Bijlage 1 BP Kwadijk 25 incl. bijlagen
Tekst van het document
Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gezien bovenstaande conclusies van de quickscan is nader onderzoek uitgevoerd naar gierzwaluw, huismus, zie bijlagen 3 en 4. De conclusies van dit onderzoek luiden: Huismus Tijdens de inventarisatie op 15 september is een verlaten nest van een huismus waargenomen. Verder zijn er diverse pannen gelift om te controleren of er nesten van de huismus aanwezig zijn. Het liften van de pannen is gedaan op verschillende hoogtes van het dak. Het was niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen dat er ook nesten in de nok bevinden. Daarom adviseren wij mitigerende maatregelen te treffen en deze bij het bevoegd gezag te toetsen. Gierzwaluw Tijdens de inventarisatie op 17 Juli 2022 is een vliegende gierzwaluw aangetroffen, tijdens de inventarisatie is de gierzwaluw uit beeld verdwenen, wij hebben niet kunnen vaststellen dat deze zich nestelt in de stolp. Het is goed mogelijk dat zich in de stolp een nest van een gierzwaluw bevindt. Mede vanwege het grote inlevingsvermogen van de ontwikkelaar in natuur inclusief bouwen adviseren wij mitigerende maatregelen te treffen en deze bij het bevoegd gezag te toetsen.
Pagina 23 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Op basis van bovenstaande conclusies zijn mitigatieplannen opgesteld voor de huismus en de gierzwaluw, zie bijlage 5 en 6. De initiatiefnemers van het plan hebben aangegeven voornemens te zijn de mitigatiemaatregelen uit te voeren. Daarnaast is er nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen maar ook naar huismussen ne gierzwaluwen, zie bijlage 10. De conclusie van het onderzoek luidt: ‘Er zijn zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een vliegroute en/of essentieel foerageergebied. Er zijn geen huismussen of nesten van huismussen aangetroffen. Ook zijn er geen nesten van gierzwaluwen aangetroffen. Naar aanleiding van de wettelijk vooroverleg reactie van de omgevingsdienst is een aanvullende onderbouwing opgesteld. De omgevingsdienst heeft aangegeven dat het plan verstoring voor nabijgelegen Natura2000 gebieden kan opleveren. Dan met name als gevolg van geluidhinder (heien). Er is daarom een aanvullende beoordeling gebiedsbescherming opgesteld, zie bijlage 11. Deze aanvullende beoordeling vormt een samenvatting van de uitgevoerde werkzaamheden zoals de uitgevoerde huismussen, gierzwalluw en vleermuisonderzoeken. Tevens is de gebiedsbescherming nader beoordeeld.
Op basis van de nadere beoordeling gebiedsbescherming en de daarin opgenomen ‘toetsing effecten op doelen Natura-2000 gebied polder Zeevang’ wordt duidelijk dat de beschermde soorten behorende bij dit Natura2000 gebied geen gebruik kunnen maken van de nabijgelegen gronden. Op het vlak van gebiedsbescherming ontstaat dus geen belemmering voor voorliggend plan. Gezien bovenstaande conclusies wordt dan ook gesteld dat het plan uitvoerbaar is vanuit ecologisch oogpunt. 4.3.2 Stikstofdepositie Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd te kunnen worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan. Hierin oordeelt de Raad dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (versie 2022). Planspecifiek Voor het planvoornemen is een Aeriusberekening uitgevoerd, zie bijlage 7. De conclusie van de berekening luidt: ‘De berekening is gedaan op 16 maart 2023 met de actuele Aeriuscalculator (versie 2022, update januari 2023). Het effect vanuit de gebruiksfase op Natura 2000-gebieden is 0,00 mol N/ha/j. Dit is ook het geval bij de sloopfase en de bouwfase.’ Op basis van bovenstaande vormt het aspect ‘Stikstofdepositie’ geen belemmering voor het planvoornemen.
Pagina 24 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft sloop-nieuwbouw van een stolpboerderij. De bestemming wordt hierbij ook gewijzigd van agrarisch naar wonen. Een woonbestemming stelt hogere milieueisen dan een agrarische bestemming, daardoor is er een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. De conclusie is als volgt: Grond(water)): De in de grond aangetoonde verhoogde gehalten aan met name zware metalen en PAK (en in een beperkt aantal grondmonsters ook PCB en minerale olie) zijn verklaarbaar vanuit de bodemkwaliteitskaart door de ligging in een zone met een relatief slechte bodemkwaliteit. De bij vier boringen aangetoonde matig tot sterk verhoogde gehalten aan lood, zink en PAK worden beschouwd als uitschieters als gevolg van de sterke heterogeniteit die de betreffende bodemkwaliteitszone kent.
Gezien de positionering van de matig tot sterk verontreinigde boringen binnen de onderzoekslocatie wordt er vanuit gegaan dat sprake is van afzonderlijke spots met een beperkte omvang. De in het grondwater aangetoonde concentraties barium en zink worden vooralsnog beschouwd als regionaal verhoogde achtergrondconcentraties. Asbest: In de opgegraven puinhoudende grond (inspectiegaten 306 en 309) is visueel en analytisch geen asbest aangetoond. De verdenking op een verontreiniging met asbest is daarmee opgeheven. Conclusie: Gezien het totaal aan analyseresultaten en omdat de plaatselijk aanwezige sterke verontreinigingen met lood, zink en PAK alleen in de ondergrond zijn aangetoond (dus afgedekt zijn door licht verontreinigde grond waardoor er geen contactmogelijkheden zijn), zijn het uitvoeren van aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of het treffen van nadere maatregelen naar onze mening niet noodzakelijk. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de geplande herontwikkeling op het zuidelijke terreindeel en de toekomstige woonbestemming. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodem niet op PFAS is onderzocht. Als vrijgekomen grond wordt afgevoerd dan kan een aanvullend onderzoek naar PFAS noodzakelijk zijn.
Het aspect bodem vormt op basis van het bodemonderzoek verder geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Pagina 25 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van
Grenswaarde
Jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) Jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) Jaargemiddelde concentratie
40 µg / m³ 200 µg / m³ 40 µg / m³ 50 µg / m³ 25 µg / m³
Tabel 1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wet luchtkwaliteit.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM-criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de huidige situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in beeld gebracht. Hiervoor is de site https://www.nslmonitoring.nl geraadpleegd.
Pagina 26 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Figuur 6: Luchtkwaliteit. Van boven naar beneden: concentratie stikstof, fijnstof PM10 en fijnstof PM2,5. Plangebied nabij rode cirkel (Bron: NSL Monitoringstool)
De waardes van bovenstaande figuur gelden voor zowel 2020 als 2030. De concentraties blijven op basis van de NSL-monitoringstool onder de wettelijk vereiste gemiddelde concentraties. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Voorliggend plan is getoetst aan het wettelijk vereiste. Gelet op het bovenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen beletsel voor dit plan. Pagina 27 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Externe Veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • Risicovolle (Bevi-)inrichtingen; (Bevi staat voor Besluit externe veiligheid inrichtingen) • Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; • Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Deze begrippen worden hieronder toegelicht. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²).
Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Pagina 28 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden.
Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de Atlas leefomgeving geraadpleegd.
Figuur 7: Risicokaart Atlas leefomgeving, https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
planlocatie
aangegeven
met
rode
cirkel
(Bron:
In bovenstaande figuur is te zien dat er geen risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn (groen: kwetsbare objecten). De N244 is 440 meter van het plangebied verwijderd. Dit ligt buiten de invloedsgebied, nader onderzoek is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat Externe veiligheid geen belemmering vormt voor voorliggend plan. Pagina 29 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Archeologie en cultuurhistorie In de Erfgoedwet, vastgesteld op 1 juli 2016, zijn de regels voor de archeologische monumentenzorg opgenomen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen door een gecertificeerd bureau archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakteondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische MonumentenZorg-Cyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Planspecifiek Archeologie In het plangebied gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’, zie onderstaande figuur.
Figuur 8: Archeologische waarde plangebied (Bron: ruimtelijkplannen.nl)
Op gronden die onder Archeologie 3 vallen is archeologisch onderzoek vereist als er een gebouw met een oppervlakte groter dan 50m2 gebouwd wordt en als er dieper dan 0,4 meter gegraven wordt. Voor dit plan is daarom ter plaatse van de nieuw te bouwen stolp archeologisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9. De conclusie van het bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek is als volgt: Conclusie bureauonderzoek De voorgenomen bodemingrepen bestaan uit de sloop van de bestaande woning en bouw van een nieuwe woning. De nieuwe woning heeft een omvang van ongeveer 180 m2. Ongeveer 49,5 m2 komt buiten de contour van de huidige bebouwing te liggen. De onderzijde van de funderingen zal op 65 cm onder het vloeroppervlak komen te liggen, op -122 cm NAP. Er zullen heipalen worden aangebracht. Het plangebied ligt in een ontgonnen veengebied (Hollandveen). Waarschijnlijk zijn in het plangebied weideveengronden aanwezig op zeggeveen, rietveen of (mesotroof) broekveen. Op het veen kan een kleidek zijn ontstaan door overstromingen. Op ongeveer twee meter onder het maaiveld liggen zeeafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Het Pleistocene niveau ligt meer dan zeventien meter onder het maaiveld. In het plangebied zijn geen grootschalige bodemverstoringen bekend. Ter hoogte van het plangebied kan zijn gewoond tijdens het Laat Paleolithicum en Mesolithicum.
Vanwege de grote diepteligging van dit niveau is hierover weinig bekend. In de periode Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen ligt het plangebied in een regelmatig overstroomd gebied met wadden en slikken en daarna in een uitgestrekt veengebied dat ongunstig is voor bewoning. Uitzondering hierop zijn eventuele fossiele kreken en oeverwallen in de top van het Laagpakket van Wormer en de top van het Hollandveen Pagina 30 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
dat aan het einde van de Vroege Middeleeuwen is ontgonnen. Vermoedelijk is de nederzetting Kwadijk aan het einde van de 13e eeuw ontstaan. Op historische kaarten uit de 17e eeuw en later is bebouwing in het plangebied ingetekend. Het plangebied ligt in de historische kern van Kwadijk. In de omgeving van het plangebied zijn nog weinig onderzoeken uitgevoerd. Ten westen van het plangebied zijn tijdens een booronderzoek historische ophooglagen gevonden en is een vervolgonderzoek geadviseerd. Het vervolgonderzoek is (nog) niet uitgevoerd. De voornaamste verwachting geldt voor archeologische bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd die direct onder het maaiveld aanwezig kunnen zijn. Eventueel zijn archeologische resten uit het Mesolithicum, Vroeg en Midden-Neolithicum aanwezig in de top van het Laagpakket van Wormer op ongeveer twee meter onder het maaiveld. Het booronderzoek is uitgevoerd. De conclusie van dit booronderzoek is als volgt: De bodemopbouw komt overeen met de gespecificeerde verwachting. Tussen 170 en 275 cm -mv (298 en -382 cm NAP) liggen zeeafzettingen van het Laagpakket van Wormer. Hierin zijn geen sporen van bodemvorming aanwezig. Op de zeeafzettingen ligt Hollandveen. De top van het ongeroerde Hollandveen ligt tussen 120 en 180 cm -mv (-215 en -273 cm NAP).
Op het ongeroerde veen ligt sterk veraard veen dat mogelijk is geroerd door menselijk handelen. Het bovenste deel van het bodemprofiel bestaat uit opgebrachte lagen klei en zand die gerelateerd kunnen worden aan de historische kern van Kwadijk. Hoewel de top van de zeeafzettingen archeologische resten kunnen bevatten zijngeen aanwijzingen voor bodemvorming gevonden. Dit betekent dat dit niveau waarschijnlijk niet geschikt was voor bewoning. De kans dat hierin archeologische resten aanwezig zijn wordt daarom als klein ingeschat. Tussen 15 en 70 cm -mv (-122 en -163 cm NAP) ligt de top van een cultuurlaag waarin archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn, gerelateerd aan de historische kern van Kwadijk. Op basis van bovenstaande is het eindoordeel als volgt: Indien ingrepen tot in de cultuurlaag reiken kunnen archeologische resten worden vergraven. In de meeste boringen is dit echter niet het geval. Bij boring 1 zou de top van de cultuurlaag kunnen worden vergraven. Echter, het betreft hier een minimale vergraving van 15 cm die binnen de reeds toegestane vergravingsdiepte van het archeologisch beleid en bestemmingsplan valt (40 cm). De kans dat behoudenswaardige archeologische resten worden vergraven wordt daarom als klein ingeschat. Voor de voorgenomen werkzaamheden worden geen aanvullende maatregelen geadviseerd.
Indien alsnog diepere ingrepen plaatsvinden wordt geadviseerd een vervolgonderzoek uit te voeren. Mocht een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn, dan is de eerstvolgende stap in archeologisch onderzoek de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek om de aard en intactheid van archeologische resten vast te stellen en deze te waarderen. Omdat al bekend is dat het plangebied onderdeel is van de historische kern van Kwadijk is een karterend booronderzoek niet zinvol. Omdat het plangebied grotendeels is bebouwd kan een proefsleuvenonderzoek pas na de sloop van de bebouwing worden uitgevoerd. Daarom wordt geadviseerd de ondergrondse sloop van de huidige boerderij en de graafwerkzaamheden voor aanleg van nieuwe funderingen te begeleiden. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE)
Pagina 31 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek en het inventariserend booronderzoek vormt het aspect ‘Archeologie’ geen belemmering voor het planvoornemen. Cultuurhistorie De nieuwbouw stolp sluit aan op het ontwerp en architectuur van de huidige stolp. Er wordt bij de nieuwe stolp eveneens een staartstuk geplaatst. Dit staartstuk heeft in verleden ook onderdeel van de stolp gemaakt. De afmetingen voor het staartstuk zijn gebaseerd op de ruimte die nodig was voor het stallen van de dieren. In 1929 is het staartstuk om onbekende reden gesloopt. Het terugbrengen van het staartstuk draagt bij aan het versterken van de cultuurhistorische waarden van de plek. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect Archeologie en Cultuurhistorie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. Onderstaand het relevante beleid. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen zijn er op (deel)stroomgebiedniveau plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheerplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027. Het NWP is vastgesteld op 18 maart 2022.
In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Provinciaal beleid Op 31 januari 2022 heeft Provincie Noord-Holland het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 (Regionaal Waterprogramma) vastgesteld. In het Regionaal Waterprogramma geeft de provincie aan hoe zij zich inzet voor een goede waterkwaliteit, het op peil houden van de watervoorraad en de bescherming tegen overstromingen. Het Regionaal Waterprogramma is opgebouwd uit een drietal deelprogramma's. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen, dat samen met andere partijen wordt uitgevoerd.
Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden.
Pagina 32 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie 2012). De Deltavisie is vertaald in het Waterplan 2022-2027 (WBP6) voor de middellange termijn. Hierin presenteert het hoogheemraadschap haar koers voor de periode 2022-2027 en de opgaven waar het hoogheemraadschap zelf en met anderen aan werkt. Het hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 2016-2021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die te vinden zijn op www.hhnk.nl/keur. Bij invoering van de Omgevingswet zal de Keur 2016 vervangen worden door de Waterschapsverordening. Daarnaast, heeft de verandering van het klimaat gevolgen voor de veiligheid, de economie en de gezondheid van onze inwoners. Hevige buien veroorzaken schade en overlast. Langdurige droge periodes veroorzaken hittestress, met name in stedelijke gebieden. Een slim ingerichte ruimtelijke inrichting helpt deze steeds vaker voorkomende weersextremen het hoofd te bieden.
Het uitgangspunt hierbij is om water lokaal op te slaan tijdens (extreme) buien, zodat het vervolgens gebruikt kan worden in droge perioden. Voorbeelden van maatregelen die hierbij helpen zijn wadi's, waterdoorlatende verharding op bijvoorbeeld parkeervakken, waterbergende wegen en opslag in infiltratiekratten. Het Hoogheemraadschap denkt graag mee met u over de toepassing van klimaatadaptieve maatregelen in ons beheergebied. Voor meer uitleg en inspiratie zie: http://www.ruimtelijkeadaptatie.nl, https://hhnk.klimaatatlas.net , http://www.groenblauwenetwerken.nl/ en www.samenblauwgroen.nl. Planspecifiek Bestaande watersysteem Het plangebied is omgeven door verschillende waterlopen en bijbehorende beschermingszones (zie uitsnede legger). Aan de noordzijde van het plangebied loop een tertiaire watergang, het onderhoud en baggeren wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaar. De rest van de watergangen in de omgeving zijn secundaire watergangen, hier wordt het buitengewoon onderhoud en baggeren uitgevoerd door het waterschap. Gewoon nat en droog onderhoud wordt uitgevoerd door de aanliggende eigenaren. Het plan houdt de herbouw van de sloop-nieuwbouw van de stolpboerderij in. Het onderhoud van de watergangen kan in de toekomstige situatie op dezelfde manier uitgevoerd worden.
Figuur 9: Uitsnede Legger Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (Bron: hhnk).
Pagina 33 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Verhard oppervlakte en waterberging Bij een toename van meer dan 800 m2 verhard oppervlak binnen stedelijk gebied moet er compensatie plaatsvinden. Minstens 10% van het bijkomende verhard oppervlak moet gecompenseerd worden met nieuw oppervlaktewater. Voorliggend plan betreft sloop en nieuwbouw, daarnaast is het planbied in totaal niet groter dan 800 m2. Er dient dus geen watercompensatie plaatst te vinden. Hemelwater en vuilwaterafvoer Het hemelwater wordt naar de nabijgelegen watergang afgevoerd. Het vuilwater zal aangesloten worden op het bestaande riool van het perceel. Materialen Bij de nieuwe gebouwen zullen geen uitloogbare materialen worden toegepast. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
Verkeer en Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeren’ (vastgesteld 14 juni 2018) stelt dat “voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand wordt gehouden, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de gemiddelde parkeerkencijfers voor matig stedelijke gebieden als bedoeld in de CROW-publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie.” Parkeren Om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de twee woningen in het plan is gebruik gemaakt van de CROW-parkeercijfers. In deze is gebruikgemaakt van de CROWpublicatie 381. Voor het bepalen van de parkeernormen is uitgegaan van een matig stedelijk gebied, rest bebouwde kom. De twee woningen vallen onder koop, huis, vrijstaand. Naast de normale parkeernorm moet er ook voldaan worden aan het bezoekersaandeel. Voor een vrijstaande woning is dit 0,3 per woning.
Hiervoor geldt de volgende parkeernorm: - 2x Koop, huis, vrijstaand 1,9 – 2,7 (gem.: 2,3) = 4,6 parkeerplekken - 2x Bezoekersparkeren 0,3 = 0,6 parkeerplekken Totaal = 4,6 + 0,6 = 5,2 = 6 parkeerplekken In totaal moeten er 6 parkeerplekken worden gerealiseerd. Op openbaar terrein is er geen plek om te parkeren, dus het aandeel bezoekersparkeerplekken moeten op eigen terrein worden gerealiseerd. Hier is in het ontwerp mee rekening gehouden. Zie hiervoor paragraaf 2.2, figuur 3. Verkeersgeneratie De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van de parkeerkencijfers van het CROW. Het aantal woningen wordt met één woning verhoogd. Hiervoor geldt de volgende verkeersgeneratie: -
1x Koop, huis, vrijstaand
7,8 – 8,6 (gem.: 8,2) = 8,2 vervoersbewegingen
De totale verkeersgeneratie bedraagt 8,2 vervoersbewegingen per dag. De omliggende verkeersstructuur wordt voldoende instaat geacht om deze beperkte toename in verkeersgeneratie ten behoeve van de nieuwe planontwikkeling te kunnen verwerken. Het aspect verkeer en parkeren vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan. Pagina 34 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Energietransitie en duurzaamheid De energietransitie betekent de overgang van fossiele brandstoffen zoals gas, kernenergie en steenkolen naar volledig duurzame energie. Duurzame, groene energie kennen we nu al vanuit zon, wind, biomassa en water. Duurzaamheid en energietransitie zijn continue processen; concrete afspraken zijn gemaakt in het Klimaatakkoord van 28 juni 2019 en het programma ‘Nederland Circulair in 2050’. Dit betekent onder andere in 2030 bijna de helft minder CO2-uitstoot realiseren dan in 1990. Met de plannen kan het kabinet een belangrijk startschot geven voor opschaling van de energietransitie. Regelgeving Per 1 juli 2018 is de wet Voortgang Energietransitie (wet VET) van kracht geworden, die zegt dat het niet meer is toegestaan om nieuwbouw met aardgas te realiseren, tenzij de gemeente beslist dat er zwaarwegende belangen zijn om hiervan af te wijken. Per 1 januari 2021 is BENG (Bijna Energieneutrale Gebouw eisen) van kracht, met een ambitie naar volledig energieneutraal. Daarmee worden strengere eisen gesteld om zo het energieverbruik te verlagen. Met deze wijziging moeten vanaf 1 januari 2021 alle nieuw te bouwen gebouwen, zowel woningen als uitiliteitsbouw, voldoen aan de BENG eisen. De eisen zijn onafhankelijk van de energiedrager; wel is een minimum aandeel hernieuwbare energie vereist.
Planspecifiek De woningen worden gebouwd volgens de geldende BENG regelgeving en worden conform de wet VET gasloos gebouwd.
Pagina 35 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van twee woning mogelijk. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Dorpskernen 2016’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Onderstaande beschrijving is een algemeen beschrijving van bestemmings- of wijzigingsplanregels. Omdat verwezen wordt naar het moederplan zijn de regels in dit plan zeer beknopt. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan.
In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • De anti-dubbeltelbepaling; • Algemene bouwregels; • Algemene aanduidingsregels; • Algemene afwijkingsregels; • Algemene wijzigingsregels; • Overige regels.
Pagina 36 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn verschillende bestemmingen weergegeven. Hieronder wordt een nadere beschouwing gegeven van deze bestemmingen. Artikel 3 Tuin. In het bestemmingsplan is een deel van het plangebied bestemd als Tuin. Deze bestemming heeft als doel om de beoogde kwalitatieve uitstraling te behouden door het oostelijke deel van het gebied groen te houden en vrij van bebouwing. De regels voor Tuin zijn overeenkomstig de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2016’. Artikel 4 Water In het bestemmingsplan zijn de bestaande watergangen bestemd als Water overeenkomstig de vigerende bestemming en regels van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2016’. Artikel 6 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen-' zijn bestemd om de nieuw beoogde woningen planologisch mogelijk te maken. De regels voor Wonen zijn gebaseerd op de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen 2016’. De planregels zijn echter aangepast om de bouwmogelijkheden van het plan en de beoogde uitstraling van het plan mogelijk te maken. De aanduiding karakteristiek is bijvoorbeeld niet overgenomen omdat in overleg bepaald is dat vervangende nieuwbouw van de stolpboerderij toegestaan is.
Artikel 7 Waarde – Archeologie en Waarde – Landschap – Stelling van Amsterdam Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de gronden waar mogelijk archeologische waarden in de grond zitten aangeduid met archeologische waarde. Door middel van deze dubbelbestemming blijven de eventueel aanwezige waarden in de ondergrond afdoende beschermd. Ditzelfde geldt voor eventueel aanwezige Cultuurhistorische waarden. Deze waarden worden door de dubbelbestemming eveneens geborgd.
Pagina 37 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
6 Maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Tevens wordt een anterieure overeenkomst en of een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer van het plan. Hiermee zijn kosten en risico’s verdeeld. Alle aanlegkomsten worden door de initiatiefnemer betaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor onderhavig ontwerpbesluit is de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag (de gemeente) stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De provincie Noord-Holland, het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de Omgevingsdienst IJmond hebben gereageerd in het kader van het vooroverleg: De provincie Noord-Holland heeft een positief advies afgegeven. Ze stellen het volgende: “De gemeente heeft geoordeeld dat herbouwen de beste manier is om te voldoen aan het behoud van de stolp. Nadat we zijn wezen kijken begrijp ik hoe de gemeente dit bepaald heeft. Bovendien besluit de gemeente en dus niet de provincie hoe er “geen afbreuk wordt gedaan aan het oorspronkelijke karakter van de bebouwing”. Dit plan is in lijn volgens artikel 6.9 lid 5.”. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft gevraagd om een tekstuele aanpassing van het beleid. Het tekstvoorstel van het Hoogheemraadschap is overgenomen in het plan. De omgevingsdienst heeft aangegeven dat de onderbouwing ten aanzien van bedrijven en milieuzonering aangepast moet worden evenals de onderbouwing ten aanzien van Flora en Fauna. Deze opmerkingen zijn verwerkt in het plan.
De ontwerpbeschikking heeft voor een periode van 6 weken van vrijdag 22 december 2023 ter inzage gelegen tot 1 februari 2024. Tijdens de ter inzage is de gelegenheid geboden om een zienswijze in te dienen. Er zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden in beroep gaan.
Pagina 38 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
7 Bijlagen 1. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Kwadijk 25 Kwadijk, Weel geluidadvies, referentie: PLA 22.11, 18 augustus 2022 2. Quickscan Wet natuurbescherming Kwadijk 25 te Kwadijk, Blom Ecologie, Project: 2022-0708, 14 juli 2022 3. Aanvullend Gierzwaluw onderzoek, J.F. Vrolijk, 22 september 2022 4. Aanvullend Huismus onderzoek, J.F. Vrolijk, 22 september 2022 5. Mitigatieplan Gierzwaluw, J.F. Vrolijk, 22 september 2022 6. Mitigatieplan Huismus, J.F. Vrolijk, 22 september 2022 7. Aerius berekening, Plannen-makers, 16 maart 2023; 8. Verkennend bodemonderzoek Kwadijk 25 Kwadijk, Inventerra, rapportnummer: 22-2165R01JV, 26 augustus 2022; 9. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Kwadijk 25, Bureau voor archeologie, kenmerk: 1297, 5 april 2023. 10. Vleermuis-, huismus- & gierzwaluwinventarisatie Kwadijk 25 Kwadijk, Elsken Ecologie, 21 september 2023 11. Natuurtoets en voortoets Natura-2000, Elsken Ecologie, 19 maart 2024
Separate bijlage: - GML-bestand Aeriusberekening: AERIUS_gml_20220616153904
Pagina 39 Ruimtelijke onderbouwing Kwadijk 25 Edam-Volendam
Bijlage 1
Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Kwadijk 25 Kwadijk
Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai) voor de bouw van een woning aan Kwadijk 25, Kwadijk gemeente Edam-Volendam.
Rapporttitel: Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Kwadijk 25, Kwadijk Referentie: PLA 22.11 Datum: 18-8-2022
Opdrachtgever:
Plannen-Makers B.V.
Contactpersoon:
drs. ing. C.M. Vaartjes
Opgesteld door:
Weel geluidadvies ing. C.M. Weel van Noordtkade 18 B 1013 BZ Amsterdam tel. 020-6880214 mob. 06 – 44 57 47 83 e-mail: cmweel@yahoo.com Kvk: 51299739
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 2
1.
Inleiding. In opdracht van Plannen-makers te Utrecht is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting op de gevels van een woonboerderij aan Kwadijk 25 te Kwadijk, gemeente Edam-Volendam. De bestaande voormalige boerderij wordt gesloopt en herbouwd op wat grotere afstand van de weg. Er is een omgevingsvergunning vereist. Dit onderzoek beschrijft de geluidhinder en het wettelijk kader met betrekking tot wegverkeerslawaai. De berekende geluidbelasting op de gevels wordt getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Daarnaast wordt ingegaan op mogelijke maatregelen om de geluidbelasting te verlagen voor zover van toepassing.
2.
Situatiebeschrijving. De boerderij staat aan een weg met voornamelijk woonhuizen en een enkel agrarisch bedrijf. Alleen de weg Kwadijk is van belang. Het is een niet-gezoneerde 30 km/uur-weg; het onderzoek wordt daarom uitgevoerd op basis van jurisprudentie. Andere geluidbronnen in de zin van de Wet geluidhinder zijn er niet. Dit onderzoek maakt deel uit van de aan te vragen omgevingsvergunning. Figuur 1 toont de ligging van de boerderij.
Figuur 1: ligging van het pand in Kwadijk.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 3
3.
Wettelijk kader. Het onderhavige onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de Wet geluidhinder en jurisprudentie. In de Wet geluidhinder wordt het begrip geluidzone gehanteerd. Een geluidzone langs een weg is een planologische aandachtzone. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen deze zone dienen te worden getoetst aan de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan deze ontwikkelingen. De omvang van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg, binnen- of buitenstedelijk. Het betreft hier een binnenstedelijk gebied. De maximum snelheid van de weg bedraagt 30 km/uur. Wegverkeerslawaai. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai op de gevel van een geluidgevoelige bestemming bedraagt 48 dB (art. 82 lid 1 van de Wet geluidhinder). Van de berekende geluidbelasting op die gevel mag, alvorens getoetst wordt aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder nog 5 dB worden afgetrokken wegens het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst (artikel 110g van de Wet geluidhinder). De aftrek van 5 dB geldt voor wegen met een maximum snelheid tot 70 km/uur. Voor nieuw te projecteren woningen binnen de geluidzone van een gezoneerde weg in een binnenstedelijk gebied geldt een maximale ontheffingswaarde van 63 dB (art. 83 lid 3a van de Wet geluidhinder).
De geluidbelasting op de gevel van een woning wordt voor wat betreft de toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder altijd getoetst per weg. De geluidbelasting voor wegverkeerslawaai wordt berekend met de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012. Er wordt gerekend met een sectorhoek van 2 graden en één geluidreflectie, conform het Reken- en Meetvoorschrift. Bijlage 1 licht de belangrijkste begrippen met betrekking tot de wetgeving op het gebied van geluidhinder kort toe.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 4
4.
Verkeersgegevens. Voor de berekening van de geluidbelasting zijn verkeersgegevens opgevraagd bij de gemeente. Exacte tellingen zijn niet beschikbaar. De etmaalintensiteit is ingeschat op 1000 motorvoertuigen. Er is een categorieverdeling aangehouden die recht doet aan het wegprofiel, dit is zeer smal. Zwaar verkeer kan hier moeilijk rijden. Onderstaand deze gegevens. Het wegdek bestaat uit een elementenverharding in keperverband. Onderstaande tabellen tonen de gegevens. De omschrijving van de categorieën luidt: Categorie 1: motorfietsen; Categorie 2: lichte motorvoertuigen; Categorie 3: middelzware motorvoertuigen (ongelede vrachtwagens met één achteras en bussen); Categorie 4: zware motorvoertuigen (gelede vrachtwagens en/of vrachtwagens met meer dan één achteras).
Tabel 1: verkeersgegevens, in motorvoertuigen per uur, 2032.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 5
5.
Modellering. De weg, het plan en de omgeving zijn schematisch gedigitaliseerd tot een model waarmee de geluidbelasting op de gevels wordt berekend. Daarbij is rekening gehouden met de diverse omgevingskenmerken en het geluidabsorberende effect van zachte bodemgebieden. Alle gras en weilanden in de omgeving zijn gemodelleerd als 100% absorberende bodem. Een deel van het erf rond de boerderij is gemodelleerd als volledig harde bodem, zie onderstaande foto. Vorming van het model vindt plaats met het programma Winhavik versie 9.1.1, dit is de meest recente versie. Conform het Reken- en Meetvoorschrift wordt er gerekend met één reflectie en een sectorhoek van 2 graden. De geluidbelasting wordt berekend op gevels op relevante waarneemhoogten. Voor dit plan is een waarneemhoogte van 1,5 en 4,5 meter ten opzichte van het plaatselijke maaiveld aangehouden.
Figuur 2: foto van de bestaande boerderij.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 6
Figuur 3: footprint van de nieuwe boerderij.
6.
Gebruikte externe documenten. De volgende documenten zijn gebruikt: digitale ondergrond; verkeersgegevens gemeente.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 7
7.
Rekenresultaten. Met het programma “Winhavik” is de geluidbelasting op de gevels van de te realiseren woning berekend, gebruik makend van de Standaard Rekenmethode II uit 2012. Alle hierna genoemde geluidbelastingen zijn inclusief een aftrek vanwege het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst (art. 110g Wet geluidhinder). Een overzicht van de ligging van de waarneempunten is te vinden in bijlage 2, de invoergegevens zijn na te lezen in bijlage 3. De geluidbelasting vanwege het wegverkeer bedraagt maximaal Lden=51 dB op de voorgevel van de woning. De overige gevels zijn geluidluw. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, deze is 48 dB, wordt met maximaal 3 dB overschreden; de maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden.
Figuur 4: geluidbelasting, inclusief aftrek artikel 110g.
De rekenresultaten per waarneempunt en waarneemhoogte staan in bijlage 3.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 8
8.
Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen. Volgens het Besluit geluidhinder, artikel 110a lid 5, dient te worden aangegeven welke ontheffingsgronden ten grondslag liggen aan het ontheffingsverzoek. Daartoe moeten de maatregelen die mogelijk genomen kunnen worden om de geluidbelasting te verlagen worden benoemd en beoordeeld. Omdat het in dit geval gaat om een niet-gezoneerde weg is een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde niet nodig. Overigens wordt de voorkeursgrenswaarde wel overschreden, maar de overschrijding dermate gering dat kan worden gesproken van een goede ruimtelijke ordening. De drie geluidluwe gevels dragen hieraan bij.
9.
Conclusie. De geluidbelasting op de voorgevel van een te bouwen boerderij in Kwadijk bedraagt maximaal Lden=51 dB ten gevolge van het wegverkeer op een niet-gezoneerde weg. Er hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd bij de gemeente. Er is met 3 geluidluwe gevels sprake van een goede ruimtelijke ordening. Amsterdam, Ing. C.M. Weel
Bijlagen: 1. toelichting bij enkele definities Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai) 2. grafisch afdruk van het rekenmodel, overzicht ligging waarneempunten 3. invoergegevens
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 9
Bijlage 1: Wegverkeerslawaai - de belangrijkste begrippen toegelicht. Voorkeursgrenswaarde De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt sinds 1 januari 2007 48 dB. Dat betekent dat elke berekende geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai tot en met 48 dB toelaatbaar is. Indien de geluidbelasting meer bedraagt dan 48 dB, maar minder dan de maximale ontheffingswaarde, dan kan onder voorwaarden ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden aangevraagd. Daarbij speelt het Hogere Waardenbeleid dat de gemeente kan opstellen een belangrijke rol. Maximale ontheffingswaarde In de gevallen waarin de berekende geluidbelasting meer bedraagt dan maximale ontheffingswaarde is ontheffing niet mogelijk. Dat betekent dat er doorgaans, maar niet in alle gevallen, niet gebouwd mag worden. Aanvullend onderzoek is dan noodzakelijk. De hoogte van de maximale ontheffingswaarde is afhankelijk van de situatie. Men onderscheidt: stedelijk gebied buitenstedelijk gebied bestaande situaties nieuwe situaties bestaande weg nieuwe weg Verder kunnen er allerlei specifieke uitzonderingen bestaan die van invloed zijn op de maximale ontheffingswaarde, bijvoorbeeld bedrijfswoningen. Buitenstedelijk gebied.
De definitie van een buitenstedelijk gebied luidt: Het gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het “Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990“, het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 10
Zone. In onderstaande tabel staat de omvang van een zone van een verkeersweg, gerekend vanaf de wegas, vermeld. De zone ligt aan elke zijde van de weg. Weg in stedelijk gebied buitenstedelijk gebied
Aantal rijstroken Een of twee Drie of meer Een of twee Drie of vier Vijf of meer
Zonebreedte [m] 200 350 250 400 600
Langs een weg waar een maximum rijsnelheid geldt van 30 km/uur ligt geen zone. Dit geldt ook voor wegen op een woonerf. Geluidbelasting in dB. De geluidbelasting in dB wordt berekend aan de hand van de bijdragen van de bron in de dagperiode van 7:00 tot 19:00, de avondperiode van 19:00 tot 23:00 en de nachtperiode van 23:00 tot 7:00. Deze rekenwijze geldt voor wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai, niet voor industrielawaai. De formule voor de berekening van Lden is als volgt: Lden = 10 log *1/24 (12* 10log(L day/10)+ 4*log((Lev+5)/10) + 8*log((Lnight+10)/10))) De bijdragen van de dag-, de avond- en de nachtperiode worden energetisch gemiddeld, waarbij de geluidniveaus in de avond- en nachtperiode zwaarder meewegen doordat de ondervonden geluidhinder in deze perioden ernstiger is dan in de dagperiode.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 11
Bijlage 2: afdruk gehele model en van de ligging van de waarneempunten.
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 12
Bijlage 3: uitdraai van de invoergegevens. (zie volgende pagina’s)
Akoestisch onderzoek Kwadijk 25 Weel geluidadvies
Pagina 13
1
Weel Geluidadvies
Projectgegevens projectnaam: opdrachtgever: adviseur: databaseversie: situatie: uitsnede:
Kwadijk woning Chris Cor 911 eerste situatie basismodel
omschrijving rekenhart:
verkeerslawaai 17.2.0 (build2) srmii17;rekenhart17;rmg2019
þ þ
aut. berekening gemiddeld maaiveld: alleen absorptiegebieden( geen hz-lijnen): standaard bodemabsorptie: rekenresultaat binnengelezen (datum): rekenresultaat binnengelezen (tijd):
n.v.t. %
þ
%
10-08-2022 11:46
maximum aantal reflecties: minimum zichthoek reflecties: maximum sectorhoek: vaste sectorhoek: methode aftrek110g:
industrielawaai
1 graden 2 graden 5 graden 2
1 n.v.t. n.v.t. n.v.t.
per wnp per weg RMG2012/2014 art 3.4
rekenmethode:
HMRI 1999
meteo correctie:
þ ¨
jaargetijde zomer: opmerking
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
18-08-2022 15:37
2
Weel Geluidadvies
Gebouwen noklijn nr adres 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
z,gem m,gem 9.0 7.0 3.0 10.0 8.0 9.0 7.0 9.0 8.0 7.0 7.0 6.0 2.8 6.0 9.0 7.0 7.0 10.0 2.8 8.0
0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0 0.0
noksoort 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn 0=geen noklijn
reflectie gevel gekoppeld nokhoogte 1 nokhoogte 2
1
2
3
4 vl/rl
il
---------------------
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80
80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80 80
¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨
¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨ ¨
---------------------
soort geb.
kenmerk
18-08-2022 15:37
3
Weel Geluidadvies
Waarneempunten met rekenresultaten (*) IL: inc. maatregel, VL:inc aftrek, RL: inc prognosetoeslag
nr
z1
m1 adres
1
0.0
0.0
gevel
2
0.0
0.0
gevel
3
0.0
0.0
gevel
4
0.0
0.0
gevel
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
huisnr type afw.toets refl kenmerk
rhart groep VL VL VL VL VL VL VL VL
totaal (0) totaal (0) totaal (0) totaal (0) totaal (0) totaal (0) totaal (0) totaal (0)
sh
wnh
1 1 1 1 1 1 1 1
1.5 4.5 1.5 4.5 1.5 4.5 1.5 4.5
(^) VL: ex. optrektoeslag
dag avond nacht
Lden
af Lden(*) Letm
af Letm(*)
dag(^) avond(^) nacht(^)
56.19 56.15 49.13 49.48 50.46 50.85 32.09 34.03
56.29 56.25 49.24 49.59 50.57 50.95 32.19 34.13
5 5 5 5 5 5 5 5
5 5 5 5 5 5 5 5
56.19 56.15 49.13 49.48 50.46 50.85 32.09 34.03
53.42 53.38 46.37 46.72 47.70 48.09 29.33 31.27
44.85 44.81 37.80 38.15 39.13 39.51 20.75 22.69
51 51 44 45 46 46 27 29
56.19 56.15 49.13 49.48 50.46 50.85 32.09 34.03
51 51 44 44 45 46 27 29
53.42 53.38 46.37 46.72 47.70 48.09 29.33 31.27
44.85 44.81 37.80 38.15 39.13 39.51 20.75 22.69
18-08-2022 15:37
4
Weel Geluidadvies
Rijlijnen snelheden
Intensiteiten nr z,gem 1
0.0
lengte wegdek
hellingcor. groep
209 80 keperverband elementenverh CROW316
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
(1)
omschrijving
kenmerk
art 110g vlicht
etm.intens. % periode
%
1000.0 þ dag 6.80 avond 3.60 nacht .50
licht middel 96.00 96.00 96.00
3.00 3.00 3.00
zwaar 1.00 1.00 1.00
motor
licht middel zwaar motor 30 30 30
30 30 30
30 30 30
18-08-2022 15:37
5
Weel Geluidadvies
Bodemabsorptie nr
lengte
absorptie [%]
1 2 3 4 5 6 7
55 189 273 154 68 31 21
100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0 100.0
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
kenmerk gras gras gras gras gras gras gras
18-08-2022 15:37
Weel Geluidadvies
WinHavik 9.1.1(build 0) (c) dirActivity-software
6
18-08-2022 15:37
Bijlage 2
Quickscan Wet natuurbescherming Kwadijk 25 te Kwadijk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0708
Datum:
14 juli 2022
Samensteller:
ing. L. Pieterman
Collegiale toets:
ir. L. Davids
Opdrachtgever:
Plannen-makers B.V.
Contactpersoon:
C. Vaartjes
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Gebiedsbescherming
16
3.3
Houtopstanden
18
4 Samenvatting
19
4.1
Soortenbescherming
19
4.2
Gebiedsbescherming
19
4.3
Houtopstanden
19
5 Conclusie
20
5.1
Conclusie
20
5.2
Uitvoerbaarheid
20
5.3
Vervolgstappen
20
5.4
Te treffen maatregelen
21
1 Inleiding Aan de Kwadijk 25 te Kwadijk is een voormalig paardenfokkerij met stolpwoning en stal gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te slopen ten behoeve van een nieuwe stolpwoning. Deze zal iets verder vanaf de weg worden gerealiseerd waardoor het bouwvlak aangepast dient te worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?