zijn van een bestemmingsplan, kunnen op grond van bovenstaande beoordelingsregel na de inwerkingtreding van de Omgevingswet alleen worden gebruikt als beoordelingskader bij vergunningverlening voor het verrichten van de bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. De binnenplanse beoordelingsregel van artikel 22.32 van de bruidsschat voorziet niet in een tijdelijk beoordelingskader voor de toepassing van de wijzigings- en uitwerkingsregels voor andere activiteiten die niet (ook) gepaard gaan met bouwactiviteiten. Omdat het perceel braak ligt, zal een nieuwe functie gepaard gaan met bouwactiviteiten en is de uit te werken bestemming daardoor nog bruikbaar na inwerkingtreding van de Omgevingswet, namelijk via het verlenen van een binnenplanse omgevingsplanactiviteitvergunningen voor bouwwerken Vertaling in het hiatenplan In dit hiatenplan is de uit te werken bestemming redactioneel aangepast aan de SVBP2012 en is voor het perceel Haven 52 de bestemming "Gemengd – Uit te werken opgenomen. Naast de uit te werken bestemming hebben de gronden dezelfde 3 dubbelbestemmingen als de omliggende percelen, te weten: "Waarde - Archeologie 1", "Waarde - Edams-Volendams erfgoed" en "Waterstaat – Waterkering".
52
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
5.1.1
Wettelijk kader Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het nemen van een ruimtelijk besluit, een exploitatieplan te koppelen. Onder aangewezen bouwplan wordt krachtens art. 6.2.1 Bro onder andere verstaan de bouw van één of meer woningen of andere hoofdgebouwen. Er is derhalve sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het bestemmingsplan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 Wro) zoals een vooraf afgesloten privaatrechtelijke overeenkomst of indien het stellen van eisen of regels niet noodzakelijk is.
5.1.2
Beoordeling en conclusie Omdat verhaal van kosten gelet op de aard en karakter van dit bestemmingsplan niet de orde is, is het maken/vaststellen van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro niet nodig c.q. van toepassing. Voor Haven 52 geldt aanvullend dat deze pas mogelijk is via een uitwerkingsplicht, en deze wordt toegepast als de financiële haalbaarheid is aangetoond.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1
Verplichte overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is sprake van een verplicht overleg met betrokken instanties en die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de rol van weg- en waterbeheer (Rijkswaterstaat), eigenaar van defensieterreinen (ministerie van defensie) en voor projecten in het kader van de rijkscoördinatieregeling rond rijksinpassingsplannen op het terrein van de energie-infrastructuur. Voor het Hiatenplan is sprake is van een beleidsneutrale overgang c.q. bestendiging van bestaande rechten. Daarom zijn deze belangen bij dit bestemmingsplan niet aan de orde. Gezien het karakter van het plan en omdat de locatie niet gedeeld wordt met de grenzen van andere gemeenten, is consultatie in het kader van 3.1.1 Bro niet noodzakelijk.