CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept Vergunningen, Toezicht- en handhavingsbeleid 2022-2026.pdf

Raadsvergadering 15 september 2022, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen Vergunningen, Toezicht- en Handhavingsbeleid 2022-2026.30.522 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

VTH-beleid 2022 – 2026 Gemeente Edam-Volendam

0

VTH-beleid Gemeente Edam-Volendam Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling 2022

Status: College vastgesteld: 12 april 2022 Gemeenteraad vastgesteld: 15 september 2022

1

INHOUD 1. Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving ..............................................................................3 1.1. Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.2. Begrippen......................................................................................................................................... 3 1.3. Doorwerking in jaarcyclus en operationeel beleid .......................................................................... 4 1.4. Visie op de proceskwaliteit .............................................................................................................. 4 1.5 (Toekomstige) ontwikkelingen .......................................................................................................... 6 2. Beleidsevaluatie .............................................................................................................................9 2.1 Milieu…. ........................................................................................................... ..................................9 2.2 BWT en RO......................................................................................................................................... 9 3.

Beleid vergunningverlening.........................................................................................................11 3.1 Inleiding .......................................................................................................................................... 11 3.2 Probleemanalyse ............................................................................................................................. 11 3.3 Risicoanalyse Vergunningverlening ................................................................................................. 12 3.4 Toetsniveaus.................................................................................................................................... 15 3.5 Doelstellingen Bouw- en woningtoezicht ........................................................................................ 16 3.6 Milieu …. .......................................................................................................................................... 19 3.7 Vergunningenstrategie .................................................................................................................... 21 4. Beleid Toezicht en Handhaving ....................................................................................................34 4.1 Inleiding …………………………………………………………………………………………………………………………………….

34 4.2 Visie en uitgangspunten .................................................................................................................. 34 4.3 Risicoanalyse Toezicht en Handhaving ............................................................................................ 37 4.4 Tafel van 11 ..................................................................................................................................... 38 4.5 Doelstellingen .................................................................................................................................. 40 4.6 Strategie per activiteit ..................................................................................................................... 43 4.7 Handhaving ......................................................................................................................................

48 Bijlagenoverzicht ..............................................................................................................................60 Bijlage 1: Risicoanalyse vergunningverlening en toezicht & handhaving ............................................61 Bijlage 2: Toetsmatrix .......................................................................................................................62 Bijlage 3: Tafel van 11 .......................................................................................................................64 Bijlage 4: Basiswerkwijze inspectie en toezicht ..................................................................................65 Bijlage 5: Leidraad sancties, bedragen en termijnen .........................................................................67

2

1. VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING 1.1. INLEIDING Het VTH-beleid gaat over hoe de processen van vergunningverlening, toezicht en handhaving in elkaar zitten om zo haar beoogde doelen te bereiken. Als we het bijvoorbeeld hebben over welstand, dan gaat het over hoe dit is verwerkt in het proces van vergunningverlening. Als we het hebben over geluid, dan hebben we het hier over het toezicht op de geluidsnormen, worden de normen overtreden, dan gaat het over hoe en wanneer er wordt gehandhaafd. In het VTH-beleid wordt onder andere een risicoanalyse opgenomen en verschillende vergunningsstrategieën beschreven. Er wordt nog altijd gewacht op een landelijke vergunningenstrategie. Tot die tijd wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke strategie. Het proces, de mogelijkheden voor aanvragen en de toetsingsniveaus zijn hierin beschreven. 1.2. BEGRIPPEN Vergunningverlening: heeft betrekking op het in behandeling nemen van een vergunningsaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Inspectie: is (zijn) de activiteit(en) van de gemeente in relatie tot de realisatie van het vergunde. Het betreft de inspectie van de uitvoeringswerkzaamheden en het zonder formeel juridische instrumenten tegemoet treden van afwijkingen.

Toezicht: betreft de controle op de naleving van wet- en regelgeving (als het vergunde eenmaal is gerealiseerd) en het zonder formeel juridische instrumenten tegemoet treden van overtredingen. Onder toezicht wordt tevens verstaan de controles in het kader van de handhaving en het gebruik. Handhaving: is de (bestuurlijke) oordeelsvorming over bevindingen tijdens inspectie en toezicht, en het – waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht – plegen van interventies, maatregelen en sancties met formeel juridische instrumenten, zoals het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van dwangsommen of het intrekken van een (deel van een) vergunning.

3

1.3. DOORWERKING IN JAARCYCLUS EN OPERATIONEEL BELEID Dit VTH-beleid is gebaseerd op een actualisering van problemen en risico’s in het omgevingsbeleid vanuit het perspectief van juridische en maatschappelijke ontwikkelingen. Dit plan is de eerste stap in de jaarcyclus. In deze paragraaf worden de stappen beschreven die gezet worden om de cyclus sluitend te maken en hoe de in dit plan beschreven doelstellingen gerealiseerd gaan worden. Hiervoor doorlopen we de big-8 beleidscyclus zoals hiernaast afgebeeld. Om de doelstellingen te realiseren wordt een breed scala aan instrumenten ingezet welke worden beschreven in het integraal Uitvoeringsprogramma. In het Uitvoeringsprogramma staat welke instrumenten we inzetten om de doelen te bereiken, hoe vaak en welke middelen daar voor nodig zijn. Uit het Uitvoeringsprogramma blijken ook de gevolgen voor de capaciteit van de uitvoeringsorganisatie.

In het Uitvoeringsprogramma vindt jaarlijks analyse en bijsturing plaats van aantallen en kengetallen op basis van: - een analyse van het naleefgedrag op basis van verrichte controles en ingekomen klachten en handhavingsverzoeken op de verschillende beleidsvelden; - landelijke prioriteiten; - samenwerkingsafspraken met de Omgevingsdienst IJmond, de Provincie Noord-Holland en het HHNK; - een analyse van bouwprognoses, economische ontwikkelingen en overige factoren die van invloed kunnen zijn op het werkaanbod of de prioriteitsstelling. In hoeverre de resultaten bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen is object van monitoring, evaluatie en verantwoording. Op basis van deze monitoring wordt verantwoording afgelegd in een jaarverslag. Met dit jaarverslag wordt voldaan aan de wettelijke plicht om een jaarverslag op te stellen en de raad jaarlijks te informeren over de realisatie. Het jaarverslag wordt vastgesteld door B&W. De monitoring vindt plaats op basis van een set indicatoren die zijn afgeleid van de betreffende doelstellingen. De laatste stap is het actualiseren en vastleggen van protocollen en werkinstructies. Deze worden continue gemonitord. Ze zijn gebaseerd op de strategieën voor vergunningverlening, toezicht, sanctioneren en gedogen.

Daar waar de toegevoegde waarde van een protocol of werkinstructie niet wordt gezien wordt deze, met redenen omkleed, niet opgesteld. 1.4. VISIE OP DE PROCESKWAL ITEIT Landelijk wordt er nadrukkelijk gesproken over de kwaliteit van de uitvoering van VTH-taken, sinds de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Uiteindelijk heeft dit geleid tot het rapport Mans, waarin aanbevelingen werden gedaan over de organisatie en kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Inmiddels is er een landelijk dekkend netwerk van Omgevingsdiensten welke voornamelijk de bovenlokale complexe (milieu) taken uitvoeren, de zogenoemde basistaken. Dit is ook het geval voor gemeente Edam-Volendam. Kwaliteit moet meetbaar zijn en geborgd kunnen worden in de eigen organisatie. Om te beginnen wordt kwaliteit als volgt gedefinieerd: ‘Het leveren van diensten waarbij tevredenheid van klant, maatschappij, medewerkers en bestuur met elkaar in balans is’ 4

Bij deze diensten gaat het om het uitvoeren van VTH-taken. Om te borgen dat er kwaliteit geleverd wordt, moet worden gekeken naar hoe het VTH-proces er uit ziet en waar wat voor eisen, criteria en ambities gekoppeld kunnen worden aan elke fase binnen dat proces. Hieronder wordt het proces schematisch weergegeven.

Hieronder wordt voor elke fase weergegeven hoe Edam-Volendam aankijkt tegen het leveren van kwaliteit en hoe dat geborgd is. Hierbij wordt begonnen met de laatste fase, omdat het uiteindelijk draait om de kwaliteit van de producten die afgeleverd worden en het effect dat dit heeft in de samenleving. Outcome De VTH-taken worden uitgevoerd om uiteindelijk effecten te genereren in de omgeving. Het resultaat van alle inspanningen moet dus uiteindelijk een kwalitatief goede outcome zijn. De outcome kan niet altijd worden gezien als een eenvoudig direct effect van een product. Soms kan het een keten van effecten betekenen. Daarbij zijn er veel meer factoren van invloed op het te doorlopen VTH-proces. Zo is ‘bijdrage aan omgevingskwaliteit’ een outcome van het VTH-proces, bijvoorbeeld gemeten in een verminderde C02-uitstoot. Het is niet alleen lastig meetbaar, het is ook afhankelijk van veel andere factoren, bijvoorbeeld de hoeveelheid autoverkeer. Criteria die worden gesteld met betrekking tot outcome zijn dus eigenlijk meer doelstellingen en ambities die de gemeente heeft. Er worden doelen gesteld in dit Omgevingsbeleidsplan, zoals de gemeente die wil behalen met de uitvoering van de VTH-taken, waaronder doelen op het gebied van dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van diensten en producten en veiligheid.

Output Om de gewenste outcome te bereiken zal er output geleverd moeten worden. Dit zijn concrete prestaties, zoals het aantal controles, het aantal afgegeven vergunningen, bereikbaarheid, mate van realisatie van het Uitvoeringsprogramma etc. Voor de output zijn ook in dit plan doelen opgenomen. Proces-throughput De tussenresultaten, de troughput, staan een stap terug in het proces. Deze moeten uiteindelijk tot output en outcome leiden. In de Wabo, het Bor en het Mor en later ook in de Omgevingswet zijn eisen opgenomen, welke throughput de gemeente uiteindelijk moet leveren en waar deze aan moet voldoen. Middels een sluitende big-8 cyclus voldoet Edam-Volendam aan de gestelde eisen. Daarbij wordt wel aangegeven, dat de 5

gemeente ook zelf na moet blijven denken over het zo efficiënt mogelijk besteden van overheidsmiddelen. Mochten er in de wettelijke kaders dus eisen worden gesteld aan de te leveren throughput die Edam-Volendam niet kan onderschrijven dan wordt daar, beargumenteerd, van afgeweken. Door middel van het vaststellen van dit Omgevingsbeleidsplan wordt voor het merendeel aan de eisen, die aan proces en throughput worden gesteld, voldaan. Input Het proces wordt gestart met de input. Er moet hierbij gedacht worden aan tijd, kennis methoden en geld. De eisen waar deze input binnen gemeenten aan moet voldoen, zijn opgenomen in de set kwaliteitscriteria 2.2 van KPMG. Voor wat betreft de basistaken milieu zijn deze kwaliteitscriteria het wettelijk bepaalde niveau. Wanneer er onvoldoende input is, kan niet verwacht worden dat goede output en outcome worden geleverd. De kwaliteitscriteria 2.2 bestaat uit inhoudelijke criteria, procescriteria en criteria voor kritieke massa. De sluitende big-8 beleidscyclus geeft invulling aan de eerste twee categorieën. Hieronder wordt per element aangegeven hoe er in Edam-Volendam wordt omgegaan met kritieke massa. Kritieke massa - EVK1 De criteria over de kritieke massa stellen eisen waaraan organisaties en werknemers zich aan moeten houden om voldoende kwalitatieve input te leveren aan het VTH-proces.

Belangrijk is derhalve, het aantal medewerkers dat een organisatie heeft, welke opleiding en aanvullende kennis zij hebben, in welke frequentie zij hun werk doen en welke ervaring de werknemers hebben met de uitvoering van het werk. Binnen Edam-Volendam is er tot op heden voor gekozen om de kwaliteitscriteria die landelijk zijn ontwikkeld voor kritieke massa aan te passen naar de lokale situatie. Deze criteria zijn vastgelegd in ‘EVK1’. Daarin staat strikt omschreven welke criteria gelden op welk deskundigheidsgebied. De ‘EVK1’ is gebaseerd op de kwaliteitscriteria en andere standaarden en methoden die door het bevoegd gezag al werden gehanteerd. De ‘EVK1’ staat geborgd in de ‘Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeenten Edam-Volendam’. Op dit moment is de ‘Verordening Kwaliteitscriteria VTH’ in voorbereiding. Deze zal naar verwachting vlak voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden vastgesteld. Deze verordening gaat uit van een brede verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies voor kwaliteit. Dat wil zeggen dat als vertrekpunt wordt genomen dat alle taken van het college van burgemeester en wethouders op grond van de Wabo en de betrokken wetten, onderwerp van de verordening vormen.

1.5 (TOEKOMSTIGE) ONTWIKKELINGEN Al na het inwerkingtreden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is duidelijk geworden dat er in de toekomst een Omgevingswet zou komen. Inmiddels is de inwerkingtreding van de Omgevingswet al meerdere keren uitgesteld. Naar verwachting zal de wet in januari 2023 daadwerkelijk in werking gaan treden, maar niemand weet zeker of dit dan ook echt zal gaan gebeuren. Binnen dit Omgevingsbeleidsplan zal worden ingespeeld op (toekomstige) ontwikkelingen in het omgevingsrecht. Hieronder worden een aantal hiervan naar voren gebracht. WET KWALITEITSBORGING VOOR HET BOUWEN Per 1 januari 2023 treedt naar verwachting de nieuwe Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (hierna: Wkb) in werking. Op 14 mei 2019 heeft de Eerste Kamer de Wkb aangenomen. Deze wet heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Daarnaast wordt aansprakelijkheid van aannemers ten opzichte van particuliere en professionele opdrachtgevers uitgebreid. De wet gaat gefaseerd in. Er gaat gestart worden met de eenvoudigere bouwprojecten, en daarna volgen eventueel de meer complexere.

6

De wet heeft drie doelen, namelijk verbeterde borging van de bouwkwaliteit, verbeterde positie van de consument en stimulatie van kwaliteitsverbetering en faalkostenvermindering. Om de doelen van de Wkb te bewerkstelligen wordt het proces voor vergunningverlening in tweeën opgeknipt: 1. De ruimtelijke component loopt via de gemeente (toets aan omgevingsplan en veiligheid); 2. De bouwtechnische component: hiervoor wordt verplicht een onafhankelijke kwaliteitsborger in te schakelen die tijdens de bouw toetst op conformiteit met de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit en verklaart of de getoetste onderdelen aan de voorschriften voldoen. Dit wordt bij private partijen belegd. Het Bouw- en woningtoezicht, zoals gemeenten dat nu uitvoeren, wordt een taak van marktpartijen. De gemeente toetst dus voor een gedeelte van de bouwwerken niet meer inhoudelijk aan bouwtechnische voorschriften, maar controleert of de opdrachtgever werkt met een toegelaten, bij de bouwactiviteit passend instrument en een onafhankelijke kwaliteitsborger. Ook controleert de gemeente of alle specifieke risico’s voor dat bouwwerk in de risicobeoordeling in kaart zijn gebracht. En in het borgingsplan zijn vastgelegd. Wanneer toezicht en handhaving noodzakelijk is, biedt de Wkb in aanvulling op de Algemene wet bestuursrecht verschillende handvatten om te kunnen beschikken over noodzakelijke informatie.

Dit vraagt een aanzienlijk aantal wijzigingen in processen, competenties en informatievoorziening die de gemeente voor de inwerkingtreding van dit nieuwe stelsel moet implementeren. De Wkb biedt gemeenten ruimte om in het beleid specifieke keuzes te maken. ENERGIEBESPARING BEDRIJVEN Energiebesparing dan wel verduurzaming van bedrijven staat binnen Edam-Volendam hoog in het vaandel en vormt dan ook een integraal onderdeel van onze bedrijfscontroles in samenwerking met de Omgevingsdienst IJmond. In 2050 wil Noord-Holland klimaatneutraal zijn. Energiebesparing in de industrie- en dienstensector is daarbij cruciaal. De Wet Milieubeheer verplicht bedrijven die veel energie verbruiken besparingsmaatregelen te nemen die zich in 5 jaar terugverdienen. Op dit moment voldoet slechts 9% van de bedrijven in NoordHolland volledig aan deze plicht. Gemeente Edam-Volendam wil er aan bijdragen om dit percentage te verhogen en zal zich hier dan ook voor blijven inzetten. De provincie Noord-Holland gaat 8 miljoen euro investeren in het stimuleren van bedrijven om energie te besparen. Gemeenten kunnen dit bedrag gebruiken om het toezicht op bedrijven vorm te geven. Zij betalen zelf de helft van de kosten die zij daarvoor maken. Gemeente Edam-Volendam wil hiervan gezien het voorgaande gebruik van maken, om bij te dragen aan de energiebesparing van bedrijven.

TRANSITIEVISIE WARMTE (TWV) EN WIJKUITVOERINGSPLANNEN (WUP’S) In april 2021 is de TVW door de gemeente Edam-Volendam vastgesteld. Daaruit zijn vier zogeheten kansrijke wijken naar voren gekomen voor de transitie naar aardgasvrij. De volgende stap is om voor deze wijken verschillende Wijkuitvoeringsplannen (WUP’s) te gaan uitwerken. Het voornemen is om in 2022 te beginnen met in ieder geval één van de vier kansrijke wijken uit de TVW, te weten het Middengebied in Volendam. Participatie zal de rode draad vormen die door het WUP-proces heen loopt. BENG Steeds meer nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen zijn energieneutraal. Sinds 1 januari 2021 is het zelfs wettelijk verplicht om (bijna) energieneutraal te bouwen. BENG betekent: Bijna EnergieNeutraal Gebouw. De energieprestatie is van EPC naar BENG gegaan. In het kader van de klimaatdoelstelling is door de Europese Commissie besloten dat nieuwe gebouwen in de Europese Unie niet BENG moeten zijn, maar helemaal CO2 vrij moeten zijn. Dit is voorzien na 2030 en vanaf 2027 voor nieuwe openbare gebouwen. Tot 2030 blijft BENG de norm bij nieuwbouw en ingrijpende renovatie.

7

OMGEVINGSWET De Omgevingswet, die volgens de huidige planning in januari 2023 in werking treedt, integreert 26 bestaande wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. In de integratie zijn onderwerpen als bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur betrokken. De oude wetten zijn veelal sectoraal opgebouwd. In samenhang gezien en toegepast sluiten deze wetten niet meer aan bij de behoefte van deze tijd. Met de Omgevingswet wil de overheid het wettelijk systeem ‘eenvoudig beter’ maken. De vraag is of in dit in de praktijk ook echt zo zal zijn. Ook de komende jaren zal er nog veel worden gewerkt aan de implementatie van de Omgevingswet, hierbij kun je bijvoorbeeld denken aan de omgevingsvisie. De omgevingsvisie is een toekomstvisie voor onze (ruimtelijke) leefomgeving. Daarnaast zal het handboek voor het omgevingsplan worden opgesteld. Per gebied zal de richting worden bepaald en wat gebiedsoverstijgend is. Op basis daarvan zullen de nieuwe juridische regels voor het omgevingsplan worden opgesteld. Daarnaast zal de implementatie plaatsvinden van het nieuwe zaaksysteem.

8

2. BELEIDSEVALUATIE Het Omgevingsbeleidsplan 2016-2020 was de opvolger van het Milieubeleidsplan 2009-2012, het Bouwbeleidsplan 2012-2016 uit Edam-Volendam en het Integraal Handhavingsbeleid gemeente Zeevang 20132017. Het is belangrijk om het vigerende beleid te evalueren voor onderhavig Omgevingsbeleidsplan, alvorens we een nieuw kader omschrijven en vaststellen voor het uitvoeren van vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken (VTH). 2.1 MILIEU In de afgelopen jaren is net als altijd weer samengewerkt met de Omgevingsdienst IJmond (hierna: OD IJmond). Alle milieuvergunningen worden door de OD IJmond afgehandeld. Het zwaartepunt van de milieuactiviteiten die nog bij de gemeente liggen, ligt bij toezicht en handhaving en de afwikkeling van meldingen. Voor de indicatoren en monitoring verwijzen we dan ook naar het Uitvoeringskader 2019-2022 van de Omgevingsdienst. Hieronder worden de doelen uit het Uitvoeringskader 2015-2018 geëvalueerd. Het vergunningenbestand waar OD IJmond op toeziet is actueel. Enkele vergunningen zijn weliswaar ouder dan tien jaar -de grens die over het algemeen voor actualiteit van een vergunning wordt aangehouden-, maar actualisatie is hier, gegeven de milieurelevantie van de activiteiten en het beschermingsniveau dat door de vigerende vergunning wordt geboden, niet noodzakelijk.

Het aantal bezwaar- en beroepzaken tegen (milieu)vergunningen is daarnaast tot een minimum gedaald. De ontwikkeling van het steeds meer activiteiten brengen onder algemene regels die sinds een aantal jaar is ingezet, komt ook de komende jaren niet tot stilstand. Dit betekent echter dat het aantal (complexe) meldingen, waarvan de toetsing relatief meer tijd in beslag neemt, toeneemt, evenals het aantal maatwerkvoorschriften dat wordt opgesteld om een passende bescherming te kunnen bieden aan de omgeving waar bepaalde activiteiten plaatsvinden. Met het digitaal inzichtelijk maken van de milieubelasting van (vergunde) activiteiten in een gebied, afgezet tegen andere omgevingsfactoren, is de afgelopen jaren reeds voorgesorteerd op de komst van de Omgevingswet. Deze informatie biedt de basis voor de op te stellen omgevingsvisies en omgevingsplannen en een integrale benadering van de fysieke leefomgeving. 2.2 BWT EN RO Bij Bouw- en woningtoezicht is ook de afgelopen jaren streng toegezien op naleving van alle verleende omgevingsvergunningen bij zowel verbouw of nieuwbouw. Wanneer er bij een controle blijkt, dat niet wordt voldaan aan de verleende omgevingsvergunning, wordt er gehandhaafd. Hierbij kun je denken aan het ontbreken van zonnepanelen, waardoor niet voldaan wordt aan de BENG uit de omgevingsvergunning.

De laatste jaren kennen de geconstateerde tekortkomingen voor het overgrote deel geen hoog risicoprofiel. Welstandelijk gezien is evenmin sprake tot zorg kijkend naar de afgelopen periode; het aantal afwijkingen van de adviezen van de commissie is jaarlijks op één hand te tellen. Een van de doelstellingen was daarnaast dat 65% van de vergunningen voor bouwen binnen een termijn van 4 weken zou moeten worden afgehandeld. Deze doelstelling is niet behaald en niet langer realistisch. Gezien het feit dat voor gemiddeld 68% van de aanvragen afgeweken moet worden van het bestemmingsplan en je hierdoor vaak afhankelijk bent van meerdere deeladviseurs is het van belang dat de doelstelling wordt versoepeld. De besluitvorming op vergunningaanvragen is de voorgaande jaren vrijwel altijd binnen de wettelijke termijnen geweest, derhalve weinig tot geen vergunningen van rechtswege. Deze doelstelling zal derhalve ook de komende jaren weer nagestreefd worden. Het doel wat betreft het dekkingspercentage van de leges was 100%. In de praktijk is echter gebleken dat dit een te gedreven doel is, waardoor dit percentage zal worden teruggeschroefd naar een doelstelling van 85%. De bestemmingsplannen waren op hoofdlijnen actueel een toekomstbestendig de afgelopen tijd.

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zal de komende tijd aandacht worden besteed aan het verder opstellen van het toekomstige omgevingsplan.

9

Hoewel het aantal bezwaar- en beroepsschriften de afgelopen jaren flink gestegen is, zijn nog altijd merendeel (circa 90%) hiervan ongegrond. De komende jaren is het van belang dat het behalen van dit resultaat wordt doorgezet. De gemeentelijke taken met betrekking tot brandveiligheid worden uitgevoerd door de Veiligheidsregio Zaanstreek-Waterland. Dit heeft een hoge prioriteit binnen de gemeente. Er zijn de laatste jaren weinig overtredingen geconstateerd met betrekking tot brandveiligheid. Mogelijk heeft de actieve rol bij toezicht en handhaving binnen RO hierin zijn vruchten afgeworpen. De komende jaren blijft dit een belangrijke doelstelling.

10

3. BELEID VERGUNNINGVERLENING 3.1 INLEIDING Binnen dit hoofdstuk zal worden vastgelegd welke doelen er zijn voor het verlenen van vergunningen en wat binnen deze doelen prioriteit heeft. Door middel van welke indicatoren we gaan meten zal worden aangegeven of de doelstellingen ook worden bereikt. Daarna zal de te volgen strategie per activiteit worden weergegeven. Al deze zaken zijn gebaseerd op een probleem- en risicoanalyse. In het kader van het Besluit omgevingsrecht is periodieke herijking verplicht voor de handhavingstaken. Tevens in de samenwerking bij de uitvoer (Omgevingsdienst, Veiligheidsregio of voor overige bouw- en milieutaken met omliggende gemeenten), behoudt het bevoegd gezag de wettelijke plicht om haar uitvoeringsstrategieën vast te stellen. 3.2 PROBLEEMANALYSE Voordat de risicoanalyse wordt opgesteld, wordt er begonnen met de achtergrondgegevens van de gemeente en de probleemanalyse. De gemeente heeft ruim 36.000 inwoners en kent mede door de fusie in 2016 een gemengd karakter. De gemeente bestaat uit een aantal verstedelijkte kernen (Edam, Volendam), een aantal dorpse kernen, Beets, Hobrede, Kwadijk, Middelie, Oosthuizen, Warder en Schardam en een uitgestrekt landelijk gebied. Bouwen Zowel Edam, als Volendam hebben beide een historisch centrum, waarvan één is aangewezen als Beschermd Stadsgezicht (Edam).

De aanwezige monumenten en de wens tot behoud van het uiterlijk aanzien van deze kernen, zorgen ervoor dat welstandelijke inbreuken aan panden en aantastingen van de openbare ruimte een zwaarder gewicht worden toegekend, dan in gebieden die historisch gezien minder relevant zijn. De gemeente is na de tweede wereldoorlog gegroeid en kent een hoog percentage eigen woning bezit. De woningvoorraad kan dan ook als relatief jong worden gekenmerkt. Er is een geringe doorstroming, woningen worden vaak voor het leven gekocht, waardoor de bewoners de woning in goede staat houden. Risico’s als gevolg van gedateerde woningen en technische installaties doen zich om die reden niet op grote schaal voor. De actieve woningcorporaties binnen de gemeente voeren een actief beleid ten aanzien van het beheer van hun woningbezit. De staat van de voorraad brengt in dat opzicht geen bijzondere risico’s met zich mee. De gemeente heeft een hoge grondwaterstand en een slechte grondslag (veenondergrond). Problemen ten aanzien van zowel grondwateroverlast als grondwateronderlast en aanverwante funderingsproblemen vormen een reëel risico binnen de gemeente. Die situaties kunnen zich vooral voordoen op plaatsen van voormalige waterlopen (drooggelegde sloten e.d.). Er zijn op dit moment geen signalen bekend van grootschalige probleemsituaties ten aanzien van funderingen (zoals paalrot).

Veiligheid is al heel lang een speerpunt van beleid. De brandveiligheid en de constructieve veiligheid van met name publiek toegankelijke gebouwen blijven aandachtspunten en kunnen in algemene zin als risico’s worden aangemerkt. Natuur Polder Zeevang is aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze aanwijzing betekent dat het gebied beschermd is op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wnb zal opgaan in de Omgevingswet (Ow). De Wnb zal niet als één geheel opgaan in de Ow. De huidige bepalingen uit de Wnb, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming gaan verspreid worden over de Ow, de AMvB’s en de Regeling. De Wet natuurbescherming zal volledig komen te vervallen. Dit wordt geregeld in de Aanvullingswet natuur en Aanvullingsbesluit natuur die bij de Ow horen. Milieu De gemeente kent in toenemende mate inbreilocaties waar de nodige aandacht voor zijn evenals voor de verdere ontwikkeling van de bedrijventerreinen. In de gemeente zijn vier bedrijventerreinen gelegen, te weten Oosthuizerweg, Julianaweg en Slobbeland, en bedrijventerrein Zeevang waar voornamelijk bedrijven in de sectoren industrie, groothandel, transport, bouwnijverheid en zakelijke dienstverlening zijn gevestigd. De kernen zijn met name gericht op toerisme en recreatie en in het buitengebied zijn daarnaast nog enkele agrarische inrichtingen gelegen. 11

Het bedrijfsverloop is groot, vooral in de sectoren detailhandel en dienstverlening. Sinds de fusie is sprake geweest van groei van het aantal bedrijven als gevolg van het koppelen van de verschillende gegevensbestanden. Die groei betrof echter niet het aantal bedrijven op industrieterreinen, maar gaan over bedrijven aan huis e.d. die niet genoopt hebben tot extra bedrijfsbezoeken. Verwacht wordt ook dat er hierin de komende jaren geen grote veranderingen gaan plaatsvinden. De toezichttaken buiten de inrichtingen zijn ingedeeld in afvalstortingen, asbest, agrarische bedrijven en jachthavens, en overige taken. Omdat er in de gemeente eveneens veel bedrijfsunits aanwezig zijn, waar periodes van leegstand en gebruik elkaar afwisselen, en daarnaast de wisseling in bedrijven groot is, zijn bedrijfsunits als specifieke toezichtcategorie toegevoegd. Onder het onderwerp ´natuur´ valt onder andere afval, geluid, energie, bodem en lucht. Er is voor gekozen om ´natuur´ niet onder te verdelen in de verschillende deelaspecten. Een dergelijke onderverdeling biedt weinig meerwaarde voor de uiteindelijke score in de prioriteitenstelling. De indirecte lozingen van bedrijven die vallen onder de Waterwet, worden in het kader van de normale bedrijfsbezoeken gecontroleerd. Onder de Ow verdwijnt het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer (Wm).

Het begrip wordt vervangen door een regulering per milieubelastende activiteit. De rijksregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Maar er kunnen ook andere regels gelden. Het verschil met het huidige begrip inrichting is, dat het voor de geldigheid van de milieuregels van het Bal meestal niet meer uitmaakt:  of een activiteit een bedrijfsmatige omvang heeft;  hoe lang de activiteit duurt;  of de activiteit op een vaste plek plaatsvindt. De milieubelastende activiteit verschilt van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer, maar ook van het begrip inrichting uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De milieubelastende activiteit omvat onder het Bal ook activiteiten buiten inrichtingen waarvoor nu al algemene regels gelden, zoals:  lozingen van afvalwater in rioolstelsels en in de bodem;  omgaan met afvalstoffen (storten, verbranden, nuttig toepassen);  toepassing van warmte- en koudeopslag.

3.3 RISICOANALYSE VERGUNNINGVERLENING 3.3.1 BESCHRIJVING VAN DE SYSTEMATIEK In de risicoanalyse staat de basis voor de doelen en prioriteiten die gesteld worden. In artikel 7.2 van het Bor is bepaald dat er een risicoanalyse ten grondslag moet liggen aan het beleid. De analyse geeft inzicht waar de risico’s zich voordoen en geeft op deze wijze een handvat voor het maken van keuzes in zowel toetsing als toezicht en handhaving. De risico’s moeten beheersbaar en controleerbaar zijn. Het vaststellen van de aspecten en de diepgang waarop vergunningsaanvragen dienen te worden getoetst en het vastleggen daarvan in protocollen maken die risico’s beheersbaar. Door het werken met bestuurlijk vastgestelde toetsingsprotocollen zijn de interne risico’s afgedekt. Daarnaast kunnen hierdoor eventuele aansprakelijkheidsstellingen worden begrensd. Het is nauwelijks of niet aan te geven wat een adequaat toetsingsniveau is. Feit is dat er ten aanzien van de toetsing van (bouw)vergunningaanvragen gemotiveerd keuzes mogen en moeten worden gemaakt en prioriteiten worden gesteld.

12

De wetgever heeft er meer en meer voor gekozen de verantwoordelijkheid voor het bouwen bij de bouwer zelf neer te leggen. Het idee dat door toetsing en toezicht de overheid mede verantwoordelijk is voor het bouwwerk of de activiteit is niet juist en kent geen juridische grondslag. Er dient een grondig inzicht in de praktijk te bestaan, om te kunnen bepalen welke risico’s verschillende keuzes met zich meebrengen. De dynamiek in de bouwpraktijk kan ertoe leiden dat bepaalde risico’s die, door de gemaakte keuzes, onderbelicht worden op enig moment toch een groter maatschappelijk gewicht gaan krijgen waardoor beleid dient te worden bijgesteld. Landelijke overheidsacties zijn hier een goed voorbeeld van. Deze acties kunnen een herprioritering van de eerder gemaakte keuzes nodig achten. Zo’n herpiroritering heeft een casuïstisch karakter en wordt veelal incident-gestuurd. Deze risicoanalyse kent bovendien nog maar een beperkte houdbaarheid door de geplande invoering van de private kwaliteitsborging in de bouw. Voor bouwwerkcategorieën die vaak voorkomen is een risicoanalyse uitgevoerd. Hierbij is ten aanzien van elk toetsthema op basis van kennis en ervaring de vraag is beantwoord hoe groot de kans is dat een aanvraag van dat thema tekortschiet en wat de effecten daarvan zouden kunnen zijn.

Op deze manier is inzichtelijk gemaakt welke thema’s bij welke bouwaanvraag qua risico hoog scoren en welke niet. Kortom: welke thema’s zijn echt relevant om te toetsen en welke minder. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van de volgende formule: Risico = Kans x Gevolg. De scores leiden tot vier categorieën risico’s, zoals hieronder te zien. Score

Risico

0-20

Laag

21-49

Gemiddeld

50-79

Hoog

80-100

Zeer hoog

13

3.3.2 RESULTAAT VAN DE RISICOANALYSE

De scope van dit Omgevingsbeleidsplan omvat ook de VTH-taken op het gebied van milieu. De gemeente is niet de enige organisatie die milieutaken uitvoert. De basistaken (bovenlokale complexe taken) voert de Omgevingsdienst IJmond voor Edam-Volendam uit. Voor andere gemeenten binnen haar verzorgingsgebied voert zij ook overige milieutaken uit zoals projecten op het gebied van duurzaamheid, taken op het gebied van specialistische milieuregelgeving, advisering op het gebied van bouwplannen, bodem, geluid, externe veiligheid en natuur- en biodiversiteit. Er is ook een risicoanalyse opgesteld voor de uitvoering van deze taken. Om een gelijk speelveld voor bedrijven te realiseren en om onnodig werk te voorkomen wordt de risicoanalyse zoals de Omgevingsdienst deze heeft opgesteld gehanteerd. Eveneens bij de doelstellingen die zij formuleert met betrekking tot vergunningverlening en toezicht en handhaving wordt aangesloten.

14

3.4 TOETSNIVEAUS Aan elke functie per toetsthema is op basis van de uitkomsten uit de risicoanalyse een toetsniveau gekoppeld. Afhankelijk van de score worden de thema’s bij de ene vergunningaanvraag bouwen minder diepgaand getoetst dan bij een andere. Bij het uitvoeren van de Bouwbesluittoets is dit een geaccepteerde praktijk (dus niet voor ruimtelijke ordening, welstand en milieu). Voor een gemeente is het niet te doen om elke aanvraag volledig te controleren en te toetsen. Wanneer je kijkt naar het efficiënt inzetten van de beperkt beschikbare middelen, is het dus een goede keuze om op basis van te voren ingeschatte risico’s voor een bepaalde ‘diepte’ te kiezen bij het toetsen. Hierbij horen vijf toetsniveaus. Deze zullen hieronder uiteen worden gezet.

15

Toetsniveau 0

Niet beoordelen

1

Sneltoets: Is het betreffende onderdeel aangegeven op de stukken (tekeningen, rapporten en andere documenten) behorende bij de bouwvergunningaanvraag.

2

Visuele toets: Is het betreffende onderdeel aangegeven op de stukken. Zijn tevens de uitgangspunten vermeld. Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten juist zijn en of de eventuele uitkomsten aannemelijk zijn. Wordt er bijvoorbeeld verwezen naar een norm of richtlijn.

3

Representatieve toets: Controle van de belangrijkste onderdelen. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten op de stukken juist zijn en of de uitkomsten plausibel zijn. De belangrijkste berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.

4

Integraal toetsen: Alles controleren. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten op de stukken juist zijn en worden de uitkomsten gecontroleerd/nagerekend.

In bijlage 2 is de toetsmatrix opgenomen

3.5 DOELSTELLINGEN BOUW- EN WONINGTOEZICHT De gemaakte risicoanalyse en bijbehorende probleemanalyse leiden tot een kleine 20 prioriteiten die verwoord zijn in doelstellingen voor vergunningverlening. De risicoanalyse geeft in combinatie met de probleemanalyse richting aan de doelstellingen die Edam-Volendam stelt voor vergunningverlening. Thema’s die in ieder geval aan de orde komen zijn: publiekstoegankelijke bouwwerken, asbest, brandveiligheid en cultuurhistorie. In hoofdstuk 1 kwam naar voren hoe Edam-Volendam omgaat met het begrip kwaliteit en hoe het leveren van kwaliteit wordt geborgd. Als het gaat om output- en outcomecriteria worden deze vooral weergegeven in de vorm van ambitieus en doelstellingen. De doelstellingen voor vergunningverlening en voor toezicht en handhaving vormen tezamen dus ook de set aan output- en outcomecriteria. Bij de doelstellingen is weergegeven waar de doelstellingen betrekking op hebben: duurzaamheid, leefbaarheid, dienstverlening, uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, veiligheid of financiën. Dit zijn ook thema’s waar het college volgens de verordening VTH kwaliteit ten minste doelstellingen op zou moeten formuleren. Bij het formuleren van de doelstellingen is nadrukkelijk rekening gehouden met de eisen die de raad zelf heeft gesteld aangaande de dienstverlening in het kwaliteitshandvest.

16

Thema Doelstelling Duurzaamheid: de objectieve en subjectieve aantrekkelijkheid en geschiktheid van een gebied of gemeenschap is om er te wonen, of te werken en de mate waarin we dit in de toekomst kunnen behouden, in relatie tot de VROM-taken.

Ten minste 85% van de bouwwerken worden op de juiste plek gerealiseerd, voldoen aan de redelijke eisen van welstand, zijn veilig en conform de regels van het bestemmingsplan gebouwd. De cultuurhistorische waarde van de monumentale panden wordt behouden Vergunningverlening, toezicht en handhaving dragen bij aan een goed woon- en leefklimaat Waardering van het woon-, leef- en bedrijfsklimaat ligt ten minste op een 7

Toetsing van BENG (Bijna Engergieneutraal Gebouwen) bij 100% van de omgevingsvergunningen als het gaat om nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw Verbetering van de certificering energieprestatie utiliteitsgebouwen Het in 2022 starten met het uitwerken van een van de vier Wijkuitvoeringsplannen uit de Transitievisie Warmte (het middengebied) Inwoners en bedrijven binnen de gemeente stimuleren, faciliteren en informeren over duurzame en energie besparende maatregelen. Betrokken partijen (aanbieders en consumenten) met elkaar in contact brengen Veiligheid: de objectieve en subjectieve (gezondheids)veiligheid in relatie tot de VROM-taken.

Dienstverlening: de manier waarop en de snelheid waarmee de organisatie met belanghebbenden omgaat.

In niet meer dan 15 % van de controles op sloopwerkzaamheden wordt geconstateerd dat er regels met betrekking tot (brand)veiligheid, asbest en de veiligheid van de directe omgeving wordt overtreden

De klanttevredenheid van de afhandeling ligt ten minste op 90% Ten minste 55 % van de vergunningen voor bouwen wordt binnen een termijn van 6 weken afgehandeld De besluitvorming op vergunningaanvragen valt altijd binnen wettelijke termijnen De besluiten en correspondentie richting de burgers is leesbaar en in begrijpelijke taal

Uitvoeringskwaliteit: de mate waarin een product voldoet aan de juridische doelen én bijdraagt de

.

Bij 100 % van de vergunningen zijn de juiste toetsingskaders gebruikt Alle vergunningen die integraal afgehandeld kunnen worden, worden ook daadwerkelijk integraal afgehandeld

omgevingsdoelen

90% van de bezwaar- en beroepsschriften m.b.t. vergunningverlening is ongegrond 17

Het toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen is helder door het vaststellen van een ontheffingenbeleid Alle bestemmingsplannen c.q. omgevingsplan zijn actueel en toekomstbestendig. Bestemmingsplannen c.q. omgevingsplan passen bij de moderne ruimtelijke ontwikkelingen (detailhandel, internetwinkels) Financiën: de inzet van middelen in relatie tot te hoeveelheid afgeleverde diensten/ producten.

Het dekkingspercentage van de leges is 85%

Indicatoren We zullen monitoren of deze doelstellingen ook worden gerealiseerd aan de hand van onderstaande indicatoren: - percentage van de reguliere bouwcontroles naar aanleiding van een vergunning voor bouwen waarin één of meerdere regels ten aanzien van constructieve veiligheid, brandveiligheid of bestemmingsplan wordt overtreden; - aantal welstandsexcessen en aantal welstandsadviezen; - waardering door de burgers van het woon-, leef- en bedrijfsklimaat; - percentage van de vergunningen waarin bij de adviezen het aspect veiligheid mee is genomen; - percentage BENG-toetsingen bij aanvragen om omgevingsvergunning nieuwbouw (woningbouw/utiliteitsbouw); - percentage certificering energieprestatie utiliteitsgebouwen; - uitwerking wijkuitvoeringsplannen; - gegeven informatie aan inwoners en bedrijven over energiebesparende en energiebesparende maatregelen; - percentages overtredingen bij controles; - waarderingspercentage van de klanten voor het doorlopen vergunningenproces; - doorlooptijd van de vergunningen; - percentage afgehandelde vergunningen binnen wettelijke termijn; - percentage van de bezwaar- en beroepschriften dat ongegrond is; - aantal bezwaar- en beroepzaken; - dekkingspercentage van de leges.

De indicatoren zullen gemeten en gepubliceerd worden door middel van het jaarverslag, controle door collega’s (4-ogen principe), klanttevredenheidsonderzoek, analyse van de vergunningen, audit, enquête en meetgegevens. Richtlijnen voor monitoring Als richtlijnen kunnen aangehouden worden: - Niet voor elke indicator hoeft een 100% controle plaats te vinden, maar kan volstaan worden met een steekproef van 5 cases; - Alle indicatoren worden gescoord in hetzelfde kalenderjaar (gelijklopend met het Uitvoeringsprogramma); - Aantallen worden niet door middel van een steekproef vastgesteld maar volledig in kaart gebracht.

18

3.6 MILIEU De bovenstaande doelstellingen zijn geformuleerd voor de domeinen bouwen, slopen, ruimtelijke ordening, brandveiligheid en monumenten. De Omgevingsdienst IJmond heeft op het gebied van milieu doelstellingen geformuleerd, waar Edam-Volendam, om eerder genoemde redenen, bij aansluit:

VERGUNNINGVERLENING

19

TOEZICHT EN HANDHAVING

SAMENWERKING EN DATA

20

3.7 VERGUNNINGENSTRATEGIE In de vergunningenstrategie kan gevonden worden op welke wijze de vergunningverlening verzorgd wordt. Er is op hoofdlijnen een gemeentelijke strategie opgesteld. Hierin wordt het proces beschreven en komen de mogelijkheden voor aanvragen en de toetsingsniveaus naar voren. Per activiteit wordt de strategie weergegeven. Wettelijk basis en werkwijze De formele juridische basis voor het verlenen van vergunningen is vastgelegd in landelijke wetgeving. In deze wetgeving is veelal de administratieve etiquette vastgelegd. Zo wordt aan degene die zich, bijvoorbeeld met een aanvraag om vergunning, een brief, een klacht of een verzoek tot de gemeente wendt een ontvangstbevestiging gegeven. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt na ontvangst eerst gekeken of bij de aanvraag alle vereiste bescheiden aanwezig zijn die nodig zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Dit noemt men ook wel de ontvankelijkheidtoets. De minimaal bij een aanvraag in te dienen bescheiden zijn beschreven in het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriele regeling (Mor) en binnenkort de Omgevingswet. Een aanvraag om vergunning wordt getoetst aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, deze kan zowel van juridische als van technische aard zijn.

De juridische toets betreft veelal de administratieve kant van wetgeving, verordeningen en beleidsdocumenten, terwijl de technische toets veelal betrekking heeft op bij de desbetreffende wet- en regelgeving aangegeven technische voorschriften. Het toets- en afwegingskader van de wet- en regelgeving is soms beperkt, zo zal indien de aanvraag om vergunning voldoet aan de gegeven bepalingen en voorschriften, de vergunning verleend moeten worden. Er is hier sprake van een zogenaamde gebonden beschikking. Maar het kan ook voorkomen dat een aanvraag niet in overeenstemming is met de desbetreffende wet- en regelgeving en/of beleid, dan is er vaak toch nog een vrijstelling of ontheffing mogelijk. Voor een dergelijke vrijstelling of ontheffing zal, veelal op basis van beleid, een belangenafweging plaats vinden waarbij gekeken wordt naar de feitelijke en juridische gevolgen van dat besluit, zowel voor de aanvrager, de omgeving, als derden belanghebbenden. Bij het afwegen van belangen dienen altijd de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te worden genomen. Hierover is veel jurisprudentie ontwikkeld. Een beschikking op een dergelijke aanvraag om vergunning moet dan ook altijd juridisch goed zijn geredigeerd en gemotiveerd.

Het behandelen van aanvragen om, en het verlenen van vergunningen op grond van de Wabo, de APV en de Omgevingswet wanneer deze in werking treedt, is een van dé kernactiviteiten van de sectie Bouwen & Milieu. De beslissing op de aanvraag om reguliere vergunning is gebonden aan de in de Wabo gegeven termijn. Als er niet binnen deze termijn wordt beslist op een aanvraag dan is de vergunning van rechtswege verleend. Dit geldt niet voor de vergunning waarvoor een uitgebreide procedure geldt. Hier is een termijn op van toepassing en na het verstrijken van die termijn ontstaat er geen vergunning van rechtswege. Wel is hier de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen van toepassing, wat betekent dat de aanvrager een aanspraak op een dwangsom kan maken. Het gaat daarbij om een maximum bedrag van € 1442, -. In de Wabo en later in de Ow is tevens bepaald wanneer een omgevingsvergunning moet worden geweigerd. Een aanvraag omgevingsvergunning wordt, afhankelijk van de van toepassing zijnde activiteiten, getoetst aan het bestemmingsplan c.q. omgevingsplan, de welstandscriteria zoals deze door de gemeente zijn vastgesteld, het Bouwbesluit c.q. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en de Verordening fysieke leefomgeving, welke onderdeel uit zal maken van het omgevingsplan.

Indien een aanvraag omgevingsvergunning niet past binnen de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan wordt deze aanvraag eveneens gezien als aanvraag voor strijdig planologisch gebruik. Pas wanneer een aanvraag om vergunning voldoet aan alle daaraan te stellen eisen, op grond van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, dan moet de gevraagde omgevingsvergunning worden verleend. Toetsing van aanvragen voor wat betreft de bouwtechnische voorschriften vindt niet voor 100% plaats. Volledige toetsing van alle bouwplannen op alle onderdelen van het Bouwbesluit c.q. Bbl zou een veelvoud aan menskracht vragen ten opzichte van de huidige bezetting. Vraag is bovendien of het veel zou toevoegen aan de kwaliteit van de uiteindelijke vergunning ten opzichte van de mogelijke risico’s. Om deze reden is er een risicoanalyse gemaakt welke de basis vormt voor de diepte van de toets. Datzelfde geldt overigens voor de uitvoering van het toezicht. De risicoanalyse is opgenomen in bijlage 1. 21

HUIDIGE VORMEN VAN VERGUNNINGVERLENING

- De volgende vormen van vergunningverlening worden onderscheiden: - reguliere procedure (8 weken, eenmalig te verdagen met 6 weken); - uitgebreide procedure (6 maanden, eenmalig te verdagen met 6 weken); - gefaseerde aanvraag (eerste fase en tweede fase, verschillende termijncombinaties mogelijk); - aanvraag van deelactiviteiten (langste termijn van ieder van de deelactiviteiten); - opleggen van maatwerkvoorschriften (milieu) of nadere voorwaarden (brandveilig gebruik).

VERGUNNINGVERLENING BINNEN DE OW

Met de Ow verandert ook het huidige stelsel van vergunningprocedures. Het nieuwe stelsel van de Ow beoogt daarbij zoveel mogelijk aan te sluiten bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De hoofdregel bij de komst van de Ow is dat de reguliere procedure van de Awb wordt gevolgd. In bijzondere gevallen geldt de uitgebreide procedure van de Awb. De beslistermijn voor de korte (reguliere) procedure is maximaal 8 weken. Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. In de uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden na een aanvraag. Tijdens de uitgebreide procedure maakt het bestuursorgaan een ontwerpbesluit waarover zienswijzen openstaan. Nadat het besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Onder de huidige wetgeving wordt de vergunning automatisch verleend als de beslistermijn voorbij is. Dit heet lex silencio positivo. Dit uitgangspunt staat in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de Omgevingswet komt dit niet terug. Dit betekent dat er vanaf inwerkintreding niet langer een vergunning van rechtswege ontstaat wanneer een bestuursorgaan niet tijdig beslist op een aanvraag voor een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet.

Basiswerkwijze Het hoofdproces voor het besluiten op een vergunningaanvraag en het beoordelen van een melding volgt de wettelijke reguliere of uitgebreide procedure zoals vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Wabo en binnenkort de Omgevingswet. Een vergunning wordt met een werkproces in het zaaksysteem afgehandeld: 1. inboeken, registreren; 2. sturen ontvangstbevestiging; 3. accountbeheerder omgevingsvergunning beoordeelt:

a.

bevoegd gezag;

b.

uitgebreide of reguliere procedure, verzenden procedure bevestiging;

c.

meervoudige of enkelvoudige aanvraag;

d.

publiceren ingekomen aanvragen en (concept)beschikkingen;

e.

overzicht bewaken over lopende procedures en de voorgang.

4. de accountbeheerder is verantwoordelijk voor het afhandelen van de aanvraag:

b.

toets volledigheid en ontvankelijkheid;

c.

(vak)inhoudelijke toets aan alle relevante beoordelingskaders;

d.

uitzetten bij interne- en externe adviseurs;

e.

bewaken van de termijn;

f.

aanspreekpunt voor de aanvrager en informeren aanvrager;

g.

opstellen (concept)beschikking;

h.

registratie in backoffice applicatie. 22

5. archiveren beschikkingen; 6. mogelijk bezwaar, beroep en hoger beroep, eventueel gecombineerd met een voorlopige voorziening. De basiswerkwijze voor het verlenen van een omgevingsvergunning is vastgelegd in de backofficeapplicatie, waarbij de processtappen worden doorlopen en wordt aangegeven wie waarvoor verantwoordelijk is. Daarnaast is er een separate proces- en werkbeschrijving opgesteld. 3.7.1 BOUWEN Artikel 2.1. lid 1 onder a van de Wabo stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Vervolgens stelt artikel 2.10 dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan de voorschriften uit het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan, de beheersverordening, algemene ruimtelijke regels die door de provincie of het Rijk zijn gesteld, redelijke eisen van welstand, een advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, of het exploitatieplan. De Wabo zal naar verwachting in januari 2023 vervangen worden door de Omgevingswet. Daarnaast zullen de bestemmingsplannen en verordeningen zich gaan huisvesten in het toekomstige omgevingsplan en het Bouwbesluit zal vervangen worden door het Bbl. Dit betekent een verandering voor de regels voor het bouwen.

Het (ver)bouwen van een bouwwerk is een van de activiteiten die valt onder de Wabo waar een omgevingsvergunning voor nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid. De toetsingskaders liggen vast, er is geen keuze om bepaalde toetsen over te slaan. Vergunningsplichtige bouwwerken worden aan de volgende onderdelen getoetst: -

ontvankelijkheidstoets;

-

toetsing aan bestemmingsplan c.q. omgevingsplan;

-

toetsing aan welstandseisen;

-

bouwtechnische toetsing (Bouwbesluit 2012 c.q. Bbl);

-

toetsing aan gemeentelijke Bouwverordening c.q. Verordening fysieke leefomgeving.

Waarbij opgemerkt dient te worden dat de toets ontvankelijkheid, toets bestemmingsplan c.q. omgevingsplan en toets welstand voor ieder bouwplan altijd geheel plaatsvindt. Bij de bouwtechnische toets vindt niet altijd voor ieder bouwplan een algehele toets plaats. ONTVANKELIJKHEID

In de Ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) is geregeld aan welke vereisten een aanvraag moet voldoen om te kunnen worden behandeld. Algemene eisen zijn daarnaast te vinden in Awb. De wettelijke regels zijn zeer uitgebreid en het is de vraag of een aanvrager in alle gevallen alles wat gevraagd kan worden ook aan zou moeten leveren. De gemeente Edam-Volendam verricht een volledige ontvankelijkheidstoets bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning. Deze toets wordt uitgevoerd door de casemanager aan de hand van een checklist ontvankelijkheid per activiteit in het zaaksysteem op basis van de volgende checklisten:  Checklist Indieningsvereisten Mor Algemeen;  Checklist Indieningsvereisten Mor Bouwactiviteiten;  Checklist Indieningsvereisten Mor RO (afwijken bestemmingsplan) (indien van toepassing);  Checklist Indieningsvereisten Mor Milieu (indien bouwactiviteiten bij een inrichting); en  Checklist Indieningsvereisten Mor Brandveilig gebruik (indien van toepassing).

23

Als richtlijn geldt dat zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de aanvraag, doch uiterlijk binnen vier weken schriftelijk (per brief) om aanvullende gegevens wordt verzocht. Als de gevraagde stukken niet op tijd of niet volledig worden aangeleverd, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gelaten. Dit is een besluit waartegen voor de aanvrager bezwaar openstaat. Algemene set indieningsvereisten in het Omgevingsloket De indieningsvereisten zullen met de komt van de Ow ook veranderen. De algemene set indieningsvereisten zijn algemene vragen die initiatiefnemers moeten invullen als ze een verzoek indienen in het Omgevingsloket. Bijvoorbeeld als ze een vergunning aanvragen of een melding doen. Hiermee geven ze informatie over hun project of hun contactgegevens. Of over participatie bij een vergunningaanvraag. Bestemmingsplan c.q. omgevingsplan Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt getoetst aan het voor die aanvraag van toepassing zijnde bestemmingsplan. Onder de Ow zullen al deze regels (m.b.t. de fysieke leefomgeving een plekje krijgen in het omgevingsplan, die op dit moment in voorbereiding is). Daarbij wordt gekeken of het gevraagde in overeenstemming is met de gegeven bouw- en gebruiksvoorschriften.

Wanneer er geen strijdigheden zijn wordt een aanvraag verder behandeld en getoetst aan andere van toepassing zijnde beoordelingscriteria. Als een aanvraag in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan c.q. omgevingsplan zal worden onderzocht of er op grond van de voorschriften van dat bestemmingsplan en/of de Wro voor het gevraagde ontheffing (in de Wabo genaamd afwijken van het bestemmingsplan) kan worden verleend. Voor het toepassen van een ontheffing speelt het door een gemeente vastgesteld ruimtelijk beleid een belangrijke rol. De gemeente Edam-Volendam heeft daarnaast een (buitenplans) ontheffingenbeleid. Het ruimtelijk beleid wordt vastgelegd door het maken van actuele bestemmingsplannen. Deze kennen uiteindelijk echter maar een beperkte houdbaarheid en het volstaat niet om naar het bestemmingsplan te verwijzen bij aanvragen die daaraan niet voldoen. In de lacune van het ontheffingenbeleid zal dan ook zo spoedig mogelijk moeten worden voorzien. Probleem doet zich voor bij ontheffingen die op grond van artikel 4 Bijlage II BOR (de zogenaamde planologische kruimellijst) mogelijk zijn; deze vallen onder de reguliere procedure van de Wabo (beslistermijn 8 weken). Daarbinnen is feitelijk geen ruimte om nog een zienswijzeprocedure te voeren. In een reguliere procedure kan men gezien het voorgaande dus geen zienswijze indienen.

In de praktijk is ervoor gekozen, dat wanneer men wel een zienswijze ofwel een bezwaar indient, de indiener een bericht krijgt, dat haar zienswijze/bezwaar prematuur (voortijdig) is ingediend, aangezien er nog geen formeel besluit is genomen met betrekking tot het bouwvoornemen. Om die reden wordt de zienswijze ofwel het bezwaar op grond van artikel 6:8 Awb kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Betrokkene wordt erop gewezen dat er bezwaar kan worden ingediend op het moment dat er is beschikt op de aanvraag. Wel wordt meegegeven dat de input meegenomen zal worden bij de beoordeling van de aanvraag. Dit proces zal uiteindelijk voor de aanvrager van een vergunning resulteren in een positieve beschikking (verlening vergunning) of een negatieve beschikking (weigering van de gevraagde vergunning). Ontheffingenbeleid Niet alle verzoeken of aanvragen vallen binnen de regels van bestemmingsplannen c.q. omgevingsplan. Voor afwijkingen van het bestemmingsplan, bijvoorbeeld het oprichten van een bijgebouw of het plaatsen van een dakkapel, kan in bepaalde gevallen ontheffing worden verleend. In artikel 2.10 lid 2 Wabo is bepaald dat een vergunning slechts wordt geweigerd als de verlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

De mogelijkheid om voor afwijkingen van het bestemmingsplan ontheffing van de regels van het bestemmingsplan te verlenen is geregeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1 en 2 van de Wabo. De mogelijkheden waarvoor ontheffing verleend kan worden, zijn genoemd in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Zonder een dergelijk ontheffingenbeleid loopt men het risico dat onvoldoende gemotiveerd kan worden waarom niet of juist wel aan een ontheffing wordt meegewerkt. Om willekeur te voorkomen en eenduidig en transparant te toetsen en te handelen, zijn beleidsregels noodzakelijk. Als voldaan wordt aan die beleidsregels, 24

wordt na een afweging van belangen besloten of medewerking kan worden verleend aan een ontheffing. In sommige gevallen kan dan toch het bijgebouw of de dakkapel worden opgericht. Bestemmingsplanbeheer en handboek omgevingsplan Gemeenten hebben de wettelijke plicht om hun bestemmingsplannen periodiek op actualiteit te bezien. In dat verband is eenduidigheid en continuïteit ook gewenst om bij postzegelplannen zoveel mogelijk één lijn aan te houden voor wat betreft planvoorschriften, beeldkwaliteit of welstandsbepalingen en dergelijke. Op dit moment wordt er echter gewerkt aan een ‘’Handboek omgevingsplan’’. Er worden derhalve in beginsel geen nieuwe bestemmingsplannen meer gemaakt, met het zicht op de inwerkingtreding van de Ow, die al dichterbij komt.

WELSTANDSEISEN

De Woningwet (artikel 12) bepaalt dat een bouwwerk moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand en dat de gemeente daarvoor een welstandsnota moet vaststellen. In de Welstandsnota is vastgelegd aan welke criteria het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats moeten voldoen, zowel op zichzelf als in relatie tot de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan. Als een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voldoet aan de in de welstandsnota gegeven criteria dan moet, mits de aanvraag ook voldoet aan andere van toepassing zijnde wet- en regelgeving, de vergunning worden verleend. Door de verandering van de wetgeving bestaan de sneltoetscriteria niet meer, er bestaan immers geen lichte bouwaanvragen meer. Edam-Volendam heeft nog wel sneltoetscriteria en een ambtelijke toets. Indien een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet voldoet aan de welstandscriteria dan moet de gevraagde vergunning overeenkomstig de Wabo worden geweigerd. Voor het toetsen van aanvragen omgevingsvergunning bouwen aan de vastgestelde welstandscriteria laten Burgemeester en wethouders van Edam-Volendam zich adviseren door een commissie voor welstand en monumenten van thans Mooi Noord-Holland.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=148ec772-7522-4304-abe8-69f4aef035a8