CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting-Bijlage 5 (pve)

Gemeenteraad 24 april 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Stedelijk gebied, partiële herziening Kasteel Ter Borchstraat Roosteren’16.838 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

PROGRAMMA VAN EISEN KASTEEL TER BORCHSTRAAT 1, 3, 3A EN 5 TE ROOSTEREN GEMEENTE ECHT-SUSTEREN

Programma van Eisen Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente Echt-Susteren

Opdrachtgever

MIBA Bouwmanagement Postbus 171 5720 AD Asten

PvE nummer

19834.001

Versienummer

C1

Status

Concept

Datum

9 augustus 2022

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heer dr. A.C. Mientjes (Senior KNA-archeoloog)

Paraaf

Autorisatie

De heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA-archeoloog)

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5

Projectnaam

Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 Roosteren

Plaats binnen archeologisch proces ● IVO - Proefsleuven (IVO-P) met een mogelijke ‘directe doorstart’ naar een opgraving o IVO - Overig (IVO-O) o Opgraven o IVO-P - variant archeologische begeleiding ● Opgraven - variant archeologische begeleiding Opsteller

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Auteur

De heer dr. A.C. Mientjes Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 M: 06-40752031 E: mientjes@econsultancy.nl

09-08-2022

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

paraaf

MIBA Bouwmanagement Postbus 171 5720 AD Asten Contactpersoon: De heer C. Heemels T: 0493-690184 E: cyrielheemels@miba-asten.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

Paraaf

● Gemeente

Gemeente Echt-Susteren Nieuwe Markt 55 o Provincie 6101 CV Echt Postbus 450 o Rijk 6100 AL Echt o Overig Contactpersoon: Mevrouw M.P.A.P. Stokbroekx o RCE1 bij beschermd monument, projectvergunning, als advi- T: 0475-478462 E: Marielle.Stokbroekx@servicecentrum-mer.nl seur bij Grote Projecten Kennisgeving Depothouder /eigenaar

Naam, adres, telefoon, e-mail Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg Bezoek- en postadres:

1

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Econsultancy Programma van Eisen

De Vondst - Provinciaal Archeologisch Depot Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen Contactpersoon: De heer drs. S.J.J. Kusters T: 043-3897049 M: 06-52720731 E: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 2

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 3

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 3 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................... 8 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 3 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................ 6 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................................... 6 Structuren en sporen ........................................................................................................ 6 Anorganische artefacten ................................................................................................... 6 Organische artefacten ...................................................................................................... 6 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten........................ 7 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................... 7 Gaafheid en conservering ................................................................................................ 8

Doelstelling ....................................................................................................................... 8 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................... 8 Vraagstelling ..................................................................................................................... 9 Onderzoeksvragen ........................................................................................................... 9 5.4.1 Algemeen ........................................................................................................... 9 5.4.2 Gaafheid en conservering van de vindplaats(en)............................................. 10 5.4.3 Periode en sites ................................................................................................ 10 5.4.4 Landschap en bodem ....................................................................................... 11 5.4.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek ............................................................ 11 Aanbeveling .................................................................................................................... 11

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 11 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14 6.15

Strategie ......................................................................................................................... 11 Methoden en technieken ................................................................................................ 12 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 14 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 15 Lichten ............................................................................................................................ 16 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 17 Anorganische artefacten ................................................................................................. 17 Organische artefacten .................................................................................................... 18 Archeozoölogische, archeobotanische resten en fysisch-antropologische resten ......... 18 Overige resten ................................................................................................................ 19 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal ..............................................

19 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek ........................................ 19 Bouwstenen .................................................................................................................... 19 Complexiteit .................................................................................................................... 20 Beperkingen.................................................................................................................... 20 19834.001

7

EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING ................................................................. 20 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10

8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 24 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept) eindrapport ..................... 24 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 24 Inhoud standaardrapport ................................................................................................ 24 Kwaliteit .......................................................................................................................... 25 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 26

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 26 9.1 9.2 9.3

10

Evaluatiefase .................................................................................................................. 20 (De)selectie van vondstmateriaal en monsters .............................................................. 21 Technische uitwerking evaluatiefase .............................................................................. 21 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen ..................................................................... 22 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 22 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 22 Anorganische artefacten ................................................................................................. 22 Organische artefacten .................................................................................................... 23 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 23 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 24

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 26 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 26 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 26

DEPONERING .......................................................................................................................... 27 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 27 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 27 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 27

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 28 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 29 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 28 Overlegmomenten .......................................................................................................... 28 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 29 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 29

Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 29 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 30 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 30 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 30

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 30 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 30 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 31 13.3 Ontplofbare oorlogsresten (OO) en veldgraven ............................................................. 31

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 32 BRONNEN .......................................................................................................................................... 34

19834.001

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

19834.001

Provincie

Limburg

Gemeente

Echt-Susteren

Plaats

Roosteren

Toponiem

Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5

Kadastrale gegevens

Gemeente Roosteren, sectie G, perceelnummers 3 (gedeeltelijk), 12, 627, 693 en 694

Kaartbladnummer

68 B (1:25.000)

Centrum x,y–coördinaat

X : 185.157 / Y: 343.634

Archeologische verwachtings- en AMK-terrein: terrein van hoge archeologische waarde, beleidsadvieskaart voor de historische kernen gemeente Echt-Susteren2 CMA/AMK-status

Terrein van hoge archeologische waarde, historische dorpskern Roosteren

Archis-monumentnummer

16585

Archis-waarnemingsnummer

N.v.t.

Oppervlakte plangebied3

Circa 4.650 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied4

Circa 4.650 m2

Huidig grondgebruik

Horecagelegenheid (bebouwing) aan zuidzijde en tuin (grasland en enkele struiken en bomen) in centrale en noordelijke deel van het plangebied

Voorgenomen bodemingrepen

Nieuwbouw (woningen)

NAP-hoogte maaiveld

Tussen de circa 28,70 en 30,24 meter +NAP

Grondwatertrap

VIII

2 Verhoeven e.a., 2010a en 2010b. 3 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 4 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 1 van 36

2 2.1

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding

Op de planlocatie, aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren in de gemeente EchtSusteren, zal nieuwbouw (woningen) worden gerealiseerd, waarbij tevens de bestaande bebouwing tegen de Kasteel ter Borchstraat in het zuidelijke deel van het plangebied zowel boven- als ondergronds zal worden gesloopt. Voor genoemde ontwikkelingsplannen is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Het plangebied waarbinnen de ontwikkelingsplannen gestalte zullen krijgen heeft een oppervlakte van circa 4.650 m 2. Het onderzoek komt voort uit het gemeentelijk selectiebesluit om in te stemmen met het door Aeres Milieu B.V. gegeven advies voor een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, en een opgraving - variant archeologische begeleiding. 2.2

Motivering

In april 2022 is door Aeres Milieu B.V. een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, IVO-Overig (verkennende fase), uitgevoerd ten aanzien van het plangebied uitgevoerd.5 Bij het bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum laag en hoog voor de perioden lopende vanaf het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Uit de resultaten van inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig, zie figuur 4), blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor op sterk zandige klei (oude rivierklei) op grof zandige en grindige Maasafzettingen. De oude rivierklei is waarschijnlijk tussen circa 8.000 en 2.950 jaar geleden afgezet. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de archeologische verwachting zoals deze in het bureauonderzoek is opgesteld deels bijgesteld is. Na het verkennend booronderzoek is een lage archeologische verwachting toegekend aan het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Midden-Bronstijd en een hoge archeologische verwachting aan de Late-Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd. Op grond van de resultaten van het bureau- en verkennend booronderzoek heeft Aeres Milieu B.V.

geadviseerd om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, en een opgraving - variant archeologische begeleiding. 2.3

Besluit

De gemeente Echt-Susteren als bevoegde overheid heeft besloten om een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te laten voeren ter plaatse van de niet-bebouwde zone in het centrale en noordelijke deel van het plangebied. Tevens is besloten dat een vervolgonderzoek ter plekke van de te slopen bestaande bebouwing in het zuidelijke dele van het plangebied, tegen de Kasteel ter Borschstraat aan noodzakelijk is in de vorm van een opgraving - variant archeologische begeleiding. Dit houdt in dat alle sloop- en graafwerkzaamheden beneden het maaiveld archeologisch begeleid dienen te worden, waarbij de archeologie leidend is. De zone waarbinnen het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden heeft een oppervlakte van circa 3.200 m2 en de zone waarbinnen de opgraving - variant archeologische begeleiding uitgevoerd dient te worden heeft een oppervlakte van circa 1.450 m2.

5 Kruithof & Van den Blink, 2022.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 2 van 36

Wanneer behoudenswaardige archeologische resten worden aangetroffen en deze ex situ behouden dienen te blijven zal een archeologische opgraving uitgevoerd moeten worden. Er dient rekening gehouden te worden met een ‘directe doorstart’ naar het opgraven van een deel of delen van het plangebied waar zich behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Dit impliceert dat tijdens het veldwerk een overleg met de bevoegde overheid plaatsvindt, waarin de waardering en selectie van de eventueel aanwezige vindplaats en de te vervolgen onderzoeksstrategie besproken worden. Hierop kan direct een selectiebesluit genomen worden en overgegaan worden tot het opgraven van (delen van) het onderzoeksgebied. Alle archeologische sporen worden dan in principe opgegraven en gedocumenteerd, tenzij anders wordt besloten. Er dient uitgegaan te worden van één (dit) Programma van Eisen (dat zo nodig wordt aangevuld), één veldonderzoek en één (eind)rapport met betrekking tot zowel de locatie van de nieuw te realiseren woning als die van de te slopen bestaande bebouwing. Hiermee worden zowel kosten als tijd bespaard. De archeologisch uitvoerder dient in zijn planning rekening te houden met deze mogelijke ‘directe doorstart’ naar een opgraving en een uitloop van de werkzaamheden.

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek

Uitvoerder

Aeres Milieu B.V.

Uitvoeringsperiode

April 2022

Rapportage

Kruithof, L. & F. van den Blink, 2022: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5 te Roosteren (gemeente Echt-Susteren). (Aeres Milieu projectnummer AM22100) Roermond.

Bewaarplaats vondsten/documentatie

Aeres Milieu B.V., Roermond

4 4.1

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context

Locatie, recente ingrepen en verstoringen De onderzoekslocatie (± 4.650 m²) ligt aan de Kasteel ter Borchstraat 1, 3, 3a en 5, aan de zuidelijke rand van de bebouwde kom van Roosteren, en direct ten noorden van de provinciale weg (N296), in de gemeente Echt-Susteren. De onderzoekslocatie staat kadastraal bekend als gemeente EchtSusteren, sectie G, perceelnummers 12, 627, 693 en 694. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 68 B, (schaal 1:25.000), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van tussen de circa 28,70 en 30,30 meter +NAP en zijn de coördinaten van de onderzoekslocatie X = 185.157 / Y = 343.634. De aanvrager is voornemens om de bestaande bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied, tegen de Kasteel ter Borchstraat, boven- en ondergronds te slopen en om vervolgens nieuwbouw (woningen) binnen het gehele plangebied te realiseren. In het zuidelijke deel van het plangebied is bebouwing aanwezig, tegen de Kasteel ter Borchstraat aan en de provinciale weg (N296) (zie figuur 3). Deze bebouwing is als horecagelegenheid in gebruik

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 3 van 36

(Herberg de Tramhalte). In het centrale en noordelijke deel van het plangebied is een tuin aanwezig, bestaande uit grasland en enkele bomen en struiken. In deze paragraaf worden in hoofdlijnen de resultaten en het gespecificeerde verwachtingsmodel gepresenteerd van het in april 2022 door Aeres Milieu B.V. uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig). Voor een gedetailleerde uiteenzetting wordt verwezen naar de rapportage van het vooronderzoek.6 Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het plangebied ligt binnen het Maasterrassengebied op het midden-terras van de Maas, op circa 950 meter ten oosten van de huidige loop van de Maas. In de ondergrond bevinden zich fluviatiele afzettingen bestaande uit grof zand en grind die een dikte hebben van tot circa 20 meter en afgedekt worden door een 1 tot 3 meter dikke sterk zandige leemlaag (code Be1). Deze fluviatiele afzettingen van de Maas rondom het plangebied worden gerekend tot het Laagpakket van Oost-Maarland, Formatie van Beegden, en zijn in het Weichselein (laatste ijstijd van het Pleistoceen, circa 116.000 tot 11.700 jaar geleden) en het Holoceen (circa 11.700 jaar geleden tot heden) gevormd.

Op de Geomorfogentische kaart Maasvallei is het plangebied gesitueerd op een terrasvlakte onbepaald (T) met oeverdek (zie figuur 5).7 Op de Geomorfologische kaart van Nederland is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Roosteren, maar op basis van extrapolatie vanuit het zuiden lijkt het plangebied naar alle waarschijnlijkheid te liggen binnen een dalvlakteterras (code E44) (zie figuur 6). Op circa 300 meter ten westen van het plangebied is een restgeul van de Maas (code R43) aanwezig. Volgens het door Aeres Milieu B.V. in april 2022 uitgevoerde vooronderzoek lijkt het plangebied te liggen op een hoog gelegen Maasdalvlakte gevormd in het Holoceen.8 Deze geomorfologische situatie lijkt bevestigd te worden door de situering van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (zie figuur 7). 9 Volgens de Bodemkaart van Nederland (schaal 1:50.000) is het westelijk deel van het plangebied gekarteerd als ooivaaggronden (code KRd7) binnen een gebied van oude rivierkleigronden van de Maas (zie figuur 8). Bij vaaggronden heeft er nog weinig tot geen bodemvorming plaats gevonden, omdat het relatief jonge sedimenten betreft. De bovenste laag van de ooivaaggronden (circa bovenste 50 à 60 centimeter) heeft in de regel een egaal bruine kleur als gevolg van homogenisatie door bodemvorming en bioturbatie.

Hierdoor is het vaak moeilijk om vast te stellen in hoeverre de bodemopbouw nog intact en is en als gevolg of archeologische waarden nog in situ aanwezig (kunnen) zijn. Wel kan gesteld worden dat ooivaaggronden vaak voorkomen op de hoger gelegen, goed ontwaterde Maasterrassen uit het Laat-Weichselein, waar de kleibodem is gerijpt, structuurvorming en de vorming van een (zwak) humushoudende bovengrond heeft plaatsgevonden. Regionale archeologische context Volgens de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Echt-Susteren ligt het plangebied binnen een AMK-terrein: terrein van hoge archeologische waarde, historische kernen (zie figuur 9).10 Volgens het bestemmingsplan Stedelijk gebied Echt-Susteren (onherroepelijk vastgesteld 2016-0526) is op het plangebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 van toepassing.11 Dit bete6 Kruithof & Van den Blink, 2022. 7 Isarin e.a., 2015. 8 Kruithof & Van den Blink, 2022. 9 AHN. 10 Verhoeven e.a., 2010a en 2010b.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 4 van 36

kent dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m 2 en dieper dan 40 centimeter beneden het maaiveld archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied ligt binnen een archeologisch monument met AMK-nummer 16585 (zie figuur 10). Dit AMK-terrein hangt samen met de oude de dorpskern van Roosteren. In dit gebied kunnen archeologische (bewonings)resten aanwezig zijn uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (Archis3) staan binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied dertien vindplaatsen geregistreerd (zie figuur 10).12 Het betreft vondsten die in de perioden Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd gedateerd kunnen worden. Meer specifiek gaat het om vuurstenen vondsten uit het Mesolithicum en Neolithicum, bronzen kokers uit de Bronstijd, glazen kralen, een La Tène armband en aardewerk uit de IJzertijd, aardewerk en een brandgraf aan de Echterstraat uit de Romeinse tijd, een vroegmiddeleeuws graf, en aardewerkfragmenten uit de (Late-)Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Deze vindplaatsen zijn hoofdzakelijk aangetroffen bij niet-archeologische bodemingrepen, aangezien in de omgeving van het plangebied slechts enkele archeologische bureauonderzoeken en veldkarteringen en karterende booronderzoeken in het verleden zijn uitgevoerd.

Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken De eerste schriftelijke vermeldingen van de nederzetting Roosteren dateren uit de LateMiddeleeuwen. Het gaat om de namen Rustern (1201), Rosusterne (1233), Rosusteren (1247), villaRususteren (1277) en Roestere (1300). Deze benamingen verwijzen naar de oude benaming voor de Rode Beek (Susteren) met een toevoeging Ro- of Ru-. Tot circa 1795 behoorde het dorp tot het Ambt Monfort binnen het Gelders Overkwartier. De naam Roosteren behoorde eerst tot een nederzetting meer richting het oosten van de huidige dorpskern. In de 19 e eeuw is de naam overgedragen naar het voormalige Schettereind. Hier werd in 1843 een nieuwe parochiekerk gerealiseerd. De oorspronkelijke nederzetting draagt nu de naam Oud-Roosteren. Onderhavig plangebied ligt aan de zuidgrens van de dorpskern van het voormalige Schettereind. Er zijn enige historische aanwijzingen voor bombardementen en beschadigingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in en rondom Roosteren en het neerstorten van een Duits vliegtuig bij de Maasbrug. Echter tot op het zijn geen oorlogsresten en munitie aangetroffen ter plekke van het plangebied. 13 Volgens het Kadastrale Minuutplan uit 1811 - 1832 is reeds aan het begin van de 19e eeuw bebouwing aanwezig in het zuidelijke deel van het plangebied tegen de toen al bestaande Kasteel ter Borchstraat (zie figuur 11).

Deze bebouwing lijkt te bestaan uit een carréboerderij. Volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT) behorende bij het Kadastrale Minuutplan waren de percelen binnen het plangebied in gebruik als huis, tuin, boomgaard en gebouw. Het plangebied ligt dan ook binnen een gebied aangeduid met de toponiem ‘De Borg’. Dit toponiem verwijst naar het Kasteel ter Borch welke op een afstand van circa 180 meter ten zuiden van het plangebied is gelegen, en van oorsprong uit de 16e eeuw stamt. De carréboerderij uit het begin van de 19e eeuw is rond 1900 grotendeels vervangen door andere bebouwing (zie figuur 11). Op de topografische kaart uit 1950 is deze bebouwing verder aangepast (zie figuur 11), hoewel een deel van de huidige bebouwing nog dateert uit 1885 (huisnummer 3a), 1900 (huisnummer 5) en 1932 (huisnummer 3). Op de topografi-

11 Portaal voor ruimtelijke plannen. 12 De betreffende dertien vindplaatsen zijn geregistreerd met de volgende Archis3 zaakidentificatienummers: 2029677100,

2142955100, 2306826100, 284801110, 3112321100, 3112379100, 3112387100, 3112395100, 3125703100, 3252290100, 3268612100, 3271739100 en 3271747100. 13 Ruimingskaart; VEO Bommenkaart.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 5 van 36

sche uit 2000 tenslotte is zichtbaar de bebouwing opnieuw is aangepast in de loop van de tweede helft van de 20e eeuw (zie figuur 11). De huidige bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied was onderdeel van de oude tramhalte in Roosteren. In 1922 werd een zijtak van de tramlijn Sittard-Roermond door het dorp gelegd, die in 1937 weer is opgeheven. Tegenwoordig zijn de gebouwen in gebruik als horecagelegenheid (Herberg de Tramhalte). 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Aard en ouderdom van de vindplaats zijn onbekend. Volgens het vooronderzoek uitgevoerd door Aeres Milieu B.V. in april 2022 is de kans op het voorkomen van archeologische waarden laag voor de perioden (Laat-)Paleolithicum tot en met Midden-Bronstijd en hoog voor de perioden Late-Bronstijd tot en met Nieuwe tijd. 4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van circa 4.650 m2 (totale oppervlakte van het plangebied). 4.4

Structuren en sporen

Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning in het plangebied terug kunnen gaan tot in de Late-Bronstijd. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit akkerlagen, nederzettingssporen, infrastructuur (wegen, voorden en bruggen), grafvelden en rituele plaatsen en depots. De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/of waterputten, afvalkuilen en perceelscheidingen. 4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals been, dierlijk en menselijk botmateriaal, hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterspiegel dieper is dan 120 centimeter beneden het maaiveld en

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 6 van 36

de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de laagste grondwaterspiegel hoger is dan 120 centimeter beneden het maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Vanwege de lage grondwaterstand (grondewatertrap VIII)14 binnen het gehele plangebied worden de conserveringsomstandigheden voor organisch materiaal als slecht gewaardeerd. Organisch materiaal is als gevolg mogelijk alleen redelijk tot goed geconserveerd in diep ingegraven sporen. 4.7

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de lage grondwaterspiegel (grondwatertrap VIII) binnen het gehele plangebied is het waarschijnlijk dat organisch materiaal slecht is geconserveerd. Organisch materiaal kan mogelijk wel redelijk tot goed geconserveerd zijn in diep ingegraven sporen. 4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Het inventariserende veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uitgevoerd in april 2022 door Aeres Milieu B.V. heeft de volgende bodemopbouw vastgesteld ter plekke van het plangebied.15 Op een diepte van tussen de 1,55 en 2,50 meter beneden het maaiveld is matig grof, bruinbeige tot grijsbruin zand met grind en roest en in een enkele boring ook sterk zandig grind aangetroffen. Dit grof zandige en grindige pakket betreft fluviatiele of meer precies beddingafzettingen van de Maas behorende tot de Laagpakket van Oost-Maarland, Formatie van Beegden, waarschijnlijk gevormd in het Laat-Weichselien en Vroeg-Holoceen. Hierop zijn meerdere zwak tot sterk zandige kleipakketten aanwezig. Het onderste kleipakket is roesthoudend en grijsbruin tot oranjebruin van kleur. Het bovenste kleipakket met een dikte van tussen de circa 60 en 90 centimeter is veelal humeus, sterk zandig, en donker grijsbruin. Binnen dit bovenste kleipakket waren inclusies aanwezig van houtskoolspikkels, baksteenspikkels en -brokjes, en kolengruis. Bij de boringen in het zuidelijke deel van het plangebied, nabij de bebouwing, zijn inclusies, met name baksteenfragmenten, tot grotere diepte waargenomen. Volgens het vooronderzoek kunnen de kleipakketten als oude rivierklei geïnterpreteerd worden dat is afgezet tussen circa 8.000 en 2.950 jaar geleden.

Als gevolg zouden archeologische resten uit de Late-Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd aanwezig kunnen zijn ter plekke van het plangebied (hoge verwachting). Deze resten zouden direct vanaf het maaiveld aanwezig kunnen zijn. Het kan echter niet uitgesloten worden dat de kleiafzettingen van de Maas van een nog jongere datum zijn dan de Late-Bronstijd.

14 Bij grondwatertrap VIII ligt de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG) beneden de 140 centimeter beneden het maaiveld

en de gemiddeld laagste grondwatertrap (GLG) beneden de 160 centimeter beneden het maaiveld. 15 Kruithof & Van den Blink, 2022.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 7 van 36

4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Bij het vooronderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden die wijzen op grootschalige bodemverstoringen. Daarnaast lijken natuurlijke erosieprocessen en als gevolg aantasting en/of afdekking van de oorspronkelijke bodemopbouw door overstromingen van de Maas ook geen wezenlijke rol gespeeld te hebben sinds de Late-Bronstijd. Eventueel aanwezig organisch vondstmateriaal - archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten - zal uitgaande van de bekende grondwatertrap naar alle waarschijnlijkheid slecht geconserveerd zijn binnen het plangebied. Organische resten kunnen wel redelijk tot goed geconserveerd worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen zoals water- en beerputten. Gezien de historische bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied, waar aan het begin van de 19 e eeuw reeds een carréboerderij aanwezig was, wordt de kans op de aanwezigheid van dergelijke sporen als aanzienlijk beschouwd.

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

Doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van archeologische waarden. Doel van de opgraving - variant archeologische begeleiding is een inventarisatie, karakterisering en documentatie van de aan- en afwezigheid van archeologische waarden in een door een nietarcheologische bodemverstorende activiteit te verstoren gebied. Hiermee wordt inzicht gekregen in de archeologische betekenis van het gebied en vindt een registratie van de aangetroffen/of afwezige waarden plaats. Er wordt alleen onderzoek gedaan binnen de voor de ondergrondse sloopwerkzaamheden geplande ontgravingsdiepte en -oppervlakte. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Limburg zandgebied.16 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 2. 5. 6. 7. 8. 9.

De dynamiek van het Nederlandse landschap Sociale en economische differentiatie Emigratie, immigratie, acculturatie De archeologie van het rituele Conflictarcheologie Dodenbestel en grafmonumenten

16 http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/nationale-onderzoeksagenda-archeologie-20.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 8 van 36

10. 11. 12. 13. 14. 16. 17. 18. 20. 21. 22. 23.

De vroegste bewoning van Nederland Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) De verankering van het boerenbestaan De rol van natuurlijke voedselbronnen na de introductie van de landbouw Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen ‘Frankisering’ en kerstening Dorpsvorming De relatie stad - platteland De dynamiek van het landgebruik Mens - materiële cultuurrelaties Netwerken en infrastructuur

Beleidsplatform Erfgoed Limburg17 De Provincie Limburg heeft de archeologische kennisstand, kennislacunes en kenniswinst laten onderzoeken op basis van onderzoeksrapporten vervaardigd tussen 2007 en 2013. 18 In 2007 was reeds een kennisstand opgemaakt op basis van onderzoeken uitgevoerd tussen 1995 en 2006. Om de opgedane archeologische kennis te synthetiseren zijn tussen 2017 en 2021 vier rapporten gepubliceerd die samen een actueel overzicht geven van de kennis per periode, per thema en per landschap. 19 De syntheserapporten beslaan de Vroege-Prehistorie, Late-Prehistorie, Romeinse tijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De komende jaren wensen Provincie en gemeenten, samenwerkend in het Beleidsplatform Erfgoed Limburg, te werken aan het actueel houden van de opgedane kennis. In dat kader worden de syntheserapporten verbonden aan elk gravend archeologisch onderzoek in de Provincie Limburg. In dit kader dienen bij gravende onderzoeken binnen de Provincie Limburg de onderstaande vragen behandeld te worden. • Heeft het onderhavige onderzoek een bijdrage geleverd aan de kennisstand archeologie zoals weergegeven in de provinciale synthese uit 2017 en het nu beschikbare rapport over de Middeleeuwen en Nieuwe tijd? • Welke nieuwe inzichten heeft het onderzoek in dat opzicht opgeleverd en op welk vlak (periode, gebied, thema)? 5.3

Vraagstelling

De vraagstelling betreft het toetsen van de archeologische verwachting en het (vervolgens) ex situ veilig stellen van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. Bij het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, en de opgraving - variant archeologische begeleiding dienen minimaal de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1 Algemeen 1. Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zijn er bijvoorbeeld nog archeologische resten aanwezig van de historische bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied zoals de carréboerderij weergegeven op het Kadastrale Minuutplan uit het begin van de 19 e eeuw? 2. Zo ja, wat is de aard, omvang, ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? 3. Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig? 17 http://www.erfgoedbeleidlimburg.nl/. 18 Meurkens & Tol, 2016; Tichelman, 2016; Verhart, 2016; Van de Water & Schotten, 2021. 19 https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/archeologie/arch-onderzoek/.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 9 van 36

4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.

Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaats kunnen de archeologische kennis van de regio en Roosteren aanscherpen? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats (licht dit toe)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? Is er een verwachting dat buiten de te onderzoeken zones nog resten van de vindplaats aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysieke en inhoudelijke kwaliteit daarvan? Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Is vervolgonderzoek noodzakelijk en welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden? Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten?

5.4.2 Gaafheid en conservering van de vindplaats(en) 14. In welke lagen, zones of gebieden bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? 15. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? 16. In welke mate is het onderzoeksgebied verstoord? De mogelijke aanwezige vindplaats worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 5.4.3 Periode en sites Dit aspect van het onderzoek richt zich op de aard, ouderdom, omvang en andere archeologische kenmerken van de vindplaats.20 Hieruit zijn de volgende vragen afgeleid: 17. Welke en hoeveel sites zijn ter plekke van het plangebied te herkennen? 18. Wat is per archeologische site: o de ligging (inclusief diepteligging) o de geologische en/of bodemkundige eenheid o de omvang (inclusief verticale dimensies) o het type en de functie van de sites of off-site patronen o de samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia)? 19. Wat is, indien aanwezig: o de ouderdom van de cultuurlaag o de vondst- en spoordichtheid o de stratigrafie voor zover aanwezig o de ouderdom, periodisering en typechronologische classificatie? 20.

Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.? 21. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat?

20 De volgende definities worden gehanteerd: een vindplaats is een gebied, waarvan de grenzen zowel door archeologische

als niet-archeologische factoren bepaald kunnen zijn, waarbinnen archeologische fenomenen, ongeacht datering of complextype, zijn waargenomen. Een site is een ruimtelijk af te grenzen, specifiek te omschrijven archeologisch functioneel complex met een specifieke datering. Binnen een vindplaats kunnen zich meerdere sites bevinden.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 10 van 36

22. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 23. Kunnen meerdere gebruiksfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? 24. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? 5.4.4 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 25. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? 26. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaats? 27. Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 28. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.5 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek.

De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving - variant archeologische begeleiding. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase en de opgraving - variant archeologische begeleiding dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: - behoud in situ; - definitieve opgraving (alleen na proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase); - vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Echt-Susteren als bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase, en een opgraving - variant archeologische begeleiding. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het veldonderzoek moet inzicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het veldwerk uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgs zandgebied. In het veld worden de werkzaamheden uitgevoerd door deze Senior KNA-archeoloog, bijgestaan door minimaal een (KNA-)archeoloog/veldtechnicus.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 11 van 36

Deze team samenstelling dient gedurende de volledige duur van zowel bij het proefsleuvenonderzoek als de opgraving - variant archeologische begeleiding gehanteerd te worden. In eerste instantie zal de opgraving - variant archeologische begeleiding bij de sloopwerkzaamheden beneden het maaiveld van de bebouwing in het zuidelijke deel van het plangebied worden uitgevoerd (zie figuur 12). De gehele zone die in het kader van de civieltechnische sloop- en graafwerkzaamheden beneden het maaiveld verstoord zal worden, zal tot de maximaal geplande verstoringsdiepte onderzocht worden. Dit betreft een oppervlakte van circa maximaal 1.450 m 2. Het archeologisch onderzoek zal leidend zijn voor de sloop- en graafwerkzaamheden beneden het maaiveld. Dit houdt in dat archeologisch leesbare vlakken dienen te worden aangelegd tot aan de maximale verstoringsdiepte. Alle aangetroffen archeologische sporen en vondsten (van vóór 1946) dienen volledig te worden onderzocht en gedocumenteerd, behoud ex situ, voordat deze in het kader van de civieltechnische sloop- en graafwerkzaamheden weggegraven worden. Aansluitend zal het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, worden uitgevoerd in het centrale en noordelijke niet-bebouwde deel van het plangebied. In totaal zullen drie proefsleuven van 25 bij 4 meter worden aangelegd, met een totale oppervlakte van 300 m 2 (zie figuur 12).

Hiermee wordt circa 9% van het totale oppervlak van het niet-bebouwde deel van het plangebied (circa 3.200 m2) onderzocht. Ter aanvulling kan, na overleg met en toestemming van de bevoegde overheid, maximaal 20 m2 extra aan proefsleuf/proefsleuven worden ingezet. Dit kan bijvoorbeeld zijn om een (behoudenswaardig) archeologisch spoor volledig vrij te leggen of een eventueel aanwezige vindplaats nauwkeurig te begrenzen en/of te waarderen. Mocht tijdens het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, of de opgraving variant archeologische begeleiding een vindplaats worden aangetroffen dan dient er overleg plaats te vinden met de gemeente Echt-Susteren als bevoegde overheid over een mogelijke ‘directe doorstart’ naar een opgraving. Wanneer de vindplaats behoudenswaardig is, dient deze opgegraven te worden. Dit houdt in dat alleen het gedeelte in het onderzoeksgebied waar de vindplaats zich bevindt wordt opgegraven, waarbij alle aangetroffen archeologische waarden (sporen van vóór 1946) volledig worden gedocumenteerd en ex situ worden behouden. Dit betekent dat er rekening mee gehouden moet worden dat bij het aantreffen van een bepaald complex, de onderzoeksvragen uit het hier nu voorliggende Programma van Eisen aangevuld moeten worden specifiek gericht op de aard en ouderdom van de aangetroffen vindplaats. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. In het Plan van Aanpak dienen voor zowel het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, als de opgraving - variant archeologische begeleiding minimaal de volgende aspecten te worden opgenomen. - Vooraf dient een toolboxmeeting te worden georganiseerd met de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de civieltechnisch uitvoerder. Bij de toolboxmeeting worden de details van de werkzaamheden besproken en afgestemd, en worden de strategie en planning van het archeologisch onderzoek bepaald. - Het archeologisch onderzoek is leidend bij de uitvoering van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 12 van 36

Op aanwijzingen van de Senior KNA-archeoloog zal laagsgewijs ontgraven worden tot het archeologisch “leesbaar” vlak of vlakken. Vooraf wordt met een boor een aantal sonderingen uitgevoerd om het niveau van het archeologisch vlak of vlakken vast te stellen. - Het vlak binnen de zone van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden wordt dusdanig aangelegd dat er niet met de graafmachine en/of vrachtwagens over het archeologisch vlak gereden hoeft te worden. - Op het moment dat een archeologisch “leesbaar” vlak is aangelegd, dient de archeologisch uitvoerder voldoende tijd te krijgen om het veldwerk uit te voeren. - Na het vrijleggen en de documentatie van het archeologisch vlak binnen zowel de zone van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden als de proefsleuven wordt een overleg georganiseerd tussen de archeologisch uitvoerder, opdrachtgever en de bevoegde overheid. Op basis van de vlakinformatie wordt bepaald wat de verder te volgen strategie zal zijn. In principe dient te worden uitgegaan van het opgraven en documenteren van alle archeologisch relevante resten (“directe doorstart” naar een opgraving). - Pas nadat het terrein archeologisch is vrijgegeven door de bevoegde overheid, kunnen de civieltechnische (graaf)werkzaamheden worden voortgezet.

• Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-nr. (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer). • Het definitieve Programma van Eisen wordt door de archeologisch uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. -

Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Het graafwerk wordt in principe uitgevoerd door een machinist die aantoonbare ervaring heeft met archeologisch werk binnen het Limburgs zandgebied. Indien deze niet voorhanden is dient de machinist extra goed geïnstrueerd en continu begeleid te worden door de Senior KNA-archeoloog. • Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • Tijdens het veldwerk worden de volgende zones onderzocht. - Opgraving - variant archeologische begeleiding: een zone met waarschijnlijk een maximale oppervlakte van circa 1.450 m2 waarbinnen de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden worden uitgevoerd zal worden onderzocht. - Proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase: een oppervlakte van circa 300 m2 zal worden onderzocht middels drie proefsleuven van 25 bij 4 meter. • Binnen de zone van de ondergrondse sloop- en graafwerkzaamheden en in de proefsleuven zal de ondergrond laagsgewijs verdiept worden totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd.

• Er wordt in principe uitgegaan van de aanleg van één vlak beneden de bouwvoor in de top van de natuurlijke afzettingen (Maasafzettingen: oude rivierklei). Het kan echter niet uitgesloten worden dat meerdere vlakken dienen te worden aangelegd. • Voordat er verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn. • In verband met de mogelijkheid dat de mogelijk aanwezige vindplaats behouden blijft, ex situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Deze zullen pas volledig worden onderzocht in het geval van een vervolgonderzoek in de vorm van een ‘directe doorstart’ naar een opgraving, of indien mogelijk in situ behouden blijven.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 13 van 36

• Er worden foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder het terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt. • Van de vlakken worden foto’s gemaakt in secties. • De algemene velddocumentatie bestaat uit de registratie en documentatie van de werkzaamheden in het veld, met name de administratieve zijde daarvan. Dit omvat tevens het digitale gegevensbeheer van de velddocumentatie. De spoorformulieren worden ingevoerd zodat een database ontstaat van de primaire veldgegevens. • Tijdens het onderzoek wordt voldoende materiaal met diagnostische kenmerken verzameld om een uitspraak te kunnen doen over de datering, de eventuele fasering en de conserveringstoestand van de bodemlagen. • Vondsten gedaan bij de aanleg van het vlak worden in vakken van 2 bij 2 meter per bodemlaag verzameld. • Vondsten afkomstig van en uit sporen, worden per spoor en vulling geregistreerd. • Stortvondsten worden onder een vondstnummer verzameld. Hierbij wordt wel een onderscheid gemaakt tussen het stort uit het bouwvak voor de nieuw te realiseren woning en de zone van de te slopen bestaande bebouwing.

• Bijzondere vondsten dienen apart te worden ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer te worden geregistreerd. • Ook bijzondere deposities binnen sporen worden afzonderlijk geregistreerd door middel van fotografie en tekening. Het materiaal zelf wordt individueel (X-, Y- en Z-waarde) en gescheiden van het overige vondstmateriaal in het spoor verzameld. • Tijdens de ontgravingswerkzaamheden wordt per haal van de graafmachine het dan voorliggende vlak met een metaaldetector gecontroleerd op de aanwezigheid van metalen voorwerpen. Dit geldt eveneens voor de uitgekomen grond. • Het discriminatieniveau van de metaaldetector dient zo laag mogelijk gehouden te worden. • De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een hierin ervaren medewerker. • Metaalvondsten in het vlak en in sporen worden als puntvondst ingemeten en onder een afzonderlijk vondstnummer geregistreerd. • Daarnaast dient de stort met een metaaldetector te worden onderzocht. • Bij het waterpassen van het vlak binnen een grid van 2 bij 2 meter, wordt ook het maaiveld direct buiten de ontgraven putten en proefsleuven meegenomen. De maaiveldhoogtes worden met een onderlinge afstand van 2 meter gemeten. • De verschillende vondstcategorieën worden zodanig verpakt, dat de conditie van het materiaal zo goed mogelijk blijft. Registratie vindt plaats op een vondstenlijst.

Registratie en inventarisatie van het vondstmateriaal gebeurt direct na afronding van het veldwerk. • Alle aanpassingen van het veldonderzoek gebeuren te allen tijde in overleg met de voor het project verantwoordelijke Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid. • Er wordt vooralsnog niet uitgegaan van specialistisch onderzoek in het veld. Indien dit noodzakelijk blijkt, dan alleen na overleg met de bevoegde overheid en de opdrachtgever. 6.3

Omgang kwetsbare vondsten en monsters

Kwetsbare vondsten en monsters dienen behandeld te worden conform OS11/OS11wb en de KNALeidraad “Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal”.

PvE 19834.001 versie C1

Pagina 14 van 36

6.4

Structuren en grondsporen

• Er dient te worden gewerkt conform KNA-specificatie OS03 t/m OS09 (opgraven). • Om de leesbaarheid te vergroten, worden sporen (en zo nodig delen van het vlak) altijd met de schep opgeschaafd. Het opgravingsvlak wordt gefotografeerd, sporen worden nauwkeurig ingekrast met een meetpin (dus niet met een schep). • De sporen worden getekend, de vlakken op schaal 1:50 en de eventuele coupetekeningen en profielen op schaal 1:20, en graven op schaal 1:10. Verder worden de sporen gefotografeerd en wordt de hoogte ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP) bepaald. De vlakken mogen ook met een GPS of Total Station getekend worden. • Sporen in het vlak worden gedocumenteerd; de geïdentificeerde sporen worden beschreven en vastgelegd in dag- en weekrapporten en op daartoe geëigende formulieren, conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). • Sporen en lagen die zowel in het vlak als in het profiel zichtbaar zijn, krijgen hetzelfde spoor- en laagnummer. • Voor een goede waardestelling en het vaststellen van de kwaliteit dienen alle aangetroffen archeologische sporen gecoupeerd te worden. De sporen worden pas afgewerkt bij een ‘directe doorstart’ naar een opgraving. Deze laatste bepaling is van toepassing op sporen aangetroffen binnen de proefsleuven. Sporen binnen de zone van de te slopen bestaande bebouwing worden te allen tijde volledig gedocumenteerd en afgewerkt.

• Sporen met een omvang groter dan 1 meter worden in kwadranten opgegraven, tenzij het bijvoorbeeld waterputten of inhumatiegraven betreft. • Greppels en geïsoleerde sporen worden gecoupeerd en gedocumenteerd. • Greppels worden in iedere werkput tegen de profielwand minstens één keer over een breedte van minstens 1 meter gecoupeerd. Daarna worden deze machinaal volledig uitgeschaafd met het oog op vondsten en om te onderzoeken of er sporen direct onder greppels aanwezig zijn. • Greppelstructuren worden aan gebruiksfasen toegewezen en waar mogelijk vergeleken met de oudste kadastrale kaarten van het gebied. • Aangetroffen graven (inhumaties/crematies) worden gedocumenteerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). De graven worden niet geborgen. Bij een vervolgonderzoek in de vorm van een ‘directe doorstart’ naar een opgraving dienen de graven echter wel geborgen te worden, in overleg met de bevoegde overheid en indien noodzakelijk een specialist. • Aangetroffen funderingen, vloeren en water- of beerputten dienen aanvankelijk behouden te blijven. Bij een vervolgonderzoek in de vorm van een ‘directe doorstart’ naar een opgraving dienen deze sporen wel volledig opgegraven te worden, indien behoud in situ niet mogelijk is. • De vulling uit de gecoupeerde sporen wordt op metaal nagezocht met de metaaldetector.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=194a6162-420e-458f-8d56-bc5cf5da0f48