Uitspraak van de Raad van State
Tekst van het document
202006208/1/R2
20
30 augustus 2023
9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in overeenstemming is met het Handelingsperspectief. De raad stelt dat hij inspanning heeft verricht om evenredig reële plancapaciteit te saneren. De raad wijst op pagina 5 van het BRO-rapport, waaruit volgt dat het plan in totaal 10.645 m2 aan harde plancapaciteit voor detailhandel saneert. Daarmee is volgens de raad ook harde plancapaciteit voor supermarkten gesaneerd, omdat het voorgaande bestemmingsplan de vestiging van supermarkten niet uitsloot. Door de uitsluiting van supermarkten binnen de gehandhaafde detailhandelsbestemmingen saneert het plan zelfs méér supermarktmeters, aldus de raad. Ook heeft de raad aangevoerd dat de omgevingsvergunningen voor de uitbreiding van het bedrijfspand aan de Zuiderpoort zijn ingetrokken. Daarmee staat vast dat er op deze locatie geen extra supermarktmeters kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast wijst de raad erop dat zij in het bestemmingsplan "Centrum - Susteren" 1.700 m2 aan supermarktmeters heeft gesaneerd. 9.2. Het Handelingsperspectief is een nadere uitwerking van het Regionaal beleidskader over de toekomstige supermarktstructuur in de gemeenten Roerdalen, Maasgouw, Leudal en Echt-Susteren.
Op pagina 1 2 van het Handelingsperspectief staat: "Concrete (zachte) plannen zijn: [...] Echt: Jumbo Foodmarkt (nieuwe formule/toetreder) op locatie De Valk; onderdeel kernwinkelgebied; circa 2.500 m2 wvo." In paragraaf 4.1 van het Handelingsperspectief zijn ambities, uitgangspunten en voorwaarden voor uitbreidingen en relocatie geformuleerd. Daarin staat dat supermarktuitbreidingen gewenst zijn, mits dit passend is bij de beoogde verzorgingsfunctie van de locatie en de omvang van het verzorgingsgebied, geen negatieve effecten optreden op omliggende winkelgebied (tenzij zorgvuldig gemotiveerd wordt afgeweken en de lokale winkelstructuur wordt herijkt), een inspanning ten aanzien van saldering aan de planontwikkeling wordt gekoppeld en het initiatief regionaal wordt afgestemd. 9.3. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan regionaal beleid. Wel moet de raad daarmee rekening houden, wat betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging moet betrekken. Aan de hand van de stellingen van appellanten zal de Afdeling bezien in hoeverre de raad dit heeft gedaan. Ten aanzien van de stellingen van appellanten over de algemene uitgangspunten in het Handelingsperspectief overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting is vermeld dat het plan invulling geeft aan het Handelingsperspectief.
In het Handelingsperspectief is de Jumbo Foodmarkt, en de omvang daarvan, op locatie De Valk als concreet (zacht) plan vermeld. De raad heeft toegelicht dat het plan een invulling is van de in het Handelingsperspectief vermelde revitalisatieopgave van het centrum van Echt. Ook is er volgens de raad in centra met een bovenlokale functie, zoals Echt, aanleiding om schaalgrootte te bieden. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat appellanten hebben aangevoerd met betrekking tot de algemene uitgangspunten in het Handelingsperspectief in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het Handelingsperspectief en zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet daarmee in strijd is.
202006208/1/R2
21
30 augustus 2023
Ten aanzien van de stellingen van Albert Heijn en andere en de gemeente Maasgouw dat het plan in strijd met het Handelingsperspectief een onderscheid maakt tussen supermarktformules, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft toegelicht dat het plan geen onderscheid maakt tussen supermarktformules maakt, maar wel beoogd is een onderscheid tussen een supermarkt en een foodmarkt te maken. De Afdeling overweegt dat het Handelingsperspectief een onderscheid tussen supermarktformules niet verbiedt. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat appellanten hebben aangevoerd in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het Handelingsperspectief en zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet daarmee in strijd is. Ten aanzien van de stelling van Albert Heijn en andere, Smeets, Schulpen Supermarkt en de gemeente Maasgouw dat het plan in strijd is met de voorwaarde dat supermarktuitbreidingen regionaal worden afgestemd, overweegt de Afdeling als volgt. In het Handelingsperspectief is de voorwaarde gesteld dat de betreffende gemeente het initiatief regionaal afstemt, waarbij randvoorwaarden in acht moeten worden genomen. Uit de stukken blijkt dat er voor de terinzagelegging van het plan meerdere ambtelijke en bestuurlijke overleggen in het werkveld Energie en Economisch Beleid zijn gevoerd waarin het plan is besproken.
Uit de stukken blijkt ook dat in deze overleggen het aan het plan ten grondslag liggende BRO-rapport is besproken. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat geen of onvoldoende inhoudelijke regionale afstemming heeft plaatsgevonden. Uit het regionaal beleidskader volgt niet, zoals appellanten stellen, dat regionale afstemming betekent dat elke gemeente uitdrukkelijk akkoord moet gaan met het plan. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft mogen stellen dat regionale afstemming in de zin van het Handelingsperspectief heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de stellingen van Smeets, Schulpen Supermarkt, de gemeente Maasgouw en de Ondernemersvereniging Maasbracht dat het plan in strijd is met de voorwaarde in het Handelingsperspectief dat bij supermarktuitbreidingen een inspanning ten aanzien van saldering aan de planontwikkeling wordt gekoppeld, overweegt de Afdeling als volgt. In het Handelingsperspectief staat dat supermarktuitbreidingen gewenst zijn, mits een inspanning ten aanzien van saldering aan de planontwikkeling wordt gekoppeld. Naar het oordeel van de Afdeling is aan dat in het Handelingsperspectief opgenomen uitgangspunt voldaan. Uit de stukken is immers gebleken dat het plan ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan per saldo leidt tot een afname van 10.645 m2 harde plancapaciteit voor detailhandel.
Het Handelingsperspectief bevat, anders dan Smeets, Schulpen Supermarkt en de gemeente Maasgouw stellen, geen verplichting op grond waarvan in een bestemmingsplan dat voorziet in een uitbreiding van supermarktmeters een evenredige plancapaciteit voor supermarktmeters moet worden verminderd. Gelet op het voorgaande heeft de raad rekening gehouden met het Handelingsperspectief en zich op het standpunt mogen stellen dat het plan daarmee niet in strijd is. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het Handelingsperspectief niet of op een onjuiste wijze in de belangenafweging heeft betrokken. De betogen slagen niet. Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018-2021
202006208/1/R2
22
30 augustus 2023
10. De gemeente Maasgouw betoogt dat het plan in strijd is met de Structuurvisie Wonen Midden Limburg 2018-2021 (hierna: het regionaal woonbeleid). De gemeente Maasgouw stelt in dit verband dat er geen regionale afstemming heeft plaatsgevonden. In een regionaal overleg is appellant slechts geïnformeerd over het plan. Ook heeft de raad volgens de gemeente Maasgouw niet concreet toegelicht hoe wordt voldaan aan het in het regionale woonbeleid opgenomen vereiste dat er harde plancapaciteit wordt geschrapt en hoe deze reductieopgave vorm krijgt. 10.1. De raad is bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet gebonden aan regionaal beleid. Wel moet de raad daarmee rekening houden, wat betekent dat hij dit beleid in de belangenafweging moet betrekken. In de plantoelichting is vermeld dat het plan conform de afspraken met de samenwerkende gemeenten op ambtelijk en bestuurlijk niveau is afgestemd. Het regionaal woonbeleid stelt geen eisen aan de wijze waarop deze afstemming moet plaatsvinden. In de plantoelichting heeft de raad ook toegelicht dat er door de toevoeging van woningen mogelijk harde plancapaciteit dient te worden geschrapt en daartoe in overleg te zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad rekening gehouden met het regionaal woonbeleid en zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet daarmee in strijd is.
Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het regionaal woonbeleid niet of op een onjuiste wijze in de belangenafweging heeft betrokken. Het betoog slaagt niet. Structuurvisie 2012-2025 11. Housmans en andere, Albert Heijn en andere, Smeets, Schulpen Supermarkt en Cardon Beheer betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met de Structuurvisie 2012-2025 (hierna: de Structuurvisie). Housmans en andere en Albert Heijn en andere voeren in dat verband aan dat het plan leidt tot leegstand in het centrum van Echt. Ook leidt het plan volgens Housmans en andere niet tot een concentratie van het centrum en niet tot combinatiebezoek met het kernwinkelgebied van Echt. Verder voeren Smeets en Schulpen Supermarkt aan dat het plan in strijd is met de in de Structuurvisie gestelde voorwaarden over de vestiging en verplaatsing van supermarkten. Volgens Smeets en Schulpen Supermarkt blijkt uit de Structuurvisie dat er geen marktruimte is voor nieuwe supermarkten. Ook is de vestiging van de Lidl op de locatie Zuiderpoort 31 in strijd met de voorwaarde dat het pand van een bedrijf uit de foodsector niét opnieuw mag worden ingevuld door een supermarkt.
Verder voert Cardon aan dat de planregels die perifere detailhandelsvestigingen op gronden met de bestemmingen "Gemengd - Uit te werken" en "Gemengd - De Valk" toelaten in strijd zijn met de Structuurvisie, waarin daarvoor slechts één gebied is aangewezen. 11.1. De raad stelt dat het plan in overeenstemming is met de Structuurvisie. Volgens de raad ontstaat er door het schrappen van detailhandelsbestemmingen aan de randen van het centrum juist een compacter kernwinkelgebied. Ook zal locatie De Valk door middel van een verbinding met het Ursulineplein een integraal onderdeel gaan vormen van het kernwinkelgebied. Voorts stelt de raad dat het plan niet een aparte locatie voor perifere en grootschalige detailhandel (hierna: pdv/gdv) aanwijst.
202006208/1/R2
23
30 augustus 2023
Volgens de raad lieten voorgaande bestemmingsplannen al detailhandel in auto's en boten toe. Het plan laat daarmee dus geen extra vierkante meters voor perifere detailhandel toe. Bovendien acht de raad de ruimtelijke uitstraling van een autodealer nabij het centrum van Echt passend. 11.2. Over de stellingen van Housmans en andere en Albert Heijn en andere, overweegt de Afdeling als volgt. In de plantoelichting is in relatie tot de Structuurvisie vermeld dat de nieuwe, gewenste centrumstructuur van Echt is gericht op leegstandsbestrijding, een opwaardering van het huidige winkelaanbod en een passende ontsluiting van het sub-regionale winkelgebied. In de Structuurvisie is het streven vermeld over te gaan tot herontwikkeling van dakpannenfabriek De Valk, waarvoor een brede range aan centrumvoorzieningen tot de mogelijkheden behoort, zoals onder meer een markt met streekproducten en horeca. De Afdeling stelt vast dat uit de Structuurvisie niet volgt dat, zoals appellanten stellen, het plan niet mag leiden tot leegstand in het centrum van Echt. Ook volgt uit de Structuurvisie niet dat het plan moet leiden tot een concentratie van het centrum èn combinatiebezoeken aan het kernwinkelgebied van Echt.
Bovendien heeft de Afdeling hiervoor onder 5.10 en 5.11 overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare leegstand in het centrum van Echt en dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat het plan leidt tot een compacter centrum en combinatiebezoeken met het kernwinkelgebied van Echt. In zoverre is het plan dus niet in strijd met de Structuurvisie. 11.3. Over de stelling van Smeets en Schulpen Supermarkt overweegt de Afdeling het volgende. Op pagina 60 van de Structuurvisie staat: "Ten aanzien van supermarkten geldt dat wij denken dat voor meer supermarkten dan het huidige aantal momenteel geen marktruimte aanwezig is. Omdat supermarkten bij uitstek kunnen leiden tot combihatiebezoek is ligging in kernwinkelgebied/randzone gewenst. [...] Ten aanzien van door verplaatsing leegkomende locaties in het kernwinkelgebied geldt dat de gemeente als verplaatsingsvoorwaarde eist dat er, door zowel huurder als verhuurder, meer dan een inspanningsverplichting wordt gedaan om te komen tot een goede, kwalitatief duurzame herinvulling. Aanvullend geldt dat als het om een verplaatser uit de foodsector gaat het leegkomende pand niet opnieuw mag worden ingevuld door een supermarkt." De Afdeling stelt vast dat bedoelde verplaatsingsvoorwaarde geldt voor door verplaatsing leegkomende locaties in het kernwinkelgebied.
De Afdeling stelt ook vast dat de Jumbo aan de Zuiderpoort 31 is gelegen buiten het kernwinkelgebied als aangegeven op pagina 61 van de Structuurvisie. Daarmee is verplaatsingsvoorwaarde in de Structuurvisie dus niet van toepassing op de Jumbo aan de Zuiderpoort 31. Verder volgt uit de opmerking in de Structuurvisie dat momenteel geen marktruimte aanwezig is voor meer supermarkten, niet dat het plan hiermee in strijd is. 1 1.4. Over de stelling van Cardon overweegt de Afdeling als volgt. Op pagina 64 van de Structuurvisie staat: "Naast echte bedrijventerreinen kiezen we er als gemeente voor ook één locatie aan te wijzen die zich richt op pdv/gdv. Deze locatie ligt tegen het bestaande kernwinkelgebied van Echt aan en viel voorheen onder bedrijventerrein de Loop. (...) Elders in de gemeente wijzen we geen aparte pdv/gdv-locaties aan, omdat daarmee de
202006208/1/R2
24
30 augustus 2023
focus op het gebied in Echt verloren gaat." Niet in geschil is dat het plan op gronden met de bestemming "Gemengd - De Valk" detailhandel in auto's en op gronden met de bestemming "Gemengd - Uit te werken" detailhandel in auto's, boten en caravans toelaat. De Afdeling stelt vast dat deze bestemmingen niet op de pdv/gdv-locatie liggen als aangegeven op pagina 61 van de Structuurvisie. De raad heeft in zijn verweerschrift echter toegelicht dat zogenoemde ABCgoederen vanwege de ruimtelijke uitstraling passend worden geacht in de nabijheid van het centrum. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het voorgaande bestemmingsplan ter plaatse van de gronden van Cardon ook detailhandel in auto's, boten en caravans toeliet, maar dat de raad het van belang heeft geacht om bestaande rechten voor perifere detailhandel in stand te laten. Onder deze omstandigheden heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat in dit geval van de Structuurvisie kon worden afgeweken. 11.5.
De betogen slagen niet.
Diens tenrich tlijn 12. Housmans en andere en Ondernemersvereniging Maasbracht betogen dat het plan in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Zij voeren aan dat de bestemmingen "Centrum" en "Gemengd - Aanloopgebied" leiden tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden op gronden met deze bestemming. De beperking bestaat eruit dat op gronden met de bestemming "Centrum" geen supermarkten meer zijn toegestaan en op een deel van de gronden met de bestemming "Gemengd - Aanloopgebied" is geen detailhandel meer toegestaan. Volgens hen is niet onderzocht of deze beperking noodzakelijk en evenredig is. Appellanten stellen dat de onderbouwing of het plan in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn alleen betrekking heeft op de bestemming "Detailhandel - Foodmarkt". Appellanten stellen dat het beperken van detailhandelmogelijkheden in het centrum en het zelfs saneren van plancapaciteit voor detailhandel enkel plaatsvindt vanwege de ontwikkeling op locatie De Valk. Er is volgens hen geen dwingende reden van algemeen belang. 1 2.1.
Gelet op de inhoud en de doelstelling van de Dienstenrichtlijn, onder meer blijkend uit artikel 1, eerste lid, waarin is bepaald dat deze richtlijn algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vaststelt, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten, is het doel van de Dienstenrichtlijn evenals dat van artikel 49 van het VWEU onder meer het waarborgen van de vrije vestiging van dienstverrichters. Degenen die niet binnen het personele beschermingsbereik van de Dienstenrichtlijn of artikel 49 van het VWEU vallen, kunnen daaraan geen bescherming ontlenen (uitspraken van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:201 9:1 233 (Gooise Meren) en 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:201 6:1 295 (Spoorallee)). 1 2.2. Als het belang van appellanten, die beroep instellen tegen een bestemmingsplan dat voorziet in de mogelijkheid van realisatie van winkelvastgoed, voortkomt uit hun positie als concurrerende vastgoedeigenaren die winkelvastgoed in de omgeving in eigendom hebben,
202006208/1/R2
25
30 augustus 2023
of dienstverrichters met winkels in de omgeving, vallen zij niet alleen al daarom onder de personele beschermingsomvang van de Dienstenrichtlijn. Zij zijn namelijk ook geen dienstverrichters die zich in het plangebied willen vestigen of eigenaren van winkelvastgoed in het plangebied die zouden worden geraakt door de brancheringsregeling. Het belang dat zij met hun beroepsgrond willen beschermen, is tegengesteld aan het belang dat de Dienstenrichtlijn en artikel 49 van het VWEU beogen te beschermen, omdat de appellanten de vestiging van andere dienstverrichters beogen tegen te gaan (uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1 295 (Spoorallee). 12.1. De belangen van Ondernemersvereniging Maasbracht komen voort uit haar positie als groep van concurrerende vastgoedeigenaren, die op een afstand van meer dan 4 km van Echt winkelvastgoed in eigendom hebben en van concurrerende exploitanten van winkels en supermarkten op een afstand van meer dan 4 km van Echt. Ondernemersvereniging Maasbracht bestaat niet uit dienstverrichters die zich in het plangebied willen vestigen of eigenaren van winkelvastgoed die worden geraakt door de in het plan opgenomen beperking tot de mogelijkheid van de vestiging van een supermarkt en detailhandel in het centrum van Écht.
De Dienstenrichtlijn of artikel 49 van het VWEU beschermen onder de omstandigheden als hier aan de orde niet het belang van concurrerende vastgoedeigenaren, die winkelvastgoed in de omgeving in eigendom hebben, niet zijnde dienstverrichters die zich in het plangebied willen vestigen of eigenaren van ' winkelvastgoed in het plangebied die zouden worden geraakt door die beperking. Het belang dat zij met hun beroepsgrond willen beschermen is tegengesteld aan het belang dat de Dienstenrichtlijn en artikel 49 van het VWEU beogen te beschermen, nu Ondernemersvereniging Maasbracht dienstverrichters beoogt tegen te gaan (vgl. ook de overzichtsuitspraak van 1 1 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 11.2 en 11.3 en de uitspraak van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2607, onder 7.3). Ondernemersvereniging Maasbracht valt daarom niet onder de personele beschermingsomvang van de Dienstenrichtlijn. Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb moet om die reden aan Ondernemersvereniging Maasbracht worden tegengeworpen. De Afdeling zal het betoog van Ondernemersvereniging Maasbracht niet inhoudelijk behandelen. 1 2.2. De Afdeling moet aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden van Housmans en andere beoordelen of de artikelen 5.1 en 8.1 van de planregels in strijd zijn met de Dienstenrichtlijn.
De Afdeling zal ingaan op de vraag of deze planregels noodzakelijk zijn (dwingende reden van algemeen belang dienen) en of de raad heeft kunnen concluderen dat de planregels geschikt zijn en niet verder gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken. Daarbij wordt de effectiviteit en de proportionaliteit van de planregels beoordeeld. Tussen partijen is niet in geschil dat de planregeling niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 15, derde lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. 12.3. Artikel 15 van de Dienstenrichtlijn luidt: "1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen
202006208/1/R2
26
30 augustus 2023
hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen: a) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; [...]
3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen: a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt." Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor "Centrum - Echt" aangewezen gronden zijn bestemd voor: [...] c. detailhandel, met uitzondering van supermarkten, uitsluitend op de begane grond; [...]."" Artikel 8.1 luidt: "De voor "Gemengd - Aanloopgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor: [...] g. detailhandel, niet zijnde een supermarkt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" uitsluitend op de begane grond; h. één supermarkt en overige detailhandel ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 1", waarbij de verkoopactiviteiten uitsluitend op de begane grond plaatsvinden;" 1 2.4. In de plantoelichting staat dat de brancheringsmaatregel op locatie De Valk moet voldoen aan de Dienstenrichtlijn. De raad heeft in dat kader onderzoek laten uitvoeren door adviesbureau BRO.
De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Echt, Nadere onderbouwing ontwikkeling Foodmarkt i.r.t. de Dienstenrichtlijn" van 28 augustus 2020. Dit rapport is als bijlage 2 bij de plantoelichting gevoegd. In dat rapport en in de plantoelichting wordt geconcludeerd dat de vestigingsbeperking op de locatie De Valk in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn, omdat deze noodzakelijk en evenredig is. Naar aanleiding van de door Housmans en andere aangevoerde beroepsgrond over de beperkingen als gevolg van de artikelen 5.1 en 8.1 van de planregels heeft de raad BRO opdracht gegeven nader te onderbouwen hoe deze beperkingen zich verhouden tot de Dienstenrichtlijn. De nadere onderbouwing is neergelegd in paragraaf 1.7 van de notitie "Reactie beroepen Foodmarkt Echt" van 6 oktober 2021.
202006208/1/R2
27
30 augustus 2023
Noodzakelijkheid (artikel 15, derde iid, onder b, van de Dienstenrichtlijn) 12.5. In de notitie heeft BRO uiteengezet dat de beperkingen noodzakelijk zijn met het oog op het door de raad beoogde doel om leegstand in het centrum van Echt te voorkomen, het behoud en versterken van de aantrekkingskracht van het centrum van Echt, een vitale voorzieningenstructuur en de leefbaarheid. De raad heeft hiernaar verwezen. 1 2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:41 95, onder 10.3, gaat het bij de noodzakelijkheidstoets om de vraag of het doel dat ter rechtvaardiging van de regeling wordt ingeroepen een dwingende reden van algemeen belang vormt overeenkomstig artikel 4, punt 8, van de Dienstenrichtlijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het voorkomen van leegstand in het centrum van Echt en het streven naar het behoud en de versterking van de aantrekkingskracht van het centrumgebied, een vitale voorzieningenstructuur en de leefbaarheid noodzakelijk is voor de bescherming van het stedelijk milieu. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de doelen waarmee hij de beperkingen voor supermarkten en detailhandel in de planregeling rechtvaardigt een dwingende reden van openbaar belang vormen. Het betoog slaagt in zoverre niet.
Of dat doel met de regeling zoals is neergelegd in het plan daadwerkelijk wordt gediend, is de vraag naar de geschiktheid van de planregeling. Die vraag komt hierna aan de orde. Evenredigheid (artikel 15, derde iid, onder c, van de Dienstenrichtlijn) 1 2.7. In het kader van de evenredigheid staat ter beoordeling of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de regeling geschikt is en niet verder gaat dan nodig om de daarmee beoogde doelen te bereiken en of die doelen niet met andere, minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt. - Geschiktheid: coherent en systematisch 12.8. Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie het arrest van 10 maart 2009, Hartlauer Handelsgesellschaft mbH, ECLI:EU:C:2009:141, en het arrest van 12 januari 2010, Domnica Petersen, ECLI:EU:C:2010:4) is voor het oordeel dat een eis geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken onder meer vereist dat het doel coherent en systematisch wordt nagestreefd. 1 2.9. Housmans en andere betogen dat de beperking hier niet aan voldoet. De Afdeling overweegt hierover als volgt. Bij het coherentievereiste gaat het erom of de raad zijn doelen op een samenhangende en systematische wijze nastreeft. De raad heeft toegelicht dat food- en supermarkten binnen het grondgebied van de gemeente expliciet als zodanig worden bestemd.
De raad beoogt met het aanwijzen van locaties waar fooden supermarkten zijn toegestaan, leegstand te voorkomen en de aantrekkingskracht, voorzieningenstructuur en de leefbaarheid van het
2Q2006208/1/R2
28
30 augustus 2023
centrumgebied te versterken. Volgens de raad wordt aan deze doelstellingen bijgedragen door harde plancapaciteit voor detailhandel, waaronder supermarkten, aan de randen van het kernwinkelgebied te saneren, waardoor een compacter kernwinkelgebied ontstaat en het zwaartepunt van de bezoekersstroom richting locatie De Valk verschuift. Maatwerk per locatie blijft volgens de raad noodzakelijk om de kwalitatieve behoefte aan een ontwikkeling, zoals in dit geval een foodmarkt, mogelijk te maken. De Afdeling ziet in wat hierover door Housmans en andere is aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid van deze toelichting van de raad te twijfelen. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het als zodanig bestemmen van een foodmarkt op locatie De Valk geen afbreuk doet aan de doelstelling om leegstand te voorkomen en de aantrekkingskracht, voorzieningenstructuur en de leefbaarheid van het centrumgebied te versterken. De Afdeling ziet in wat Housmans en andere hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze doelen niet coherent en systematisch nastreeft. Het betoog slaagt in zoverre niet. - Geschiktheid: effectiviteit regeling om de nagestreefde doelen te bereiken 1 2.10.
Ten aanzien van de vraag of de beperkingen effectief zijn, staat in de notitie van 6 oktober 2021 dat de beperkingen onderdeel uitmaken van een breed pakket aan maatregelen om leegstandseffecten in het centrum van Echt tegen te gaan. Er staat dat de gemiddelde omvang van een winkel in het centrum van Echt 238 m2 wvo is. Het saneren van ruim 10.000 m2 wvo harde plancapaciteit staat volgens BRO gelijk aan tientallen winkels in het centrum. Het niet opnemen van deze beperking zal als gevolg van het plan leiden tot ongewenste negatieve effecten op de hiervoor genoemde doelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de beperkingen effectief zijn om leegstand in het centrum van Echt te voorkomen, de aantrekkingskracht van het centrum van Echt te behouden en te versterken, een vitale voorzieningenstructuur te creëren en de leefbaarheid te bevorderen. Het betoog slaagt in zoverre niet. - Niet verder dan nodig: geen andere, minder beperkende maatregelen 1 2.11. Over de vraag of de genoemde doelen op minder ingrijpende wijze kunnen worden geeffectueerd, overweegt de Afdeling dat in de notitie van 6 oktober 2021 staat dat er geen minder beperkende maatregelen mogelijk zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Minder ingrijpende maatregelen, zoals verkeersmaatregelen, vergroening en transformatie van aanloopstraten naar winkels, zijn onvoldoende effectief om een vitaal centrumgebied te creëren. Het toevoegen van een foodmarkt op locatie De Valk en het saneren van plancapaciteit voor detailhandel is een ingrijpende maatregel, maar alleen deze combinatie is volgens de raad mogelijk om de doelen te behalen. Housmans en andere hebben niet aangevoerd welke minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn om de beoogde doelen te bereiken. De Afdeling acht het in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk dat de beoogde doelen op een minder ingrijpende wijze kunnen worden geëffectueerd. Gelet hierop volgt de Afdeling de raad in zijn conclusie dat de beperkingen niet verder gaan dan nodig is om de beoogde doelen te bereiken, terwijl die
202006208/1/R2
29
30 augustus 2023
doelen niet met andere, minder beperkende maatregelen kunnen worden bereikt. 12.12. Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de artikelen 5.1 en 8,1 van de planregels niet voldoen aan de eisen van artikel 15, derde lid, onder b en c, van de Dienstenrichtlijn. Het betoog slaagt niet. Verkeer 13. Housmans en andere en Albert Heijn en andere voeren aan dat hun panden en winkels onvoldoende bereikbaar zijn als gevolg van de in het plan voorziene wijziging van de verkeerssituatie. Albert Heijn en andere stellen dat de doorgaande route via de Aasterbergerweg wordt afgesloten voor autoverkeer en wordt ingericht als fiets- en voetgangerszone. Volgens Albert Heijn en andere bevat het plan ten onrechte geen waarborg dat de winkels via een alternatieve route kunnen worden bereikt. Housmans en andere vrezen dat afsluiting van de Aasterbergerweg ertoe leidt dat de ontsluiting richting de westzijde van het Ursulinenplein eveneens zal worden afgesloten, waardoor bezoekers van hun panden geen toegang hebben tot de parkeerplaatsen aan de Aasterbergerweg en het Ursulinenplein en hun panden minder goed bereikbaar zijn. Housmans en andere hebben de beroepsgrond ter zitting hiertoe beperkt. 13.1.
Wat betreft de stelling van Albert Heijn en andere overweegt de Afdeling dat de bestemming "Verkeer" een alternatieve route om de winkels te bereiken mogelijk maakt en dat deze alternatieve route feitelijk al is gerealiseerd. Gelet daarop ziet de Afdeling in wat Albert Heijn en andere hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een alternatieve route in het plan onvoldoende is geborgd. Wat betreft de vrees van Housmans en andere voor afsluiting van de ontsluiting van de Aasterbergerweg vanaf de Diepstraat richting de westzijde van het Ursulinenplein, heeft de raad toegelicht dat de Aasterbergerweg verderop in de bocht richting de Sint Janskamp wordt afgesloten. Ter zitting heeft de raad toegezegd dat het Ursulinenplein via deze ontsluiting toegankelijk zal blijven en niet zal worden afgesloten. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de panden en winkels van Albert Heijn en andere en van Housmans en andere onvoldoende bereikbaar zijn als gevolg van het plan. De betogen slagen niet. Overige beroepsgronden van Housmans en andere - Parkeren 14. Housmans en andere betogen dat de raad niet voorziet in de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. Housmans en andere voeren aan dat de raad niet heeft onderkend dat in de bestaande situatie sprake is van een tekort aan 560 parkeerplaatsen.
Housmans en andere stellen in dit verband dat bij een parkeertekort van een dergelijke omvang voor het plan een integraal parkeeronderzoek had moeten plaatsvinden om de bestaande parkeerproblematiek in het centrum op te lossen.
202006208/1/R2
30
30 augustus 2023
Verder stellen Housmans en andere dat de parkeerbehoefte als gevolg van het plan is onderschat. Zij stellen daartoe dat het plan voorziet in 56 woningen in de aanloopgebieden, die leiden tot een extra behoefte aan 69 parkeerplaatsen, en 65 woningen aan de Bovenstestraat, Ook stellen Housmans en andere dat in het parkeeronderzoek van de raad geen rekening is gehouden met het verdwijnen van 80 parkeerplaatsen. Het gaat daarbij om 40 parkeerplaatsen op het Ursulinenplein, 30 parkeerplaatsen aan de Aasterbergerweg in de bocht van de Diepstraat en 10 parkeerplaatsen aan de Aasterbergerweg ten behoeve van terrasruimte voor horeca en detailhandel. Bovendien is volgens Housmans en andere in het plan niet geborgd dat de vervallen parkeerplaatsen elders worden aangelegd. 14.1. In de plantoelichting staat dat de herontwikkeling van locatie De Valk en het transformeren van het centrum een impuls moeten geven aan het centrumgebied van Echt. Het Ursulinenplein, een parkeerterrein met een gedeelte "blauwe zone", ligt tussen het centrumgebied en locatie De Valk in, en moet fungeren als schakel tussen deze twee gebieden. Om ervoor te zorgen dat bezoekers van het centrumgebied voldoende parkeerplekken hebben is de raad voornemens de blauwe zone op het Ursulinenplein uit te breiden. De raad heeft de haalbaarheid hiervan laten onderzoeken door adviesbureau Goudappel Coffeng.
De resultaten van het verrichte onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Gemeente Echt-Susteren. Parkeeronderzoek programma centrum Echt" van 6 november 2019 (hierna: het parkeeronderzoek) (bijlage 6 bij de plantoelichting). In het parkeeronderzoek is de huidige parkeersituatie in het centrum van Echt in beeld gebracht. In het rapport is als uitgangspunt genomen dat bij een parkeerdruk tussen de 80-90%, langer op zoek moet worden gegaan naar een parkeerplaats. Als alle parkeerplaatsen verspreid liggen, zal dit effect bij een parkeerdruk van 80% optreden. Als de parkeerplaatsen geconcentreerd zijn op parkeerterreinen en in parkeergarages, zal het effect bij een parkeerdruk van 90% optreden. Voor het centrum van Echt is een percentage van 85 aangehouden als grens voor een acceptabele parkeerdruk. Uit metingen is gebleken dat op het drukste moment, zaterdagmiddag, 80% van alle openbare parkeerplaatsen bezet zijn. Dat zijn 460 van de 576 openbare parkeerplaatsen. Tijdens de koopavond (vrijdagavond) blijft de parkeerdruk in het centrum gemiddeld rond de 60%. Op het Ursulineplein zijn op het drukste moment 208 van de 224 openbare parkeerplaatsen bezet. Dit resulteert in een maximale parkeerdruk van 93% op het Ursulinenplein. In de blauwe zone (61 parkeerplaatsen) is de parkeerdruk lager dan buiten de blauwe zone (163 parkeerplaatsen).
Verder staat in het parkeeronderzoek dat in de toekomstige situatie rekening moet worden gehouden met de transformatie van leegstaande winkels naar woningen. De herontwikkeling van locatie De Valk is buiten beschouwing gelaten, aangezien hier voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden toegevoegd om in de met die herontwikkeling gepaard gaande parkeervraag te voldoen. Voor de transformatie van leegstaande winkels naar woningen is het uitgangspunt gehanteerd dat er geen parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, waardoor bewoners en bezoekers van deze nieuwe woningen in de omgeving moeten parkeren. De transformatie van 27 leegstaande winkelpanden naar 57 woningen zorgt
202006208/1/R2
31
30 augustus 2023
voor een extra parkeervraag van maximaal 69 parkeerplaatsen. Dit zal leiden tot een parkeerdruk van 88% in het centrum van Echt. Het uitbreiden van de blauwe zone op het Ursulineplein heeft tot effect dat er meer parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor bezoekers en minder voor langparkeerders, zoals bewoners en werknemers van winkels. Er is weinig restruimte in het centrum, waardoor het onwenselijk is dat voor het gehele Ursulinenplein een blauwe zone geldt. In de huidige situatie maken maximaal 60 langparkeerders buiten de blauwe zone gebruik van de parkeerplaatsen. Van de 163 parkeerplaatsen buiten de blauwe zone, kan de helft worden toegèvoegd aan de blauwe zone. Daarmee vallen in totaal 140 parkeerplaatsen binnen de blauwe zone en 84 buiten de blauwe zone. Aanvullend kunnen de werkingstijden worden aangepast om de parkeermogélijkheden voor bewoners in de avond te vergroten. De conclusie van het rapport is dat hiermee voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de bewoners en werknemers om de extra vraag naar 69 parkeerplaatsen op te vangen. 14.2. De Afdeling stelt voorop dat het plan uitsluitend hoeft te voorzien in de parkeerbehoefte als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Het plan hoeft geen bijdrage te leveren aan het oplossen van een bestaand parkeertekort in het centrum van Echt.
De Afdeling ziet in wat Housmans en andere hebben aangevoerd geen aanleiding om daarvan af te wijken. Dat de parkeerdruk in het centrum hoog is, is ook onderkend in het parkeeronderzoek. Voor zover Housmans en andere hebben gewezen op de bestaande hoge parkeerdruk in het centrum en de bijdrage daaraan door de ontwikkelingen in het plangebied, kan deze stelling daarom niet slagen. Vast staat dat de parkeerbehoefte als gevolg van de herontwikkeling van locatie De Valk wordt opgevangen op eigen terrein. Wat betreft de 65 voorziene woningen aan de Bovenstestraat staat in artikel 1 7.2, onder d, van de planregels dat bij het uitwerken van de gronden met de bestemming "Wonen - Uit te werken" in het uitwerkingsplan moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waarbij parkeren ondergronds of halfverdiept plaatsvindt en wordt voldaan aan de parkeernormen als opgenomen in bijlage 3 bij de planregels. Daarmee is naar het oordeel van de Afdeling voldoende verzekerd dat de parkeerbehoefte als gevolg van de 65 voorziene woningen aan de Bovenstestraat geen gevolgen heeft voor de parkeerdruk in het centrum. Wat betreft de transformatie van 27 leegstaande winkelpanden naar 56 woningen, is in het parkeeronderzoek rekening gehouden met een extra behoefte aan 69 parkeerplaatsen.
Housmans en andere hebben niet bestreden dat de transformatie van de 27 winkelpanden naar 56 woningen leidt tot een extra behoefte aan 69 parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad heeft kunnen uitgaan van een parkeerbehoefte van 69 parkeerplaatsen als gevolg van het plan. Het betoog slaagt in zoverre niet. 14.3. Wat betreft het vervallen van 80 parkeerplaatsen, heeft de raad tér zitting toegelicht dat op het Ursulinenplein 30 parkeerplaatsen vervallen, aan de Aasterbergerweg in de bocht van de Diepstraat 10 parkeerplaatsen vervallen en 10 andere parkeerplaatsen aan de Aasterbergerweg nog in gebruik zijn voor terrassen. Het vervallen van deze parkeerplaatsen wordt
202006208/1/R2
32
30 augustus 2023
volgens de raad gecompenseerd door de aanleg van 60 tot 80 parkeerplaatsen aan de Diepstraat. De Afdeling overweegt dat in het parkeeronderzoek geen rekening is gehouden met het vervallen van parkeerplaatsen. De conclusie in het parkeeronderzoek dat de behoefte aan 69 parkeerplaatsen kan worden opgevangen door het uitbreiden van de blauwe zone op het Ursulinenplein kan daarom niet worden gevolgd. Daarbij is van belang dat in het parkeeronderzoek staat dat op het drukste moment 208 van de 224 openbare parkeerplaatsen op het Ursulinenplein bezet zijn. Het door de raad ter zitting geuite voornemen om de vervallen parkeerplaatsen te compenseren aan de Diepstraat is bovendien niet geborgd in het plan. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen om te voorzien in de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt. - Bebouwingspercentage 15. Housmans en andere betogen dat het verlagen van het bebouwingspercentage van 90% naar 50% op gronden met de bestemming "Centrum - Echt" aan de Plats en het Vrijthof onaanvaardbaar is.
Zij voeren in dit verband aan dat de in 1989 ingevoerde baatbelasting was gebaseerd op het toen toegekende bebouwingspercentage van 90% en sindsdien altijd betaald is. Alleen het laatste jaar is de baatbelasting kwijtgescholden, maar dat is enkel gedaan om het bebouwingspercentage te verlagen naar 50%. 15.1. De Afdeling overweegt dat het door Housmans en andere naar voren gebrachte argument geen betrekking heeft op een ruimtelijk relevant aspect. Deze beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het plan. Het betoog slaagt niet. - Bestemming "Gemengd - Aan/oopgebied" 16. Housmans en andere betogen dat zij onevenredig worden beperkt in de gebruiksmogelijkheden op hun percelen vanwege de bestemming "Gemengd - Aanloopgebied". Zij voeren daartoe aan dat detailhandel is uitgesloten, terwijl in het vorige bestemmingsplan een volwaardige centrumbestemming was toegekend. Het mogelijk maken van een foodmarkt kan deze beperking volgens Housmans en andere niet rechtvaardigen. Bovendien is er geen nut en noodzaak aangetoond voor het aanzienlijk beperken van de gebruiksmogelijkheden op deze percelen. 16.1. De raad heeft toegelicht dat de beperking ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan het gevolg is van gewijzigde beleidsinzichten.
Volgens de raad vindt als onderdeel van het integrale centrumplan een sanering van niet gerealiseerde plancapaciteit voor detailhandel plaats. Voorts wijst de raad erop dat hij de belangen van Housmans en andere heeft meegewogen door het feitelijk aanwezige gebruik van het pand als zodanig te bestemmen.
202006208/1/R2
33
30 augustus 2023
16.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan namelijk op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Verder kan een beperking van rechten ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in beginsel aanvaardbaar zijn indien concrete plannen van een belanghebbende ontbreken. Housmans en andere hebben niet aannemelijk gemaakt dat er ten tijde van vaststelling van het plan concrete plannen waren voor een nieuwe detailhandelsvestiging op één of meer van hun in de bestemmingswijziging betrokken percelen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet de bestemming "Gemengd - Aanloopgebied" heeft mogen toekennen aan de gronden van Hous;mans en andere is toegekend. Het betoog slaagt niet. Het beroep van De/s/ng 17. Delsing betoogt dat hij op onaanvaardbare wijze wordt beperkt in de gebruiksmogelijkheden op zijn perceel Gelrestraat 14 vanwege de bestemming "Gemengd - Aanloopgebied". Hij voert, in dit verband aan dat in het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Detailhandel" aan zijn perceel was toegekend.
Op grond van de in het plan toegekende bestemming "Gemengd - Aanloopgebied" is gebruik ten behoeve van detailhandel niet toegestaan. Delsing stelt dat hiermee de verhuurbaarheid van zijn pand in de toekomst in het gedrang komt. Ook leidt het plan volgens Delsing tot waardedaling van zijn pand. 17.1. De raad heeft toegelicht dat de beperking ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan het gevolg is van gewijzigde beleidsinzichten. Volgens de raad vindt er als onderdeel van het integrale centrumplan een sanering van niet gerealiseerde plancapaciteit voor detailhandel plaats. Dat de verhuurbaarheid van het pand negatief zou worden beïnvloed wordt niet aangetoond door Delsing en is volgens de raad geen reden om alsnog de functieaanduiding "detailhandel" toe te kennen. Voorts wijst de raad erop dat hij de belangen van Delsing heeft meegewogen door het feitelijk aanwezige gebruik van het pand als zodanig te bestemmen. 17.2. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan namelijk op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.
Verder kan een beperking van rechten ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan in beginsel aanvaardbaar zijn indien concrete plannen van een belanghebbende ontbreken. Delsing heeft niet aannemelijk gemaakt dat er ten tijde van vaststelling van het plan concrete plannen waren voor een detailhandelsvestiging. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het pand van Delsing betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.
202006208/1/R2
34
30 augustus 2023
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet de bestemming "Gemengd - Aanloopgebied" heeft mogen toekennen aan de gronden op het perceel Gelrestraat 14. Het betoog slaagt niet. De overige beroepsgronden van Cardon 18. Cardon betoogt dat het bestemmingsplan een onaanvaardbare verslechtering betekent van de ontsluitingsmogelijkheden van zijn percelen. Volgens Cardon is het onduidelijk op welke wijze en voor welke verkeersstromen het bestemmingsplan de bereikbaarheid van zijn percelen garandeert. Deze onduidelijkheid is volgens Cardon niet acceptabel, gelet op de planregels die terrassen op de Aasterbergerweg toelaten. Ter zitting heeft Cardon toegelicht dat mogelijke terrassen op de Aasterbergerweg de ontsluiting van zijn percelen kunnen belemmeren, omdat daardoor de manoeuvreerruimte van voertuigen voor de toegang tot zijn percelen wordt beperkt. 18.1. De raad stelt dat de bereikbaarheid van de percelen van Cardon niet in het geding is. Daartoe heeft de raad een memo van onderzoeksbureau Kragten overgelegd, waarin wordt toegelicht dat de Aasterbergerweg in de beoogde situatie toegankelijk blijft voor bestemmingsverkeer en langzaam verkeer. De raad stelt voorts dat de planregels geen terrassen toelaten op de gronden grenzend aan de gronden van Cardon.
Daarbij wijst de raad erop dat de bruikbaarheid van de Aasterbergerweg wordt gegarandeerd, omdat het op grond van artikel 2:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de APV Echt-Susteren 2017 verboden is om de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien het gebruik de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren. Ter zitting heeft de raad toegezegd dat op gronden met de bestemming "Verkeer", grenzend aan de bestemming "Detailhandel - Foodmarkt" in de toekomst geen terrassen zullen worden gevestigd. 18.2. Ingevolge artikel 13.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Verkeer" onder meer bestemd voor terrassen. Ingevolge artikel 13.5.1 van de planregels zijn terrassen uitsluitend toegestaan op de gronden grenzend aan de gronden met de bestemming "Detailhandel - Foodmarkt", "Centrum - Echt", "Horeca", "Cultuur en ontspanning" en "Gemengd - Aanloopgebied". 1 8.3. De Afdeling stelt vast dat de percelen van Cardon grenzend aan de Aasterbergerweg de bestemming "Bedrijf" hebben. Op grond van artikel 13.5.1 van de planregels zijn terrassen niet toegestaan op de gronden grenzend aan de percelen van Cardon.
Gelet hierop, en op de toezegging van de raad dat geen medewerking wordt verleend voor het vestigen van terrassen op gronden aan de Aasterbergweg, grenzend aan de bestemming "Detailhandel - Foodmarkt", ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan een onaanvaardbare verslechtering betekent van de ontsluitingsmogelijkheden van de percelen van Cardon. Het betoog slaagt niet.
202006208/1/R2
35
30 augustus 2023
Zienswijze gemeente Maasgouw 19. Waar de gemeente Maasgouw voor het overige verzoekt de inhoud van hun zienswijze als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de nota van zienswijzen behorende bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. De gemeente Maasgouw heeft in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist, dan wel onvolledig is. In wat de gemeente Maasgouw in zoverre heeft aangevoerd, bestaat dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Conclusie 20. De beroepen van Delsing, Smeets, Schulpen Supermarkt, Ondernemingsvereniging Maasbracht, Cardon, Stichting Klankbordgroep Groot Pey en de gemeente Maasgouw zijn ongegrond. Voor hen is deze uitspraak in zoverre een einduitspraak, zodat hiermee hun procedure bij de Afdeling ten einde komt. 21. Ten aanzien van de beroepen van Delsing, Smeets, Schulpen Supermarkt, Ondernemingsvereniging Maasbracht, Cardon, Stichting Klankbordgroep Groot Pey en de gemeente Maasgouw hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden. Bestuurlijke lus 22.
Gelet op wat onder 4.4 en 14.3 van deze uitspraak is overwogen, slagen de betogen van Housmans en andere en Albert Heijn en andere en is de conclusie dat de raad het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid heeft genomen. 23. De Afdeling ziet evenwel in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:5ld van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van wat onder 4.4 van deze uitspraak is overwogen de definitiebepaling voor een "foodmarkt" in artikel 1.43 van de planregels zodanig te wijzigen dat zoveel mogelijk aan de hand van in dat artikel op te nemen objectief waarneembare eigenschappen en kenmerken kan worden vastgesteld waarin een foodmarkt zich onderscheidt van een reguliere supermarkt en daarmee ook op een toereikende wijze kan worden bepaald in hoeverre de voorgenomen vestiging van de Jumbo op gronden met de bestemming "Detailhandel - Foodmarkt" aan de voor een foodmarkt geldende vereisten voldoet.
Daarnaast dient de raad de definitiebepaling voor "foodgerelateerde detailhandel" in artikel 1.44 van de planregels zodanig te wijzigen dat ook dit begrip voldoende duidelijk en bepaalbaar is, bijvoorbeeld door het begrip "foodmarkt-concept" op een soortgelijke wijze als hiervoor is aangegeven met betrekking tot de definitiebepaling van een "foodmarkt" te definiëren.
202006208/1/R2
36
30 augustus 2023
Verder dient de raad met inachtneming van wat onder 14.3 is overwogen inzichtelijk te maken dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen om te voorzien in de parkeerbehoefte. De raad hoeft voor een eventueel nieuw besluit geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd. 24. Ten aanzien van de beroepen van Housmans en andere en Albert Heijn en andere zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten.
202006208/1/R2
37
30 augustus 2023
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.
II.
verklaart de beroepen van E. Delsing, P.H.M.M. Smeets, Schulpen Supermarkt B.V., Ondernemingsvereniging Maasbracht, Cardon Beheer B.V., Stichting Klankbordgroep Groot Pey, en het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw en de raad van de gemeente Maasgouw ongegrond; draagt de raad van de gemeente Echt-Susteren naar aanleiding van de beroepen van H.J.G.M. Housmans en A. Peters-Housmans en andere, Albert Heijn B.V. en andere ojd binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat in 4.4, 14.3 en 23 van deze uitspraak is overwogen - de daar omschreven gebreken te herstellen; - de Afdeling en andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.K. El-Wanni, griffier.
w.g. Hoekstra voorzitter
w.g. El-Wanni griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2023 911-1075 Verzonden: 30 augustus 2023