Bijlage A. Haalbaarheid warmtenet(ten) door Energy-GO
Tekst van het document
Dit gebied is daarom, conform de transitievisie warmte, beter aardgasvrij te maken met behulp van individuele all-electric oplossingen.
5.2.2 Blokgouw 1 t/m 6 Voor Blokgouw 1 t/m 6 geldt hetzelfde als voor Blokgouw 7+8. Beide gebieden zijn vergelijkbaar: veel grote grondgebonden woningen met veel ruimte in de wijk. De BAK
P a g i n a | 33
komt ook hier rond de 17.000 euro uit voor alleen verwarming. Ook hier zijn de woningen technisch geschikt voor toepassing van een individuele warmtepomp. Daarbij komt dat de te leveren warmte aan Blokgouw 1 t/m 6 op 84.000 GJ/jaar ligt. Meer dan de RWZI kan leveren. Daarmee is een warmtenet in Blokgouw 1 t/m 6 op basis van riothermie niet aantrekkelijk. Dit gebied is daarom, in tegenstelling tot de Transitievisie Warmte, beter aardgasvrij te maken met behulp van individuele all-electric oplossingen.
5.2.3 Nieuwbouw sportpark Op termijn gaat het Kras stadium en naastliggende (amateur) sportvelden mogelijk verdwijnen. Er komt dan 14 ha vrij voor de bouw van 300 tot 500 nieuwbouwwoningen.
Uitgaande van 350 grondgebonden woningen met een gemiddeld oppervlak van 125 m 2 en 150 appartementen met een gemiddeld oppervlak van 75 m 2 en dezelfde uitgangspunten voor verwarming en koeling als de Lange Weeren. Dan komt de totale warmtevraag uit op 8.500 GJ/jaar en een koudevraag van bijna 2.000 GJ/jaar. Een WKO van 1 MW in combinatie met 300 kW aan warmte uit de RWZI, voor zowel directe warmtelevering als regeneratie, is voldoende om de 500 woningen te voorzien van warmte en koude. Twee energiecentrales kunnen het gebied voorzien van de warmte en koude. Daarmee ontstaat het volgende kostenoverzicht: Omschrijving
Bedrag
Investeringen in de wijk
€ 7.300.000
Investeringen in de bron
€ 1.100.000
Jaarlijkse onderhoudskosten
€ 100.000
Jaarlijkse energiekosten
€ 170.000
Jaarlijkse inkomsten
€ 750.000
De BAK komt daarmee op ongeveer 16.000 euro per aansluiting. P a g i n a | 34
5.2.4 Don Bosco / Gezondheidscentrum Met uitbreiding naar de nog niet te bouwen woningen op het sportpark, wordt ook de gelegenheid
geboden
om
het
Don
Bosco
college
en
het
tegenoverliggende
gezondheidscentrum aan te sluiten. Zij vertegenwoordigen samen zo’n 4.600 GJ/jaar aan warmtevraag en hebben behoefte aan zo’n 1 MW aan vermogen. Zij zouden daarmee samen een WKO en energiecentrale kunnen delen. Daarbij bestaat ook de optie om te koelen. Naast het Don Bosco college staat een grote sporthal. De warmtevraag ervan is onbekend, maar ook deze zou eventueel aangesloten kunnen worden op de WKO / energiecentrale van het Don Bosco college. Omdat de backbone reeds langs het Don Bosco college loopt, zijn er geen aanvullende kosten voor de backbone. Daarnaast is er geen noodzaak voor een clusterstation of secundair net. Uitgaande van een regeneratiecapaciteit van 300 kW, geen directe warmtelevering uit de RWZI en geen koeling komt de investering uit op ongeveer 800.000 euro voor de WKO/energiecentrale, gebouwkoppeling en tapwateropwekking. Daar komt dan nog zo’n 200.000 extra investering bij voor capaciteit in de backbone en TEA installatie. Hierbij ontstaat een positieve business case en is er geen BAK nodig om de casus rendabel te krijgen. Voorwaarde is vanzelfsprekend dat er een backbone ligt naar de toekomstige nieuwbouw op het sportpark. Bij koeling, is de benodigde regeneratiecapaciteit lager.
5.2.5 Volendam-Kern Vanuit Asset Management binnen de gemeente is aangegeven dat zij weinig ruimte zien in de ondergrond voor een warmtenet in Volendam-Kern. Deze conclusie volgde nadat er reeds een conceptontwerp voor een warmtenet was beschreven in een eerdere versie van P a g i n a | 35
dit rapport. Er is gekozen om de beschrijving van het conceptontwerp toch in het rapport te laten. Dit helpt bij de beeldvorming hoe oudere stadsdelen met warmtenetten verduurzaamd kunnen worden. En misschien wordt er op een later moment toch ruimte gevonden in de ondergrond. Volendam-Kern heeft 55.000 GJ aan warmte nodig uit externe bron om haar warmtevraag in te vullen. Na aanleg van een warmtenet in Lange Weeren, Sportpark en Don Bosco college blijft er nog zo’n 65.000 GJ beschikbaar uit de RWZI in Katwoude. Met de verwachting dat de warmtevraag, onder invloed van hoge energieprijzen en bewustwording nog wel zal dalen, betekent dit dat er nog voldoende warmte beschikbaar is. Grootste uitdaging is het vinden van voldoende ruimte in de ondergrond voor de backbone en secundaire leidingen. Een beperkt aantal clusterstations, betekent relatief veel secundaire leidingen naar de energiestations. Door meerdere kleinere clusterstations te gebruiken, kunnen de secundaire leidingen beperkt worden, waardoor er minder ondergrondse ruimte nodig is. In Figuur 14 is een voorbeeld weergegeven hoe dit conceptueel gerealiseerd zou kunnen worden. De backbone wordt vanaf het Sportpark verlengd langs de Julianaweg tot aan de rotonde met de Kielstraat. Er zijn vier clusterstations ingetekend, allen goed bereikbaar vanaf
de
Julianaweg.
Vanaf
deze
clusterstations
vindt
de
distributie
naar
de
energiecentrales plaats. Niet alle 33 energiecentrales zijn ingetekend.
Figuur 14: Warmtenet naar Volendam-Kern.
Omdat ook ruimte voor clusterstations en energiecentrales beperkt is, zijn er een aantal varianten: P a g i n a | 36
•
Clusterstations en energiecentrales kunnen eventueel ondergronds uitgevoerd worden. Hier hangt wel een hogere prijs aan. In het door Mijnwater gerealiseerde warmtenet in Heerlen zijn voorbeelden te vinden van ondergrondse clusterstations en energiecentrales.
•
Meerdere energiecentrales geclusterd bij elkaar, gevoed door 1 secundaire leiding, waarbij elke energiecentrale een kwadrant van warmte voorziet.
De RWZI kan ongeveer 2 MW aan basislast leveren, waardoor er uiteindelijk zo’n 13 MW via andere bronnen geleverd moet worden. Omdat in een 70 °C warmtenet er geen buffering van tapwater plaats vindt in de woningen door de afwezigheid van een tapwaterbooster, is een groot deel van deze vermogensvraag toe te kennen aan korte piekmomenten van tapwatervraag. Door warmte vooraf te bufferen in bijvoorbeeld de clusterstations, hoeft er minder warmte te worden geleverd vanuit de bronnen. Inschatting is dat ongeveer 7 MW gebufferd kan worden, waardoor er 6 MW aan warmte uit WKO’s moet komen. Daarmee ontstaat het volgende kostenoverzicht: Omschrijving
Bedrag
Investeringen in de wijk
€ 34.300.000
Investeringen in de bron(nen)
€ 5.300.000
Jaarlijkse onderhoudskosten
€ 550.000
Jaarlijkse energiekosten
€ 3.100.000
Jaarlijkse inkomsten
€ 4.600.000
De BAK komt daarmee op ongeveer 24.000 euro per aansluiting. De hoge energiekosten zijn toe te wijden door het lagere rendement van warmtepomp. Om 70 °C te maken moet de warmtepomp harder werk (= meer elektriciteit gebruiken) dan bij het maken van 50 °C. In Figuur 15 zijn de kosten, in netto-contante-waarde over 30 jaar, uitgesplitst naar type voor Volendam-Kern en de Lange Weeren. Daar waar in de Lange Weeren de afschrijvingen een grote invloed hebben op de totale kosten, is dat in Volendam-Kern juist de inkoop van elektriciteit. Dat betekent ook dat de business case van Volendam-Kern veel gevoeliger is voor de elektriciteitsprijs dan de nieuwbouwwijk in Lange Weeren. Dat kan positief uitpakken als elektriciteitsprijzen lager worden. Het warmtenet zou in de zomermaanden voor tapwater bijvoorbeeld op momenten met veel zonne-energie de
P a g i n a | 37
warmte kunnen produceren. In de wintermaanden zou dit bij veel windenergie kunnen zijn.
Figuur 15: Verdeling van de totale kosten over 30 jaar in de netto-contante-waarde berekening
Het investeren in duurzame elektriciteit opwek in de regio biedt daardoor kansen. Enerzijds goedkopere elektriciteit voor het warmtenet, waardoor de BAK lager wordt (of, als het warmtenet er al ligt, een lager warmtetarief voor de bewoner-eigenaren). Anderzijds kan de duurzame elektriciteit, zeker bij overschot, goedkoop worden weggezet in het warmtenet dat over veel buffercapaciteit beschikt. Daarmee wordt piekbelasting in het landelijk elektriciteitsnet vermeden. Als derde betekent dit groene elektriciteit voor het warmtenet, en daarmee ook groene, CO2-vrije warmte (en eventueel koude).
5.2.6 Industriegebied Mocht het industriegebied op lange termijn worden herbestemd naar een gebied met wonen (en evt. werken), dan ontstaat er een verdere mogelijkheid voor het uitbreiden van het warmtenet. Dat vereist wel (deels) de aanleg van een nieuwe warmtebron, omdat warmtelevering door de RWZI na aansluiting van Volendam-Kern op het maximum zit. Mogelijk ontstaat er in de loop der jaren tot aan de ontwikkeling van het Industriegebied wel wat ruimte, doordat gebouwen efficiënter omgaan met hun energie. Als (aanvullende) bron is oppervlaktewater (TEO) uit het Markemeer ideaal. Omdat het Industriegebied langs het Markemeer ligt. Daarbij zijn wel twee uitdagingen: •
Er is mogelijk een (natuur)vergunning nodig zoals in paragraaf 4.2 reeds beschreven. Dit omdat het Markermeer een Natura2000 gebied is waarbij veel flora en fauna langs de oever te vinden is die mogelijk worden beïnvloed door de koudebel uit de TEO-installatie.
•
De TEO-installatie heeft leidingen nodig die door of onder de zeedijk heen moeten. Het boren in een dijk is in Nederland een complexe aangelegenheid omdat dit
P a g i n a | 38
mogelijk de dijk kan verzwakken. Een minder esthetisch alternatief is om de leiding over de dijk aan te leggen.
Figuur 16: Mogelijke verdere uitbreiding van het warmtenet naar het Industriegebied met aansluiting op een twee de bron.
Omdat de ontwikkeling van het Industriegebied nog ver weg is, is er geen verdere kwantitatieve analyse uitgevoerd.
5.2.7 Influent Influent kan op twee plekken onttrokken worden (paragraaf 4.1.2): nabij de Damcoogh (Blokgouw 7+8) of tussen Blokgouw 7+8 en de Monnickerdammerjaagweg. Daarbij is de laatste locatie preferent. Echter ligt deze veraf van het voorgestelde warmtenet. De locatie Damcoogh ligt niet ver van de backbone af. Er bestaat een mogelijkheid om de warmte uit het influent in te voeden in de backbone. Dit levert 700 kW aan warmtevermogen in de winter op, die niet door WKO’s geleverd hoeft de worden. Daardoor ontstaat er een kostenbesparing in warmteopslag, maar moeten er kosten gemaakt worden voor de riothermie-installatie. Kosten voor warmteonttrekking uit een persriool is, op basis van offerten, ongeveer 1.200 euro per kW. Dit is inclusief de aanleg van de persleiding zelf. De meerkosten voor alleen
P a g i n a | 39
de warmtewisselaar zijn niet bekend. WKO’s hebben investeringskosten van (ongeveer) 350 euro/kW. Het influent bij de Damcoogh kan ook gebruikt worden als de RWZI toch onvoldoende warmte kan leveren aan de Volendam-Kern, of als vervanger van aquathermie in Volendam-Industriegebied. De backbone wordt, doordat er een grotere diameter nodig is, daardoor wel kostbaarder. De haalbaarheid van warmteonttrekking uit influent bij Damcoogh is onzeker door de diepte van de persleiding, de nabijheid
bij de RWZI (temperatuursdaling) en of het
warmtenet zal groeien zodat er voldoende warmtevraag is.
5.3
Geothermie
De bestaande bouw in Edam-Volendam is ongeschikt voor aansluiting op een warmtenet, wijken zijn of ruim opgezet, waardoor er langere, dure leidingen gelegd moeten worden, of juist te krap opgezet, waardoor er geen ruimte is in de ondergrond. Daardoor blijft alleen nieuwbouw, zoals Lange Weeren over voor aansluiting op een warmtenet. Als alternatief op aansluiting op de RWZI, zou Lange Weeren aangesloten kunnen worden op een geothermiebron. Daarbij zijn wel een aantal uitdagingen: •
De basislast voor een geothermiebron in Lange Weeren is ongeveer 500 kW, waarbij tweederde van de warmtevraag wordt ingevuld. 500 kW is een relatief laag vermogen, waarvoor wel een (kostbaar) leidingnet van de geothermiebron naar Lange Weeren gelegd moet worden.
•
Er is een tweede (piek)bron nodig met een vermogen van ongeveer 1.300 kW om de overige een derde deel van de warmtevraag in te vullen. Keuzeopties hiervoor zijn beperkt: o
Aardgasgestookte cv-ketel: niet wenselijk i.v.m. gebruik van aardgas
o
Groengasgestookte cv-ketel: uitdagend i.v.m. met ernstig tekort aan groen gas.
o
Pelletketel: Verbranding van hout ligt politiek gevoelig. Daarnaast zijn pelletketel technisch gezien minder geschikt als piekvoorziening
o
Elektrische ketel: Gebruikt veel (dure) elektriciteit en is daardoor kostbaar in exploitatie.
•
Nieuwbouwwoningen zijn zodanig goed geïsoleerd dat zij op een lage temperatuur kunnen verwarmen, bij vloerverwarming minder dan 35 °C. Geothermie levert hoge temperatuur warmte. Het gebruik van hoge temperatuur warmte voor een laagtemperatuur distributiesysteem is (in formele termen) vernietiging van exergie. In Nederland zijn weinig duurzame hoge temperatuurbronnen en die zouden ingezet moeten worden daar waar die nodig zijn.
•
Een hoogtemperatuur warmtenet op basis van geothermie kan geen koeling leveren. Dit terwijl koeling van woningen een steeds belangrijker aandachtspunt wordt. Volgens TNO heeft bijna 30% van de woningen in Nederland inmiddels een vorm van koeling.
P a g i n a | 40
Daarmee is de conclusie dat het gebruik van een geothermiebron voor een nieuwe woonwijk zoals de Lange Weeren op financieel, technisch en duurzaam vlak niet interessant is.
5.4
Edam
Edam bestaat uit twee delen, de drie wijken te ten zuiden van de kanalen Schuttersgracht / Oorgat: Edam-Zuid, Singelwijk en Molenwijk. De wijken zijn alle drie geschikt voor een 50 °C warmtenet, maar hebben ook te mogelijkheid te kiezen voor individuele all-electric oplossing. Daarnaast is er Edam-Kern waar een warmtenet niet haalbaar lijkt. Ook warmtepompen zullen voor een groot deel van de woningen geen oplossing zijn.
5.4.1 Edam-Zuid, Singelwijk en Molenwijk Het vinden van een bron voor deze wijken is lastig. De drie wijken samen behoeven ruim 50.000 GJ/jaar aan warmte uit een warmtebron. De Purmerringvaart en Oorgat bieden bij lange na niet de warmte die nodig is. Ook het influent bij de Monnickerdammerjaagweg heeft onvoldoende warmte. Alleen het Markermeer zou deze warmte kunnen leveren. Het Markermeer ligt echter op een kilometer afstand. De tussenliggende wijk, Broeckgouw heeft geen baat bij een warmtenet, omdat deze al deels aardgasvrij is. Woningen in Broeckgouw die nog niet aardgasvrij zijn, zijn al wel warmtepomp-ready. Hierdoor ontstaat de situatie dat er relatief hoge kosten gemaakt moeten worden voor de aanleg van een backbone tussen het Markermeer en de drie wijken in Edam. Daar komt bij dat het potentieel van TEO uit het Markermeer nog zeer onzeker is vanwege een mogelijke natuurvergunning en een doorsteek door de dijk. Geothermie zou hier nog de meest haalbare bron zijn. Basislast voor deze drie wijken is ongeveer 4 tot 5 MW. Uitdaging blijft welke piekbron geothermie zou kunnen aanvullen. Daarbij blijven de kosten voor de aanleg van een distributienet in de drie wijken is ook relatief hoog door de brede straten en relatieve lage gebouwdichtheid, dezelfde uitdaging waar bijvoorbeeld Blokgouw in Volendam ook mee te maken heeft. Aanvullend betreffen het hier veel koopwoningen.
Daarmee ontstaat een hoog vollooprisico: individuele eigenaren moeten overtuigd worden aan te sluiten op het potentiële warmtenet. Dat terwijl een individuele warmtepomp veelal een sterk alternatief is. Daarmee is de kansrijkheid van een warmtenet voor Edam-Zuid, Singelwijk en Molenbuurt laag maar niet onmogelijk. Een warmtenet op basis van geothermie in deze wijken zal echter wel veel politieke overredingskracht vragen.
P a g i n a | 41
5.4.2 Edam-Kern Daarmee blijft Edam-Kern over. In deze wijk is echter onvoldoende ruimte in de ondergrond voor warmtenetleidingen. Tevens zijn de meeste woningen niet geschikt voor toepassing van een warmtepomp (uitzonderingen daargelaten). Daarmee is Edam-Kern een uitdagende wijk om, met de huidige kennis en technologie, aardgasvrij te maken. Haalbare alternatieven zijn daarbij ook onzeker: •
Waterstof is een brandstof dat geplaagd wordt door tegenslagen in de ontwikkeling. Recentelijk heeft bijvoorbeeld Tata Steel afgezien van toepassing van (groene) waterstof door de kosten en complexiteit die erbij komt kijken. Daarbij komt dat waterstofketels (verbranding van waterstof) binnen het huidige Bouwbesluit niet zijn toegestaan (artikel 6.55) en brandstofcellen erg kostbaar zijn. De haalbaarheid van waterstof als brandstof voor verwarming in woonwijken is daardoor zeer onzeker en niet te adviseren.
•
Het gebruik van elektrische radiatoren en/of elektrische cv-ketel is een beproefde methode. Het neemt weinig ruimte in en kan hoge temperaturen leveren. Het rendement is, vergeleken met bijvoorbeeld een warmtepomp, zeer laag. Dit betekent dat bewoners met hoge kosten komen te zitten (indicatie: een woning die nu 1.500 m3/jaar aardgas gebruikt gaat 15.000 kWh/jaar aan elektriciteit extra gebruiken, wat neer komt bij de huidige energieprijzen op een netto toename van de energierekening van 350 euro per maand). Daarnaast geven deze technieken een zeer hoge belasting op het elektriciteitsnet. De verzwaring van het elektriciteitsnet kan door ruimtegebrek tegen dezelfde problemen aanlopen als het warmtenet. Daarnaast zijn elektrische cv-ketels op dit moment onder het Bouwbesluit niet toegestaan.
•
Het toepassen van pelletketel is veelal onpraktisch en onwenselijk. Een pelletketel is een cv-ketel die hout efficiënt stookt voor het maken van warmte. Een pelletketel is echter wel groter dan een cv-ketel. Daarnaast moet er opslagruimte zijn voor de pellets, die veelal handmatig in de ketel moeten worden gegooid. Hoewel een pelletketel relatief schoon is, draagt deze wel negatief bij aan fijnstof in de omgeving en wordt de geur van verbrand hout veelal negatief ervaren bij omwonenden.
•
Groen gas is daarmee nog het meest realistische. Groen gas is gas gemaakt door vergisting
van
afvalstromen
en
vervolgens
opgewaardeerd
tot
dezelfde
eigenschappen als aardgas. In het huidige gasnet wordt groen gas al bijgemengd. De onzekerheid hier ligt of er voldoende groen gas zal zijn en welke functiegroep (bijv. industrie, oude stadscentra) voorkeur krijgen. Daarbij moet ook het huidige gasnet in stand worden gehouden. Al met al veel onzekerheden voor Edam-Kern. Het verdient de aanbeveling om met de andere wijken in Edam-Volendam te starten met het aardgasvrij te maken, en Edam-Kern betrekken als het gaat om stimuleringsregelingen om energie te besparen. Alle energie die niet wordt gebruikt hoeft ook niet opgewekt te worden.
P a g i n a | 42
5.5
Middengebied
De exercitie van dit rapport is begonnen bij het Middengebied. Met mogelijke warmtenetten in het zuiden, oosten en noorden zou het Middengebied mogelijk een cruciale koppelpunt spelen. Uit dit rapport is naar voren gekomen dat veel wijken in Edam-Volendam bestaan uit ruim opgezette grondgebonden woningen. Daardoor is de aanleg van een warmtenet voor deze bestaande woningen relatief kostbaar ten opzichte van een individuele all-electric oplossing zoals een warmtepomp. De woningen in het Middengebied zijn relatief eenvoudig geschikt te maken voor individuele warmtepompen. Een aantal woningen in Middengebied heeft al vloerverwarming. Daarmee kan naast een zeer lage temperatuur (35 °C) verwarming ook gekoeld worden. Deze woningen zouden dus baat hebben bij een warmtenet zoals deze in bijvoorbeeld Lange Weeren is voorgesteld. Gerenoveerde woningen met nog een radiatorsysteem zijn beter af met een 50 °C warmtenet zonder koeling. Daarnaast zijn er mogelijk ook woningen die mogelijk onvoldoende overcapaciteit hebben om op 50 °C en daardoor bijvoorbeeld convectoren moeten toepassen, of een 70 °C aanvoertemperatuur nodig hebben. Dat maakt de aanleg van een warmtenet in het Middengebied zeer uitdagend.
De keuze voor een 70 °C warmtenet maakt de investeringen in vloerverwarming niet alleen overbodig (los van het extra comfort dat vloerverwarming biedt), maar mist ook de efficiëntie die bereikt kan worden door de lage temperatuur van vloerverwarming in te zetten. Bij een lagere temperatuur (50 °C of 35 °C) vallen er woningen buiten de boot die, alleen met aanpassingen aan het afgiftesystem of extra opwaardering van warmte binnen de woning, mee kunnen doen. Bij aanleg van een warmtenet in het Middengebied verliezen eigenaren daardoor keuzevrijheid die zij, door de verschillende afgiftesystemen, wel hebben. Daardoor ontstaat de kans dat veel eigenaren niet willen aansluiten op het warmtenet, waardoor het vollooprisico onacceptabel hoog wordt. Daar komt bij dat er geen nabijgelegen bron van warmte is voor het Middengebied die voldoende kan leveren. Bronnen die veraf liggen, zoals TEO uit het Markermeer zijn al snel te kostbaar. Omdat de woningen in het Middengebied ook prima geschikt zijn voor een warmtepomp, is dit de voorkeursrichting. De warmtepomp biedt veel vrijheden: Het kiezen van de aanvoertemperatuur per woning, de mogelijkheid van koelen en het type bron (bijv. lucht of bodem).
P a g i n a | 43
6. Conclusies De volgende conclusies en aanbevelingen zijn getrokken: •
De wijken in het stedelijke gebied Edam-Volendam bestaan voor een groot deel uit relatief grote, grondgebonden woningen die na de oorlog zijn gebouwd. Deze woningen zijn goed te renoveren naar label A en B, zoals reeds door proactieve eigenaren en woningcorporaties is gedemonstreerd. Deze woningen zijn geschikt voor lage temperatuur verwarming. Daarmee behoort zowel een duurzaam warmtenet als “all-electric” op basis van individuele warmtepompen tot de aardgasvrij-opties.
•
Lange Weeren, Volendam-Sportpark en Volendam-Industriegebied zijn drie locaties waar (mogelijk) op korte en lange termijn nieuwbouw plaats gaat vinden. Nieuwbouw kan zowel aangepast worden om met individuele warmtepompen te werken of met zeer lage temperatuur warmte- en koudenetten.
•
De RWZI in Katwoude is de meest kansrijke warmtebron. Minder kansrijk, maar nog
wel
haalbaar
zijn
aquathermie
uit
het
Markermeer
(mogelijk
vergunningplichtig), riothermie uit een nieuwe persleiding in Blokgouw en geothermie uit een nog te boren bron nabij Edam. •
Een potentieel warmtekoudenet loopt van de RWZI naar Lange Weeren met uitbreiding naar Volendam-Sportpark, het Don Bosco college en op lange termijn mogelijk Volendam-Industriegebied.
•
Volgens de asset manager van Edam-Volendam heeft Volendam-Kern op dit moment onvoldoende ruimte in de ondergrond, waardoor een warmtenet hier niet haalbaar is. Deze wijk leent zich minder voor toepassing van individuele warmtepompen.
•
Edam-Kern heeft zeker geen ruimte voor een warmtenet.
•
De bestaande wijken met naoorlogse grondgebonden woningen zijn beter af met individuele oplossingen, ook al geeft de Transitievisie Warmte een andere indicatie.
•
De
wijk
Middengebied
hoeft
geen
koppelrol
te
spelen
tussen
meerdere
warmtenetten en is daarom het beste af, conform de Transitievisie Warmte, met individuele warmtepompen. •
Geothermie heeft geen plaats in nieuwbouwwijken, o.a. omdat de temperatuur van geothermie veel hoger is dan noodzakelijk in nieuwe woningen. In de wijken Edam-Zuid, Singelwijk en Molenbuurt is de kansrijkheid voor een geothermiegevoed warmtenet laag maar niet onmogelijk. Omdat in deze wijken individuele warmtepompen een aantrekkelijk alternatief is, zal het veel politieke overredingskracht vragen of woningeigenaren te overtuigen om op een warmtenet aan te sluiten.
P a g i n a | 44
Bijlage Wijkanalyses Haalbaarheid warmtenet(ten) Edam-Volendam
Colofon
Opdrachtgever Gemeente Edam-Volendam Postbus 180 | 1130AD | Volendam
Uitvoering EnergyGO Kraanspoor 50 | 1033 SE Amsterdam www.energygo.nl
Rapport Auteur: Correspondentie: Projectnummer: Versie: Status:
ir. Bart Roossien info@energygo.nl A660.327 1.0 (17 oktober 2023) Bijlage van het eindrapport
Voorpagina Foto:
Quantz (Flickr)
Dit rapport is mede tot stand gekomen met financiële steun van de provincie Noord-Holland.
P a g i n a |2
Appendix A Wijkanalyses Wijk voor wijk zijn in dit hoofdstuk de huidige samenstelling en energiebehoefte van het gebied geanalyseerd en welke ontwikkelingen, zoals nieuwbouw en renovatie, er in de komende jaren te verwachten zijn. Statistische gegevens en kaarten komen uit het softwareprogramma ‘Tomahawk’ en is op basis van open databronnen, of afgeleide data (met behulp van modellen en algoritmes) van de data uit deze open databronnen. Bronnen zijn o.a. het Kadaster (BAG), RVO (energielabels) en het CBS (demografie, energiegebruik). Hoewel de getoonde kaarten individuele gebouwen belichten, zijn de statistische gegevens uiteindelijk niet op individuele gebouwen te projecteren. Een blok van tien gelijkwaardige woningen zullen in de meeste kaarten (ongeveer) dezelfde statistische gegevens weergeven. In de praktijk kunnen echter flinke afwijkingen voorkomen, bijvoorbeeld omdat één woning reeds gerenoveerd is. Voor
sommige
gebieden
softwareprogramma
zijn
enkele
‘energeyes’.
De
woningen
bouwfysisch
data
deze
voor
gesimuleerd
simulaties
volgt
in
het
uit
de
eerdergenoemde bronnen en is aan de hand van lucht en straatfoto’s handmatig verfijnd.
A.1
Middengebied
Het Middengebied doet diens naam aan en ligt in het midden van de plaats Volendam.
Figuur 1: Kaart van Edam-Volendam met de verschillende buurten. Middengebied ligt in het midden tussen het centrum van Edam en centrum van Volendam in.
P a g i n a |3
A.1.1
Samenstelling
Het gebied is ontwikkeld in twee bouwgolven, met ruim 500 gebouwen opgeleverd in 1997/1998 en nog eens ruim 400 gebouwen in 2000/2001. Daarmee is het een relatieve jonge wijk. Het totaal aantal gebouwen in het gebied is 1.001. Bijna alle gebouwen hebben een woonfunctie. Op een dierenkliniek na zijn er geen noemenswaardige voorzieningen in dit gebied. Voorzieningen zoals scholen, sport en winkels liggen in naburige gebieden. Figuur 2 geeft het type woning weer. Ruim 900 gebouwen zijn een grondgebonden tussenof hoekwoning (groen). Met name aan de randen van het gebied zijn er nog ongeveer 50 vrijstaande woningen (blauw) te vinden. Er zijn 8 gestapelde gebouwen welk in totaal 133 woningen herbergen. Vier van deze gestapelde gebouwen zijn in eigendom van woningcorporatie De Vooruitgang
Figuur 2: Woningtypes in het Middengebied.
De adressen in dit gebied zijn relatief groot met een gemiddeld gebruiksoppervlak van ruim 150 m2 en zijn voor zover bekend, in particulier bezit.
A.1.2
Ontwikkelingen
De buurt Volendam-Middengebied is nog relatief jong. Er liggen op de korte termijn geen verdere bouwplannen.
A.1.3
Energievraag
Vrijwel alle gebouwen waarvan een label bekend is hebben een label A(+) of B. Het energiegebruik is hoger dan het landelijk gemiddelde doordat de woningen relatief groot zijn. Het aardgasverbruik ligt gemiddeld op bijna 1.700 m3/jaar en het elektriciteitsgebruik op gemiddeld bijna 4.700 kWh/jaar.
P a g i n a |4
Figuur 3: Histogrammen van het aardgasverbruik en elektriciteitsgebruik in het Middengebied.
Een woning gelegen aan de straat Dukaton in het Middengebied is bouwfysisch gesimuleerd in het softwareprogramma energeyes. Deze woning is representatief voor de meeste tussen- en hoekwoningen in het gebied. De woning heeft een aardgasverbruik van 1.650 m 3/jaar, waarvan ongeveer 550 m 3/jaar voor warm tapwater en 1.100 m 3/jaar voor ruimteverwarming. De vraag naar warm tapwater is relatief hoog ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Dit komt omdat er relatief veel personen (gemiddeld 4) in een huishouden aanwezig zijn. Het aardgasverbruik voor ruimteverwarming is daardoor relatief laag. Een verbruik van 1.100 m3/jaar ligt rond het landelijke gemiddelde. De specifieke ruimteverwarmingsvraag in het Middengebied gemiddeld uit op 79 kWh/m2. Voor een kwart van de woningen is met hoge zekerheid te zeggen dat zij voldoen aan de Standaard. Voor de overige driekwart woningen is de huidige warmtevraag vrijwel gelijk aan de Standaard. Omdat er onnauwkeurigheden in zowel het bepalen van de huidige warmtevraag als de Standaard zitten, kan het zijn dat de woning net wel of net niet aan de Standaard voldoet. Voor deze woningen is het daarom onzeker of zij aan de Standaard voldoen. In het Middengebied zijn er zijn geen woningen die niet voldoen aan de Standaard.
P a g i n a |5
Figuur 4: Woningen die wel of niet voldoen aan de Standaard in het Middengebied. Als de werkelijke netto warmtevraag +/- 20% van de Standaard ligt, dan is deze als onzeker aangemerkt.
A.1.4
Renovatie
Doordat de meeste woningen (waarschijnlijk) wel voldoen aan de Standaard betekent dat er naar verwachting geen verplichte renovaties plaats gaan vinden als gevolg van overheidsbeleid. Op basis van de eerder gesimuleerde woning, is 1/3 van het warmteverlies toe te kennen aan de ramen, 1/3 aan ventilatie & infiltratie en 1/3 aan de bouwdelen. Zover zichtbaar zijn de meeste kozijnen van hout. Op basis van het bouwbesluit zal er dubbel glas of HR glas zijn toegepast. Een besparing van 200 tot 250 m 3/jaar is te behalen door HR++ glas toe te passen. Dit is economisch alleen op een natuurlijk moment interessant. Echter, zullen de kozijnen voorlopig nog niet aan vervanging toe zijn, waardoor het natuurlijk moment verder dan 15 jaar ligt. De woningen beschikken over ventilatieroosters en mechanische afzuiging. Ook hier zijn energiebesparende maatregelen marginaal, bijvoorbeeld het toepassen van zelfregelende roosters. De overstap naar balansventilatie met warmteterugwinning heeft veel impact: vervangen
van de roosters (en daarmee de kozijnen) en het aanleggen van
ventilatieleidingen. Daarmee is toepassing van balansventilatie onwaarschijnlijk. De woningen voldoen aan het bouwbesluit van 1992, waardoor zij reeds over dak, gevel en vloerisolatie beschikken. Het verder isoleren van bouwdelen is daardoor technisch uitdagend en economisch veelal niet aantrekkelijk. Daarmee is de lijn der verwachting dat de warmtevraag van deze woningen in de komende 5 à 10 jaar niet veel zal veranderen. Het afgiftesysteem is daarmee de cruciale factor als het Middengebied de energietransitie gaat maken. Vermoeden is dat het afgiftesysteem voornamelijk uit radiatoren zal bestaan, P a g i n a |6
ontworpen voor een temperatuur van ongeveer 70 °C. Vraagstuk daarbij is of er marge zit
in
het
vermogen
om
met
bestaande
radiatoren
terug
te
gaan
naar
een
aanvoertemperatuur van 50 °C. Het gebruik van convectoren (radiatoren met ventilatoren) kan eventueel uitkomst bieden voor woningen die onvoldoende capaciteit hebben bij een aanvoertemperatuur van 50 °C. Geluiden
vanuit
eigenaren
in
de
wijk
zijn
er
al
wel
woningen
die
een
vloerverwarmingssysteem hebben aangelegd. Deze woningen zijn daardoor geschikt voor temperaturen van dan 35 °C.
A.1.5
Aansluiting warmtenet
De woningen zijn in principe geschikt om aan te sluiten om een warmtenet. Daarbij is het wel zo dat de grondgebonden woningen ook uitermate geschikt zijn voor individuele warmtepompen. Een warmtenet is dus zeker niet de enige optie voor deze woningen. Dit levert de volgende gegevens op. Alle getallen zijn gemiddelden. Aantal
Oppervlak
Warmtevraag
Tapwatervraag
Grondgebonden
950
150 m2
70 kWh/m2
9 GJ
Appartementen
133
85 m
55 kWh/m
6 GJ
De
totale
verwarmingsvraag
2
komt
2
daarmee
uit
op
ongeveer
38.000
GJ
voor
ruimteverwarming en 9.000 GJ voor tapwater. Een potentieel warmtenet in het Middengebied bestaat uit een of twee clusterstations welke 12 energiecentrales voorzien van warmte. Aantal Clusterstation Secundair transportnetwerk
Totaalprijs
1 x 7,5 MW
€ 900.000
1,8 km
€ 1.400.000
Energiecentrale
12 x 0,8 MW
€ 4.800.000
Distributieleiding
11 km
€ 6.600,000
Connectieleiding
8 km
€ 3.500,000
Afgifteset
1.083
€ 1.400.000
Tapwaterbooster
1.083
€ 2.700.000
Aanpassingen bestaande woningen
1.083
TOTAAL
€ 1.100.000 € 22.400.000
P a g i n a |7
A.2
Rozettenbuurt
De Rozettenbuurt ligt ten westen van het Middengebied. Het gebied heeft zijn naam te danken aan drie deelbuurten waar woningen planologisch in de vorm van een rozet zijn gebouwd.
Figuur 5: Kaart van Edam-Volendam met de Rozettenbuurt, vernoemd naar het planologisch ontwerp van drie ‘rozetten’ waarin het merendeel van de gebouwen ligt.
A.2.1
Samenstelling
De drie rozetten in dit gebied zijn eind jaren 60 ontwikkeld en beslaan ongeveer 80% van de gebouwen. In de jaren 70 en 80 is er her en der wat bijgebouwd, met name gestapelde sociale woningen. In 2009/2010 zijn in het noorden van het gebied (Ooster Ven) 58 nieuwe woningen gerealiseerd. Aan de Wester Ven zijn/worden dit jaar 54 appartementen opgeleverd. Hier stond voorheen een sporthal. Deze woningen zijn uitgerust met een warmtepomp en hebben daarmee de energietransitie al gemaakt. Over deze woningen zijn verder geen statistieken bekend en worden daarom ook niet meegenomen in de verdere analyse.
Figuur 6: Bouwperiode voor de Rozettenbuurt.
P a g i n a |8
De Rozettenbuurt bestaat in totaal uit 926 gebouwen, waarvan 80% voor woningen en 18% garageboxen. De garageboxen maken in de verdere analyse geen onderdeel uit van de statistieken of aanbevelingen, omdat zij onverwarmd zijn. Het restant van de gebouwen bestaat uit de Sint Petrus basisschool (onderwijs), een tennisvereniging en een gymzaal/fitnesscomplex (sport). Figuur 7 geeft het type woning weer. Vrijwel alle gebouwen zijn een grondgebonden tussen- of hoekwoning (groen). Er zijn 7 gestapelde gebouwen met in totaal 158 appartementen. De appartementen zijn samen met ongeveer 80 grondgebonden woningen in eigendom van woningcorporaties. De grondgebonden woningcorporatiewoningen zijn verspreid over de buurt.
Figuur 7: Woningtypes in de Rozettenbuurt. Zwart gekleurd zijn de basisschool en sportcomplexen.
De adressen in dit gebied hebben een gemiddeld gebruiksoppervlak van 105 m 2. De woningen in de drie rozetten hebben een gebruiksoppervlak tussen de 100 en 150 m 2. De nieuwe woningen aan het Ooster Ven zijn met ongeveer 45 m 2 relatief klein. De appartementen variëren tussen de 60 en 90 m2. Woningen in het Ooster Ven en Grote Ven zijn met ruim 350 m2 fors van formaat.
A.2.2
Ontwikkelingen
De Rozettenbuurt is een typische jaren 60 buurt. Er zijn voor zover bekend geen plannen voor verdere (sloop- en) nieuwbouw of grootschalige renovatie.
A.2.3
Energievraag
De energielabels zijn verdeeld. De nieuwere woningen in het noorden hebben label A(+). In de drie rozetten zijn de labels erg verdeeld. Er zitten nog veel label D en E woningen en soms zelf F, duidend dat deze woningen nog nagenoeg in originele staat zijn. Er zijn veel woningen met label C en een aantal met label B, duidend dat hier reeds energiebesparende maatregelen zijn genomen. Er zijn weinig zonnepanelen aanwezig in dit gebied. Labels zijn dus voornamelijk gebaseerd op het isoleren van de woning. De
P a g i n a |9
appartementencomplexen hebben label A of B en lijken daarmee al een keer gerenoveerd te zijn.
Figuur 8: Energielabels in de Rozettenbuurt
Het aardgasverbruik ligt gemiddeld op ruim 1.700 m 3/jaar en het elektriciteitsgebruik op gemiddeld ruim 3.000 kWh/jaar. Er zit een grote spreiding in het aardgasverbruik, waarschijnlijk als het gevolg van de verschillende labels van de gebouwen.
Figuur 9: Histogrammen van het aardgasverbruik en elektriciteitsgebruik in de Rozettenbuurt.
Drie grondgebonden woningen gelegen aan de Gravelandstraat in de Rozettenbuurt, met dezelfde oriëntatie, zijn gesimuleerd in het softwareprogramma energeyes. De woningen hebben verschillende labels (A, C en G) en beschikken niet over zonnepanelen. De woningen zijn gelijkwaardig en representatief voor de woningen in de drie rozetten. Er zijn aannames gedaan in de mate van isolatie die realistisch zijn voor het genoemde label en type gebouw. De label A woning heeft een gasverbruik van ongeveer 1.000 m 3/jaar, de label C woning van 1.500 m3/jaar en de label G woning van 2.100 m3/jaar. Het gemiddeld gebruik in deze straat is ongeveer 1.500 m 3/jaar, overeenkomstig met een label C woning. Aangezien label C woningen het meest voorkomen in de rozetten, is deze overeenkomst te verwachten.
P a g i n a | 10
Figuur 10: Specifieke ruimteverwarmingsvraag van 3 gelijkwaardige woningen in de Rozettenbuurt met verschillende labels.
De netto tapwatervraag is gemiddeld 9 GJ/jaar voor deze woningen. De specifieke ruimteverwarmingsvraag komt gemiddeld uit op 115 kWh/m 2 in de Rozettenbuurt. Zoals Figuur 10 laat zien, varieert deze vanwege het verschillend na-isolatieniveau van de woningen. Daarnaast zijn er ook flinke verschillen tussen woningen, vanwege uitbouwen, dakkappelen en de aanwezigheid van kopgevels bij hoekwoningen. Daardoor verschilt ook de Standaard per woning en is gemiddeld ongeveer 95 kWh/m 2, waarbij tussenwoningen op ongeveer 88 kWh/m 2 en hoekwoningen op 111 kWh/m2 uitkomen. De woningen in de drie rozetten voldoen, gemiddeld genomen, daarom niet aan de Standaard. Alleen woningen met schillabel A of B zullen met zekerheid voldoen. Woningen met label C zitten op het randje; De een zal wel voldoen en de ander niet. Woningen met een slechter label voldoen zeker niet aan de Standaard. De nieuwere woningen rond de Ven wegen voldoen allen aan de Standaard. De appartementen zijn allen gerenoveerd hebben label A of B en voldoen ook ruim aan de Standaard. Het schoolgebouw en de sportzalen zijn op leeftijd. Met name bij de basisschool is het de vraag of grootschalige renovatie haalbaar is, of dat sloop/nieuwbouw wenselijker is.
P a g i n a | 11
Figuur 11: Woningen die wel of niet voldoen aan de Standaard. Als de werkelijke netto warmtevraag +/- 20% van de Standaard ligt, dan is deze als onzeker aangemerkt.
A.2.4
Renovatie
Woningen met (schil)label A en B in de drie rozetten hebben al aangetoond dat renovatie prima haalbaar is en daarmee de Standaard ook te behalen is. Renovatiemogelijkheden omvatten o.a.: •
Kierdichting
•
Isoleren van de spouw
•
Plaatsen van HR++ glas in de bestaande kozijnen
•
Toepassen van dakisolatie van binnenuit
•
Isoleren van de vloer/kruipruimte.
Daarbij is het belangrijk dat woning wel zorg dragen voor goede ventilatie. De oorspronkelijke woningen zijn bijvoorbeeld niet voorzien van natuurlijke ventilatieroosters. Bij renovatie naar label B zal de specifieke ruimteverwarmingsvraag gemiddeld op ongeveer 85 kWh/m2 en bij label A op 65 kWh/m2 komen. Omdat het hier voornamelijk om particulieren gaat, is de verwachting dat renovatie gemiddeld tot label B zal gaan. Woningen in de drie rozetten zullen voornamelijk met hoog temperatuur radiatoren zijn uitgerust. Mogelijk hebben verschillende woningen inmiddels (deels) gekozen voor comfortabele vloerverwarming. Na isolatie zullen de radiatoren flinke overcapaciteit hebben, waardoor het verlagen van de aanvoertemperatuur naar 50 °C of lager, zonder verlies
van
comfort,
realistisch
is. Daarmee is de woning
geschikt
voor lage
temperatuurverwarming, waardoor zij aangesloten kunnen worden op een duurzaam warmtenet. De grondgebonden woningen In de Rozettenbuurt hebben dan ook het potentieel om all-electric te gaan met individuele warmtepompen.
P a g i n a | 12
A.2.5
Aansluiting warmtenet
In de Rozettenbuurt ligt de kansrijkheid voor aansluiting op een warmtenet bij de woningen in de drie rozetten en eventueel de appartementen. Daarbij is het wel zo dat met name de grondgebonden woningen ook uitermate geschikt zijn voor individuele warmtepompen. Een warmtenet is dus zeker niet de enige optie voor deze woningen. De nieuwgebouwde woningen rond het Ven hebben een lage warmtevraag en liggen wat afgelegen. Daardoor is een warmtenet minder interessant. De leidingen om naar dit gebied te komen zijn relatief kostbaar. Dit levert de volgende gegevens op. Alle getallen zijn gemiddelden. Aantal
Oppervlak
Warmtevraag
Tapwatervraag
Rozettenwoningen
669
111 m
2
85 kWh/m
9 GJ
Appartementen
158
78 m2
55 kWh/m2
6 GJ
De
totale
verwarmingsvraag
2
komt
daarmee
uit
op
ongeveer
25.000
GJ
voor
ruimteverwarming en 7.000 GJ voor tapwater. Een potentieel warmtenet in de Rozettenbuurt bestaat uit een clusterstation welke 8 energiecentrales voorziet van warmte. Aantal Clusterstation Secundair transportnetwerk
1 x 5 MW
Totaalprijs € 600.000
1 km
€ 800.000
Energiecentrale
8 x 0,8 MW
€ 3.200.000
Distributieleiding
6 km
€ 3.600,000
Connectieleiding
5 km
€ 2.200,000
Afgifteset
827
€ 1.000.000
Tapwaterbooster
827
€ 2.000.000
Aanpassingen bestaande woningen
827
TOTAAL
A.3
€ 800.000 € 14.200.000
Bloemenbuurt
De Bloemenbuurt ligt direct onder de Rozettenbuurt. Bouwkundig is de buurt sterk vergelijkbaar met de Rozettenbuurt, veel grondgebonden woningen uit begin jaren 60 en in particulier eigendom. De ruimtelijke ordening is wel anders, de Bloemenbuurt is iets compacter van opzet dan de Rozettenbuurt.
P a g i n a | 13
Figuur 12: Kaart van Edam-Volendam met de Bloemenbuurt.
A.3.1
Samenstelling
De Bloemenbuurt is eind jaren vijftig / begin jaren zestig gebouwd, 570 van de 640 gebouwen in deze buurt komen uit deze periode. In 1994 zijn langs de Tulpenstraat door woningcorporatie De Vooruitgang 32 appartementen gebouwd. In 2006 zijn er in het zuiden een handvol rijtjeswoningen bijgebouwd aan de Meerzicht en 61 appartementen aan de Boelenspark. Ook deze appartementen zijn in handen van de woningcorporatie.
Figuur 13: Bouwperiode voor de Bloemenbuurt.
Figuur 14 geeft het type gebouw weer. 95% van de gebouwen zijn woningen. Rond de Burgermeester van Baarstraat bevinden zich multifunctionele gebouwen waarbij er winkels op de begane grond zijn en woningen op de eerste verdieping.
P a g i n a | 14
Figuur 14: Gebruikstypes (links) en woningtypes (rechts) in de Bloemenbuurt.
Helemaal in het zuiden bevindt zich een gebouw met twee basisscholen. Langs de Foksiastraat bevindt zich een wijkgebouw met o.a. een sportzaal, peuterspeelzaal en kinderdagverblijf. Een bibliotheek is te vinden in het gebouw ernaast. De meeste woningen zijn grondgebonden tussen- of hoekwoning. Hiervan zijn er nog 27 in
eigendom
van
de
woningcorporatie.
Een
klein
aantal
woningen
betreffen
bovenwoningen. Daarnaast zijn de twee appartementencomplexen in het Boelenspark in eigendom van de woningcorporatie. Het gemiddelde gebruiksoppervlak van de grondgebonden woningen ligt op 113 m 2, variërend tussen de 80 en 150 m 2. De appartementen hebben een gemiddeld oppervlak van 74 m2.
Figuur 15: Aantal adressen uitgesplitst naar gebruiksoppervlak in de Bloemenbuurt.
A.3.2
Ontwikkelingen
De Bloemenbuurt is een typische jaren 60 buurt. Het wijkgebouw aan de Foksiastraat wordt eind dit jaar gesloopt. Er komen 86 woningen voor terug. Verwachting is dat deze worden voorzien van een warmtepomp. Een eventueel warmtenet komt sowieso te laat voor deze bouwplannen. Deze woningen doen dan verder ook niet mee in de analyse in dit rapport.
P a g i n a | 15
A.3.3
Energievraag
De woningen uit 1994 en 2006 hebben allemaal energie label A(+) of B. Het merendeel van de jaren 60 woning met een energielabel heeft een label tussen de C en G, met een gemiddeld label E. Woningen in dit gebied zijn minder goed geïsoleerd dan de vergelijkbare woningen in de Rozettenbuurt.
Figuur 16: Energielabels in de Bloemenbuurt
Het aardgasverbruik varieert sterk. De appartementen hebben een aardgasverbruik dat rond de 700 m3/jaar ligt. Voor de jaren ‘60 grondgebonden woningen ligt dit tussen de 1.000 en 2.500 m3/jaar. Daarbij is een lichte correlatie te vinden tussen de grote van de woning en het gasverbruik. Aangezien de grote van de woning varieert tussen 80 en 155 m2, is het begrijpelijk dat ook het gasverbruik sterk varieert. Het elektriciteitsgebruik ligt gemiddeld op 3.100 kWh/jaar en kent geen zichtbare correlaties. Het gebruik varieert tussen de 1.700 en 5.000 kWh/jaar. Er zijn hier en daar zonnepanelen aanwezig, maar niet in grote hoeveelheden.
Figuur 17: Histogrammen van het aardgasverbruik en elektriciteitsgebruik in de Bloemenbuurt.
De specifieke ruimteverwarmingsvraag komt daarmee gemiddeld op 118 kWh/m 2 in de Bloemenbuurt, en varieert sterk als gevolg van de grote verscheidenheid in woninggrootte P a g i n a | 16
en gasverbruik. Als gevolg daarvan verschilt de Standaard ook sterk per woning, tussen de 65 en 130 kWh/m2, met een gemiddelde van ongeveer 99 kWh/m2. Uiteindelijk blijken de woningen gemiddeld genomen niet aan de Standaard te voldoen, met uitzondering van eventuele individuele woningen die reeds goede isolerende maatregelen hebben genomen.
Figuur 18: Woningen die wel of niet voldoen aan de Standaard. Als de werkelijke netto warmtevraag +/- 20% van de Standaard ligt, dan is deze als onzeker aangemerkt.
A.3.4
Renovatie
Woningen met label A en B hebben al aangetoond dat renovatie prima haalbaar is en daarmee de Standaard ook eenvoudig te behalen is. Aangezien er veel gelijkenis is tussen de woningen in de Bloemenbuurt en de Rozettenbuurt, lijkt ook hier dat de meeste woningen na renovatie aan de Standaard voldoen. Renovatiemogelijkheden omvatten o.a.: •
Isoleren van de spouw
•
Plaatsen van HR++ glas in de bestaande kozijnen
•
Toepassen van dakisolatie van binnenuit
•
Isoleren van de vloer/kruipruimte.
Daarbij is het
belangrijk dat woning wel zorg dragen voor goede ventilatie. De
oorspronkelijke woningen zijn bijvoorbeeld niet voorzien van natuurlijke ventilatieroosters. Daarmee is de lijn der verwachting dat de ruimtewarmtevraag van deze woningen in de komende 10 jaar verder zal dalen naar een gemiddelde dat rond de 85 kWh/m 2 ligt, waarbij een vraag van gemiddeld 60 kWh/m2 haalbaar is. Woningen in de Bloemenbuurt zullen voornamelijk met hoog temperatuur radiatoren zijn uitgerust. Mogelijk hebben verschillende woningen inmiddels (deels) gekozen voor comfortabele vloerverwarming. Na isolatie zullen de radiatoren flinke overcapaciteit hebben, waardoor het verlagen van de aanvoertemperatuur naar 50 °C of lager, zonder
P a g i n a | 17
verlies van comfort, realistisch is. Daarmee is verwarming met een laagtemperatuur warmtenet haalbaar.
A.3.5
Aansluiting warmtenet
In de Bloemenbuurt ligt de kansrijkheid voor aansluiting op een warmtenet bij de grondgebonden woningen en appartementen. Daarbij is het wel zo dat de grondgebonden woningen ook uitermate geschikt zijn voor individuele warmtepompen. Een warmtenet is dus zeker niet de enige optie voor deze woningen. Dit levert de volgende gegevens op. Alle getallen zijn gemiddelden.
Aantal
Oppervlak
Warmtevraag
Tapwatervraag
Rozettenwoningen
599
113 m
2
85 kWh/m
9 GJ
Appartementen
93
74 m2
55 kWh/m2
6 GJ
De
totale
verwarmingsvraag
2
komt
daarmee
uit
op
ongeveer
22.000
GJ
voor
ruimteverwarming en 6.000 GJ voor tapwater. Een potentieel warmtenet in de Bloemenbuurt bestaat uit een clusterstation welke 7 energiecentrales voorziet van warmte. Aantal Clusterstation Secundair transportnetwerk
1 x 4,5 MW
Totaalprijs € 600.000
0,8 km
€ 600.000
Energiecentrale
7 x 0,8 MW
€ 2.800.000
Distributieleiding
5,5 km
€ 3.300,000
Connectieleiding
5 km
€ 2.200,000
Afgifteset
692
€ 900.000
Tapwaterbooster
692
€ 1.700.000
Aanpassingen bestaande woningen
692
TOTAAL
€ 700,000 € 12.800.000
P a g i n a | 18
A.4
Planetenbuurt
De Planetenbuurt ligt direct onder het Middengebied en kenmerkt zich door de ligging van het Kras stadion van FC Volendam en 10 amateur sportvelden in het zuiden van de buurt.
Figuur 19: Kaart van Edam-Volendam met de Planetenbuurt.
A.4.1
Samenstelling
De ontwikkeling van de wijk is in de jaren 50 aan de oostkant begonnen, tegen het oude centrum van Volendam aan, waarbij in de afgelopen 30 jaar het nodige aan nieuwbouw is bijgekomen. Hier bevindt zich ook het Kras stadion, welke in de loop der jaren uitgebreid is met tribunes. Onder een aantal van deze tribunes bevinden zich kleine bedrijven. In de jaren 60 zijn er rond de Beukenlaan/Wilgenlaan enkele tientallen woningen bijgebouwd. Dit deel staat ook wel bekend onder de naam Katham, maar is geen eigen buurt (meer). In het noorden van de buurt zijn woningen gebouwd in het begin van de jaren 70. Dit is het grootste bebouwde gedeelte van de wijk. Ook hier heeft her en der nieuwbouw plaatsgevonden in de afgelopen decennia. Net zoals in de Rozettenbuurt, bevinden zich hier garageboxen, welke verder geen onderdeel uitmaken van de analyse. De Planetenbuurt bestaat dan ook grotendeels uit woningen. Van de ruim 920 gebouwen zijn er ruim 870 met een woonfunctie.
P a g i n a | 19
Figuur 20: Bouwperiode voor de Planetenbuurt.
Tussen de jaren 70 woningen, aan de Plutostraat, bevinden zich een aantal panden met een bedrijf/woning combinatie. De bedrijven bevinden zich op de begane grond en hebben een retail functie, zoals een bakkerij en een Chinees restaurant. Verdere bedrijvigheid is te vinden rond de Julianaweg/ Schoolstraat, met name kleine retail. Tegenover het stadion bevindt zich een basisschool. Aan de westzijde van de sportvelden bevindt zich ook het Don Bosco college (middelbare school) en een gymzaal. Nabij het Don Bosco college, langs de Julianaweg bevinden zich een aantal vrijstaande woningen en een tankstation.
Figuur 21: Gebruikstypes (links) en woningtypes (rechts) in de Planetenbuurt.
P a g i n a | 20
De meeste gebouwen zijn grondgebonden tussen- of hoekwoning. Er zijn 10 gestapelde gebouwen met in totaal 158 appartementen. 9 van de 10 gebouwen zijn in eigendom van woningcorporatie De Vooruitgang. Vrijstaande woningen zijn te vinden langs de Julianaweg en de Pegasusstraat. Ruim 50 grondgebonden woningen, verspreid over de buurt, zijn nog in bezit van woningcorporaties De Vooruitgang en Wooncompagnie. De jaren 50 woningen hebben een oppervlak van 75 tot 100 m 2. De directe naastliggende uitbreiding uit de jaren 60 heeft een woonoppervlak van ongeveer 125 m 2. De jaren 70 woningen hebben een woonoppervlak tussen de 100 en 140 m2.
Figuur 22: Aantal adressen uitgesplitst naar gebruiksoppervlak in de Planetenbuurt.
A.4.2
Ontwikkelingen
Er liggen op dit moment plannen voor (tijdelijke) woningen op de parkeerplaats langs de Julianaweg (Tase-terrein). Deze woningen zijn waarschijnlijk niet geschikt voor een warmtenet. Enerzijds vanwege het tijdelijke karakter ervan, anderzijds zullen de woningen op korte termijn verschijnen terwijl het warmtenet dan mogelijk nog niet ontwikkeld is. Op lange termijn is de visie om de sportvelden en het stadium te verplaatsen naar het nog te ontwikkelen De Purmer gebied. Dit is echter nog geen zekerheid. Mocht dit gebeuren, dan een gebied van ongeveer 14 hectare vrij voor potentiële nieuwbouw van 300-500 woningen.
A.4.3
Energievraag
De woningen uit de jaren 70 kenmerken zich door een label C, met nog geregeld een label D en een enkele keer E/F/G. Er zijn ook een handvol woningen met een label A en B. De woningen uit de jaren vijftig hebben over het algemeen labels E en F. De meer recente gebouwen hebben veelal label A.
P a g i n a | 21
Figuur 23: Energielabels in de Planetenbuurt
Het aardgasverbruik varieert tussen de 1.300 en 2.100 m 3/jaar voor de grondgebonden woningen uit de jaren 50/60/70. Het gemiddelde komt uit op ongeveer 1.750 m 3/jaar. De appartementen hebben een aardgasverbruik dat rond de 900 m 3/jaar ligt. Daarbij is een lichte correlatie te vinden tussen de grote van de woning en het gasverbruik. Het elektriciteitsgebruik ligt gemiddeld op 3.200 kWh/jaar en kent geen zichtbare correlaties. Er zijn hier en daar zonnepanelen aanwezig, met name bij de jaren 70 woningen, maar niet in significante hoeveelheden.
Figuur 24: Histogrammen Planetenbuurt
van
het
aardgasverbruik
en
elektriciteitsgebruik
in
de
Gezien de jaren 70 woningen gemiddeld label C hebben, lijkt er het een en ander aan isolatiemaatregelen te zijn genomen. Het meest waarschijnlijke zijn dakisolatie en het vervangen van enkele beglazing. In energeyes zijn een aantal jaren 70 woningen gemodelleerd en met bovenstaande isolatiemaatregelen komt het berekende gasverbruik overeen met de gemeten waarde.
P a g i n a | 22
De specifieke ruimteverwarmingsvraag komt daarmee gemiddeld op 110 kWh/m 2 voor de jaren 70 woningen, 90 kWh/m2 voor de jaren 60 woningen en 115 kWh/m2 voor de jaren 50 woningen. Variatie is echter groot als gevolg van de grote verscheidenheid in woninggrootte en gasverbruik. Daardoor verschilt de Standaard ook sterk per woning, tussen de 75 en 125 kWh/m2, met een gemiddelde van ongeveer 81 kWh/m2 voor de jaren 70 woningen, 85 kWh/m2 voor de jaren 60 woningen en 110 kWh/m 2 voor de jaren 50 woningen. Verschillen zijn het gevolg van veel uitbouwen (bijv. bijkeuken) en dakkapellen, waardoor het verliesoppervlak bij de ene woning groter is dan de ander. De ruimteverwarmingsvraag voor de appartementen is ongeveer 66 kWh/m 2 en dit is ook de Standaard. Uiteindelijk blijken de woningen gemiddeld genomen niet aan de Standaard te voldoen, met uitzondering van eventuele individuele woningen die reeds goede isolerende maatregelen hebben genomen. Het betreffen dan voornamelijk de label A en B woningen.
Figuur 25: Woningen die wel of niet voldoen aan de Standaard. Als de werkelijke netto warmtevraag +/- 20% van de Standaard ligt, dan is deze als onzeker aangemerkt.
A.4.4
Renovatie
Woningen met label A en B hebben al aangetoond dat renovatie prima haalbaar is en daarmee de Standaard ook eenvoudig te behalen is. Aangezien er veel gelijkenis is tussen de woningen in de Planetenbuurt, de Rozettenbuurt en het Middengebied, lijkt ook hier dat de meeste woningen na renovatie aan de Standaard voldoen. Renovatiemogelijkheden omvatten o.a.: •
Kierdichting
•
Isoleren van de spouw
•
Plaatsen van HR++ glas in de bestaande kozijnen
•
Toepassen van dakisolatie van binnenuit
•
Isoleren van de vloer/kruipruimte. P a g i n a | 23
Daarbij is het belangrijk dat in de woning wel zorg gedragen wordt voor goede ventilatie. De
oorspronkelijke
woningen
zijn
bijvoorbeeld
niet
voorzien
van
natuurlijke
ventilatieroosters. Daarmee is de lijn der verwachting dat de ruimtewarmtevraag van deze woningen in de komende 10 jaar verder zal dalen naar een gemiddelde dat onder de 80 kWh/m 2 ligt, waarbij een vraag van gemiddeld 60 kWh/m 2 haalbaar is als er naar label A wordt gerenoveerd. Woningen in de Planetenbuurt zullen voornamelijk met hoog temperatuur radiatoren zijn uitgerust. Mogelijk hebben verschillende woningen inmiddels (deels) gekozen voor comfortabele vloerverwarming. Na isolatie hebben de radiatoren flinke overcapaciteit, waardoor het verlagen van de aanvoertemperatuur naar 50 °C of lager, zonder verlies van comfort, realistisch is. Daarmee is verwarming met een laagtemperatuur warmtenet haalbaar.
A.4.5
Aansluiting warmtenet
In de planetenbuurt ligt de kansrijkheid voor aansluiting op een warmtenet bij de grondgebonden woningen en de appartementen. Daarbij is het wel zo dat de grondgebonden woningen ook uitermate geschikt zijn voor individuele warmtepompen. Een warmtenet is dus zeker niet de enige optie voor deze woningen. Verwachting is dat de woningen in het ‘planeten’ deel (het deel met straten vernoemd naar ruimtelijke objecten) een lagere warmtevraag kunnen behalen dan de woningen in het oudere ‘Katham’. Dit levert de volgende gegevens op. Alle getallen zijn gemiddelden. Aantal
Oppervlak
Warmtevraag
Tapwatervraag
‘Katham’ woningen
160
120 m2
90 kWh/m2
8 GJ
‘Planeten’ woningen
700
123 m2
75 kWh/m2
8 GJ
Appartementen
100
70 m2
55 kWh/m2
7 GJ
De
totale
verwarmingsvraag
komt
daarmee
uit
op
ongeveer
31.000
GJ
voor
ruimteverwarming en 7.500 GJ voor tapwater. Een potentieel warmtenet in de Planetenbuurt bestaat uit een clusterstation welke 10 energiecentrales voorziet van warmte. Aantal Clusterstation
Totaalprijs
1 x 6,5 MW
€ 800.000
1,4 km
€ 1.100.000
Energiecentrale
10 x 0,8 MW
€ 4.000.000
Distributieleiding
8,5 km
€ 5.100,000
Connectieleiding
8 km
€ 3.500,000
Afgifteset
960
€ 1.200.000
Tapwaterbooster
960
€ 2.400,000
Aanpassingen woningen
960
€ 1.000.000
Secundair transportnetwerk
TOTAAL
€ 19.100.000
P a g i n a | 24
A.5
Blokgouw 1 t/m 6
Blokgouw bestaat uit in totaal 8 buurten en is voor dit onderzoek opgesplitst in twee clusters: blokgouw 1 t/m 6 en blokgouw 7 + 8. De woningen en ruimtelijke ordening van blok 1 t/m 6 lijken namelijk sterk op elkaar. De gebouwen in Blokgouw 7 + 8 zijn gebouwd na de introductie van het bouwbesluit in 1992 en zijn daarom apart behandeld.
Figuur 26: Kaart van Edam-Volendam met Blokgouw 1 t/m 6.
A.5.1
Samenstelling
De gebouwen in Blokgouw 1 t/m 6 zijn in fasen in de periode 1974-1990 gebouwd. In 2003 is er op De Stient een complex met 8 appartementen gebouwd. In 2008 is hier een klein winkelcentrum met enkele winkels bijgebouwd.
Figuur 27: Bouwperiode voor Blokgouw 1 t/m 6.
P a g i n a | 25
Blokgouw 1 t/m 6 bestaat grotendeels uit woningen. Van de bijna 2.100 gebouwen zijn er slechts 30 met een niet-residentiele functie. Bedrijvigheid bevindt zich met name rond het eerdergenoemde winkelcentrum op De Stient. Verder bevinden zich er drie basisscholen (De Spinmolen, De Springplank en de Aventurijn) een gezondheidscentrum (met o.a. een afdeling van het Dijkwaarder Ziekenhuis en een apotheek) en een partycentrum. Tegenover het gezondheidscentrum ligt het eerdergenoemde Don Bosco college (Planetenbuurt). In het noorden bevinden zich een aantal kantoorpanden, waaronder het stadskantoor van de gemeente Edam-Volendam, de politie en de Rabobank. De woningen zijn grotendeel tussen- en hoekwoningen met hier en daar een vrijstaande woning.
Figuur 28: Gebruikstypes (links) en woningtypes (rechts) in Blokgouw 1 t/m 6.
Er zijn 17 gestapelde gebouwen, 16 ervan zijn in eigendom van woningcorporaties en hebben gemiddeld elk 4 wooneenheden. Daarnaast hebben woningcorporaties nog eens 116 grondgebonden woningen in eigendom, verspreid over de wijk in kleine clusters. Het gebruiksoppervlak van de grondgebonden woningen ligt tussen de 100 en 200 m 2 met een gemiddelde van 135 m2. Ongeveer 30 grondgebonden corporatiewoningen hebben een oppervlak van 76 m2. Enkele woningen, met name de vrijstaande woningen, hebben een oppervlak ruim boven de 200 m2.
A.5.2
Ontwikkelingen
Er zijn weinig ontwikkelingen in Blokgouw 1 t/m 6. Op de hoek van de Abcoudestraat en Poschlaan staat een gebouw van de Rabobank. Deze staat op de nominatie om gesloopt te worden om plaats te maken voor 30 appartementen. Het is de verwachting dat deze appartementen op warmtepompen worden verwarmd.
P a g i n a | 26
Een van de basisscholen is recentelijk gesloopt en herbouwd (St Vincentius). Het is niet duidelijk wat er met de andere twee basisscholen gaat gebeuren. Beiden zijn inmiddels meer dan 40 jaar oud.
A.5.3
Energievraag
De wijk bestaat voornamelijk uit label C woningen, iets wat past bij de woningen uit deze periode. Er zijn ook veel label A en B woningen, een indicatie dat woningeigenaren renovaties hebben toegepast.
Figuur 29: Energielabels in Blokgouw 1 t/m 6
Het aardgasverbruik varieert tussen de 1.000 en 3.000 m 3/jaar voor de grondgebonden woningen, waarbij er een correlatie ligt tussen de grootte van de woning en het gasverbruik. Het gemiddelde komt uit op ongeveer 1.850 m 3/jaar. Het elektriciteitsgebruik ligt gemiddeld op 3.700 kWh/jaar en kent geen zichtbare correlaties. Er zijn hier en daar zonnepanelen aanwezig, maar niet in grote aantallen.
Figuur 30: Histogrammen van het aardgasverbruik en elektriciteitsgebruik in Blokgouw 1 t/m 6.
P a g i n a | 27
In
energeyes
zijn
een
aantal
Blokgouw
woningen
gemodelleerd.
De
specifieke
ruimteverwarmingsvraag ligt tussen de 60 en de 140 kWh/m . De grote variatie komt 2
voort uit de het grote verschil in gebruiksoppervlak en woninggeometrie. Sommige woningen hebben bijvoorbeeld bijkeukens en dakkappelen, waardoor het verliesoppervlak toeneemt. Er is geen directe relatie tussen woningeometrie en woonoppervlak, waardoor de
specifieke
ruimteverwarmingsvraag
varieert.
Gemiddeld
ligt
de
specifieke
ruimteverwarmingsvraag op 102 kWh/m . Als gevolg van de variërende geometrie en 2
gebruiksoppervlak verschilt de Standaard ook sterk per woning, tussen de 55 en 130 kWh/m2, met een gemiddelde van ongeveer 90 kWh/m2. Uiteindelijk blijken de woningen gemiddeld genomen (net) niet aan de standaard te voldoen, met uitzondering van eventuele individuele woningen die reeds goede isolerende maatregelen hebben genomen.
Figuur 31: Woningen die wel of niet voldoen aan de Standaard. Als de werkelijke netto warmtevraag +/- 20% van de Standaard ligt, dan is deze als onzeker aangemerkt.
A.5.4
Renovatie
Rijtjeswoningen in Blokgouw 1 t/m 6 liggen niet ver van de Standaard
vandaan. Dat
betekent dat met een aantal renovatiemaatregelen de woning al aan de Standaard kan voldoen. Woningen met een label B zullen waarschijnlijk al aan de Standaard voldoen. Renovatiemogelijkheden omvatten o.a.: •
Kierdichting
•
Isoleren van de spouw
•
Plaatsen van HR++ glas in de bestaande kozijnen
•
Toepassen van dakisolatie van binnenuit
•
Isoleren van de vloer/kruipruimte.
Daarbij is het belangrijk dat woning wel zorg dragen voor goede ventilatie. De oorspronkelijke woningen zijn bijvoorbeeld niet voorzien van natuurlijke ventilatieroosters. P a g i n a | 28
Daarmee is de lijn der verwachting dat de ruimtewarmtevraag van deze woningen in de komende 10 jaar verder zal dalen naar een gemiddelde dat onder de 90 kWh/m 2 ligt. Omdat het voornamelijk particulieren zijn, moet niet worden verwacht dat men direct massaal naar label A gaat renoveren. Verwachting is daarom dat een gemiddelde ruimteverwarmingsvraag van 80 kWh/m2 haalbaar is. De appartementen, voornamelijk in woningcorporatiebezit, lijken reeds (net) aan de Standaard te voldoen. Verwachting is dat de ruimteverwarmingsvraag van 75 kWh/m 2 niet veel meer zal dalen. Woningen in Blokgouw 1 t/m 6 zullen voornamelijk met hoog temperatuur radiatoren zijn uitgerust. Mogelijk hebben verschillende woningen inmiddels (deels) gekozen voor comfortabele vloerverwarming. Na isolatie hebben de radiatoren flinke overcapaciteit, waardoor het verlagen van de aanvoertemperatuur naar 50 °C of lager, zonder verlies van comfort, realistisch is. Daarmee is de woning geschikt voor lage temperatuurverwarming, waardoor zij aangesloten kunnen worden op een duurzaam warmtenet. De grondgebonden woningen in Blokgouw 1 t/m 6 hebben dan ook het potentieel om all-electric te gaan met individuele warmtepompen. Vanwege het kleine formaat zijn de appartementen zijn minder geschikt voor een individuele warmtepomp en floreren beter bij een lokaal of regionaal warmtenet.