Toelichting
Tekst van het document
Totaal: 20.305 m2, zie onderstaande situatietekening
Situatietekening toe te voegen verharding (bron: beeldkwaliteitsplan)
De capaciteit van de infiltratievoorziening zal minimaal het aantal m2 verhard oppervlak x 100 mm/m2 moeten bedragen. IN de planregels is voorzien in de borging van de realisatie en instandhouding van de vereiste waterbergingsmaatregelen.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
88
PouderoyenTonnaer
Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk in grondwatertrap VI en gedeeltelijk in grondwatertrap VIII. Dit betekent dat de GHG maximaal op 60 cm – maaiveld is gelegen. De infiltratievoorzieningen zijn derhalve overal goed te benutten. Tevens is de bodemdoorlatendheid voldoende vanwege de zanderige eigenschappen. Verder heeft initiatiefnemer de ervaring dat het hemelwater ter plaatse van het plangebied altijd snel infiltreert in de bodem. Ook in de directe omgeving zijn er geen problemen met vrijkomend hemelwater. Door de ruim voldoende capaciteit van de infiltratievoorziening, behoeft voor wateroverlast op de bouwkavel en de aangrenzende percelen van derden niet te worden gevreesd. Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en bijbehorende verharding niet te lozen op de riolering, wordt voldaan aan de norm dat bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld. In de infiltratievoorziening zal alleen schoon hemelwater worden opgevangen, waaraan uiteraard geen verontreinigde stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkómen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. De infiltratievoorziening doet in dat opzicht tevens dienst als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert.
Onderhavige ontwikkeling heeft gezien het bovenstaande geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding. Het Waterschap Limburg heeft in haar vooroverlegreactie aangegeven deze conclusie te onderschrijven en geeft hierbij aan dat er voldoende ruimte is om het hemelwater op te vangen en te infiltreren en er daarom geen actie nodig is vanuit het oogpunt van het waterschap.
5.5
Natuur en landschap 5.5.1 Nationaal natuurnetwerk (NNN) Tengevolge van de herijking van de ecologische hoofdstructuur in het POL 2014 en de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg is de locatie aan de Zandweg niet gelegen binnen het nationaal natuurnetwerk (volgens POL zonering ‘Goudgroene zone’). Wel is een deel van het plangebied gelegen in een gebied met kansen voor natuur ofwel de zilvergroene zone. Voornoemde ontwikkeling houdt hiermee rekening door middel van een robuuste landschapsinpassing via het beschreven model ‘boskamer’ en de aanleg van een groene verbinding tussen het bos en de Pepinusbeek welke gebruikt kan worden voor de migratie van soorten. Gesteld kan worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmeringen oplevert voor onderhavige planontwikkeling. 5.5.2 Landschapsplan Met betrekking tot voorliggende planontwikkeling is een landschapsplan opgesteld. Dit vloeit voort uit het feit dat sprake is van toepassing van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu. In de paragraaf ruimtelijke effecten en de paragraaf aangaande het GKM is, onder verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan, op de kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van het landschapsplan ingegaan.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
89
PouderoyenTonnaer
5.6
Flora en fauna 5.6.1 Algemeen Ten behoeve van de planologische procedure is het noodzakelijk te onderzoeken welke natuurwaarden actueel in het gebied aanwezig zijn en in omringende beschermde gebieden en op welke wijze de voorgenomen plannen op de locatie Zandweg 10 hierop effect hebben. Dit om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving gehandeld zal worden. Voor dit plan is een Natuurtoets uitgevoerd door Starobv welke als bijlage 9 bij deze toelichting is gevoegd. Daarnaast is voorzien in een ecologisch werkprotocol welke als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd.
5.6.2 Doel onderzoek Doel van het onderliggende onderzoek is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied (hiermee wordt bedoeld de uitbreidingslocatie aan de Zandweg) mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving. Voor soortbescherming en gebiedsbescherming is sinds 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van belang. Deze wet vervangt de drie wetten op het gebied van soort- en gebiedsbescherming: Boswet, Natuurbeschermingswet 1998 en Flora- en faunawet. Daarnaast is gebiedsbescherming vastgelegd in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS genoemd). Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Tevens heeft het onderzoek tot doel vast te stellen op welke wijze en in welke mate de voorgenomen ontwikkeling invloed kan hebben op het eventueel voorkomen van beschermde soorten. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de natuurwetgeving zal worden gehandeld. 5.6.3
Zorgplicht
Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
90
PouderoyenTonnaer
5.6.4
Toets Wet Natuurbescherming
In het plangebied komen mogelijk verschillende soorten voor die zijn beschermd onder paragrafen 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, vlinders, libellen, kevers, weekdieren en vissen voorkomen. Wel geldt voor alle aanwezige soorten in het plangebied de algemene zorgplicht, zie §1.4 van dit rapport. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Soorten van paragraaf 3.1 van de Wet natuurbescherming Vogels kunnen het plangebied gebruiken als foerageergebied en als nestgelegenheid door grondbroedende vogels.De werkzaamheden hebben geen negatief effect op het foerageergebied van vogels (waaronder uilen met jaarrond beschermd nest en de huismus). Een gering deel van het plangebied wordt bebouwd, het overige deel blijft behouden als grasland en akker, en daarmee blijft het even geschikt als foerageergebied als in de huidige situatie. Het verwijderen van vegetatie in de akkers, graslanden en randen dient te worden uitgevoerd wanneer geen broedgeval aanwezig is en buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd.
Soorten van paragraaf 3.2 van de Wet natuurbescherming In verband met het voorkomen van vleermuizen dienen de volgende maatregelen te worden genomen in om verstoring door licht te voorkomen: + De boomkronen en bosranden onverlicht te laten; lichtarmaturen blijven onder de boomkronen. + Toepassing van armaturen met zo min mogelijk verstrooiing naar de omgeving. + Toepassing van vleermuisvriendelijke (amberkleurig) verlichting. Hierdoor blijven eventuele vliegroutes geschikt en blijft het plangebied geschikt als foerageergebied. Soorten van paragraaf 3.3 van de Wet natuurbescherming Bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen zich verschuilen tussen de dekkingbiedende vegetatie in de akkerranden en bermen in het plangebied. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden en doden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie in één richting worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. Omdat de levendbarende hagedis op korte afstand (<100 meter) van het plangebied is aangetroffen dienen bermen en akkerranden als onderdeel van het leefgebied te worden beschouwd (BIJ12 2017). Hiervoor dienen in een ecologisch werkprotocol de mitigerende maatregelen beschreven te worden.
De akkers en graslanden kunnen onderdeel vormen van het leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdieren. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op het leefgebied van grondgebonden zoogdieren. In de directe omgeving van
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
91
PouderoyenTonnaer
het plangebied is en blijft voldoende geschikt leefgebied aanwezig. In de akkers en het grasland zijn geen verblijfplaatsen aanwezig. Mogelijk zijn verblijfplaatsen van algemene muizensoorten en egel aanwezig in de akkerranden en bermen. Voor algemene spits-, woel- en ware muizensoorten en egel geldt in provincie Limburg een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Wel geldt altijd de Algemene zorgplicht, zie §1.4. Om het verwonden van dieren te voorkomen kan bij het verwijderen van de vegetatie één kant op worden gewerkt, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten.
Advies en aanbevelingen Overtreding van de Wet natuurbescherming dient te worden voorkomen door het nemen van de volgende vervolgstappen en maatregelen bij uitvoering van voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied: 1. De vegetatie in de akkers dient te worden verwijderd buiten het broedseizoen van vogels en wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot eind juli. Mogelijk zijn nesten van grondbroedende vogels aanwezig in de akkers en graslanden. 2. Het verwijderen van vegetatie in de bermen en randen en
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
92
PouderoyenTonnaer
graafwerkzaamheden op deze plekken dient stapvoets in één richting te worden uitgevoerd zodat aanwezige dieren kunnen vluchten. 3. Om negatieve effecten te voorkomen op levendbarende hagedis dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld met mitigerende maatregelen voor levendbarende hagedis. 4. Negatieve effecten als gevolg van licht op vleermuizen kunnen worden voorkomen door: a. De boomkronen en bosranden onverlicht te laten; lichtarmaturen blijven onder de boomkronen. b. Toepassing van armaturen met zo min mogelijk verstrooiing naar de omgeving. c. Toepassing van vleermuisvriendelijke (amberkleurig) verlichting. Voor wat betreft de doorvertaling naar de planregels geldt dat sprake is van voorwaardelijke verplichting ter bescherming van soorten onder verwijzing naar de onherroepelijke Wet natuurbeschermingswetvergunning en het ecologisch werkprotocol. Op grond van de mitigerende maatregelen is het plan uitvoerbaar. 5.6.5 Toets Nationaal Natuurnetwerk De ligging van het Nationaal Natuurnetwerk ofwel ‘Goudgroene natuurzone’ is weergegeven op onderstaande afbeelding.
(Ligging bestaande bosgebieden binnen ‘goudgroene natuurzone’ en buiten het plangebied. Bron: polviewer.nl)
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
93
PouderoyenTonnaer
Uit de toets Nationaal Natuurnetwerk vloeit het volgende voort. Als gevolg van de wijziging van de voorgenomen plannen vindt geen aantasting plaats van het ecologisch functioneren van het beheertype 16.01 droge bossen met productie dat in het deelgebied grenzend aan het plangebied ambitie is. De plannen hebben geen negatief effect op het functioneren van het Nationaal Natuurnetwerk.
5.6.6
Voortoets Wet Natuurbescherming
Gezien de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied van het plangebied en de aard van de ontwikkelingen is het uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen. Uit de uitgevoerde AERIUSberekening voor de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling blijkt geen toe- of afname van stikstofemissie. Negatieve effecten door stikstofemissie op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De voorgenomen plannen hebben door de aard van de werkzaamheden geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
94
PouderoyenTonnaer
5.7
Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Zo zullen waar mogelijk de van het te slopen gebouw vrijkomende bruikbare, materialen bij de nieuwbouw worden hergebruikt. Bovendien zal waar mogelijk gebruik worden gemaakt van authentieke bouwmaterialen. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de bouwvergunning. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning onderdeel bouwen zal door de gemeente op de duurzaamheidsaspecten worden getoetst.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
95