Concept Vergunningen, Toezicht- en handhavingsbeleid 2022-2026.pdf
Tekst van het document
De commissie heeft een adviserende rol en daarom kunnen en mogen Burgemeester en wethouders besluiten om af te wijken van een welstands- of monumentenadvies. Doordat de commissie een adviserende rol heeft, zijn de burgemeester en wethouders niet gebonden aan dit advies. De verantwoordelijkheid van een welstandstoetsing ligt bij de burgemeester en wethouders zelf. Zij mogen dit advies enkel overnemen indien er onderzoek heeft plaatsgevonden of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, er sprake is van een begrijpelijke redenering en de getrokken conclusies hierop aansluiten. Op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt deze verplichting voor de wettelijke adviseur en eveneens op grond van artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Wanneer burgemeester en wethouders van mening zijn dat het advies op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of op basis van een onbegrijpelijke redenering mag het college het advies niet overnemen. Het afwijken van het advies dient uiteraard wel gemotiveerd te worden. De Welstandsnota blijft in stand tot de inwerkingtreding van de Ow. Na de inwerkingtreding zullen de welstandscriteria een plekje krijgen in het omgevingsplan. TECHNISCHE BEOORDELING
In het Bouwbesluit (een Algemene Maatregel van Bestuur), later in het Bbl, heeft de overheid technische eisen neergelegd waaraan een bouwwerk minimaal moet voldoen. Deze technische eisen hebben betrekking op zaken zoals constructieve- en brandveiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Het Bouwbesluit c.q. Bbl maakt hierbij ook onderscheid naar de functie en/of functies van het bouwwerk, te weten: - woonfunctie (woongebouw, woonwagen, niet woongebouw); - bijeenkomstfunctie; - cel functie; - gezondheidszorgfunctie; - industriefunctie; - kantoorfunctie; 25
- logiesfunctie (in logiesgebouw, in niet logiesgebouw); - onderwijsfunctie; - sportfunctie; - winkelfunctie; - overige gebruiksfuncties gebouwen; - bouwwerken geen gebouw zijnde. De technische eisen in het Bouwbesluit c.q. het Bbl zijn door de wetgever niet naar zwaarte gedifferentieerd. Daarom is het voor gemeenten praktisch onmogelijk om bouwplannen aan alle eisen even uitputtend te toetsen. De mate van toetsing van een bouwplan aan de eisen van het Bouwbesluit is afhankelijk van de professionaliteit en ervaring van de desbetreffende technische bouwplantoetser. Elke bouwplantoetser in Nederland maakt bij de toetsing bewust of onbewust een risicoanalyse. Daarom is het verstandig om te werken via een risicoanalyse. Het directe effect hiervan is dat het toetsen van aanvragen om omgevingsvergunning bouwen op een uniforme en adequate wijze geschiedt en dat de kwaliteit van het geleverde product is gewaarborgd. Maar wat belangrijker is dat daarmee de constructieve veiligheid van bouwwerken wordt verhoogd en gewaarborgd, alsmede het gezond en veilig gebruik ervan. De gemaakte risicoanalyse is vertaald in een toetsmatrix waar op basis van de risico’s is aangegeven op welke wijze de technische toets dient plaats te vinden (zie bijlage 2). Een toetsprotocol/-matrix heeft uitsluitend betrekking op de technische eisen van het Bouwbesluit c.q. het Bbl.
Deze eisen hebben betrekking op vier aspecten van bouwwerken, te weten: veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en energiezuinigheid. De eisen richten zich op bouwwerken met een of meerdere functies zoals deze in het voorgaande zijn genoemd. Constructieve veiligheid Overeenkomstig het Bor en het Mor c.q. de Omgevingswet dienen bij een aanvraag om omgevingsvergunning (voor bouwen) gegevens (berekeningen en tekeningen) m.b.t. de constructieve veiligheid van het te bouwen bouwwerk ter controle te worden ingediend bij de sectie Bouwen & Milieu. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze gegevens ook later na de vergunningverlening ter controle worden aangeboden. De controle door Bouwen & Milieu richt zich met name op de publiekrechtelijke beoordeling (wet- en regelgeving) van de constructieve veiligheid. Behalve de in het Bouwbesluit c.q. het Bbl vastgelegde eisen met betrekking tot de constructieve veiligheid van een bouwwerk zijn in het Bouwbesluit c.q. Bbl ook eisen gegeven ten aanzien van o.a. de gebruiksveiligheid, de brandveiligheid, de sociale veiligheid en duurzaamheid. De controlewerkzaamheden van Bouwen & Milieu betreft in hoofdlijnen het controleren van de hoofddraagconstructie van een bouwwerk waaronder de funderingsconstructie, de sterkte van de vloer-, wand - en dakconstructie.
Tevens wordt daarbij ook de stabiliteit en de brandwerendheid van de constructies van het bouwwerk beoordeeld. De controle van constructieberekeningen en tekeningen behorende bij aanvragen omgevingsvergunning bouwen of verleende omgevingsvergunningen bouwen wordt in opdracht van de gemeente Edam-Volendam deels uitgevoerd door een extern bouwkundig constructiebureau. Verder wordt bij de controles al meer gekeken naar duurzaamheid. Je kunt hierbij denken aan het voldoen aan de BENG-norm die geldt sinds 1 januari 2021. 3.7.2 SLOPEN Artikel 2.1. lid 1 onder g van de Wabo, later zal dit de Ow worden, stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald. Dit geldt ook voor slopen van een Beschermd monument of het slopen in een beschermd stadsgezicht (lid 1 onder f en h). Vervolgens stelt artikel 2.15 dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een beschermd monument de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.
Tenslotte stelt artikel 2.16 dat de omgevingsvergunning voor het slopen op grond van het bestemmingsplan of beschermd stadsgezicht kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Sloopwerkzaamheden die vergunningsplichtig zijn, zijn opgenomen in artikel 2.1. lid 1 onder f (beschermd monument), g (bestemmingsplan) en h (beschermd stadsgezicht). Het gaat daarbij uitsluitend om de ruimtelijke aspecten, waaronder de cultuurhistorie. Daarnaast bepaalt artikel 1.26 van het Bouwbesluit 2012 26
dat het verboden is om zonder of in afwijking van een sloopmelding te slopen indien daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 zal bedragen. Het betreft hier de technische aspecten van de sloopwerkzaamheden. De sloopmelding is geen onderdeel van de omgevingsvergunning. Beschermd Monument Voor het slopen van een beschermd monument geldt dezelfde werkwijze en protocol als onder Monumenten omschreven wordt. Bestemmingsplan Vooropgesteld dient te worden dat een activiteit alleen planologisch vergunningsplichtig is indien dit uit het bestemmingsplan c.q. omgevingsplan volgt. Of er sprake is van een vergunningsplicht, en aan welke voorwaarde het verlenen van een omgevingsvergunning moet voldoen volgt derhalve uit het bestemmingsplan en maakt onderdeel uit van de bestemminsplantoets. Mocht er sprake zijn van een vergunningsplicht dan wordt, middels het uitzetten van een deelzaak in het zaaksysteem, advies gevraagd aan de sectie Omgevingsbeleid van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. BESCHERMD STADSGEZICHT
Alle sloopwerkzaamheden binnen het Beschermd Stadgezicht, als aangewezen op grond van de Monumentenwet 1988, zijn vergunningsplichtig. In de gemeente Edam-Volendam betekent dat alle sloopwerkzaamheden in het Beschermd Stadgezicht Edam vergunningsplichtig zijn. De beoordelingscriteria staan in artikel 2.16 van de Wabo en later in de Ow. Hierin is bepaald dat de omgevingsvergunning slechts kan worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Deze activiteit valt veelal samen met de activiteit bouwen, waardoor aan deze voorwaarde wordt voldaan. SLOOPMELDING
Een sloopmelding, zoals hiervoor omschreven, wordt ten minste vier weken voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden schriftelijk ingediend bij het bevoegd gezag. In afwijking hiervan is de termijn slechts vijf dagen indien die sloopwerkzaamheden in het kader van reparatie- of mutatieonderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een asbesthoudende toepassing in een gebouw en handhaving van de termijn tot onnodige leegstand van het gebouw of gedeelte daarvan zou leiden of het gebruiksgenot daarvan ernstig zou belemmeren. Ook bestaat de termijn uit vijf dagen als de sloopwerkzaamheden bestaan uit het anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf in zijn geheel verwijderen van geschroefde, asbesthoudende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn, niet zijnde dakleien, of van asbesthoudende vloertegels of nietgelijmde, asbesthoudende vloerbedekking, uit een woonfunctie of nevenfunctie daarvan, voor zover die woonfunctie of die nevenfunctie niet bedoeld zijn voor de uitoefening van een beroep of bedrijf en de oppervlakte van de te verwijderen asbesthoudende platen, vloerbedekking of vloertegels maximaal vijfendertig vierkante meter per kadastraal perceel bedraagt.
Een sloopmelding, met uitzondering van de sloopmelding van een inrichting waarbij asbest vrijkomt, wordt in behandeling genomen en beoordeeld door een bouwtoezichthouder van de sectie Bouw – en milieuzaken van de afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling. De sloopmeldingen met asbest van bedrijven worden behandeld en beoordeeld door de Omgevingsdienst IJmond, aangezien deze sloopmeldingen onder het basistakenpakket valt. De afhandeling vindt plaats in het zaaksysteem, de werkwijze en het proces met betrekking tot sloopmeldingen ligt dan ook vast in het zaaksysteem. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het toezichtsmatrix met urenraming meldingsplichtige sloop van de Stichting Integraal Toezichtsprotocol (iTP). In de toezichtmatrix met urenraming zijn de niveaus van diepgang vastgelegd (het landelijk geadviseerde niveau) die lokaal bestuurlijk vastgesteld kunnen worden. De urenraming in het Excel document is het rekenblad waarmee de vertaling is gemaakt van de niveaus van diepgang naar de tijdsbesteding per sloopproject. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van de checklist. Hiermee gaat de bouwtoezichthouder op pad. Tenslotte is er een werkinstructie naar de niveaus van diepgang. De bouwtoezichthouder kan in de werkinstructie lezen waar hij/zij op moet controleren afhankelijk van het niveau van diepgang.
27
3.7.3 BRANDVEIL IGHEID Artikel 2.1. lid 1 onder d van de Wabo stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken met het oog op de brandveiligheid in de bij AMvB aangewezen categorieën. Dit wordt verder uitgewerkt in art. 2.2 van het Bor. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd zo stelt artikel 2.13 als de brandveiligheid voor het voorziene gebruik niet voldoende is verzekerd. Tevens stelt de Wabo, in het verlengde van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Bouwbesluit 2012, artikel 1.18 e.v.), dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar gelijktijdig melden met een aanvraag voor een andere activiteit kan worden volstaan. Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. Later zal de brandveiligheid in de Omgevingswet en het Bbl worden geregeld. Het toetsen van aanvragen omgevingsvergunning voor gebouwen in relatie tot brandveiligheid geschiedt thans door de Veiligheidsregio Zaanstreek Waterland (VrZW). Het toetsen van een aanvraag gaat al snel over in het houden van een inspectie. De nadruk ligt op het toezicht en niet zo zeer op de administratieve afhandeling van een melding of vergunning. Binnen de brandweer Nederland zijn veel ontwikkelingen gaande, met name op het gebied van risicobeheersing.
De ontwikkelrichting die betrekking heeft op de regio vloeit voort uit het Beleidsplan van Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland 2021-2024. In het beleidsplan zijn de volgende belangrijke onderdelen van risicobeheersing aan bod gekomen: Brandveilig leven; Zelfredzaamheid vergroten; Brandrisicoprofiel; Invoering Omgevingswet; Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen; Veiligheid ‘nieuwe’ energiebronnen. Een zorgvuldige analyse van de veiligheidsrisico’s waarop verbetering noodzakelijk en mogelijk is, is cruciaal. Een continue waakzaamheid op nieuwe of veranderende risico’s is nodig. Het maatschappelijk belang staat voorop. De veiligheidsregio voert met partners de analyse uit en helpt het veiligheidsbestuur om hierin kritische en maatschappelijk verantwoorde keuzes te maken (via het regionaal risicoprofiel/brandrisicoprofiel). Een belangrijke winst voor het bestuur is het verbeterde inzicht en overzicht qua risico’s en realisme in de besluitvorming en aanpak van het reduceren van risico’s (maatschappelijke meerwaarde). Toezicht en handhaving blijven als stok achter de deur functioneel, maar de inzet is om veel meer instrumenten te betrekken bij het bevorderen van veiligheid (veilig gedrag en een veilige leefomgeving). Communicatie, informatievoorziening en dialoog, i.r.t.
lokale samenleving en wijkgerichtheid zijn daarin essentieel om met alle betrokkenen tot veiligheidsbevorderend gedrag te komen. De ontwikkelingen binnen risicobeheersing, waarbij van regelgericht naar risicogericht wordt gegaan zorgt voor meer verantwoordelijkheid voor de burgers en instellingen en zorgt voor andere manier van werken. Het toezicht op het brandveilig gebruik van bouwwerken zal geleidelijk plaats moeten maken naar meer voorlichting en het bewust maken van de burger en instellingen op het gebied van brandveiligheid. Dat neemt niet weg dat de VrZW bouwwerken met een verhoogd risico in beeld wil houden door toezicht te houden op het brandveilig gebruik van deze bouwwerken. 3.7.4 MONUMENTEN Artikel 2.1 lid 1 onder f en artikel 2.2 van de Wabo stellen dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een beschermd, gemeentelijk of provinciaal monument te slopen, te verstoren, te herstellen of te (laten) gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg zich daar niet tegen verzet (beschermd monument, artikel 2.15) of kan slechts worden verleend of geweigerd op gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening (gemeentelijk en provinciaal monument, artikel 2.18). Dit zal binnenkort geregeld worden in de Omgevingswet.
28
De omgevingsvergunning voor monumenten (wijziging) vergt bijzondere aandacht om te voorkomen dat onomkeerbare schade wordt toegebracht aan cultuurhistorisch erfgoed. Naast de gebruikelijke beoordeling van de aanvraag via de (gemeentelijke) monumentencommissie ligt het voor de hand dat bij de toetsing van aanvragen voor vergunningen voor monumenten wordt aangesloten bij de toetsingsstrategie voor omgevingsvergunningen activiteit bouwen. Immers, voor vrijwel alle veranderingen aan een monument is een omgevingsvergunning vereist. Door de intensiteit van toetsing en toezicht te vergroten kan afdoende waarborg tegen vernietiging van monumentale waarden worden verkregen. BESCHERMD MONUMENT
Artikel 2.15 Wabo geeft de beoordelingscriteria voor het wijzigen van een beschermd monument: de Rijksdienst voor het cultureel Erfgoed heeft op grond van artikel 6.4 van het Bor een adviesplicht waar het gaat om: -(gedeeltelijke) sloop; -ingrijpende wijzigingen; -functiewijzigingen van het pand of een deel daarvan, en; -reconstructie. Later krijgt dit een plek binnen de Ow. De Rijksdienst heeft op haar website een aantal voorbeelden gegeven van situaties waarin zij adviseert. Niet alle (bouw)plannen met betrekking tot (beschermde) monumenten hoeven ter advisering aan de Rijksdienst te worden voorgelegd. In beginsel bepaalt een casemanager, indien nodig in overleg met de beleidsmedewerker Ruimtelijke kwaliteit van de sectie Omgevingsbeleid, of een (bouw)plan ter advisering naar de Rijksdienst moet worden gezonden. Daarnaast kan er overleg plaatsvinden met de Rijksdienst zelf. Als vaststaat dat de Rijksdienst advies moet uitbrengen wordt er schriftelijk (per mail of post) een adviesverzoek bij de Rijksdienst ingediend, zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag. Op grond van artikel 6.4 lid 2 van het Bor geschiedt de advisering van de Rijksdienst binnen acht weken nadat zij de benodigde gegevens van de gemeente heeft ontvangen.
Indien het advies niet tijdig door de Rijksdienst wordt uitgebracht staat het ontbreken daarvan niet in de weg bij het nemen van het besluit (artikel 3:6 lid 2 Awb). Krachtens artikel 15 van de Monumentenwet 1988 stelt de gemeenteraad een verordening vast waarin ten minste de inschakeling van een commissie op het gebied van monumentenzorg wordt geregeld, die in elk geval tot taak heeft, te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wabo. Artikel 15 komt niet terug in de Erfgoedwet, maar artikel 9.1 lid 1 onder a van de Erfgoedwet bepaalt wel dat hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van toepassing blijven. Artikel 15 is dus onderdeel van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988. In artikel 9.1 van de Bouwverordening en artikel 6 van de Erfgoedverordening is de instelling van de monumentencommissie en hun adviserende rol bij beschermde monumenten bij de gemeente Edam-Volendam geregeld. Bouwplannen met betrekking tot Rijksmonumenten die buiten de bebouwde kom liggen moeten overigens ook ter advisering aan Provinciale Staten worden voorgelegd, stelt artikel 6.4 lid 1 onder b van het Bor. Er wordt in dat geval ook een schriftelijk adviesverzoek neergelegd bij de Provincie Noord-Holland. PROVINCIALE MONUMENTEN
Bij een Provinciaal monument geldt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een monument als bedoeld in een zodanige verordening te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten
29
gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, een verbod geldt om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. De vergunningsvrije eisen uit artikel 4a Bijlage II van het Bor zijn ook van toepassing op provinciale monumenten. Artikel 2.4 van de Wabo bepaalt dat Burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn ten aanzien van provinciale monumenten. Op grond van artikel 2.26 lid 3 stelt het bevoegd gezag Provinciale Staten in de gelegenheid haar advies uit te brengen op de aanvraag omgevingsvergunning. In artikel 2.18 van de Wabo staan de beoordelingscriteria voor Provinciale Monumenten. Hierin is bepaald dat voor zover de aanvraag ingevolge een wettelijk voorschrift tevens betrekking heeft op een andere activiteit dan bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2, de omgevingsvergunning voor de activiteit slechts kan worden verleend of geweigerd op gronden die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift. De Erfgoedverordening Noord-Holland 2017 bepaald in artikel 7 lid 3, dat het verboden is zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo: a. een beschermd monument te slopen en te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b.
een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken, op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; c. werkzaamheden aan de fundering of riolering van een beschermd monument te verrichten zonder voorafgaand archeologisch onderzoek. Op grond van lid 4 van dit artikel wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdeel b, van de Wabo geweigerd indien de monumentale waarden van het beschermd monument op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Gemeentelijk monument Op grond van artikel 3 van de Erfgoedverordening gemeente Edam-Volendam is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van de verordening: a. te slopen of; b. te verstoren, te verplaatsen, te beschadigen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; c. te wijzigen door in of nabij het gemeentelijke monument bouwwerken op te richten, te veranderen, te vergroten of te vervangen anders dan op grond van de planregeling van het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. Artikel 2.18 van de Wabo geeft de beoordelingscriteria voor gemeentelijke monumenten.
In dit artikel is bepaald dat voor zover de aanvraag ingevolge een wettelijk voorschrift tevens betrekking heeft op een andere activiteit dan bedoeld in de artikelen 2.1, eerste lid, en 2.2, de omgevingsvergunning voor die activiteit slechts kan worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in het betrokken wettelijk voorschrift. In artikel 3 lid 5 van de Erfgoedverordening Edam is bepaald dat een omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van de monumentenzorg, de algemene uitgangspunten zoals neergelegd in artikel 4 van de verordening en het bepaalde in het vigerende bestemmingsplan zich daartegen niet verzet. In het vigerende bestemmingsplan (thans uitsluitend Oude Kom Volendam) is bepaald dat het bevoegd gezag, mits gebouwd wordt krachtens de onderliggende bestemming, een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 19.2 onder a van het bestemmingsplan (bouwregels), voor het gedeeltelijk vernieuwen van een karakteristiek waardevol bouwwerk of waardevol cultuurhistorisch element, mits de Welstand- en monumentencommissie Edam-Volendam positief adviseert. De beleidsmedewerker Ruimtelijke kwaliteit van de sectie Omgevingsbeleid, dient zorg te dragen voor een deugdelijke advisering omtrent gemeentelijke monumenten.
De casemanager zal dan ook ten alle tijden een deelzaak in het zaaksysteem voor de beleidsmedewerker aanmaken.
30
3.7.5 AANLEGGEN Artikel 2.1. lid 1 onder b van de Wabo stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarvan dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als het werk of de werkzaamheid in strijd is met de bepalingen of met de ruimtelijke regels. Dit zal later een plek krijgen binnen de Ow. De werkwijze is niet anders dan bij de activiteit bouwen. Voor het toetsen van aanlegvergunningen is geen afzonderlijke toetsmatrix of werkwijze vastgesteld. In het buitengebied en beschermd stadsgezicht kent EdamVolendam een aanlegvergunningenstelsel en wordt er getoetst of de aanvragen aanvaardbaar zijn. Vooropgesteld dient te worden dat deze activiteit alleen vergunningsplichtig is indien dit uit het bestemmingsplan volgt. Het kan gaan om uiteenlopende werken of werkzaamheden, met dien verstande dat het nimmer bouwactiviteiten betreffen. Bestemmingsplanregels met een vergunningsplicht als in artikel 2.1 lid 1 onder b Wabo bedoeld zijn met name, maar niet uitsluitend, opgenomen in bestemmingsplannen die gelden in het buitengebied van de gemeente.
De beoordelingscriteria voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden zijn vastgelegd in artikel 2.11 van de Wabo. Of een vergunning voor deze activiteit verleend kan worden moet in het bestemmingsplan zijn bepaald. Voor deze activiteit vindt dan ook een toets bestemmingsplan plaatst op gelijke wijze als eerder beschreven. Indien nodig wordt nog (civiel) technisch advies ingewonnen bij de sectie werk & projecten van de afdeling Openbare Werken. 3.7.6 STRIJDIG GEBRUIK Artikel 2.1. lid 1 onder c van de Wabo stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet. Later zal bovenstaande terug te vinden zijn in de Ow. Elk bouwplan wordt getoetst aan het bestemmingsplan of beheersverordening c.q. omgevingsplan om te bekijken of er sprake is van strijdigheden met de planvoorschriften. Dit gebeurt op een grondige manier, waarbij specifieke kenmerken nauwkeurig worden nagemeten en bestemmingen per ruimte worden benoemd en gecontroleerd.
In de meeste gevallen gaat de activiteit strijdig gebruik hand in hand met een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, maar dat hoeft niet. Hier wordt daarom verwezen naar 4.6 waarin beschreven wordt wat de strategie is aangaande de toets aan het bestemmingsplan. 3.7.7 MILIEU Artikel 2.1. lid 1 onder e van de Wabo stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een inrichting of mijnbouwwerk, op te richten, te veranderen of de werking te veranderen of het in te werking hebben. Daarnaast bepaalt artikel 2.1 lid 1 onder i dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een AMvB aangewezen categorieën die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving (de zogenaamde beperkte milieutoets of OBM). De omgevingsvergunning moet, zo stelt artikel 2.14, worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de bescherming van het milieu of voor wat betreft de OBM kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op gronden die zijn aangegeven in de betrokken AMvB (artikel 2.17).
De Wabo stelt, in het verlengde van de Wet milieubeheer (Wm) dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat gelijktijdig met een aanvraag voor een andere activiteit een melding met het oog op bescherming van het milieu moet worden gedaan (Activiteitenbesluit). Als er sprake is van een koppeling dan is de melding een indieningsvereiste van de vergunningaanvraag. De omgevingsvergunningen milieu en OBM worden voor Edam-Volendam afgehandeld door de Omgevingsdienst IJmond. Om een gelijk speelveld te creëren en eenduidig te zijn richting burgers en bedrijven sluiten de 31
gemeente zich aan bij de strategie zoals omschreven in het ‘Uitvoeringskader 2019-2022’ van de Omgevingsdienst. Hieronder zal onder andere duidelijk worden wat de huidige regels zijn en wat er zal veranderen met de komst van de Ow. TOETSING
Bij het opstellen van een adequate vergunning spelen veel verschillende aspecten een rol: -
de vergunning dient de meest recente inzichten op het gebied van milieuvoorschriften te bevatten. Hiermee wordt beoogd de overlast van de activiteiten voor de omgeving te voorkomen, dan wel tot een minimum te beperken, alsook risico’s voor de omgeving tot een minimum te beperken;
-
de samenhang met andere wetgeving wordt beschouwd, waarbij onder meer wordt bekeken in hoeverre afstemming of coördinatie met andere bestuursorganen of adviesorganen noodzakelijk of wenselijk is, dan wel aanvullende meldingen, toestemmingen, ontheffingen of vergunningen noodzakelijk zijn;
-
ingevolge de Wabo wordt ook de omgeving waar de activiteiten plaatsvinden, alsmede de toekomstige ontwikkelingen daarbinnen betrokken bij het opstellen van de vergunning. Hiertoe wordt een toets uitgevoerd aan de relevante, vigerende ruimtelijke kaders;
-
tenslotte is de handhaafbaarheid van de vergunningvoorschriften een belangrijk aspect van een adequate vergunning. Vergunningvoorschriften dienen zodanig te zijn opgesteld dat voor de vergunninghouder duidelijk is wat van hem verwacht wordt. De voorschriften moeten daarbij zodanig zijn geformuleerd dat toezichthouders op een effectieve wijze kunnen bepalen of de voorschriften worden nageleefd of niet.
In het kort kan gesteld worden dat de wijze van toetsing duidelijk, eenduidig, transparant, juridisch correct en herleidbaar dient te zijn. MELDINGEN
De ontwikkeling waarbij meer en meer bedrijven onder algemene regels komen te vallen, zorgt voor een navenante stijging van het aantal meldingen op grond van het Activiteitenbesluit en later op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze ontwikkeling zal met de komst van de Omgevingswet dus nog verder ontwikkelen. Naar aanleiding van een melding wordt gecontroleerd of alle gegevens juist en volledig zijn. Indien er sprake is van een melding van oprichting van een bedrijf moet hiertoe een opleveringscontrole uitgevoerd. In andere gevallen wordt aan de hand van het milieubelang van de gemelde wijziging bepaald of het noodzakelijk is een controle ter plaatse uit te voeren, dan wel of de wijziging bij de eerstvolgende reguliere controle wordt meegenomen. De beoordeling van meldingen valt hiermee primair onder de toezichtstaak van Omgevingsdienst IJmond. OBM
Sinds 2011 hebben sommige bedrijven een zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig eer zij kunnen starten met bepaalde activiteiten. Het betreft gevallen waarin het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren om te beoordelen of de activiteit inpasbaar is in de lokale situatie en activiteiten waarvoor een milieu-effectrapportagebeoordeling verplicht is. Het gaat daarbij onder meer om: -activiteiten met afvalstoffen (milieustraten, opslag gebruikte banden, demonteren autowrakken; -activiteiten die veel geluid produceren (waterstraal/oppervlaktebeluchters rwzi’s); -activiteiten met een potentieel grote belasting van de lucht, zowel wat betreft stof als geur; en -activiteiten met gesloten bodemenergiesystemen. Onder invloed van de Omgevingswet vervalt de OBM. De wetgever heeft alle OBM-plichtige activiteiten opnieuw bekeken. Daardoor vervallen er vergunningplichten. In veel gevallen gaat gewoon een vergunningplicht gelden.
32
Er zijn globaal 3 situaties mogelijk nadat de OBM vervalt: 1. Er komt geen vergunningplicht voor in de plaats. Dan gelden de algemene regels van het Bal zonder overgangsrecht. Daardoor verandert er niets, want deze vervallen OBM's hadden geen voorschriften. 2. Er komt een decentrale vergunningplicht voor in de plaats. Dan regelt het overgangsrecht dat de oude OBM voor onbepaalde tijd geldt als lokale vergunning. De ondernemer hoeft geen nieuwe vergunning aan te vragen. 3. Er komt een reguliere vergunningplicht uit het Bal voor in de plaats. Dan regelt het overgangsrecht dat de oude OBM voor onbepaalde tijd geldt als vergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van het Bal. De ondernemer hoeft geen nieuwe vergunning aan te vragen. MAATWERK EN GELIJKWAARDIGHEID
Het Activiteitenbesluit c.q. het Bal bevat algemene regels voor milieubelastende activiteiten. Soms is het echter niet mogelijk om algemene regels op te stellen die in alle gevallen redelijk zijn. Daarom bevat het Activiteitenbesluit c.q. het Bal de mogelijkheid om in bepaalde gevallen van de algemene regels af te wijken met maatwerkvoorschriften. Het Activiteitenbesluit c.q. het Bal schrijft specifieke maatregelen voor, maar een bedrijf kan ook een alternatief toepassen. Het alternatief moet gelijkwaardig zijn, dus hetzelfde doel bereiken als de in het Activiteitenbesluit (of Activiteitenregeling) opgenomen maatregel. Het bedrijf moet dit kunnen aantonen. Bij een verplichte maatregel moet dit van te voren, bij een erkende maatregel mag dit ook achteraf. Omgevingsdienst IJmond beoordeelt namens het bevoegd gezag of het alternatief gelijkwaardig is. De eerder genoemde ontwikkeling waarbij steeds meer bedrijven onder algemene regels komen te vallen, heeft tot gevolg dat het aantal maatwerkvoorschriften en gelijkwaardigheidsbesluiten toeneemt. Dit is terug te zien in de tijd die hieraan besteed moet worden. Ook onder de Omgevingswet zal het systeem van maatwerk en gelijkwaardigheid blijven bestaan. OMGEVINGSWET
Tot inwerkingtreding van de Omgevingswet, voorzien in januari 2023, vormt de Wabo de basis voor vergunningverlening aan inrichtingen. Eén van de belangrijkste wijzigingen door invoering van de Omgevingswet is dat het begrip inrichting wordt losgelaten. Het centrale element zal dan de milieubelastende activiteit worden. Vooruitlopend op inwerkingtreding van deze wet wordt bekeken of elementen van de nieuwe wet in de huidige vergunningen onder de vigerende regelgeving meegenomen kunnen worden. De rijksregels staan in het Bal, maar er kunnen ook andere regels gelden. Het verschil met het huidige begrip inrichting is dat het voor de geldigheid van de milieuregels van het Bal meestal niet meer uitmaakt: of een activiteit een bedrijfsmatige omvang heeft; hoe lang de activiteit duurt; of de activiteit op een vaste plek plaatsvindt.
33
4. BELEID TOEZICHT EN HANDHAVING 4.1 INLEIDING Een groot aantal factoren is verantwoordelijk voor in hoeverre de gestelde regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. Dit varieert van kennis van de regels, via het nut en de oorzaak van inzien, tot het bewust overtreden van. Een aantal factoren zijn te beïnvloeden door consequent te handhaven in de meest brede zin van het woord. Alle activiteiten die erop gericht zijn om er voor te zorgen dat regels worden nageleefd, worden samengevat in een naleefstrategie. Deze strategie richt zich enerzijds op het stimuleren van de naleving en anderzijds op het reduceren van de risico’s die kunnen voortkomen uit het niet naleven van de voorschriften. Een naleefstrategie bestaat uit vier aparte strategieën (preventiestrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. In de navolgende paragrafen zullen deze strategieën uitvoerig worden besproken. Eerst zullen de visie en de uitgangspunten die in Edam-Volendam gehanteerd worden voor het toezicht en handhaving aan bod komen. Daarna wordt een risicoanalyse, volgens dezelfde methodiek die gehanteerd is bij vergunningverlening opgesteld. Aan de hand van de tafel van 11 wordt ingezoomd op de doelgroepen die er zijn en welke factoren nu van belang zijn voor het al dan niet nalezen van de regels. Ten slotte worden de gestelde doelen beschreven met de daarbij horende strategieën.
Doel van het toezicht- en handhavingsbeleid Beleid voor toezicht en handhaving wordt niet zomaar opgesteld. Het dient een aantal doelen: 1. De overheid is verantwoordelijk voor het stellen van regels. Handhaving is inherent aan het bestaan van deze regels. Naleving is helaas geen vanzelfsprekendheid. Niet of onvoldoende handhaven leidt dus impliciet tot het toestaan van deze overtredingen. Wettelijke normen worden ten behoeve van bepaalde doelstellingen vastgesteld om:
-
belangen te beschermen (veiligheid);
-
de samenleving te ordenen (ruimtelijke ordening);
-
gedragsveranderingen te weeg te brengen (terugdringen van overlast). Door een sluitend handhavingsbeleid zorgt de gemeente er voor dat we serieus werk maken van de handhaving van de regels die we stellen;
2. Bescherming van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van burgers en bedrijven. Willekeur wordt voorkomen en zij die zich wel aan de regels houden moeten er op kunnen vertrouwen dat dit voor anderen ook geldt en dat tegen overtredingen op wordt getreden; 3. Door beleid op te stellen wordt er voldaan aan de wettelijke plicht die we als gemeente hebben. Daarnaast zorgt het hebben voor rechtmatigheid van het genomen besluit; 4. Tenslotte draagt het hebben van beleid bij aan het creëren van extern draagvlak voor de handhaving.
4.2 VISIE EN UITGANGSPUNTEN In deze paragraaf wordt de visie van de gemeente Edam-Volendam over toezicht en handhaving geformuleerd. De visie is richtinggevend en dient als toetsingskader bij de prioritering in toezicht en handhaving. 4.2.1 VISIE Er zijn op allerlei beleidsterreinen regels opgesteld door de overheid. Deze regels zijn niet opgesteld zonder doel: de kwaliteit van de leefomgeving moet worden gegarandeerd, de leefbaarheid gewaarborgd en de duurzaamheid bevorderd. De gemeente Edam-Volendam vindt het van groot belang dat de regels die democratisch zijn opgesteld ook worden nageleefd. Zij heeft hierin zelf een voorbeeldfunctie. Bij toepassing van de regels verliest de gemeente Edam-Volendam echter nooit de belangen uit het oog die met het toepassen van de regels gediend zijn. De belangen zijn, in tegenstelling tot het sec toepassen van de regels leidend.
34
Om toezicht en handhaving als instrument effectief en efficiënt in te kunnen zetten, vindt de handhaving in Edam-Volendam professioneel plaats. Professioneel voor zover het de organisatie van de handhaving en de uitvoering van de werkzaamheden betreft. De gemeente Edam-Volendam zal onder andere actief naar haar burgers en bedrijven communiceren welke regels er zijn en welk doel deze regels dienen. Van zowel burgers als bedrijven mag worden verwacht dat zij bekend zijn met de regelgeving en dat zij hier naar handelen. Bij niet of onvoldoende naleven van de regels, schroomt de gemeente niet om hiertegen op te treden. Dit doet zij met haar eigen toezichthouders en in samenwerking met ketenpartners zoals politie Zaanstreek-Waterland, Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Omgevingsdienst IJmond. Hierbij zal de gemeente bij de uitvoering van de handhaving kritisch blijven kijken naar de doelen die met de regelgeving nagestreefd worden. De gemeente kan, wanneer hier voldoende aanleiding voor is, overwegen het beleid te herzien. De hierboven beschreven visie wordt in een aantal concrete uitgangspunten uitgewerkt. Deze uitgangspunten vinden hun uitwerking in dit beleidsplan, het Uitvoeringsprogramma en de dagelijkse praktijk van toezicht en handhaving. 4.2.2 UITGANGSPUNTEN DE GEMEENTE VOERT REGIE OP DE HANDHAVING
De regiefunctie komt tot uiting in de gemotiveerde keuzes die de gemeente Edam-Volendam maakt met betrekking tot de aard, omvang en intensiteit van toezicht en handhaving. Regie voeren op handhaving betekent dat de gemeente proactief optreedt en tot actie overgaat naar aanleiding van incidenten, meldingen en handhavingsverzoeken. HET VOORKOMEN VAN OVERTREDINGEN VERDIENT PRIORITEIT
De gemeente Edam-Volendam zet in deze beleidsperiode wederom sterk in op preventie. Het voorkomen van overtredingen heeft prioriteit, omdat het handhaving achteraf voorkomt. Preventie begint bij helder en duidelijk beleid en regelgeving met een groot draagvlak. Goede en tijdige communicatie met de belangenorganisaties en inwoners is dan ook een absolute noodzaak. Door handhavingsacties van tevoren aan de kondigen, zal het naleefgedrag positief worden beïnvloed. DE HANDHAVING VINDT RISICOGERICHT PLAATS
In beginsel treedt de gemeente Edam-Volendam tegen iedere overtreding op. Gelet op de hoeveelheid handhavingstaken kan de gemeente Edam-Volendam echter niet tegen elke overtreding met evenveel prioriteit optreden. Dit betekent dat er keuzes moeten worden gemaakt. De keuze en welke taken worden uitgevoerd is voor een belangrijk deel gebaseerd op een risicoanalyse en de daaruit voortvloeiende prioriteiten. Voor een ander deel bepalen bestuurlijk en landelijk vastgestelde prioriteiten welke taken worden opgepakt. DE GEMEENTE EDAM-VOLENDAM GEEFT HET GOEDE VOORBEELD
Net als haar inwoners heeft ook de gemeente Edam-Volendam te maken met regels waaraan zij zich moet houden. Goed voorbeeld doet ook hier goed volgen. De gemeente heeft als initiatiefnemer vaak te maken met regelgeving, bijvoorbeeld omgevingsvergunningen voor bouwen, milieu, brandveilig gebruik en afwijken van het bestemmingsplan. Als de eigen gemeentelijke organisatie in de fout gaat en regels overtreedt waar zij zich aan dient te houden, vindt handhaving op de gebruikelijke wijze plaats. DE HANDHAVING IS EENDUIDIG, HELDER EN TRANSPARANT
De gemeente Edam-Volendam wil duidelijk zijn over wat wel en niet is toegestaan. Eenduidigheid betekent dat de gemeente bij geconstateerde overtredingen consequent en voorspelbaar handelt. De handhaving vindt daarom zo veel mogelijk gestandaardiseerd plaats volgens heldere procedures. Doordat vergelijkbare situaties op vergelijkbare wijze worden afgehandeld worden willekeur en rechtsongelijkheid voorkomen. Dat de handhaving transparant is, blijkt onder meer uit het feit dat de activiteiten op het gebied van handhaving schriftelijk worden vastgelegd. Dit geldt niet alleen voor de stappen in de beleidscyclus (visie, strategie, prioriteitstelling) maar ook voor de administratieve organisatie en de procedures. Via het jaarlijkse 35
Uitvoeringsprogramma en Jaarverslag zal de wijze van uitvoering inzichtelijk worden gemaakt en verantwoording aan de raad worden afgelegd. INWONERS EN BEDRIJVEN HEBBEN EEN EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID
Met de komst van de Wabo is een nieuwe generatie wet- en regelgeving ontstaan. Kenmerkend hieraan is dat een groot aantal vergunningenstelsels is afgeschaft en plaats heeft gemaakt voor algemene regels en meldingenstelsels. Met de toekomstige invoering van de Omgevingswet zal dit mogelijk alleen nog maar toenemen. Deze wetswijziging is mede ingegeven door een veranderende verhouding tussen burgers en overheid. In deze verhouding willen burgers en bedrijven meer vrijheid en een overheid op afstand. De gemeente Edam-Volendam spreekt deze veranderende verhouding aan, omdat zij goed aansluit bij haar visie van een krachtige en doelmatige overheid die streeft naar een efficiënte samenleving. De gemeente vindt het vanuit deze visie van groot belang dat inwoners en bedrijven zelf hun verantwoordelijkheid nemen ten aanzien van naleving van de voor hen geldende regels en zij zal hen hier nadrukkelijk op aanspreken. De insteek van de verantwoordelijkheid zoveel mogelijk daar laten waar deze hoort, sluit aan bij deze benadering. Bij de inzet van handhavingsinstrumenten kiest de gemeente de instrumenten die tegen zo laag mogelijke kosten het meeste rendement opleveren. Om die reden kiest de gemeente – waar dat mogelijk en verantwoord is – dan ook voor oplegging van een last onder dwangsom in plaats van een last onder bestuursdwang.
De bestuurlijke kosten zijn bij dit instrument lager, terwijl de verantwoordelijkheid voor het ongedaan maken van de overtreding bij de overtreder ligt. Een nadeel hiervan is dat als de dwangsom verbeurd is en de overtreding niet ongedaan is gemaakt dit niet het gewenste resultaat oplevert. Met de komst van de private kwaliteitsborging wordt meer en meer verantwoordelijkheid verschoven van de overheid naar burger en bedrijf. Gemeenten worden verantwoordelijk voor het systeem. Daarnaast zou de toezichthoudende rol die de gemeente nu heeft kunnen verschuiven naar bijvoorbeeld bestaande bouw en gebruik. De gemeente Edam-Volendam zal meegaan in deze ontwikkeling en zich aanpassen aan haar veranderende rol naar burger en bedrijf toe en de interne organisatie daarop aanpassen. SLECHT GEDRAG WORDT DAADKRACHTIG AANGEPAKT, GOED GEDRAG WORDT BELOOND
Regels die zorgvuldig tot stand zijn gekomen moeten worden nageleefd. Wanneer dat niet gebeurt, treedt de gemeente daadkrachtig op. De daadkracht blijkt enerzijds uit het feit dat het handhavingstraject pas wordt afgesloten nadat de overtreding is beëindigd en anderzijds uit het feit dat een bedrijf dat er om bekend staat er slecht naleefgedrag op na te houden vaker wordt gecontroleerd. De gemeente Edam-Volendam zal deze beleidsperiode de mogelijkheden onderzoeken om de resultaten van de uitgevoerde controles en handhavingsbesluiten publiekelijk bekend te maken. Een zorgvuldige aanpak is hierbij vereist, omdat de consequenties voor inwoners en ondernemers groot kunnen zijn. Aan de andere kant kunnen bedrijven in Edam-Volendam die tijdens controles regels goed naleven, een verminderde toezichtlast tegemoet zien. Koplopers worden minder frequent gecontroleerd dan achterblijvers. WAAR MOGELIJK WORDT INTEGRAAL GEHANDHAAFD
Door zoveel mogelijk integraal te controleren wordt een bijdrage geleverd aan een vermindering van de toezichtlast. Er wordt zoveel mogelijk samen met de partners gecontroleerd. De Wabo verplicht de gemeente ook het toezicht te coördineren en te zorgen voor één handhavingstraject. Daarnaast zorgt het voor verbeterde dienstverlening naar het bedrijfsleven toe. DE HANDHAVING VINDT GEBIEDSGERICHT EN SIGNAAL GESTUURD PLAATS
De ervaring heeft geleerd dat door een gerichte inzet van toezicht, een tijdelijke uitbreiding van de toezichtcapaciteit en een consequent optreden tegen overtreders goede resultaten kunnen worden bereikt. Signalen van inwoners en bedrijven bepalen in enige mate waar handhaving in wordt gezet. Zij zijn immers als geen ander op de hoogte van wat er in een bepaald gebied speelt. Door hen te betrekken zal ook het draagvlak voor de handhaving toenemen. SAMENWERKING IN KETEN
Samenwerking met ketenpartners als politie Zaanstreek-Waterland, Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Omgevingsdienst IJmond, is van groot belang voor een goede handhaving. De gemeente zal de samenwerking blijven benutten. 36
HANDHAVING KENT EEN INNOVATIEF KARAKTER
Om onder andere tegemoet te komen aan de veranderingen door de private kwaliteitsborging zal de gemeente Edam-Volendam de komende jaren experimenteren met nieuwe vormen van toezicht en handhaving. Het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers staat bij deze experimenten centraal. Voorbeelden waaraan gedacht kan worden zijn zelfcontrole en systeemtoezicht, maar ook het laten uitvoeren van brandveiligheidscontroles. 4.3 RISICOANALYSE TOEZICHT EN HANDHAVING Ook voor toezicht en handhaving bestaat een risicoanalyse, net als bij vergunningverlening. Er wordt op dit moment gewerkt aan nieuwe toezichtprotocollen, tot de Ow in werking treedt. Ook wordt hierbij rekening gehouden met de ontwikkelingen en veranderingen die plaats zullen gaan vinden bij de komst van de nieuwe Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb). In hoofdstuk 1.5 van dit omgevingsbeleidsplan wordt hier al even kort op ingegaan. Een prioriteitstelling bij het vaststellen van handhavingsbeleid is noodzakelijk. De gemeente kan immers niet alle wet- en regelgeving waarvoor zij verantwoordelijk is controleren. Dit betekent dat er keuzes gemaakt moeten worden. Er worden daarbij vragen gesteld als: wat wordt gehandhaafd, hoe wordt gehandhaafd, wat heeft prioriteit en wat heeft minder of geen prioriteit? Door beantwoording van deze vragen, kan de handhavingscapaciteit beter worden ingezet.
De inspanningen dienen zich in beginsel te richten op die gebieden waar de risico’s het grootst zijn. De minder prioritaire gebieden krijgen hierdoor automatisch minder aandacht, maar dat betekent niet dat de gemeenten niet voldoet aan haar wettelijke taken. In de Wabo kun je lezen, dat het bevoegd gezag de taak heeft zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de Wabo en de hieronder vallende wetgeving. Er is daarentegen in de betreffende wetgeving niet voorgeschreven op welke wijze het bevoegd gezag de regels moet controleren en of zij alle regels moet controleren. Integendeel zelfs, de wetgever biedt in het Besluit omgevingsrecht het gevoegd gezag de mogelijkheid om handhavingsbeleid te formuleren en hierin prioriteiten te stellen. Voor het realiseren van integraal handhavingsbeleid zijn risicoanalyses uitgevoerd. Voor de systematiek die is gehanteerd bij het uitvoeren van de risicoanalyse verwijzen we naar paragraaf 3.3.1 waar we deze uitgebreid beschreven hebben. Zoals daar al is gesteld zijn de risico’s bepaald aan de hand van de formule risico = kans X effect, welke leidt tot een bepaalde prioritering. De scores leiden tot de volgende prioriteiten: Score
Risico
0-20
Laag
21-49
Gemiddeld
50-79
Hoog
80-100
Zeer hoog
De volledige risicoanalyse is als bijlage 2 toegevoegd en leidt tot onderstaande scores en prioriteiten. Deze prioriteiten zullen vervolgens weer mee worden genomen bij het vaststellen van de doelstellingen en de uitvoering van het toezicht en de handhaving in de dagelijkse praktijk.
37
De scope van dit Omgevingsbeleidsplan omvat ook de VTH-taken op het gebied van milieu. De gemeente is niet de enige organisatie die dergelijke taken uitvoert. De basistaken (bovenlokale complexe taken) worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJmond. Daarnaast voert zij voor andere gemeenten binnen haar verzorgingsgebied ook overige milieutaken, projecten op het gebied van duurzaamheid en taken op het gebied van specialistische milieuregelgeving uit, evenals taken op het gebied van advisering ruimtelijke ordening en bouwplannen, bodem, geluid, externe veiligheid en natuur- en biodiversiteit. Voor de uitvoering van deze taken heeft zij ook een risicoanalyse opgesteld. Om een gelijk speelveld voor burgers en bedrijven te creëren hanteren we de risicoanalyse zoals de Omgevingsdienst deze heeft opgesteld. Het betreft hier dezelfde risicoanalyse die ook staat weergegeven in paragraaf 3.3.2. Bij de doelstellingen die de Omgevingsdienst formuleert met betrekking tot de vergunningverlening en toezicht en handhaving zullen we aansluiten. LANDELIJKE PRIORITEITEN De toezichthouders en handhavers in Edam-Volendam zullen, behalve de prioriteiten uit de risicoanalyses, ook uitvoeren geven aan de landelijke prioriteiten die jaarlijks door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu worden vastgesteld. Een deel van de prioriteiten zal vooral in ketenverband worden opgepakt.
Ieder jaar zal in het Uitvoeringsprogramma worden aangegeven op welke wijze de gemeente invulling geeft aan deze landelijke prioriteiten. 4.4 TAFEL VAN 11 Het houden van toezicht en het toepassen van handhaving moet men doen waar dat nodig is. Het is voor het bevoegd gezag van belang om vast te stellen waar dat wel of wellicht minder noodzakelijk is. De basis daarvoor vormt de risicoanalyse. Hier is op diverse factoren weergegeven hoe groot het effect is van overtreding en wat de kans is dat dit ook daadwerkelijk gebeurd. Dit heeft geleid tot een risicoscore en een daaraan gekoppelde prioriteit. De kans op overtreding is gelijk aan de kans op niet naleving van de regels. 'De Tafel van elf' is een analysemodel bestaande uit een opsomming van 11 factoren die bepalend zijn voor die naleving van regelgeving. Bij het bepalen van de kans op overtreding is dan ook gebruik gemaakt van deze 11 factoren. In 38
onderstaande tabel (zie ook bijlage 3) wordt weergegeven welke instrumenten de gemeente de voorliggende beleidsperiode in wil zetten of uit wil bouwen om een zo groot mogelijk naleefeffect te generen. Bij het ontwikkelen van de naleefstrategieën (zie paragraaf 4.7) vormen deze factoren dan ook de basis voor de wijze waarop de verschillende elementen vorm zijn gegeven en in worden gezet. Tabel tafel van 11
Communicatie 1
Kennis van de regels
2
Besef van kosten en baten
-
Gerichte voorlichting ;
-
Het zo eenvoudig mogelijk voeren van het beleid / regeling;
-
Goed leesbare vergunningen;
-
Het instellen van een subsidie, extra heffingen of prijsregulering;
-
Het instellen van een subsidie, extra heffingen of prijsregulering;
3
Acceptatie van een regel
-
Betrekken belangengroepen en invloedrijke actoren bij het te ontwerpen beleid;
4
De normgetrouwheid van een doelgroep
-
Consequent en transparant handhaven, dat wil zeggen: doorpakken en gelijke monniken, gelijke kappen;
5
Maatschappelijke controle
-
Voorlichting geven aan de omgeving van de doelgroep, zodat de omgeving de overtredingen beter kan signaleren;
-
Het stimuleren van zelfregulering, certificering en keurmerken verstrekt door de brancheorganisatie;
Toezicht 6
Meldingskans
-
Het verbeteren van de algehele bereikbaarheid van de gemeente;
7
Controlekans
-
Informatie over meer controles indien dat het geval is;
-
Informatie over controles indien de doelgroep het idee heeft dat de kans op controles kleiner is dan deze daadwerkelijk is;
8
Detectiekans
-
Het vergelijken en uitwisselen van gegevensbestanden;
-
Combinatie van opsporingstechnieken (administratief en fysiek);
9
Selectiviteit van het toezicht
-
Onderzoek wie van de doelgroep een verhoogd risico heeft op overtreden en daar de controleactiviteiten op richten;
39
Sanctie 10
11
Sanctiekans
Sanctie-ernst
-
Strak vast houden aan sanctiebeleid;
-
Gedogen minimaliseren;
-
Verhogen van de sanctie;
-
Snelle sanctieoplegging.
4.5 DOELSTELLINGEN Hieronder zal aan de orde komen wat de gemeente met het toezicht en de handhaving concreet wil bereiken. De belangrijkste doelstelling is het bewerkstelligen van een beter naleefgedrag en daarmee leveren van een bijdrage aan de achterliggende doelstellingen die met de wetten en de regels worden beoogd. Onderstaande doelstellingen geven hier specifieker invulling aan. Een deel van de doelstellingen komen overeen met die van vergunningverlening. Dit komt omdat ze het doel of de kwaliteit van het VTH-proces als geheel beschrijven. Dit is dan ok de reden, dat net als bij de doelstellingen voor vergunningverlening, de doelstellingen voor toezicht en handhaving tezamen ook de set aan ouput- en outcome criteria vormen. Bij de doelstellingen is weergegeven waar de doelstellingen betrekking op hebben: duurzaamheid/leefbaarheid, dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, veiligheid of financiën.
40
4.5.1. BWT Duurzaamheid: de objectieve en subjectieve aantrekkelijkheid en geschiktheid van een gebied of gemeenschap is om er te wonen, of te werken en de mate waarin we dit in de toekomst kunnen behouden, in relatie tot de VROM-taken.
Ten minste 85% van de bouwwerken worden op de juiste plek gerealiseerd, voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zijn veilig en conform de regels van het bestemmingsplan gebouwd De cultuurhistorische waarden van de monumentale panden wordt behouden Vergunningverlening, toezicht en handhaving dragen bij aan een goed woon- en leefklimaat Waardering van het woon-, leef- en bedrijfsklimaat ligt ten minste op een 7
Veiligheid: de objectieve en subjectieve (gezondheids)veiligheid in relatie tot de VROMtaken.
In niet meer dan 15 % van de controles op sloopwerkzaamheden wordt geconstateerd dat er regels met betrekking tot (brand)veiligheid, asbest en de veiligheid van de (directe) omgeving wordt overtreden Jaarlijks worden gebouwen waar minder zelfredzamen verblijven gecontroleerd en gebreken worden zo veel mogelijk datzelfde jaar hersteld De klanttevredenheid van de afhandeling ligt ten minste op 90% De besluiten en correspondentie richting de burgers is leesbaar en in begrijpelijke taal
Dienstverlening: de manier waarop en de snelheid waarmee de organisatie met Belanghebbenden omgaat.
Financiën: de inzet van middelen in relatie tot te hoeveelheid afgeleverde diensten/ producten.
Maximaal binnen 4 tot 8 weken na het indienen van een handhavingsverzoek worden bevindingen en het verdere verloop van de afhandeling van het verzoek aan de indiener schriftelijk bekend gemaakt In de beleidsperiode wordt 90% van de geplande controles uit het Uitvoeringsprogramma uitgevoerd De gemeentelijke handhaving voldoet aan alle kwaliteitseisen voor de handhaving uit de omgevingsregelgeving Het dekkingspercentage van de leges is 85%
Bij het formuleren van de doelstellingen is nadrukkelijk rekening gehouden met de eisen die in de ‘’Visie op dienstverlening: gewoond goed!’’ en de uitwerking daarvan ‘Koers op (digitale) dienstverlening zijn opgenomen.
41
4.5.2 MILIEU Op het gebied van milieu heeft de Omgevingsdienst IJmond doelstellingen geformuleerd waar we ons, om eerder genoemde redenen, bij aansluiten:
INDICATOREN
Of deze doelstellingen ook worden gerealiseerd wordt gemonitord aan de hand van onderstaande indicatoren:
- aantal welstandsexcessen en aantal welstandsadviezen; - waardering door de burgers van het woon-, leef- en bedrijfsklimaat; - percentage van de vergunningen waarin bij de adviezen het aspect veiligheid mee is genomen; - meetgegevens deelaspecten (geluid, bodem, lucht, CO2); - aantal vergunningen voor de activiteit milieu; - percentages overtredingen bij controles; - aantal en aard van de geconstateerde overtredingen; - aantal handhavingsverzoeken en meldingen; - aantal uitgevoerde controles en hercontroles; - afhandelingstermijnen handhavingsverzoeken; - percentage uitgevoerde geplande controles; - dekkingspercentage van de leges. RICHTLIJNEN VOOR MONITORING
Als richtlijnen kunnen aangehouden worden:
- niet voor elke indicator hoeft een 100% controle plaats te vinden, maar kan volstaan worden met een steekproef van vijf cases;
- alle indicatoren worden gescoord in hetzelfde kalenderjaar (gelijklopend met het Uitvoeringsprogramma); - aantallen worden niet door middel van een steekproef vastgesteld maar volledig in kaart gebracht.
42
4.6 STRATEGIE PER ACTIVITEIT We zullen in deze paragraaf stil staan bij de strategieën die de gemeente hanteert om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. Door een groot aantal factoren wordt bepaald in hoeverre de gestelde regels ook daadwerkelijk worden nageleefd. Dit varieert van kennis van de regels, via het nu en de noodzaak er van inzien, tot het bewust overtreden ervan. Een aantal factoren zijn te beïnvloeden door consequent te handhaven in de meest brede zin van het woord. In de naleefstrategie worden alle activiteiten die erop gericht zijn om er voor te zorgen dat de regels worden nageleefd samengevat. Deze strategie richt zich enerzijds op het stimuleren van de naleving en anderzijds op het reduceren van de risico’s die kunnen voortkomen uit het niet naleven van de voorschriften. Een naleefstrategie bestaat uit vier aparte strategieën (preventiestrategie, toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie). In dit hoofdstuk worden eerst de strategieën met betrekking tot inspectie weergegeven, vervolgens toezicht en er wordt afgesloten met de genoemde naleefstrategieën in het kader van de handhaving. 4.6.1 INSPECTIE Inspectie is de activiteit van de gemeente in relatie tot de realisatie van het vergunde. Het gaat hier over de inspectie van uitvoeringswerkzaamheden en het zonder formeel juridische instrumenten tegemoet treden van afwijkingen.
Eigenlijk maakt de inspectie technisch gezien nog deel uit van de vergunningsfase en niet van de toezicht en handhavingsfase. De werkzaamheden die samenhangen met inspectie zijn daarentegen vergelijkbaar met toezicht en worden daarom hier behandeld. 4.6.1.1 VERBOUWEN VAN EEN BOUWWERK Artikel 2.3 van de Wabo bepaalt dat het verboden is te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning. De taak om te inspecteren ligt hierin bij de gemeente, zij kijken of gebouwd wordt conform de verleende omgevingsvergunning en de relevante wet- en regelgeving. Daarnaast zijn in het Bouwbesluit voorschriften opgenomen met betrekking tot plichten tijdens de bouw, zoals afscheiding van het bouwterrein, melden van werkzaamheden en de aanwezige bescheiden op de bouwplaats. Er kunnen tijdens de uitvoering allerlei redenen zijn om af te wijken van de vergunning en wet- en regelgeving, zowel bewust als onbewust. Bovendien laat de kwaliteit van de uitvoering van werkzaamheden nog al eens te wensen over waardoor bijsturing van gemeentewege gewenst of noodzakelijk is. De strategie die gevolgd dient te worden is in het zaaksysteem opgenomen. Als de omgevingsvergunning verleend is, wordt er voor de toezichthouder een zogenaamde opleveringscontrole aangemaakt in het zaaksysteem. Hier staan alle relevante gegevens en stukken, alsmede het te doorlopen proces van inspectie en toezicht in.
Wanneer een omgevingsvergunning is afgegeven zal deze gecontroleerd moeten worden wanneer deze tot uitvoering komt. Deze controle wordt uitgevoerd door Bouw- en Woningtoezicht. Zij controleren of de werkzaamheden in overeenstemming met de verleende vergunning worden uitgevoerd. Wanneer er geconstateerd wordt dat in afwijking van de omgevingsvergunning wordt gebouwd, kan de toezichthouder van de sectie Bouwen & Milieu aanwijzingen geven of in ernstige gevallen de bouw stilleggen. Zowel de start als de voltooiing van het bouwwerk moeten worden gemeld aan de toezichthouders. Bij voltooiing volgt derhalve een eindcontrole. Wanneer blijkt dat in afwijking van de vergunning wordt gebouwd zal de sectie Bouwen en Milieu eerst kijken of de afwijking alsnog gerealiseerd kan worden door ofwel een nieuwe vergunning of een wijzigingsvergunning. Als dit niet mogelijk blijkt, zal de vergunninghouder worden aangeschreven om het werk alsnog uit te voeren in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning, of de situatie te, of terug te brengen in de oude staat. Voor de uitvoering van zowel de inspectie tijdens de realisatiefase als het toezicht bij reeds gerealiseerde activiteiten bestaat uit drie fasen: voorbereiding, uitvoering en rapportage. Deze werkwijze (zie bijlage 4) wordt consequent toegepast.