Bijlage 1 bestemmingsplan EdamZuid.pdf
Tekst van het document
de woningbehoefte, de ruimtebehoefte voor winkelvoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen tot 2010 aan. Het bestemmingsplan Edam Zuid legt de bestaande situatie vast en biedt een beperkt planologisch kader voor mogelijke nieuwe ontwikkelingen.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
viii
Het gemeentelijk beleid voor het plangebied is met name gericht op het behoud en versterken van de woonfunctie, de verkeersstructuur, de groen en waterstructuur, het voorzieningenniveau en het op beperkte schaal mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen.
ISV notitie 2005-2009 Deze notitie betreft het investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing van de gemeente EdamVolendam voor de periode 2005-2009, zoals door de gemeenteraad op 23 juni 2005 is vastgesteld. De prioriteitenstelling van de voornoemde notitie zijn als volgt: - Nadruk op WWZ beleid (Wonen/Welzijn/Zorg/Seniorenbeleid), waarbij een goed gemêleerd aanbod moet zijn nultredewoningen, aanbod van extramurale zorg en gemaksdiensten en aanbod van woningen voor specifieke doelgroepen (senioren/gehandicapten/starters); - woningbouw op diverse herstructurerings/veranderings- en inbreilokaties waarbij zorgvuldig en optimaal ruimtegebruik voorop staat (ICT); - waar mogelijke sanering/verplaatsing van milieuhinderlijke bedrijven in stedelijk gebied naar bedrijventerrein en verbetering van bodemkwaliteit en waterhuishouding; - Versterking recreatie en toeristische attractiviteit. Welstandsnota Op grond van de herziening van de Woningwet per 1 januari 2003 heeft de gemeenteraad 16 maart 2004 een welstandsnota vastgesteld. Een dergelijke nota is een voorwaarde voor het uitvoeren van welstandstoezicht. Het biedt een stelsel van beleidsregels waarin concrete criteria zijn opgenomen waaraan bouwwerken moeten voldoen waarvoor een bouwvergunning wordt aangevraagd.
In de nota worden verschillende criteria voor verschillende gebieden gehanteerd, afhankelijk van de bestaande ruimtelijke structuur en kwaliteit. Het plangebied van dit bestemmingsplan is in de nota ondergebracht bij twee verschillende welstandsgebieden, te weten het Singelgebied en de uitbreidingswijken. Voor beide gebieden geldt een regulier welstandsniveau. Voor beide gebieden worden afhankelijk van de kwaliteit criteria gegeven voor de inpassing binnen de omgeving, de massa en opbouw van bouwwerken en de detaillering materiaal en kleur. Bij de uitbreidingswijken wordt ernaar gestreefd de basiskwaliteiten te behouden. De uitvoering van het welstandstoezicht in genoemde gebieden berust bij de Noord-Hollandse welstandsfederatie die het college van burgemeester en wethouders ter zake adviseert. De relatie van de welstandscriteria en het bestemmingsplan is van belang. Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken, voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen op grond van een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, kan niet door de welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief in de welstandsnota geregeld.
In het bestemmingsplan worden er meer mogelijkheden geboden om tegemoet te komen aan de wensen van burgers om het woongenot te kunnen vergroten. Voorzover het vergunningsplichtige bouwactiviteiten betreft, is binnen de ruimere ‘bouwmogelijkheden’ een belangrijke rol toebedeeld aan de welstand.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
ix
3. RUIMTELIJKE EN FUNCTIONELE ANALYSE VAN HET PLANGEBIED 3.1. Algemeen In onderstaande beschrijving van het plangebied wordt in het kort ingegaan op de ruimtelijke hoofdstructuur, de archeologische waarden en de aanwezige monumenten binnen het plangebied. Het plangebied van Edam Zuid maakt deel uit van het verstedelijkt gebied van Edam. Het ligt aan de zuidzijde van de historische kern van het stadsgezicht Edam. Binnen de hoofdstructuur zijn een aantal bijzondere locaties te onderscheiden. Door de wegen en groenstructuur wordt het plangebied verdeeld in een aantal samenhangende gebieden. Deze vallen samen met de deelgebieden die voor het plangebied worden gehanteerd. Hieronder zal nader worden ingegaan op de structuurbepalende elementen. 3.2. Bebouwingsstructuur De bebouwing langs de Burgemeester Versteeghsingel vormt een lintbebouwing. De structuur laat zich typeren als een singel vanwege de enkelzijdige oriëntatie op het water. De bebouwing herbergt een diversiteit aan woningtypen en de rooilijn kent een wisselend verloop. Een duidelijke karakteristiek is de regelmatige onderlinge afstand van de woningen in het lint. Aan de zuidzijde ligt de Singelwijk, globaal tussen de Roelof Bootstraat en Zuidpolderlaan, een uitbreidingsgebied welke in verschillende bouwstromen vanaf de jaren ’50 is ontstaan.
Het betreft hoofdzakelijk een sobere jaren ’50 buurt met een rationale opzet van enkele doorgaande straten, met daartussen gelegen woonstraten afgewisseld met woningen gelegen rond hoven. Er is sprake van een regelmatig rooilijnpatroon. Ten oosten daarvan, begrensd door Broekgouwstraat, ligt de Molenbuurt. Het betreft een rationeel opgezette buurt uit de late jaren ‘80 en de vroege jaren ’90. De rooilijn kent in dit gebied een strak verloop. Woonstraten worden afgewisseld met enkele woonerven. Het gebied ligt ingeklemd tussen een natuurpark aan de zuidzijde en sportvoorzieningen. Aan de noordzijde van de Molenbuurt ligt het strak verkavelde Zoutziedershof, dat begin 2000 is gerealiseerd. Het gebied dat onderdeel uitmaakt van het voormalige bestemmingsplan Edam III en nu is aangeduid als deelgebied Edam-Zuid, ligt aan de westzijde van de Dijkgraaf Poschlaan. Dit gebied heeft een eigen stedenbouwkundige karakteristiek. De buurt bestaat uit woonerven en woonpaden en is gerealiseerd in de jaren ’70. De buurt heeft een groen karakter en de verkaveling meandert in deze buurt mee. Het afzonderlijke deelgebied Westerbuiten bestaat uit Groot- en Klein Westerbuiten en de Molenwerf. Aan de noordzijde wordt deze buurt begrensd door het bedrijventerrein. Het wordt omgeven door de Purmerringvaart en de Provinciale weg N 247 (Monnickendammerjaagweg).
De ruimtelijke structuur van Groot- en Klein Westerbuiten gelegen langs het water van de Nieuwe Haven, is die van een dubbelzijdige lintstructuur met een nauwelijks verspringende rooilijn. De woningen langs het water oriënteren zich sterk op het water. In een deel van het Groot Westerbuiten staan ook gebouwen die geen deel uitmaken van het lint, te weten de appartementen en de twee-onder-één-kap woningen, die eind jaren ’90 zijn gerealiseerd. De Molenwerf heeft een eigen karakteristiek. Het betreft hier vrijstaande woningen, vrij op de kavel in een groene omgeving. Het plangebied heeft voor het grootste deel een woonfunctie. Er zijn in totaal 1578 woningen aanwezig, waarvan het merendeel is gerealiseerd in de jaren ’70 en ’80. Onderverdeeld naar Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
x
deelgebied betreft het 489 in Edam Zuid, 712 in de Singelwijk, 377 in de Molenbuurt en 71 in Westerbuiten. Het plangebied kent verschillende type woningen. De bebouwing van het plangebied bestaat grotendeels uit eensgezinshuizen. Een onderscheid is hierbij te maken in straatgerichte en tuingerichte woningen. Straatgerichte woningen zijn woningen waarbij de voordeur en tuin liggen aan de straatzijde en de bergingen aan de andere zijde. Bij tuingerichte woningen liggen de voordeur en de bergingen aan de straatzijde en de tuin aan de andere zijde. Daarnaast bevinden zich binnen het plangebied nog vrijstaande woningen en twee-onder-één-kap woningen. Daarnaast zijn er nog op verschillende markante plaatsen woningen in gestapelde vorm gerealiseerd. In de beleving van de wijk is het van belang dat de rijen eensgezinshuizen per rij een éénduidige vormgeving hebben. Tussen de rijen onderling is er sprake van variatie. Deze variatie wordt met name bepaald door de verschillende kap- en gevelvormen. Om het afwisselende beeld van de bebouwing in stand te houden is het van belang dat de verschillende kap- en gevelvormen behouden blijven. Hierdoor zal per rij sprake zijn van één kapvorm en één soort gevel, waardoor voorkomen wordt dat er een rommelig beeld ontstaat. De rijenwoningen hebben over het algemeen een eenvoudige en sobere architectuur, waardoor een rustig straatbeeld is ontstaan.
Het plangebied heeft voor het grootste deel een woonfunctie. Naast de hierboven genoemde woningen zijn er tal van voorzieningen in de wijk gerealiseerd, welke in dit hoofdstuk worden besproken.
3.3. Monumenten Binnen het plangebied zijn drie rijksmonumenten aanwezig, namelijk de molen, Burg. Versteeghsingel 2, het perceel Klein Westerbuiten 22, en een stenen lantaarnpaal in de tuin van Klein Westerbuiten 14. Verder zijn er in het plangebied geen beeldbepalende elementen of andere gemeentelijke of provinciale monumenten aanwezig. 3.4. Archeologie en Cultuurhistorische waarden In juni 2001 heeft de Provincie Noord-Holland een Cultuur Historische Waardenkaart (CHW kaart) uitgebracht, waarbij gemeenten aan de hand van deze kaart bij bouwplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische en archeologische waarden binnen de gemeente. Edam Zuid heeft geen specifieke cultuurhistorische en of archeologische waarden binnen het plangebied. 3.5. Groen en waterstructuur In de zuidoosthoek bevindt zich ten zuiden van de Molenbuurt het natuurpark ‘Molenbuurt’. Dit ecologische park fungeert als een groene buffer tussen de Molenbuurt en de recent gerealiseerde nieuwbouw in het Middengebied van Volendam. In de woonwijken zijn diverse speelplekken, trapveldjes, pleintjes en rustgebieden aangelegd en ontwikkeld. Het gebied heeft diverse vijver- en waterpartijen welke geschikt zijn als waterbuffer, spelevaren en vissen. De slotenstructuur in bedoeld gebied, dient tevens voor afvoer van overtollig oppervlaktewater en toevoer van water bij droogte. 3.6.
Wegenstructuur en verkeer Het verkeer is van invloed op de aanwezige functies binnen het plangebied, waarvan de woonfunctie het belangrijkste is. Wat betreft dit aspect van het openbaar gebied is een onderscheid gemaakt naar gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Bij de gebiedsontsluitingswegen gaat het om wegen met een doorgaand karakter. Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xi
De wegenstructuur is zo ontwikkeld dat het verkeer zo veel mogelijk wordt gespreid en afgewikkeld via die verschillende gebiedsontsluitingswegen. Deze wegen zijn: Oosthuizerweg, Dijkgraaf Poschlaan, Zuidpolderlaan en Dijkgraaf de Ruiterlaan. De Dijkgraaf Poschlaan, Zuidpolderlaan en Dijkgraaf de Ruiterlaan vormen daarbij de locale verbindingswegen tussen de kernen van Edam en Volendam. De duidelijke wegenstructuur is van belang voor de ruimtelijke opbouw van de verschillende deelgebieden en dient behouden te blijven. Deze wegen zijn nadrukkelijk bestemd voor verkeersdoeleinden. Wijzigingen zijn echter nimmer uitgesloten, mits er sprake blijft van een heldere structuur.
De provinciale weg, de N247, de regionale verbindingsweg van Hoorn naar Amsterdam die langs deelplangebied Westerbuiten loopt,. Deze weg vormt een belangrijke schakel in het regionale verkeersnetwerk. Erftoegangswegen zijn bestemd als verblijfsgebied (VG). Dit betekent dat voor al deze wegen een 30km/h-regime geldt. De wegen dienen alleen ter ontsluiting van de aanliggende panden en hebben geen verkeersfunctie voor het doorgaande autoverkeer. Binnen deze bestemming die aansluit bij de primaire woonfunctie van het gebied zijn een aantal daarin passende gebruiksvormen naast een afgestemde verkeersfunctie toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen e.d. 3.6.1. Openbaar vervoer Het openbaar vervoer omvat een aantal buslijnen die in hoofdzaak de gebiedsontsluitingswegen gebruiken. Een voordeel hiervan is dat de bussen goed in de woongebieden kunnen komen. Buslijnen door Edam-Zuid zijn een onderdeel van een goed openbaar vervoernet. De buslijnen verbinden Edam-Zuid via Volendam en de vrije busbaan langs de N 247 met Amsterdam (Centraal Station) en via de N244 met Purmerend.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xii
3.6.2. Langzaam verkeer/fietsers Binnen de woonwijken maken de fietsers gebruik van de rijweg omdat er een 30 km/uur regime geldt en de wegen dan ook ingericht zijn voor gemengd verkeer. Langs de gebiedsontsluitingswegen, waar een max. snelheid van 50 km/uur geldt liggen fietsstroken. Deze fietsvoorzieningen zijn onderdeel van het lokale fietsnetwerk welke vervolgens weer aansluit op het regionale fietsnetwerk. 3.6.3. Autoverkeer Conform het wegencategoriseringsplan dat aan de hand van het ´Startprogramma Duurzaam Veilig` is opgesteld wordt er op een aantal wegen 50 km/uur toegestaan. Wat het autoverkeer betreft wordt het plangebied door de volgende gebiedsontsluitingswegen ontsloten. Vanuit het oosten door de Dijkgraaf de Ruiterlaan, vanuit het zuiden door de Dijkgraaf Poschlaan en vanuit het noorden door de Singelweg. De Dijkgraaf Poschlaan en Singelweg vormen de centrale ontsluitingswegen van het woongebied. Alle gebiedsontsluitingswegen zijn 50 km/uur wegen. Op de meeste overige wegen in de woonwijken zijn maatregelen genomen om de snelheid te beperken, zodat er verblijfsgebieden met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn ontstaan. Binnen deze gebieden zijn de kruisingen gelijkwaardig, zodat alle verkeer van rechts voorrang heeft. 3.6.4. Parkeren Het parkeren binnen het plangebied vindt plaats in langs- en haaksparkeervakken aan de straat en parkeren op eigen erf.
Bij een groot deel van het plangebied is bij de opzet ervan geen consequente parkeernorm gehanteerd. In de huidige situatie wordt, zo mogelijk, gestreefd naar een parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per woning. Door het verdwijnen van parkeermogelijkheden op eigen erf komt de parkeercapaciteit onder druk te staan. In de toekomst zal er daarom rekening mee gehouden moeten worden dat de parkeercapaciteit aan de straat uitgebreid zal moeten worden. Om parkeerproblemen in de Molenbuurt te voorkomen dient bij woningen aangegeven met een (c) (carport) achter de berging of garage een gedeelte van 4,5 meter vrij te blijven om te parkeren. Deze maatregel dient om te voorkomen dat auto’s op de openbare weg geplaatst worden. De wegen zijn hiervoor te smal en verdere parkeerdruk dient in verband met de opzet van de wijk voorkomen te worden. Bij de sportcomplexen en grote winkels zijn parkeerterreinen aanwezig. 3.7.
Voorzieningen
Het plangebied heeft voor het overgrote deel een woonfunctie. Daarnaast zijn er in onderhavig plangebied een aantal voorzieningen gevestigd, welke hieronder worden beschreven. 3.7.1. Detailhandel en Dienstverlening In het plangebied zijn een tweetal winkels gesitueerd, een supermarkt aan de William Pontstraat, welke een buurtfunctie vervult, en een (banket-) bakkerij aan de Burg. Versteeghsingel.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xiii
3.7.2. Maatschappelijke voorzieningen Onder maatschappelijke voorzieningen wordt in onderhavig plan verstaan sociaal-culturele doeleinden, overheidsvoorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid en sociaal-medische voorzieningen zoals een apotheek, bejaardencentrum, culturele, religieuze en onderwijsinstellingen, en daarmee gelijk te stellen sectoren In het plangebied zijn drie onderwijsinstellingen gesitueerd, namelijk de oecumenische basisschool De Trimaran aan de Stellingmolen, de openbare basisschool De Piramide aan de Langemeerstraat en een school voor speciaal onderwijs, De Botter aan de Hendric Dirckszstraat. In de toekomst wordt vooralsnog geen uitbreiding van het aantal klaslokalen op de betreffende locaties voorzien. Er zijn echter voldoende uitbreidingsmogelijkheden opgenomen, waarbij tevens de bebouwingspercentages bij de scholen zijn verhoogd om indien noodzakelijk, ruimte voor uitbreiding te bieden. Hierbij is rekening is gehouden met de gevolgen van een mogelijke klassenverkleining vanwege het gevoerde overheidsbeleid. Overige voorzieningen in het plangebied zijn de openbare bibliotheek aan de Dijkgraaf Poschlaan, een kruisgebouw, het verzorgingstehuis De Meermin aan de Paulus Pietersstraat, het Cultureel Jongerencentrum aan de Burgemeester Versteeghsingel (Nohol) en het laboratorium van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
Ook de begraafplaats aan het Zeevangsdijkje en de molen gelegen aan de Burg. Versteeghsingel zijn onder maatschappelijke voorzieningen gebracht. 3.7.3. Recreatieve voorzieningen Er bevinden zich een aantal sportvoorzieningen in het oostelijk deel van plangebied. Binnen een omvangrijk sportcomplex aan de Keetzijde binnen het deelplan Molenbuurt zijn het atletiekveld van A.V. Edam, het voetbalcomplex E.V.C. en sporthal ’t Bolwerk’ gesitueerd. Tevens is er een locatie van de duivensportvereniging aanwezig. Deze aaneengesloten liggende sportvoorzieningen zijn ondergebracht bij de bestemming “recreatieve voorzieningen” met een nadere aanwijzing sportaccommodatie. 3.7.4. Horeca In het plangebied is aan Groot Westerbuiten één volwaardige horecagelegenheid gevestigd. Het betreft hier een mengvorm van een (eet-)café met dienstwoning. Deze horecagelegenheid is ingeschaald volgens de Staat van Horeca-activiteiten in categorie IV . Conform de nota Horecabeleid welke is vastgesteld door de gemeenteraad in 2003 wordt er een categorie-indeling gehanteerd. Doorslaggevend criterium bij deze categorie-indeling is de overlast die een inrichting veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving waarbinnen deze is gelegen.
Bepalend hiervoor zijn de aard van het aangeboden product, de voorzieningen/activiteiten binnen de inrichting, bezoekersfrequentie, doelgroep waarop de exploitatie is gericht, bezoekersaantal en de openstellingstijd. Categorie I en II vallen binnen de lichtere vormen van horeca. Hoewel volgens de Nota Horecabeleid 2003 in onderhavig plangebied alleen een lichte vorm van horeca-activiteiten worden voorgestaan, betreft het in dit geval een inrichting die in de bestaande situatie al in een hogere categorie, te weten cat. IV kan worden ondergebracht. Deze situatie wordt in het bestemmingsplan gecontinueerd. In genoemde horecanota heeft de gemeenteraad als uitgangspunt genomen, dat het aantal horecavestigingen binnen onderhavig plangebied in principe niet worden vergroot. Bij recreatieve doeleinden (zoals sportkantines) en maatschappelijke doeleinden wordt een ondergeschikte vorm van horeca toegestaan,mits deze een ten opzichte van de hoofdactiviteit ondersteunend karakter heeft. Van dergelijke horeca is slechts sprake in het kader van een andere planologische hoofdbestemming, in het bijzonder maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xiv
4.
MILIEU- EN OVERIGE ASPECTEN
4.1. Bedrijven Verspreid over het plangebied bevinden zich een beperkt aantal bedrijven :een transportbedrijf aan de Burg. Versteeghsingel, een (banket-) bakkerij aan de Burg. Versteeghsingel, een houtbewerkingsbedrijf aan het Groot Westerbuiten, Binnen het plangebied is er aan het Klein Westerbuiten parallel aan de provinciale weg N 247 een benzine-en diesel serviceverkooppunt gevestigd. De genoemde bedrijven zijn opgenomen in de bestemming bedrijfsdoeleinden en zijn ingeschaald volgens de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar opklimmende belasting voor het milieu. Met behulp van een indeling in categorieën wordt aangegeven of de milieubelasting van een bedrijf of bedrijfsactiviteit toelaatbaar kan worden geacht. De bedrijfsinventarisatie, de Staat van Bedrijfsactiviteiten en een toelichting hierop, zijn opgenomen in de bijlagen. Behalve genoemde bedrijven zijn er geen bedrijven. In de directe nabijheid van woningen worden in het algemeen slechts bedrijven die behoren tot de categorie 1 en 2 van de genoemde Staat toelaatbaar geacht. De uitoefening van activiteiten in een hogere categorie is slechts aanvaardbaar indien dat wordt gerechtvaardigd door de geringe omvang van hinderlijke (deel-) activiteiten of dooer het treffen van verdergaande voorzieningen ter voorkoming van hinder.
Het transportbedrijf (cat. 3) met een onderhoudswerkplaats ligt midden in een woonwijk, waar in de loop der tijd diverse klachten met betrekking tot het komend en gaand vrachtverkeer zijn ontvangen. Gezien het aantrekkende vrachtverkeer is de vestiging van het bedrijf planologisch minder wenselijk. Er zijn evenwel onvoldoende redenen voor sanering of beëindiging van de vestiging. Het bedrijf is dan ook positief bestemd. Wel is de mogelijkheid gecreëerd om via een wijziging van de bestemming een minder voor de omgeving belastende functie te realiseren, te weten de bouw van garageboxen. Het houtbewerkingsbedrijf annex kleine timmermanswerkplaats aan het Groot Westerbuiten (cat 3) is omsloten door woningen. De vestiging van het bedrijf is in de loop der tijden binnen een woonfunctie gegroeid. Vanwege het kleinschalige karakter zijn er weinig klachten geweest en het bedrijf beschikt sinds 1985 over een milieuvergunning. Om deze redenen is er onvoldoende basis meer om tegen de bedrijfsactiviteiten op te treden en deze alsnog te doen beëindigen Wel is het wenselijk, dat na een bedrijfsbeëindiging de activiteiten niet worden voortgezet. Om deze reden wordt voor het pand de aanwezige woonbestemming gecontinueerd en is het bedrijf onder het overgangsrecht geplaatst. Op basis van de bovenstaande kunnen de volgende uitgangspunten worden geformuleerd: -
consolideren van het transportbedrijf Van Wees aan de Burg. Versteeghsingel met handhaving van de bedrijfsbestemming; behoud van de bestemming woondoeleinden voor het houtbewerkingsbedrijf, waardoor de huidige bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht vallen;
Bij bedrijfsbeëindiging wordt voor het houtverwerkingsbedrijf ter plaatse geen nieuw bedrijfsvestiging uit milieutechnische overwegingen toegelaten, in het bijzonder vanwege de ligging te midden van woonbebouwing. Continuering van een soortgelijk bedrijf is planologisch onwenselijk.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xv
4.2.
Prostitutie
Binnen dit bestemmingsplan is niet de mogelijkheid opgenomen om een prostitutiebedrijf en/of seksinrichtingen te kunnen realiseren. 4.3.
Waterhuishouding
Beschrijving waterhuishoudkundige situatie Zuidpolder: Het plangebied kent twee verschillende watersystemen, te weten de Zuidpolder en het boezemgebied Purmerringvaart. Het watersysteem binnen het plangebied heeft een streefpeil van -1,43 N.A.P. Het gebied slaat water uit op het Markermeer middels een tweetal gemalen. Water kan worden ingelaten op drie plaatsen, twee te Edam aan de Purmerringvaart en één te Volendam (het Markermeer). Het watersysteem ter plaatse van de Purmerringvaart heeft een streefpeil van - 0,50 N.A.P. Het boezemwater wordt rechtstreeks uitgeslagen op het Markermeer. 4.3.1. Watertoets/overleg waterbeheerder In het plangebied wordt het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer van het boezemwater en het polderwater gevoerd door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, die tevens beheerder is van de (boezem) waterkeringen. Gedeputeerde Staten (GS) beoordelen vanaf 1 juli 2002 alle ruimtelijke plannen van provincie, gemeenten en waterschappen op de watertoets. Hierbij wordt gekeken wat de effecten van (bouw)plannen zijn voor de waterkwaliteit. Voor de Zuidpolder is in 2002 een waterplan gemaakt dat in december 2002 door zowel gemeente als de waterkwaliteits-en kwantiteitsbeheerder ondertekend is. Voor de overige gebieden is (nog) geen overleg gepleegd met de waterbeheerder.
De mogelijke ontwikkelingen in onderhavig plangebied zijn beperkt van aard, zodat er geen nadelige invloeden te verwachten zijn voor de waterhuishouding. De relevante regionale waterkeringen met hun kernzones zijn aangegeven op de plankaart. Deze waterstaatswerken vallen onder de werking van de keur van het genoemde Hoogheemraadschap. Met het oog op een afstemming met de waterhuishoudkundige belangen die het Hoogheemraadschap worden behartigd, zijn deze waterkeringen afzonderlijk bestemd. Dit heeft tot gevolg dat binnen deze bestemming voor bepaalde handelingen vooraf instemming van het Hoogheemraadschap noodzakelijk is. 4.4.
Wegverkeerlawaai
Voor het plangebied zijn een drietal wegen relevant ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai: de Dijkgraaf de Ruiterlaan, Zuidpolderlaan en Dijkgraaf Poschlaan (de gebiedsontsluitingswegen) Op deze wegen geldt een maximumsnelheid van 50 km per uur. De overige wegen binnen het plangebied zijn aangewezen als 30 km/uur-zone, waarvoor van rechtswege geen geluidszone geldt. Voor asfaltwegen geldt een lagere geluidsbelasting dan voor wegen die niet geasfalteerd zijn. De Dijkgraaf de Ruiterlaan, Dijkgraaf Poschlaan en de Zuidpolderlaan zijn asfaltwegen. De komende jaren is op de drie wegen, namelijk de Dijkgraaf de Ruiterlaan, de Zuidpolderlaan en de Dijksgraaf Poschlaan een toename te verwachten met betrekking tot de verkeersintensiteit als gevolg van de toekomstige nieuwbouw in de Zuidpolder. In de onderstaande tabel is een prognose tot 2010 gemaakt voor alle 3 de ontsluitingswegen. Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xvi
Weg/straat
Huidige intensiteit 2006
Prognose (2010)*
Dijkgraaf de Ruiterlaan Dijkgraaf Poschlaan Zuidpolderlaan
2.800 11.150 3.150
5.550 14.000 6.300
* gegevens verkeersmodel Edam-Volendam 2006
Voor de woningen langs de genoemde wegen geldt op grond van de Wet geluidhinder een voorkeurswaarde van 48 dB Lden. Hieraan kan niet in alle gevallen worden voldaan. De gevelbelasting als gevolg van het wegverkeer zal, afhankelijk van de toegepaste soort asfalt en de afstand tot de wegas, tussen de 50 en 65 dB Lden liggen. In het milieubeleidsplan 2005-2008, waarin de doelstellingen voor het milieubeleid zijn vastgelegd, wordt aangegeven dat de doelstellingswaarde voor woningen langs wegen, waarvoor op grond van de Wet geluidhinder een zone geldt, tussen de 55 en 65 dB(A) is. Door de wijziging van de Wet geluidhinder wordt deze waarde echter niet meer uitgedrukt in dB(A) etmaalwaarde, maar in dB Lden. Middels de beschikbare wegenbouwtechnieken wordt de geluidsbelasting als gevolg van de weg zoveel mogelijk teruggedrongen. De situatie ten aanzien van het wegverkeerslawaai heeft geen ruimtelijke gevolgen voor het plangebied. 4.5. Bodemkwaliteit Het beleid van de provincie Noord-Holland gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch bodemonderzoek te worden verricht.
Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren). Met betrekking tot de gronden waarop mogelijk ontwikkelingen zijn toegestaan, is op de kaart aangegeven waar wijziging van de functies mogelijk zijn. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat er ter plaatse geen sprake zal zijn van een dusdanig ernstige bodemverontreiniging, waardoor de realisatie van toekomstige functies worden gefrustreerd. Bij mogelijke bouwplannen dient wat betreft de bodemkwaliteit op grond van de bouwverordening onderzoek naar de bodemgesteldheid te worden gedaan. 4.6. Kabels en leidingen In het plangebied bevinden zich geen hogedruk aardgasleidingen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich wel een hogedruk aardgasleiding. Echter deze bevindt zich op >230 meter vanaf de grens van het plangebied waardoor ruimschots wordt voldaan aan zowel de toetsingsafstand als de veiligheidsafstand in de circulaire “Zonering langs hogedruk aardgastransportleidingen” van het ministerie van VROM.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xvii
4.7. Luchtkwaliteit In het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn normen opgenomen voor de maximale blootstelling aan zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, lood, koolmonoxide, benzeen en zwevende deeltjes (PM10). In de gemeente Edam-Volendam in het algemeen – en in het plangebied in het bijzonder – kan worden gesteld dat vanuit de luchtkwaliteit gezien enkel PM10 en NO2 relevant zijn. Dit mede door het ontbreken van zware industrie en (grote) energiecentrales in de gemeente of de onmiddellijke nabijheid daarvan. De bedrijfsmatige activiteiten binnen het plangebied hebben een te verwaarlozen invloed op de luchtkwaliteit. Wel van invloed op de luchtkwaliteit binnen het plangebied – en dan specifiek met betrekking tot de eerder genoemde PM10 en NO2 - is het verkeer op de provinciale weg N 247 en de het plangebied doorsnijdende ontsluitingsweg Dijkgraaf Poschlaan/Singelweg. In de nabijheid van deze wegen kan zich als gevolg van de combinatie verkeersdruk en meteorologische omstandigheden (langdurig matige wind uit zuid en/of oost) de norm voor de 24uurgemiddelde concentratie van PM10 (meer dan 35 maal per kalenderjaar hoger dan 50 microgram per m³) worden overschreden.
Aan de hand van het “Provinciaal actieplan luchtkwaliteit 2005”, Hoofdstuk 3 “De luchtkwaliteit in Noord-Holland” kan worden gesteld dat binnen het plangebied: - de gemeten jaargemiddelde achtergrondconcentratie van PM10 en NO2 in 2003 voldeed aan de norm; - de geprognosticeerde ontwikkeling van de achtergrondconcentraties van PM10 en NO2 in 2010 naar verwachting eveneens vallen binnen de norm. Dit bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die qua luchtkwaliteit negatieve effecten hebben voor het plangebied. Daar waar via de wijzigingsbevoegdheid (woning)bouw mogelijk wordt gemaakt zal nadrukkelijk aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 worden getoetst. 4.8. Externe veiligheid Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beheersen van risico´s en de effecten van calamiteiten en het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. De veiligheid van burgers wordt gewaarborgd op basis van een bepaalde gekwantificeerde risico-acceptatie. Dit houdt in dat het risico voor de individuele burger niet groter mag zijn dan een in een getal uit te drukken risicogrootheid. Deze risicobenadering houdt het volgende in. De risico´s worden gekwantificeerd en uitgedrukt in twee risicomaten.
De ene risicomaat – het plaatsgebonden risico is bedoeld om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde woonomgeving ( de ten minste in acht te nemen grenswaarde die niet mag worden overschreden). De andere risicomaat – het groepsrisico genoemd – is bedoeld om er voor te zorgen dat de kans op een bepaald aantal dodelijke slachtoffers ( als een maat voor de omgeving of ernst van een ramp) beneden bepaalde grenzen blijft ( een oriënterende waarde waarvan gemotiveerd mag worden afgeweken). Naast de beoordeling van de kans op een ramp zijn andere afwegingen eveneens Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xviii
noodzakelijk. Zo zijn onder andere de mate van beheersbaarheid van de mogelijke ramp en de mogelijkheid van zelfredzaamheid van de burger onderdeel van de normering. Met behulp van de hierboven gekwantificeerde risicobenadering wordt een uniform beschermingsniveau voor de individuele burger gerealiseerd. Bij de externe veiligheid wordt vaak gesproken over risicovolle bedrijven. Het onderscheid tussen risicovolle – en niet risicovolle bedrijven is niet afhankelijk van het al dan niet aanwezig zijn van een gevaarlijke stof. Het is afhankelijk van de hoeveelheid gevaarlijke stof in het licht van de gevaarseigenschappen van de stof waardoor effecten buiten het bedrijfsterrein mogelijk zijn . Risicovolle bedrijven hebben gemeenschappelijk dat zij hoeveelheden gevaarlijke stoffen gebruiken of maken die bepaalde aangegeven minimale hoeveelheden overschrijden. Bedrijven met gevaarlijke stoffen die onder bepaalde minimale hoeveelheden blijven, zijn niet risicovol en worden omschreven als bedrijven met een minimaal risico. Bedrijven die risicovol zijn voor de omgeving door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen vallen onder het besluit externe veiligheid inrichtingen. Binnen het bestemmingsplangebied zijn geen bedrijven gelegen die onder het besluit externe veiligheid inrichtingen vallen, er zijn alleen bedrijven met een minimaal risico gelegen.
Voor deze bedrijven zijn geen bijzondere externe veiligheidsnormen en –regels, anders dan de gangbare regels die gelden om een bepaalde afstand tot de bedrijfsterreingrens aan te houden. Aansluitend op het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven waarvan het plaatsgebonden risico contour de richtwaarde (PR 10-6/jr) noch het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico over het plangebied reikt. Gezien het feit dat over de N247 en incidenteel de gebiedsontsluitingsroutes vervoer met gevaarlijke stoffen plaatsvindt (waarbij LPG maatgevend is, moeten voor de locaties langs die wegen het plaatsgebonden en groepsrisico in beeld gebracht te worden. De normen voor het plaatsgebonden en groepsrisico die worden gehanteerd hebben tot doel een voldoende veiligheidsniveau te garanderen voor de burger als persoon dan wel deel uitmakende van een groep. Bij een dergelijke berekening gaat het om mensen die niet beroepsmatig betrokken zijn bij de activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico (PR) op een bepaalde plaats is het risico op overlijden van het individu ten gevolge van een ongeluk met een naburige activiteit, terwijl dat individu buitenshuis is , en die activiteit gedurende een jaar plaatsvindt. Bij een groepsrisico (GR) wordt bezien welke de consequenties zijn van een zwaar ongeval op een wegvak, voor de bevolkingsgroep in de omgeving daarvan.
Hierbij wordt rekening gehouden met het gegeven hoeveel mensen in de nabijheid verblijven. De risico´s voor vervoer van gevaarlijke stoffen hebben betrekking op de directe consequenties voor mensen in de omgeving langs routes ten gevolge van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in het geval dat zich een ernstig ongeval zou voordoen. Voor dergelijke risico´s worden als maatgevend het bulkvervoer van brandbare en toxische gassen en vloeistoffen beschouwd.
4.9. Flora en Fauna Het plangebied maakt geen onderdeel uit van natuur- of groengebieden met een beschermde status, zoals speciale beschermingszônes uit de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, staats- of beschermde natuurmonumenten of Relatienotagebieden. In het plangebied is het natuurpark de ‘Molenbuurt’ gelegen en beslaat ca. 4.7 ha. Gezien het bovenstaande komt binnen het plangebied geen bijzondere en of beschermde flora en fauna voor. Dit aspect is dan ook niet van belang. Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xix
4.10. Antenne-installaties Antenne-installaties ten behoeve van mobiele telecommunicatie zijn onder bepaalde voorwaarden op grond van artikel 5 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-vergunningsplichtige bouwwerken vergunningsvrij. Antennes van 5 meter tot 40 meter hoogte zijn op grond van hetzelfde besluit licht-vergunningsplichtig. Dit betekent dat deze bouwwerken getoetst dienen te worden aan het bestemmingsplan. In het kader van het nationale antennebeleid worden omtrent de plaatsing van antennes onderling afspraken gemaakt tussen de providers. Een en ander resulteert in een jaarlijks plaatsingsplan waar de bestaande en mogelijke locaties zijn voorzien. Voor zover er geen sprake is van een bouwvergunningsvrije antenne, dient planologisch rekening te worden gehouden met locaties waar antennes kunnen worden geplaatst. Omdat het plangebied een bestaande structuur heeft, zijn er beperkte mogelijkheden om hoge antennes te kunnen plaatsen. Dit wordt als ongewenst beschouwd. Binnen het plangebied is er evenwel een gebied, waar binnen zekere randvoorwaarden plaatsing niet als bezwaarlijk wordt gezien vanwege het feit dat de ruimtelijke uitstraling beperkt is. Met name het open gebied in het deelplan Molenbuurt met de bestemming ‘recreatieve doeleinden ’ leent zich daarvoor.
In de voorschriften wordt met vrijstelling de plaatsing van een antenneinstallatie tot 40 meter mogelijk gemaakt. 4.11 Handhaving Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elk maatregel die er op is gericht de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving in het bijzonder betrekking op de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de Woningwet. Bij het overtreden kan worden gedacht aan bouwen zonder vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan of een vrijstelling. Handhaving vindt op twee manieren plaats: preventief of repressief. Preventieve handhaving bestaat uit een actief toezicht door en namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatig controles uit te voeren ten aanzien van de verleende vergunningen of door regelmatige gebiedscontroles.
Verder is het in dit verband belangrijk dat duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels worden opgesteld en voor een goede voorlichting en communicatie richting de burgers wordt zorg gedragen Repressieve handhaving omvat het toepassen van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Ook is het mogelijk strafrechtelijk op te treden en privaatrechtelijk actie te ondernemen, indien er inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht van de gemeente. De uitvoeringsnota handhaving Bouw - en Milieuzaken van de gemeente Edam- Volendam van 2002 , zoals vastgesteld geeft richtlijnen en aanbevelingen voor de handhaving van ruimtelijke regelgeving, in bijzonder ten aanzien van bouwen. De uitvoering van het bouwtoezicht is op die basis geïntensiveerd. Binnen dit kader is het wenselijk dat de gemeente een actieve en efficiënte handhavingsrol blijft spelen. Voor het onderhavige plangebied is gestreefd door goede en vooral duidelijke voorschriften een draagvlak te creëren voor de handhaving. In het bestemmingsplan is daartoe aangesloten op de actuele maatschappelijke behoefte wat betreft bouwen en gebruik. De kaart, toelichting en voorschriften zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatie- en uitvoeringsproblemen zo veel mogelijk worden voorkomen.
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xx
5. GEBIEDSVISIE Op basis van het voorgaande beschreven in de ruimtelijke en functionele analyse is hieronder in het kort de gebiedsvisie van het plangebied samengevat. 5.1. Algemene uitgangspunten Het plangebied Edam Zuid bestaat voornamelijk uit een woongebied, bestaande uit 4 deelgebieden namelijk de Molenbuurt, de Singelwijk, Edam-Zuid, Westerbuiten. De huidige ruimtelijke structuur dient te worden geconsolideerd. Slechts beperkt is er ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Tevens wordt in het bestemmingsplan tegemoet gekomen aan uitbreidingswensen van bewoners ten behoeve van een vergroting van het wooncomfort, binnen een kader van hetgeen ruimtelijk en stedenbouwkundig verantwoord is. Dit betekent concreet dat bij verschillende typen woningen de bouwmogelijkheden zijn verruimd. De bebouwingsstructuur, de woonfunctie en het voorzieningenniveau dient behouden te blijven. Binnen de ruimtelijke structuur zijn voornamelijk eensgezinswoningen gebouwd. De verschillen tussen deze eensgezinswoningen komen met name tot uiting in de kap- en gevelvormen. Deze variatie in kapvormen tussen de verschillende rijen woningen dient behouden te blijven. Bij relatief veel woningen zijn aan de voor- en achterzijde dakkapellen gerealiseerd. In de meeste gevallen vormen de dakkapellen een ondergeschikt element op het hellende dakvlak.
Zij zijn in het algemeen tussen de dakgoot en de nok of dakrand geplaatst. Bij bepaalde type woningen zijn zij uit de goot dan wel tot de nok gebouwd. Vanwege het ondergeschikte karakter van de toevoeging en de duidelijke verschijningsvorm zijn zij aan te merken als dakkapel. In het algemeen wordt de plaatsing en situering nader bepaald via het welstandsbeleid. Aan de achterzijde van de woning zijn de mogelijkheden voor plaatsing van dakkapellen aanmerkelijk verruimd in aansluiting op de mogelijkheden van het Besluit vergunningsvrije bouwwerken met betrekking dakkapellen aan de achterzijde. Verder is voor woningen met een flauwe kap (dakhellingen minder dan 35° ) de bestaande praktijk bestendigd, welke het mogelijk maakt binnen voorwaarden een grote dakkapel die uit de nok dan wel uit de goot wordt gebouwd. Bij dit type woningen is dit de enige manier om effectief woonruimte te kunnen winnen. Aan de achterzijde wordt een dergelijke ingreep aanvaardbaar geacht. Bij de realisatie van dakkapellen aan de voorzijde dient er voor gezorgd te worden dat de kap altijd herkenbaar blijft. Bovendien dienen de dakkapellen zoveel mogelijk eenduidig vorm te worden gegeven en aan te sluiten bij de architectuur van de woning. Gezien het voorgaande is een belangrijke functie weggelegd voor het welstandstoezicht.
Bij een klein aantal woningen zijn toevoegingen op het dak geplaatst die een duidelijke massa hebben en waarvan de onderzijde van de constructie in het verlengde van het gevelvlak ligt dan wel de constructie de noklijn doorbreekt. De basis kapvorm is daardoor minder herkenbaar. Gezien de omvang en constructie is veeleer sprake van een dakopbouw. Dit geldt in het bijzonder bij de woningen in de Molenbuurt, waar voor hoeksituaties een dergelijke opbouw bij het oorspronkelijke ontwerp van de woning is voorzien. Nieuwe dakopbouwen, die per definitie geen ondergeschikt karakter hebben als toevoeging op het dakvlak, zijn in het plangebied in principe niet toegestaan. Voorts kunnen de volgende uitgangspunten voor de gebiedsvisie worden geformuleerd: • •
Het verruimen van bebouwingsmogelijkheden ten aanzien van de bestemming wonen; Het verruimen van de bebouwingsmogelijkheden ten behoeve van het wonen bij de verschillende typen woningen binnen het plangebied;
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xxi
• • • • • •
De in de loop der jaren gegroeide situatie vastleggen en een leidraad bieden voor (beperkte) mogelijke nieuwe ontwikkelingen; Een beleid ten aanzien van dakkapellen en dakopbouwen, waarbij ook een belangrijke rol voor de welstandscommissie is weggelegd; Voorzieningenniveau dient in stand gehouden te worden; Waar mogelijk consolideren van de aanwezige bedrijven binnen het plangebied (zie ook hoofdstuk 5, paragraaf bedrijven); Het vastleggen van de in de loop der jaren gegroeide situatie en het mogelijk maken van beperkte nog nader uit te werken ontwikkelingen binnen het plangebied; Het mogelijk maken van een wijzigingsbevoegdheid voor een aantal locaties welke onder paragraaf 5.2 worden beschreven.
5.2. Uitgangspunten ontwikkelingen De ontwikkelingen binnen het plangebied zijn beperkt en met name van functionele aard. Uitgangspunt hierbij is behoud en zo mogelijk versterking van de woonfunctie. Deze veranderingen, welke beperkt van aard zullen zijn, dienen zoveel mogelijk te passen binnen de ruimtelijke structuur van het plangebied. Voor Klein Westerbuiten 3 (voormalige burgemeesterswoning) was aanvankelijk de mogelijkheid opgenomen de woning te slopen en enkele vrijstaande bungalows mogelijk te maken. Onder andere door de inspraakreacties op dit bestemmingsplan is dit idee verlaten. De woning is inmiddels verkocht met het doel te dienen als woning voor een gezin. In de verkoopvoorwaarden is aangegeven dat de mogelijkheid bestaat om de woning beperkt (ca 40 m²) uit te breiden aan de achterzijde en daarnaast ca 250 m² kantoren toe te voegen in de achtertuin. Het bestemmingsplan is op deze wijziging van de plannen aangepast. Om invloed te kunnen blijven houden op de locatie van de eventueel te bouwen kantoren is gekozen voor het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid (zie artikel 23 van de voorschriften). Voor de bedrijfslocatie Burg. Versteeghsingel 22d is een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen indien het transportbedrijf ter plaatse wordt beëindigd. Het bedrijf ligt in een rustige woonbuurt. ingeklemd tussen de Schuttersgracht (Burg.
Versteeghsingel) en aan de andere kant de Molentocht (Roelof Bootstraat). De aanwezige woningen zijn allen gericht op de openbare weg met aan de achterkant een tuin. Tussen de genoemde woonstraten, aan de tuinzijde van de woningen is een toegangsweg voor garageboxen gelegen, welke in eigendom zijn van de Vereniging van eigenaren. De entree van het transportbedrijf is gelegen aan deze toegangsweg. Het bedrijf is niet zichtbaar vanaf de Burg. Versteeghsingel en alleen bereikbaar met vrachtwagens via de Roelof Bootstraat. Naast de woning is een loop/fietspad gelegen. Bij bedrijfsverplaatsing is het vestigen van een nieuw bedrijf op onderhavig perceel in deze woonbuurt niet wenselijk vanwege de uitstraling en overlast ervan voor de omgeving. Uitgaande van de bestaande situatie wordt een aanvulling van de aanwezige garageboxbebouwing als een mogelijke ontwikkeling gezien, waardoor er sprake is van zekere mate van upgrading van het gebied. Gelet op de maatvoering van het perceel zijn ter plaatse maximaal 8 garageboxen mogelijk. Hieraan is invulling gegeven door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid (zie artikel 23 van de voorschriften).
Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xxii
6.
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen. 6.1
Planvorm
Het bestemmingsplan heeft voornamelijk een consoliderend karakter. Het vervult in belangrijke mate een beheers- en gebruiksfunctie en staat in beperkte mate ontwikkelingen toe. Beperkt worden nieuwe ontwikkelingen c.q. functies mogelijk gemaakt. Gezien het gewenste behoud van de ruimtelijke en functionele structuur en de beperkte mate van nieuwe ontwikkelingen, is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling met een eventuele wijzigingsbevoegdheid waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. De voorschriften zijn als volgt onderverdeeld. Hoofdstuk I bevat de inleidende bepalingen, waaronder de begripsbepalingen en wijze van meten. Hoofdstuk II omvat de bestemmingsplanbepalingen. Hoofdstuk III bevat de percentages en dubbeltelbepaling, bestaande afstanden en andere maten, hoogteaanduidingen en overschrijding bouwgrenzen. Dit hoofdstuk bevat tevens vrijstellings- c.q. wijzigingsbevoegdheden en algemene procedurevoorschriften. De vrijstellings- c.q. wijzigingsbevoegdheden van Burgemeester en wethouders zijn gebaseerd op de artikelen 11 en 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en zorgen voor een verruiming en flexibele uitvoering van het plan. Hoofdstuk IV bevat de overgangs- en slotbepalingen.
Hierin zijn de overgangsbepaling, het gebruik wat in strijd is met onderhavig bestemmingsplan en de strafrechtelijke bepaling en de slotbepaling opgenomen.
6.2 -6.4 Bestemmingsregeling. Toelichting per bestemming De verschillende in het plangebied aanwezige functies zijn in overwegende mate overeenkomstig het bestaande gebruik bestemd. Dit heeft geresulteerd in 15 verschillende bestemmingen. De belangrijkste bestemmingen worden hieronder toegelicht. 6.2.1. Woondoeleinden (W) Het wonen is de belangrijkste functie binnen het plangebied. De basis van de bestemmingsregeling voor deze functie wordt gevormd door drie bestemmingen: Woondoeleinden, Erven en Tuinen. De definitieve regeling is gebaseerd op een afweging tussen enerzijds een maximaal woongenot voor de bewoners en anderzijds het streven naar het behoud van de bestaande ruimtelijke kwaliteit. Dat wil zeggen dat uitgaande van de bestaande situatie er een belangrijke mate van verruiming van de bebouwingsmogelijkheden aan en bij de woningen is voorzien om op die wijze het woongenot te kunnen optimaliseren. Daarbij is voortgeborduurd op de bestaande bebouwingsmogelijkheden van de vigerende bestemmingsplannen. Bij de verruimde bouwmogelijkheden dient de stedenbouwkundige kwaliteit te zijn gewaarborgd. Om een ongewenste dichtslibbing en volumineuze bouw te voorkomen zijn de bouwmogelijkheden geclausuleerd door bouwpercentages en hoogten. Per saldo zijn de bouwmogelijkheden verruimd ten opzichte van vigerende bestemmingsplannen.
Op deze wijze wordt ook beoogd om het aantal vrijstellingen te beperken. Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xxiii
Bij de regeling zijn de volgende begrippen voor hoofdgebouw, aanbouwen en bijgebouwen bij de bestemming Woondoeleinden, Erven en Tuinen van belang: -
-
-
hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmeting of functie als belangrijkste gebouw valt aan te merken; aanbouw: een aan een hoofdgebouw aangebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw; bijgebouw: een vrijstaand afzonderlijk van het hoofdgebouw in functioneel en bouwkundig opzicht te onderscheiden, op hetzelfde bouwperceel gelegen, gebouw.
De gronden waar de hoofdgebouwen zich bevinden hebben in principe de bestemming woondoeleinden. De aanbouwen zijn voorzien binnen dezelfde bestemming. Bij de tuingerichte woningen is aan de voor én achterzijde een strook gelegd waarbinnen aanbouwen met een beperkte goothoogte mogelijk wordt gemaakt. Bij straatgerichte woningen is dit alleen aan de achterzijde gedaan. De tuingerichte woningen zijn in het bijzonder aanwezig in de deelgebieden van EdamZuid en de Molenbuurt. Daarnaast blijft een aanbouw mogelijk binnen de erfbestemming. In de regeling is uitgegaan van de goothoogten die overeenkomen met de bestaande situatie voor woningen met twee bouwlagen en een kap. In enkele gevallen is er gekozen om vanwege het specifieke en individuele karakter van de aanwezige bebouwing de goothoogten in halve meters weer te geven. Dit geldt in het bijzonder voor de woningen aan de Burg. Versteeghsingel (Singelwijk). Voor de vrijstaande woningen is een bijzondere regeling getroffen. Voor deze woningen –die als zodanig zijn aangeduid op de plankaart- zijn, ruime bouwvlakken gemaakt. Daarbinnen dienen de aan- en uitbouwen gesitueerd te worden. Een aantal woningen - twee onder een kap of geschakeld – hebben een bouwvolume, zodat de uitstraling en verschijningsvorm vergelijkbaar zijn met een vrijstaande woning.
Vanwege dit vrijstaande karakter en beeld zijn die woningen ondergebracht bij de vrijstaande woningen en is de daarvoor geldende methodiek van toepassing. Op de gronden met de bestemming “tuin” zijn geen gebouwen toegestaan (met uitzondering van een erker aan de bestaande gevel tot een maximale diepte van 1.00 meter en een maximale breedte van 50% van de gevel alsmede een bijgebouw van geringe omvang) en worden de bebouwingsmogelijkheden van de Woningwet inzake het vergunningsvrij bouwen gevolgd. Deze aanpak sluit tevens aan bij de ’voor- en achterkantbenadering’ van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtvergunningsplichtige bouwwerken, dat per 1 januari 2003 in werking is getreden. Voor de bestemming Woondoeleinden zijn regels gegeven voor het hoofdgebouw van de woningen en eventuele aanbouwen en hoogte aan de gronden waar de hoofdgebouwen zich bevinden. Het bouwvlak is strak begrensd. Uitgangspunt voor de bouwdiepte van het hoofdgebouw is de feitelijk gebouwde situatie zoals blijkt uit de grootschalige basiskaart en kadastrale gegevens. De diepte van een woning kan worden afgeleid van de plankaart. Er is sprake van een woonbestemming voor de diverse typen woningen, al dan niet straat- of tuingericht, of twee-onder-een kap. Een uitzondering geldt voor de vrijstaande woningen waarvoor qua methodiek een bijzondere bouwregeling is gemaakt.
Deze zijn afzonderlijk met een nadere aanwijzing vermeld. Hetzelfde geldt voor de woningen in gestapelde vorm. Voor die woningen Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xxiv
gelden vanwege hun aard geen uitbreidingsmogelijkheden aangezien de maximale bebouwingsmogelijkheden reeds zijn benut. De ligging van de voorgevelrooilijn is op de plankaart nader aangeduid. Daarmee wordt het systeem van de voor- en achterkantbenadering van het besluit bouwvergunningsplichtig en lichtvergunningsplichtig bouwwerken gevolgd. Toelichting: er wordt uit welstandelijke en stedenbouwkundige overwegingen een onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant van een woning. Het bouwen aan de voorkant wordt over het algemeen vanuit deze optiek als kwetsbaarder ervaren dan bouwen aan de achterzijde. In de meeste gevallen is duidelijk wat als voorkant van de woning dient te worden beschouwd. Dit geldt met name bij straatgerichte woningen. Straatgerichte woningen zijn woningen waarbij de voordeur en tuin aan de straatzijde ligt en de berging aan de andere zijde. Er zijn evenwel ook type woningen waarbij niet altijd duidelijk is waar de voorkant van de woning zich bevindt hetgeen bij tuingerichte woningen het geval is. Tuingerichte woningen zijn woningen waarbij de voordeur en de bergingen aan de straatzijde liggen en de tuin aan andere zijde. De meest gangbare benadering, ook vanuit jurisprudentie luidt dat de kant waar de voordeur, entree en brievenbus zich bevinden, wordt beschouwd als de voorkant.
Bij de flatwoningen bij de Bergmolen bevindt de voorgevelrooilijn op de kaart zich juist aan de andere zijde aangezien de entree en de galerijen zich aan de andere zijde bevinden. De uitbreidingsmogelijkheden voor woningen zijn voorzien binnen het bouwvlak, aangezien er een strook bij de woningen is getrokken. Dit betekent dat de woningen tot een maximum van 2,5 m diep met een maximale goothoogte van 3.00 meter kunnen worden uitgebreid. Voor zover direct grenzend aan de voor- en achterzijde (niet de zijgevel)is de maximale bouwhoogte beperkt tot maximaal 0,25 m boven de eerste verdiepingsvloer Deze regeling maakt het daar mogelijk de uitbreiding in een bouwlaag uit esthetische en praktische overwegingen te kunnen voorzien van een bescheiden kap in de vorm van een lessenaarsdak. Deze voornoemde bebouwingsmogelijkheden aan de voor- en/of achterzijde vallen onder de bestemming Woondoeleinden (W3). Daar waar dat ruimtelijk mogelijk en verantwoord is, is voorzien in de mogelijkheid om aan de zijgevel een aanbouw (W3) te realiseren. Dit doet zich in het bijzonder voor in het deelgebied Edam-Zuid. Dakkapellen zijn een algemeen aanvaard maatschappelijk verschijnsel die ook in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt om het bruikbaar woonoppervlak te vergroten. Aan de voorzijde wordt de bestaande praktijk gehandhaafd voor de dakkapel als ondergeschikte toevoeging aan het dakvlak.
De vormgeving, massa en de plaatsing in het voordakvlak zijn een zaak van het welstandstoezicht in het kader van het verlenen van de bouwvergunning. Voor dergelijke bouwwerken zijn in de welstandsnota expliciet criteria opgenomen die moeten waarborgen dat de dakkapellen welstandelijk passen in de architectuur van de woning en omgeving. In het bestemmingsplan is slechts nadrukkelijk aangegeven dat de breedte van de gezamenlijke dakkapellen nooit meer mag bedragen dan 40% van de gevelbreedte van de woning. Aan de achterzijde van de woning zijn de mogelijkheden voor plaatsing van dakkapellen aanmerkelijk verruimd in aansluiting op de mogelijkheden van het Besluit vergunningsvrije bouwwerken met betrekking dakkapellen aan de achterzijde. Verder is er voor woningen met een flauwe kap de bestaande praktijk bestendigd, welke het mogelijk maakt binnen voorwaarden een grote dakkapel te plaatsen die uit de nok dan wel uit de goot wordt gebouwd. Bij dit type woningen is dit de enige manier om effectief woonruimte te kunnen winnen. Aan de achterzijde wordt een dergelijke ingreep aanvaardbaar geacht. Gelet op het Besluit bouwvergunningsvrij en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is de mogelijkheid om vergunningsvrij een dakkapel aan de achterzijde te bouwen bijzonder ruim. Ondanks deze verruiming blijkt in de praktijk een en ander toch problematisch.
Met name de voorgeschreven hoogte van 1,50 meter voor een vergunningsvrije dakkapel kan leiden tot Toelichting bestemmingsplan Edam Zuid.
xxv
onwenselijke situaties. Een dergelijke hoogte is uit het oogpunt van welstand en praktische toepassing in verband met de aansluiting op het dakvlak veelal niet reëel. Bovendien zijn onder het oude regime vaak al dakkapellen op een woonblok geplaatst die hoger zijn dan 1.50 meter. Het wenselijke uniforme beeld wordt daarmee doorbroken. In dit licht wordt in dit bestemmingsplan de mogelijkheid geboden om met een bouwvergunning aan de achterzijde een dakkapel te realiseren, conform de regeling voor vergunningsvrije dakkapellen met dien verstande dat de genoemde hoogte van1.50 meter mag worden overschreden. Een nadere maximale hoogte wordt echter niet gegeven aangezien de welstandsnota daarin reeds voorziet. Daarin is verwoord dat de hoogte minder dan 1.70 meter mag bedragen. Verder dient aansluiting te worden gezocht bij de reeds bestaande dakkapellen. Tevens wordt het aanvaardbaar geacht dat de dakkapellen indien daarmee aansluiting wordt gezocht bij bestaande dakkapellen worden aangekapt. De betreffende meetvoorschriften wat betreft de goothoogte is voor de achterzijde van de woning wat betreft dakkapellen niet aan de orde. Een bijzondere positie nemen de dakkapellen aan de achterzijde in op woningen die een flauwe dakhelling hebben met een kap tot 35°. In het bijzonder zijn in de Roelof Bootstraat en J.M. Osterlingstraat en omgeving dergelijke type woningen aanwezig.
Om effectief binnenruimte te winnen zijn deze dakkapellen vaak tot bij of in de nok geplaatst. Volgens het oude regime was de breedte beperkt tot 40% van het dakvlak. In het onderhavige plan wordt de maximale breedte van de dakkapel gesteld op 3 meter, mits één rij pannen uit de goot tot in de nok wordt gebouwd. In het verlengde van het Besluit vergunningsvrije bouwwerken mag een dakkapel tot in de nok verder over de volledige gevelbreedte worden geplaatst, met dien verstande dat in ieder geval de afstand van de dakkapel tot de zijkanten van het dakvlak minstens 0,5 meter bedraagt. Om de massaliteit te beperken en een architectonisch verantwoord beeld te verzekeren is het in dat geval om welstandelijke redenen wenselijk dat de onderzijde 4 pannen uit de goot wordt geplaatst. De welstandsnota wordt op dit punt aangepast. Dakopbouwen die per definitie geen ondergeschikt karakter hebben als toevoeging op het dakvlak,zijn in het plangebied in principe niet toegestaan. In het plangebied zijn incidenteel evenwel dakopbouwen gerealiseerd. In het bijzonder in de Molenbuurt zijn in hoeksituaties dakopbouwen gerealiseerd, waarbij de nok ter plaatse is verhoogd. Deze opbouwen zijn veelal in het ontwerp van de woningen voorzien. Dit betreft een eindsituatie. Een verdere mogelijkheid van dergelijke opbouwen met name bij de tussenwoningen wordt niet wenselijk geacht.
Bij het type woningen met een flauwe kaphelling is onderzocht of het wenselijk zou zijn met het oog op vergroting van de effectieve ruimte op de zolderverdieping een dakopbouw door middel van een nok verhoging toe te staan. Hoewel dit op zichzelf een architectonisch verantwoord beeld zou kunnen opleveren, is dit idee toch niet wenselijk. Er is namelijk sprake van een bestaande woonomgeving, waarop op dit type woningen de nodige dakkapellen zijn geplaatst, met name op de achterzijde. Het toestaan van dakopbouwen zou het bestaande uniforme beeld verstoren en een rommelig geheel opleveren. Voor deze woningen wordt volstaan met de mogelijkheid van een dakkapel tot aan of tegen de nok, zoals deze als standaard zijn ontwikkeld. Overeenkomstig hetgeen hiervoor is gesteld wordt aan de achterzijde wel een verruiming van de breedte van de dakkapellen mogelijk gemaakt. Een bijzondere vorm van constructies binnen de woonfunctie zijn de kappen die op de garages/bergingen bij een type woningen in de Molenbuurt (Tjaskermolen, Watermolen). De garages die tussen de woningen liggen ingeklemd zijn voorzien van een extra kapachtige verdieping. Er zijn een aantal verschillenden opbouwen ontwikkeld, die ook welstandelijk als standaard kunnen gelden voor dit type woningen. In het bestemmingsplan is deze kapachtige constructie binnen de bestemming “woondoeleinden” expliciet mogelijk gemaakt.