CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Commissie Omgeving 13 september 2021, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Hoek Olmstraat-Haagbeukstraat te Echt18.681 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Hoek Olmstraat/ Haagbeukstraat te Echt’ Gemeente Echt-Susteren Ontwerp

Bestemmingsplan ‘Hoek Olmstraat/ Haagbeukstraat te Echt’ Gemeente Echt-Susteren Ontwerp

Rapportnummer:

P03612

IMRO-identificatienummer:

NL.IMRO.1711.BP20210164-OW01

Datum:

30 maart 2021

Projectteam BRO:

SSh, DAd

Concept:

Maart 2021

Ontwerp: Vaststelling: Trefwoorden:

Gemeente Echt-Susteren, Echt, Olmstraat, Haagbeukstraat, nieuwbouw, bestemmingsplan

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van een nieuwe woning op de hoek van Olmstraat en Haagbeukstraat te Echt.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

1. INLEIDING

3

2. GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING 2.1 Beschrijving plangebied 2.2 Beschrijving project 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten

5 5 6 6

3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid

7 7

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid

7 8 8 9 9 10

3.2.1 Ontwerp provinciale omgevingsvisie 3.2.2 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3 Regionaal beleid

10 11 13 13

3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 3.4 Gemeentelijk beleid

13 14

3.4.1 Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit 3.4.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ 3.5 Afweging beleidskader

14 15 16 17

4. ONDERZOEK 4.1 Milieuaspecten

18 18

4.1.1 Geluid verkeerslawaai 4.1.2 Bodem 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Milieuzonering 4.1.5 Externe veiligheid 4.2 Ecologie 4.3 Waterhuishouding

18 18 19 20 21 24 26

4.3.1 Beleid

Inhoudsopgave

26

1

4.3.2 Kenmerken van het watersysteem 4.4 Verkeerskundige aspecten 4.5 Kabels en Leidingen 4.6 Archeologie en cultuurhistorie

27 28 29 29

4.6.1 Archeologie 4.6.2 Cultuurhistorie 4.7 M.e.r.-plicht

29 30 32

5. PLANSTUKKEN 5.1 Toelichting op de analoge verbeelding 5.2 Toelichting op de regels

33 33 33

Inleidende regels Bestemmingsregels

33 34

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Vooroverleg 6.3 Zienswijzenprocedure

36 36 36 36

7. PROCEDURE

37

BIJLAGE: Bijlage 1: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een nieuwe woning op de hoek van de Olmstraat en de Haagbeukstraat in Echt. Het plangebied is gelegen in het noorden van de kern Echt in de gemeente Echt-Susteren. Het plangebied staat kadastraal bekend als de gemeente Echt, sectie M, nummer 2555. Op dit moment is het perceel onbebouwd.

Topografische kaart met aanduiding ligging plangebied (rode cirkel)

De locatie is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’, dat op 26 mei 2016 door de raad van de gemeente Echt-Susteren is vastgesteld. Het deel van het plangebied waar de nieuwe woning is voorzien, is gelegen binnen het bestaande bouwvlak en reeds bestemd tot ‘Wonen’. Echter is binnen deze bestemming slechts één woning toestaan ter plaatse van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – nieuwe woning’. Hierbij geldt tevens een maatvoering voor wat betreft het maximaal aantal wooneenheden (1 woning), de maximale bouwhoogte (9 meter) en de maximum goothoogte (4,5 meter). Aangezien er reeds een woning aanwezig is binnen de aanduiding, is de beoogde ontwikkeling strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.

Hoofdstuk 1

3

Leeswijzer In het volgende hoofdstuk worden de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid verwoord, die betrekking hebben op het initiatief. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de huidige situatie beschreven en komt in dit hoofdstuk tevens de toekomstige ontwikkeling aan bod. Hoofdstuk 4 beschrijft de toetsing van de milieu- en overige onderzoeksaspecten op deze locatie. In hoofdstuk 5 worden de planstukken beschreven. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op overleg en inspraak en is in hoofdstuk 7 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen.

Hoofdstuk 1

4

2.

GEBIEDS- EN PROJECTOMSCHRIJVING In dit hoofdstuk worden zowel het gebied waar de ontwikkeling plaats gaat vinden als het project zelf beschreven. Tevens wordt ingegaan op de stedenbouwkundige en ruimtelijke effecten van het project.

2.1 Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen in het noorden van kern Echt op de hoek van de Olmstraat en Haagbeukstraat in de gemeente Echt-Susteren. De kern Echt wordt van oudsher ruimtelijk gescheiden van de kern Pey (ten oosten) en ligt in de nabijheid van de rijksweg A2 en het Julianakanaal (ten westen). De Haagbeukstraat betreft een doodlopende straat en is alleen via de Olmstraat ontsloten. De Olmstraat is in noordelijke richting doodlopend en sluit in zuidelijke richting aan op de Sint Jorisstraat en Wilhelminstraat, welke Echt verbinden met de rijksweg A2 en de N276.

Foto plangebied gezien vanaf de kruising Bovenste Eind in Noordwestelijke richting (Bron: eigen opname)

Luchtfoto plangebied (rood omlijnd) en de directe omgeving.

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit grasland. In de directe omgeving zijn op korte afstand woningen gelegen. Verder naar het noorden is het bedrijventerrein ‘De Berk’ gelegen. Verder naar het westen is de middelbare school het Connect College gelegen.

Hoofdstuk 2

5

2.2 Beschrijving project Het voornemen bestaat om een nieuwe vrijstaande levensloopbestendige woning te realiseren op het perceel op de hoek van de Olmstraat en de Haagbeukstraat te Echt. De nieuwe woning zal in de lijn met de aangrenzende percelen worden gerealiseerd. Het bouwvlak is reeds aanwezig en zal niet worden aangepast. De goothoogte van de woning mag maximaal 4,5 meter bedragen en de bouwhoogte maximaal 9 meter. De begrenzing van het bouwvlak, en daarmee de voorgevelrooilijn van de woning, sluit aan op de situering van de omliggende woningen. Het parkeren geschiedt op eigen terrein conform de parkeernormen.

2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten De beoogde woning past zowel vanuit ruimtelijk, functioneel als stedenbouwkundig oogpunt in de omgeving. Het huidige terrein wordt ingevuld en de nieuwe woning zal de ‘bebouwingslint’ van de Olmstraat afmaken. Gelet op het gemengde bebouwingskarakter van de omliggende woningen sluit het plan ruimtelijk gezien aan op de nabijgelegen woningen. De woning zal qua ligging en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen, die bestaan uit twee of drie bouwlagen. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten tot gevolg heeft voor de omgeving.

Hoofdstuk 2

6

3.

BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.

Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zijn in de NOVI zich op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;

Hoofdstuk 3

7

9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn.

De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Conclusie Geen van de bovengenoemde belangen zijn in het kader van deze ontwikkeling in het geding. De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de beleidsregels, zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende gebieden, objecten worden aangewezen, waar gemeenten bij vaststelling van bestemmingsplannen

Hoofdstuk 3

8

rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Echt-Susteren. Conclusie Aangezien het bestemmingsplan geen windturbines of anders bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 luidt het tweede lid van art.

3.1.6 als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Conclusie In het voorliggende geval is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling, namelijk één nieuwe woning, dat in lijn met de uitspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2013, geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het initiatief hoeft dan ook niet te worden getoetst aan Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a) die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b) ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

1

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 18-12-2013, Zaaknummer 201302867/1/R.

Hoofdstuk 3

9

In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. Conclusie De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.8.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Ontwerp provinciale omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2022. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Parti-

Hoofdstuk 3

10

cipatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling, namelijk één woning, dat geen provinciale belangen in het spel zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de provinciale belangen zoals verwoord in de Provinciale Omgevingsvisie. 3.2.2 Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) vastgesteld. In het plan staat de toekomst van Limburg beschreven op het gebied van wonen, werken, recreatie, natuur. Maar het plan gaat ook over zaken als milieu en water, en hoe bijvoorbeeld de waterkwaliteit kan worden verbeterd en overstromingen voorkomen. Op de zoneringenkaart van het POL2014 ligt het plangebied in de zone 'Overig bebouwd gebied'.

Volgens het POL2014 worden dergelijke zones gekenmerkt door landbouwgebieden, verblijfsrecreatie terreinen, (stads)randzones, bebouwingslinten en clusterbebouwing. De accenten binnen het be-

Uitsnede POL-kaart ‘Zonering Limburg’ met aanduiding ligging plangebied (zwart omlijnd).

Hoofdstuk 3

11

bouwd gebied liggen vooral op een transformatie van de regionale woningvoorraad, de bereikbaarheid, de balans tussen voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en een goede kwaliteit van de leefomgeving. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De groei eindigt, maar niet in de hele provincie gelijktijdig en op dezelfde manier: de top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028 resp. 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg vanaf 2017 al daalt. Overal moet de programmering ‘over de top heen kijken’, ook in de regio’s Noord en Midden, waar de woningbehoefte nog toeneemt. Dat vergt andere benaderingen, als inbreiding in plaats van uitleglocaties, planmatig verdichten en verdunnen. De opgave ligt vooral in het onttrekken van incourante (particuliere) woningen, het omvangrijk genoeg houden (c.q. maken) van het aanbod aan huurwoningen, en het planologisch niet meer uitbreiden van hetgeen er al in overvloed is. De kwalitatieve opgave is mogelijk nog uitdagender. Die vraagt om een omslag in denken. Allereerst gaat het daarbij om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande woningvoorraad. Maatschappelijke trends (inclusief demografische) leveren een vraag op naar andere woningen dan de voorraad nu biedt.

Bijvoorbeeld meer vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens, in plaats van de gezinswoningen, meer vraag naar aanpasbare en levensloopbestendige woningen en naar energiezuinige woningen. Deze kwalitatieve opgave moet, gezien de afnemende kwantitatieve vraag, vooral gerealiseerd worden in de bestaande woningvoorraad, waarbij nieuwbouw (in de vorm van uitbreiding dan wel vervanging) vooral moet worden ingezet om te voorzien in de vraag naar datgene waaraan ook op langere termijn het meest behoefte bestaat. De noodzakelijke transformatie kan slechts slagen als de regionale partners gezamenlijk invulling weten te geven aan dynamisch voorraadbeheer. Dat omvat het werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad, door kwaliteitsverbetering, herstructurering en waar nodig sloop. Maar ook het terugdringen van nog niet gerealiseerde plannen die niet bijdragen aan de beoogde vernieuwing. En dynamisch voorraadbeheer betekent ook dat er slechts ruimte is voor nieuwe toevoegingen aan de voorraad als deze echt kwaliteit toevoegen en samengaan met het schrappen van slechte voorraad. Dit dynamisch voorraadbeheer zal vorm en inhoud moeten krijgen door opstelling én uitvoering van regionale structuurvisies voor Noord-, Midden- respectievelijk Zuid-Limburg.

Deze visies bevatten gezamenlijke ambities en opgaven, gezamenlijke principes en spelregels (toegespitst op de regionale situatie) en een gezamenlijke werkwijze. Ze worden geconcretiseerd in concrete programma’s, ten minste voor de onderdelen:  herstructurering en kwaliteitsverbetering van de bestaande voorraad;  nieuwbouw (verdeeld naar relevante segmenten, huur/koop, doelgroepen, woonmilieus);  sloop (incl. overige onttrekkingen);  afstemmen van de planvoorraad op de behoefte;  geprogrammeerd hergebruik van bestaand vastgoed. De ambities, uitgangspunten en principes uit dit POL vormen het vertrekpunt voor de regionale structuurvisies.

Hoofdstuk 3

12

Conclusie De realisering van één woning past binnen de uitgangspunten en doelstellingen voor de zone 'overig bebouwd gebied'. Voor wat betreft de toetsing aan de kwalitatieve en kwantitatieve opgave binnen de woningmarkt wordt verwezen naar par. 2.3. Het plan past daarmee binnen het POL 2014. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit het POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Sinds december 2014 is de Omgevingsverordening uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dit hoofdstuk bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd opgenomen. In paragraaf.

2.4 van de verordening wordt aangegeven dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. Conclusie Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'bebouwd gebied' van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. In de omgevingsverordening zijn verder in paragraaf 2.2 regels opgenomen ten behoeve van duurzame verstedelijking. Onderdeel hiervan vormt onder meer de Ladder voor duurzame verstedelijking. Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen alleen voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaand woningvoorraad en de bestaande planvoorraad. Dit staat beschreven in de ‘Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg’. In paragraaf 2.3 wordt hierop nader ingegaan. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben de Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-

Hoofdstuk 3

13

Limburg (2014) geactualiseerd. Voor de periode 2018-2021 heeft de regio haar ambities om te bouwen naar behoefte geactualiseerd om ervoor te blijven zorgen dat de juiste kwaliteit woningen op de juiste plekken kunnen worden gebouwd. Aan deze actualisatie ligt een nieuw woningmarktonderzoek ten grondslag en zijn de meest recente landelijke, provinciale en regionale ontwikkelingen vertaald. In de nieuwe structuurvisie zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030. De gemeente Echt-Susteren heeft in de periode 2018 tot en met 2021 een opgave om maximaal 458 woningen te realiseren om de huishoudensgroei te kunnen opvangen. Deze opgave is vergeleken met de planvoorraad per 1 januari 2018, zijnde 575 woningen. Daaruit is de overcapaciteit berekend, zijnde 117 woningen. Van deze overcapaciteit wordt komende 4 jaar 40% gereduceerd, te weten 47 woningen. Conclusie Het onderhavige plan zorgt voor een minimale toename van de planvoorraad. Er is slechts sprake van de bouw van één nieuwe woning binnen het bestaand stedelijk gebied. De locatie maakt daarnaast deel uit van een bebouwingslint en heeft reeds een woonbestemming. Vanuit volkshuisvestelijk perspectief is er derhalve in beginsel ruimte om een woning te kunnen realiseren.

Omdat de aanwezige functieaanduiding maar een woning toelaat, is er planologisch geen mogelijkheid meer voor de beoogde woning. De locatie voor de beoogde woning is planologisch en feitelijk inpasbaar aangezien het een braakliggend perceel betreft aan het eind van een reeds bestaande bebouwingslint.. De beoogde woning zorgt voor een minimale aanpassing van de omgeving. Het vult een lege ruimte op midden in een volledig bebouwd gebied en het maakt de bebouwingslint van de Olmstraat af. Het plan wordt daarom positief benaderd en is passend binnen de beleidsmatige kaders van de Structuurvisie Wonen Midden Limburg.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie 2012 – 2025: Ontwikkelen met Kwaliteit Op 12 december 2012 heeft gemeenteraad van Echt-Susteren de 'Structuurvisie Echt-Susteren 2025 Ontwikkelen met kwaliteit' vastgesteld. Voor het stedelijk gebied formuleert de structuurvisie een aantal ambities. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van de algemene gemeentelijke doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is. De ambities voor het stedelijk gebied zijn als volgt: a. realisatie van een woningvoorraad die kwantitatief en kwalitatief aansluit op de vraag; b. gericht ruimtegebruik voor en door alle typen bedrijven; c. concentratie van verstedelijking gericht op behoud van een onderscheidend detailhandelsaanbod; d. concentratie en combinatie van maatschappelijke voorzieningen; e. behoud van (be)leefbare kernen; f. optimale bereikbaarheid van stedelijke functies; g. het zijn van een veilige en duurzame gemeente.

Hoofdstuk 3

14

Voor wat betreft wonen ligt in het stedelijk gebied de nadruk op inbreiden, herstructureren en temporiseren. Daarbij wordt ingezet op reductie van (onbenutte) particuliere bouwrechten. Het aantal woningen in Echt-Susteren bedraagt op het moment van vaststelling van de structuurvisie ruim 14.000. Het merendeel hiervan ligt in het stedelijk gebied. De gemeente beschikt over een voortreffelijke ontsluiting naar stedelijke (werk)gebieden in binnen- en buitenland. Dit biedt kansen voor het behouden van de huidige inwoners en het aantrekken van nieuwe. Daarnaast is de kwaliteit van woning en woonomgeving van toenemend belang. De gemeente wil de regie nemen om deze kwaliteit van de woonomgeving in de breedste zin, zowel in bestaande woongebieden alsook bij nieuwe projecten te verbeteren c.q. garanderen. Op die manier blijft het overal in de gemeente goed toeven en worden de kansen op het aantrekken van mensen van buiten de gemeente vergroot. Voorkomen moet worden dat het leegstandspercentage verder oploopt, want dit komt de kwaliteit en leefbaarheid van de kernen niet ten goede. Duidelijke keuzes zijn nodig. Als hoofdlijn geldt dat nieuwe woningen in (hoofd)kernen nadrukkelijk de voorkeur hebben boven nieuwe woningen in buitengebied.

Dit enerzijds om krachtige leefbare kernen te houden zonder lege, rotte plekken en anderzijds om verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan, het buitengebied haar landelijk karakter te laten behouden, omgevingskwaliteiten niet aan te tasten en conflicten met het agrarisch belang te voorkomen. Verder is het van belang dat in elke kern kwantitatief en kwalitatief wordt gebouwd voor de behoefte. Er moeten keuzes worden gemaakt in aantal en in type woningen. Een strategie van faseren, doseren of stopzetten is daarbij noodzakelijk. Ook sloop en verdund terugbouwen worden vanaf nu serieus in de planning meegenomen. Het streven is vanaf nu zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht meer evenwicht te behouden tussen vraag en aanbod van woningen. Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een nieuwe woning binnen stedelijk gebied. Op dit moment is er op de locatie een leegstaand perceel gelegen midden in een volledig bebouwd gebied. Dit staat volledig in contrast met de directe omgeving. Met de beoogde ontwikkeling is er sprake van inbreiding. De woning zal volledig naar de uitstraling van de omgeving worden gerealiseerd waardoor de lege plek in de lint van de Olmstraat wordt opgevuld en de lint wordt afgebouwd. Geen van de bovengenoemde belangen zijn in het kader van deze ontwikkeling in het geding.

De beoogde ontwikkeling is kortom niet in strijd met de structuurvisie. 3.4.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) De gemeente Echt-Susteren heeft in haar Structuurvisie 2012-2025 het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) uitgewerkt tot een Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM). In de structuurvisie is het LKM vertaald naar de specifieke gemeentelijke situatie. Het basisprincipe van dit GKM is dat indien bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied en delen van het stedelijk gebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, dit verlies gecompenseerd dient te worden door een kwaliteitsverbeterende maatregel en/ of een financiële bijdrage. De ambitie is dat per saldo de kwaliteit toeneemt.

Hoofdstuk 3

15

Het GKM is van toepassing op vanuit ruimtelijk-functioneel oogpunt gezien niet-onaanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Kenmerkend voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. Het GKM is met name van toepassing op het buitengebied. Dit betreft het gebied dat gelegen is buiten de (door de provincie getrokken) rode contour. Op onderdelen is het GKM doorgetrokken naar het stedelijk gebied. Het gaat daarbij met name om ontwikkelingen die ruimtelijk-functioneel toelaatbaar zijn, maar minder gewenst, omdat ze botsen met andere beleids- of projectdoelen. Om die reden wordt er een kwaliteitsbijdrage gevraagd om een investering elders in het stedelijk gebied te kunnen doen ter compensatie. Dit betreft met name het herstructureren van woongebieden waarbij per saldo het aantal woningen toeneemt. De gemeente heeft daarbij de mogelijkheid om, indien binnen de behoefte wordt gebleven en/of oplossingen of saneringen worden geboden voor ruimtelijke of milieuhygiënische knelpunten, af te zien van een GKM-bijdrage. Conclusie De gemeente heeft aangegeven dat een GKM-bijdrage benodigd is voor onderhavig initiatief.

Het initiatief is ruimtelijk-functioneel toelaatbaar maar wordt door de gemeente als minder gewenst geacht. Derhalve zal door initiatiefnemer worden bijgedragen aan het GKM. 3.4.3 Vigerend bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’. Dit bestemmingsplan is op 26 mei 2016 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren. Het plangebied is daarin bestemd tot ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:  Wonen;  Bestaande, legaal aanwezige aan-huis-verbonden-beroepen of –bedrijven;  Functies en activiteiten conform de in het bestemmingsplan opgenomen tabel, uitsluitend ter plaatse van de genoemde aanduiding. Met de daarbij behorende:  Tuinen, erven en verhardingen;  Bijbehorende voorzieningen;

Hoofdstuk 3

16

Waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

Uitsnede uit verbeelding bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ met globale aanduiding ligging plangebied (rood omlijnd)

Conclusie Het voorliggende planvoornemen betreft de realisatie van een nieuwe woning ter plaatse van een braakliggend perceel bestaande uit grasland. Het initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan omdat ter plaatse een aanduiding is opgenomen ‘Specifieke bouwaanduiding – nieuwe woning’ waarbij een maatvoering is opgenomen voor maximaal 1 wooneenheid. Op het naastgelegen perceel (Olmstraat 67) is reeds een woning gerealiseerd. Hierdoor is de ‘woningbouwtitel’ reeds ‘verbruikt’. In het bestemmingsplan zijn geen afwijkingsmogelijkheden opgenomen waarmee medewerking kan worden verleend aan de realisatie van een nieuwe woning ter plaatse.

3.5 Afweging beleidskader Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen realisatie van het bouwplan past binnen het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van de strijdigheid met het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied.

Hoofdstuk 3

17

4.

ONDERZOEK In dit hoofdstuk worden de noodzakelijke onderzoeksaspecten behandeld welke in het kader van de realisatie van een (milieugevoelige) bestemming nader onderzocht dienen te worden.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Geluid verkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder geluidgevoelige objecten. De locatie waar de woning gerealiseerd wordt is reeds bestemd als ‘Wonen’. Hierdoor is het al toegestaan om een woning op te richten. Echter de nieuw te bouwen woning is gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A2 en de Industrieweg gelegen. Omdat onderhavige ontwikkeling de realisatie van een nieuwe woning betreft, is het noodzakelijk geacht om een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren. Op (30 maart 2021) heeft (M-Tech Nederland) een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.

Uit het onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting vanwege Olmstraat en de A2 ten hoogste 46 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee gerespecteerd. In het kader van de Wet geluidhinder vormt de geluidbelasting vanwege de omliggende geluidgezoneerde Olmstraat en de A2 geen belemmering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woning. Een hogere waarde procedure is derhalve niet nodig. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek in bijlage 1. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt gelden er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.2 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.

Hoofdstuk 4

18

De bodem ter plaatse van het perceel en de beoogde ontwikkeling zijn bestemd voor ‘Wonen’. De onderliggende grond is dus reeds geschikt om de beoogde woning op te bouwen. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn er geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. 4.1.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van één nieuwe woning. Met de beoogde ontwikkeling wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven, zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’. De Wet luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het plan. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.

Hoofdstuk 4

19

Stof

Toetsing van

Grenswaarde

Fijn stof (PM10)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

Jaargemiddelde concentratie

25 µg/m³

Stikstofdioxide (NO2)

Jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

Grenswaarden Wlk

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) ligt de concentratie de concentratie PM10 tussen de 17 en 19 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³en de concentratie NO2 tussen 17 en 19 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 4.1.4 Milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar.

Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. Hierin zijn per afzonderlijke milieucategorie verschillende richtafstanden opgenomen die kunnen worden aangehouden tot gevoelige functies teneinde de hinderlijke invloed van bedrijfsactiviteiten op gevoelige functies te beperken. Deze richtafstand is gebaseerd op de als gevolg van de bedrijfsactiviteiten te verwachten milieuhinder (vanwege geur, geluid, stof of gevaar). In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.

Hoofdstuk 4

20

Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

De beoogde woning die middels dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, vormt geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gehinderd. Er zijn geen milieubelastende activiteiten gelegen in de directe omgeving van het plangebied. Ten noorden van het plangebied is het bedrijventerrein ‘De Berk’ gelegen. Deze is op een afstand van circa 115 meter van het plangebied gelegen. Aan de rand van het bedrijventerrein zijn alleen bedrijven volgens ‘milieucategorie 2’ gevestigd. Ten westen van het plangebied is een middelbare school gelegen. Conform de ‘VNG-publicatie’ valt een dergelijke school in milieucategorie 2. De grens van het schoolterrein is op een afstand van circa 75 meter van het plangebied gelegen. Tevens is de locatie ter plaatse al reeds bestemd als ‘Wonen’. Hierdoor is het al toegestaan om een woning op te richten. Alleen is het aantal woningen gemaximaliseerd tot één woning.

De nieuwe woning ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieubelastende activiteiten waardoor er sprake is van een goed woon-en leefklimaat. Tevens zijn er woningen tussen het plangebied en de activiteiten gelegen. Daarnaast levert de nieuwe woning ook geen belemmeringen op voor bedrijven of inrichtingen in de omgeving. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er voor het initiatief geen belemmeringen. 4.1.5 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk

Hoofdstuk 4

21

toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over die vervoerskant. In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is de afstand van het plasbrandaandachtgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond. Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Dit houdt in dat over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording moet worden afgelegd (de zogeheten verantwoordingsplicht).

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Hoofdstuk 4

22

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en het Bevt wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Woningen zijn kwetsbare objecten, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst.

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rode cirkel)

Risicovolle activiteiten Inrichtingen Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen zijn gelegen. De meest dichtbij gelegen inrichting ligt op circa 490 meter ten westen van het plangebied en betreft een LPG-afleveringsinstallatie, een LPG-vulpunt en LPG-tank bij het Esso tankstation aan de rijksweg A2 Gezien de grote afstand en de aard van de inrichting ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Vanuit het Bevi zijn er kortom geen belemmeringen voor de ontwikkeling. Spoor Op een afstand van circa 615 meter ten oosten van het plangebied loopt de spoorlijn Roermond – Sittard. Over dit spoor vindt transport van gevaarlijke stoffen plaatst. Het plangebied ligt niet binnen de

Hoofdstuk 4

23

PR 10-6 contour of binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. De ligging ten opzichte van de spoorlijn vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wegverkeer Op een afstand van circa 460 meter ten noordwesten van het plangebied, loopt de Rijksweg A2. Over deze weg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10 -6 contour of binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A2. De ligging ten opzichte van deze weg vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Buisleidingen Op een afstand van circa 350 meter ten noordwesten bevindt zich een PRB-buisleiding van Petrochemical Pipeline Services B.V. Vanwege de afstand vanaf het plangebied ten opzichte van de buisleiding vormt deze leiding geen knelpunt met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. Verder zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen transportleidingen gesitueerd, dat een belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Water Op een afstand van meer dan 1 kilometer ten westen van het plangebied ligt het Julianakanaal. Over dit kanaal vindt transport van gevaarlijke stoffen plaatst. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10 6 contour of binnen het invloedsgebied van het Julianakanaal. De ligging ten opzichte van het kanaal vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering in het kader van voorliggende wijzigingsplan.

4.2 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Hoofdstuk 4

24

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ‘Grensmaas’ en ‘Abdij Lilbosch & Klooster Mariahoop’, bevinden zich op respectievelijk circa 3 kilometer ten zuidwesten en circa 4,2 kilometer ten zuidoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Gezien de aard van de ontwikkeling (realisatie van één woning) en de ligging ten opzichte van de nabijgelegen Natura-2000 gebieden is geen toename van stikstofuitstoot te verwachten. Derhalve is het uitvoeren van een AERIUS-stikstofberekening niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4

25

Wat betreft gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op ruim 700 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities vanuit het bestaande bebouwingslint redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de huidige staat van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming In de huidige situatie is er in het plangebied sprake van grasland. Het plangebied is verder omringd door bebouwing in de vorm van woningen. Gezien de huidige aard van de gronden in het plangebied wordt op voorhand niet geacht dat er met de beoogde ontwikkeling schade zal worden toegebracht aan mogelijke natuurwaarden in het plangebied. Ten behoeve van eventueel aanwezige individuen dient wel de algemene zorgplicht in acht te worden genomen. Conclusie Vanuit het aspect flora en fauna bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in voorliggend plan rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. 4.3.1 Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan 2014 (POL2014), het Waterplan Echt-Susteren, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: - Waterkwantiteit: vasthouden – bergen – afvoeren - Waterkwaliteit: voorkomen – scheiden – zuiveren Daarnaast is de verordening ‘subsidieregeling afkoppelen privaat verhard oppervlak’ van de gemeente Echt-Susteren van toepassing. Hierin staat hoe het beste omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier zijn de drietrapsstrategieën leidend.

Hoofdstuk 4

26

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies afgestemd te worden. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties. 4.3.2 Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem, hemel- en afvalwater. Grondwater Zoals het bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' en de Omgevingsverordening Limburg aantonen ligt de onderzoekslocatie niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Daarentegen ligt het plangebied wel binnen de Boringsvrije zone Roerdalslenk II.

Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 30 meter in zone II tot aan de Bovenste Brunssumklei dient vier weken tevoren schriftelijk te worden gemeld aan gedeputeerde staten. Binnen het plangebied zullen geen diepe grondwaterboringen plaatsvinden. De ligging binnen deze zones vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling aangezien geen diepe grondboringen of grondwateronttrekkingen voorzien zijn. Middels de beoogde ontwikkeling wordt geen invloed uitgeoefend op het grondwater. Oppervlaktewater In de omgeving en binnen het plangebied is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt hierin ook niet voorzien. Op ruim 700 meter ten zuidwesten ligt de Molenbeek, op circa 1,8 kilometer ten oosten ligt de Vulensbeek en op circa 3 kilometer ten zuidwesten ligt de Maas. Middels de beoogde ontwikkeling wordt geen invloed uitgeoefend op dit oppervlaktewater. Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem. Evenmin is het gelegen in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Middels dit initiatief wordt dan ook geen negatieve invloed uitgeoefend op dit natuurgebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=25efa09b-4f18-4446-9396-4856055087fb