CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 30 mei 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Swaantjes- en Zandweg26.663 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voor wat betreft de bijdrage aan beleidsdoelstellingen zijn onder andere relevant: • het stimuleren van de recreatie in combinatie met educatie (Smalste stukje Nederland); • het verkrijgen / behouden van een Cittaslow keurmerk, waarbij het o.a. van belang is dat de productie van streekgebonden, lekker, puur en eerlijk eten gestimuleerd wordt. Tevens dienen locaties en mogelijkheden beschikbaar te worden gesteld, om het directe contact tussen de consumenten en de kwaliteitsproducenten te bevorderen; • het creëren van werkgelegenheid/ruimte bieden aan een breed georiënteerde plattelandseconomie (economische factor); • het toepassen van duurzame technologieën/innovatie in de bedrijfsvoering; • voedseleducatie en maatschappelijk bewustzijn. Het beoogde totaalconcept kan vanwege zijn uniciteit weliswaar niet weggezet worden binnen de afzonderlijke ontwikkelmodules van de Structuurvisie, maar in beleidsmatig opzicht staat tegelijkertijd wel vast dat sprake is van een wenselijke ontwikkeling. Opgemerkt dient te worden dat de ontwikkeling tot extra verstening in het buitengebied zal leiden. Het uitgangspunt blijft dat verstening zoveel mogelijk tegengegaan dient te worden en dat er sprake dient te zijn van een landschappelijke kwaliteitsbijdrage om de extra verstening te compenseren.

Binnen het kader van de landschappelijke inpassing zal in dit verband nader worden ingegaan op de kwaliteitsmaatregelen (zie paragraaf 3.3.2 met een integrale verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan).

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

57

PouderoyenTonnaer

3.3.2

Gemeentelijk Kwaliteitsmenu

Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ (waarvan in casu sprake is) is het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu van kracht. In z’n algemeenheid betreft het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu een beleidslijn die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Echt-Susteren toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijze tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is uitgewerkt in de Structuurvisie Echt-Susteren 2012 – 2025, Ontwikkelen met kwaliteit. Voor de onderhavige ontwikkeling geldt als hoofdlijn dat sprake is van een agrarische ontwikkeling, waarbij sprake is van een bestaande locatie (voormalige manege) die opnieuw wordt ingevuld onder gelijktijdige uitbreiding daarvan en voorzien van neventakken. In het beeldkwaliteitsplan is uitgebreid beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu. Verwezen wordt in dit verband naar de betreffende bijlage bij de regels.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

58

PouderoyenTonnaer

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

59

PouderoyenTonnaer

4

Milieu aspecten Bij de nadere beschouwing van de milieu aspecten voor het bestemmingsplan, wordt uitgegaan van de navolgende opzet. Initiatief 1: Zandweg 10 te Maria Hoop: Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient in de eerste plaats rekening te worden gehouden met milieuaspecten uit de omgeving die een uitwerking kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die een ruimtelijke ontwikkeling heeft op zijn omgeving. Voor de realisatie van een Livar Experience Centre ter plaatse van Zandweg 10 zijn in dit hoofdstuk de aspecten geur, stikstof, geluid, luchtkwaliteit, Besluit milieueffectrapportage, externe veiligheid en bodem onderzocht. Alvorens de milieuonderzoeken aan de orde zijn, wordt ingegaan op de uitgangssituatie van het onderzoek. Initiatief 2: Swaantjesweg 16 te Echt Voor de behandeling van de milieu aspecten in verband met de herbestemming van Swaantjesweg 16 wordt verwezen naar bijlage 15 bij deze toelichting.

4.1

Uitgangspunten onderzoek 4.1.1

Reikwijdte onderzoek milieu aspecten

Voor de realisatie van een Livar Experience Centre (waarvan onderdeel uitmaakt een varkenshouderij, bezoekerscentrum, vleesatelier en slachterij) zijn onderstaande onderzoeken met betrekking tot relevante milieuaspecten uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn in de aanmeldnotitie (integraal onderdeel van deze toelichting en hierbij gevoegd als bijlage 13) verder aangevuld (bijvoorbeeld op het aspect geur en fijnstof), Voor de inhoud hiervan wordt verwezen naar bijlage 13. Overige ruimtelijke effecten zijn beschouwd in hoofdstuk 5 van deze toelichting. In onderstaande tekening wordt de uitbreiding op de locatie Zandweg 10 inzichtelijk gemaakt. Alvorens in te gaan op de afzonderlijke milieuaspecten, wordt in paragraaf 4.1.2 een overzicht gegeven van de wijzigingen in diercategorieën en stalsystemen op de locatie Zandweg 10. In paragraaf 4.1.3 wordt stilgestaan bij de vergunningplicht betreffende de beoogde varkenshouderijactiviteiten ter plaatse van Zandweg 10.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

60

PouderoyenTonnaer

Beoogde plan Livar Experience Centre, bron: beeldkwaliteitsplan LEC (Ton Coonen / Pouderoyen Compagnons).

4.1.2

Overzicht van vigerende en nieuwe situatie met betrekking tot dieren op de locatie Zandweg 10

In onderstaande tabellen zijn het aantal dieren, de ammoniakemissie (kg NH3 per jaar), de geuremissie (OUE/S) en de fijn stofemissie (gram PM10 per jaar) in de vergunde situatie en nieuwe situatie voor wat betreft het houden van dieren op de locatie Zandweg 10 weergegeven. Vigerende milieuvergunning 8-6-2004 Rav-code

Diercategorie/

Aantal

Ammo-

Totaal

Geur

Totaal

Fijn-stof

Totaal

Huisvestings-

dieren

niak

ammoni

emissie-

geur

Emissie-

Fijn-

emissie

ak

factor

factor

stof

systeem

factor K1.100

K2.100

K3.100

K4.100

Volwassen paarden (> 3 jr.) Paarden in opfok (<3 jr.) Volwassen pony’s (> 3 jr.) Pony’s in opfok (< 3 jr.) Totaal

21

5

105

0

0

0

0

6

2,1

12,6

0

0

0

0

3

3,1

9,3

0

0

0

0

2

1,3

2,6

0

0

0

0

32

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

129,5

0

0

61

PouderoyenTonnaer

Nieuwe situatie Rav-code

Diercategorie/

Aantal

Ammo-

Totaal

Geur

Totaal

Fijn-stof

Totaal

Huisvestings-

dieren

niak

ammoni

emis-

Geur

Emissie-

Fijn-stof

Emissie-

ak

sie-

systeem

factor D 1.3.100

Guste en dragende zeugen

factor

factor

117

4,2

491,4

18,7

2.187,9

175

12.980

D 2.100

Beren

2

5,5

11

18,7

37,4

180

7.080

D 1.2.100

Kraamzeugen

33

8,3

273,9

27,9

920,7

160

684

300

0,69

207

7,8

2.340

74

5.100

770

3

2.310

23

17.710

153

Gespeende D 1.1.100

biggen

D 3.3.2

Vleesvarkens Totaal

1222

1.900

3.293,3 Kg

23.196

35.444

NH3

OU/s

gr/jr.

* Volgens de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014 worden varkensbedrijven aangesloten bij Livar als biologische veehouderij beschouwd

4.1.3

Vergunningplicht aspect milieu Zandweg 10

Zoals vermeld in de vorige paragraaf heeft de veehouderijtak betrekking op het houden van 150 zeugen, 2 beren, 300 gespeende biggen en 770 vleesvarkens. Voor deze activiteiten wordt gebruik gemaakt van een onherroepelijke Natuurbeschermingswetvergunning die als bijlage aan de regels van het bestemmingsplan is gekoppeld. Na het onherroepelijk worden van het onderhavige bestemmingsplan kan op grond van het bepaalde in de Wabo en de Wet milieubeheer tot vergunningverlening worden gekomen voor genoemde varkenshouderijactiviteiten. Gelet op het feit dat bij aanvang al sprake is van een samenhangende ontwikkeling van varkenshouderijactiviteiten, een bezoekerscentrum en een vleesatelier (zonder slachtactiviteiten) zullen voor alle genoemde activiteiten voorschriften (deels ontleend aan het activiteitenbesluit) in de vergunning worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor binnen de planperiode te realiseren ambachtelijke en diervriendelijke slachterij die op termijn tot een revisie van de verleende vergunning kan leiden.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

62

PouderoyenTonnaer

4.2

Geur In de beoogde situatie worden op de uitbreidingslocatie dieren (varkens) gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij dient derhalve berekend te worden of ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving voldaan kan worden aan de geldende geurnormen. Om dit te bepalen is een geuronderzoek uitgevoerd. In bijlage 2 bij deze toelichting is een geurberekening opgenomen voor wat betreft de (voorgrond) geurbelasting van de varkenshouderijactiviteiten ter plaatse van Zandweg 10 op haar omgeving. In bijlage 13 is in de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r deze geurberekening aangevuld met (cumulatieve) berekeningen waarin ook de activiteiten ter plaatse van de beoogde slachterij op de locatie Zandweg 10 voor wat betreft de (achtergrond) geurbelasting zijn meegenomen. Voor de inhoud hiervan wordt verwezen naar bijlage 13 die integraal onderdeel uitmaakt van deze toelichting. De conclusie van de geurberekening als opgenomen in bijlage 2 luidt als volgt. In onderstaande tabel worden de geurresultaten weergegeven.

Geconcludeerd kan worden dat bij alle geurgevoelige objecten ruimschoots voldaan wordt aan de geldende geurnormen uit de “Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt-Susteren 2009”. Een hoogste voorgrond geurbelasting van 1,5 komt overeen met een percentage gehinderden van ca. 5 % (bron: ´Handreiking Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: bijlagen 6 en 7”). Conform de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij komt een percentage gehinderden van 5-10% in het concentratiegebied overeen met een goede milieukwaliteit. Er kan derhalve gesteld worden dat er ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

63

PouderoyenTonnaer

In onderstaande figuur is de cumulatieve geurbelasting (=de achtergrondbelasting) ter plaatste van het plan weergegeven, vergunde situatie inclusief de beoogde ontwikkeling, worst-case benadering.

In onderstaande tabel is voor de geurgevoelige objecten de achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting uit stallen van veehouderijen, bron Web-BVB september 2018 en uitgevoerd geuronderzoek LEC) weergegeven, voor en na de beoogde ontwikkeling van het LEC.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

64

PouderoyenTonnaer

Er is geen sprake van een sterke toename van de achtergrondbelasting op voor geurhinder gevoelige objecten of een relevante toename van de geurbelasting op nu al voor geur overbelaste burgerwoningen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voor geurhinder gevoelige woningen is en blijft goed – zeer goed op basis van de berekende geurbelasting en de relatie tussen de berekende geurbelasting en de kans op hinder volgens de handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij. Er kan derhalve gesteld worden dat er ten aanzien van het aspect geur ter plaatse van de geurgevoelige objecten sprake is en blijft van een goed woon- en leefklimaat, zowel v.w.b. de voorgrondbelasting als v.w.b. de achtergrondbelasting. Belangrijke nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu door een toename van geur kunnen worden uitgesloten. Het aspect geur en veehouderij vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

4.3

Stikstof 4.3.1

Wet natuurbescherming

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In deze wet worden drie eerdere wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet), de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb is (onderdeel van) het geldende toetsingskader voor plannen en projecten.

De bescherming van de Natura 2000-gebieden is in het onderdeel gebiedsbescherming van de Wnb opgenomen. Als (een wijziging van) een activiteit of ontwikkeling negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden kan het in beginsel geen doorgang vinden. Om vast te stellen of sprake is van negatieve gevolgen moet onder andere vastgesteld worden of er sprake is van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen. Dit kan vastgesteld worden met een AERIUS-berekening. Voor initiatieven die ten opzichte van de uitgangssituatie op het referentiemoment geen significante toename in stikstofdepositie veroorzaken, zijn negatieve effecten ten aanzien van stikstof ook uit te sluiten. Indien er wel sprake is van een toename van stikstofdepositie moet het bevoegd gezag ingevolge artikel 2.8 van de Wnb eerst een passende beoordeling opstellen. Uit de passende beoordeling moet blijken dat de instandhoudingdoelstelling van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het initiatief. Wanneer de instandhoudingsdoelstellingen niet aangetast worden, moet een natuurvergunning in het kader van de Wnb aangevraagd worden en mag het initiatief plaatsvinden. Als niet aangetoond wordt dat aan de instandhoudingdoelstellingen voldaan wordt, kan het initiatief geen doorgang vinden.

Er zijn eerder wijzigingen geweest in het wettelijk kader, welke in het huidige moment weer teruggedraaid zijn. Hierbij zijn twee wijzigingen relevant:

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

65

PouderoyenTonnaer

•

•

Per 1 juli 2015 werd het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ingevoerd. Met dit programma werd op voorhand toestemming gegeven voor initiatieven die weinig stikstof uitstoten, omdat toekomstige maatregelen stikstofruimte zouden opleveren. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State geoordeeld dat het PAS in strijd is met het natuurbeschermingsrecht en niet meer als basis voor toestemmingsverlening in het kader van de Wnb gebruikt mag worden. Per 1 juli 2021 werd de Wet Stikstofreductie en Natuurherstel ingevoerd. Volgens de bouwvrijstelling die in deze wet opgenomen was, was het was niet nodig om tijdelijke stikstofuitstoot tijdens sloop-, bouw- en aanlegactiviteiten te onderzoeken. Op 2 november 2022 heeft de Raad van State geoordeeld dat de bouwvrijstelling in strijd is met het natuurbeschermingsrecht. Daarmee is de bouwvrijstelling komen te vervallen.

AERIUS Calculator is het rekeninstrument voor het bepalen van de emissie van stikstof uit een bron, de verspreiding door de lucht en de depositie op Natura 2000-gebieden. De calculator laat ook zien hoe groot de effecten op de stikstofgevoelige habitats zijn. Toetsing planvoornemen op stikstofeffecten Het planvoornemen brengt vervoersbewegingen met zich mee, welke mogelijk een effect kunnen hebben op de stikstofdepositie op natuurgebieden (Natura 2000). Daarnaast kan de realisatie van het voornemen (mobiele werktuigen die worden gebruikt bij de bouw) een mogelijk effect hebben op de stikstofdepositie. Voor deze ontwikkeling is daarom een voortoets ten aanzien van het aspect stikstof in het kader van de Wnb aan de orde. In bijlage 6 bij de plantoelichting is in dit kader een stikstofdepositieonderzoek gevoegd waarin de stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden zijn onderzocht. In het bestemmingsplan is geborgd dat de ontwikkeling geen toename in depositie mag veroorzaken op voor stikstofgevoelige Natura2000 gebieden. Met deze voorwaarde is in voornoemd onderzoek rekening gehouden. Voor het houden van varkens is op het deel van het bouwvlak gelegen aan de Zandweg op 4 augustus 2016 een vergunning in het kader van artikel 16/19d Natuurbeschermingswet 1998 verleend. Deze vergunning, welke is gebaseerd op een passende beoordeling, is onherroepelijk.

Deze onherroepelijke vergunning wordt in dit bestemmingsplan 1 op 1 ingepast. Voor een compleet cumulatief beeld van effecten is de vergunning Natuurbeschermingswet 1998 in AERIUS ingevoerd, zijn de vervoersbewegingen en bouwwerkzaamheden in AERIUS ingevoerd en is een verschilberekening in AERIUS uitgevoerd. In het stikstofdepositieonderzoek wordt hier verder op ingegaan. De maatwerk invoer van de Aerius berekeningen voor zowel de realisatiefase als de gebruiksfase alsmede de resultaten hiervan met betrekking tot de effecten op het gebied van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden zijn opgenomen in bijlage 6 bij de toelichting. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling, en rekening houdend met de uitgangspunten als vermeld in het stikstofdepositieonderzoek, is er géén sprake van een toename van stikstofdepositie op voor

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

66

PouderoyenTonnaer

stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. In de planregels is ook geborgd dat dit effect zich niet voordoet. Voor onderhavig voornemen geldt derhalve geen vergunnings- of meldingsplicht. Gezien de afstand tot Natura2000 gebieden kunnen ook andere effecten zoals verdroging, vernietiging of verstoring met zekerheid worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstof en Natura2000 en mogelijke andere effecten voor Natura2000 gebieden geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014 Op grond van de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014 mag een nieuwe stal geen grotere ammoniakemissie per dierplaats hebben dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014. Aan deze emissienormen kan met de beoogde stallen niet worden voldaan, omdat de dieren worden gehouden op een met biologische varkens vergelijkbare wijze. De Verordening veehouderijen en Natura 2000 provincie Limburg maakt specifiek een uitzondering voor het Livar varken. Zie onderstaand citaat: ‘Varkensbedrijven aangesloten bij Livar worden als biologisch veehouderij beschouwd’. Voor biologische bedrijven geldt een streefreductie van 40% en komen de maximale emissiefactoren overeen met de traditionele huisvestingssystemen.

Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de maximale emissiewaarden voor nieuwe stallen zoals opgenomen in de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

67

PouderoyenTonnaer

4.3.2 Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij Voor varkens zijn op grond van het Besluit emissiearme huisvestingssystemen veehouderij (Besluit huisvesting) van 25 juni 2015 maximale emissienormen opgenomen. Conform artikel 2, lid 2 onder d, is het besluit niet van toepassing voor huisvestingssystemen voor landbouwhuisdieren van de hoofdcategorie varkens, waarvan het inpandig leefoppervlak en de oppervlakte van de verharde uitloop groter of gelijk zijn aan dan aangegeven in de onderstaande tabel.

Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van huisvestingssystemen die op grond van het gestelde in de regels dienen te voldoen aan de ten tijde van vaststelling van dit bestemmingsplan geldende huisvestingseisen van EU-Verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464. Met de in deze EU verordening vastgelegde minimale oppervlakten binnen- en buitenruimte (m2/ dier) wordt ruimschoots voldaan aan het minimale leefoppervlak om in aanmerking te komen voor de uitzondering genoemd in artikel 2, lid 2 onder d van het Besluit huisvesting (zie bovenstaande tabel). De beoogde ontwikkeling is derhalve niet in strijd met het Besluit huisvesting. 4.3.3 Wet ammoniak en veehouderij De Wet ammoniak en veehouderij (verder: Wav) biedt aanvullende bescherming aan zeer kwetsbare gebieden tegen de verzurende en vermestende werking van ammoniak. De Wav stelt dat alleen verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur, als zeer kwetsbaar kunnen worden aangewezen. In deze gebieden en in een beschermingszone van 250 meter daaromheen geldt een verbod voor nieuwvestiging van veehouderijen en is uitbreiding van bestaande veehouderijen slechts onder beperkingen mogelijk. Deze maatregelen zijn aanvullend op het generieke emissiebeleid op het gebied van ammoniak.

Provinciale Staten van Limburg hebben de zeer kwetsbare WAV-gebieden definitief aangewezen en vastgesteld. In onderstaande figuur wordt het dichtstbij gelegen Wav-gebied nabij de uitbreidingslocatie weergegeven.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

68

PouderoyenTonnaer

Uitsnede kaart Zeer kwetsbare gebieden WAV De uitbreidingsslocatie is niet gelegen binnen de beschermingszone van een WAV-gebied. Het dichtstbij gelegen gebied is gelegen op een afstand van ca. 950 meter van de projectlocatie. Er is derhalve geen sprake van een gecorrigeerd ammoniakplafond. Geconcludeerd kan worden dat uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën mogelijk is op onderhavige uitbreidingsslocatie. 4.3.4

Directe ammoniakschade

De directe schade door ammoniak op gewassen dient te worden beoordeeld op basis van het rapport “stallen en planten”. Hierin is opgenomen dat een afstand van 50 meter tot coniferen aangehouden moet worden, 25 meter voor tuinbouwgewassen en 0 meter voor akkerbouwgewassen en grasland. In de omgeving van de uitbreidingslocatie zijn geen coniferen of tuinbouwgewassen aanwezig. Het betreft enkel grasland en bouwland voor akkerbouwgewassen. Geconcludeerd wordt dat er in de beoogde situatie geen sprake zal zijn van directe ammoniakschade veroorzaakt door de veehouderijtak. 4.3.5 Conclusie stikstof Geconcludeerd wordt dat het aspect stikstof geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

69

PouderoyenTonnaer

4.4

Geluid Met betrekking tot onderhavig voornemen is een akoestisch onderzoek naar de effecten van industrielawaai uitgevoerd. De rapportage hiervan is als bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie hiervan is als volgt. Uit de resultaten van het onderzoek voor de toekomstige inrichting gelegen aan de Zandweg 10 te Maria Hoop kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Ruimtelijke procedure

Eindconclusie Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie, mede gelet op de doorvertaling van de randvoorwaarden uit het akoestisch onderzoek in het bestemmingsplan in de vorm van aanduidingen en bijbehorende regels, akoestisch inpasbaar geacht kan worden. Van belang hierbij om op te merken is dat binnen de activiteiten van het vleesatelier binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – bezoekerscentrum’ op grond van de regels worden beperkt tot het gebied waarbinnen op grond van een aanduiding op de verbeelding activiteiten in de milieucategorie 3.1 mogelijk worden gemaakt. Het aspect geluid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

70

PouderoyenTonnaer

4.5

Luchtkwaliteit In de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor wel emissiefactoren ten aanzien van fijnstof (PM10) zijn vastgesteld. Hierdoor neemt de emissie van fijnstof toe. Daarnaast is er sprake van fijnstof als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Verder zijn er nog enkele vervoersbewegingen binnen de inrichting. Om te beoordelen of deze toename gevolgen heeft voor het achtergrondniveau ter plaatse van gevoelige objecten in de omgeving, is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd en een berekening gemaakt met ISL3a. De rapportage hiervan is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd. De conclusie luidt als volgt. Resultaten ten gevolge van vervoersbewegingen In de onderstaande figuur worden de rekenresultaten uit de NIBM-tool weergegeven. Voor het aandeel vrachtverkeer zijn worst-case de vrachtwagens, bus, tractor en shovel als aandeel vrachtverkeer beschouwd.

Figuur: Uitsnede NIBM-tool

Uit bovenstaande figuur blijkt dat ten gevolge van de vervoersbewegingen, de concentratie aan fijn stof toeneemt met maximaal 0,10 µg/m3 lucht. Stikstofdioxide heeft een maximale toename van 1,01 µg/m3 lucht. Deze toename is niet-in-betekende-mate. Resultaten ten gevolge van het houden van dieren Er zijn 2 berekeningen voor fijnstof uitgevoerd ten aanzien van de veehouderijtak. Berekening 1 heeft als emissiepunt het meest zuidelijke punt van het bouwvlak waar dieren kunnen worden gehouden en berekening 2 heeft als emissiepunt het meest noordelijke punt van het bouwvlak waar dieren kunnen worden gehouden. Daarnaast is een stikstofdioxide berekening uitgevoerd. Berekening 1 Geconcludeerd kan worden dat de totale toename aan fijn stof door het planvoornemen maximaal

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

71

PouderoyenTonnaer

0,32 μg/m3 lucht bedraagt. (0,10 μg/m3 + 0,22 μg/m3). Dit is ruimschoots onder de norm van 1,2 microgram/m3 lucht. Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toename van deze hoeveelheid fijnstof leidt niet tot een naderende overschrijding van de grenswaarde (40 μg/m3). Berekening 2 Geconcludeerd kan worden dat de totale toename aan fijn stof door het planvoornemen maximaal 0,32 μg/m3 lucht bedraagt. (0,10 μg/m3 + 0,22 μg/m3). Dit is ruimschoots onder de norm van 1,2 microgram/m3 lucht. Het project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toename van deze hoeveelheid fijnstof leidt niet tot een naderende overschrijding van de grenswaarde (40 μg/m3). Stikstofdioxide berekening De maximale toename van stikstofdioxide is 1,01 μg/m3 lucht. ). Dit is ruimschoots onder de norm van 1,2 microgram/m3 lucht. De bijdrage is in niet betekende mate. Bovendien is de achtergrondconcentratie stikstofdioxide in het gebied is 10,8 μg/m3 (zie ook onderstaande afbeelding met het beeld van de achtergrondconcentratie stikstifdioxide). Deze toename zorgt niet voor een (naderende) overschrijding van de grenswaarde (40 μg/m3). Conclusie ten aanzien van luchtkwaliteit Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu door een toename van de concentratie van fijn stof kunnen worden uitgesloten.

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

72

PouderoyenTonnaer

Achtergrondconcentratie fijnstof PM10 in 2020 met ligging planlocatie (bron: GCN kaarten RIVM)

Achtergrondconcentratie stikstofdioxide μg/m3 in 2020 met ligging planlocatie (bron: GCN kaarten RIVM)

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

73

PouderoyenTonnaer

4.6

Besluit milieueffectrapportage 4.6.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden is opgenomen in de bijlage van het Besluit MER. Overigens wordt onderscheid gemaakt tussen een MER-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een MER nodig is of een verplicht MER (categorie C). In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije m.e.r.-beoordeling in essentie twee mogelijke uitkomsten: • het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn; dit moet dan in het besluit worden gemotiveerd; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een m.e.r.-beoordeling nodig (bij besluiten) of een m.e.r. noodzakelijk (bij een plan). Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gehanteerd. In de bijlagen van het besluit m.e.r. zijn de volgende categorieën opgenomen voor een m.e.r. – beoordeling (D-lijst): D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Waarbij voor varkens de volgende drempelwaarden zijn genoemd: • 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3), • 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), • 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), D.39.1: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het slachten van dieren, voor de activiteit betrekking heeft op een productiecapaciteit van 25.000 ton vlees per jaar of meer. Het aantal te houden varkens in het LEC is aanzienlijk lager dan bovengenoemde drempelwaarde bij de categorie D.14 Ook het aantal varkens dat geslacht zal en kan worden in de ambachtelijke en diervriendelijke slachterij ligt ver onder de drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling. Ook als een plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst maar beneden de drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarom is een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld.

4.6.2 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is een ‘Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling’ opgesteld. Deze aanmeldingsnotitie is als bijlage 13 bij deze toelichting toegevoegd en maakt als zodanig integraal onderdeel uit van deze toelichting. Voor de inhoud wordt verwezen naar betreffende

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

74

PouderoyenTonnaer

aanmeldnotitie. De conclusie luidt als volgt: Als gevolg van onderhavig voornemen zijn er geringe milieueffecten te verwachten. Er worden geen normen overschreden ten aanzien van de uitstoot van geur, ammoniak, fijn stof, endotoxinen en geluid en de invloed van de voorgenomen activiteit op het woon- en leefmilieu van omwonenden is beperkt en aanvaardbaar. Er zijn geen negatieve effecten voor de volksgezondheid t.g.v. de milieubelasting te verwachten. De risico’s op overdracht van infectieziekten van varkens op mensen en de risico’s op insleep van dierziekten kunnen en worden tot een aanvaardbaar niveau beperkt. Ook de effecten van de voorgenomen ontwikkeling voor andere waarden en belangen, zoals bodem, water, natuur, landschap, archeologie en externe veiligheid, zijn beperkt en aanvaardbaar. Op grond hiervan zijn belangrijke nadelige milieugevolgen uitgesloten en wordt het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk geacht.

4.7

Externe veiligheid Algemeen De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. De risiconormen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevi verplicht het bevoegd gezag op basis van de Wet milieubeheer om veiligheidsafstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit zijn gevoelige objecten gedefinieerd als kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. In het Bevi zijn normen opgenomen voor de kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico) en de kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). Voor het groepsrisico wordt een oriëntatiewaarde gegeven en geldt voor nieuwe situaties een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag.

Voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water is de circulaire ‘Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ van 4 augustus 2004 richtinggevend. In deze circulaire wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het beleid zoals verwoord in het Bevi. Voor buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), die op 1 januari 2011 in werking zijn getreden.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

75

PouderoyenTonnaer

Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Bevi. Zandweg 10 Om de risico’s ter plaatse van de locatie Zandweg 10 te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom de uitbreidingslocatie, met behulp van de risicokaart. Een uitsnede van deze kaart is op deze pagina opgenomen. Uit deze kaart blijkt dat in het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook buiten het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren over de uitbreidingslocatie aan de Zandweg 10 liggen. Uit de risicokaart blijkt dat in de wijde omgeving van Zandweg 10 een tweetal propaantanks aanwezig zijn. Een propaantank aan de Waldfeuchterbaan 3 met een pr 10-6 contour van 25 meter. De kortste afstand tot aan plangebied bedraagt circa 400 meter. Daarnaast is er een propaantank aanwezig bij de inrichting aan de Dominicusweg 3 met een pr 10-6 contour van 20 meter. De kortste afstand tot plangebied bedraagt circa 1000 meter. Binnen de beoogde inrichting vindt geen opslag, productie en gebruik van gevaarlijke stoffen plaats. Wel is er al een bestaande propaantank aanwezig voor eigen gebruik.

Volgens de tekening, behorende bij de vergunningsaanvraag ingevolge de Natuurbeschermingswet betreft het een propaantank met een inhoud van 3000 liter. Uitgaande van het grootste aantal bevoorradingen, met de grootste veiligheidsafstand, is deze afstand tussen de opstelplaats van een opslagtank met propaan, het vulpunt van een opslagtank met propaan en de opstelplaats van de tankwagen en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 20 meter. Deze afstand valt binnen de perceelsgrenzen en heeft geen invloed voor (beperkt)kwetsbare objecten buiten de inrichting. Tevens bevinden zich in of nabij de uitbreidingslocatie geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. De provinciale weg N572 ligt op ongeveer 800 meter van de locatie aan de Zandweg 10. Over deze weg worden geen significante hoeveelheden van giftige gassen of vloeistoffen vervoerd (informatie: Risicokaart). Het invloedsgebied is verbonden aan het vervoer van brandbare gassen. Dat bedraagt 355 meter (Handleiding Risicoanalyse ransport) en reikt niet tot aan de locatie Zandweg 10. Daarnaast bevinden zich in de nabijheid van het plangebied geen buisleidingen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

76

PouderoyenTonnaer

4.8

Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de planontwikkeling is een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 11 bij de plantoelichting. De hypothese en conclusie van dit onderzoek zijn als volgt. Algemeen Aelmans Eco B.V. heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op het adres Zandweg 10 te Maria-Hoop. Aanleiding tot de uitvoering van onderhavig onderzoek betreft de beoogde bestemmingsplanwijziging van het perceel en de beoogde herinrichting. Ter plaatse van onderhavige locatie zijn een 35-tal boringen geplaatst. Van de alhier geplaatste boringen zijn vier boringen geplaatst nabij de voormalige bovengrondse dieseltanks. Daarnaast zijn een 12-tal aanvullend inspectiegaten gegraven ter plaatse van de drup-zone rondom de schuren/stallen. Zintuiglijk zijn er tijdens het verrichten van de veldwerkzaamheden veelal sporadisch tot plaatselijk zwakke bijmengingen met bodemvreemde materialen aangetroffen in de vorm van baksteenresten en plaatselijk asfaltresten. Naar aanleiding van de visuele bevindingen zijn uiteindelijk een 9-tal grondmengmonsters samengesteld en onderzocht op het standard NEN-5740 pakket danwel uitsluitend op minerale olie.

Bovengrond De visuele schone bovengrond (lichte bijmengingen met baksteenresten) is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 3, 4, 5 en 6. Uit de analyseresultaten van voornoemde grondmengmonsters is gebleken dat behoudens een licht verhoogde concentratie PCB in grondmengmonster 5 geen verdere overschrijdingen worden aangetroffen. De aangetroffen concentratie PCB is van dien aard dat deze weliswaar de achtergrondwaarde overschrijdt, doch niet de bodemindex of interventiewaarde. Daarnaast overschrijdt de concentraties PCB niet de maximale waarde voor de klasse wonen. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de bovengrond van voornoemde grondmengmonsters in z’n geheel als klasse AW2000 grond bestempeld worden. De geroerde zandlaag met diverse bijmengingen in de vorm van asfaltresten is analytisch onderzocht in grondmengmonster 7. Uit de analyseresultaten van onderhavig grondmengmonster blijkt, dat de concentraties PAK, PCB en minerale olie de achtergrondwaarden overschrijden. De concentratie PAK overschrijdt tevens de interventiewaarde.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

77

PouderoyenTonnaer

Naar aanleiding van voornoemde bevindingen moeten we concluderen dat de toplaag van de boringen 8, 23 en 27 sterk verontreinigd is met PAK, ten gevolge van de bijmengingen met asfaltresten. Middels onderhavig onderzoek is deze verontreiniging zowel horizontaal als verticaal niet in beeld gebracht. Teneinde enige inzicht te krijgen in voornoemde verontreiniging is het aanbevelingswaardig om een nader onderzoek uit te voeren. Ondergrond De ondergrond vanaf circa 0,5 tot 2,0 m-mv, is analytisch onderzocht in de grondmengmonsters 8 en 9. Uit de analyseresultaten van voornoemde grondmengmonsters blijkt, dat geen van de onderzocht parameters de achtergrondwaarden (AW2000) overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan voornoemde ondergrond, als klasse AW2000 grond bestempeld worden. Voormalige bovengrondse tanks De boringen 11, 13, 16 en 17 zijn geplaatst rondom de voormalige bovengrondse tanks. Visueel zijn tijdens het plaatsen van voornoemde boringen geen specifieke verontreinigingen met oliën aangetroffen. In de toplaag van de boringen 11 en 13 zijn echter wel bijmengingen met asfaltdeeltjes aangetroffen. De toplaag van laatst genoemde boringen is analytisch onderzocht in grondmengmonster 1. Uit de analyseresultaten blijkt, dat de concentratie minerale olie de achtergrondwaarde overschrijdt.

Een gedeelte van de gerapporteerde concentratie olie is waarschijnlijk te wijten aan de aanwezigheid van asfaltdeeltjes in het monster. De opbouw van de minerale oliefracties is daarnaast van dien aard dat dit niet correspondeert met een dieselverontreiniging. Uit de analyseresultaten van grondmengmonster 2 (boringen 16 en 17) blijkt, dat analytisch geen minerale olie wordt aangetroffen. Uit de analyseresultaten van de alhier geplaatst peilbuizen (nrs. 1 en 2) blijkt, dat analytisch geen verhoogde concentraties minerale olie worden gerapporteerd. In beide peilbuizen worden weliswaar licht verhoogde concentraties vluchtige aromaten aangetroffen doch deze zijn van dien aard dat veelvuldig voorkomen in het grondwater en niet specifieke te wijten zijn aan de bovengrondse opslag van minerale olie. De eindsituatie van deze terreindelen zijn middels dit onderzoek afdoende vastgelegd. Grondwater Uit de analyseresultaten van het grondwater blijkt, dat diverse concentraties zware metalen (barium, cadmium, koper en/of nikkel zink) en vluchtige aromaten (naftaleen en xylenen) de betreffende streefwaarden overschrijden. De concentratie nikkel in peilbuis 2 overschrijdt tevens de interventiewaarde. Voornoemde overschrijdingen zijn van dien aard dat geen directe belemmeringen opleveren voor de beoogde herinrichting van het te onderzoek perceel.

Voornoemde concentraties zijn van dien aard, dat dergelijke verontreinigingen veelvuldig worden aangetroffen in het ondiepe grondwater ter plaatse van Noord-Brabant en gedeelten van Limburg. Vanwege de aangetroffen sterk verhoogde concentratie nikkel in het grondwater dient men het grondwater niet te gebruiken voor het beregenen c.q. besproeien van het aardoppervlak.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

78

PouderoyenTonnaer

Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetoond. Op basis van de bevindingen van voornoemd zintuiglijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek blijkt, dat in de grondmengmonsters 3 en 4 marginaal verhoogde concentraties asbest worden aangetroffen. De alhier aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze geen aanleiding geven tot de uitvoering van een nader c.q. aanvullend onderzoek (criteria voor bedraagt 50 mg/kg ds). Op basis van vorenstaande dient de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden verworpen vanwege de aangetroffen licht verhoogde concentratie asbest. De aangetroffen concentraties asbest in de drup-zone zijn gering, echter de hypothese verdacht voor deze strook (schuur 3) kan worden gehandhaafd. Toetsing hypothese en resumé De hypothese “diffuus verdacht” wordt op basis van de onderzoeksresultaten bevestigd. Vanwege de aangetroffen overschrijdingen met PAK in grondmengmonster 7, wordt geadviseerd om de deelmonsters van dit betreffende grondmengmonster separaat te analyseren. Aan de hand van voornoemde bevindingen zal bepaald worden of het doelmatig is om een nader onderzoek op te starten. Naar aanleiding van voornoemde bevindingen is gebleken dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond).

Dit betekent dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt beperkingen c.q. belemmeringen verbonden zijn aan eventuele werkzaamheden in het kader van bouwen en het roeren van de bodem. In lijn met het bepaalde in de Nota bodembeheer Maas & Roer, gemeente Echt –Susteren is in dit verband een BUS-melding gedaan bij het bevoegd gezag. De sanering zal bestaan uit het ontgraven van ca. 225 m3 vervuilde grond. Aanvulling zal vervolgens met schone grond plaatsvinden. De verontreiniging vormt evenwel geen belemmering voor de beoogde bestemmingsplanwijziging waarin een bezoekerscentrum met educatiefunctie wordt voorgestaan. Per brief van 18 maart 2019 heeft de provincie Limburg initiatiefnemer medegedeeld dat gestart kan worden met de sanering (zie bijlage 12 bij deze toelichting voor wat betreft de acceptatie van de BUS melding door bevoegd gezag). Voor wat betreft het resterende terreingedeelte zijn er geen specifieke belemmeringen en/of beperkingen verbonden aan het beoogde gebruik. Door verloop van tijd is de noodzaak opgekomen om een nieuwe BUS-melding te doen. Deze melding is inmiddels door het bevoegd gezag geaccepteerd (zie bijlage 12). De uitgangspunten zijn hierbij niet veranderd. In het kader van de BUS-melding is tevens voorzien in een actualiserend bodemonderzoek. De BUS melding en het nadere bodemonderzoek zijn beide als Bijlage 19 bij de toelichting gevoegd.

Op basis van bovenstaande in combinatie met de relevante bijlagen kan worden geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

79

PouderoyenTonnaer

5

Overige ruimtelijke aspecten Bij de nadere beschouwing van de overige ruimtelijke aspecten voor het bestemmingsplan, wordt uitgegaan van de navolgende opzet. Initiatief 1: Zandweg 10 te Maria Hoop: Voor de realisatie van een Livar Experience Centre ter plaatse van Zandweg 10 zijn in dit hoofdstuk de relevante overige ruimtelijke aspecten onderzocht. Alvorens de onderzoeken aan de orde zijn, wordt ingegaan op de uitgangssituatie van eventuele onderzoeken. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aspecten archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur- en landschap, flora en fauna en duurzaamheid. De beschouwingen van (veld-)onderzoeken hebben hierbij betrekking op het deel van het plangebied aan de Zandweg 10 waar een ruimtelijke ontwikkeling wordt voorgestaan in de vorm van een varkenshouderij met vrij uitloop en vrije weidegang in de vorm van een Livar Experience Centre (waarvan onderdeel uitmaakt een bezoekerscentrum, vleesatelier en slachterij).

Initiatief 2: Swaantjesweg 16 te Echt Voor de behandeling van de milieu aspecten in verband met de herbestemming van Swaantjesweg 16 wordt verwezen naar bijlage 15 bij deze toelichting.

5.1

Archeologie 5.1.1 Archeologische monumentenzorg (Erfgoedwet) Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn sinds 1 juli 2016 in de overgangsrechtelijke regels van de Erfgoedwet bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen. Deze bepalingen zijn afkomstig van de Monumentenwet 1988 en vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet in de Erfgoedwet opgenomen. 5.1.2 Archeologische verwachtingswaarden Voor onderhavig plangebied is ten aanzien van het aspect archeologie de gemeentelijke beleidskaart geraadpleegd.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

80

PouderoyenTonnaer

Uitsnede gemeentelijke beleidskaart met ontwikkellocatie LEC omcirkeld

Gelet op de voorkomende middelhoge en hoge verwachtingswaarden in het plangebied ter plaatse van de ontwikkellocatie aan de Zandweg is ter nadere duiding van waarden op perceelsniveau een historisch en verkennend booronderzoek uitgevoerd.

5.1.3

Verricht archeologisch onderzoek

Algemeen Op 16 en 17 januari 2015 is door ArcheoPro een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) uitgevoerd op het terrein aan de Zandweg te Echt. Het archeologisch onderzoek betrof een Inventariserend Veldonderzoek Overig (IVO-O) met bureaustudie. Het bureauonderzoek heeft tot doel om op basis van beschikbare informatie te komen tot een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen heeft vervolgens tot doel om de bodemopbouw en eventuele grootschalige verstoringen te registreren en het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen. Hiermee kan de vraag beantwoord worden of binnen het plangebied (behoudenswaardige) archeologische waarden aanwezig zouden kunnen zijn, de (gespecificeerde) archeologische verwachting al dan niet moet worden bijgesteld en of vervolgonderzoek en/of planaanpassing vereist is. In juni 2018 zijn de bevindingen en uitgangspunten nogmaals getoetst op actualiteit. In deze rapportage wordt uitgegaan van het beeld d.d. juni 2018. De opmerkingen van het bevoegd gezag, i.c. de heer J. Geraeds namens de gemeente Echt-Susteren d.d. 3 maart 2015, zijn eveneens in deze rapportage verwerkt. Deze actualisatie uit 2018 is thans vanwege het ontbreken van veranderingen in de bodem anno nu ook nog actueel.

Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen wijziging van het actuele bestemmingsplan ten behoeve van de herinrichting van het plangebied. Het plangebied ligt momenteel in een gebied waar een gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld. Op grond van dit beleid valt een gedeelte van het plangebied conform het vigerende bestemmingsplan in de zone van Waarde

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

81

PouderoyenTonnaer

Archeologie 3. De rest van het plangebied heeft geen dubbelbestemming Waarde Archeologie. Figuur 3. De Waarde Archeologie 3 is gekoppeld aan de middelhoge en hoge archeologische verwachting op de gemeentelijke archeologische kaart. Het plangebied ligt binnen het agrarisch buitengebied tussen de kernen Echt en Maria Hoop, op de rand van het dal van de Pepinusbeek. Zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere archeologische waarnemingen gedaan uit de perioden paleolithicum tot en met Romeinse tijd. Het bureauonderzoek toont aan dat voor het plangebied gelegen aan de Zandweg een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor archeologische resten van jagersverzamelaarsgemeenschappen uit de steentijd (paleo- en mesolithicum) alsook voor landbouwgemeenschappen uit de perioden van het neolithicum, bronstijd, ijzertijd en Romeinse tijd. Enkel in de laagte aan de voet van de helling geldt voor nederzettingsresten uit alle perioden een lage verwachting. Nederzettingsresten van landbouwgemeenschappen worden enkel binnen het zuidelijke, hoger gesitueerde terreindeel verwacht. De tot op heden reeds verrichtte archeologische waarnemingen tonen in aanvulling op deze verwachting aan dat er binnen het plangebied feitelijk archeologische resten aanwezig zijn. De exacte duiding in de vorm van complextypen en locatie hiervan is echter nog onbekend.

Uit het uitgevoerde booronderzoek blijkt dat de bodem binnen het grootste deel van het plangebied nagenoeg intact is, waardoor de kans op het aantreffen van behoudenswaardige archeologische resten hoog blijft. Enkel binnen het reeds bebouwde, noordelijke deel van het plangebied zijn recente bodemverstoringen vastgesteld en zal de bodem ook onder de bestaande bebouwing dusdanig substantieel zijn verstoord dat de verwachting met betrekking tot behoudenswaardige archeologische resten kan worden bijgesteld naar laag. Op basis van deze bevindingen wordt geadviseerd om voor het zuidelijke, relatief hoog gelegen deel van het plangebied een karterend en eventueel aansluitend waarderend archeologische vervolgonderzoek uit te voeren naar de ligging, aard en waarde van de (verwachte) archeologische resten. Dit onderzoek kan bestaan uit een (gedetailleerde) oppervlaktekartering, een karterend booronderzoek of uit proefsleuven. Indien de laatste onderzoeksmethode zal worden toegepast dient voorafgaand aan de werkzaamheden een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en ter goedkeuring worden aangeboden aan de gemeente Echt-Susteren. Doorvertaling naar bestemmingsplan De voornoemde resultaten uit het Archeoprorapport zijn voor het bestemmingsplan als volgt geïnterpreteerd.

In het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van Echt –Susteren is voor de gronden in het plangebied deels de bestemming ‘Waarde Archeologie 3’ opgenomen, welke is gebaseerd op de huidige gemeentelijke archeologie beleidskaart waarin voor het plangebied deels een (middel) hoge verwachtingswaarde geldt. Op basis van de resultaten van het verrichte onderzoek kan op de locatie Zandweg 10 waar al bebouwing aanwezig is globaal tot aan de leidingstrook de verwachtingswaarde worden bijgesteld naar laag. Dit betekent dat op deze plaats de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’ niet meer op de verbeelding wordt opgenomen. De overige delen van het plangebied behouden de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’ overeenkomstig de beleidskaart, zolang hieraan nog geen nadere duiding kan worden gegeven.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

82

PouderoyenTonnaer

5.2

Kabels en leidingen Door het plangebied loopt een ondergrondse riool persleiding. De terzake geldende (planologische) beschermingszone is geborgd in het bestemmingsplan via de verbeelding en de regels. Ter plaatse van de beschermingszone is het niet mogelijk gebouwen op te richten.

5.3

Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. In bijlage 5 van deze plantoelichting is in dit verband een verkeersgeneratie onderzoek opgenomen. Voor de inhoud hiervan wordt naar deze bijlage verwezen. Het aspect parkeren wordt uitsluitend in onderstaande nader behandeld.

5.3.1 Verkeersstructuur Om de eventuele gevolgen voor de verkeersstructuur te kunnen inschatten is bovenaangehaald verkeersgeneratieonderzoek uitgevoerd. Het verkeersgeneratie onderzoek heeft betrekking op het voornemen van de Abdij Lilbosch om haar veehouderijactiviteiten, voor zover het betreft de veehouderijactiviteiten rondom het Limburgse kloostervarken (Livar-varken), uit te breiden en hieraan een totaalconcept te verbinden op de locatie aan de Zandweg 10. Uit het onderzoek vloeit voort dat, met in achtneming van de verkeersgeneratiecijfers, het verkeer kan worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur. Via de Zandweg en de Annendaalderweg wordt ontsloten op de nabijgelegen provinciale weg. Grootschalige aanpassingen aan de Zandweg zijn op basis van het verkeersgeneratieonderzoek niet voorzien en tevens niet benodigd. Het aanbrengen van een korte verharding bij de entree van de Zandweg vanuit de Annendaalderweg zal wel gerealiseerd worden om het beoogde bezoekerscentrum, vleesatelier in de hoek van dit deel van het plangebied te ontsluiten voor vrachtwagens. Voor de ontsluiting zal deels gebruik worden gemaakt van de bestaande inritconstructies en deels worden voorzien in nieuwe inritconstructies. In het bestemmingsplan is via de bepalingen voor de voorwaardelijke verplichting landschapsinpassing (als bedoeld in artikel 3.1.2.

lid e in onderlinge verbinding met bijlage 3 bij de planregels ) het maximum aantal inritconstructies geborgd.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

83

PouderoyenTonnaer

5.3.2

Parkeren

Voor het plandeel ter plaatse van de Zandweg 10 wordt met dit bestemmingsplan voorzien in een regeling die, afgestemd op de parkeerbehoefte, voorziet in een borging van de realisatie van afdoende autoparkeerplaatsen in het plangebied. De regeling is ondergebracht in de algemene bouwregels als bedoeld in artikel 10.2. Aan de regels wordt getoetst op het moment dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen ten behoeve van de oprichting van bedrijfsgebouwen aan de orde is. Bezoekerscentrum en ondersteunende functies Uit het ‘Onderzoek verkeersgeneratie’ en de ‘Ladderonderbouwing Livar Experience’ blijkt dat als gevolg van het bezoekerscentrum in de definitieve fase uitgegaan moet worden van 15.000 bezoekers per jaar. Dit komt volgens het eerstgenoemde onderzoek uit op 82 bewegingen en dus 41 personenauto’s per dag. Uitgaande van een turnover van 2, betekent dit een behoefte aan 21 parkeerplaatsen. Vleesatelier / slachterij en ondersteunende functies Volgens voornoemd onderzoek is bij gemotiveerd afgeweken van CROW-kencijfers daar deze onrealistisch hoog bleken. In totaal is uitgegaan van 100 bewegingen (=50 personenauto’s) vanwege personeel en 14 bewegingen (=7 personenauto’s) vanwege bezoekers. Ervan uitgaande dat personeel de hele dag parkeert en de bezoekers met een turnover van 2, komt dit neer op een parkeerbehoefte van 54 parkeerplekken.

Het bedrijf beschikt over ten hoogste 5 eigen bestelauto’s betekent 5 parkeerplaatsen (in de avond- en nachtperiode; overdag zijn de auto’s onderweg). Tevens blijkt dat sprake is van 25 bestelauto’s (=50 bewegingen) van derden (klanten/leveranciers). Met een turnover van 2 komt dit op 13 benodigde parkeerplaatsen. Deze kunnen in de avond- en nachtperiode door de eigen bestelauto’s worden bezet. Veehouderijbebouwing en overige agrarische bebouwing Bij de veehouderij is slechts sprake van 3 (bestel)auto’s en dus hooguit 3 parkeerplaatsen. Parkeren ten behoeve van wonen Voor de bedrijfswoning en de mantelzorgwoning is voorzien in 3 respectievelijk 2 parkeerplaatsen. Gehele inrichting Voor de gehele inrichting komt vorenstaande neer op 21+54+13+3+3+2=96 stuks. Het huidig geplande aantal parkeerplaatsen van 100 is daarmee ruim voldoende.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

84

PouderoyenTonnaer

Afwikkeling parkeren binnen het plandeel aan de Zandweg In bovenstaande is de parkeerbehoefte en de hiermee verband houdende parkeernorm bepaald, die is doorvertaald in artikel 10.2 van de planregels. Bij volledige uitvoer van het ruimtelijk programma aan de Zandweg zijn 96 auto parkeerplaatsen benodigd. Afhankelijk van de concrete invulling van het ruimtelijk programma, zal in detail de positionering van parkeerplaatsen kunnen worden bepaald. In het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid om door middel van het stellen van nadere eisen (als bedoeld in artikel 10.2) te sturen op de situering van parkeerplaatsen vanuit het belang van een goede parkeerbalans, de verkeerssituatie en/of het stedenbouwkundige beeld. Op het terrein zijn afdoende mogelijkheden om het parkeren van personeel en bezoekers op te vangen. Het parkeren kan worden gefaciliteerd ter plaatse van de bestaande bebouwing aan de Zandweg 10 alsmede ter plaatse van het beoogde nieuwe bezoekerscentrum aan de Zandweg in de hoek van het plangebied nabij de Annendaalderweg.

Ter illustratie van het feit dat op de locatie Zandweg afdoende ruimte beschikbaar is voor de afwikkeling van parkeren, zijn een 100 tal parkeerplaatsen (met als uitgangspunt een maatvoering 2,5 meter bij 5 meter en een beschikbare verkeersruimte van 6 meter) ingetekend op de verbeelding (zie hiervoor onderstaande 2 afbeeldingen met uitsneden van de verbeelding). Hieruit blijkt dat binnen het plandeel aan de Zandweg 10 afdoende ruimte beschikbaar is om het autoparkeren te kunnen afwikkelen.

Afbeelding: plandeel Zandweg 10 zuid-oostelijk gedeelte waarin illustratief 85 parkeerplaatsen zijn ingetekend

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

85

PouderoyenTonnaer

Afbeelding: plandeel Zandweg 10 noord-westelijk gedeelte waarin illustratief 15 parkeerplaatsen zijn ingetekend

5.4

Waterhuishouding 5.4.1 Nationaal waterplan In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b. een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; d. een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen. Het Nationaal waterplan vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. 5.4.2 Provinciaal beleid De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt, dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van het Nationaal Waterplan om infiltratie

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

86

PouderoyenTonnaer

van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 5.4.3 Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp.

Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Onderhavige planontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Limburg. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Echt-Susteren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. De hoeveelheid afvalwater zal als gevolg van de planontwikkeling beperkt zijn.

Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’

87

PouderoyenTonnaer

Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Binnen het plangebied is onverhard of semi-verhard terrein (wandelpaden en parkeerplaatsen) aanwezig. Het plangebied wordt niet in zijn geheel voorzien van het dakoppervlak of verharding. Dit hemelwater zal, zoals ook in de huidige situatie het geval is, rechtstreeks in de bodem infiltreren, dan wel afvloeien naar het naastgelegen grasland en aldaar infiltreren. Hemelwater dakverhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en worden afgevoerd naar een infiltratievoorziening op eigen grond in de vorm van greppels naast de nieuwe bomenrijen en een tweetal poelen. Mocht bij extreme omstandigheden de infiltratievoorzieningen overlopen, dan kan het overtollige water wegstromen in de aangrenzende varkensweide of akkerland dat ook in eigendom is van initiatiefnemer. Capaciteit hemelwatervoorziening Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Bij het dimensioneren van een infiltratievoorziening dient uit te worden gegaan van 100mm/m2 verhard opppervlakte. De toename aan het oppervlak (dak)verharding van het totale plan is als volgt: - bezoekerscentrum: 2.500 m2; - vleesatelier: 2.500 m2; - vleesvarkensstal: 2 x 2.190 m2; - zeugenstal: 1.545 m2; - kraamstal: 2 x 1.240 m2; - facilitaire weg en parkeerplaatsen: 6.900 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=1b52e205-7f32-40f0-881c-c7560145baf6