CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Programma LEF - Tussenrapport gemeente Edam-Volendam

Themabijeenkomst 9 januari 2025, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: LEF en JOGG15.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Steekproef In deze bijlage zal enkel gebruik gemaakt worden van een herhaalde cross-sectionele steekproef, aangezien vanwege de lockdown niet alle leerlingen van het RSG Enkhuizen bereikt zijn en/of bereid gevonden zijn deel te nemen; leerlingen zijn gevraagd om thuis de vragenlijst in te vullen i.p.v. onder schooltijd in de klas. Om deze reden en het feit dat de peiling in een andere context dan de eerdere metingen heeft plaatsgevonden is het niet mogelijk om naar longitudinale ontwikkelingen te kunnen kijken. In deze bijlage worden per meting alle leerlingen meegenomen die op die specifieke meting deelgenomen hebben, ongeacht of zij ook nog op andere metingen deelgenomen hebben.

Verdeling van de steekproef De steekproef bestaat op T0 (Feb 2018), T1 (Dec 2018), T2 (Feb 2019) en tijdens de peiling (Mei 2020) in totaal uit respectievelijk 1.027, 1.034, 931 en 221 jongeren uit de gemeente Edam-Volendam (zie Tabel 15), in de leeftijd van 11 t/m 19 jaar. De verdeling van het geslacht en de verschillende leeftijden zijn in deze meting schever verdeeld dan in de vorige metingen. Zo is het percentage deelgenomen jongeren van 16 jaar en ouder ruim twee tot drie keer hoger ten opzichte van de eerdere metingen.

31

Tabel 15. Beschrijving van de steekproef, naar demografische gegevens. T0

T1

T2

Peiling

N

%

N

%

N

%

N

%

1.027

--

1.034

--

931

--

221

--

Jongen

512

49,9

545

52,7

480

51,6

85

38,5

Meisje

515

50,1

489

47,3

451

48,4

136

61,5

12 jaar

125

12,2

239

23,1

76

8,2

10

4,5

13 jaar

271

26,4

264

25,5

244

26,2

35

15,8

14 jaar

260

25,3

242

23,4

240

25,8

39

17,6

15 jaar

210

20,4

193

18,7

182

19,5

35

15,8

≥ 16 jaar

161

15,7

96

9,3

189

20,3

102

46,2

Totaal Sekse

Leeftijd

1

Bij combinatieniveaus (bijvoorbeeld HAVO/VWO) is het laagste schoolniveau gekozen.

Op basis van de scheve demografische verhoudingen over de verschillende metingen heen is een (statische) vergelijking van metingen lastig. Aangezien de demografische verhoudingen tussen meting T2 en de peiling het meest overeenkomen zullen de cijfers in het verdere rapport alleen voor deze twee metingen weergegeven worden. Binnen de groep jongeren van 16 jaar en ouder zijn deze metingen zowel qua aantallen participanten als verdeling naar geslacht eveneens redelijk gelijkwaardig; om deze reden zullen statistische vergelijkingen alleen voor deze groep getoetst worden.

Alcoholconsumptie Wanneer gekeken wordt naar het alcoholgebruik door jongeren in de gemeente Enkhuizen, is te zien dat op beide metingen ongeveer een derde van de jongeren aangeeft maandelijks alcohol te drinken. Hoewel het lijkt dat er tussen T2 en de peiling percentueel meer jongeren (zowel maandelijks als wekelijks) alcohol zijn gaan drinken, en zij meer glazen alcohol zijn gaan drinken (totale groep), lijkt dit een vertekend beeld te geven door de scheve verhouding van de steekproef [immers: percentueel meer oudere jongeren in de steekproef zullen hogere alcoholcijfers geven voor de totale groep]. Wanneer dit naar leeftijd bekeken wordt lijkt het er

32

namelijk juist op dat ten opzichte van T2 er tijdens de peiling minder jongeren maandelijks alcohol drinken, en zij wekelijks gemiddeld minder glazen alcohol drinken.

Tabel 16. Prevalentie van het alcoholgebruik en gemiddelde alcoholconsumptie (glazen per week), uitgesplitst naar leeftijd. Alcohol,

Alcohol,

Glazen per week,

Glazen per week,

maandelijks (%)

wekelijks (%)

totale groep (M)

wekelijkse drinkers (M)

Leeftijd

T2

Peiling

T2

Peiling

T2

Peiling

T2

Peiling

12 jaar

1,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

--

--

13 jaar

10,2

0,0

2,5

0,0

0,21

0,0

7,25

--

14 jaar

19,7

7,9

8,8

7,9

0,60

0,13

5,69

1,67

15 jaar

44,0

29,4

28,0

25,7

2,63

1,15

7,59

4,33

≥ 16 jaar

67,2

65,0

61,9

61,8

6,24

5,18

9,06

8,06

Totaal

30,1

35,9

20,9

33,9

2,01

2,57

8,26

7,35

Conclusies over het alcoholgebruik van jongeren binnen de gemeente Enkhuizen zijn vanwege de geringe vergelijkbaarheid tussen beide metingen lastig te maken. Bovenstaande resultaten geven wel een indicatie dat tijdens de peiling met name binnen de groep jongeren van 15 jaar en jonger het aantal jongeren dat maandelijks alcohol heeft gedronken en het gemiddelde aantal glazen per week is gedaald, ten opzichte van jongeren in deze groep tijdens T2. Verklaringen voor deze mogelijke dalingen binnen deze leeftijdsgroepen zijn statistisch helaas niet te bekijken, maar wel zullen de factoren die hier invloed op kunnen uitoefenen hierna verder besproken worden.

Factoren Zoals in het rapport te lezen is, is voor programma LEF een verklaringsmodel opgesteld waarin diverse factoren opgenomen zijn die het alcoholgebruik van jongeren (kunnen) beïnvloeden. Deze factoren zullen hierna verder besproken worden en – waar mogelijk – bekeken worden hoe dit zich tussen T2 en de peiling ontwikkeld heeft.

33

Invloed van ouders op alcoholgebruik van jongeren Ouders kunnen een belangrijke rol spelen in het alcoholgebruik van jongeren. Deze invloed lijkt voornamelijk te liggen in de tolerantie die ouders ten aanzien van alcoholgebruik van hun kinderen hebben (en de bijbehorende regels die zij hierover stellen).

Wanneer gekeken wordt naar de regels die ouders stellen, is te zien dat jongeren in de gemeente Enkhuizen over het algemeen strikte regels over (het gebruiken van) alcohol ervaren en dat deze tijdens de peiling minder strikt geworden lijken te zijn ten opzichte van T2 (zie Tabel 17). Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt door de hogere percentages oudere jongeren tijdens de peiling. Immers, bij oudere jongeren zullen ouders toleranter zijn ten aanzien van hun alcoholgebruik dan bij jongere jongeren. Dit is eveneens terug te zien wanneer de regels verder naar leeftijd bekeken worden; ouders van jongeren van 16 jaar en ouder zijn (hoewel net niet significant, p = .087) het meest tolerant geworden van T2 naar de peiling. Als gekeken wordt naar de invloed van regels op het alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat het stellen van strikte regels een beschermende factor kan zijn. Op beide metingen geldt dat jongeren die aangeven striktere regels te ervaren, significant vaker aangeven in de afgelopen maand (T2: r = - .55; Peiling: r = - .71) geen alcohol gedronken te hebben. Tevens is op beide metingen een (sterk) significant verband te zien tussen het stellen van regels en de hoeveelheid alcohol die jongeren wekelijks drinken; wanneer jongeren striktere regels ervaren, drinken zij wekelijks minder alcohol (T2: r = - .59; Peiling: r = - .54).

Geconcludeerd kan worden dat jongeren waarvan de ouders toleranter zijn ten aanzien van alcoholgebruik, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

34

Tabel 17. Regels van ouders met betrekking tot alcoholgebruik van jongeren1 (M), uitgesplitst naar leeftijd. Leeftijd

T2

Peiling

12 jaar

4,79

4,73

13 jaar

4,65

4,73

14 jaar

4,54

4,63

15 jaar

3,93

3,94

≥ 16 jaar

3,02

2,72

Totale groep

4,17

3,67*

1

Hogere scores betekenen striktere regels met betrekking tot alcoholgebruik.

*

Significantie van verschil tussen T2 en Peiling kon niet berekend worden vanwege te grote

verschillen tussen steekproeven.

Invloed van jongeren op eigen en elkaars alcoholgebruik Jongeren kunnen een belangrijke rol spelen in hun eigen en elkaars alcoholgebruik. Deze invloed lijkt voornamelijk te liggen in de normen die jongeren over alcoholgebruik (van jongeren) waarnemen en de – al dan niet directe – groepsdruk die zij voelen om zich hieraan te conformeren.

De normen die jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben gaan met name om de (waargenomen) norm dat alcohol drinken geaccepteerd is, het erbij hoort en dat iedereen het doet. Hierbij zijn drie verschillende normen te onderscheiden, namelijk algemene normen, descriptieve normen en injunctieve normen. De descriptieve normen zijn tijdens de peiling niet uitgevraagd en zullen niet besproken worden; de andere twee typen normen worden hierna verder besproken.

Algemene normen De algemene normen die jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, komen voornamelijk voort uit het (algemene) idee dat alcohol drinken normaal is en erbij hoort. Deze normen worden gemeten door jongeren te vragen in hoeverre zij vinden dat

35

jongeren van hun leeftijd in bepaalde situaties alcohol mogen drinken (bijvoorbeeld thuis als ouders aanwezig zijn, of op een feestje met vrienden).

Wanneer gekeken wordt naar de sterkte van algemene normen die jongeren hebben ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren, valt op dat deze normen in de gemeente Enkhuizen gemiddeld niet heel sterk aanwezig zijn, maar dat deze tijdens de peiling wel positiever lijken te zijn geworden ten opzichte van T2 (zie Tabel 18). Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt door de hogere percentages oudere jongeren tijdens de peiling. Immers, oudere jongeren zullen over het algemeen positievere normen over alcoholgebruik hebben dan jongere jongeren. Dit is eveneens terug te zien wanneer de normen verder naar leeftijd bekeken worden; de normen van jongeren van 16 jaar en ouder zijn (hoewel net niet significant, p = .065) het meest positief geworden van T2 naar de peiling.. Als gekeken wordt naar de invloed van algemene normen op het alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren deze normen een grote invloed op het alcoholgebruik hebben. Op beide metingen geldt dat jongeren met sterkere positieve normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren, significant vaker aangeven in de afgelopen maand (T2: r = .57; Peiling: r = .72) alcohol gedronken te hebben.

Tevens is op beide metingen een sterk significant verband te zien tussen de algemene normen en de hoeveelheid alcohol die jongeren wekelijks drinken; wanneer jongeren sterkere positieve normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren hebben, drinken zij wekelijks meer alcohol (T2: r = .60; Peiling: r = .53). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die sterkere positieve algemene normen hebben ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

36

Tabel 18. Algemene normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren1 (M), uitgesplitst naar leeftijd.

1

Leeftijd

T2

Peiling

12 jaar

1,28

1,38

13 jaar

1,60

1,37

14 jaar

1,96

1,86

15 jaar

2,67

2,62

≥ 16 jaar

3,38

3,65

Totale groep

2,23

2,70*

Hogere scores betekenen dat jongeren positievere normen ten aanzien van alcoholgebruik

van jongeren hebben. *

Significantie van verschil tussen T2 en Peiling kon niet berekend worden vanwege te grote

verschillen tussen steekproeven.

Injunctieve normen De injunctieve normen die jongeren ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, verwijzen naar de waargenomen goed- of afkeuring van alcoholgebruik door leeftijdsgenoten. Deze normen worden gemeten door jongeren te vragen in hoeverre zij denken dat hun leeftijdsgenoten het zouden goed- of afkeuren als zij elke week alcohol (zouden) drinken.

Jongeren in de gemeente Enkhuizen denken op beide metingen over het algemeen dat hun leeftijdsgenoten het niet specifiek goed- of afkeuren als zij iedere week alcohol (zouden) drinken, al lijken zij tijdens de peiling sterker te denken dat leeftijdsgenoten het goedkeuren als zij wekelijks alcohol (zouden) drinken (zie Tabel 19). Vermoedelijk wordt dit veroorzaakt door de hogere percentages oudere jongeren tijdens de peiling. Immers, oudere jongeren zullen over het algemeen denken dat leeftijdsgenoten het sterker zouden goedkeuren als zij wekelijks alcohol (zouden) drinken dan jongere jongeren. Dit is eveneens terug te zien wanneer de normen verder naar leeftijd bekeken worden. Als gekeken wordt naar invloed van injunctieve normen op het alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren deze normen een grote invloed op het alcoholgebruik hebben. Op beide metingen geldt dat jongeren die denken dat hun leeftijdsgenoten het sterker

37

goedkeuren om wekelijks alcohol te drinken, significant vaker aangeven in de afgelopen maand (T2: r = .56; Peiling: r = .67) alcohol gedronken te hebben. Tevens is op beide metingen een sterk significant verband te zien tussen de injunctieve normen en de hoeveelheid alcohol die jongeren wekelijks drinken; wanneer jongeren denken dat leeftijdsgenoten het sterker goedkeuren om wekelijks alcohol te drinken, drinken zijzelf ook wekelijks meer alcohol (T2: r = .57; Peiling: r = .52). Geconcludeerd kan worden dat wanneer jongeren denken dat leeftijdsgenoten het (wekelijks) drinken van alcohol sterker goedkeuren, zij vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Tabel 19. Injunctieve normen over goed- en afkeuring alcoholgebruik door leeftijdsgenoten1 (M), uitgesplitst naar leeftijd.

1

Leeftijd

T2

Peiling

12 jaar

1,24

1,00

13 jaar

1,68

1,45

14 jaar

2,22

2,29

15 jaar

3,47

3,31

≥ 16 jaar

4,57

4,74

Totale groep

2,70

3,39*

Hogere scores betekenen dat jongeren denken dat leeftijdsgenoten alcoholgebruik sterker

goedkeuren. *

Significantie van verschil tussen T2 en Peiling kon niet berekend worden vanwege te grote

verschillen tussen steekproeven.

Handhaving Normaliter wordt binnen dit deel bekeken welke invloed de handhaving van het alcoholbeleid op het alcoholgebruik van jongeren heeft. Immers, wanneer jongeren buitenshuis makkelijk aan alcohol (denken te) kunnen komen, en zij weinig toezicht en controle ervaren bij het bezoeken van uitgaansgelegenheden en het daar alcohol drinken, zullen zij over het algemeen vaker en meer alcohol drinken dan wanneer de handhaving scherper is.

38

Gedurende de lockdown is het voor jongeren echter sowieso al onmogelijk geweest om buitenshuis alcohol te verkrijgen en uitgaansgelegenheden te bezoeken. Het is dan ook niet mogelijk om de rol van de handhaving verder te onderzoeken. Wel zal bekeken worden in hoeverre jongeren tijdens de lockdown alcohol in huiselijke sfeer gedronken hebben.

Tijdens de peiling geven maandelijks drinkende jongeren percentueel iets meer aan in huiselijke sfeer alcohol gedronken te hebben (96%) ten opzichte van maandelijks drinkende jongeren op T2 (92%). Ondanks de lockdown geven drie jongeren tijdens de peiling aan niet in huiselijke sfeer alcohol gedronken te hebben. Waar zij dit dan wel gedaan hebben is uit de data niet te achterhalen.

Wanneer gekeken wordt naar de verschillende huiselijke situaties valt op dat percentueel minder jongeren tijdens de peiling alcohol gedronken hebben in huiselijke sfeer waarin zij alcohol drinken met en/of bij andere personen dan in hun eigen huishouden (vrienden, familie) ten opzichte van T2. Wel is het percentage jongeren dat thuis met hun ouders alcohol gedronken heeft tijdens de peiling hoger ten opzichte van T2 (zie Tabel 20). Dit lijkt te impliceren dat minder jongeren gedurende de lockdown op bezoek gegaan zijn bij vrienden en/of familie en hier alcohol gedronken hebben dan voor de lockdown, maar ook dat meer jongeren alcohol zijn gaan drinken met hun ouders.

Tabel 20. Situaties waarin jongeren in huiselijke sfeer alcohol drinken, uitgesplitst naar leeftijd (%).* Met / bij

*

Bij familie of vrienden

Alleen thuis

vrienden thuis

Met ouders thuis

van ouders thuis

Leeftijd

T2

Peiling

T2

Peiling

T2

Peiling

T2

Peiling

≤ 15 jaar

18,0

27,3

88,0

72,7

51,9

63,6

39,8

9,1

≥ 16 jaar

21,1

14,5

99,2

80,6

69,1

67,7

64,2

38,7

Totaal

19,5

16,4

93,4

79,5**

60,2

67,1

51,6

34,2**

Hier zijn alleen jongeren meegenomen die aangegeven hebben in de afgelopen maand thuis

alcohol gedronken te hebben. **

Significantie van verschil tussen T2 en Peiling kon niet berekend worden vanwege te grote

verschillen tussen steekproeven.

39

Conclusie Wanneer gekeken wordt naar het alcoholgebruik van jongeren in de gemeente Enkhuizen gedurende de lockdown (tijdens de peiling) lijkt dit gestegen te zijn ten opzichte van de laatste meting voor de lockdown (T2), aangezien zowel de maandelijkse en wekelijkse prevalentie als de hoeveelheid alcohol voor de totale groep hoger zijn. Dit lijkt echter vertekend te zijn vanwege de scheve verhouding van leeftijd tussen beide metingen; immers wanneer de steekproef percentueel uit (veel) meer oudere jongeren bestaat is het aannemelijk dat de alcoholcijfers voor de totale groep hoger zijn. Wanneer dit verder naar leeftijd bekeken wordt is namelijk te zien dat het alcoholgebruik voor jongeren van 15 jaar en jonger lager ligt, terwijl dit voor jongeren van 16 jaar en ouder relatief stabiel is. Hoewel we hier vanwege de scheve verdeling van demografische gegevens tussen de metingen geen causale conclusie uit kunnen trekken, lijken deze resultaten een indicatie te geven dat in de gemeente Enkhuizen het alcoholgebruik onder – met name jongere (≤ 15 jaar) – jongeren gedurende de coronacrisis en lockdown gedaald is.

Wanneer gekeken wordt naar (de ontwikkeling) van de factoren uit het verklaringsmodel lijkt dit in eerste instantie verslechterd te zijn: voor de totale groep lijken ouders minder strikt en hebben jongeren positievere normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren. Hier lijkt echter hetzelfde vertekenende beeld zichtbaar als bij het alcoholgebruik vanwege de scheve verhouding naar leeftijd tussen beide metingen. Immers, oudere jongeren zullen eerder meer tolerante regels ervaren en positievere normen hebben ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren dan jongere jongeren. Wanneer dit verder naar leeftijd bekeken wordt is namelijk te zien dat op alle factoren voor vrijwel geen van de verschillende leeftijdsgroepen verschillen tussen de metingen te zien zijn. Voor de groep jongeren van 16 jaar en ouder lijkt op enkele factoren wel een verschil van T2 naar de peiling te zien: ouders lijken toleranter geworden te zijn en ook jongeren zelf binnen deze leeftijdsgroep lijken positievere normen ten aanzien van alcoholgebruik (van jongeren) te hebben. Hoewel de statistische toets voor beide factoren net geen significant verschil laat zien, is het aannemelijk dat hier vanwege een lagere statistische power (door de kleinere steekproef) wel degelijk een verschil tussen beide metingen in ontstaan is.

Tenslotte is te zien dat vrijwel alle maandelijks drinkende jongeren dit in huiselijke sfeer doen. Opvallend hierbij is dat meer jongeren tijdens de lockdown met hun ouders alcohol drinken, terwijl minder jongeren in huiselijke sfeer alcohol drinken met en/of bij

40

personen die niet tot hun huishouden behoren (vrienden, familie) ten opzichte van de situatie voor de lockdown.

Ondanks dat we vanwege de scheve verhouding van demografische gegevens tussen de metingen geen harde conclusies kunnen trekken, lijken de resultaten in deze bijlage een indicatie te geven dat het alcoholgebruik onder – met name jongere (≤ 15 jaar) – jongeren gedurende de coronacrisis en lockdown gedaald is. Het alcoholgebruik onder oudere jongeren (16 jaar en ouder) lijkt niet veranderd te zijn. Daarnaast lijken de factoren uit het verklaringsmodel die het alcoholgebruik (kunnen) beïnvloeden over het algemeen niet veranderd te zijn. Wel is er een indicatie dat de groep jongeren van 16 jaar en ouder tijdens de peiling minder strikte regels over alcohol heeft ervaren en positievere normen ten aanzien van alcoholgebruik (van jongeren) heeft ten opzichte van deze groep jongeren op T2.

Ondanks dat deze cijfers zich vanwege de verschillen in steekproef en context moeilijk laten vergelijken met die in het eerste deel van dit rapport, lijkt dit sterker te impliceren dat de positieve ontwikkelingen binnen de gemeente Edam-Volendam gedreven worden door (pre-)interventie invloeden van programma LEF. De vervolgmeting in februari 2021 zal hopelijk in een normale context plaatsvinden en vergelijkingen tussen beide gemeenten mogelijk maken, om zodoende meer inzicht te geven in de unieke bijdrage van programma LEF op de positieve ontwikkeling van jongeren in de gemeente Edam-Volendam.

41

Bijlage II: Invloed actieve toestemming Edam-Volendam Zoals in de inleiding van het rapport al aangegeven, had dit tussenrapport als oorspronkelijke opzet om te kijken of er wellicht al een effect van de implementatie van de eerste preventieactiviteiten in de gemeente Edam-Volendam zichtbaar zou zijn. Enerzijds is deze opzet niet mogelijk gebleken vanwege het ontbreken van data vanuit de controlegemeente door de coronacrisis (zie Bijlage I); anderzijds hebben minder jongeren in de gemeente EdamVolendam meegedaan omdat voor het eerst actieve toestemming vereist was, waardoor data van de verschillende metingen minder goed vergelijkbaar is gebleken. Omdat het mogelijk is dat jongeren die wel toestemming voor deelname hebben verschillen van jongeren die hier geen toestemming voor hebben en dit de in het rapport weergegeven resultaten kan beïnvloeden, zal in deze bijlage bekeken worden welke invloed het al dan niet hebben van toestemming voor deelname op de resultaten kan hebben.

Steekproef In deze bijlage wordt gebruik gemaakt van een selecte steekproef van jongeren uit de gemeente Edam-Volendam die tijdens de derde meting van programma LEF (afgenomen in februari 2019) hebben deelgenomen. Uit deze steekproef zijn de leerlingen verwijderd die tijdens de volgende meting in een examenklas zitten en hierdoor per definitie niet tot de steekproef voor de volgende meting hebben kunnen behoren (N = 296). Vervolgens is de overgebleven groep opgedeeld in twee groepen om te kunnen kijken naar de invloed van het al dan niet hebben van toestemming voor deelname1.

De steekproef bestaat in totaal uit 691 jongeren in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar. Er zitten iets meer meisjes (55%) dan jongens (45%) in de steekproef. Het schoolniveau van de steekproef was eveneens iets scheef verdeeld: ongeveer een derde van de steekproef (37%) volgde onderwijs op VMBO-niveau, het overige deel volgde onderwijs op HAVO- of VWO-niveau. Aangezien de demografische gegevens in deze bijlage eveneens als onderzoeksfactoren meegenomen worden, zal de verdeling van demografische gegevens per toestemmingsgroep later in de bijlage weergegeven worden.

1

De groep ‘geen toestemming’ omvat jongeren waarvan de ouders geen actieve toestemming gegeven hebben en/of die zelf geweigerd hebben om deel te nemen.

42

Factoren Diverse factoren kunnen mogelijk beïnvloeden of jongeren al dan niet toestemming voor deelname hebben. Deze factoren zijn in vijf verschillende domeinen onderverdeeld: demografisch, middelengebruik, individueel, groep/peer en ouderlijk. De invloed van de factoren zullen eerst per domein besproken worden, waarna uiteindelijk alle significante factoren per domein in één eindmodel getoetst zullen worden om te bekijken welke factoren de meeste invloed hebben op de actieve toestemming.

Demografisch Wanneer gekeken wordt naar de verdeling participanten per toestemmingsgroep is te zien dat dit qua aantallen evenredig verdeeld is: ongeveer de helft van de participanten uit de oorspronkelijk steekproef heeft geen toestemming voor deelname, de andere helft heeft dit wel (zie Tabel 21). Als de verdeling van demografische gegevens per toestemmingsgroep verder bekeken wordt, is te zien dat jongeren die geen toestemming hebben gemiddeld ouder en vaker van het vrouwelijke geslacht zijn dan jongeren die wel toestemming hebben. Wat betreft schoolniveau is te zien dat jongeren in beide toestemmingsgroepen vaker een hoger schoolniveau volgen.

Tabel 21. Beschrijving van demografische gegevens per toestemmingsgroep. Geen toestemming

Wel toestemming

Aantal participanten (N (%))

339 (49,1%)

352 (50,9%)

Leeftijd (M (SD))

14,54 (1,11)

13,91 (0,85)

Jongen

130 (38,3%)

180 (51,1%)

Meisje

209 (61,7%)

172 (48,9%)

Laag

106 (31,3%)

148 (42%)

Hoog

233 (68,7%)

204 (58%)

Sekse (N (%))

Schoolniveau1 (N (%))

1

Laag: vmbo (alle afdelingen); Hoog: havo + vwo.

In Tabel 22 is te zien dat zowel de leeftijd als het geslacht van de participant een significante invloed heeft op de actieve toestemming voor deelname. Met ieder jaar dat de participant 43

ouder is, is de kans 54% groter dat de jongere geen toestemming voor deelname heeft, terwijl voor jongens geldt dat zij 55% meer kans hebben om toestemming voor deelname te hebben dan meisjes. Oftewel: jongere jongeren en jongens hebben vaker toestemming voor deelname dan oudere jongeren en meisjes. Voor schoolniveau is er geen verschil in de kans om toestemming voor deelname te hebben.

Tabel 22. Logistische regressie invloed demografische gegevens op actieve toestemming1.

1

B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Leeftijd

- .620 (.086)***

.000

.538

Geslacht [0 = jongen; 1 = meisje]

- .594 (.164)***

.000

.552

Schoolniveau [0 = laag; 1 = hoog]

- .198 (.173)

.251

.820

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

***

Significant bij p ≤ .001.

Alcoholgebruik Zoals in de inleiding aangegeven richt programma LEF zich voornamelijk op het alcoholgebruik van jongeren. Wanneer het alcoholgebruik een dermate grote uitkomstmaat is, is het mogelijk dat jongeren die al vaker en/of meer alcohol drinken minder geneigd zullen zijn toestemming voor deelname te geven. Of dit daadwerkelijk zo is, zal hierna verder besproken worden.

Als gekeken wordt naar het alcoholgebruik per toestemmingsgroep is te zien dat jongeren die toestemming voor deelname hebben maandelijks iets minder vaak alcohol drinken en wekelijks gemiddeld minder glazen alcohol drinken dan jongeren die geen toestemming hebben (zie Tabel 23). Wanneer specifiek gekeken wordt naar de groep wekelijkse drinkers is geen significant verschil in het alcoholgebruik tussen de toestemmingsgroepen zichtbaar.

44

Tabel 23. Beschrijving van alcoholgebruik per toestemmingsgroep. Geen toestemming

Wel toestemming

Maandelijkse frequentie (M (SD))

1,11 (2,58)

0,44 (1,49) ▼

Aantal glazen alcohol per/week (M (SD))

1,29 (3,23)

0,45 (1,85) ▼

Maandelijkse frequentie (M (SD))

4,86 (3,67)

3,94 (3,03)

Aantal glazen alcohol per/week (M (SD))

5,64 (4,63)

4,44 (4,03)

Totale groep

Wekelijkse drinkers1

1

Wekelijkse drinkers zijn jongeren die aangegeven hebben minimaal één glas alcohol

per/week te drinken. ▼

Significant lager dan in groep ‘geen toestemming’.

Wanneer vervolgens gekeken wordt in hoeverre het alcoholgebruik van jongeren daadwerkelijk invloed heeft op het al dan niet hebben van toestemming voor deelname, is te zien dat zowel het aantal keer dat jongeren maandelijks alcohol drinken als de hoeveelheid alcohol die zij wekelijks drinken gezamenlijk niet significant van invloed zijn op de actieve toestemming voor deelname (zie Tabel 24). Jongeren die minder (vaak) alcohol drinken, hebben geen grotere kans om toestemming voor deelname te hebben dan jongeren die vaker en meer alcohol drinken. Echter, wanneer dit voor beide alcoholmaten afzonderlijk wordt bekeken, hebben ze wel een significante invloed op de toestemming; vaker alcohol drinken (B = - .173, p < .001) en meer glazen alcohol per week drinken (B = - .151, p < .001) leidt tot een grotere kans om geen toestemming voor deelname te hebben.

Tabel 24. Logistische regressie invloed alcoholgebruik op actieve toestemming1.

1

B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Maandelijkse frequentie

- .084 (.069)

.224

.920

Aantal glazen alcohol per/week

- .090 (.062)

.148

.914

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

45

Individuele factoren Naast demografische factoren zouden andere individuele kenmerken van jongeren invloed kunnen hebben op het al dan niet toestemming hebben voor deelname. Het is immers mogelijk dat jongeren die bijvoorbeeld kwetsbaarder zijn, minder zelfvertrouwen en/of -controle hebben, minder geneigd zijn toestemming voor deelname te geven. Of dit daadwerkelijk zo is, zal hierna verder besproken worden.

In Tabel 25 is te zien dat de zelfcontrole en empowerment in beide toestemmingsgroepen relatief hoog ligt en niet significant verschilt tussen de groepen. Jongeren met minder zelfcontrole en een lager gevoel van empowerment hebben geen grotere kans om geen toestemming voor deelname te hebben dan jongeren met meer zelfcontrole en gevoel van empowerment (zie Tabel 26).

Tabel 25. Beschrijving van individuele factoren per toestemmingsgroep. Geen toestemming

Wel toestemming

Zelfcontrole (M (SD))

3,60 (0,64)

3,57 (0,55)

Empowerment (M (SD))

3,80 (0,79)

3,81 (0,68)

Tabel 26. Logistische regressie invloed alcoholgebruik op actieve toestemming1.

1

B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Zelfcontrole

- .105 (.148)

.481

.901

Empowerment

.052 (.121)

.666

1.054

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

Groeps- / peerfactoren jongeren Naast individuele factoren bij jongeren kunnen ook groeps- / peerfactoren, zoals normen en ervaren groepsdruk invloed hebben op het al dan niet toestemming geven. Jongeren die al sterkere normen (over alcohol) hebben en/of meer druk voelen om zich hieraan te conformeren zijn mogelijk minder snel geneigd toestemming voor deelname te geven. Of dit daadwerkelijk zo is, zal hierna verder besproken worden.

46

Jongeren in beide toestemmingsgroepen hebben over het algemeen geen sterke positieve normen over alcohol(gebruik), denken dat ongeveer de helft van hun leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinkt en denken dat leeftijdsgenoten het niet specifiek goed- of afkeuren als zij wekelijks alcohol (zouden) drinken (zie Tabel 27). Wel is voor al deze factoren te zien dat jongeren die toestemming voor deelname hebben minder positieve normen over alcohol(gebruik) hebben, denken dat minder leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinken en dat leeftijdsgenoten wekelijks alcoholgebruik sterker afkeuren dan jongeren die geen toestemming hebben. Tevens is te zien dat jongeren in beide toestemmingsgroepen weinig groepsdruk ervaren en dat dit niet verschilt tussen de groepen.

Tabel 27. Beschrijving van groepsfactoren per toestemmingsgroep. Geen toestemming

Wel toestemming

Algemene normen (M (SD))

2,07 (1,17)

1,69 (0,92) ▼

Descriptieve normen (M (SD))

2,56 (1,37)

2,03 (1,13) ▼

Injunctieve normen (M (SD))

2,82 (2,17)

2,06 (1,68) ▼

Groepsdruk (M (SD))

1,64 (0,66)

1,64 (0,65)

▼

Significant lager dan in groep ‘geen toestemming’.

Wanneer vervolgens gekeken wordt in hoeverre de (ervaren) normen en groepsdruk daadwerkelijk invloed hebben op het al dan niet hebben van toestemming voor deelname, is te zien dat alleen de descriptieve normen significant van invloed zijn: jongeren die denken dat minder leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinken hebben een grotere kans om toestemming voor deelname te hebben dan jongeren die denken dat meer leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinken.

47

Tabel 28. Logistische regressie invloed groepsfactoren op actieve toestemming1.

1

B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Algemene normen

- .151 (.095)

.111

.860

Descriptieve normen

- .203 (.079)**

.010

.816

Injunctieve normen

- .078 (.058)

.174

.0925

Groepsdruk

.069 (.121)

.571

1.071

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

**

Significant bij p ≤ .01.

Ouderlijke factoren In (eerdere) rapportages van programma LEF is duidelijk naar voren gekomen dat ouders een grote invloed hebben op (de ontwikkeling van) hun kind. Naast de individuele- en groepsfactoren van jongeren is het dan ook aannemelijk dat ouderlijke factoren invloed kunnen hebben op het al dan niet krijgen van toestemming voor deelname. Of dit daadwerkelijk zo is, zal hierna verder besproken worden. Om te kunnen toetsen welke ouderlijke factoren mogelijk invloed hebben, is allereerst voor veel verschillende factoren bekeken hoe de gemiddelden per factor zich verhouden tussen beide toestemmingsgroepen. Vervolgens zijn de vijf meest zeggende factoren in de verdere analyses geïncludeerd, te weten: regels over alcohol, ouderlijke support, hechtheid in ouder-kind-relatie [relatedness], ervaren autonomie en (psychologische) controle door ouders.

Jongeren in beide toestemmingsgroepen ervaren relatief strikte regels over alcohol en veel ouderlijke support. Wel ervaren jongeren die toestemming hebben striktere regels en meer support dan jongeren die geen toestemming hebben. Daarnaast is te zien jongeren in beide toestemmingsgroepen een positieve relatie met hun ouders (relatedness), een gemiddelde mate van autonomie en weinig (psychologische) controle door hun ouders ervaren. Geen van deze factoren verschilt significant tussen beide groepen.

48

Tabel 29. Beschrijving van groepsfactoren per toestemmingsgroep. Geen toestemming

Wel toestemming

Regels over alcohol (M (SD))

4,27 (1,07)

4,67 (0,69) ▲

Ouderlijke support (M (SD))

6,05 (1,30)

6,16 (1,13) ▲

Relatedness (M (SD))

5,20 (1,07)

5,14 (1,09)

Autonomie (M (SD))

5,03 (1,10)

4,90 (1,06)

Controle door ouders (M (SD))

1,95 (0,80)

1,96 (0,78)

▲

Significant hoger dan in groep ‘geen toestemming’.

Wanneer vervolgens gekeken wordt in hoeverre de ouderlijke factoren daadwerkelijk invloed hebben op het al dan niet hebben van toestemming voor deelname, is te zien dat regels over alcohol en ervaren relatie met ouders (relatedness) significant van invloed zijn: jongeren die strikte regels over alcohol en een minder hechte relatie met hun ouders ervaren, hebben een grotere kans om toestemming voor deelname te hebben dan jongeren die tolerantere regels en een hechtere relatie met hun ouders ervaren. Dit lijkt te impliceren dat jongeren die zich wat meer losmaken van hun ouders qua regels en hechting een grotere kans hebben om geen toestemming voor deelname te geven.

Tabel 30. Logistische regressie invloed ouderlijke factoren op actieve toestemming1. B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Regels over alcohol

.546 (.098)***

.000

1.726

Ouderlijke support

.153 (.081)†

.061

1.165

Relatedness

- .208 (.095)*

.028

.812

Autonomie

- .063 (.076)

.406

.939

Controle door ouders

.012 (.119)

.921

1.012

1

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

†

Significant bij p ≤ .10; * p ≤ .05; *** p ≤ .001.

Eindmodel Als laatste stap om te bekijken welke factoren de meeste invloed hebben op het al dan niet hebben van toestemming voor deelname is een eindmodel getoetst, waarin alle significante 49

factoren per domein meegenomen zijn: leeftijd en geslacht (demografisch), descriptieve normen (groep/peer), regels over alcohol en relatedness (ouderlijk).

Wanneer gekeken wordt in hoeverre deze factoren in één model significant blijven, is te zien dat in ieder geval de demografische gegevens sterk significant blijven: zowel de leeftijd als het geslacht van de participant beïnvloeden significant of er toestemming voor deelname is. Wanneer jongeren ouder en van het vrouwelijke geslacht zijn, is de kans kleiner dat zij toestemming voor deelname hebben. Tevens is te zien dat de regels die jongeren over alcohol ervaren significant van invloed blijven: jongeren die striktere regels ervaren hebben een grotere kans om toestemming voor deelname te hebben dan jongeren die tolerantere regels ervaren. De significante invloed van descriptieve normen en relatedness valt in het eindmodel weg.

Tabel 31. Logistische regressie eindmodel invloed factoren op actieve toestemming1. B (S.E.)

p-waarde

Odds Ratio

Leeftijd

- .518 (.095)***

.000

.595

Geslacht [0 = jongen; 1 = meisje]

- .515 (.168)***

.002

.598

Descriptieve normen

- .088 (.076)

.247

.916

Regels over alcohol

.231 (.113)*

.041

1.260

Relatedness

- .067 (.078)

.393

.935

1

0 = geen toestemming; 1 = wel toestemming

*

Significant bij p ≤ .05; *** p ≤ .001.

Conclusie Wanneer gekeken wordt naar de factoren die invloed kunnen hebben op het al dan niet toestemming voor deelname hebben, valt op dat factoren uit verschillende domeinen hier invloed op kunnen hebben. Met name demografische gegevens lijkten sterk van invloed te zijn: jongeren die ouder en van het vrouwelijke geslacht zijn, hebben een grotere kans om geen toestemming voor deelname te hebben. Tevens hebben de regels die jongeren over alcohol ervaren invloed op het hebben van toestemming: jongeren die tolerantere regels ervaren, hebben een grotere kans om geen toestemming voor deelname te hebben. Dit kan twee dingen betekenen: 1) ouders die toleranter zijn vinden het wellicht minder belangrijk dat 50

onderzoek gedaan wordt en zijn minder geneigd toestemming voor deelname aan hun kind te geven, of 2) jongeren die tolerantere regels ervaren zijn al meer ‘vrij’ in hun keuzes en kiezen er zelf voor om geen toestemming voor deelname te geven. Naast deze factoren die wel van invloed zijn, is het opvallend dat het alcoholgebruik van jongeren geen invloed heeft op het hebben van toestemming voor deelname.

De gevonden resultaten kunnen implicaties hebben voor vervolgonderzoek binnen programma LEF, maar eveneens voor ander wetenschappelijk onderzoek (naar middelengebruik onder jongeren). Aangezien jongeren minder geneigd zijn mee te doen zodra zij ouder zijn, maar deze groep doorgaans in beleid m.b.t. middelengebruik wel belangrijk is, is het van belang hier rekening mee te houden in de werving. Er moet op ingezet worden deze jongeren wel in het onderzoek te betrekken, juíst omdat het van groot belang voor verder beleid is om te weten wat zij denken en doen. Daarnaast is te zien dat ouders ook invloed hebben op de deelname van hun kinderen. Met name bij tolerantere ouders is het van belang hen goed te informeren over de waarde van het onderzoek en te stimuleren om hun kinderen mee te laten doen, zodat het verdere beleid nog beter vormgegeven kan worden.

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=454c8f5d-181b-4c49-bc2c-33a575a87c94