Toelichting
Tekst van het document
31
Geconstateerd kan worden dat zowel geclusterde zorgwoningen, (zorg)geschikte woningen als (reguliere) seniorenwoningen kansrijke segmenten vormen binnen de woningmarkt van de gemeente Echt-Susteren. In relatie tot de markt van wonen met zorg (met in beginsel indicatieonafhankelijke zorg) voor ouderen kan eenduidig worden gesteld dat alle ter zake doende parameters binnen de gemeente kansrijk zijn. Resumerend stellen de regiogemeenten, waaronder Echt-Susteren, in de SWZW eenduidig vast dat er op regionaal niveau sprake is van een veranderende woningbehoefte vanwege de veranderende bevolkingssamenstelling. Aanvullend kan worden gesteld dat de zorgbehoefte hiermee navenant toeneemt. Essentieel daarbij is de constatering dat de ontwikkelingen in de zorgwereld erg dynamisch zijn en grote consequenties hebben voor de invulling van wonen met zorg. Scheiden van wonen en zorg en de verdergaande vergrijzing vormen regionaal gezien de belangrijkste ontwikkelingen, waarop de gemeenten op passende wijze willen anticiperen. Toetsing Residentie Maesland Burcht Eenduidig kan worden geconstateerd dat het aandeel ouderen (>65 jaar) binnen de samenleving, zowel in de regio Midden-Limburg als in de gemeente Echt-Susteren toeneemt. De bevolking is onmiskenbaar aan het vergrijzen en ouderdom komt vaak met gebreken.
Gelet op de doelgroep van ouderen met een (intensieve) zorgbehoefte, meer specifiek mensen met dementie, kan worden gesteld dat deze groep in de gemeente Echt-Susteren structureel en in substantiële aantallen aanwezig is. Daarnaast is er een substantiële groep ouderen met een verhuiswens naar (zorg)geschikte seniorenwoningen (nultredenwoningen) dan wel appartementen met lift. Nu en in de toekomst zal er dan ook vraag zijn en blijven naar deze woonvormen. De (directe) nabijheid van zorgvoorzieningen vormt hierbij te allen tijde een kwaliteitsverhogend aspect. Op zowel regionaal als lokaal niveau beantwoordt het initiatief aan een structurele vraag onder de groeiende groep ‘oudere huishoudens’, met name de doelgroep van ouderen met een structurele zorgbehoefte. Bij dit alles geldt dat iemands woning niet automatisch geschikt (te maken) is voor het bieden van de noodzakelijke zorg. Woon-zorginitiatieven vanuit de markt kunnen daarmee een adequaat probleemoplossend effect bewerkstelligen. De partiële transformatie van Hotel Roosterhoeve, ofwel de realisatie van het woon-zorgcomplex ‘Residentie Maesland Burcht’, komt in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht tegemoet aan de ambities en opgaven, die de regionaal samenwerkende gemeenten – waaronder Echt-Susteren – zich hebben gesteld.
Het woon-zorgcomplex geeft daarbij op passende wijze invulling aan een structurele vraag in de huidige wereld van Wonen en Zorg. Resumerend kunnen de volgende conclusies worden gesteld: ˗ Het aanbod van geclusterde zorgwoningen kan op zowel regionaal als gemeentelijk niveau als onvoldoende worden gezien en is de woningmarkt voor zorgdoelgroepen op dit moment ontoereikend. ˗ Het beoogde woon-zorgcomplex ‘Residentie Maesland Burcht’ geeft op passende wijze invulling aan een structurele vraag in de huidige wereld van Wonen en Zorg. ˗ Het initiatief anticipeert specifiek op de vraag naar huurappartementen met lift, geschikt voor (intensieve) zorgverlening. ˗ In basis vallen de beoogde woon-zorgeenheden binnen het planconcept binnen de formele definitie van zorgwoning.
32
Zorgwoning Woningen of wooneenheden bestemd voor verzorgd wonen, maar waarvan minimaal een van de bewoners vanwege de beperkte zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning - op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem - is geïndiceerd voor zorg, waarbij die zorg beschikbaar is in de directe nabijheid van de woning en welke zorg door minimaal een van de bewoners ook daadwerkelijk wordt afgenomen. Een simpeler definitie is vanuit de jurisprudentie ook toegestaan. Zo heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) bij uitspraak van 13 augustus 2014 overwogen dat de definitie ‘een woning die gekoppeld is aan een zorgfunctie ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte’ voldoende concreet en geobjectiveerd is om duidelijkheid te verschaffen omtrent het gebruik als ‘zorgwoning’. Naar het oordeel van de ABRvS behoefde de specifieke zorgindicatie niet in het plan te worden opgenomen omdat dit niet zou leiden tot een ruimtelijk relevant onderscheid. Wel moet in de definitie zijn opgenomen dat daadwerkelijk sprake is van een zorgbehoefte en dat daadwerkelijk van deze zorg gebruik wordt gemaakt.
3.3
Gemeente Echt-Susteren Structuurvisie Echt-Susteren 2012-2025 In de ‘Structuurvisie 2012-2025’ geeft het gemeentebestuur koers en richting aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van Echt-Susteren. Ten aanzien van het aspect ‘Wonen’ constateert de gemeente dat er momenteel teveel woningbouwlocaties in beeld zijn voor de vraag die er tot 2025 is. Scherpe keuzes zijn nodig om verdere leegstand te voorkomen en ervoor te zorgen dat Echt-Susteren een aantrekkelijke woongemeente blijft. Vanuit dit vertrekpunt hebben nieuwe woningen in (hoofd)kernen nadrukkelijk de voorkeur boven nieuwe woningen in het buitengebied. Verder blijft bouwen van woningen, waar kwantitatief en kwalitatief behoefte aan is, in elke kern mogelijk. Algemeen beleidsuitgangspunt in de structuurvisie is dat het toevoegen of vergroten van woningen in het buitengebied niet gewenst is. Daarnaast ligt in het stedelijk gebied de nadruk onder meer op inbreiden en herstructureren. In de structuurvisie constateert de gemeente dat Echt-Susteren over een voortreffelijke ontsluiting naar stedelijke gebieden in binnen- en buitenland beschikt. Dit biedt niet alleen kansen voor het behoud van de huidige inwoners, maar ook voor het aantrekken van nieuwe. Tot slot constateert de gemeente dat met het huidige woningbouwprogramma kwalitatief gezien niet de juiste doelgroepen worden bediend.
Gesteld wordt dat met name in het segment duurdere eensgezinswoningen gereduceerd moet worden om ruimte te maken voor zorg- en levensloopbestendige nultredenwoningen. Toetsing Residentie Maesland Burcht In lijn met de toetsing aan het provinciale omgevingsbeleid kan worden gesteld dat het transformatieplan in lijn is met de koers, die de gemeente heeft aangegeven in de Structuurvisie. Kort samengevat beantwoordt het transformatieplan aan de doelstellingen voor binnenstedelijke ontwikkelingen en komt het zowel kwantitatief als kwalitatief tegemoet aan een structurele vraag naar woonvormen met bijpassende zorgverlening. Gezien de locatie aan de rand van Roosteren en de korte afstand tot Maaseik kan het initiatief tevens een ‘welkom thuis’ vormen voor de in België wonende oud-inwoners van Echt-Susteren.
33
4
OMGEVINGSASPECTEN
4.1
Bedrijven en milieuzonering Ruimtelijke ordening in Nederland is gericht op het creëren van zowel een aangenaam woon- en leefklimaat als een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven. Een goede ruimtelijke ordening voorkomt voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende bedrijfsactiviteiten. Daarnaast biedt het bedrijven voldoende zekerheid om hun activiteiten te kunnen uitvoeren. Een en ander betekent dat er weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat over vestigingslocaties voor woningen – waaronder zorgwoningen - enerzijds en bedrijven anderzijds. Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf en de omgeving. Bij milieuzonering gaat het vooral om de vraag “Welke afstand is aanvaardbaar tussen (nieuwe) bedrijven en (nieuwe) woningen?” Voor het bepalen van de aan te houden afstanden tussen woningen en bedrijven zijn in de VNG-brochure VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ richtafstanden opgenomen. Hiermee wordt aangegeven welke afstanden acceptabel zijn tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de dichtst daarbij gelegen gevel van een milieugevoelige functie (hier: (zorg)woning), die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is c.q. wordt gemaakt. Figuur 4.1 geeft de relatie weer tussen milieucategorie bedrijvigheid, richtafstanden en omgevingstypen.
Figuur 4.1: Richtafstanden uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’
Richtafstand tot omgevingstype ‘gemengd gebied’
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
Toetsing Residentie Maesland Burcht Planologisch gezien bevindt de planlocatie aan de Hoekstaat 29 zich aan de rand van de bebouwde kom van Roosteren en is de locatie omgeven door met name woon- en agrarische bestemmingen (zie figuur 4.2). Vanuit de agrarische bedrijfsvoering dient ten opzichte van geurgevoelig objecten, zoals woningen, een afstand van ten minste 50 meter te worden aangehouden, indien het object is gelegen buiten de bebouwde kom. Figuur 4.2: Gebieds- en gebruiksfuncties rondom de planlocatie (Bron: ruimtelijkeplannen.nl).
34
Het planologisch kader geeft aan dat het hotel-restaurant Roosterhoeve direct grenst aan percelen met een woonbestemming. Er liggen geen veehouderijen in de nabijheid, die door de nieuwe (zorg)woningen in hun ontwikkelruimte wordt belemmerd. Hiermee is op voorhand het kader geschapen dat milieugevoelige bestemmingen en milieubelastende activiteiten hier in beginsel op korte afstand naast elkaar kunnen en mogen voorkomen. Conclusie Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.2
Geluid Het aspect ‘Geluid’ is primair geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh richt zich vooral op een verantwoorde ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen ten opzichte van belangrijke geluidsbronnen, zoals (rail)verkeer en industrie. Geluidsgevoelige bestemmingen worden in beginsel beschermd tegen te hoge geluidniveaus van verkeerswegen, spoorlijnen en industrie, of tegen een toename van deze niveaus als er iets aan de situatie verandert. De Wgh ziet daarbij alleen toe op zaken die nieuw zijn of veranderen, zoals het planologisch inpassen van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals (zorg)woningen. Gericht op een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat kent de Wgh een voorkeursgrenswaarde en een maximale ontheffingswaarde. In figuur 4.3 zijn vanuit wegverkeer de normen voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen weergegeven. Figuur 4.3: Geluidnormen Wgh. Voorkeursgrenswaarde
Maximale ontheffingswaarde
Wegverkeer
Binnenstedelijk
48 dB
63 dB
Buitenstedelijk (rijkswegen)
48 dB
53 dB
Aansluitend is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van toepassing om voor situaties waarbij de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld 30 km/h zones) een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Toetsing Residentie Maesland Burcht Het transformatieplan brengt - in planologische zin – met zich mee dat een geluidongevoelige (horeca)bestemming wordt omgezet in geluidgevoelige (woon/zorg)bestemming. Concreet vallen woon-zorgcomplexen onder de categorie ‘Andere geluidgevoelige gebouwen’. Dit betekent dat de delen van het gebouw die een andere bestemming hebben dan de verblijfsruimten voor zorg, niet aan de Wgh hoeven te worden getoetst. Aanvullend kan worden geconstateerd dat de planlocatie niet gelegen is in een wettelijke (Wgh) geluidzone met betrekking tot wegverkeer, omdat de omliggende wegen een 30 km/h zone vormen. De in bestaande bebouwing, nieuw te vestigen geluidgevoelige bestemming ligt ook niet in een geluidzone van een spoorweg of van een gezoneerd industrieterrein. De Wgh is in het voorliggende traject van besluitvorming formeel dan ook niet van toepassing.
In het kader van een akoestische afweging op grond van de Wro geldt vervolgens – en in algemene zin - dat als er geluidbronnen zijn die niet gereguleerd zijn onder de betreffende wetgeving (Wgh), zoals onder meer stemgeluid van een terras aan de openbare weg of een relatief drukke 30 km/h-weg op korte afstand van een woning, dan dient het hieraan gekoppelde geluid te worden afgewogen in het kader van een goed woon- en leefklimaat.
35
Ondanks dat de Wgh hier formeel niet aan de orde is, is het initiatief onderworpen aan een akoestische analyse en toetsing. De geluidgevoeligheid van Residentie Maesland Burcht richt zich daarbij specifiek op de (zorg)appartementen en de aan de zorgappartementen verbonden gemeenschappelijke ruimten. De akoestische analyse heeft als vertrekpunt dat de feestzaal binnen De Roosterhoeve bij de partiële transformatie van het complex zijn huidige functie zal verliezen. Het omzetten van de feestzaal naar een ruimte voor wonen met zorg betekent tevens dat de meest relevante geluidsbron binnen het hotel-restaurant komt te vervallen. Na realisatie van het plan zal er binnen het resterende deel van hotel-restaurant Roosterhoeve ook geen feestruimte meer aanwezig zijn. Dit alles in lijn met het voornemen van de hoteleigenaar om de toekomstige exploitatie van de Roosterhoeve nader af te stemmen op de Residentie Maesland Burcht. In combinatie met het woonzorgcomplex is het resterende deel van de Roosterhoeve daarmee geworden tot een inrichting in de categorie ‘Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra’. Deze wordt in de VNG-brochure ingedeeld als categorie-1 inrichting, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter (in een rustige woonwijk en rustig buitengebied).
Bij dit alles geldt overigens dat de richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Onder bepaalde omstandigheden is het echter gerechtvaardigd om een grotere of juist een kleinere richtafstand aan te houden. Dit is echter alleen toegestaan indien ondanks de afwijking alsnog een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Bij dit alles is vergunningsvrij bouwen in beginsel mogelijk in het achtererfgebied. Gezien de huidige bebouwing is vergunningsvrij bouwen binnen het perceel van Roosterhoeve daarmee geen reële optie. Concreet getoetst aan het voorliggende inrichtingsplan (zie eerder figuur 2.8) vormen de twee zorgunits aan de uiterste oostgrens van het woonzorgcomplex (begane grond en 1 e verdieping) een akoestisch aandachtspunt, evenals de gezamenlijke ruimte voor de bewoners aan de westelijke zijde van het complex. Voor de twee zorgunits geldt dat de buitengevel (aan de kopse kant van het gebouw) geen te openen ramen bevat. In akoestisch opzicht een dove gevel derhalve.
De gezamenlijke ruimte aan de oostzijde is in akoestisch opzicht te vergelijken met een ruimte binnen een hotel-restaurant, waar mensen met elkaar aan een tafeltje aan het converseren zijn. De gezamenlijke ruimte is in ieder geval geen individuele 24/7-woonruimte met slaapkamer. Hetzelfde kan worden gesteld over de buitenruimte c.q. tuin op het middenterrein. In akoestisch opzicht is hier sprake van mensen die, verspreid over deze ruimte, aan tafeltjes zitten en met elkaar converseren. In algemene zin geldt ook hier: in de toekomstige situatie is er binnen de Roosterhoeve geen sprake meer van feestruimten dan wel activiteiten waarbij sprake is van geluidinstallaties. In het kader van de Wro-toetsing valt de planlocatie binnen de geluidssfeer van met name de Hoekstraat. Op voorhand kan worden gesteld dat in de huidige situatie, gezien het relatief hoge woonkarakter in deze omgeving, reeds sprake is van een akoestisch acceptabel woon- en leefmilieu. Tevens kan worden geconstateerd dat zich tussen het beoogde woon-zorgcomplex en de Hoekstaat reeds bouwdelen van het hotel-restaurant staan, die als 1e lint bebouwing een akoestisch afschermende werking vormen voor het complex. Tot slot kan worden gesteld dat de verkeersintensiteiten op de Hoekstraat (met name bestemmingsverkeer) zodanig zal zijn, dat het beoogde complex in een akoestisch acceptabele omgeving is geprojecteerd.
36
Figuur 4.4: Hoekstraat ter hoogte van hotel-restaurant Roosterhoeve.
De aanwezigheid van een akoestisch verantwoord woon- en leefklimaat binnen de planlocatie kan worden bevestigd via de Geluidbelastingskaart van de Atlas Leefomgeving, opgesteld door Rijkswaterstaat en RIVM in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie figuur 4.5). Figuur 4.5: Geluidbelastingskaart Atlas Leefomgeving: uitsnede plangebied en (nabije) omgeving.
Op basis van figuur 4.5 kan worden herleid dat de planlocatie gelegen is in een omgeving met een geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer lager dan 50 dB (Lden) en deels lager dan 45
37
dB (Lden), ofwel lager dan de voorkeursgrenswaarde. Uit de gegevens is niet eenduidig te herleiden of de aftrek ex artikel 110g Wgh4 in de gepresenteerde akoestische waarden is verdisconteerd. Ondanks dat biedt de geluidbelastingskaart voldoende basis voor de stelling dat het gebouwencomplex zich bevindt in een akoestisch passende c.q. geluidarme omgeving. Conclusie Het aspect ‘Geluid’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.3
Luchtkwaliteit De Rijksoverheid werkt samen met provincies en gemeenten om te voldoen aan de Europese normen voor luchtkwaliteit. In Europees verband zijn normen vastgelegd voor de maximum concentratie van een aantal stoffen in de buitenlucht. Deze normen zijn voor de Nederlandse situatie vastgelegd in de Wet luchtkwaliteit en de Wet milieubeheer. De kern van de Wet luchtkwaliteit bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Zo zijn er grenswaarden voor de maximaal toegestane concentraties van onder andere fijn stof (PM10) en de fijnere fractie van fijn stof (PM2,5) in de lucht. Tevens voorziet de wet in de planmatige aanpak voor Nederland om de Europese luchtkwaliteitseisen te halen: het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL bevat afspraken om op nationaal, provinciaal en regionaal niveau de gestelde eisen te halen. Daarbij is rekening gehouden met gewenste en geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Kort samengevat hebben luchtkwaliteitsregels gevolgen voor het uitvoeren van (ruimtelijke) projecten. Uitgangspunt is dat een project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Als er wel een overschrijding is, dan mag een project de luchtkwaliteit niet ‘in betekenende mate’ verslechteren.
Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Het Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage (NIBM)’ betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen die ‘niet in betekenende mate’ leiden tot een verslechtering van de heersende luchtkwaliteit, niet afzonderlijk getoetst hoeven te worden op de grenswaarden. Binnen wetmatig gestelde omvanggrenzen is een toetsing aan de grenswaarden van de luchtkwaliteit niet noodzakelijk, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. Elk project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit kan dus worden uitgevoerd. Op Rijksniveau is de definitie van ‘in betekenende mate’ vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB, te zien als luchtkwaliteitseisen, is vastgelegd dat projecten die leiden tot een toename van (concentratie-)grenswaarden van een stof met meer dan 3%, in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling. Onder deze 3% grens is dus sprake van NIBM. Deze 3%-grens is in deze AMvB voor een aantal veel voorkomende ruimtelijke functies op voorhand reeds gekwantificeerd. In relatie tot bijvoorbeeld woningbouw is de NIBM-grens gekoppeld aan 1.500 woningen met één ontsluitingsweg. Toetsing Residentie Maesland Burcht Huidige luchtkwaliteit Het beoordelen van de luchtkwaliteit vindt plaats volgens bepalingen, zoals die in de Wet milieubeheer zijn opgenomen.
Gelet op de componenten stikstofoxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM 2,5) zijn de volgende grenswaarden van toepassing: ˗ NO2: 40 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015). ˗ PM10: 40 µg/m3 als jaargemiddelde. ˗ PM2.5: 25 µg/m3 als jaargemiddelde (sinds 2015).
4 Bij de beoordeling van geluid afkomstig van wegen mag er volgens de Wgh rekening worden gehouden met de verwachting
dat het wegverkeer in de toekomst stiller wordt. Dit is opgenomen in artikel 110g Wgh, waarin is vermeld dat de aftrek ten hoogste 5 dB mag bedragen.
38
Op grond van de Atlas Leefomgeving kunnen voor de planlocatie Hoekstraat 29 en directe omgeving de volgende luchtkwaliteitsgegevens worden herleid: ˗ NO2: <20 µg/m3 ˗ PM10: <20 µg/m3 ˗ PM2.5: <15 µg/m3 Op grond van de bovenstaande gegevens kan worden gesteld dat de concentraties van de componenten NO2, PM10 en PM2.5 (ruim) onder de betreffende grenswaarden liggen. De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed te noemen. Het is niet aannemelijk te veronderstellen dat het transformatieplan een overschrijding van deze grenswaarden tot gevolg zal hebben. Besluit ‘Niet In Betekenende Mate bijdrage’ (NIBM) Om de bijdrage van ruimtelijke- en/of verkeersplannen op de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen en daarmee inzicht te krijgen of deze bijdrage wel/niet als NIBM kan worden aangemerkt, heeft het ministerie van IenM in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil in 2008 de NIBM-tool ontwikkeld. Opgemerkt wordt dat de NIBM-tool een worst-case benadering hanteert bij het berekenen van de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Om de impact van het transformatieplan op de luchtkwaliteit te bepalen is deze NIBM-tool toegepast.
Vertrekpunt bij toepassing van de NIBM-tool is het kennisplatform CROW, dat in relatie tot zorgappartementen, gelegen in matig stedelijk gebied en binnen het omgevingstype centrum, een verkeersgeneratie hanteert, variërend van 0,5 tot 0,7 motorvoertuigen (mvt) per zorgappartement per etmaal. Voor een regulier appartement (huur, middensegment) varieert dit getal van 3,2 tot 4,0 mvt/etmaal. Uitgaande van 26 zorgappartementen en 7 reguliere appartementen resulteert dit in (afgerond) maximaal 46 mvt/etmaal. Op basis van deze cijfers is de NIBM-tool ingevuld, zie figuur 4.6. Figuur 4.6: Worst-case berekening bijdrage extra verkeer transformatieplan op luchtkwaliteit.
Bron: NIBM-tool 2020, Rijkswaterstaat, Ministerie IenW.
De omvang alsmede de potentiële bijdrage van het transformatieplan aan de luchtkwaliteit kan als ‘NIBM’ worden beschouwd. Conclusie Het aspect ‘Luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.4
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er nabij kwetsbare bestemmingen (zoals woningen) activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Een en ander brengt met zich mee dat weloverwogen keuzes moeten worden gemaakt als het gaat
39
om vestigingslocaties voor woningen enerzijds en risicovolle (bedrijfs)activiteiten anderzijds. Concreet kan het aspect externe veiligheid relevant zijn vanwege bedrijven (inrichtingen) die met gevaarlijke stoffen werken en vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en door buisleidingen. Bij de ruimtelijke afwegingen c.q. risicobenaderingen biedt de wet- en regelgeving twee begrippen om het risiconiveau voor activiteiten met gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Het betreft hier het persoons- c.q. plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is het risico op een plaats buiten een inrichting of langs een transportas voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR) Het GR is de cumulatieve kans per jaar dat een aantal personen overlijdt vanwege hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting c.q. transportas en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij die transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Voor het GR bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt, maar wordt het GR gerelateerd aan de oriëntatiewaarde van dit risico. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR.
Toetsing Residentie Maesland Burcht Op grond van de algemeen door provincies en gemeenten gehanteerde Signaleringskaart EV kan worden geconstateerd dat de planlocatie zich buiten de aanwezige EV-zones bevindt (zie figuur 4.7). Dit betekent dat in de (directe) nabijheid van het plangebied geen risicovolle objecten dan wel activiteiten zijn, met een significante impact op het beoogde woon-zorgcomplex. Figuur 4.7: Uitsnede Signaleringskaart EV (planlocatie in rode cirkel).
Conclusie Het aspect ‘Externe Veiligheid’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
40
4.5
Ecologie Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de Wnb is nog steeds sprake van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijn) en gebieden binnen het NNN. Als het gaat om soortenbescherming kent de Wnb een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogel- en de Habitatrichtlijn voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Toetsing Residentie Maesland Burcht Gebiedsbescherming De planlocatie voor Residentie Maesland Burcht is niet gelegen in of in de directe nabijheid van een Natura2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura2000-gebied is Grensmaas, dat zich op circa 900 meter van de locatie (zie figuur 4.8). Tevens maakt de planlocatie geen deel uit van het NNN, waarbij de provincie Limburg onderscheid maakt tussen de goudgroene-, zilvergroeneof bronsgroene zone5. Het meest nabijgelegen gebied, grenzend aan de planlocatie, betreft een bronsgroene landschapszone. De dichtstbijzijnde goudgroene natuurzone bevindt zich op circa 300 meter ten noorden van de planlocatie.
In figuur 4.8 is tevens de ligging van de planlocatie ten opzichte van de goudgroene-, zilvergroene- en bronsgroene zone weergegeven. Figuur 4.8: Ligging planlocatie t.o.v. beschermde natuurgebieden (Bron: Omgevingsverordening Limburg).
5 In het provinciaal natuurbeleid (POL 2014) zijn drie groene natuurzones onderscheiden: de goudgroene-, zilvergroene- en
bronsgroene zone. De goudgroene natuurzone en zilvergroene natuurzone vormen het NNN. De bronsgroene zone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden.
41
Natura2000 versus stikstofdepositie De Wnb vormt de juridische basis voor vergunningverlening met betrekking tot te beschermen natuurgebieden. In het kader van een toets aan de Wnb wordt bepaald of (bedrijfs)activiteiten (mogelijke) negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura2000gebieden. Bouwplannen voor (zorg)woningen kunnen in dit verband leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura2000-gebied. Behalve in de (tijdelijke) fase van realisatie kunnen de verschillende gebouwen ook in de (permanente) gebruiksfase leiden tot een toename van de stikstofdepositie, bijvoorbeeld vanwege het gebruik van gas als energievoorziening. Op 1 juli 2015 verscheen het Programma Aanpak Stikstof (PAS), als zodanig vastgesteld om economische ontwikkelingen te kunnen verbinden met het op termijn realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen van de voor stikstof gevoelige habitattypen en (leefgebieden van) soorten voor Natura 2000-gebieden die zijn opgenomen in dit programma. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter beslist dat het PAS niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een toename van stikstof ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden.
Deze beslissing heeft consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder woningbouw, die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Nu het ecologisch onderzoek (de ‘passende beoordeling’) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat het project of plan op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Op 9 oktober 2019 verscheen vanuit BIJ12, de uitvoeringsorganisatie voor de 12 provincies, de publicatie dat de 12 provincies nieuwe beleidsregels hebben vastgesteld voor het verlenen van vergunningen op grond van de Wnb. Concreet kunnen er vanaf oktober 2019 weer vergunningen verleend worden. Toestemming voor stikstofgerelateerde activiteiten wordt weer mogelijk, zolang de activiteiten niet leiden tot een stijging van stikstofbelasting. Om inzicht te krijgen in het vraagstuk van stikstofemissie en -depositie ten gevolge van de voorgenomen (partiële) transformatie van hotel-restaurant Roosterhoeve zijn met behulp van de AERIUS Calculator de benodigde berekeningen uitgevoerd. Berekeningen en bijbehorende rapportage, uitgevoerd door Ad Fontem BV, zijn als bijlage aan deze Toelichting toegevoegd.
Kort samengevat komt er bij de (partiële) transformatie van hotel-restaurant Roosterhoeve stikstof (NOx) vrij, maar tonen de berekeningen aan dat deze emissie van NOx niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. De stikstofemissie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling ligt nergens hoger dan 0,00 mol/ha/j. Conclusie is dan ook dat het voorliggende transformatieplan niet leidt tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura2000-gebieden, waarmee de Wnb voor het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit plan. Soortenbescherming De partiële transformatie van de Roosterhoeve betreft een inpandige (her)ontwikkeling, die beperkt blijft tot de bestaande bebouwing. Ingrepen aan deze bebouwing zijn in hoofdzaak dan ook interne/inpandige verbouwingen. Aanvullend is voorzien in een renovatie van het bestaande dak (schuur). Met name de renovatie van het bestaande dak vormde de aanleiding om een quickscan Flora & Fauna uit te laten voeren, waarbij het plangebied onderzocht is op de (potentiële) aanwezigheid van (habitats van) beschermde soorten.
De quickscan Flora & Fauna, in juli-augustus 2020 uitgevoerd door EcoTierra BV (zie bijlage) toont aan dat er binnen het plangebied geen beschermde planten, jaarrond beschermde nesten van vogels of beschermde verblijfplaatsen van Habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde soorten voorkomen. Op grond van de in 2021 door de gemeente Echt-Susteren verleende omgevingsvergunning hebben de benodigde verbouwactiviteiten inmiddels plaatsgevonden, een en ander met inachtname van
42
de zorgplicht (art 1.11 Wnb). Deze zorgplicht, die voor alle soorten geldt, houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De zorgplicht brengt met zich mee dat passende maatregelen worden genomen om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden, zoals winterslaap, voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Conclusie Het aspect ‘Ecologie’ vormt geen belemmering voor dit tansformatieplan.
4.6
Water Het aspect Water betreft de waterhuishouding van het plangebied en omgeving, waarbij het vooral gaat om de wijze waarop waterstromen in een gebied verlopen. Het kan dan gaan om de kringloop van het water in de natuur of om het afwateringssysteem. Waterhuishouding omvat tevens de (technische) organisatie van afvoer van regen- en afvalwater alsmede de zuivering ervan. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang om aan te geven óf en in welke mate een ontwikkeling gevolgen heeft voor de waterhuishouding in het gebied. Met name de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van waterbeheersing, zijnde ‘vasthouden – bergen – afvoeren’ (in die volgorde), zijn van belang. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Zoveel mogelijk gebiedseigen water vasthouden en inlaat gebiedsvreemd water zoveel mogelijk beperken. ˗ Beperking van overlast door (grond)water of tekort aan water. Naast de waterkwantiteit heeft duurzaam omgaan met water ook betrekking op de kwaliteit van het water. Hierbij staat de trits ‘schoonhouden – scheiden – zuiveren’ centraal. Uitgangspunten in dit verband zijn: ˗ Vervuiling waar mogelijk bij de bron aanpakken; ˗ Voorkomen van verspreiding van verontreinigingen. Om het aspect ‘Water’ volwaardig mee te nemen in het proces van ruimtelijke plan- en besluitvorming is de ‘Watertoets’ in het leven geroepen.
Het doel van deze toets is het bewerkstelligen van een goede en evenwichtige afstemming tussen waterbeheer (kwantiteit en kwaliteit) en ruimtelijke plannen. De watertoets is onder meer van toepassing bij ruimtelijke plannen, waarbij het verhard oppervlak substantieel toeneemt en een versnelde afvoer van (hemel)water daardoor het gevolg is. Toetsing Residentie Maesland Burcht De partiële transformatie van hotel-restaurant Roosterhoeve betreft een inpandige (her)ontwikkeling, die beperkt blijft tot de oppervlakte van bestaande bebouwing. Er is daardoor geen sprake van een toename van het verhard oppervlak, leidend tot een versnelde afvoer van hemelwater. Tevens zullen de beoogde (zorg)appartementen, gelijk aan de huidige situatie, worden aangesloten op de reeds aanwezige toe- en –afvoervoorzieningen met betrekking tot het gebruik van water. Het transformatieplan heeft zodoende geen impact op de waterhuishouding. Conclusie Het aspect ‘Water’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.7
Bodem Het bodembeleid in Nederland heeft als doel te voorkomen dat als gevolg van een aanwezige bodemverontreiniging onaanvaardbare risico’s ontstaan voor de gebruikers van deze bodem. De
43
Wet bodembescherming stelt dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt daarbij als het ware de benodigde bodemkwaliteit. Op regionaal niveau geeft de Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 aan hoe de betreffende gemeenten, waaronder Echt-Susteren, omgaan met bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. De Nota geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. De Nota is dan ook onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart (BKK). Toetsing Residentie Maesland Burcht De partiële transformatie van hotel-restaurant Roosterhoeve betreft een inpandige (her)ontwikkeling, die beperkt blijft tot de oppervlakte van bestaande bebouwing. Voor wat betreft het aspect ‘Bodem’ betekent dit in feite geen verandering, waarvoor bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Conform de Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 dient voor een bestemmingswijziging altijd een vooronderzoek conform NEN5725 uitgevoerd te worden. Indien uit dit vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging kan de BKK in combinatie met het vooronderzoek als bewijsmiddel dienen. Echter in onderhavige situatie blijft de bodem haar gevoeligste gebruiksfunctie (Wonen) behouden.
Ook zijn er geen aanwijzingen dat op de locatie een bodemverontreiniging aanwezig is, of dat er een calamiteit heeft plaatsgevonden. De bodemtoets is daarmee niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘Bodem’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.8
Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie Binnen het (paraplu)bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ is de planlocatie Roosterhoeve gelegen binnen een gebied met als dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en is aan de planlocatie als zodanig de functieaanduiding ‘Specifieke vorm van waarde cultuurhistorische ensemble De Pas en Oevereind’ toegekend. Op de voor ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden mag worden gebouwd overeenkomstig de onderliggende bestemmingen en rekening houdend met de waarden, behorend bij het cultuurhistorisch ensemble De Pas en Oevereind. Oevereind is een lintvormig gehucht op de rand van het lage Maasterras naar het Maasdal. Ter hoogte van beide gehuchten bevindt zich een meander van de Maas, die een groot, grotendeels onbebouwd gebied omsluit: de Rug. Andere gehuchten zijn Maasheuvel en De Berg. Binnen dit ensemble liggen de oude gehuchten Oevereind en Maasheuvel. Roosteren ligt er net buiten. De ligging van De Pas en Oevereind anno 1842 en 2010 is weergegeven in figuur 4.9.
44
Figuur 4.9: De Pas en Oevereind in 1842 en 2010.
Bron: bestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’.
Belangrijke cultuurhistorische waarden van dit ensemble zijn de wegenstructuur langs de rand van het Maasterras, de bebouwingslinten, de relatie met het agrarisch gebied aan de zuidzijde (alleen voor Oevereind) en noordzijde (voor Maasheuvel en Oevereind), het groene landschap tussen lint en kade, het solitair gelegen erf aan de Hoekstraat, de bekading met zijn specifieke verloop om de gehuchten en de grotendeels nog open uiterwaarden. Toetsing Residentie Maesland Burcht De partiële transformatie van de Roosterhoeve betreft een inpandige (her)ontwikkeling, die daarmee beperkt blijft tot de bestaande bebouwing. Voor het (gebieds)ensemble De Pas en Oevereind kan dit niet worden gezien als een ingreep waardoor de aanwezige cultuurhistorische waarden nadelig worden beïnvloed. Archeologie Op grond van het door Nederland ondertekende Verdrag van Valletta (1992) dient bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te worden gehouden met mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. In navolging van het Verdrag is het Nederlandse beleid inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed gericht op het zoveel mogelijk in de bodem bewaren van archeologische waarden op de locatie zelf. Het Verdrag is in 2008 geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving via de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz).
Deze wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem alsmede de inpassing ervan in ruimtelijke ontwikkelingen. Het Verdrag van Valletta geeft aan dat het belangrijk is dat in de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met het belang van de archeologie. In de Wamz is daarom vastgelegd dat
45
gemeenten bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij vrijstellingen op bestaande plannen, aan moeten geven welke archeologische waarden er in de bodem zitten en hoe de gemeente daarmee denkt om te gaan. Toetsing Residentie Maesland Burcht De partiële transformatie van de Roosterhoeve betreft een inpandige (her)ontwikkeling, die daarmee beperkt blijft tot de bestaande bebouwing. Voor het aspect ‘Archeologie’ betekent dit in feite geen verandering, waarvoor archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Conclusie Het aspect ‘Cultuurhistorie en archeologie’ vormt geen belemmering voor dit transformatieplan.
4.9
Milieueffectrapportage (m.e.r.) In de Wet milieubeheer en het hieraan verbonden Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan een ruimtelijke plan, dat voorziet in een (grootschalige) ontwikkeling met (belangrijke) nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapprt (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER moet worden opgesteld zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Conform het Besluit m.e.r. kan een plan/project m.e.r.(beoordelings)plichtig kan zijn op (met name) de volgende manieren: ˗ Een plan/project is m.e.r.-plichtig als er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 van deze onderdelen. ˗ Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Ten aanzien van woningbouw (waartoe ook zorgwoningen worden gerekend) is in het Besluit m.e.r.
een koppeling gelegd met de omschrijving onder D-11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (drempelwaarde), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: ˗ Oppervlakte van 100 hectare of meer, ˗ Aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of ˗ Bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijft de ontwikkeling onder de drempel, dan is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vormvrije m.e.r.-beoordeling6 genoemd. De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt uitgevoerd middels een zogenoemde ‘Aanmeldingsnotitie’, waarin aandacht moet worden besteed aan twee onderdelen: ˗ Een beschrijving van de voorgenomen activiteit c.q. ontwikkeling, met name een beschrijving van de fysieke kenmerken van de activiteit en een beschrijving van de locatie hiervan, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn. ˗ Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijkste gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.
6
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat m.e.r. altijd noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten.
46
Toetsing Residentie Maesland Burcht Het transformatieplan betreft de omvorming van een feestzaal/voormalige schuur tot een woonzorgcomplex, met daarbinnen 26 zorgsuites met gemeenschappelijke voorzieningen en 7 zelfstandige seniorenappartementen. Binnen het voorliggende besluitvormingstraject kan dit kan leiden tot een m.e.r.-(beoordelings)plicht. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) moet getoetst worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen en moet wanneer hier sprake van is een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen worden. Onderhavig transformatieplan komt niet als activiteit in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.
Ook in voorkomende situatie zou gelden dat het transformatieplan ver onder de drempelwaarde ligt die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.beoordelingsplicht. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is er ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie paragraaf 4.5 en 4.8). Resumerend kan dan ook worden gesteld dat hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het voorgaande wordt mede bevestigd door navolgende jurisprudentie.
47
Jurisprudentie ECLI:NL:RVS:2020:729,11 maart 2020. Uit de jurisprudentie volgt dat of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van Besluit m.e.r afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard, omvang en locatie van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Hieronder wordt ingegaan op deze aspecten. Onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, overweegt de Afdeling dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100). Dat op elk bouwperceel maximaal 75 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. ECLI:NL:RVS:2019:1253: “Daarbij is het van belang dat het ruimtebeslag van de bestaande bebouwing beperkt is en dat de functiewijziging niet gepaard gaat met een uitbreiding van de bebouwing op het perceel. Verder wordt op het perceel slechts voorzien in een beperkt aantal parkeerplaatsen.
Gelet hierop acht de Afdeling - op grond van wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd niet aannemelijk dat de wijziging van het gebruik een dusdanige verkeersaantrekkende werking heeft dat daarmee milieugevolgen gepaard gaan die ertoe moeten leiden dat de ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject in bovenbedoelde zin”.
Conclusie Het initiatief c.q. het transformatieplan heeft een relatief beperkte omvang en wordt mogelijk gemaakt binnen de kern in een overwegend woongebied. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.
48
5
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
5.1
Planopzet en systematiek Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd.
5.2
Toelichting op de regels Opbouw Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels Bestemmingsomschrijving De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Nadere eisen Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
49
Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies. Afwijken van de gebruiksregels Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; Wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin. Algemene aanduidingsregels In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.
De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene procedureregels In deze bepaling wordt aangegeven welke procedure moeten worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. De procedure voor het wijzigen of het afwijken van het bestemmingsplan is al bij wet geregeld.
50
Overige regels In dit artikel is een bepaling opgenomen waarmee alle op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunningen, vrijstellingen of ontheffingen voor een activiteit waarvoor in dit bestemmingsplan een omgevingsvergunning is vereist, gelijk worden gesteld met zo'n omgevingsvergunning. Verder is in dit artikel een voorrangsregeling opgenomen, die bepaalt dat primair het bepaalde met betrekking tot een dubbelbestemming geldt. Ook is aangegeven welke dubbelbestemming de prioriteit krijgt indien meerdere dubbelbestemmingen over elkaar heen liggen. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. Bestemmingen Daar waar mogelijk is aangesloten bij het moederplan ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast zijn de regels van de bestemmingsplannen ‘Facetbestemmingsplan Deregulering’ en ‘Cultuurhistorie Echt Susteren’ verwerkt in onderhavig bestemmingsplan. Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Horeca (Artikel 3) In artikel 3 is de hoofdbestemming ‘Horeca’ opgenomen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor horeca in de categorie 1, 2 en 4 met de bijbehorende terrassen en diverse voorzieningen. Binnen deze bestemming is tevens een bedrijfswoning toegestaan. In de bouwregels zijn de voor alle bouwwerken van toepassing zijnde bouwregels opgenomen. In de regels is onderscheid gemaakt in de bouwregels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, de bedrijfswoning en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze bestemming voorziet tevens in de benodigde parkeervoorziening van de aangrenzende bestemming ‘maatschappelijk’.
Maatschappelijk (Artikel 4) In artikel 4 is de hoofdbestemming ‘Maatschappelijk’ opgenomen. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor een zorginstelling met zorgwoningen en tevens reguliere woningen met bijbehorende tuinen en erven, een aan huis verbonden bedrijf of beroep en voorzieningen voor de waterhuishouding. Binnen deze bestemming zijn zeven reguliere woningen, zesentwintig zorgwoningen en twee respijtkamers toegestaan. Beschermd wonen wordt binnen het plangebied mogelijk gemaakt en wordt middels de aanduiding ‘zorgwoning’ geborgd in de planregels en op de verbeelding. In de bouwregels zijn de voor alle bouwwerken van toepassing zijnde bouwregels opgenomen. In de regels is onderscheid gemaakt in de bouwregels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Waarde - Archeologie 1 en 3 (Artikel 5 en 6) In artikel 5 en 6 worden (mogelijk) in de bodem aanwezige cultuurhistorische of archeologische waarden beschermd en regels gesteld ingeval er omvangrijke grondroeringen zijn voorzien.
51
Waarde - Cultuurhistorie (Artikel 7) In artikel 7 worden de aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden beschermd. Waterstaat – Waterlopen (Artikel 8) De voor ‘Waterstaat – Waterlopen’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de aan de grond gegeven bestemmingen, primair bestemd voor het beheer en onderhoud van de binnen of aangrenzend aan het plangebied gelegen waterlopen. Waterstaat – Bergend rivierbed (Artikel 9) De voor ‘Waterstaat - Bergend rivierbed’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de berging en afvoer van oppervlaktewater.
52
6
6.1
UITVOERBAARHEID
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan te worden aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Met het oog op artikel 6.12 Wro is er geen aanleiding om een exploitatieplan vast te stellen, omdat de kosten anderszins verzekerd zijn middels een tussen de gemeente en de initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst. Het bestemmingsplan is hiermee financieel uitvoerbaar en wordt geconcludeerd dat het kostenverhaal verzekerd is.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooruitlopend op deze partiële herziening van het vigerende bestemmingsplan heeft de gemeente Echt-Susteren op 24 februari 2021 een omgevingsvergunning ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ voor de realisatie van Residentie Maesland Burcht verleend. Met deze omgevingsvergunning, verleend op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a onder 2 Wabo, heeft de gemeente gebruik gemaakt van haar de bevoegdheid om gemotiveerd af te wijken van het bestemmingsplan. Op deze omgevingsvergunning is geen bezwaar door omwonenden en/of andere belanghebbenden ingesteld. Aansluitend op voornoemde omgevingsvergunning doorloopt deze partiële herziening van het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ de in de Wro vastgelegde bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het College van B&W het ontwerpbestemmingsplan voorbereidt en dit plan voor een periode van 6 weken ter visie legt, waarna de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt. Aansluitend wordt het vastgestelde bestemmingsplan wederom voor een periode van 6 weken ter visie gelegd. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als ontwerp ter inzage gelegen van 17 juni t/m 28 juli 2022. In deze periode zijn op dit ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.
De provincie Limburg heeft aangegeven dat het voorliggende plan geen betrekking heeft op provinciale belangen en dat zij dan ook geen aanleiding ziet om ten aanzien van het plan een zienswijze in te dienen. Het voorgaande brengt met zich mee dat het ontwerpbestemmingsplan ‘Stedelijk gebied, Partiële herziening Hoekstraat 29 Roosteren’ ongewijzigd aan de Raad is voorgelegd ter vaststelling. Middels uitvoering van de procedurele vereisten uit de Wro is de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkelingen gewaarborgd.
53