Toelichting bestemmingsplan Hiatenplan 2023
Tekst van het document
Hiatenplan 2023
Gemeente Edam-Volendam
Datum: 18 april 2024
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Plangebied Leeswijzer
4 4 5
2
Beleidskader
6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
6 6 11 17 21
3
Milieu- en omgevingsaspecten
31
3.1 3.2
Milieu-aspecten Omgevingsaspecten
31 40
4
Overzicht van de hiaten
49
5
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
5.1 5.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53 53
6
Juridische regeling
54
6.1 6.2 6.3 6.4
Inleiding De verbeelding De regels Opbouw regeling per bestemming
54 54 54 55
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Bij een inventarisatie van de digitaal ontsloten geldende bestemmingsplannen binnen de gemeente Edam-Volendam is gebleken dat er voor een aantal locaties geen bestemmingsplan van toepassing is die aan de actuele eisen voldoet voor een juiste overgang in het kader van de Omgevingswet. Dit zijn zogenaamde witte vlekken. Dit kan een gevolg zijn van de omstandigheid dat ter plaatse nog een oud Uitbreidingsplan gold die van rechtswege is komen te vervallen dan wel dat er sprake is van een nog oud analoog plan (dat bij de transitie naar de omgevingswet geen rechtskracht verkrijgt, omdat deze niet digitaal kan worden ontsloten). Daarnaast kan dit een gevolg zijn van specifieke omstandigheden zoals verder wordt aangegeven in deze plantoelichting of ten gevolge van een omissie in de geldende plannen. Vanaf 1 januari 2024 worden de bestemmingsplannen van onze gemeente omgezet naar het omgevingsplan. Dit gebeurt van rechtswege, dus vanzelf, als gevolg van de wet, zonder dat daarvoor een specifieke handeling nodig is. Elke gemeente heeft dan 1 omgevingsplan (dit noemen we het tijdelijk deel van het Omgevingsplan, omdat het de bedoeling is dat we toewerken naar een nieuw Omgevingsplan). Het overgangsrecht van de Omgevingswet regelt de overgang van het huidige naar het nieuwe recht.
Het bepaalt onder meer dat een ontwerp van een nieuw of gewijzigd bestemmingsplan uiterlijk 31 december 2023 ter inzage gelegd moet zijn om nog onder het huidige recht te kunnen worden afgehandeld en daarmee onder het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gaat vallen. Om zaken op orde te hebben voor een goede transitie in het kader van de Omgevingswet, is dit Hiatenplan opgesteld. Met dit Hiatenplan wordt alsnog een correcte bestemming toegekend, zodat er een adequaat juridisch-planologisch regime geldt. Strikt genomen gaat het hier om een zo goed als beleidsneutrale overgang c.q. bestendiging van bestaande rechten.
1.2
Plangebied Het Hiatenplan 2023 is van toepassing op een aantal afzonderlijke locaties binnen de gemeente, zoals een perceel nabij de Zeesluis Edam, een deel van het Middengebied tussen Edam-Volendam, een strook water in de Gouwzee, een aantal percelen ten westen van het bedrijventerrein Oosthuizerweg, een deel van het havengebied waar sprake is van een omissie m.b.t. de verkeersbestemming en het perceel Haven 52 in Volendam. In het centrumgebied van Volendam heeft een deel van het havengebied abusievelijk de bestemming "verkeer". Deze omissie wordt hersteld, door dit gebied alsnog middels het bestemmingsplan Hiatenplan 2023 de bestemming "Verkeer-Verblijfsgebied 2" te geven. De exacte ligging van het plangebied komt tot uitdrukking middels de bij dit ontwerpbestemmingsplan behorende verbeelding.
4
Het gaat om de navolgende locaties (de locaties zijn globaal weergegeven, de exacte begrenzing volgt uit de verbeelding).
1 2
3
4
6 5
Overzicht hiaten 1 2 3 4 5 6
1.3
Een aantal agrarische gronden ten westen van bedrijventerrein Oosthuizerweg Edam Sluis Oorgat Edam Natuurgebied Middengebied Edan-Volendam Strook water in de Gouwzee Gronden met verkeerbestemming oude kom Volendam Haven 52 Volendam
Leeswijzer Voorliggende toelichting is als volgt opgebouwd; na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid. In hoofdstuk 4 wordt beoordeeld of het plan haalbaar is wat betreft milieu, water, ecologie, archeologie, verkeer en parkeren. De toelichting sluit af met een beschrijving van de juridische regeling. In hoofdstuk 5 volgt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
5
2 2.1
Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.
2.2
Rijksbeleid
2.2.1
Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. De NOVI vervangt vanaf dat moment de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, 2012). Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actievere Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3.
sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna.
6
Beoordeling en conclusie Er zijn geen nationale belangen in het geding/ relevant voor dit plan. Dit behoudens nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit belang is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, zie hiervoor paragraaf 2.2.3. Relevant is ook de ligging van één perceel binnen de Stelling van Amsterdam. Zie hiervoor paragraaf 2.2.2. 2.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Beoordeling en conclusie Zoals aangegeven, ligt één perceel binnen de Stelling van Amsterdam, namelijk locatie 1, zie navolgende afbeelding.
Deze locatie ligt zowel binnen een inundatieveld als in een Verboden Kring (deels in Kring 1, deels in 2).
Inundatiegebied Stelling van Amsterdam
7
Verboden Kringen, Stelling van Amsterdam Deze structuur bestaat uit twee militaire verdedigingsgordels uit de laat-19e, vroeg20e eeuw. De verdediging werd uniek vormgegeven, met gebruikmaking van de karakteristieken van het omringende landschap en door het onder water zetten (inundatie) van land, ter bescherming van Amsterdam. De verdedigingslinie was 135 kilometer lang en bestond uit 46 forten en een groot aantal batterijen, dijken en sluizen. Het systeem van de stelling ging uit van onderwaterzetting (inundatie) van een gebied rondom Amsterdam. Een stelsel van inundatiesluizen en -dammen verdeelde het water op ingenieuze wijze. Hierdoor ontstond een nat gebied waar het water te diep was voor de vijand om door heen te waden voor man en paard, maar te ondiep om te varen. Hierdoor was een aanvaller gedwongen om over de aanwezige smalle landwegen en dijken, de accessen, aan te vallen. De verdediger legde op deze accessen verdedigingswerken aan, zodat er een groot strategisch voordeel ontstond. Vanuit de forten kon ook de geïnundeerde vlakte onder vuur genomen worden. Fort bij Edam was zo’n verdedigingswerk, waarmee werd gestart in 1885. De omliggende polders zou dan in tijden van oorlog(sdreiging) onder water worden gezet. Voor de werking van de linie was in die tijd een vrij uitzicht op de omgeving cruciaal. In 1853 werd de Kringenwet vastgesteld.
Als gevolg van deze wet golden er in “verboden kringen” beperkingen ten aanzien van bebouwing en beplanting rond de forten, om een vrij schootsveld te creëren en om te voorkomen dat forten onopgemerkt konden worden benaderd. De Kringenwet is in 1951 opgeschort en in 1963 ingetrokken. Het gebied rond de verdedigingswerken was ingedeeld in zones van 300, 600 en 1.000 meter. Voor deze gebieden golden verschillende bouw- en beplantingsvoorschriften. Binnen een kring van 300 meter mocht alleen in hout worden gebouwd. In de middelste kring (300 tot 600 meter) mocht tot 50 centimeter boven de grond in steen worden gebouwd. Ook mochten hier schoorstenen in steen worden opgericht. Verder moest alles bestaan uit materialen, die makkelijk in brand gestoken of omver geschoten konden worden. In de buitenste kring (600 m tot 1.000 m) waren in principe alle bouwmaterialen geoorloofd, maar in geval van “afkondiging van den staat van oorlog” en ook bij mobilisatie konden op last van de militaire bevelhebber alle gebouwen, bomen en andere obstakels zonder enig vorm van proces worden geruimd. Wo-
8
ningen die er toch gebouwd mochten worden, staan bekend als Kringenwetwoningen en moesten van hout zijn en snel af te breken. De beleidsmatige doorvertaling van Stelling van Amsterdam vindt plaats via de provinciale Omgevingsverordening, zie verder dit hoofdstuk hoe hieraan voldaan wordt. Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de andere onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro. 2.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.
Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken.
Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400
9
m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442 en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de ABRvS van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan voorziet in het positief bestemmen van reeds aanwezige functies of in een enkel geval het herstellen van een omissie. Er vindt geen nieuw ruimtebeslag plaats en zodoende is geen sprake van een ontwikkeling als bedoeld in de Ladder. Nadere toetsing kan achterwege blijven. Uitzondering hierop vormt de mogelijkheid van volkstuintjes en/of een baggerdepot (al dan niet tijdelijk) op locatie 1.
Deze mogelijkheid is echter niet rechtstreeks mogelijk gemaakt, maar pas na een binnenplanse afwijking, nadat daarover een afweging is gemaakt van de betrokken ruimtelijke aspecten. Voor de volkstuinen gaat het om de mogelijkheid in de toekomst tot verplaatsing van binnen de gemeente reeds aanwezige volkstuinen. Van nieuw ruimtebeslag is derhalve geen sprake, maar dan slechts van een mogelijke verplaatsing. Voor een baggerdepot is geen nieuwe bebouwing vereist en dat is wel waar de Ladder in beginsel voor bedoeld is. Er kan een vergelijking gemaakt worden met andere ontwikkelingen die door de ABvRS niet als stedelijke ontwikkeling zijn aangemerkt: een weg (uitspraak van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:448 (Den Haag)), een busbaan (uitspraak van 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2929 (Velsen)), een hoogspanningsverbinding (uitspraak van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465 (Inpassingsplan DW380 Doetinchem Voorst)), een windturbinepark (uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:709 (Windpark Krammer)). Meest relevant is de uitspraak van ABvRS waaruit blijkt dat zonneparken niet zijn aan te merken als stedelijke ontwikkeling ECLI:NL:RVS:2019:178). Hierin oordeelt de Afdeling ook dat zonneparken zich bij uitstek niet goed lenen om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. Dat geldt vanzelfsprekend ook voor baggerdepots.
Zodoende wordt gemotiveerd de conclusie getrokken dat dit plan niet voorziet in stedelijke ontwikkelingen. Voor Haven 52 is voorts een uitwerkingsplicht opgenomen. Er kunnen hier maximaal 5 woningen worden gerealiseerd, gezien de aangehaalde jurisprudentie is dit geen stedelijke ontwikkeling. Er is ook detailhandel e/o dienstverlening mogelijk, die evenwel is gemaximaliseerd op 150 m2, ruimschoots onder voornoemde ‘grens’ van 540 m2 voor kantoor. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling die niet als stedelijke ontwikkeling behoeft te worden aangemerkt en bovendien al in het op dit moment nog geldende analoge bestemmingsplan (Bp Oud Volendam, 26 maart 1998 door de raad vastgesteld) mogelijk wordt gemaakt en wordt voorzien.
10
2.3
Provinciaal beleid
2.3.1
Omgevingsvisie NH2050 Op 19 november 2018 heeft de provincie Noord-Holland de “Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid” vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2014. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond.
Ambities Noord-Holland heeft een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Dit is de hoofdambitie. Als subambities zijn er een aantal opgenomen: 1 Leefomgeving a Klimaatverandering: Noord Holland moet voorbereid zijn op klimaatverandering en waterrobuust worden ingericht. b Gezondheid en veiligheid: De ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond. Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, wat inhoudt: een woonwerkomgeving waar je zo min mogelijk wordt blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico’s en die een gezonde levensstijl ondersteunt; c Biodiversiteit en natuur: De ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Dit betekent dat ontwikkelingen zoveel mogelijk natuurinclusief zullen zijn. 2 Gebruik van de leefomgeving a Economische transitie: De ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor.
Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. b Wonen en werken: De ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. c Mobiliteit: De ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Clustering van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. d Landschap: De ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie.
11
3 Energietransitie De ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Vijf bewegingen Vanuit de ambities zijn een vijftal bewegingen opgesteld die laten zien hoe NoordHolland wil omgaan met de opgaven die op onze samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. 1. Dynamisch schiereiland: Benutten van de unieke ligging, waarbij de kustverdediging voorop staat, waar toeristische- en recreatieve kansen worden benut en waar natuurwaarden worden toegevoegd. 2. Metropool in ontwikkeling: De Metropoolregio Amsterdam gaat steeds meer als één stad functioneren en de reikwijdte wordt groter. 3. Sterke kernen, sterke regio's: deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. 4. Nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. 5. Natuurlijk- en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
Beoordeling en conclusie Met uitzondering van een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van een toekomstige mogelijkheid tot verplaatsing van volkstuintjes e/o het realiseren van een baggerdepot, voorziet het Hiatenplan niet in ruimtelijke ontwikkelingen; het gaat om het toekennen van een positieve bestemming van reeds legaal aanwezige functies. De genoemde afwijkingsbevoegdheid is niet in strijd met de Omgevingsvisie NH2050. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in strijd is met de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie NH2050. Voor de mogelijkheid voor volkstuintjes/baggerdepot zie verder de navolgende paragraaf. 2.3.2
Omgevingsverordening NH2020 (2020) Op 11 november 2020 is de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. In de verordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. In de verordening zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee gemoeid is. Een aanzienlijk deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet zoals aangegeven niet in stedelijke ontwikkelingen of ruimtelijke plannen. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 2.1). In algemene zin is artikel 6.62 Klimaatadaptatie relevant: De toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken het risico op: a. wateroverlast;
12
b. overstroming; c. hitte; d. watertekort; e. verzilting; en f. verslechtering van de ecologische en chemische waterkwaliteit.. De beschrijving omschrijft tevens de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de in het tweede lid omschreven risico’s te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. De beschrijving wordt opgesteld na overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt. Het is bij een plan als deze niet mogelijk / relevant om in te gaan op overstromingsrisico, watertekort, verzilting e.d.. Zoals aangegeven, ligt locatie 1 in het werkingsgebied Cultureel Erfgoed:
Uitsnede provinciale Omgevingsverordening, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde De locatie ligt evenwel niet in de werkingsgebieden Bijzonder provinciaal landschap of landelijk gebied (zie navolgende pagina). Dat laatste houdt in dat de locatie geacht moet worden deel uit te maken van stedelijk gebied. En het eerste houdt in dat er ter plaatse kennelijk geen bijzondere landschappelijke waarden aanwezig zijn. Derhalve dient er slechts getoetst te worden aan artikel Artikel 6.49 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde: 1. De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 en bijlage 7a bij de verordening. 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. 3. Een ruimtelijke plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten.
13
4. In afwijking van het derde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn; en c. er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid te mitigeren of te compenseren. 5. Ter plaatse van Werelderfgoed De Beemster voorziet een ruimtelijk plan niet in een windturbine. 6. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, onder c, plaatsvindt.
Uitsneden Omgevingsverordening, Bijzonder provinciaal landschap (boven) en Landelijk gebied
De kernkwaliteiten zijn: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: – een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;
14
– sluizen en voor- en achterkanalen; – de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; – inundatiegebieden; – voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); – de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam. Zoals aangegeven, het gebied maakt onderdeel uit van een inundatiegebied en ligt het binnen een schootsveld. Het gaat voorts om een relatief open gebied. Met de mogelijkheid van de aanleg van volkstuintjes e/o (een al dan niet tijdelijk) baggerdepot wordt de openheid niet aangetast. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er na afwijking weliswaar kleinschalige bebouwing wordt toegestaan, doch alleen met gebruikmaking van hout, hetgeen cultuurhistorisch verantwoord is, zie eerder dit hoofdstuk. Verder ligt een groot deel van het bestaande oostelijk gelegen industrieterrein ook in de stellingzone, maar is dit gebied geheel bebouwd. Door de aanwezigheid van het industrieterrein is er al geen direct zicht meer op dit gebied (dus geen schootsveld e.d.). Daarnaast zijn hier ook geen fysieke verdedigingswerken aanwezig. Bovendien blijft het in hydrologisch opzicht een polder, die dus onder water gezet kan worden.
In zoverre worden de kernkwaliteiten van de Stelling van Amsterdam niet onevenredig aangetast. Dit bestemmingsplan is zodoende in overeenstemming met de Omgevingsverordening. 2.3.3
Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie NoordHolland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De provincie maakt via ’woonakkoorden’ afspraken met regio’s en gemeenten daarbinnen over woningbouw, programmering en fasering van woningbouwplannen. Uitgangspunt is de juiste balans tussen vraag en aanbod, zowel kwantitatief als kwalitatief. Er komen maatwerkafspraken om tot voldoende, bij de vraag passende woningen te komen en de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, natuur- en landschapsinclusief en circulair te kunnen realiseren. De woonakkoorden vervangen daarmee de Regionale Actieprogramma’s Wonen (RAP’s). De provincie in op meer flexibiliteit en adaptiviteit in de woningprogrammering.
Om te zorgen voor voldoende woningbouwproductie én zorgvuldig ruimtegebruik, is het van belang dat de woningprogrammering niet in beton is gegoten, maar realistisch, flexibel en ruimte biedt om te anticiperen op veranderingen in de vraag of goede kansen die zich voordoen. Om te zorgen dat er voldoende woningen worden gebouwd, is
15
het belangrijk dat er voor de korte termijn (5 jaar) voldoende harde plannen zijn. Als vuistregel richten we ons op minimaal 130% ten opzichte van de behoefte voor 5 jaar. Bij het hard maken van plannen ligt de focus daarom op plannen die snel gerealiseerd kunnen worden. Het is belangrijk om regionale ’Ladder-ruimte’ vrij te houden voor kansrijke, snel te realiseren nieuwe initiatieven. Dit kan door ervoor te zorgen dat de harde planvoorraad kleiner is dan de woningbehoefte op de middellange termijn (5 10 jaar). Deze ’Ladder-ruimte’ zorgt voor meer flexibiliteit en adaptiviteit in de programmering. In de woonakkoorden kunnen afspraken worden gemaakt over hoeveel ruimte hiervoor wordt gereserveerd De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen. Ruimtelijke uitgangspunten 1. Wonen is onderdeel van een integrale verstedelijkingsopgave. 2. We geven ruimte voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. 3. We versterken de rol van de kernen en steden in het regionale netwerk, leidend tot keuzes voor woningbouw- en economische ontwikkeling en het voorzieningenniveau in de regio. 4. We geven invulling aan onze ambities door aan de hand van deze Woonagenda ruimte te bieden voor maatwerk en te sturen op regionale samenwerking.
Speerpunten 1 Een woning voor iedereen: A Adaptief en vraaggestuurd programmeren. B Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie. C Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2 Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie. Richtinggevende principes 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw. 3. De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7.
Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap.
16
8. Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen. Beoordeling en conclusie Het plan geeft uitvoering aan de provinciale woonvisie door het toevoegen van maximaal 5 woningen na toepassen uitwerkingsplicht. Het betreft bovendien een voorbeeld van kleinschalig, snel te realiseren plan. Deze uitwerkingsplicht is al overigens voorzien in een nu nog geldend analoog bestemmingsplan. Voor wat betreft het Hiatenplan gaat hier in feite om een zo goed als beleidsneutrale overgang dan wel bestendiging van bestaande rechten. Voldaan zal worden aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit en het BENG.
2.4
Regionaal beleid
2.4.1
Metropoolregio Amsterdam, Agenda voor een toekomstbestendige en evenwichtige Metropool 2020-2024 (MRA Agenda 2.0) De metropoolregio omspant het daily urban system van Amsterdam, ruwweg het gebied waarbinnen het meeste dagelijkse woon-werkverkeer plaatsvindt. Binnen dit gebied zijn er op allerlei terreinen – bereikbaarheid, arbeidsmarkt, woningmarkt – onderlinge afhankelijkheden. Wat de ene gemeente doet, heeft invloed op de andere. Het internationale succes van de stad Amsterdam – die tegenwoordig steevast hoog op de lijstjes van 'global cities' prijkt – zorgt voor groei van werkgelegenheid waar de hele regio van profiteert. Tegelijkertijd versterkt dit succes een aantal grote en complexe opgaven waar de metropoolregio voor staat. De woningmarkt staat onder hoogspanning, de tekorten op de arbeidsmarkt lopen op, op diverse plekken zorgt toerisme voor overlast en verminderde leefbaarheid, het mobiliteitssysteem heeft haar grenzen bereikt en de sociaaleconomische verschillen binnen de regio groeien. Daarbovenop komen nog de transitieopgaven, die net zo urgent, complex en omvangrijk zijn.
Door de Metropoolregio Amsterdam (een samenwerkingsverband tussen de gemeenten en provincies in de noordvleugel van de Randstad) is daarom onderkend dat voor het werken naar de toekomstige metropolitane strategie - strategie om de (noordelijke) Randstad op termijn concurrerend te maken met grootstedelijke gebieden als Parijs en Londen - Schiphol en de regio elkaar nodig hebben. Om deze binding te bevestigen wordt een convenant opgesteld dat de onderlinge relaties regelt en waarin reeds lopende trajecten worden meegenomen. De gezamenlijke ambitie richt zich op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Daarbij zijn twee principes leidend: 1. toekomstbestendige metropool 2. evenwichtige metropool
17
Hiertoe zijn vier opdrachten geformuleerd die moeten bijdragen aan de totstandkoming van die leidende principes, te weten: • Opdracht 0: De samenwerking verder versterken; • Opdracht 1: Werk maken van een veerkrachtige, inclusieve en schone economie; • Opdracht 2: Bouwen voor de woningbehoefte en met groei de leefkwaliteit van het geheel versterken; • Opdracht 3: Vaart maken met het metropolitaan mobiliteitssysteem. • Vervolgens zijn deze opdrachten uitgewerkt in een aantal ambities, uitvoeringslijnen en specifieke doelen. Edam-Volendam ligt binnen de MRA binnen de regio Waterland. De regio Waterland is een karakteristiek gebied met een enorme recreatieve en toeristische aantrekkingskracht op binnen-en buitenland, een veelheid van woonmilieus en ondernemerszin. De rust en ruimte van het polderlandschap en dijken, haar vele fiets- en vaarroutes, havens en natuurlandschappen en rijkdom aan water- en weidevogels dragen daaraan bij. Daartussen de vele historische (lint)dorpen en monumentale stadscentra zoals Monnickendam en vestingsteden Purmerend en Edam. Dagtoerisme, het ‘oude Holland’ met haar klederdrachten in Volendam en Marken en werelerfgoederen de Beemster en de Stelling van Amsterdam.
Deze karakteristieke waarden worden gecombineerd met alle denkbare woonmilieus, van stads tot dorps en landelijk wonen, het meest intensieve busnetwerk en ruimte voor ondernemen, van agrarisch tot industrieel. Beoordeling en conclusie In dit plan gaat het hoofdzakelijk om het toekennen van een planologische bestemming voor reeds bestaande functies. Op één locatie (Haven 52, Volendam) voorziet het plan indirect in de toevoeging van maximaal 5 woningen. Dit gebeurt binnen Bestaand Stedelijk Gebied, waardoor sprake is van binnenstedelijke verdichting. Hiermee draagt het plan op lokale schaal bij aan de ambities die voor de metropoolregio van toepassing zijn. In het gebied direct ten westen van het bedrijventerrein Oosthuizerweg te Edam wordt mogelijk een baggerdepot e/o volkstuintjes gerealiseerd. Dit kan alleen als de landschappelijke en cultuurhistorische waarden (ligging binnen de Stelling van Amsterdam) niet onevenredig worden aangepast: hiertoe zijn voorwaarden opgenomen in de planregels. Het plan is in overeenstemming met de Metropoolregio Amsterdam, Agenda voor een toekomstbestendige en evenwichtige Metropool 2020-2024 (MRA Agenda 2.0) 2.4.2
Woonakkoord regio Zaanstreek-Waterland en provincie Noord-Holland 20212025 Dit woonakkoord is de opvolger van het Regionaal Actieprogramma Wonen 20162020 (RAP). In het RAP maakten de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland jarenlang afspraken over het woonbeleid. In tegenstelling tot het RAP in de voorgaande periode zal de provincie partij zijn in de regionale woonafspraken.
18
De kwaliteit van Zaanstreek-Waterland is de ruimte om te wonen en te werken in een van de mooiste, meest karakteristieke en authentieke delen van de metropoolregio. Wonen in een woning in de stad of het landelijk gebied, met scholen en voorzieningen in de buurt, altijd nabij water, groen en recreatiemogelijkheden, goed bereikbaar via OV of auto. Het is niet alleen de kwaliteit maar vooral ook de identiteit die Zaanstreek-Waterland onderscheidend maakt en zo belangrijk is. Het landschap van Zaanstreek-Waterland is Hollandser dan Hollands: prachtige veenweidegebieden en droogmakerijen met sloten, plassen, polders, dijken en molens, weilanden met koeien, historische lintdorpen en een indrukwekkend rijke historie. Dit alles bij elkaar is het fundament van deze regio als Noordflank van de MRA. De regiogemeenten werken verder in de geest van de gezamenlijke ambities zoals beschreven in de regionale woonagenda Samen optrekken uit 2017. Identiteit door diversiteit versterken Zaanstreek-Waterland is als woongebied uniek in zijn verscheidenheid. Op een steenworp van Amsterdam gelegen, biedt Zaanstreek-Waterland een variëteit aan steden, stadjes, woonkernen en vrij liggende woningen in een prachtig landelijk gebied van veenweiden en droogmakerijen. Dicht bij elkaar zijn er zo sterk verschillende woonmilieus te vinden: van hoog stedelijk tot uitermate landelijk.
De toenemende woningvraag biedt kansen om die verscheidenheid nog op een hoger plan te brengen. De regiogemeenten willen die vraag benutten om de contrasten en de dynamiek te vergroten, de kwaliteit van de steden en de vitaliteit van de kernen te verhogen en het draagvlak voor (regionale) voorzieningen te versterken. Met de genoemde verscheidenheid en de versterking daarvan, onderscheidt de regio zich van andere delen van de MRA en draagt zo bij aan een complete metropool. Ruimte bieden aan de eigen én regionale woningvraag De regiogemeenten beschouwen Zaanstreek-Waterland als onderdeel van de MRA. Daarom willen de regiogemeenten hun verantwoordelijkheid nemen en ook een aandeel nemen in het accommoderen van de regionale woningvraag. Met het tegemoet komen aan de regionale woningvraag draagt Zaanstreek-Waterland bij aan de economische ontwikkeling van de Amsterdamse regio. Dit door voldoende huisvestingsmogelijkheden te bieden voor huishoudens die in de regio werken en door te voorkomen dat door schaarste het prijsniveau al te zeer oploopt. Elke gemeente zal haar bijdrage leveren aan het lenigen van de woningbehoefte door haar eigen kwaliteiten te versterken en aan te vullen, binnen de mogelijkheden die ze heeft. Zo kan de regio goede vervoersverbindingen met de werkgelegenheidscentra waarborgen en een open landschap voor de recreatie.
Verdere differentiatie van de woningvoorraad ten behoeve van alle doelgroepen De regiogemeenten streven naar gedifferentieerde woonmilieus en naar een gedifferentieerde woningvoorraad in Zaanstreek-Waterland, zodat alle inkomensgroepen (van rijk tot arm) en alle typen huishoudens (jong en alleenstaand, gezinnen, senioren) hier terecht kunnen en een woning kunnen vinden naar hun smaak en bereik. De regiogemeenten willen het goede van de woningmarkt behouden, waaronder de aanzienlijke betaalbare huur- en koop-woningvoorraad, en daarnaast de kansen benutten
19
voor het toevoegen of uitbreiden van woonmilieus en woningtypen waarnaar meer vraag ontstaat. Naar een toekomstbestendige woningvoorraad De regiogemeenten streven naar een toekomstbestendige woningvoorraad in Zaanstreek-Waterland. Er liggen met name opgaven in het meer levensloopbestendig maken van de woningvoorraad. Op dit moment is de voorraad sterk op gezinnen gericht is en veel minder op ouderen, en ook in het verduurzamen van de woningvoorraad moet een slag gemaakt worden. Door in te zetten op doorstroming werkt de regio aan een optimaal gebruik van de sociale voorraad. Als onderdeel van de grotere metropoolregio Amsterdam heeft Zaanstreek-Waterland een overloopfunctie vanuit de stad Amsterdam en er is natuurlijk ook de lokale woningbehoefte. In de MRA zijn afspraken gemaakt over hoe er op de woningbehoefte in de regio en lokaal kan worden ingespeeld. Zo is er de Woondeal tussen de MRA en het Ministerie van BZK, de Strategische notitie sleutelgebieden, Samen bouwen aan bereikbaarheid, Bereikbare steden en de Verstedelijkingsstrategie. De MRA-gemeenten zetten in op de realisatie van 250.000 woningen tot 2040 en de productie van 175.000 woningen in de periode 2020 tot 2030. Dit is een gemiddelde van 17.500 woningen per jaar. Opgave 1 De gemeenten in Zaanstreek-Waterland spraken in de woonagenda 2017 de ambitie uit om tot 2035, 1.500 woningen per jaar te bouwen.
Vanwege de sterke druk op de regionale woningmarkt wordt op dit moment de verstedelijkingsdiscussie gevoerd. In dit kader zal ook de regionale bouwambitie worden herijkt. De regiogemeenten willen bijdragen aan de Woondeal door te bouwen voor de eigen woningbehoefte en voor een deel voor de MRA-woning-behoefte. Deze woningen bouwen de gemeenten in verschillende woonmilieus, die passen bij de verscheidenheid, en in verschillende prijsklassen en woningtypen. Hierbij zorgen de regiogemeenten ervoor dat er in de woonwijken ruimte is voor werken in/bij de woning en waarborgen we voldoende ruimte voor voorzieningen in de woonwijken. Los van de vraag of de hogere of lagere doelstelling met BZK wordt afgesproken in de verstedelijkingsstrategie, is het duidelijk dat er een opgave ligt om tot 2030 zoveel mogelijk woningen te realiseren om het woningtekort in te lopen en middels de bouw van woningen bij te dragen aan de ontwikkeling van de regionale economie. Per november 2020 hebben de regiogemeenten voor de bouw van ruim 6.200 woningen (6.208) harde plannen en voor de bouw van ruim 36.000 (36.156) woningen zachte plannen. Om de ambitie te realiseren heeft de regio momenteel een plancapaciteit beschikbaar van ca. 16.700 woningen t/m 2024 en bijna 14.000 woningen in de periode 2025 t/m 2029. De focus ligt hierbij op een maximale uitvoering.
Opgave 2 luidt zoveel als mogelijk binnenstedelijk bouwen, met ruimte voor uitzonderingen; opgave 3 luidt zoveel als mogelijk bouwen in de nabijheid van OVknooppunten in de stadsharten; opgave 4 luidt versnellen van de woningbouwproductie en opgave 5 luidt werken aan stedelijke vernieuwing en leefbaarheid.
20
De monitoring van de kwantitatieve afspraken uit het woonakkoord krijgt een plaats in de Monitor Woningbouw van de provincie. De uitkomsten van de monitoring zullen in de ambtelijke en bestuurlijke overleggen besproken worden. De plancapaciteit in Zaansteek-Waterland bestaat uit ca. 16.700 woningen t/m 2024 en bijna 14.000 woningen in de periode 2025 t/m 2029. In navolgende afbeelding is overzicht van de plancapaciteit in Zaanstreek-Waterland opgenomen. Hierbij aangetekend dat natuurlijk altijd nieuwe locaties toegevoegd kunnen worden.
Beoordeling en conclusie Het onderdeel van dit Hiatenplan, t.w. Haven 52, draagt bij aan de leniging van de woningbehoefte en is daarmee in overeenstemming met het regionale Woonakkoord. Bovendien is er voldoende ‘restcapaciteit’, afgezet tegen de behoefte (gemiddeld 17.500/jaar), wanneer sec naar de harde plancapaciteit wordt gekeken.
2.5
Gemeentelijk beleid
2.5.1
Omgevingsvisie Edam- Volendam In Edam-Volendam heeft de gemeente voor onze leefomgeving nu veel verschillende visies over uiteenlopende onderwerpen. Dat is onoverzichtelijk en gaat ten koste van de samenhang. De gemeente wil dat het beleid simpel en overzichtelijk wordt, met minder regels en meer ruimte voor initiatief. Daarom maken we één visie voor alle onderwerpen die met de leefomgeving te maken hebben: de omgevingsvisie. Het invoeren van de omgevingsvisie is voor elke gemeente verplicht. Hoe die visie eruit ziet en wat er precies in staat, dat is vrij. Daarom wil de gemeente dat onze omgevingsvisie aansluit op wat de gemeente belangrijk vindt in Edam-Volendam.
21
Met het invoeren van de omgevingsvisie wil de gemeente in ieder geval de drie volgende dingen bereiken: Een goede leefomgeving in Edam-Volendam Iedereen in onze omgeving moet zich prettig voelen. Kinderen moeten veilig buiten kunnen spelen, jongeren en ouderen hebben een goede plek nodig om te wonen en er is zorg voor elkaar. Toeristen zijn welkom maar tegelijkertijd moeten onze bewoners op een fijne manier kunnen wonen en werken. Het is de taak van de gemeente om hiervoor te zorgen. In de omgevingsvisie beschrijven we hoe we onze leefomgeving op een goede manier kunnen beheren, beschermen, gebruiken en ontwikkelen. Duidelijke visie voor de toekomst van Edam-Volendam Met elkaar moeten we bepalen wat belangrijk is voor onze toekomst. Hoe gaan we om met vergrijzing? Hoe maken we onze gemeente duurzaam en toekomstbestendig? Hoe gaan we om met het tekort aan woningen in de regio? Hoe houden we droge voeten terwijl de bodem daalt? Hoe zorgen we voor een goede toekomst voor onze bedrijven en boerderijen? Deze vraagstukken kunnen niet los van elkaar worden gezien. Ruimte voor initiatief De gemeente is rijk aan ondernemende mensen, verenigingen en bedrijven. Als gemeente willen wij daarvoor voldoende mogelijkheden en goede dienstverlening blijven bieden. De omgevingsvisie geeft een duidelijke richting aan om samen te werken aan een goede leefomgeving.
Daarbij wordt ruimte gegeven aan initiatieven die deze koers ondersteunen. Samen, uitnodigend, simpel, servicegericht en met ruimte voor maatwerk en overleg. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan voorziet niet rechtstreeks in nieuwe functies. Voor twee locaties is daar indirect wel sprake van; op locatie 1 bestaat na afweging van ter zake ruimtelijke aspecten een afwijkingsbevoegdheid voor een (al dan niet tijdelijk) baggerdepot en een mogelijkheid voor volkstuintjes, en op de locatie Haven 52 maximaal 5 woningen en 150 m2 detailhandel/dienstverlening. Zie hoofdstuk 4. Dit voldoet aan de doelstellingen zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie c.q. draagt er aan bij deze te verwezenlijken. Deze functies zullen moeten voldoen aan de wettelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid. Onder andere zullen ze ingevolge de Wet Voortgang energietransitie gasloos worden gebouwd. Voor wat betreft het Hiatenplan gaat het voorts hier in feite om een zo goed als beleidsneutrale overgang dan wel bestendiging van bestaande rechten In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt de participatie vorm gegeven door het bestemmingsplan ter inzage te leggen (als ontwerp). De ontwikkelingen staan de geformuleerde doelstellingen uit de Omgevingsvisie niet in de weg.
22
2.5.2
Woonvisie 2022-2025 Edam-Volendam De gemeente vindt het belangrijk om tot een evenwichtige opbouw van bevolking en woningvoorraad te komen. Hierbij gaat kwaliteit boven kwantiteit. Het streven is een hoogwaardig en veilig leef-, woon- en werkmilieu, dat duurzaam van kwaliteit is. Dit betekent investeren in de ruimtelijke kwaliteit, aandacht voor de bestaande wijken, uitgaande van een levensloopbestendige, veilige, schone en duurzame leefomgeving. Inwoners en nieuwe bewoners van onze gemeente moeten hun woonwensen en wooncarrière kunnen invullen, waarbij rekening wordt gehouden met hun financiële mogelijkheden, gezinssamenstelling en zorgbehoefte. De woonvisie is uitgewerkt aan de hand van vier centrale thema’s: 1. Woningbouwopgave: de gemeente vindt het belangrijk dat er voldoende woningen worden gebouwd om te voorzien in de behoefte aan woningen. Daarbij gaat het met name om de lokale vraag naar woningen. Maar men moet ook rekening houden met een extra opgave gezien het aantal vestigers in onze gemeente. Niet of minder bouwen betekent dat de prijzen van bestaande woningen verder zullen stijgen. We bouwen voor elke doelgroep, maar hebben extra aandacht voor starters en senioren. Voor deze groepen is er op dit moment onvoldoende woningaanbod in onze gemeente, het zij qua betaalbaarheid (starters), hetzij qua levensloopgeschiktheid (senioren). 2.
Betaalbaar huren: Zowel voor mensen met een kleine als grote portemonnee moeten er voldoende mogelijkheden op onze woningmarkt zijn. Voor wie daar - gezien zijn financiële mogelijkheden- behoefte aan heeft, bieden we sociale huurwoningen in een betaalbare prijsklasse (< €752, prijspeil 2021). Om te voorzien in de lokale vraag, worden er de komende jaren sociale huurwoningen bijgebouwd. Deze opgave richt zich op de drie grote kernen, omdat huurders zich vooral daarop oriënteren. Zowel in bestaande als nieuwe wijken streven we naar een mix van huur- en koopwoningen, zodat we komen tot gevarieerde wijken, zowel qua woningaanbod als bevolkingssamenstelling. 3. Kwaliteit bestaande woningen: Nieuwbouw vormt maar een fractie van onze woningvoorraad. Willen we een aantrekkelijke woongemeente blijven, dan is continue aandacht voor de kwaliteit van bestaande woningen belangrijk. Speerpunt daarin is voor ons de aandacht voor het toenemend aantal oudere woningeigenaren. In de eerste plaats zetten we in op passende nieuwbouw (zie thema 1), maar daarnaast zal ook een deel van de bestaande voorraad levensloop geschikt gemaakt moeten worden omdat niet iedereen kan of wil verhuizen. Als gemeente geven we informatie en creëren we bewustwording, maar de woningeigenaar is zelf aan zet om de woning aan te passen.
Daarnaast willen we stap voor stap naar een meer duurzame woningvoorraad, maar alleen door gebruik van bewezen technieken en door draagvlak te creeren bij bewoners. 4. Wonen met zorg: Voor deel van de ouderen en andere zorgvragers is een levensloopgeschikte woning niet voldoende. Zij hebben meer zorg en/of ondersteuning nodig om prettig te kunnen wonen. We willen daarom investeren in goede woonzorgvormen (passend bij de zorgvraag van woningzoekenden) inclusief een woonomgeving die daar zowel fysiek als sociaal op afgestemd is. Dat betekent dat ook dat wijken voldoende draagkracht moeten houden voor
23
het aantal zorgvragers dat er woont. Kortom; een goede balans tussen mensen met en zonder zorgvraag op wijkniveau. De grootste woningbouwopgave voor de gemeente zal zich de eerstkomende tien jaar manifesteren (+1.165 woningen). Maar ook in de periode 2030-2040 blijft er nog een forse opgave bestaan (+570 woningen). Voor de komende woonvisieperiode (20222025) moet de gemeente daarom over voldoende plannen beschikken om deze woningbehoefte in te vullen. De praktijk wijst uit dat bij een deel van de plannen vertraging kan ontstaan of dat plannen zelfs helemaal komen te vervallen. Daarom houden we een plancapaciteit van 130% de behoefte aan om eventuele tegenvallers (zoals planvertraging) op te vangen. Dit houdt in dat we de komende vier jaar een plancapaciteit van 600 woningen hanteren. Dit is voldoende om de behoefte (ongeveer 465 woningen) te realiseren. Voor het invullen van de woningbouwopgave wil de gemeente zo zorgvuldig mogelijk omgaan met de beschikbare ruimte. Dit betekent dat de gemeente primair inzet op het bouwen op inbreidingslocaties (‘inbreiden waar het kan’). Zo blijft het buitengebied zoveel mogelijk gespaard. Bij nieuwbouw geeft de gemeente prioriteit aan de bouw van levensloopgeschikte woningen voor senioren, met name in de betaalbare koop, sociale huur en middeldure huur. We richten ons daarbij op de drie grote kernen, met prioriteit voor de kern Edam.
De vergrijzing in de gemeente zal zich het sterkst in de kern Edam manifesteren. Er is daarom behoefte aan meer levensloopgeschikte appartementen voor senioren. De nadruk gaat daarbij sterk uit naar sociale huur. Er is ook enige vraag naar appartementen in de middeldure huur voor ouderen die niet in aanmerking komen voor sociale huur. De vraag in de koopsector richt zich -in verhouding tot de andere kernen wat meer op het middeldure segment. Deze vraag is deels afkomstig van jonge gezinnen uit de kern, deels van vestigers van buiten de gemeente. Niettemin is ook in Edam ruimte voor uitbreiding in de betaalbare koopsector, afkomstig van jonge huishoudens. Beoordeling en conclusie Hoewel dit bestemmingsplan direct geen woningen mogelijk maakt, is er wel voor één locatie een uitwerkingsplicht opgenomen hier maximaal 5 woningen te realiseren, namelijk Haven 52. Dit past om meerdere redenen in de Woonvisie. Het gaat om een beschikbare inbreidingslocatie, gelegen binnen Volendam, en de locatie is geschikt voor enkele woningen. Er wordt een bijdrage geleverd aan de woningbehoefte. 2.5.3
Detailhandelsstructuurvisie Edam - Volendam (2007, actualisatie 2018) In de detailhandelsstructuurvisie uit 2007 worden enkele maatregelen voorgesteld voor een sterkere detailhandelsstructuur voor de gemeente. Het centrum van Volendam speelt daarin als hoofdwinkelgebied een belangrijke rol. Tegelijk wordt geconstateerd dat het centrum niet optimaal functioneert. Dit komt onder meer door een gefragmenteerde structuur. In de visie worden verschillende deelgebieden onderscheiden. De grote groepen internationale toeristen op en rondom ‘De Dijk’ kennen hun eigen dynamiek. Voor de winkelfunctie is deze doelgroep van ondergeschikt belang. Het is vooral zaak deze grote bezoekersstromen te faciliteren door te zorgen voor een goede en snelle aan- en afvoer vanaf de (bus)parkeerplaatsen aan de rand van
24
het centrum. Het gebied rondom de Haven heeft daarnaast ook een belangrijke uitgaansen ontmoetingsfunctie voor inwoners uit Volendam zelf. De Dijk vormt het sociaalmaatschappelijke hart van de Volendamse samenleving. In 2018 is de visie geactualiseerd. Daarbij is geconstateerd dat ondanks landelijke en lokale ontwikkelingen de hoofdlijnen van de analyse en het beleid uit 2007 nog altijd actueel zijn. Beoordeling en conclusie: Ín dit plan is een uitwerkingsplicht opgenomen om op de locatie Haven 52 maximaal 150 m2 detailhandel toe te voegen. Het voorzieningenniveau wordt daarmee uitgebreid en door het opvullen van een ‘gat’ in de bebouwing kan een ontsierende plek op een ruimtelijk kwalitatieve manier worden ingevuld. Het plan versterkt dus de detailhandelsstructuur. 2.5.4
Inventarisatie Marktruimte Detailhandel centrum Volendam (2011) In 2011 is de marktruimte voor detailhandel in het centrum van Volendam (opnieuw) onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat in de niet dagelijkse sector een ruimte aanwezig is van 3.000-4.100 m2 wvo/3.800-5.100 m2 bvo in 2020. Uit de inventarisatie marktruimte blijkt dat de matige staat van de winkelstructuur in het centrum van Volendam om een krachtige integrale vernieuwingsslag vraagt. De ruimte voor uitbreiding is derhalve binnen de lokale markt aanwezig. Daarnaast kan voordeel worden getrokken uit het toeristisch (aantrekkings) potentieel. Beoordeling en conclusie: zoals in voorstaande paragraaf aangegeven, versterkt het plan de detailhandelsstructuur. Bovendien is er voldoende marktruimte voor de voorziene extra 150 m2 detailhandel. Het plan past zodoende binnen de Inventarisatie Marktruimte Detailhandel centrum Volendam (2011) alsmede de actualisatie daarvan.
2.5.5
Erfgoedverordening gemeente Edam–Volendam 2018 Op 22 juni 2018 is “Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam in werking getreden. Onderhavige erfgoedverordening regelt de status van gemeentelijke monumenten via het bestemmingsplan. Naast een vergunning–procedure ingevolge de Wabo voor rijksmonumenten wordt het bestemmingsplan als instrument gebruikt om het gemeentelijk cultureel erfgoed te beschermen. Dit cultuurgoed krijgt via een dubbelbestemming “Waarde–Edams–Volendams erfgoed” (WR-EV) een vaste positie binnen het bestemmingsplan. Hierdoor worden de ruimtelijke kwaliteiten op het gebied van cultuur- en architectuurhistorie, alsmede landschap integraal bewaakt. Het nieuwe aan dit planologische erfgoedregime is, dat het systeem ontwikkelingsgericht is vanwege duidelijke richtlijnen voor toekomstig gebruik en dat er een koppeling wordt gemaakt met de Erfgoedverordening. Mede hierdoor wordt er als het ware een koppeling gelegd tussen de Wet ruimtelijke ordening, de wetgeving inzake erfgoed, de Woningwet en de Wabo, zodat een dekkend, meer integraal regime ontstaat.
25
Het voordeel van een dergelijk systeem is, dat door de koppeling van het bestemmingsplan aan de Erfgoedverordening een integrale bescherming mogelijk is in tegenstelling tot de traditionele fragmentarische en objectgerichte aanpak. In de Erfgoedverordening zijn gradaties in beschermingsniveaus opgenomen, te weten: − karakteristiek waardevol bouwwerk; − beeldbepalend bouwwerk; − stolp; − waardevol cultuurhistorisch element; − cultuurhistorisch attentiegebied. Het gemeentelijk monumentenbeleid van Edam-Volendam wordt daarmee beheerst door: − de Monumentennota met een gemeentelijke Cultuurwaardenkaart; − de eerder genoemde Erfgoedverordening; − de uitwerking in het bestemmingsplan, zoals dat schematisch is weergegeven in paragraaf 4.3 van deze toelichting. Beoordeling en conclusie De diverse locaties beschikken niet over aangewezen monumentale waarden, en de omgeving ook niet. Wel is voor een klein deel een dubbelbestemming Waarde – Edams – Volendams Erfgoed toegekend, namelijk op die plaatsen waar dat volgt uit het rapport Cultuurhistorische Waardestelling (als bijlage toegevoegd aan de regels) c.q. het geldende bestemmingsplan. Hiermee worden de aanwezige cultuurhistorische waarden beschermd. Het gaat hier met name om de Haven e.o. (met de bestemming Verkeer-verblijfsgebied 2).
2.5.6
Duurzaamheidsagenda Edam-Volendam 2018-2022 Op 11 juli 2017 is de Duurzaamheidsagenda "Verantwoord vooruit" van de gemeente Edam-Volendam voor 2018-2022 vastgesteld. In deze agenda heeft de gemeente kernwaarden geformuleerd en de missie van de gemeentelijke organisatie, die een leidraad vormen voor de beleidsvorming en -uitvoering. Het gaat om de volgende waarden: • Verbinden: Door het bewust inzetten van participatie in beleidsvorming, maar ook in de nadere uitwerking en uitvoering van concrete duurzame maatregelen; • Leiderschap: De gemeente geeft nadrukkelijk aan welke doelstellingen behaald dienen te worden en met welke maatregelen daar uitvoering aan wordt gegeven; • Wendbaarheid: Om in te kunnen haken op het snel veranderende duurzaamheidsbeleid en -wetgeving, net als de technische ontwikkelingen. Hiervoor is maatwerk en wendbaarheid nodig; • Vertrouwen: De gemeente poogt bedrijven, burgers, boeren en maatschappelijke organisaties ruimte te bieden om dit naar eigen verantwoordelijkheid in te vullen;