Bijlage 1 Onderzoeksrapport Universiteit Utrecht programma LEF
Tekst van het document
Invloed van leeftijdsgenoten versterkt door zelfbeeld Om te kijken of de invloed van leeftijdsgenoten op het alcoholgebruik van jongeren inderdaad versterkt kan worden door individuele kenmerken, is een moderatieanalyse gedaan.
Groepsnormen ten aanzien van alcoholgebruik versterkt door zelfbeeld Wanneer gekeken wordt naar de invloed die groepsnormen op het vroegtijdig drinken van jongeren hebben, is te zien dat het hebben van een positiever zelfbeeld hier een beschermende factor in kan zijn. Overigens geldt dit alleen voor de algemene normen: jongeren die sterke algemene normen ten aanzien van alcoholgebruik en een negatiever zelfbeeld hebben, beginnen eerder (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die 27
eveneens sterke algemene normen, maar een positiever zelfbeeld hebben (β = - .178). Voor de descriptieve en injunctieve normen wordt geen significante invloed van zelfbeeld gevonden; oftewel: jongeren met een negatiever zelfbeeld zullen zich niet eerder conformeren aan de indirecte groepsdruk om vroeg te beginnen met drinken, dan jongeren met een positiever zelfbeeld.
Groepsdruk om te drinken versterkt door zelfbeeld Wanneer gekeken wordt naar de invloed die groepsdruk op het vroegtijdig drinken van jongeren heeft, is te zien dat het hebben van een positiever zelfbeeld hier een beschermende factor in kan zijn. Jongeren die sterke groepsdruk ervaren en een negatiever zelfbeeld hebben, beginnen eerder (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die eveneens een sterke groepsdruk ervaren, maar een positiever zelfbeeld hebben (β = - .292). Hieruit kan geconcludeerd worden dat jongeren met een negatiever zelfbeeld zich eerder conformeren aan de directe groepsdruk om vroeg te beginnen met drinken, dan jongeren met een positiever zelfbeeld.
Pad 3: Handhaving Het derde pad van het model richt zich op de handhaving van het alcoholbeleid door de gemeente, horeca, politie en overige betrokkenen. Veel geïnterviewden zien dit als een belangrijke factor waar nog veel winst te behalen valt. Meerdere geïnterviewden geven aan dat jongeren vóór hun 18e jaar ‘gewoon’ alcohol meekrijgen in de supermarkt en/of de kroeg binnenkomen en hier alcohol geschonken krijgen. Jongeren zelf zeggen bijvoorbeeld dat “we een paar kratten bier halen en gewoon de kosten verdelen, ook al zijn we nog geen 18” en dat de leeftijdscontrole bij kroegen slecht is: “als ik al een ID moet laten zien, wat niet vaak gebeurt, dan kom ik er toch wel in…”.
Toegankelijkheid alcohol (niet-thuis) Voor de toegankelijkheid van alcohol voor jongeren zal gekeken worden naar de mate waarin jongeren alcohol (denken te kunnen) meekrijgen in verschillende situaties buitenshuis. Naarmate de (verwachte) toegankelijkheid van alcohol groter is, zullen jongeren ook eerder proberen alcohol te verkrijgen en gebruiken. Er zal gekeken worden naar vijf verschillende situaties waar jongeren buitenshuis alcohol kunnen verkrijgen: in de supermarkt, slijterij, sportkantine, café / kroeg en club / buurthuis.
28
In Tabel 5 is per situatie te zien hoe makkelijk, moeilijk of onmogelijk jongeren alcohol (denken te kunnen) meekrijgen. Opvallend is dat – hoewel vrijwel de gehele steekproef jonger dan 18 jaar is – voor alle situaties maximaal twee-derde van de jongeren aangeeft het onmogelijk te vinden om in de betreffende situatie alcohol mee te (kunnen) krijgen. In tegenstelling tot de verwachtingen naar aanleiding van de interviews doen de supermarkten en slijterijen het relatief goed: nog geen 10% van de jongeren kan hier makkelijk alcohol meekrijgen. De cijfers voor de cafés en kroegen liggen meer in lijn met de verwachtingen vanuit de interviews: jongeren kunnen hier relatief makkelijk aan alcohol komen. Ongeveer één-derde van de jongeren komt in een café of kroeg makkelijk aan alcohol, terwijl het maar door maar 40 procent onmogelijk geacht wordt.
Tabel 5. Gemak waarmee jongeren in situaties buitenshuis aan alcohol (denken te kunnen) komen (%). Situatie
Onmogelijk
Moeilijk
Makkelijk
Supermarkt
60,4
33,1
6,5
Slijterij
62,6
30,1
7,2
Sportkantine
52,0
33,6
14,4
Café / kroeg
41,1
26,0
32,8
Club / buurthuis
52,6
31,3
16,2
Wanneer gekeken wordt naar het gemak waarmee jongeren in het algemeen buitenshuis aan alcohol (denken te kunnen) komen, is te zien dat dit vrij moeilijk voor hen is (M = 1,97 op een 5-puntsschaal). De mate waarin alcohol buitenshuis makkelijk toegankelijk is hangt sterk samen met de leeftijd van de jongeren; naarmate jongeren ouder zijn, kunnen zij buitenshuis makkelijker aan alcohol komen (r = .48). Als gekeken wordt naar de invloed van de toegankelijkheid van alcohol buitenshuis op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat de mate waarin alcohol makkelijk toegankelijk is een risicofactor kan zijn. Jongeren die aangeven dat alcohol voor hen buitenshuis makkelijk toegankelijk is, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .35), als in de afgelopen maand (r = .40) en week (r = .46) alcohol gedronken te
29
hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen de toegankelijkheid van alcohol buitenshuis en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; naarmate alcohol buitenshuis makkelijker toegankelijk is, drinken jongeren daadwerkelijk meer alcohol dan jongeren voor wie alcohol moeilijker toegankelijk is (r = .49). Tenslotte, lijkt de toegankelijk van alcohol buitenshuis belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Naarmate alcohol buitenshuis makkelijker toegankelijk is, beginnen jongeren vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan wanneer alcohol buitenshuis moeilijker toegankelijk is (r = - .24). Geconcludeerd kan worden dat jongeren waarvoor alcohol buitenshuis makkelijker toegankelijk is, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.
Zichtbaarheid handhaving De wijze van handhaving is enerzijds al zichtbaar aan bovenstaande resultaten over de toegankelijkheid van alcohol buitenshuis. Immers: wanneer (minderjarige) jongeren buitenshuis makkelijk aan alcohol (denken te) kunnen komen, is de handhaving van het alcoholbeleid onvoldoende en tevens niet voldoende zichtbaar. Een volgende stap om de wijze van handhaving te bekijken, is om te kijken in hoeverre jongeren daadwerkelijk een uitgaansgelegenheid (café, kroeg of club) binnenkomen én of zij hier alcohol drinken.
Tabel 6. Mate waarin jongeren uitgaansgelegenheden bezoeken en alcohol drinken tijdens het uitgaan (%).
*
Bezoek uitgaansgelegenheid
Alcohol drinken tijdens uitgaan
(N = 1.128)
(N = 503)*
Nooit
41,1
51,1
Af en toe
14,3
19,5
Maandelijks
21,0
12,1
Wekelijks
23,6
17,3
Hier zijn alleen jongeren meegenomen die aangegeven hebben minimaal maandelijks uit te
gaan.
30
Bezoek uitgaansgelegenheden In Tabel 6 is te zien dat ruim de helft van de jongeren (vrijwel) nooit naar uitgaansgelegenheden gaat. De andere helft van de jongeren gaat wel minimaal maandelijks naar een uitgaansgelegenheid, ondanks dat deze groep officieel nog niet naar binnen zou mogen. Ongeveer de helft van deze groep gaat zelfs al regelmatiger – minstens één keer per week – naar een uitgaansgelegenheid. Het bezoeken van een uitgaansgelegenheid hangt sterk samen met leeftijd; naarmate jongeren ouder worden, gaan zij vaker naar een uitgaansgelegenheid (r = .36). Als gekeken wordt naar de invloed van de mate waarin jongeren uitgaansgelegenheden bezoeken op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat de mate waarin jongeren uitgaan een risicofactor kan zijn. Jongeren die aangeven vaker een uitgaansgelegenheid te bezoeken, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .40), als in de afgelopen maand (r = .46) en week (r = .49) alcohol gedronken te hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen uitgaansgelegenheden bezoeken en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; jongeren die vaker uitgaan, drinken meer alcohol dan jongeren die minder vaak uitgaan (r = .46). Tenslotte, lijkt de toegankelijkheid tot uitgaansgelegenheden belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol.
Jongeren die vaker een uitgaansgelegenheid bezoeken, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die minder vaak uitgaan (r = - .29). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die vaker uitgaansgelegenheden bezoeken, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.
Alcoholgebruik tijdens het uitgaan In Tabel 6 is te zien dat ruim de helft van de jongeren die minstens één keer per maand naar uitgaansgelegenheden gaat, tijdens het uitgaan nooit alcohol drinkt. De andere helft van de uitgaande jongeren drinkt wel alcohol tijdens het uitgaan, ondanks dat zij dit officieel nog niet mogen. Ruim één-derde van deze groep drinkt zelfs al regelmatiger – minstens één keer per week – alcohol tijdens het uitgaan. Het drinken van alcohol tijdens het uitgaan hangt sterk samen met leeftijd; naarmate jongeren ouder zijn, drinken zij meer alcohol tijdens het uitgaan (r = .53). Als gekeken wordt naar de invloed van de frequentie waarmee jongeren alcohol drinken tijdens het uitgaan, komt duidelijk naar voren dat het drinken van alcohol tijdens het 31
uitgaan een risicofactor kan zijn. Jongeren die aangeven vaker alcohol te drinken tijdens het uitgaan, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .48), als in de afgelopen maand (r = .58) en week (r = .62) alcohol gedronken te hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen de frequentie waarin jongeren alcohol drinken tijdens het uitgaan en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; jongeren die vaker alcohol drinken tijdens het uitgaan, drinken wekelijks ook meer glazen alcohol dan jongeren die tijdens het uitgaan minder vaak alcohol drinken (r = .63). Tenslotte, lijkt het drinken van alcohol tijdens het uitgaan belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Jongeren die vaker alcohol drinken tijdens het uitgaan, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die minder vaak alcohol drinken tijdens het uitgaan (r = - .30). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die vaker alcohol drinken tijdens het uitgaan, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de (zichtbaarheid van de) handhaving van het alcoholbeleid door de gemeente, horeca, politie en andere betrokkenen een belangrijke rol spelen in het alcoholgebruik van jongeren. Wanneer er onvoldoende handhaving is én dit niet voldoende zichtbaar is, blijft het voor (minderjarige) jongeren makkelijk om uitgaansgelegenheden binnen te komen en (hier) alcohol te verkrijgen. Jongeren die vaker uitgaan en makkelijker aan alcohol (denken te) kunnen komen, beginnen op jongere leeftijd met het drinken van alcohol, en drinken eveneens vaker en meer alcohol, dan jongeren die minder vaak uitgaan en moeilijker aan alcohol (denken te) kunnen komen.
Conclusie Het in de probleemstelling geschetste probleem dat binnen de gemeente Edam-Volendam door jongeren veel alcohol gedronken wordt en hier al op jonge leeftijd mee begonnen wordt, wordt binnen dit onderzoek bevestigd. Ruim 40% van de ondervraagde jongeren heeft aangegeven minimaal maandelijks alcohol te drinken, ondanks dat vrijwel deze gehele groep jonger dan 18 jaar oud is. Onder 14-jarigen heeft 62,3% wel eens alcohol gedronken; 4 jaar eerder dan de wettelijke leeftijdsgrens voor het kopen en drinken van alcohol. Vanuit deze probleemstelling is een verklaringsmodel opgesteld, waarin factoren opgenomen zijn die een belangrijke invloed hebben op het alcoholgebruik van jongeren, en
32
dan met name de vroege leeftijd waarop zij beginnen met drinken. Hierin zijn drie paden onderscheiden, namelijk: invloed van ouders (pad 1), peers (vrienden, leeftijdsgenoten; pad 2) en de handhaving van het alcoholbeleid door gemeente, horeca, politie en overige betrokkenen (pad 3). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat ouders voornamelijk invloed kunnen hebben door het stellen van strikte regels en houden van actief toezicht: jongeren die strikte regels en meer toezicht door ouders ervaren, beginnen op latere leeftijd of helemaal niet met het drinken van alcohol dan jongeren die tolerantere regels en minder toezicht door ouders ervaren. Tevens is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat jongeren onderling voornamelijk invloed kunnen hebben door de normen die zij ten aanzien van alcoholgebruik hebben en de bijbehorende (al dan niet directe) groepsdruk die zij ervaren om zich hieraan te conformeren. Jongeren die denken dat het drinken van alcohol op hun leeftijd normaal is, door meer leeftijdsgenoten gedaan wordt, en door leeftijdsgenoten sterker wordt goedgekeurd, beginnen op jongere leeftijd met het drinken van alcohol dan jongeren die deze normen minder ervaren.
Daarnaast beginnen jongeren eerder met het drinken van alcohol wanneer zij groepsdruk ervaren om zich aan deze normen te conformeren, al lijkt dit met name bepaald te worden door het zelfbeeld van de jongere zelf. Jongeren die een negatiever zelfbeeld hebben, zijn gevoeliger voor de groepsdruk en conformeren zich hier sneller aan dan jongeren met een positiever zelfbeeld. Tenslotte, is uit dit onderzoek naar voren gekomen dat de (zichtbaarheid van de) handhaving van het alcoholbeleid een belangrijke invloed kan hebben op het alcoholgebruik van jongeren. Wanneer er onvoldoende handhaving is én dit niet voldoende zichtbaar is, blijft het voor (minderjarige) jongeren makkelijk om uitgaansgelegenheden binnen te komen en (hier) alcohol te verkrijgen. Jongeren die vaker uitgaan en makkelijker aan alcohol (denken te) kunnen komen, beginnen op jongere leeftijd met het drinken van alcohol dan jongeren die minder vaak uitgaan en moeilijker aan alcohol (denken te) kunnen komen.
Wanneer al deze factoren in één regressieanalyses meegenomen worden, is te zien dat met name de toezicht door ouders, sterkte van algemene normen van jongeren ten aanzien van alcoholgebruik, en de injunctieve normen belangrijk lijken te zijn in het uitstellen van het drinken van alcohol (zie Tabel 7). Voornamelijk wanneer jongeren minder actief toezicht door ouders ervaren, denken dat alcohol drinken op hun leeftijd normaal is en dit goedgekeurd 33
wordt door leeftijdsgenoten, beginnen jongeren op jongere leeftijd (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol.
Tabel 7. Invloed van onderzochte factoren op vroege startleeftijd van alcohol. β
p*
Regels over alcohol
- .009
.919
Toezicht door ouders
.158
.033
Algemene normen t.a.v. alcoholgebruik jongeren
- .455
.000
Descriptieve normen
- .127
.102
Injunctieve normen
- .289
.000
Groepsdruk
- .128
.204
Toegankelijkheid alcohol
.127
.171
Alcoholconsumptie tijdens uitgaan
- .120
.564
Factor
*
Invloed van factor op vroege startleeftijd is significant bij p ≤ .05.
Advies Op basis van dit onderzoek wordt geadviseerd om preventieve interventiestrategieën in te zetten die zich richten op jongeren die de leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt, aangezien de overgang van 13 naar 14 jaar een belangrijk kantelpunt blijkt te zijn in het alcoholgebruik. Daarnaast wordt universele preventie (preventie gericht op alle minderjarigen van die leeftijd in de gemeente Edam-Volendam) aanbevolen in plaats van selectieve preventie (preventie gericht op de (hoog)risicogroep onder deze jongeren). Op deze manier wordt beoogd het risico op (vroegtijdig) alcoholgebruik niet alleen in de (hoog)risicogroep maar in de gehele jongerenpopulatie te verlagen. Dit levert voordeel op voor een hoger percentage jongeren (Rose, 2001). Doordat een verandering teweeg wordt gebracht in de gehele populatie, zal het bovendien makkelijker zijn voor jongeren (en ouders) om hun gedrag te veranderen. Geadviseerd wordt om interventies in eerste instantie te richten op de meest
34
belangrijke en makkelijkst veranderbare factoren, om zodoende een sneeuwbaleffect te kunnen genereren. Gezien de belangrijke blijvende invloed van ouders wordt geadviseerd om bij ouders voornamelijk in te zetten op bewustwording van de heersende normen en groepsdruk die onder ouders bestaan. Wanneer ouders zich bewust(er) worden dat alcoholgebruik onder (minderjarige) jongeren niet normaal hoort te zijn en meer andere ouders hier net zo over denken, zullen zij eerder geneigd zijn hier samen tegen op treden, bijvoorbeeld door het stellen van striktere regels en houden van meer actief toezicht. Eventuele verdere interventiestrategieën zouden zich hier verder op kunnen gaan richten, zodra meer bewustwording bij ouders is ontstaan. Jongeren zelf zullen tevens bewust gemaakt moeten worden van de heersende normen en groepsdruk die onder hen bestaan. In eerste instantie zal dit gedaan kunnen worden door het bieden van goede alcoholvrije alternatieve activiteiten. Wanneer jongeren merken dat het (op jonge leeftijd) drinken van alcohol niet normaal hoort te zijn of per se noodzakelijk is om het leuk en gezellig te kunnen hebben, zullen deze normen zeer waarschijnlijk afnemen. Wanneer deze normen minder worden, zal ook de druk – zowel direct als indirect – om hieraan te conformeren minder sterk worden, waardoor het (vroegtijdige) alcoholgebruik zal afnemen.
Tenslotte wordt geadviseerd om de handhaving van het alcoholbeleid door gemeente, horeca, politie en overige betrokkenen strakker en meer zichtbaar te maken. Wanneer de handhaving voldoende aanwezig én zichtbaar is, zal onder zowel jongeren als ouders meer bewustwording kunnen ontstaan dat het drinken van alcohol door (minderjarige) jongeren niet normaal en toegestaan is. Een verhoogd bewustzijn dat alcohol voor jongeren niet makkelijk meer toegankelijk is, zal er waarschijnlijk toe leiden dat jongeren minder snel zullen proberen dit alsnog te verkrijgen, en hiermee het alcoholgebruik kunnen uitstellen. Tevens kan het ouders een extra houvast geven om strikte regels voor hun kinderen te stellen en zelf eveneens actiever toezicht te houden op het alcoholgebruik van hun kinderen. Wel is het hierbij belangrijk dat – voordat er strakkere handhaving plaatsvindt – er voor jongeren voldoende goede alcoholvrije alternatieve activiteiten voor handen zijn, om te voorkomen dat het probleem van alcoholgebruik in uitgaansgelegenheden zich alleen verplaatst naar andere situaties, zoals het zelf organiseren van gelegenheden waarbij (op jonge leeftijd) alcohol gedronken kan worden.
35
Referentielijst Andrews, J. A., Hampson, S. E., Barckley, M., Gerrard, M., & Gibbons, F. X. (2008). The effect of early cognitions on cigarette and alcohol use during adolescence. Psychology of Addictive Behaviors, 22(1), 96. doi:10.1037/0893-164X.22.1.96 Bahr, S. J., Hofmann, J. P., & Yang, X. (2005). Parental and peer influences on the risk of adolescent drug use. Journal of Primary Prevention, 26(6), 529-551. doi:10.1007/s10935-005-0014-8 Bank, B. J., Biddle, B. J., Anderson, D. S., Hauge, R., Keats, D. M., Mariin, N. N., & Valantira, S. (1985) Comparative research on the social determinants of adolescent drinking. Social Psychology Quarterly, 48, 164-177. Bartsch, L. A., King, K. A., Vidourek, R. A., & Merianos, A. L. (2017). Self-Esteem and Alcohol Use Among Youths. Journal of Child & Adolescent Substance Abuse, 26(5), 414-424. doi:10.1080/1067828X.2017.1322018 Baum-Baiker, C. (1985). The psychological benefits of moderate alcohol consumption: A review of the literature, Drug and Alcohol Dependence, 15, 305-322. doi:10.1016/0376-8716(85)90008-0 Borsari, B., & Carey, K. B. (2001). Peer influences on college drinking: A review of the research. Journal of Substance Abuse, 13(4), 391-424. doi:10.1016/S0899-3289(01)00098-0 Bronfenbrenner, U. (1986). Ecology of the family as a context for human development: Research perspectives. Developmental Psychology, 22, 723-742.
doi:10.1037/0012-1649.22.6.723 Bronfenbrenner, U. (1979). The ecology of human development: Experiments by nature and design. Cambridge: Harvard University Press. Caldwell, L. L., & Smith, E. A. (1995). Health behaviors of leisure alienated youth. Loisir et Société/Society and Leisure, 18(1), 143-156. doi:10.1080/07053436.1995.10715494 Elek, E., Miller-Day, M., & Hecht, M. L. (2006). Influences of personal, injunctive, and descriptive norms on early adolescent substance use. Journal of Drug Issues, 36(1), 147-172. doi:10.1177/002204260603600107 Erikson, E. H. (1968). Identity: Youth and crisis. New York: W. W. Norton. Festinger, L. (1954). A theory of social comparison processes. Human Relations, 7, 117-140. doi:10.1177/001872675400700202
36
Gerich, J. (2013). The inhibiting function of self-control and social control on alcohol consumption. Journal of Drug Issues, 44(2), 120-131. doi:10.1177/0022042613491110 Gordon, W. R., & Caltabiano, M. L. (1996). Urban-rural differences in adolescent selfesteem, leisure boredom, and sensation-seeking as predictors of leisure-time usage and satisfaction. Adolescence, 31, 883-901 Griffin, K. W., Botvin, G. J., Scheier, L. M., Diaz, T., & Miller, N. L. (2000). Parenting practices as predictors of substance use, delinquency, and aggression among urban minority youth: Moderating effects of family structure and gender. Psychology of Addictive Behaviors, 14(2), 174-184. doi:10.1037/0893-164X.14.2.174 Hawkins, J. D., Graham, J. W., Maguin, E., Abbott, R., Hill, K. G., & Catalano, R. F. (1997). Exploring the effects of age of alcohol use initiation and psychosocial risk factors on subsequent alcohol misuse. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 58(3), 280-290. doi:10.15288/jsa.1997.58.280 Hirschi, T. (1969). Causes of delinquency. Berkeley: University of California Press. Iwamoto, D. K., & Smiler, A. P. (2013). Alcohol makes you macho and helps you make friends: The role of masculine norms and peer pressure in adolescent boys’ and girls’ alcohol use. Substance Use & Misuse, 48(5), 371-378. doi:10.3109/10826084.2013.765479 Koning, I. M., Engels, R. C. M. E., Verdurmen, J. E.
E., & Vollebergh, W. A. M. (2010). Alcohol-specific socialization practices and alcohol use in Dutch early adolescents. Journal of Adolescence, 33, 93-100. doi:10.1016/j.adolescence.2009.05.003 LaBrie, J. W., Hummer, J. F., Lac, A., Ehret, P. J., & Kenney, S. R. (2011). Parents know best, but are they accurate? Parental normative misperceptions and their relationship to students' alcohol-related outcomes. Journal of Studies on Alcohol and Drugs, 72(4), 521-529. doi:10.15288/jsad.2011.72.521 Linkenbach, J. W., Perkins, H. W., & DeJong, W. (2003). Parents' perceptions of parenting norms: Using the social norms approach to reinforce effective parenting. In H. W. Perkins (Ed.), The social norms approach to preventing school and college age substance abuse: A handbook for educators, counselors, and clinicians (pp. 247-258). San Francisco: Jossey-Bass. Morgan, M., & Grube, J. W. (1991). Closeness and peer group influences. British Journal of Social Psychology, 30(2), 159-169. doi:10.1111/j.2044-8309.1991.tb00933.x
37
Mrug, S., & McCay, R. (2013). Parental and peer disapproval of alcohol use and its relationship to adolescent drinking: Age, gender, and racial differences. Psychology of Addictive Behaviors, 27(3), 604. doi:10.1037/a0031064 Patterson, I., & Pegg, S. (1999). Nothing to do: the relationship between 'leisure boredom' and alcohol and drug addiction: is there a link to youth suicide in rural Australia? Youth Studies Australia, 18(2), 24. Petraitis, J., Flay, B. R., & Miller, T. Q. (1995). Reviewing theories of adolescent substance use: organizing pieces in the puzzle. Psychological Bullitin, 117, 67-86. doi: 10.1037/0033-2909.117.1.67 Rancourt, A. M. (1991). Leisure and ethics: Ramifications for the individual and society. In G. Fain (Ed.), Leisure and ethics: Reflections on the philosophy of leisure, (pp. 230 236). USA: American Association for Leisure and Recreation. Rose, G. (2001). Sick individuals and sick populations. International Journal of Epidemiology, 30(3), 427-432. Ryan, S. M., Jorm, A. F., & Lubman, D. I. (2010). Parenting factors associated with reduces adolescent alcohol use: a systematic review of longitudinal studies. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry, 44, 774-783. doi:10.1080/00048674.2010.501759 Santor, D. A., Messervey, D., & Kusumakar, V. (2000).
Measuring peer pressure, popularity, and conformity in adolescent boys and girls: Predicting school performance, sexual attitudes, and substance abuse. Journal of Youth and Adolescence, 29(2), 163-182. doi:10.1023/A:1005152515264 Wills, T. A., & Stoolmiller, M. (2002). The role of self-control in early escalation of substance use: A time-varying analysis. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 70(4), 986-997. doi:10.1037/0022-006X.70.4.986 Zimmerman, B. J. (1996). Enhancing student academic and health functioning: A selfregulatory perspective. School Psychology Quarterly, 11(1), 47-66. doi:10.1037/h0088920
38