CConstaterende datEdam-Volendam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Onderzoeksrapport Universiteit Utrecht programma LEF

Themabijeenkomst 9 januari 2025, gemeente Edam-VolendamBij agendapunt: LEF en JOGG12.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Programma LEF: het uitstellen van het beginnen met drinken onder minderjarige jongeren in Edam-Volendam

Rapportage probleemdefinitie

Universiteit Utrecht Algemene Sociale Wetenschappen Jeugdstudies Dr. Ina Koning Vincent van der Rijst, MSc.

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................ 1 Samenvatting........................................................................................................................................... 3 Programma LEF........................................................................................................................................ 5 Rapportage probleemdefinitie ............................................................................................................ 5 Steekproef ............................................................................................................................................... 5 Kwalitatief............................................................................................................................................ 5 Kwantitatief ......................................................................................................................................... 6 Verdeling van de steekproef ........................................................................................................... 6 Probleem .................................................................................................................................................

7 Alcoholconsumptie door adolescenten in Edam-Volendam ............................................................... 7 Vroege startleeftijd drinken van alcohol in Edam-Volendam ............................................................. 7 Verklaringsmodel .................................................................................................................................... 9 Sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner................................................................................. 9 Paden van beïnvloeding .................................................................................................................... 11 Factoren................................................................................................................................................. 12 Maatschappelijke norm en acceptatie ten aanzien van alcoholgebruik ........................................... 12 Pad 1: Invloed van ouders op alcoholgebruik van jongeren ............................................................. 12 Pad 1a: Normen en tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren ............... 13 Waargenomen sociale norm door ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren ........... 13 Tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren ..........................................

14 Pad 1b: Sociale activiteiten en toezicht van ouders .......................................................................... 15 Sociale activiteiten van ouders...................................................................................................... 15 Toezicht van ouders ...................................................................................................................... 15 Conclusie ....................................................................................................................................... 16 Pad 1: Mediatie via zelfcontrole van jongeren? ................................................................................ 16 Zelfcontrole ................................................................................................................................... 17 Invloed van ouderlijke factoren via zelfcontrole ........................................................................... 17 Pad 2: Invloed van jongeren op eigen en elkaars alcoholgebruik ..................................................... 18 Alternatieve activiteiten ................................................................................................................ 18 Normen en groepsdruk onder jongeren .......................................................................................

20 Normen van jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren .......................................... 20 Groepsdruk en drinken om erbij te horen .................................................................................... 24 1

Conclusie ....................................................................................................................................... 25 Pad 2 – Moderatie via zelfbeeld van jongeren? ................................................................................ 26 Zelfbeeld ........................................................................................................................................ 27 Invloed van leeftijdsgenoten versterkt door zelfbeeld ................................................................. 27 Pad 3: Handhaving............................................................................................................................. 28 Toegankelijkheid alcohol (niet-thuis) ............................................................................................ 28 Zichtbaarheid handhaving ............................................................................................................. 30 Conclusie ....................................................................................................................................... 32 Conclusie ...............................................................................................................................................

32 Advies .................................................................................................................................................... 34 Referentielijst ........................................................................................................................................ 36

2

Samenvatting Programma LEF is een samenwerking tussen de gemeente Edam-Volendam en de Universiteit Utrecht, waarbij binnen de gemeente onderzoek gedaan wordt naar het (vroegtijdige) alcoholgebruik van jongeren. Daarnaast wordt bekeken welke factoren dit (kunnen) beïnvloeden en wat mogelijk effectieve strategieën zijn om het beginnen met drinken onder (minderjarige) jongeren uit te stellen. Om hier meer inzicht in te krijgen zijn 39 betrokkenen binnen de gemeente geïnterviewd en hebben 1.146 jongeren (12 t/m 18 jaar oud) uit de gemeente op school een digitale vragenlijst ingevuld. Wanneer gekeken wordt naar het alcoholgebruik van jongeren in de gemeente EdamVolendam, valt op dat dit veel en al op jonge leeftijd gebeurt. Ruim de helft van de jongeren geeft aan wel eens alcohol te hebben gedronken, en de jongeren die iedere week alcohol drinken, drinken gemiddeld 7,5 glazen alcohol per week. Dit is extra opvallend, aangezien vrijwel heel de ondervraagde groep jonger dan 18 jaar oud is. Dat het drinken van alcohol al op jonge leeftijd begint, komt ook uit de cijfers naar voren: 62,3% van de 14-jarigen geeft aan wel eens alcohol te hebben gedronken. Als gekeken wordt naar de factoren die het alcoholgebruik van jongeren (kunnen) beïnvloeden, komen drie belangrijke pijlers naar voren, namelijk: 1) ouders, 2) jongeren, en 3) handhaving van het alcoholbeleid binnen de gemeente.

Ouders kunnen voornamelijk invloed hebben door de normen die zij hebben rondom alcoholgebruik door jongeren, het stellen van strikte regels en houden van actief toezicht. Jongeren die striktere regels en meer actief toezicht ervaren, drinken minder (vaak) alcohol en beginnen hier pas op latere leeftijd of helemaal niet mee. Jongeren onderling kunnen invloed hebben door de normen die zij ten aanzien van alcoholgebruik hebben. Wanneer jongeren denken dat alcoholgebruik op hun leeftijd normaal is, drinken zij vaker en meer alcohol, en beginnen zij hier op jongere leeftijd mee. Tenslotte, kunnen de gemeente en overige betrokkenen invloed hebben via de zichtbaarheid van de handhaving van het alcoholbeleid. Wanneer er onvoldoende handhaving is én dit niet voldoende zichtbaar is, blijft het voor (minderjarige) jongeren makkelijk om alcohol te verkrijgen. Jongeren die makkelijker aan alcohol (denken te) kunnen komen, drinken vaker en meer alcohol, en beginnen hier op jongere leeftijd mee. Voor verdere interventies wordt universele preventie aanbevolen waarbij niet alleen gefocust wordt op jongeren met een verhoogd risico op (vroegtijdig) alcoholgebruik, maar op de gehele jongerenpopulatie in de gemeente Edam-Volendam. Hiermee wordt beoogd niet

3

alleen de risicogroep te verkleinen, maar het risico onder alle jongeren te verminderen. Geadviseerd wordt om zowel ouders als jongeren zich bewuster te maken van de heersende normen dat het drinken van alcohol al op jonge leeftijd normaal is. Wanneer ouders zich bewust(er) worden dat alcoholgebruik onder (minderjarige) jongeren niet normaal is en dat andere ouders hier net zo over denken, zullen zij eerder geneigd zijn hier tegen op te treden, bijvoorbeeld door het stellen van striktere regels en houden van actief toezicht. Wanneer jongeren merken dat het (op jonge leeftijd) drinken van alcohol niet normaal of noodzakelijk is om het gezellig te hebben, door het aanbieden van alternatieve activiteiten, zullen deze normen veranderen en hiermee het (vroegtijdige) alcoholgebruik minder worden. Tenslotte wordt geadviseerd om de handhaving van het alcoholbeleid door gemeente en overige betrokken strakker en meer zichtbaar te maken. Jongeren zullen dan minder snel (op jonge leeftijd) aan alcohol proberen te komen, waardoor het (vroegtijdige) alcoholgebruik onder jongeren minder wordt.

4

Programma LEF Programma LEF is een samenwerking tussen de gemeente Edam-Volendam en de Universiteit Utrecht, waarbij laatstgenoemde binnen de gemeente onderzoek doet naar het (vroegtijdige) alcoholgebruik van jongeren, factoren die dit (kunnen) beïnvloeden en mogelijke effectieve strategieën om het beginnen met drinken onder (minderjarige) jongeren uit te stellen.

Het programma bestaat uit vier fasen: 1. Vergroten inzicht in alcoholgebruik onder jongeren in Edam-Volendam 2. Verbinding met bestaande (inter)nationale kennis 3. Implementeren preventie-activiteiten 4. Monitoren alcoholgebruik en mechanismen

Rapportage probleemdefinitie Het huidige rapport is een probleemdefinitie, waarin de resultaten uit fase 1 en 2 van het onderzoeksprogramma weergegeven worden. In dit rapport wordt weergegeven wat de huidige stand van zaken is met betrekking tot het (vroegtijdige) alcoholgebruik van jongeren in de gemeente Edam-Volendam en welke risico- en protectieve factoren hierin belangrijk (kunnen) zijn. Vervolgens wordt een verbinding gemaakt met bestaande (inter)nationale wetenschappelijke kennis over de veranderbare risico- en protectieve factoren, wat tenslotte tot een eerste advies voor de ontwikkeling van preventie-activiteiten leidt.

Steekproef Kwalitatief Voor het kwalitatieve onderzoeksdeel is gebruik gemaakt van een selecte steekproef. Via de gemeente Edam-Volendam en Ina Koning, programmaleider vanuit de Universiteit Utrecht, zijn verschillende betrokkenen binnen de gemeente bereid gevonden geïnterviewd te worden om meer inzicht te kunnen krijgen in factoren die een rol spelen bij het (vroegtijdige) alcoholgebruik van jongeren in de gemeente Edam-Volendam. In totaal hebben er vijftien gespreken plaatsgevonden, waarbij 39 betrokkenen, waaronder jongeren, ouders, beleidsmakers, raadsleden, horecamedewerkers en (jeugd)professionals, geïnterviewd zijn.

5

Kwantitatief Voor het kwantitatieve onderzoeksdeel van programma LEF is eveneens gebruik gemaakt van een selecte steekproef. Via de gemeente Edam-Volendam zijn de middelbare scholen ‘Don Bosco College’ en ‘De Triade’ bereid gevonden om te participeren, en via de gemeente Enkhuizen is de ‘Regionale Scholengemeenschap Enkhuizen’ [RSG] bereid gevonden om als controleschool deel te nemen. Van al deze scholen hebben alle leerlingen van alle opleidingsniveaus en leerjaren in de oorspronkelijke steekproef gezet, met uitzonderingen van de leerlingen die in de onderzoeksperiode landelijke examens aflegden (4e klas VMBO, 5e klas HAVO en 6e klas VWO). Aangezien dit rapport een beschrijving biedt van de huidige stand van zaken in de gemeente Edam-Volendam, zullen in de analyses van dit rapport alleen de leerlingen uit deze gemeente meegenomen worden, wat betekent dat de leerlingen van het RSG uit de definitieve steekproef gefilterd zijn.

Verdeling van de steekproef De steekproef bestond in totaal uit 1.146 jongeren uit de gemeente Edam-Volendam (zie Tabel 1), in de leeftijd van 12 t/m 18 jaar (gemiddelde leeftijd: 14,76 jaar). Ongeveer evenveel jongens (46,3%) als meisjes (53,7%) hebben aan het onderzoek meegedaan. Het schoolniveau van de steekproef was eveneens relatief evenredig verdeeld: ongeveer de helft van de steekproef (45%) volgde onderwijs op VMBO-niveau, de andere helft volgde onderwijs op HAVO- of VWO-niveau. Tabel 1. Beschrijving van de steekproef, naar demografische gegevens. N

%

1.146

--

Jongen

531

46,3

Meisje

615

53,7

VMBO-basis/kader

205

17,9

VMBO-theoretisch/gemengd

311

27,1

HAVO

458

40,0

VWO

172

15,0

Totaal Sekse

Schoolniveau1

1

Bij combinatieniveaus (bijvoorbeeld HAVO/VWO) is het laagste schoolniveau gekozen. 6

Probleem Vanuit de gemeente Edam-Volendam zijn twee problemen naar voren gekomen die zij graag onderzocht en aangepakt zouden zien worden in het programma LEF. Gemeente EdamVolendam zou in programma LEF graag willen ingaan op de grote hoeveelheid alcohol die jongeren in Edam-Volendam drinken en ook de vroege startleeftijd waarop de jongeren beginnen met drinken. Wat het probleem is volgens verschillende betrokkenen, alsook wat uit vragenlijstonderzoek ingevuld door jongeren naar voren komt, wordt hierna besproken.

Alcoholconsumptie door adolescenten in Edam-Volendam Veel geïnterviewden geven aan dat het (algemene) alcoholgebruik in de gemeente EdamVolendam en de (maatschappelijke) acceptatie hiervan als probleem kan worden beschouwd. Enkele geïnterviewden stellen bijvoorbeeld “… in onze maatschappij is het drinken van alcohol gewoon geaccepteerd. En ik vind dat een kwalijke zaak, maar het is wel zo.” en “Het zit zo ingeburgerd.”. Ze geven aan dat met deze algemene maatschappelijke acceptatie, het ook voor jongeren normaal en geaccepteerd is om alcohol te drinken.

Wanneer gekeken wordt naar het alcoholgebruik door adolescenten in Edam-Volendam, valt inderdaad op dat meer dan de helft van de jongeren (54%) aangeeft wel eens alcohol gedronken te hebben, en dat 40% van de jongeren aangeeft zelfs in de afgelopen maand nog alcohol gedronken te hebben. Dit is extra opvallend, aangezien de ondervraagde groep bijna volledig (99,5%) bestaat uit jongeren die jonger dan 18 jaar oud zijn, wat wettelijk gezien de minimumleeftijd is om alcohol te mogen kopen en drinken. Als gekeken wordt naar de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken, komt naar voren dat jongeren die aangeven iedere week alcohol te drinken, gemiddeld ruim 7,5 glazen alcohol per week drinken.

Vroege startleeftijd drinken van alcohol in Edam-Volendam Een zeer groot deel van de geïnterviewden geeft aan dat het grootse probleem voornamelijk is dat jongeren al op zeer jonge leeftijd beginnen met drinken. Vanaf 13 à 14 jaar lijkt alcohol er al bij te horen op een feestje of ‘zitje’, waarbij merendeel van de geïnterviewden aangeeft dat zelfs 12-jarigen in sommige gevallen al alcohol (mogen) drinken. Een raadslid zegt bijvoorbeeld “Het alcoholgebruik van jongeren begint al op 13- of 14-jarige leeftijd, en in sommige gevallen zelfs al bij 12-jarigen. Op 15- en 16-jarige leeftijd kan het dan ‘echt

7

helemaal losgaan.’”. Een beleidsmedewerker geeft aan dat zelfs nog jongere kinderen al wel eens alcohol drinken: “Dan wordt op de basisschool in groep 7 gevraagd ‘hoe waarschijnlijk is het dat je op de kermis bier gaat drinken?’. De helft van de kinderen stak zijn vinger op.”.

Wanneer gekeken wordt naar de leeftijd waarop jongeren in Edam-Volendam voor het eerst alcohol drinken, valt inderdaad op dat dit al op jonge leeftijd begint. Bijna alle jongeren (94%) die aangeven in hun hele leven minstens één glas alcohol te hebben gedronken, hebben dit al vóór hun 16e jaar (de oude wettelijke leeftijdsgrens om alcohol te mogen kopen en drinken) gedaan. Het grootste deel (37%) hiervan heeft op zijn of haar 14e jaar voor het eerst alcohol gedronken. Een groot deel van de jongeren was zelfs nog jonger toen zij hun eerste glas alcohol dronken; één op de drie jongeren die ooit alcohol heeft gedronken, heeft dit namelijk al vóór zijn of haar 14e jaar gedaan. Voor de leeftijd waarop jongeren beginnen met het wekelijks drinken van alcohol, geeft van alle ondervraagde jongeren een kwart aan al vóór zijn of haar 16e jaar te zijn begonnen met het wekelijks drinken van alcohol.

Als het alcoholgebruik onder jongeren in Edam-Volendam verder uitgesplitst wordt naar leeftijd, is (logischerwijs) te zien dat naarmate respondenten ouder zijn, zij vaker aangeven zowel in hun hele leven als de afgelopen maand alcohol te hebben gedronken, en wekelijks alcohol te drinken (zie Tabel 2). Bij deze verdeling naar leeftijd lijken er twee belangrijke kantelpunten in het alcoholgebruik te zijn, namelijk van 13 naar 14 jaar, en van 15 naar 16 jaar. Waar onder 13-jarigen ongeveer een kwart wel eens alcohol gedronken heeft, is dit onder 14-jarigen al bijna twee-derde (62,3%). Hetzelfde patroon is zichtbaar voor het wekelijks drinken: ongeveer 35% van de 14-jarigen geeft aan wekelijks alcohol te drinken, tegenover 6,6% van de 13-jarigen. Van dertien naar veertien jaar blijkt er dus een belangrijke overgang te zijn als gekeken wordt naar het alcoholgebruik. Deze toename is tevens terug te zien bij de zestienjarigen. Waar onder 15-jarigen twee-derde (66,8%) wel eens alcohol gedronken heeft, geldt dit al voor ruim vier op de vijf 16-jarigen (82,3%). Hetzelfde patroon is zichtbaar voor het wekelijks drinken: ongeveer de helft van de 15-jarigen (51,3%) geeft aan wekelijks alcohol te drinken, tegenover al bijna driekwart (72,8%) van de 16-jarigen.

Voor de hoeveelheid alcohol is te zien dat wanneer jongeren al op zeer jonge leeftijd wekelijks alcohol drinken, zij ook direct veel drinken; 13- en 14-jarigen die aangeven wekelijks alcohol te drinken, drinken gemiddeld al 5 respectievelijk 6 glazen alcohol per week. 8

Correlatieanalyses laten tevens significante positieve relaties zien tussen leeftijd en de prevalentie van het alcoholgebruik (hele leven, r = .46; maandelijks, r = .54; wekelijks, r = .58) en de hoeveelheid alcohol per week (glazen per week, r = .52). Dit betekent dat naarmate jongeren ouder worden, zij zowel vaker als meer alcohol gaan drinken.

Alcohol,

Alcohol,

Alcohol,

maandelijks

wekelijks

ooit (ja; %)

(ja; %)

(ja; %)

12 jaar (N = 97)

9,3

0,0

0,0

13 jaar (N = 289)

28,0

9,7

6,6

14 jaar (N = 276)

62,3

42,8

34,8

15 jaar (N = 265)

66,8

55,1

51,3

16 jaar (N = 147)

82,3

76,2

72,8

≥ 17 jaar (N = 72)

86,1

83,3

83,3

Leeftijd

Verklaringsmodel Om te kijken welke factoren invloed hebben op zowel het algemene alcoholgebruik van jongeren in Edam-Volendam, als de vroege leeftijd waarop jongeren starten met het drinken van alcohol, is een verklaringsmodel opgesteld. Binnen dit verklaringsmodel wordt gebruik gemaakt van het sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner (1979), dat eerst verder toegelicht zal worden.

Sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner Het sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner (zie Figuur 1) bestaat uit vier niveaus: microsysteem, mesosysteem, exosysteem en macrosysteem. Het model gaat ervan uit dat individueel gedrag en ontwikkeling door verschillende factoren op deze niveaus beïnvloed worden, en dat binnen én tussen deze niveaus factoren elkaar ook (kunnen) beïnvloeden.

9

Figuur 1. Sociaal-ecologische model van Bronfenbrenner.

Het microsysteem is de directe omgeving waarmee de individuele jongere rechtstreeks in contact staat, zoals familie, peers (vrienden, leeftijdsgenoten) en school. Dit is dan ook het meest directe (proximale) niveau van beïnvloeding. Er bestaan verschillende relaties tussen de diverse microsystemen van een jongere die elkaar (kunnen) beïnvloeden; dit gebeurt op het mesoniveau. Het exosysteem is de link tussen de directe omgeving van de jongere en een sociale setting waarin de jongere zelf geen rol speelt. De (omgeving van de) jongere wordt wel beïnvloed door de factoren uit het exosysteem, maar de jongere zelf kan hier (weinig tot) geen invloed op uitoefenen. Het macrosysteem, tenslotte, is de cultuur waarbinnen de jongere leeft en zich ontwikkelt. Deze cultuur wordt sterk bepaald door veelal externe factoren zoals de economie, maatschappelijke normen en waarden, en de politiek, waar jongeren zelf (weinig tot) geen invloed op hebben. Dit is dan ook de minst directe (distale) niveau van beïnvloeding (Bronfenbrenner, 1979).

10

Paden van beïnvloeding In het verklaringsmodel (zie Figuur 2) zijn drie verschillende paden van beïnvloeding te onderscheiden. Pad 1 [blauw] richt zich op de invloed van ouders, waarbij nog twee zijpaden onderscheiden worden. Binnen pad 1a [donkerblauw] wordt gefocust op de invloed van de tolerantie (stellen van regels) van ouders ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren, terwijl binnen pad 1b [lichtblauw] gefocust wordt op de invloed van het toezicht (monitoring) door ouders. Pad 2 [paars] richt zich op de jongeren zelf. Het gaat hierbij om de invloed die zij zelf hebben op zowel hun eigen als elkaars alcoholgebruik, bijvoorbeeld via normen, groepsdruk en individuele factoren. Pad 3 richt zich op de handhaving van het alcoholbeleid door de gemeente, horeca, politie en andere betrokkenen. De factoren binnen dit derde pad zullen een minder directe link naar het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren hebben, maar zullen wel invloed (kunnen) hebben op meer proximale factoren zoals de regels die ouders stellen en normen die jongeren ontwikkelen.

Figuur 2. Verklaringsmodel probleemdefinitie programma LEF.

11

Factoren De paden van beïnvloeding vanuit het verklaringsmodel bestaan allen uit diverse factoren die op de verschillende niveaus van het sociaal-ecologische model het alcoholgebruik van jongeren (kunnen) beïnvloeden. Per pad zullen deze factoren besproken worden, waarbij van distale naar proximale beïnvloeding gewerkt zal worden.

Maatschappelijke norm en acceptatie ten aanzien van alcoholgebruik Vanuit de interviews lijken met name de maatschappelijke norm en acceptatie ten aanzien van alcoholgebruik belangrijke factoren die – al dan niet indirect – het alcoholgebruik van jongeren beïnvloeden. Zoals in de probleemstelling al aangegeven, geven veel geïnterviewden aan dat het door deze sterke maatschappelijke normen en acceptatie ook voor jongeren normaal en geaccepteerd is om (al op jonge leeftijd) alcohol te drinken.

De invloed van maatschappelijke normen en acceptatie ten aanzien van (algemeen) alcoholgebruik zijn met vragenlijstonderzoek onder jongeren zelf echter lastig te onderzoeken. Hiervoor zullen meerdere mensen van verschillende leeftijden en achtergronden uit de gehele maatschappij ondervraagd moeten worden. Ondanks dat deze maatschappelijke normen en acceptatie binnen de huidige studie niet onderzocht konden worden, is het aannemelijk dat deze veel genoemde factoren een grote invloed kunnen hebben op belangrijke, meer proximale factoren, zoals normen van ouders en jongeren zelf ten aanzien van alcoholgebruik. De invloed van deze normen op het (vroegtijdige) alcoholgebruik van jongeren zullen later in het rapport binnen de verschillende paden van beïnvloeding verder onderzocht worden.

Pad 1: Invloed van ouders op alcoholgebruik van jongeren Volgens socialisatietheorieën (o.a. Bronfenbrenner, 1986) spelen ouders de belangrijkste rol bij de ontwikkeling van hun kinderen. Vaak wordt gesteld dat de invloed van ouders tijdens de adolescentie afneemt, maar ouders blijven ook gedurende deze levensfase een belangrijke rol bij de ontwikkeling van hun kinderen hebben; zo ook op het alcoholgebruik (Ryan, Jorm & Lubman, 2010; Koning, Engels, Verdurmen & Vollebergh, 2010). Pad 1 richt zich op de invloed die ouders hebben op het alcoholgebruik van jongeren.

12

Pad 1a: Normen en tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren Wanneer de invloed van ouders op het (vroegtijdig) alcoholgebruik van jongeren in de interviews ter sprake komt, blijken weer de maatschappelijke normen ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren een belangrijke rol te spelen. Onder ouders gaat het dan met name om de waargenomen sociale norm dat alcohol drinken er (al op jonge leeftijd) bij hoort. Opvallend hierbij is dat wanneer er verder doorgevraagd wordt naar de werking van deze sociale norm, veel geïnterviewden aangeven dat er sprake is van een interessant en (nog) niet zo bekend fenomeen: groepsdruk onder ouders. Ouders lijken bang te zijn dat hun kind ‘er niet meer bij hoort’ of zelfs ‘uit de groep gezet’ wordt wanneer zij geen alcohol drinken. Een ouder zelf zegt bijvoorbeeld: “Maar waarom laten ouders dat [alcoholgebruik] nou toe? Omdat als ze dat niet doen, dan hoort de jeugd er niet meer bij. Stel dat je vriendinnen hebt die drinken, dan heb ik het over 13-, 14-jarigen, en een paar vriendinnen doen dat dan niet, die tellen dan gewoon niet meer mee en die worden dan uit de groep gezet, punt.”. Niet alleen ouders zelf zien deze groepsdruk onder ouders als factor, ook andere betrokken geven dit veelvuldig aan: “En dan zeggen ouders van, ‘ja, hij moet erbij horen.

Ik wil niet dat mijn kind een buitenstaander is, daarom vind ik het goed dat hij drinkt’.”.

Waargenomen sociale norm door ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren Net als bij de maatschappelijke normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren, zijn sociale normen en groepsdruk onder ouders lastig te onderzoeken middels vragenlijstonderzoek onder jongeren. Hiervoor is onderzoek onder ouders zelf nodig. De wetenschappelijke literatuur biedt overigens sterke aanwijzingen dat waargenomen sociale normen en bijbehorende groepsdruk invloed hebben op het alcoholgebruik van jongeren. De sociale vergelijkingstheorie stelt dat mensen zichzelf evalueren door zich te vergelijken met anderen (Festinger, 1954), wat impliceert dat ouders aan de hand van wat andere ouders zeggen en doen, beoordelen in hoeverre hun eigen opvoeding adequaat is (Linkenbach, Perkins & DeJong, 2003). Hierdoor kunnen ouders druk ervaren om zich te conformeren aan de waargenomen sociale normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren. Wanneer ouders denken dat andere ouders het drinken van alcohol goedkeuren, zullen zij hierdoor hun eigen houding ten opzichte van het alcoholgebruik van hun kind laten beïnvloeden, wat leidt tot meer alcoholgebruik van hun kind (LaBrie, Hummer, Lac, Ehret & Kennet, 2011; Mrug & McCay, 2013).

13

Tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren Veel geïnterviewden geven aan dat ouders – mede door de geldende normen en groepsdruk onder ouders – zeer tolerant zijn ten opzichte van het alcoholgebruik van hun kind. Zo stelt een groot deel van de geïnterviewden dat “drinken zullen ze toch wel doen, zolang de ouders het gewoon goed vinden”. Een horecamedewerker vertelt zelfs wel eens mee te maken dat ouders boos bij hem aan de deur staan, omdat hun minderjarige kind geen alcohol kreeg: “dan zeggen die ouders woest ‘hoezo krijgt ze geen alcohol, want van mij mag ze het wel?!’”. Ouders lijken niet alleen zeer tolerant te zijn, maar hun kinderen zelfs ‘klaar te stomen’ om alcohol te (leren) drinken; zo wordt door een geïnterviewde bijvoorbeeld gesteld dat onder veel ouders een soort motto heerst van: “ik heb je leren lopen, ik heb je leren praten en ik zal je leren drinken”.

Voor het bekijken van de invloed van tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren, zal gekeken worden naar de regels die ouders met betrekking tot alcohol stellen. Wanneer gekeken wordt naar de regels die ouders stellen, is te zien dat ouders in het algemeen relatief strikte regels stellen (M = 3,88 op een 5-puntsschaal). De striktheid van regels hangt sterk samen met de leeftijd van de jongeren; naarmate jongeren ouder zijn, stellen ouders minder strikte regels en zijn zij dus toleranter ten aanzien van alcoholgebruik (r = - .63). Als gekeken wordt naar de invloed van regels op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat het stellen van strikte regels een beschermende factor kan zijn. Jongeren die aangeven striktere regels te ervaren, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = - .61), als in de afgelopen maand (r = - .67) en week (r = - .72) geen alcohol gedronken te hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen het stellen van regels en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren strikte regels ervaren, drinken zij minder alcohol dan jongeren die tolerantere regels ervaren (r = - .66). Tenslotte, lijkt het stellen van strikte regels belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol.

Jongeren die tolerantere regels ervaren beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die strikte regels ervaren (r = .44). Geconcludeerd kan worden dat jongeren waarvan de ouders toleranter zijn ten aanzien van het alcoholgebruik, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

14

Pad 1b: Sociale activiteiten en toezicht van ouders Veel geïnterviewden geven aan dat ouders – mede door de hoge tolerantie ten aanzien van alcoholgebruik – weinig toezicht houden op het alcoholgebruik van hun kinderen. Er wordt voornamelijk aangegeven dat ouders vaak niet aanwezig zijn tijdens ‘zitjes’ [gelegenheden waarbij jongeren bij iemand thuis afspreken en doorgaans (veel) alcohol gedronken wordt]: “Ouders vinden het belangrijk dat jongeren zitjes organiseren. Ze verlaten dan zelf het huis, waardoor er geen toezicht is op het alcoholgebruik.”. Ouders zijn zelf vaak weg naar eigen sociale activiteiten, zoals een verjaardag of de kroeg, waardoor zitjes regelmatig uit de hand lopen; zo geeft een ouder aan: “ouders faciliteren dat er zitjes zijn, dan gaan ze zelf uiteten of naar een feestje, en dan zijn er op die zitjes kinderen van 13 echt waar bezopen”.

Sociale activiteiten van ouders Veel ouders hebben eigen sociale activiteiten, waardoor zij minder toezicht (kunnen) houden op het gedrag en alcoholgebruik van hun kinderen. De invloed van deze sociale activiteiten is met vragenlijstonderzoek onder jongeren echter lastig te onderzoeken. Hiervoor zal onder ouders zelf ondervraagd moeten worden hoe hun sociale tijdsbesteding is, bijvoorbeeld hoe vaak zij in de avonden van huis zijn en in hoeverre zij het toestaan dat hun kinderen dan een zitje organiseren en (hierbij) alcohol drinken.

Toezicht van ouders Voor het bekijken van de invloed van toezicht door ouders, zal gekeken worden naar de mate waarop ouders hun kind actief monitoren. Dit houdt onder andere in dat ouders actief navragen waar hun kind heengaat, met wie ze dan zijn en of ze toestemming nodig hebben om ergens heen te gaan. Wanneer gekeken wordt naar het toezicht dat ouders op hun kinderen houden, is te zien dat ouders dit in het algemeen matig doen (M = 2,98 op een 5-puntsschaal). Het toezicht door ouders hangt significant, maar zeer zwak samen met de leeftijd van jongeren (r = - .09); dit lijkt te impliceren dat er al op jonge leeftijd matige toezicht door ouders is. Als gekeken wordt naar de invloed van het toezicht door ouders op het alcoholgebruik van jongeren, komt naar voren dat het houden van toezicht door ouders een beschermende factor kan zijn. Jongeren die aangeven dat hun ouders actiever toezicht houden, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = - .11), als in de afgelopen maand en week (beiden r = - .16) geen alcohol gedronken te hebben. Tevens is een significant verband te zien tussen het houden van toezicht en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren 15

actiever toezicht ervaren, drinken zij minder alcohol dan jongeren die weinig toezicht ervaren (r = - .14). Tenslotte, lijkt het actief toezicht houden belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Jongeren die minder actief toezicht door ouders ervaren beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die actiever toezicht ervaren (r = .13). Geconcludeerd kan worden dat jongeren waarvan de ouders minder actief toezicht houden, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ouders een belangrijke rol spelen in het alcoholgebruik van jongeren. Jongeren die tolerantere regels en minder toezicht ervaren, beginnen op jongere leeftijd met het drinken van alcohol, en drinken eveneens vaker en meer alcohol, dan jongeren die striktere regels en meer ouderlijk toezicht ervaren. Deze bevindingen komen overeen met bevindingen uit eerder wetenschappelijk onderzoek. Een systematische literatuurreview laat zien dat merendeel van de onderzochte studies gevonden hebben dat jongeren wiens ouders alcoholgebruik tolereren, op een jongere leeftijd beginnen en meer alcohol drinken (Ryan, Jorm & Lubman, 2010). Een mogelijke verklaring is dat ouders die toleranter zijn, tevens minder toezicht op hun kinderen houden. Volgens de sociale controletheorie van Hirschi (1969) zijn jongeren van nature geneigd risicogedrag te vertonen, maar kan sociale controle, zoals het actief toezicht houden, helpen om jongeren hiervan te weerhouden. Wanneer sprake is van weinig toezicht, voelen jongeren niet de noodzaak om gewenst gedrag te vertonen, waardoor zij bijvoorbeeld eerder met alcohol gaan experimenteren (LaBrie, et al., 2011; Bahr, Hoffmann & Yang, 2005).

Pad 1: Mediatie via zelfcontrole van jongeren? Waar het lijkt dat ouders een directe invloed hebben op het alcoholgebruik van jongeren, suggereren socialisatietheorieën (o.a. Bronfenbrenner, 1986; Petraitis, Flay & Miller, 1995) dat het waarschijnlijker is dat ouders een indirecte invloed hebben op het gedrag van kinderen via de beïnvloeding van proximale factoren van het kind, zoals cognities en individuele (persoons)kenmerken. Een mogelijk belangrijke individuele (persoons)kenmerk hierbij kan de zelfcontrole van de jongere zijn. Uit eerder onderzoek is namelijk gebleken dat zelfcontrole een beschermende factor in het voorkomen van alcoholgebruik kan zijn: jongeren met een hoge 16

mate van zelfcontrole drinken minder alcohol en starten hier later mee, dan jongeren met een lage mate van zelfcontrole (Wills & Stoolmiller, 2002). Kenmerken in de opvoeding, zoals het stellen van regels (tolerantie) en houden van actief toezicht, kunnen de zelfcontrole van adolescenten vergroten en hiermee het risicogedrag verlagen (Gerich, 2013).

Zelfcontrole Voor de invloed van zelfcontrole, zal gekeken worden naar de mate waarin jongeren controle over hun eigen gedrag hebben, maar tevens naar de mate waarin zij controle ervaren over de invloed die hun omgeving op hen heeft. Over het algemeen hebben jongeren een redelijk hoge mate van zelfcontrole (M = 3,53 op een 5-puntsschaal). Zelfcontrole en leeftijd hangen niet significant samen, wat impliceert dat oudere jongeren geen hogere mate van zelfcontrole hebben dan jongere jongeren. Wanneer gekeken wordt naar de invloed van zelfcontrole op het alcoholgebruik van jongeren, komt naar voren dat het hebben van een hoge mate van zelfcontrole een beschermende factor kan zijn. Jongeren die een hoge mate van zelfcontrole hebben, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = - .24), als in de afgelopen maand (r = - .16) en week (r = - .22) geen alcohol gedronken te hebben. Tevens is een significant verband te zien tussen zelfcontrole en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren een hoge mate van zelfcontrole hebben, drinken zij minder alcohol dan jongeren die een lage mate van zelfcontrole hebben (r = - .22). Tenslotte, lijkt zelfcontrole belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol.

Jongeren die een lage mate van zelfcontrole hebben beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die een hoge mate van zelfcontrole hebben (r = .23). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die een lage mate van zelfcontrole hebben, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Invloed van ouderlijke factoren via zelfcontrole Om te kijken of de invloed van ouderlijke factoren op het alcoholgebruik van jongeren inderdaad verklaard kan worden via een cognitieve, individuele verandering bij jongeren, is een mediatieanalyse gedaan.

17

Tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik via zelfcontrole Wanneer gekeken wordt naar de invloed die de tolerantie van ouders ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren op de zelfcontrole van jongeren heeft, is te zien dat jongeren die striktere regels ervaren, een hogere mate van zelfcontrole hebben (β = .072). Een logistische regressie laat vervolgens zien dat de directe invloed van tolerantie op vroegtijdig drinken (β = .670) kleiner wordt na toevoeging van zelfcontrole (β = .648). Dit lijkt te impliceren dat het stellen van strikte regels ten aanzien van alcoholgebruik de zelfcontrole van jongeren kan versterken, en hiermee de startleeftijd van het alcoholgebruik kan uitstellen.

Toezicht van ouders via zelfcontrole Wanneer gekeken wordt naar de invloed die het toezicht van ouders op de zelfcontrole van jongeren heeft, is te zien dat jongeren waarvan de ouders meer toezicht houden niet significant een hogere mate van zelfcontrole hebben (β = .021). Dit lijkt te impliceren dat het houden van toezicht niet tot een sterkere zelfcontrole van jongeren leidt. Een logistische regressie laat overigens wel zien dat de directe invloed van toezicht op vroegtijdig drinken significant blijft na toevoeging van zelfcontrole (β = .264). Dit lijkt te impliceren dat door het houden van toezicht, de startleeftijd van het alcoholgebruik uitgesteld kan worden.

Pad 2: Invloed van jongeren op eigen en elkaars alcoholgebruik Niet alleen ouders, maar ook peers (vrienden, leeftijdsgenoten) hebben invloed op de ontwikkeling en het gedrag van jongeren. In de adolescentie gaan jongeren steeds meer afstand nemen van hun ouders, terwijl tegelijkertijd peers een steeds belangrijkere rol in hun leven gaan spelen (Iwamoto & Smiler, 2013). Pad 2 richt zich op de invloed die jongeren zelf en onderling hebben op hun eigen en elkaars alcoholgebruik.

Alternatieve activiteiten Veel geïnterviewden geven aan dat één van de belangrijkste factoren van (vroegtijdig) alcoholgebruik is dat er geen (alcoholvrije) alternatieve activiteiten voor jongeren zijn. Ouders geven bijvoorbeeld aan dat voor kinderen tot en met 12 jaar nog wel activiteiten georganiseerd worden, maar dat vanaf ongeveer 13 jaar jongeren nergens heen kunnen en dat er voor de jeugd van die leeftijd niets te doen is: “in de kroeg mogen ze niet komen, vervolgens gaan ze zoeken ‘wat kunnen we dan gaan doen?’; nou, niks eigenlijk”. Bij gebrek aan deze alternatieve activiteiten gaan jongeren zelf dingen organiseren, zoals zitjes bij iemand thuis. In eerste instantie als onschuldig, alcoholvrij alternatief, maar juist hierin schuilt 18

volgens veel geïnterviewden het probleem. Iemand verwoorde het algehele beeld onder de geïnterviewden met betrekking tot deze zitjes mooi: “De zitjes vind ik heel opvallend. … De zitjes beginnen al als ze jonger zijn, maar dat is al toewerken naar dat er alcohol bij komt. In het begin is het alleen maar frisdrank, maar iedereen weet dat er alcohol bij hoort op een gegeven moment. Die link is al gelegd, zeg maar. Dus de activiteit en het middel. Dat is wel wat opvalt…”.

Onderzoek naar het gebrek aan alternatieve activiteiten en de gevolgen hiervan is met vragenlijstonderzoek lastig te doen; hiervoor is een meer kwalitatieve benadering noodzakelijk. Vanuit de wetenschappelijke literatuur is wel een verklarende link tussen het gebrek aan alternatieve activiteiten en alcoholgebruik te geven. Het gebrek aan alternatieve activiteiten kan leiden tot verveling onder jongeren (Patterson & Pegg, 1999), wat als onplezierig en ongewenst ervaren wordt. Eerdere onderzoeken noemen het tegengaan van verveling als belangrijke motivatie voor middelengebruik (Rancourt, 1991), en laten zien dat dit dan ook tot daadwerkelijk meer risicogedrag, waaronder alcoholgebruik, leidt (Caldwell & Smith, 1995; Gordon & Caltabiano, 1996). Een verklaring hiervoor is dat alcohol ervoor zorgt dat jongeren zich beter gaan voelen en zich meer vermaken (Baum-Baiker, 1985).

Om toch enig beeld te krijgen van de invloed van het gebrek aan alternatieve activiteiten op het alcoholgebruik van jongeren, kan gekeken worden of het uit de interviews naar voren gekomen beeld van de zitjes als ‘leerschool voor het drinken van alcohol’ daadwerkelijk bestaat. Hiervoor zal gekeken worden naar de situaties waarin jongeren alcohol drinken. In Tabel 3 is te zien dat jongeren veelvuldig alcohol drinken in huiselijke sfeer. Hierbij komt duidelijk naar voren dat jongeren al op jongere leeftijd voornamelijk bij elkaar thuis alcohol drinken. Van de jongste groep jongeren (14 jaar of jonger) die aangegeven hebben de afgelopen maand alcohol te hebben gedronken, drinkt bijna de helft (48,6%) alcohol met vrienden bij hem of haar thuis, terwijl ruim de helft (56,8%) dit bij vrienden thuis doet. Voor de 15-jarigen die minimaal maandelijks alcohol drinken, geldt dat zelfs al driekwart dit bij vrienden thuis doet. Dit lijkt te indiceren dat jongeren inderdaad al op jonge leeftijd zelf zitjes bij iemand thuis organiseren waarbij alcohol gedronken wordt.

19

Tabel 3. Situaties waarin jongeren alcohol drinken, uitgesplitst naar leeftijd (%).* Thuis met

Bij vrienden

Thuis met

Bij familie of vrienden

vrienden

thuis

ouders

van ouders

≤ 14 jaar (N = 146)

48,6

56,8

30,1

24,7

15 jaar (N = 146)

60,3

74,0

28,8

31,5

16 jaar (N = 112)

77,7

89,3

31,3

37,5

≥ 17 jaar (N = 60)

80,0

90,0

61,7

51,7

Leeftijd

*

Hier zijn alleen jongeren meegenomen die aangegeven hebben in de afgelopen maand

alcohol te hebben gedronken.

Normen en groepsdruk onder jongeren Tijdens de adolescentie is het horen bij een groep van leeftijdsnoten één van de belangrijkste ontwikkelingstaken (Erikson, 1968). Om onderdeel uit te maken van een groep, moet de jongere zich gedragen conform de normen en waarden van die groep, terwijl deze misschien niet overeenkomen met zijn of haar eigen normen en waarden (Iwamoto & Smiler, 2013; Santor, Messervey & Kusumaker, 2000). Dit kan leiden tot groepsdruk: de druk die een jongere ervaart om zich aan te passen aan de groepsnorm (Santor, et al., 2000), wat bijvoorbeeld het drinken van alcohol kan zijn. Er kan hierbij sprake zijn van indirecte en directe groepsdruk, die beiden een risicofactor voor het alcoholgebruik van jongeren kunnen zijn. Beide vormen zullen hieronder verder besproken worden.

Normen van jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren Net als bij de maatschappelijke normen, lijken bij jongeren de normen ten aanzien van het alcoholgebruik, zowel in het algemeen als specifiek van jongeren, een belangrijke rol te spelen. Bij jongeren gaat het dan met name om de (waargenomen) norm dat alcohol drinken geaccepteerd is, het erbij hoort en dat iedereen het doet. Deze normen kunnen gezien worden als een indirecte vorm van groepsdruk. Jongeren zelf geven in de interviews dan ook aan dat “veel jongeren het idee hebben dat ze alcohol moeten drinken omdat anderen dit ook doen”, en dat wanneer jongeren eigenlijk geen alcohol (willen) drinken ze “alcohol drinken om er alsnog bij te horen”.

20

Onder de normen die jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, zijn drie verschillende typen normen te onderscheiden, namelijk algemene normen, descriptieve normen en injunctieve normen. Deze drie typen normen zullen hieronder nader beschouwd worden.

Algemene normen De algemene normen die jongeren ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, komen voornamelijk voort uit het (algemene) idee dat alcohol drinken normaal is en erbij hoort. Deze normen worden gemeten door jongeren te vragen in hoeverre zij vinden dat jongeren van hun leeftijd in bepaalde situaties alcohol mogen drinken (bijvoorbeeld thuis als ouders aanwezig zijn, of op een feestje met vrienden). Wanneer gekeken wordt naar de sterkte van algemene normen die jongeren hebben ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren, valt op dat deze normen gemiddeld niet heel sterk aanwezig zijn (M = 2,51 op een 5-puntsschaal). Wel hangen deze algemene normen sterk significant samen met leeftijd (r = .57), wat impliceert dat de norm om alcohol te drinken sterk toeneemt naarmate jongeren ouder worden. Als gekeken wordt naar de invloed van algemene normen op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat deze normen een grote invloed hebben op het alcoholgebruik. Jongeren met sterke algemene normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .60), als in de afgelopen maand (r = .64) en week (r = .68) alcohol gedronken te hebben.

Tevens is een sterk significant verband te zien tussen de algemene normen en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren sterkere algemene normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren hebben, drinken zij meer alcohol dan jongeren die minder sterke normen hebben (r = .64). Tenslotte, lijkt de sterkte van de algemene normen belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Jongeren die sterke algemene normen hebben beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol (r = - .47). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die sterkere algemene normen hebben ten aanzien van het alcoholgebruik, op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Descriptieve normen De descriptieve normen die jongeren ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, omvatten de percepties van jongeren wat betreft de mate van alcoholgebruik van 21

leeftijdsgenoten. Deze normen worden gemeten door jongeren op een 5-puntsschaal (van ‘niemand’ tot ‘allemaal’) te vragen hoeveel leeftijdgenoten volgens hen alcohol drinken. Jongeren denken over het algemeen dat ongeveer de helft van hun leeftijdsgenoten minstens één keer per week alcohol drinkt. Deze descriptieve normen hangen sterk significant samen met leeftijd (r = .57), wat impliceert dat naarmate jongeren ouder worden, zij denken dat meer leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinken. Wanneer gekeken wordt naar de invloed van descriptieve normen op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat deze normen een grote invloed hebben op het alcoholgebruik. Jongeren die denken dat meer van hun leeftijdsgenoten alcohol drinken, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .49), als in de afgelopen maand (r = .53) en week (r = .60) alcohol gedronken te hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen de descriptieve normen en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren denken dat meer leeftijdsgenoten wekelijks alcohol drinken, drinken zijzelf ook wekelijks meer alcohol (r = .52). Tenslotte, lijken descriptieve normen belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Jongeren die denken dat meer leeftijdsgenoten alcohol drinken, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol (r = - .37).

Geconcludeerd kan worden dat wanneer jongeren denken dat meer van hun leeftijdsgenoten alcohol drinken, zij op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Injunctieve normen De injunctieve normen die jongeren ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren kunnen hebben, verwijzen naar de waargenomen goed- of afkeuring van alcoholgebruik door leeftijdsgenoten. Deze normen worden gemeten door jongeren te vragen in hoeverre zij denken dat hun leeftijdsgenoten het zouden goed- of afkeuren als zij elke week alcohol zouden drinken. Over het algemeen denken jongeren dat hun leeftijdsgenoten het niet specifiek goedof afkeuren als zij iedere week alcohol zouden drinken (M = 3,37 op een 7-puntsschaal). Wel hangen deze injunctieve normen sterk significant samen met leeftijd (r = .56), wat impliceert dat naarmate jongeren ouder worden, zij denken dat hun leeftijdsgenoten het sterker goedkeuren om elke week alcohol te drinken. Wanneer gekeken wordt naar de invloed van injunctieve normen op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren, komt duidelijk naar voren dat deze normen een 22

grote invloed hebben op het alcoholgebruik. Jongeren die denken dat hun leeftijdsgenoten het sterker goedkeuren om alcohol te drinken, geven vaker aan zowel in hun hele leven (r = .62), als in de afgelopen maand (r = .68) en week (r = .75) alcohol gedronken te hebben. Tevens is een sterk significant verband te zien tussen de injunctieve normen en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken; wanneer jongeren denken dat leeftijdsgenoten het sterker goedkeuren om wekelijks alcohol te drinken, drinken zijzelf ook wekelijks meer alcohol (r = .65). Tenslotte, lijken injunctieve normen belangrijk bij het uitstellen van het drinken van alcohol. Jongeren die denken dat leeftijdsgenoten het drinken van alcohol sterker goedkeuren, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol (r = - .48). Geconcludeerd kan worden dat wanneer jongeren denken dat leeftijdsgenoten het drinken van alcohol sterker goedkeuren, zij op jongere leeftijd beginnen met het drinken van alcohol, vaker aangeven alcohol te hebben gedronken en wekelijks meer alcohol drinken.

Geconcludeerd kan worden dat de normen die jongeren ten aanzien van het alcoholgebruik van jongeren hebben inderdaad een belangrijke invloed hebben op het daadwerkelijke alcoholgebruik van jongeren. Zowel de algemene normen, als de descriptieve en injunctieve normen hangen sterk samen met alcoholgebruik. Wanneer jongeren denken dat het drinken van alcohol op hun leeftijd normaal is, door meer leeftijdsgenoten gedaan wordt, en door leeftijdsgenoten sterker wordt goedgekeurd, beginnen zij op jongere leeftijd met het drinken van alcohol (met 14 jaar of jonger), geven zij vaker aan alcohol te hebben gedronken en drinken zij wekelijks meer alcohol. Net als bij het alcoholgebruik lijken er bij het ontwikkelen van normen ten aanzien van alcoholgebruik twee belangrijke kantelpunten te zijn waarin de normen zich sterker ontwikkelen. Zowel van 13 naar 14 jaar, als van 15 naar 16 jaar is een grote toename in de sterkte van alle typen normen ten aanzien van alcoholgebruik te zien (zie Tabel 4).

23

Tabel 4. Normen ten aanzien van alcoholgebruik van jongeren, uitgesplitst naar leeftijd.

Variabele Algemene normen Descriptieve normen Injunctieve normen

12 jaar

13 jaar

14 jaar

15 jaar

16 jaar

≥ 17 jaar Totale groep

Bereik

(N = 97)

(N = 288)

(N = 274)

(N = 265)

(N = 147)

(N = 72)

(N = 1143)

1-5

1,39

1,71

2,54

2,85

3,51

3,76

2,51

1-5

1,78

2,16

3,08

3,60

4,08

3,96

3,05

1-7

1,37

1,96

3,36

4,06

5,19

5,39

3,37

Groepsdruk en drinken om erbij te horen Waar de normen die jongeren hebben en ervaren voornamelijk op indirect niveau spelen, is er nog een directere vorm van groepsdruk van leeftijdsgenoten die een belangrijke rol lijkt te spelen bij het alcoholgebruik van jongeren. Er is sprake van directe groepsdruk wanneer een jongere een drankje krijgt aangeboden of wordt aangemoedigd, uitgedaagd, dan wel gedwongen om te drinken (Borsari & Carey, 2001). Jongeren zelf geven aan dat er vaak expliciet aangemoedigd wordt tot het drinken van alcohol, ook als jongeren zelf niet willen drinken: “Ze proberen het wel… ‘Kom, drink nou een glas. Je mag die van mij wel lenen. Kom op en doe eens gezellig.’ Dat hoor je wel vaak”. Daarnaast komt het geregeld voor dat jongeren daadwerkelijk gaan drinken, onder de druk van anderen, zo vertellen jongeren zelf: “We hadden ook nog iemand in onze groep, die dronk nog niet echt en er werd wel vaak gezegd ‘neem nou eens wat’ enzo. Ja, sinds kort drinkt ze dan dus wel.”.

Ook andere betrokkenen zien deze groepsdruk onder jongeren als belangrijke factor om tóch alcohol te gaan drinken: “degenen die niet drinken, tellen niet meer mee in de groep en worden vervolgens uit de groep gezet”, “met name in Volendam hoor je er gewoon niet meer bij als je geen alcohol drinkt” en “wat ik merk is dat jongeren het lastig vinden om – als er gedronken wordt – om niet mee te drinken … de meeste jongeren voelen toch wel een soort druk om mee te drinken”.

Voor de invloed van groepsdruk, zal gekeken worden naar de mate waarin jongeren, onder druk van hun vrienden, gevoelig zijn om dingen te doen die ze anders niet zouden doen. Dit

24

kan zijn door aanmoediging of uitgedaagd te worden, maar ook om te voorkomen dat zij anders uit de groep gezet worden. Wanneer gekeken wordt naar de mate waarin jongeren groepsdruk ervaren, blijkt de ervaren groepsdruk gemiddeld erg laag te zijn (M = 1,67 op een 5-puntsschaal). Groepsdruk en leeftijd hangen niet significant samen, wat impliceert dat naarmate jongeren ouder worden, zij niet meer druk van vrienden ervaren om dingen te doen die zij anders niet zouden doen. Als gekeken wordt naar de invloed van groepsdruk op het alcoholgebruik van jongeren, komt naar voren dat dit een matige invloed lijkt te hebben. Het ervaren van groepsdruk is alleen significant gerelateerd aan het ooit alcohol gedronken hebben: jongeren die een sterkere groepsdruk ervaren, geven vaker aan in hun hele leven alcohol te hebben gedronken dan jongeren die minder sterke groepsdruk ervaren (r = .09). De maandelijkse en wekelijkse prevalentie van alcoholgebruik, en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken, zijn niet significant gerelateerd aan de ervaren groepsdruk. Wel lijkt het ervaren van groepsdruk een significante voorspeller voor het vroegtijdig drinken van alcohol. Jongeren die een sterkere groepsdruk ervaren, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die een minder sterkere groepsdruk ervaren (r = - .07).

Geconcludeerd kan worden dat jongeren die een sterkere groepsdruk ervaren om dingen te doen die zij anders niet zouden doen, vaker aangeven ooit alcohol te hebben gedronken en hier op jongere leeftijd mee beginnen.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat jongeren een belangrijke rol spelen in elkaars alcoholgebruik, met name via groepsdruk, zowel op direct als voornamelijk indirect niveau. Jongeren die meer directe, maar vooral indirecte (via groepsnormen) groepsdruk ervaren, beginnen op jongere leeftijd met het drinken van alcohol, en drinken eveneens vaker en meer alcohol, dan jongeren die deze druk minder ervaren. Deze bevindingen komen overeen met bevindingen uit eerder wetenschappelijk onderzoek. Meerdere studies laten zien dat wanneer jongeren denken dat meer leeftijdsgenoten (regelmatig) alcohol drinken, zijzelf eveneens meer alcohol drinken (Andrews, Hampson, Barckley, Gerrard & Gibbons, 2008; Elek, Miller-Day & Hecht, 2006) en hier eerder mee beginnen (Hawkins, et al., 1997). Tevens laten studies zien dat jongeren die denken dat leeftijdsgenoten alcoholgebruik goedkeuren, zelf meer alcohol drinken (Elek, et al., 2006; Bank, et al., 1985) en hier eerder mee beginnen (Morgan & Grube, 1991).

25

Pad 2 – Moderatie via zelfbeeld van jongeren? Net als bij de invloed van ouders, is het bij de onderlinge invloed van jongeren waarschijnlijk dat deze invloed op het alcoholgebruik versterkt kan worden door eigen proximale factoren van het kind, zoals cognities en individuele (persoons)kenmerken (o.a. Petraitis, Flay & Miller, 1995). Een mogelijk belangrijke individuele (persoons)kenmerk hierbij kan het zelfbeeld van de jongere zijn. Veel geïnterviewden geven aan dat het hebben van een sterke eigen mening belangrijk is om het hoofd te kunnen bieden aan de invloed van vrienden en leeftijdsgenoten. Jongeren zelf geven bijvoorbeeld aan: “… ik heb er toen voor gekozen om dat [vroeg alcohol drinken] niet te doen … en ik vond het goed [dat anderen wel al alcohol dronken], dat moesten ze zelf weten. Het is wel echt mijn eigen keuze, maar niet iedereen is zo sterk.”. Ouders geven eveneens aan dat deze eigen mening belangrijk is. Zij zeggen bijvoorbeeld over hun kinderen: “Met mijn oudste heb ik er niet zo’n probleem mee. Die is wel slim. Die redt zichzelf wel. Dat komt wel goed.” en “Mijn oudste is geen kuddedier. Als hij geen zin heeft, dan heeft hij geen zin. Daar ben ik niet bang voor.”.

Ook professionals zien deze factor als belangrijke beschermende factor: “… dan zijn er mensen die daar dan in beperkte mate in meegaan … en uiteindelijk zelf een groepje vormen van mensen die daar anders tegenaan kijken en weer andere dingen belangrijk vinden”. Ook uit eerder wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat een positief zelfbeeld een beschermende factor in het voorkomen van alcoholgebruik kan zijn: jongeren met een negatiever zelfbeeld drinken meer alcohol en beginnen hier eerder mee dan jongeren met een positiever zelfbeeld (Bartsch, King, Vidourek & Merianos, 2017; Zimmerman, 1996). Een mogelijke theoretische verklaring hiervoor kan gevonden worden in de ‘problem behaviour’ en ‘self-derogation’ theorieën. De ‘problem behaviour’-theorie stelt dat jongeren met een negatiever zelfbeeld een risicogroep voor alcoholgebruik vormen, omdat volgens deze theorie middelengebruik gezien kan worden een manier om met een negatief zelfbeeld om te gaan. De ‘self-derogation’-theorie gaat ervan uit dat jongeren met een negatiever zelfbeeld zichzelf distantiëren van leeftijdsgenoten met sociaal geaccepteerde groepsnormen, en aansluiting zoeken bij leeftijdsgenoten die risicogedrag vertonen in een poging om meer zelfacceptatie te verkrijgen (Griffin, Botvin, Scheier, Diaz & Miller, 2000).

Door zich te conformeren aan de deviante groepsnorm trachten ze goedkeuring te krijgen en afwijzing te voorkomen, zodat zij zich gewaardeerd voelen, wat bijdraagt aan het verkrijgen van een positief zelfbeeld.

26

Zelfbeeld Voor de invloed van het zelfbeeld, zal gekeken naar de mate waarin jongeren empowerment ervaren. Empowerment kan omschreven worden als “het geloof in de eigen capaciteiten en krachten van het individu om zijn omgeving te beïnvloeden en zo zijn leven vorm te geven” (Boumans, 2006; in NJI-publicatie, p. 10). Hieronder vallen onder andere de mate waarin jongeren tevreden zijn over hoe hun leven loopt, hoe makkelijk zij met problemen en moeilijkheden omgaan, en hoeveel vertrouwen zij in de toekomst hebben. Over het algemeen hebben jongeren een sterke empowerment (M = 3,77 op een 5puntsschaal). Empowerment en leeftijd hangen niet significant samen, wat impliceert dat oudere jongeren geen sterkere empowerment hebben dan jongere jongeren. Als gekeken wordt naar de invloed van empowerment op het alcoholgebruik van jongeren, komt naar voren dat dit een zwakke invloed lijkt te hebben. Het hebben van een sterkere empowerment is alleen significant gerelateerd aan het ooit alcohol gedronken hebben: jongeren die een minder sterke empowerment hebben, geven vaker aan in hun hele leven alcohol te hebben gedronken dan jongeren die een sterke empowerment hebben (r = - .11). De maandelijkse en wekelijkse prevalentie van alcoholgebruik, en de hoeveelheid alcohol die jongeren drinken, zijn niet significant gerelateerd aan de empowerment die jongeren hebben.

Wel lijkt het hebben van een minder sterke empowerment een significante voorspeller voor het vroegtijdig drinken van alcohol. Jongeren die een minder sterke empowerment hebben, beginnen vroeger (met 14 jaar of jonger) met het drinken van alcohol dan jongeren die een sterkere empowerment hebben (r = - .08). Geconcludeerd kan worden dat jongeren die een minder sterke empowerment hebben, vaker aangeven ooit alcohol te hebben gedronken en hier op jongere leeftijd mee beginnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EdamVolendam&id=cf6d759e-f2e8-4e7c-b14d-5d717acaad54