Toelichting-Bijlage 5 (pve)
Tekst van het document
• Er worden representatieve foto’s gemaakt van de grondsporen in het vlak en de coupes. • De coupes dienen individueel gewaterpast te worden. • Splitsingen en oversnijdingen van sporen dienen op een dusdanige manier vastgelegd en onderzocht te worden, dat een eventuele fasering vastgesteld kan worden. Vondsten afkomstig uit dergelijke sporen worden per spoor en eventueel daarin te onderscheiden vullingen verzameld. • Van sporen waarvan de onderkant in een dwarsdoorsnede binnen de maximale verstoringsdiepte van de civieltechnische graafwerkzaamheden niet bereikt kan worden, wordt de diepte en/of opbouw door middel van boringen bepaald. • De gevonden lagen, grondsporen en structuren dienen zo mogelijk per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen ze te worden meegenomen in de interpretatie en conclusie(s). • De vulling van sporen uit de Steentijd dient te worden gezeefd over een maaswijdte van 3 millimeter. • Bodemlagen moeten ten opzichte van eventueel muurwerk afzonderlijk worden beoordeeld.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 15 van 36
• Bij putten dient het onderscheid gemaakt te worden tussen water-, afval- en beerputten. Indien de vulling een vondstcomplex bevat, wordt materiaal met diagnostische kenmerken verzameld. • Indien blijkt dat (water-/beer-)putten tot ver in het grondwater doorlopen, wordt voorafgaand aan het onderzoek een bronbemaling aangebracht die ervoor moet zorgen dat de put zorgvuldig en onder droge omstandigheden kan worden opgegraven. Vullingen van putten worden volledig stratigrafisch onderzocht, dus ook de opvullagen. Daartoe wordt de put gecoupeerd vanaf het eerste niveau waarop het spoor zichtbaar werd. Alle lagen worden onderzocht op vondsten die stratigrafisch worden verzameld. Aanwezige accumulatielagen worden met pollenbakken bemonsterd voor specialistisch onderzoek. Waterkuilen worden in kwadranten onderzocht. Houtconstructies worden zorgvuldig gedocumenteerd en bemonsterd. Van deze onderzoeksstrategie kan afgeweken worden, indien behouden in situ (van een deel) van de (water-/beer-)putten gerealiseerd kan worden. • 20e eeuws- en jonger muurwerk wordt op hoofdlijnen geregistreerd. Voor ouder muurwerk geldt het volgende: een profiel wordt getekend haaks op de muur of de uitbraaksleuf vanaf het hoogst mogelijke niveau, met inbegrip van de afdekkende laag tot in de vaste grond.
Na documentatie van het opgaande muurwerk wordt de doorsnede van de muur opgenomen in de profieltekening. Van muurwerk wordt de bovenzijde, de onderzijde en van iedere versnijding de hoogtemaat genomen. De hoogtematen worden in ieder geval aan het begin en het eind van de betreffende muur genomen, alsmede op hoeken en/of aanhechtingen. Bouwkundige details zoals reparaties of faseringen dienen nauwgezet te worden vastgelegd op tekening en middels een foto. Aangegeven wordt waar en welke mortel is toegepast. Bij funderingsonderzoek worden met name de hoeken onderzocht. Bouwmateriaal en mortel worden bemonsterd. Bij natuursteen wordt acht geslagen op de diversiteit van de gesteentesoorten. Van alle aanwezige afzonderlijke baksteenmaten wordt een baksteen verzameld. Het baksteen wordt beschreven en de baksteenformaten worden opgemeten. Ook een 5- of wanneer mogelijk een 10-lagenmaat dient te worden genoteerd. Van natuursteen worden relevante maten genomen en wordt het verband geregistreerd. Ook moet het metselverband worden beschreven alsook de relatie met aangrenzend muurwerk. Vondsten bij muurwerk worden onderscheiden in relevante contexten: uit de insteek, onder de muur uit de funderingssleuf, ingesloten tussen de stenen, liggend op het muurrestant/uit de uitbraaksleuf.
De te volgen strategie wordt doorgesproken met een bouwhistoricus die in samenspraak met de projectleider de afweging maakt of veldbezoek wel/niet noodzakelijk is. • Kansrijke sporen worden bemonsterd. • Bij het aantreffen van bijzondere structuren en sporen dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Na documentatie worden de sporen weer dicht gegooid. 6.5
Lichten
Vanaf het moment dat vondstmaterialen herkend worden tijdens het veldwerk begint de fase van het lichten, verpakken, (tijdelijk) opslaan en conserveren. In de meeste gevallen kan het lichten door het veldteam ter plaatse uitgevoerd worden. In gevallen van kwetsbaar materiaal waarbij direct ernstig informatieverlies kan optreden, dient evenwel een specialist bij de lichting betrokken te worden. Wat betreft de opslag van vondstmateriaal levert een koele en donkere ruimte de meeste stabiliteit op. Voor kwetsbare materiaalgroepen is doorgaans meer nodig om de stabiliteit zo veel mogelijk te garanderen. Voor het behandelen en verpakken van vondsten en monsters ten behoeve van de tijdelijke opslag dienen per kwetsbare materiaalgroep de betreffende subspecificaties binnen OS11 gehanteerd te worden. Ook de KNA-leidraad Veldhandleiding archeologie en de KNA-leidraad Eerste Hulp bij Kwetsbaar Vondstmateriaal dienen tijdens het veldwerk gehanteerd te worden. Tevens geldt voor alle materiaalcategorieën het advies van de te raadplegen specialist.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 16 van 36
6.6
Aardwetenschappelijk onderzoek
• Het aardwetenschappelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een fysisch-geograaf of een (Senior) KNA-archeoloog met aantoonbare ervaring op de hier verwachte bodem en geologie (Limburgs zandgebied). Een lengteprofiel binnen het bouwvak voor de nieuw te realiseren woning en binnen de zone van de te slopen bestaande bebouwing dient te worden onderzocht op mogelijke verstoringen, het bewoningsniveau en de mate waarin de eventuele vindplaats is afgedekt of is opgenomen in de de bouwvoor. Van het lengteprofiel worden binnen de zone van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden minimaal vier profielkolommen van een 1 meter breed tot 30 centimeter in de natuurlijke afzettingen aangelegd en gedocumenteerd. In de individuele proefsleuven worden aan de uiteinden minimaal twee profielkolommmen van een 1 meter breed tot 30 centimeter in de natuurlijke afzettingen aangelegd en gedocumenteerd. Mochten er tussen de kolommen grote verschillen zitten dan dient het tussenliggende deel aangelegd en gedocumenteerd te worden om overgangen vast te leggen. • Profielkolommen worden gefotografeerd en getekend op schaal 1:20. • De profielen worden beschreven en getekend op basis van bodemkundige kenmerken, archeologica, textuur, kleur, structuur, lithostratigrafie, humusgehalte, consistentie, laaggrenzen en gley-verschijnselen.
• Profielen worden onderzocht op vondsten en per laag gedocumenteerd. 6.7
Anorganische artefacten
• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per put (bouwvak en zone van de te slopen bestaande bebouwing) verzameld. • Archeologisch relevante vondsten en/of vondststrooiingen en/of clusters artefacten worden ter plaatse ingemeten en voorzien van X-, Y-, en Z-waarden. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Bij belangwekkende en/of kwetsbare vondsten worden op de vondstlocatie foto’s gemaakt, nadat het spoor en het object in situ fotogeniek zijn gemaakt. • Bij de vondst van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de uitwerking ter hand genomen wordt. • Wanneer de in het veld aangetroffen vondsten (hoeveelheden, soorten materialen, soorten objecten en/of dateringen en conservering) significant afwijken van wat er verwacht wordt of kan worden, is overleg nodig tussen de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever, op aangeven van de archeologisch uitvoerder.
De depothouder maakt zijn wensen ten aanzien van selectie-deselectie van het onvoorziene materiaal kenbaar aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Zo nodig komt ook de omgang met daarmee gemoeide extra kosten aan bod. De archeologisch uitvoerder wordt over de uitkomsten van het overleg geïnformeerd door de bevoegde overheid. Zo nodig informeert de depothouder(/eigenaar) tevens de depotbeheerder. Binnen twee dagen vanaf het moment van aantoonbaar melden/persoonlijk contact met/bij de depothouder dient een reactie ten aanzien van het wel/niet meenemen van het materiaal door de depothouder te zijn gegeven. Bij het uitblijven van een reactie binnen de afgesproken termijn mogen de overige partijen beslissen of zij het materiaal wel/niet uit het veld meenemen. • Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’. Dit kan meteen in het veld door de uitvoerende archeologen representatief worden geselecteerd.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 17 van 36
6.8
Organische artefacten
• Archeologisch relevante artefacten die worden aangetroffen, worden verzameld. Indien mogelijk worden verschillende lagen van elkaar gescheiden. Spoorvondsten worden per spoor verzameld. Stortvondsten worden onder één nummer per put (bouwvak en zone van de te slopen bestaande bebouwing) verzameld. • Kwetsbare vondsten moeten door middel van speciale zorg en behandeling behouden (c.q. geconserveerd) worden conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • De organische artefacten dienen in het veld op zodanige wijze te worden verzameld zodat ze na determinatie en uitwerking een antwoord geven op de gestelde onderzoeksvragen. • Bij de vondst van bijzondere organische artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de uitwerking en conservering ter hand genomen wordt. 6.9
Archeozoölogische, archeobotanische resten en fysisch-antropologische resten
• Alleen ecologisch veelbelovende sporen (veel houtskool, extreem goede conservering in natte venige-omstandigheden) die bovendien op basis van vondsten gedateerd kunnen worden, komen in aanmerking voor bemonstering. Verwerking en karakterisering van de diverse monsters wordt door specialisten uitgevoerd. Dit gebeurt in eerste instantie door middel van een waardering (scan) in de context van de evaluatiefase. • Constructiehout van beschoeiingen, drenkkuilen, waterputten etc. wordt in het veld beschreven door een houtspecialist, getekend en gefotografeerd. In het Plan van Aanpak worden hierover afspraken opgenomen. Gelet dient te worden op het gebruik van hergebruikt hout. Dit om een correct advies te geven over de te nemen monsters voor dendrochronologisch onderzoek en mogelijke afwijkingen die hierdoor kunnen voorkomen. • Een voorstel voor deselectie van constructiehout wordt besproken met de bevoegde overheid. • Vullingen van waterputten worden volledig onderzocht, vooral ook de opvullagen. Pakketten van accumulatielagen worden met pollenbakken bemonsterd voor specialistisch onderzoek met het oog op ruimtegebruik, bewoningcontinuïteit en landschapsontwikkeling (in het bijzonder continuïteit bewoning en overgang einde nederzetting en akkerland). Archeozoölogische resten Archeolozoölogische contexten worden in principe geheel opgegraven en bij uitwerking geanalyseerd.
Tenzij anders overeengekomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Crematiegraven Voor de berging van crematiebegravingen is een Senior KNA-archeoloog of fysisch-antropoloog verantwoordelijk. Berging van crematieresten gebeurt volgens de inmiddels gangbare “methode Hiddink”.21 Indien containers (bijvoorbeeld - vrijwel - compleet vaatwerk van aardewerk of glas) en/of beenderblokken worden aangetroffen worden ze in principe behandeld als monsters. Dit wil zeggen dat ze en bloc worden geborgen. De inhoud van de containers en de beenderblokken worden via een “micro-opgraving” en/of zeefmethode onder laboratoriumomstandigheden onderzocht. Een eventuele “micro-opgraving” en uitwerking van crematiebegravingen wordt uitgevoerd door een fysischantropoloog.
21 Hiddink 2003, 97-107.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 18 van 36
Inhumatiegraven Voor de opgraving en uitwerking van inhumatiegraven dient een fysisch-antropoloog betrokken te worden bij het onderzoeksproject. De inhumaties worden schaal 1:10 getekend, maar kunnen ook middels fotogrammetrie worden gedocumenteerd. Menselijk en/of dierlijk skeletmateriaal wordt opgegraven, gedetermineerd en uitgewerkt volgens de beroepsgroep heersende normen (o.a. leeftijdsbepaling, geslachtsbepaling, pathologie, bijgaven, etc.). 6.10 Overige resten Ter beantwoording van de onderzoeksvragen dienen monsters genomen te worden voor onder meer micromorfologisch, botanisch, diatomeeën, mijten, insecten onderzoek, pollen en nonpalynomorfe pollen (NPP) analyse en geochemisch onderzoek. Deze monsternames dienen te geschieden op basis van interpretatie door de Senior KNA-archeoloog indien noodzakelijk in samenspraak met de daartoe ter zakekundige specialist. 6.11 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal Het bergen van kwetsbaar vondstmateriaal gebeurt volgens de KNA leidraad Eerste Hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal (niet digitaal, maar wel als waaier beschikbaar). Bij complexe situaties (zoals en bloc-bergingen) dient een erkend conserveringsspecialist te worden geraadpleegd en zo mogelijk te worden ingeschakeld om de berging te begeleiden.
6.12 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek Wanneer vondstmateriaal geen uitsluitsel geeft over de datering van sporen en/of lagen, kunnen monsters worden genomen voor het verkrijgen van een datering. Dit zullen voornamelijk 14C- en dendrochronologische dateringen betreffen. In het veld dient te worden bepaald of de betreffende sporen/lagen ook daadwerkelijk geschikt zijn voor bemonstering. Bij twijfel over het potentieel van de monsters dient een specialist ter zake geraadpleegd of ingeschakeld te worden. 6.13 Bouwstenen Een bouwsteen is gedefinieerd als een logische of logistieke informatie-eenheid van de documentatie van een gravend onderzoek. Deze bouwstenen definiëren de wijze van documenteren van de basisgegevens van een specifiek (waarnemings)proces of een specifieke activiteit binnen een archeologisch onderzoek, te weten administratieve (bijvoorbeeld: project en OM-nr./Archis3 onderzoeksmeldingsnummer) en ruimtelijk-geografische (de positie en ruimtelijke begrenzing). Een bouwsteen, of een combinatie van bouwstenen, kan bijvoorbeeld de vorm hebben van een analoge (papieren) lijst of veldtekening, maar ook van een digitale databasetabel of een kaartlaag in een CAD- of GIStoepassing. Van de werkzaamheden in het veld dienen dag- en weekrapporten te worden bijgehouden.
Tevens dienen sporen op spoorformulieren, vondsten op vondstformulieren, monsters op monsterformulieren, tekeningen op tekeningformulieren en foto’ s op fotoformulieren te worden geregistreerd.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 19 van 36
6.14 Complexiteit De complexiteit van het archeologisch onderzoek is standaard. De mogelijkheid van het voorkomen van meerdere perioden en een stratigrafie kenmerkend voor dorpskern onderzoek is het enige dat het onderzoek gecompliceerd kan maken. 6.15 Beperkingen Ten aanzien van het onderzoek bestaan geen specifieke beperkingen. Bij de opgraving - variant archeologische begeleiding ter plekke van de te slopen bestaande bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied zullen alle mogelijk aanwezig sporen direct volledig gedocumenteerd en afgewerkt worden. Vanwege het inventariserende karakter van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, mogen in eerste instantie grotere structuren (bijvoorbeeld beschoeiingen, muurresten en putten) niet verwijderd worden binnen de proefsleuven. Dit zal pas gebeuren op het moment dat de bevoegde overheid heeft besloten dat een ‘directe doorstart’ naar een opgraving uitgevoerd dient te worden.
7
EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING
7.1
Evaluatiefase
Na afronding van de opgraving – variant archeologische begeleiding en het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voor een beknopte evaluatie van de veldresultaten. In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald of behoudenswaardige archeologische resten zijn aangetroffen en als gevolg het noodzakelijk is om een evaluatierapport op te stellen (KNAspecificatie OS12). Indien het onderzoek geen of zeer weinig archeologische resten heeft opgeleverd, kan in overleg met de bevoegde overheid besloten worden om de evaluatiefase in te korten, bijvoorbeeld mondeling of middels een kort verslag (per email). Doel van het evaluatierapport is om (1) een beknopt verslag te presenteren van de onderzoeksresultaten (bespreken: sporen, structuren, vondstmateriaal en monsters), (2) de behoudenswaardigheid van de aangetroffen vindplaats(en) te waarderen, en (3) voorstellen te doen met betrekking tot de uitwerking en (specialistische) analyses van de onderzoeksgegevens voor het opstellen van het eindrapport. Het vondstmateriaal en relevante monsters, naar oordeel van de Senior KNA-archeoloog, dienen in het kader van de evaluatiefase gewaardeerd te worden ten behoeve van hun potentie om de in het Programma van Eisen geformuleerde onderzoeksvragen te beantwoorden.
Daarnaast moeten het vondstmateriaal en de monsters gewaardeerd worden op hun toestand/conservering. Dit gebeurt in de regel door scans uitgevoerd door (Senior) KNA-specialisten, bijvoorbeeld het bepalen van de potentie van grondmonsters voor archeobotanisch onderzoek. In het evaluatierapport dient minimaal de volgende informatie opgenomen te zijn. • Aanleiding van het archeologisch onderzoek. • Methodiek veldonderzoek en eventueel gemotiveerde aanpassingen in het veld. • Beknopt verslag onderzoeksresultaten: waardering sporen, structuren, vondstmateriaal en monsters, alsmede fysisch-geografische gegevens. • Waardering vondsten en monsters (wetenschappelijke potentie en toestand/conservering). • Aantallen vondsten en monsters.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 20 van 36
• Recapitulatie van doelstelling en onderzoeksvragen van het Programma van Eisen. • Beargumenteerde evaluatie in hoeverre de onderzoeksvragen van het Programma van Eisen op basis van de bereikte onderzoeksresultaten beantwoord kunnen worden. • Advies (uitwerkingsplan) van Senior KNA-archeoloog en (indien van toepassing) de betrokken (Senior) KNA-specialisten voor kwantitatieve en kwalitatieve uitwerking op basis van de onderzoeksvragen in het Programma van Eisen. Hierbij wordt een gedetailleerd advies gegeven over welke fysisch-geografische gegevens, sporen, vondsten en monsters worden uitgewerkt en volledig geanalyseerd voor het opstellen van het eindrapport. • Advies over visuele representatie van fysisch-geografische gegevens, sporen en/of vondsten in het eindrapport (foto’s en/of tekeningen). • Selectierapport betreffende vondstmateriaal en monsters, op basis waarvan een schatting gemaakt kan worden van hoeveel vondsten en monsters permanent geconserveerd moeten worden en na goedkeuring van het eindrapport gedeponeerd zullen worden. Het evaluatierapport wordt binnen vier weken na afronding van het veldonderzoek opgeleverd aan de opdrachtgever en, in afschrift, ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder(/-eigenaar) en de bevoegde overheid. 7.2
(De)selectie van vondstmateriaal en monsters
• Het selectierapport vondstmateriaal en monsters maakt onderdeel uit van de evaluatiefase (KNAspecificatie OS13). De (Senior) KNA-archeoloog en (indien van toepassing) de betrokken (Senior) KNA-specialisten dienen in het selectierapport een gemotiveerd advies te geven ten aanzien van de selectie en conservering, deselectie en verwijdering van vondstmateriaal, nadat in de evaluatiefase is vastgesteld welke vondsten en monsters volledig dienen te worden uitgewerkt en geanalyseerd. Van vondsten en monsters dient per vondst en monster gemotiveerd te worden waarom ze voorgedragen worden voor deselectie en verwijdering. Bij deze motivering moet de determinatie, materiaalsoort, vondstcontext en toestand/conservering van de vondst of het monster geregistreerd worden. Tevens dient aangegeven te worden in welke vorm(en) de verwijdering uitgevoerd wordt. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een schenking aan een museum, educatieve instelling of heemkundekring of door volledige vernietiging zodat de vondst of het monster niet abusievelijk opnieuw in het bodemarchief terecht komt. Het selectierapport dient altijd ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de depothouder(/-eigenaar) en de bevoegde overheid. Zonder goedgekeurd selectierapport kunnen vondsten en/of monsters niet gedeselecteerd en verwijderd worden na afronding van het onderzoeksproject.
• Indien besluitvorming noodzakelijk is over de (de)selectie van vondstmateriaal en/of monsters en conservering, dient altijd een selectierapport te worden opgesteld dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de depothouder(/-eigenaar) en bevoegde overheid. Dit geldt ook in het geval de onderzoeksresultaten geen aanleiding geven tot het opstellen van een evaluatierapport. 7.3
Technische uitwerking evaluatiefase
• De algemene technische uitwerking omvat het digitaliseren van alle in het veld gemaakte tekeningen, het bewerken van digitale afbeeldingen en het digitale gegevensbeheer. • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een ‘allesporenkaart’, of op gecombineerde vlaktekeningen (bij een complexe stratigrafie). • Alle vondsten worden gereinigd, primair geanalyseerd en voorlopig gedateerd (bakselniveau voor keramiek). • Alle foto’s, tekeningen, vondsten, monsters worden geadministreerd. Handgeschreven verslagen worden uitgetikt en gearchiveerd. Overige analoge documentatie wordt gescand en gearchiveerd.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 21 van 36
• Alle vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand. • Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw, analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. 7.4
Wetenschappelijke uitwerking - algemeen
• Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database. • De analyse van paleo-ecologische monsters wordt beperkt tot het niveau dat nodig is voor het beantwoorden van de directe vraagstelling, waarbij de geschiktheid van de locatie voor paleoecologisch onderzoek een belangrijke component is. • In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen. In de synthese worden complexen en periodes onderscheiden en in een breder (ten minste regionaal) kader geplaatst. 7.5
Structuren, grondsporen en vondstspreidingen
• De structuren en grondsporen worden zodanig uitgewerkt dat de vraagstelling kan worden beantwoord. • De analyse van de sporen is gericht op het herkennen van structuren, het toekennen van een betekenis aan de individuele sporen en/of structuren, het vinden van patronen in de materiële cultuur en het dateren van de betreffende sporen. • Beschrijving structuren en grondsporen: - verspreiding en diepteligging; - beschrijving aard, fysieke kwaliteit en ouderdom (zo mogelijk). • De aangetroffen lagen, grondsporen en structuren dienen per periode te worden beschreven. De mate van uitwerking dient te zijn afgestemd op de vraagstellingen. Tevens dienen de lagen, grondsporen en structuren te worden meegenomen in de interpretatie en in de conclusie(s). • Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart voorzien van het landelijke coördinatengrid en topografie. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. 7.6
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
Aardwetenschappelijke analyse vindt indien mogelijk plaats in het veld op basis van het bestudeerde profiel. Deze analyse zal in de regel worden uitgevoerd door de (Senior) KNA-archeoloog en/of fysisch-georgraaf. De veldgegevens van het vlak en de profielen moeten uitgewerkt worden in tekeningen en kaarten met een overzichtelijke codering conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). De bodemlagen moeten duidelijk worden aangegeven in de profielen met daaraan gekoppeld een (globale) datering. 7.7
Anorganische artefacten
• De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 22 van 36
• De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. - Aardewerk: determinatie per periode, eventueel op type. - Natuursteen/vuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. - Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. • Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. • Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. • Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud. • De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.8
Organische artefacten
• Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het Programma van Eisen te beantwoorden. - Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. - Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt. • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). • Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. • De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.9
Archeozoölogische en -botanische resten
• Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. • Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de (Senior) KNAarcheoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. • Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. • De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 23 van 36
• Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in de beantwoording van onderzoeksvragen en de synthese van het onderzoek. 7.10 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Uitsnede topografische kaart met het onderzoeksgebied. • Kaarten met de ligging van het plangebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Allesporenkaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Toevoegen indien relevant: een afbeelding van het plangebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.
8 8.1
RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept) eindrapport
• Direct aansluitend aan het veldwerk dient met de uitwerking van de veldgegevens te worden begonnen. • Indien archeologische waarden zijn aangetroffen, wordt in overleg met de bevoegde overheid besloten om een evaluatierapport op te stellen. Dit evaluatierapport dient voorgelegd te worden aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid ter goedkeuring. • Binnen 12 weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het evaluatierapport dient een concept eindrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt. 8.2
Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid
De opdrachtgever en de bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het concept eindrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het eindrapport. 8.3
Inhoud standaardrapport
Het eindrapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. • Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. • Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het plangebied (minimaal schaal 1:25.000). • Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de onderzochte putten (bouwvak en zone van de te slopen bestaande bebouwing), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 24 van 36
• Een kaart van het plangebied waarop: - het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing); - het areaal van verstoorde bodemprofielen in het plangebied staat aangegeven (indien van toepassing). • Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. • Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. • Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het plangebied of in de nabijheid van het plangebied. • Een paragraaf over de fysische geografie van het plangebied. • De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. • De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. • Relevante coupetekeningen en/of foto’s. • De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, etc.), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.).
• De sporenlijst waarin staat aangegeven: 1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van het spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn. • Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen met daarin in ieder geval de volgende thema’s: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. • De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. • Een paragraaf met conclusies en synthese waarin de resultaten van het onderzoek op integrale wijze worden besproken. De verkregen resultaten dienen tevens bezien en geduid te worden in het licht van de bestaande kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom het plangebied. • Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen. • Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek. 8.4
Kwaliteit
• De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de eindrapportage. • Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. • Aanbevelingen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. • De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. • De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging. Wanneer toetsende overheid en auteur tot
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 25 van 36
verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. 8.5
Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport
• Het eindrapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. • Het concept eindrapport zal binnen 12 weken na einde veldwerk of goedkeuring evaluatierapport worden opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. • Van het concept eindrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en één exemplaar aan de bevoegde overheid. De opdrachtgever wordt in de gelegenheid gesteld commentaar te leveren op de eindrapportage. De bevoegde overheid zal het eindrapport toetsen aan het Programma van Eisen en de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve eindrapport opgeleverd. • De eindrapportage wordt uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. • De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de opdrachtgever, de gemeente Echt-Susteren, de adviseur van de gemeente, ArchAeO B.V., het Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg, de Provincie Limburg, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de lokale heemkundekring.
9
(DE)SELECTIE EN CONSERVERING
9.1
Selectie materiaal voor uitwerking
De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2
Selectie materiaal voor deponering en verwijdering
• Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de Provincie Limburg. De Senior KNA-archeoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden, hoeven niet geconserveerd te worden. • Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. • (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist). 9.3
Selectie materiaal voor conservering
• In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 26 van 36
• Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg.
10
DEPONERING
10.1 Eisen betreffende depot • Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider (Senior KNA-archeoloog) kan na de uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het evaluatierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder(/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’.
Dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd. • Opgegraven vondstcomplexen (onderzoeksdocumentatie en vondsten) worden zo compleet mogelijk aangeleverd. • De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het het Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis3). 10.2 Te leveren product Standaard-/concept eindrapport is een rapport volgens de vigerende versie van de KNA-specificatie volgens onderstaande bepalingen in dit hoofdstuk van dit Programma van Eisen. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), wordt ook een digitale versie van het eindrapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het Archis3 onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.).
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 27 van 36
11
RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN
11.1 Personele randvoorwaarden • Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van personeel dat in het beroepsregister is ingeschreven. • Het team dat het onderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog als projectleider, met ervaring met onderzoeken in het Limburgs zandgebied. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door dezelfde Senior KNA-archeoloog, als dagelijks wetenschappelijk leider en minimaal een veldtechnicus/(KNA-)archeoloog. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een medewerker met ervaring. • De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Projectleider (Senior KNAarcheoloog), KNA-archeoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). • De veldploeg dient qua samenstelling te voldoen aan de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Een fysisch-geograaf of bodemkundige met een specialisatie in het Limburgs zandgebied of een archeoloog met ruime relevante bodemkundige en fysisch-geografische ervaring met het Limburgs zandgebied wordt ingezet voor de interpretatie van ingewikkelde bodemprofielen. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die aantoonbare ervaring heeft met archeologisch werk.
• De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. • Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA-archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist. • Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaal- en diachrone-specialisten (zoals fysisch-geograaf, fysisch-antropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/ categorie. 11.2 Overlegmomenten • Uiterlijk één week voor aanvang van het veldwerk tussen de betrokken projectleider(s), de opdrachtgever en met de bevoegde overheid. Hierbij wordt de strategie op basis van Plan van Aanpak en de uitvoeringsplanning wederzijds bevestigd. Dit overleg kan telefonisch. • Zodra de definitieve planning van de archeologische werkzaamheden bekend is, dient door de archeologisch uitvoerder een veldoverleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever ingepland te worden.
Dit overleg vindt plaats op de dagen wanneer verwacht wordt dat het grootste deel van de zone van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden ter plekke van de bestaande bebouwing open ligt en tevens de proefsleuven zijn aangelegd tot aan het/de archeologisch relevante niveau(s). Dit overleg kan (in overleg en met foto’s geïllustreerd) komen te vervallen indien er geen behoudenswaardige archeologica worden aangetroffen. • Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. Er vindt dan op korte termijn (telefonisch) overleg plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de bevoegde overheid en de opdrachtgever een vervolgstrategie bepalen.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 28 van 36
• De contactpersoon van de bevoegde overheid wordt op de laatste veldwerkdag op de hoogte gesteld van einde veldwerk. Op dat moment wordt besproken of een evaluatierapport zinvol is. • Algemeen gesteld kunnen de bevoegde overheid en/of opdrachtgever bepalen of meerdere overleggen plaats dienen te vinden. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie • Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), en dit Programma van Eisen. In alle gevallen waarin dit Programma van Eisen niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), van toepassing. • Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA-archeoloog. • Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De Senior KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is. • Indien de resultaten van het veldwerk niet van dien aard zijn dat er reden is voor het opstellen van een evaluatierapport, kan dit achterwege blijven. Dit besluit wordt altijd in overleg met de bevoegde overheid genomen. • Bij de evaluatiefase wordt in een evaluatierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten.
De depothouder van de Provincie Limburg wordt het evaluatierapport tijdens de evaluatiefase ter goedkeuring voorgelegd. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door de depothouder kunnen vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. Indien na 15 werkdagen geen reactie is gekomen van de depotbeheerder kan het werk zonder goedkeuring voortgezet worden. • Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de bevoegde overheid en de opdrachtgever over de resultaten. • Te deponeren vondsten en monsters worden ingekrompen tot een minimale hoeveelheid benodigd voor herinterpretatie en/of uitgebreider onderzoek, gebaseerd op wetenschappelijke criteria. 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologisch uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn.
12
WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE
12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Indien tijdens het veldwerk bijzondere vondsten worden gedaan of (complexe) sporen of structuren worden aangetroffen die niet in het onderzoeksvoorstel zijn voorzien, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. In overleg zal dan eventueel kunnen worden gekozen voor een andere aanpak. • Indien het gaat om belangrijke wijzigingen, zullen deze te allen tijde aantoonbaar voorgelegd worden aan de bevoegde overheid, de depothouder en de opdrachtgever. Belangrijke wijzigingen zijn: - significante afwijkingen van verwachte vondstmateriaal/vondsten (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering); - wijzigingen die (de)selectie en conservering vondsten beïnvloeden.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 29 van 36
• Wijzigingen op het Programma van Eisen worden overlegd met de bevoegde overheid. Ook in geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk, wordt eerst overlegd met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. • Mutaties op het Programma van Eisen worden altijd schriftelijk vastgelegd, evenals afspraken voortvloeiend uit evaluatievergaderingen en andere bijeenkomsten. • Bij ingrijpende wijzigingen is altijd toestemming van de bevoegde overheid nodig. 12.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan de bevoegde overheid en de opdrachtgever: • afwijking van de archeologische verwachting; • wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode; • wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden; • vastleggen overleg- en evaluatiemomenten. 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk Zie 12.4 12.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering • Op de laatste dag van het veldwerk wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever om dit te melden en vindt er indien nodig een voorlopige evaluatie plaats van de behaalde resultaten en de mogelijk aangetroffen archeologische waarden.
Tijdens dit overleg bepalen de Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid samen de verdere strategie bij de uitwerking en stellen ze de noodzaak vast van de analyse van eventuele monsters en van mogelijke laboratoriumdateringen. De afspraken over uitwerking en specialitische analyses van het vondstmateriaal en monsters, nadat de vereiste waarderingen zijn uitgevoerd, worden vastgelegd in het evaluatierapport. • Alle vondsten en uitgewerkte monsters moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van een evaluatierapport voor conservering anders is aangegeven door de desbetreffende depothouder. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. • Ten aanzien van de conditie kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De Senior KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.
13
AANVULLENDE EISEN
13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk • De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. • De archeologisch uitvoerder dient zorg te dragen voor het aanmelden van het onderzoek bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de start van het veldwerk (Archis3 onderzoeksmelding; OM-nr.).
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 30 van 36
13.2 Uitvoeringscondities veldwerk • Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid dienen door de opdrachtgever te worden geregeld. • Tevens draagt de opdrachtgever zorg voor gelegenheid tot het plaatsen van een schaftwagen, een container voor opslag van materiaal en een chemisch toilet. De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. • Additionele deelname van amateurarcheologen aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van de archeologie is welkom, mits onder begeleiding van de archeologisch uitvoerder en tijdens reguliere werkuren. Voorwaarde hieraan is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten. • Het goedgekeurde Programma van Eisen dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn. • De archeologisch uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor “schatgravers”. • De archeologisch uitvoerder, het ingehuurde grondverzetbedrijf voor het aanleggen van de proefsleuven of de civieltechnisch uitvoerder van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden doet een graafmelding bij het KLIC.
• De opdrachtgever informeert de archeologisch uitvoerder over de ligging van kabels en leidingen in het onderzoeksgebied, die niet bekend zijn bij het KLIC. • De opdrachtgever verstrekt indien van toepassing kopieën van de milieurapporten. • De uitvoerder neemt preventieve maatregelen tegen inbraak en vandalisme. • Opgravingdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven. 13.3 Ontplofbare oorlogsresten (OO) en veldgraven • Hoewel er geen directe aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) ter plekke van het plangebied, zijn deze wel in de directe omgeving aangetroffen. 22 Als gevolg dient met onderstaande veiligheidsmaatregelen rekening gehouden te worden. • Indien ontplofbare oorlogsresten (OO) worden aangetroffen, worden de veldwerkzaamheden direct gestaakt en de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen. • Het aangetroffen projectiel dient, indien het niet dezelfde dag geruimd wordt, weer afgedekt te worden met grond. • In een straal van minimaal 100 meter rond het aangetroffen projectiel dient het terrein te worden ontruimd. • De politie dient te worden ingelicht. Deze zal een proces verbaal opstellen en de vondst bij de explosieven opruimingsdienst defensie (EOD) melden. • Op basis van aangeven van de politie/EOD kunnen mogelijk in delen van het terrein de werkzaamheden hervat worden.
• Bij het aantreffen van veldgraven zal het bergings- en identificatieteam van de landmacht worden ingeschakeld. Zij nemen het bergen van het veldgraf over. - Telefoonnummer (tijdens kantooruren): 033-4662441 - Telefoonnummer (buiten kantooruren): 06-53415207 - Email: bidkl@mindef.nl - Internet: https://www.defensie.nl/onderwerpen/berging-en-identificatie-oorlogsslachtoffers/debergings--en-identificatiedienst • Uw eigen veiligheid gaat boven alles. 22 Ruimingskaart; VEO Bommenkaart.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 31 van 36
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland De hogere niveaus. Wageningen. Barends, S., H.G. Baas, M.J. de Harde, J. Renes, T. Stol, J.C. van Triest, R.J. de Vries, F.J. van Woudenberg, 2005: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005: Fysische Geografie van Nederland, deel 4: Landschappelijk Nederland. De fysisch-geografische regio's. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen, Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. (TNO-rapport, NITG 05-043-A) Utrecht. Deeben, J.H.C. (red.), 2008: De Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, derde generatie. (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 155) Amersfoort. Fontijn, D.R., 2002: Sacrificial Landscapes.
Cultural biographies of persons, objects and ‘natural’ places in the Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC. (Analecta Praehistorica Leidensia 33/34) Leiden. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks, 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Amersfoort. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1) Amsterdam. Kruithof, L. & F. van den Blink, 2022: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren (gemeente Echt-Susteren). (Aeres Milieu projectnummer AM22100) Roermond. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 32 van 36
Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Meurkens, L & A. Tol, 2016: De Late-Prehistorie. Een actuele kennisstand van de Late-Prehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013. Provincie Limburg, Maastricht. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 2020: NEN-EN-ISO 14688-1:2019+NEN 8990:2020 nl: Geotechnisch onderzoek en beproeving - Identificatie en classificatie van grond - Deel 1: Identificatie en beschrijving. Delft. Peeters, M.M., 2009: Archeologie in de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport III: Een eerste aanzet voor gemeentelijk archeologiebeleid. (RAAP-rapport 1951) Weesp. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Tichelman, G., 2016: Romeinse tijd in Limburg. Een actuele kennisstand van de Romeinse tijd in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013. Provincie Limburg, Maastricht. Verhart, L. 2016: De Vroege-Prehistorie in Limburg. Een actuele kennisstand van de VroegePrehistorie in Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2013.
Provincie Limburg, Maastricht. Verhoeven, M., G.R. Ellenkamp & D.M.G. Keijers, 2010a: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport I: Samenvatting en aanbevelingen. (RAAP-rapport 1951) Weesp. Verhoeven, M., G.R. Ellenkamp & D.M.G. Keijers, 2010b: Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren. Deelrapport II: Landschap en archeologie. (RAAP-rapport 1951) Weesp. Vos, P. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). (Deltares) Utrecht. Vos, P., M. Meulen, H. van Weerts, J. Bazelman, B. Hoogendoorn & M. van der Meulen, 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam: Prometheus. Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000. Water, A. van de & J. Schotten, 2021: De Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Een actuele kennisstad voor Limburg aan de hand van archeologisch onderzoek tussen 2007 en 2017. Provincie Limburg, Maastricht.
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 33 van 36
BRONNEN Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’; internetsite, augustus 2022. https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm AHN; internetsite, augustus 2022. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, augustus 2022. https://archis.cultureelerfgoed.nl Archieven; internetsite, augustus 2022. https://www.archieven.nl/nl/ Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; internetsite, augustus 2022 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemkundig Informatie Systeem (BIS) Nederland, internetsite, augustus 2022. http://maps.bodemdata.nl/ Bodemloket, internetsite, augustus 2022. http://www.bodemloket.nl Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg; internetsite, augustus 2022. https://www.limburg.nl/Beleid/Cultuur/Erfgoed/Monumenten/Cultuurhistorische_Waardenkaart Data Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, augustus 2022. https://easy.dans.knaw.nl/ui/home Kadaster, Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG); internetsite, augustus 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/1c0dcc64-91aa4d44-a9e3-54355556f5e7. Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, augustus 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/ff9315c8-f25a4d01-9245-5cf058314ebf.
Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, augustus 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-c6cf-4a94-85137370867ad32e. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, augustus 2022. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a584761-a809-b4c5d90dcd35. Kadaster Topotijdreis; internetsite, augustus 2022. http://www.topotijdreis.nl/ Nationaal Archief; internetsite, augustus 2022. http://www.gahetna.nl/
PvE 19834.001 versie C1
Pagina 34 van 36
NGR/Wageningen Environmental Research (2018), ‘BRO - Bodemkaart van Nederland 1:50.000’ internetsite, augustus 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6 AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen Environmental Research (2019) ‘BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50:000’, internetsite, augustus 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26a444-7616e1d888f0. Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, augustus 2022. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, augustus 2022. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, augustus 2022. https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, augustus 2022. https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F15 3C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Ruimingskaart; internetsite, augustus 2022. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, augustus 2022. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, augustus 2022. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/