Toelichting
Tekst van het document
Bij de planuitwerking dient dan ook rekening te worden gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn, gericht op duurzaam waterbeheer. In paragraaf 5.4 van deze toelichting is aandacht besteed aan het aspect ‘water’. De in het Nationaal Waterplan beschreven belangen zijn geen belemmering voor het planvoornemen.
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening In het NOVI is een tabel opgenomen die weergeeft hoe de relatie is tussen de in de NOVI
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
29
PouderoyenTonnaer
opgenomen nationale belangen, de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en de uitvoeringsregels in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), onder de Omgevingswet. De betreffende onderdelen en/of artikelen in het Barro, Bro en straks het Bkl, blijven ook na inwerkingtreding van de NOVI gelden. In het Barro zijn regels opgenomen ter bescherming van de nationale belangen. Deze regels moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen, bestemmingsplannen en ruimtelijke ontwikkelingen. Zoals uit onderstaande afbeelding is op te maken ligt het plangebied niet in de nabijheid van in het Barro aangeduide relevante structuren. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Afbeelding: uitsnede Barro in Midden Limburg met plandeel Zandweg 10 aangeduid (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking (rijk en provincie): Rijksladder voor duurzame verstedelijking: Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de ‘ladder duurzame verstedelijking’ opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op substantiële veranderingen en bouwplannen, die qua aard en omvang zodanig zijn, dat voor mogelijke leegstand elders gevreesd zou kunnen worden. Het doel is om overbodige bouwplannen (onder andere kantoren en
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
30
PouderoyenTonnaer
woningen) te voorkomen en hergebruik te stimuleren. De toepassing van de Ladder heeft tot veel onduidelijkheid geleid bij overheden, juristen en planologen. Voor de Minister van Binnenlandse Zaken was dit aanleiding om een wijziging van de betreffende wetsartikelen op te stellen. Het ontwerp van deze wijziging is op 23 juni 2016 naar de Tweede Kamer gestuurd en op 1 juli 2017 in werking getreden. In essentie verandert er aan de geest van de ladder niet veel. De aanvankelijk gehanteerde treden vervallen in deze nieuwe ladder, maar de toelichting van een bestemmingsplan die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, bevat ook in de nieuwe situatie een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte tevens een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Ten behoeve van het planvoornemen is door Bureau Stedelijke Planning de ‘Ladderonderbouwing Livar Experience Centre‘ opgesteld. Dit onderzoek is als separate bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd en maakt integraal onderdeel uit van deze toelichting.
Beschrijving planvoornemen in ladderonderzoek BSP: Het totaalplan, het Livar Experience Centre (LEC), bevat de volgende onderdelen: • het Livar Bezoekerscentrum met een training- en lesruimte, informatiecentrum, horeca (keuken met proeflokaal), ruimte voor kookworkshops, ondersteunende kleinschalige verkoop; • Livar Boerderij; • Livar Vleesatelier (ambachtelijke en diervriendelijke slachterij, vleesbe- en verwerking en rijping/ droging / bewaren / koelen van Livar vlees); de reeds bestaande kloosterboerderij van de Abdij Lilbosch, bakermat van Livar en medeinitiatiefnemer van het LEC, zal hierbij onderdeel blijven uitmaken van het totaalconcept. De beoogde ontwikkeling is deels te kwalificeren als een nieuwe stedelijke ontwikkeling1 als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bestaande en uit te breiden agrarische activiteiten van de Abdij Lilbosch ter plaatse van de Zandweg boerderij worden hierbij niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en zijn derhalve niet ‘ladderplichtig’. Een en ander mede bezien vanuit de context dat binnen de toepasselijke agrarische bestemming de be- en verwerking van mest van derden is uitgesloten. De Abdij Lilbosch en de uitbreiding ter plaatse van de Zandweg komen herkenbaar met elkaar in verbinding voor bezoekers. Voor het Livar Bezoekerscentrum en het Livar Vleesatelier is de ‘ladder
1
Er is doorgaans sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling indien sprake is van een enigszins substantiële toename van bouwmogelijkheden (meer dan 500 m² bvo) of van nieuwbouw en een functiewijziging na sloop. Bij het bepalen of sprake is van een zodanige functiewijziging die leidt tot een nieuwe stedelijke ontwikkeling betrekt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ook het verschil in ruimtelijke uitstraling tussen de oude en de nieuwe functie.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
31
PouderoyenTonnaer
voor duurzame verstedelijking’ van toepassing (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). De ladder vergt dat de behoefte aan deze voorzieningen inzichtelijk wordt gemaakt. Het totaalconcept van het LEC impliceert dat het Livar-varken zijn gehele levenscyclus op de locatie doormaakt en dat bezoekers op deze locatie kennis maken met alle aspecten van het Limburgs Kloostervarken. Belangrijkste uitkomsten ladderonderzoek: In navolgende tabel zijn de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek naar de behoefte aan de verschillende (ladderplichtige) functies samengevat. In totaal gaat het hierbij om maximaal 10.000 m² bruto vloeroppervlak: • Voor het Livar Bezoekerscentrum wordt voorzien in circa 2.500 m² bvo aan gebouwde voorzieningen: workshop-, trainings- en lesruimte, informatiecentrum, horeca (proeflokaal met keuken), ruimte voor kookworkshops en ondersteunende verkoop (voor consumenten en bedrijven(; • In het Livar Vleesatelier, waarvoor eveneens circa 7.500 m² bvo is voorzien, wordt het Livarvarken op een diervriendelijke manier verwerkt tot vlees. Dit betekent een kleinschalige en diervriendelijke slachterij, vleesverwerking alsmede ruimte voor het drogen van vlees en koelcellen. Dit alles volledig afgestemd op en in lijn met de ‘Livar-visie’. Binnen dit ladderonderzoek is gewerkt met een aantal nadere onderverdelingen t.a.v.
de invulling / programma-onderdelen van het Livar Experience Centre. Dit op basis van verkregen projectinformatie van de opdrachtgever / initiatiefnemer. In de praktijk wordt gestreefd naar deels open ruimten die onderling met elkaar in verbinding staan en natuurlijk in elkaar overgaan. Vanuit het oogpunt van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt hierbij wel geadviseerd de aangegeven ruimte voor horeca en ondersteunende verkoop te maximeren in het bestemmingsplan. Dit is dan ook door middel van de planregels geborgd.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
32
PouderoyenTonnaer
Vanwege de samenhang van het beoogde concept, het specifieke karakter en de grotendeels aanvullende vraag die het creëert, is het onwaarschijnlijk dat er meetbare verdringingseffecten optreden en (derhalve) structurele leegstand ontstaat in de gemeente Echt-Susteren (en het overige verzorgingsgebied). Van aantasting van het woon- en leefklimaat en ondernemersklimaat is dan ook geen sprake. De beoogde ontwikkeling kan de toets aan de ladder doorstaan. Provinciale ladder voor duurzame verstedelijking: In de omgevingsverordening van Limburg is in het hoofdstuk Ruimte de provinciale ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ verankerd. De provinciale ladder verklaart met het bepaalde in artikel 2.2.2 lid 1 van de omgevingsverordening de rijksladder van toepassing. Met de ‘Ladderonderbouwing Livar Experience Centre‘ is aan de rijksladder getoetst. De bevindingen kunnen in dit verband als herhaald en ingelast worden beschouwd in het kader van de provinciale laddertoets. In aanvulling op vorenstaande geeft de omgevingsverordening met het bepaalde in artikel 2.2.3 nog een specifieke voorwaarde mee om te bezien of ten behoeve van een ruimtelijk plan dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling gebruik gemaakt kan worden van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen (herbenutting). Voor onderhavig initiatief geldt in dit verband het volgende.
Vanuit de verbondenheid van het op te richten Livar Experience Centre met de Abdij Lilbosch is in de nabijheid van de Abdij Lilbosch naar een geschikte ontwikkellocatie gezocht. Hierbij is gebleken dat géén monumentale ofwel beeldbepalende panden beschikbaar zijn om voornoemde functies en het hiervoor benodigde ruimtebeslag in te passen. Een verdere beschouwing van dit aspect kan derhalve in deze toelichting achterwege worden gelaten.
3.2
Provinciaal beleid 3.2.1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg en (geconsolideerde) Omgevingsverordening Limburg 2014
Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de Omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven. In de visie staat beschreven hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkelingen en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de periode 2021 tot 2030 – 2050 en beschrijft onderwerpen zoals wonen, bodem, infrastructuur, milieu, ruimtelijke economie, water, natuur, luchtkwaliteit, landschap en cultureel erfgoed. De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi-overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
33
PouderoyenTonnaer
De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vormt in combinatie met de bijbehorende (geconsolideerde) omgevingsverordening Limburg 2014 het kader waarin de ruimtelijke (prioritaire) belangen van de provincie Limburg zijn geborgd. Het hoofdstuk Ruimte van betreffende verordening bevat hierbij enkele instructieregels voor het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen betreffende de hierin genoemde thema’s. Voorliggende planontwikkeling is getoetst aan het provinciale beleid zoals dit is opgenomen in Provinciale Omgevingsvisie Limburg (d.d. 1 oktober 2021) en bijbehorende geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 (d.d. 16 december 2022). 3.2.2 Kaart Limburgse principes met zonering Limburg: ligging plangebied De zoneringen op grond van het POL2014 zijn in de POVI overgenomen op de kaart 'Limburgse principes'. In de POVI is onderhavig plangebied gelegen in de 'Groenblauwe mantel', en het 'Buitengebied'. Deze zijn qua begrenzing gelijk aan de zoneringen ‘Zilvergroene natuurzone’ en ‘Buitengebied’ uit het POL2014. Vanuit beleidsmatig oogpunt in relatie tot voorliggende planontwikkeling is geen sprake van relevante wijzigingen.
Uitsnede kaart zoneringen POL2014/ Omgevingsverordening Limburg 2014 in lijn met POVI kaart begrenzingenkaart ‘Limburgse principes’ met aanduiding plangebied (plandeel locatie Zandweg 10 omkaderd). Lichtgroene arcering binnen plandeel betreft in de POVI de zonering ‘Groenblauwe mantel’ en het overige deel betreft de zonering ‘Buitengebied’. In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is dit respectievelijk de zonering ‘Zilvergroene natuur’ en ‘Buitengebied’.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
34
PouderoyenTonnaer
3.2.3
Toetsing provinciaal beleid: ruimtelijk functionele benadering
In onderstaande wordt eerst ingegaan op de ruimtelijk functionele benadering van het initiatief op de locatie Zandweg 10 in de context van het omgevingsbeleid zoals dat is vastgelegd in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg alsmede de (geconsolideerde) Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciale Omgevingsvisie Limburg 2021 Provinciaal belang Wanneer het initiatief in de context van het Provinciale Omgevingsvisie Limburg wordt bezien, dan dient dit initiatief te worden beschouwd als een in hoofdzaak agrarische ontwikkeling met neventakken. Op grond van de thematische visie op landbouw geldt dat het provinciaal belang is gericht op: * een gunstig ondernemersklimaat voor de agrofoodsector; en * een betekenisvolle transitie in de agrofoodsector: een overgang naar een meer duurzame, circulaire, extensievere en vraaggerichte productie, die in balans is met, en bijdraagt aan een gezonde en duurzame leefomgeving. Om de volgende redenen is de realisatie van het Livar Experience Centre niet in strijd met dit provinciaal belang. Ten eerste past het Livar Experience Centre binnen de gewenste transitie van de landbouw. Het betreft verder een agrarische ontwikkeling die vergezeld gaat van neventakken welke dienen ter promotie en educatie van het Limburgs Kloostervarken als streekproduct onder gelijktijdige beleving c.q. promotie van de streek als zodanig.
Ten tweede is er sprake van het hergebruiken van een voormalige agrarische bedrijfslocatie (VABlocatie) op een toekomstbestendige locatie. Op de locatie aan de Zandweg 10 te Maria Hoop wordt op een voormalige manegelocatie de mogelijkheid geboden om alle aspecten van het Limburgs Kloostervarken in een landelijke omgeving te ervaren. Ten derde is er sprake van het extensief houden van dieren. Binnen één ruimtelijke eenheid wordt een varkenshouderij met beperkte dieraantallen gehouden met aandacht voor dierenwelzijn door vrije uitloopmogelijkheden en vrije weidegang van dieren. Ten vierde is er sprake van een versterkend verdienmodel voor de landbouwsector. De varkenshouderij wordt gecombineerd met een aantal neventakken. De neventakken hebben betrekking op ambachtelijke bewerking en verwerking (vleesatelier), educatie, innovatie en staan in dienst van de promotie van het Limburgs Kloostervarken als streekproduct onder gelijktijdige promotie van de streek als zodanig. Het landschap, de weidegang van de varkens en de nabijheid van Abdij Lilbosch draagt hierbij bij aan de smaakbeleving die bezoekers op locatie gaan ervaren. Dit vormt dan ook de reden om te spreken over een ‘LIVAR-Experience Centre’.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
35
PouderoyenTonnaer
Geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 Relevante uitgangspunten Een varkenshouderij wordt in de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 (d.d. 16 december 2022) zowel vanuit hoofdstuk 3 ‘Natuur’ als vanuit hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ voorzien van regels. Indien sprake is van een varkenshouderij zonder vrije weidegang en vrije uitloop, dan is er op grond van het hoofdstuk ‘Ruimte’ sprake van een intensieve veehouderij. Indien sprake is van een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop, dan wordt deze bij het voldoen aan de voorwaarden uit het hoofdstuk ‘Ruimte’ van de verordening niet als een intensieve veehouderij aangemerkt. Hoofdstuk 3 ‘Natuur’: Livar voor huisvestingseisen gelijk aan een biologische varkenshouderij De Livar-varkenshouderij wordt vanuit het hoofdstuk 3 paragraaf 3.1 ‘Veehouderij en Natura 2000’ van de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 aangaande toepasselijke emissienormen en voor wat betreft de huisvestingseisen gelijk gesteld met de biologische varkenshouderij. Dit is ook in lijn met de benadering in de Europese Verordening (EG) Nr. 834/2007, onder punt 16.
Hierin staat dat: “aangezien de biologische veehouderij een grondgebonden activiteit is, moeten de dieren zo veel mogelijk toegang hebben tot de open lucht of tot weidegrond.” Hoofdstuk 2 ‘Ruimte’: Livar is gelijk aan een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop De geplande Livar-varkenshouderij aan de Zandweg 10 wordt vanuit het hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ van de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 aangemerkt als een ‘varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop’. Dit betekent dat de regels die gelden voor intensieve veehouderijen (waaronder bepalingen ten aanzien van nieuwvestiging, uitbreiding en vormverandering) niet van toepassing zijn op de vestiging van de geplande Livar-varkenshouderij aan de Zandweg 10. In dit verband zijn de volgende bepalingen en bijbehorende uitleg relevant. Op grond van artikel 2.11.1 van de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014 wordt verstaan onder: a. intensieve veehouderij: het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders, met uitzondering van kleinschalige veehouderij en varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop; (…) c.
varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop: het houden van varkens die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van de EU-verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464, op een locatie buiten de Goudgroene natuurzone en buiten een extensiveringsgebied intensieve veehouderij, en onder behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke;
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
36
PouderoyenTonnaer
In de EU-verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464 is de volgende tabel opgenomen voor wat betreft de van toepassing zijnde huisvestingseisen:
Toetsing varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop: Bij de voorziene Livar varkenshouderij aan de Zandweg 10 wordt uitgegaan van een varkenshouderij waarbij jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van een vrije weidegang en vrije uitloop en waarbij de huisvestingseisen op grond van de EU-verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464, die de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 verlangt van een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop, als uitgangspunt wordt genomen. Het bestemmingsplan voorziet in de planologische mogelijkheden om hieraan invulling te geven. De locatie aan de Zandweg 10 is verder gelegen buiten de Goudgroene natuurzone en buiten een extensiveringsgebied intensieve veehouderij. Op basis van een beschouwing van en onder verwijzing naar de milieuaspecten en overige ruimtelijke aspecten als bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 kan voorts worden vastgesteld dat ook na ontwikkeling van het voorliggende initiatief aan de Zandweg 10 sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de omwonenden blijft het totaal van alle omgevingseffecten binnen aanvaardbare grenzen.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
37
PouderoyenTonnaer
Borging varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop in bestemmingsplan: In het bestemmingsplan is voorzien in enkele noodzakelijke juridische borgingen. Een en ander om zeker te stellen dat het bestemmingsplan géén omschakeling mogelijk maakt naar een varkenshouderij die wordt aangemerkt als intensieve veehouderij en waarvoor andere regels gelden op grond van de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014. Maar ook om zeker te stellen dat het concept van een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop gestalte kan krijgen. In dit verband is voorzien in een begripsbepaling van een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop:
1.84
varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop:
het houden van varkens die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de ten tijde van vaststelling van dit bestemmingsplan geldende huisvestingseisen van EU-Verordening Erkenningseisen biologische producten 2020/464, en onder behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke; Voorts is in de toepasselijke bestemming ‘Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden’ voor Zandweg 10 voorzien in de navolgende (voor zover relevante) passages in de bestemmingsomschrijving: 4.1
Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen de vrije weidegang en onverharde vrije uitloop van varkens afkomstig van de varkenshouderij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop'; b. de uitoefening van een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop', met dien verstande dat hiervoor een maximum toegestane veebezetting geldt welke overeenkomt met de verleende en onherroepelijke Natuurbeschermingswetvergunning zoals opgenomen in Bijlage 1 Natuurbeschermingswetvergunning Zandweg 10 Maria Hoop; Bovengenoemde bepalingen staan in onderling verband met de verbeelding. In onderstaande is hiervan een uitsnede opgenomen. De aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop’ slaat hierbij op een gedeelte van het bouwvlak waarin, naast vrije weidegang en vrije uitloop, tevens veehouderijbebouwing en bijbehorende verhardingen mogelijk is.
Gelet op het feit dat vrije weidegang en vrije onverharde uitloop als agrarisch grondgebruik wordt aangemerkt en relevant is in het kader van het voorliggende initiatief wordt dit expliciet binnen de gebiedsbestemming op grond van de bestemmingsomschrijving mogelijk gemaakt.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
38
PouderoyenTonnaer
Teneinde voorts het extensieve karakter van de varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop te borgen is de maximale veebezetting overeenkomstig de verleende en onherroepelijke Natuurbeschermingswetvergunning voor Zandweg 10 vastgelegd. Daarnaast wordt de vrije beweiding en vrije onverharde uitloop uitsluitend binnen de gehele bestemming toegestaan voor zover afkomstig van de varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop van Zandweg 10 ( in de regels gekoppeld aan bovenaangehaalde aanduiding).
Globale ligging aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch met waarden – varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop’ (rood omkaderd) op uitsnede planologische verbeelding.
Agrarische ontwikkeling: onderdeel Experience Centre De beschreven neventakken bij de varkenshouderij staan in dienst van de promotie van het product en de streek. Vanuit het oogpunt van de vrije weidegang en vrije uitloop van de varkens, welke in kleine aantallen worden gehouden, en vanuit de gewenste beleving van bezoekers van het product in de setting van een prachtig landschapskader is er steeds een natuurlijke relatie tussen het initiatief en het buitengebied aanwezig. In dit verband wordt daarnaast verwezen naar het bepaalde in paragraaf 3.2.5. Toetsing provinciaal beleid: ontwikkeling binnen zoneringen Omgevingsverordening Limburg 2014 De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan
3.2.4
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
39
PouderoyenTonnaer
recht te doen, worden in de Omgevingsverordening Limburg 2014 zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Binnen het bebouwd gebied onderscheiden we de volgende zones: • stedelijk centrum, • bedrijventerrein, • overig bebouwd gebied In het landelijk gebied gaat het om de zones: • goudgroene natuurzone, • zilvergroene natuurzone, • bronsgroene landschapszone en • buitengebied Het grootste deel van de ontwikkellocatie aan de Zandweg 10 kent de zonering ‘Buitengebied’. Het betreft de gronden met een overwegend agrarisch karakter. Hierin wordt ruimte geboden aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe agrarische bedrijven. Onderhavige ontwikkeling past, bezien vanuit de beschreven ruimtelijk functionele benadering binnen deze zonering. Verantwoording ontwikkeling binnen zilvergroene natuurzone: Een klein gedeelte van het plangebied kent de zonering ‘Zilvergroene natuur’. In onderstaande is betreffende zonering uit de omgevingsverordening, voor zover onderdeel uitmakend van het plangebied, omkaderd.
Zilvergroene natuurzone (deel binnen plangebied rood omkaderd)
Bij ontwikkelingen binnen de zonering ‘Zilvergroene natuur’ dient bekeken te worden of gelijk met de ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage geleverd kan worden aan een robuust natuurnetwerk en aan de instandhouding van prioritaire bedreigde soorten. Binnen de ‘Zilvergroene natuurzone’ wordt tevens ingezet op behoud en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden als onderdeel van de landschappelijke waarden. Voor de begrenzing van zilvergroene zones geldt dat er zoveel mogelijk ingespeeld wordt op kansen die zich aandienen vanuit lokale en regionale initiatieven. De begrenzing is dan ook flexibel. Als buiten de nu aangegeven Zilvergroene natuurzone een goed initiatief wordt aangedragen, dat een duidelijke meerwaarde heeft voor de kwaliteit van natuur en landschap, is aanpassing van de begrenzing via een GS-besluit mogelijk. Daarbij wordt in principe een saldobenadering gevolgd;
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
40
PouderoyenTonnaer
uitbreiding van zilvergroen op de ene plek zal gecompenseerd worden door inkrimping van zilvergroen op een andere locatie. In paragraaf 2.13 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is met betrekking tot de Zilvergroene natuurzone in dit verband het volgende bepaald: ‘Artikel 2.13.2 Zilvergroene natuurzone 1. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone, bevat een beschrijving van: a. de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen de Goudgroene natuurzone met het oog op de impact voor de habitattypen in de Natura 2000-gebieden; b. de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van de Goudgroene natuurzone; c. de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder 1a en 1b en op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van bedoelde waarden; 2. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Zilvergroene natuurzone, bevat tevens een beschrijving van: a. de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten; b. de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan; en c. hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.
Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden (kernkwaliteit “Groene karakter”) wordt de beleidsregel als bedoeld in artikel 2.6.7, tweede lid, gevolgd. 3. De kernkwaliteiten in de Zilvergroene natuurzone zijn: het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. 4. De kernkwaliteiten in de Zilvergroene natuurzone zijn nader uitgewerkt in de bijlage bij dit artikel.’ Nadere verantwoording in relatie tot het bepaalde in artikel 2.13.2: In bijlage 3 en 4 bij de planregels is een beeldkwaliteitsplan opgenomen, waarvan onderdeel uitmaakt een landschapsplan en een landschappelijk inpassingsplan. Deze bijlagen dienen tevens als bijlage bij deze toelichting te worden beschouwd en als zodanig integraal onderdeel uit te maken van deze plantoelichting. In het beeldkwaliteitsplan is uitgebreid, mede aan de hand van verbeeldingen, ingegaan op de kenmerken en kernkwaliteiten van het landschap op de uitbreidingslocatie aan de Zandweg 10 alsmede de landschaps- en ecologisch versterkende maatregelen die met dit initiatief worden getroffen. Hieronder tevens begrepen de kenmerken en kernkwaliteiten van het deel van het plangebied ter plaatse van de uitbreidingslocatie.
Op basis van het Landschapskader Noord- en Midden Limburg 2009 is het plangebied ter plaatse van de Zilvergroene natuurzone gelegen binnen het landschapstype ‘Plateau-ontginning’ gecombineerd met de landschapstypen ‘Mozaïek’ en ‘Beekdal’ in de vorm van een droogbeekdal. Dit deelgebied is in onderstaande uitsnede van kaart 4 van het Landschapskader omkaderd.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
41
PouderoyenTonnaer
Kaart 4 van het Landschapskader Noord- en Midden Limburg 2009 (met hierin met rode stippellijn omkaderd het deel van het plangebied dat onderdeel is van de Zilvergroene Natuurzone als bedoeld in de Omgevingsverordening Limburg 2014)
In onderstaande wordt een beknopte verantwoording geleverd ten aanzien van het bepaalde in artikel 2.13.2, lid 1 en 2 van de Omgevingsverordening, mede onder verwijzing naar het beeldkwaliteitsplan. Lid 1, onder a, b en c: De locatie aan de Zandweg 10, waarvan een gedeelte onderdeel uitmaakt de Zilvergroene natuurzone, is geografisch gelegen tussen klooster Abdij Lilbosch en het voormalige klooster te Maria Hoop. De zolders van de beide kloosters zijn beschermde Natura2000-gebieden vanwege de ingekorven vleermuis die hier leeft en overwintert. De vleermuizen foerageren en jagen in het omvangrijke gebied rondom de kloosters met al zijn lanen, bomenrijen en landschapselementen zoals bossen en kleinere elementen.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
42
PouderoyenTonnaer
Schematische ligging uitbreidingslocatie tussen de Natura2000-gebieden waar de ingekorven vleermuis een verblijfplaats heeft (bron: beeldkwaliteitsplan Ton Coonen / Pouderoyen Compagnons).
De oriëntatie van de vliegers is gebaseerd op deze lijn- en vlakvormige elementen. Foerageren doen de dieren in met name de open stallen die nu nog in het gebied aanwezig zijn en waarin tevens met dit initiatief wordt voorzien. De locatie aan de Zandweg vormt op dit moment dus al onderdeel van het foerageergebied voor deze vleermuizen. Langs het plangebied staan aan de noordzijde de laanbomen van de Zandweg en aan de zuid- en oostkant ligt de bosrand die zouden kunnen functioneren als belangrijke vliegroute voor de vleermuizen. De voorgenomen ontwikkeling zal echter geen negatief effect hebben op de functie van het plangebied als foerageergebied. Vanwege de beoogde realisatie van open stallen zal de locatie eerder verworden tot een ecologische ‘stepping stone’ voor betreffende soort. In de afgegeven vergunning van de Natuurbeschermingswet 1998 is voorts vanwege de aanwezigheid van ingekorven vleermuis in de buurt van het plangebied opgenomen dat de vergunninghouder ervoor zorg dient te dragen dat vanuit de bedrijfslocatie/percelen gedurende het hele jaar te allen tijde als gevolg van het project de boomkronen en bosranden gelegen aan de Zandweg te Mariahoop onbelicht blijven. Voorts dient vleermuisvriendelijke amberkleurige LED-verlichting toegepast te worden en de armaturen dienen te worden voorzien van vlak glas waardoor geen strooilicht naar boven straalt.
Het plangebied is voor een aantal algemene grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb voorts geschikt als (onderdeel van hun) leefgebied. Voor de algemene soorten van §3.3 Wnb geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling in de provincie Limburg. Het is derhalve niet noodzakelijk om mitigerende maatregelen uit te voeren voor deze zoogdiersoorten. Voorgenomen plannen hebben tevens géén negatief effect op mogelijk leefgebied/foerageergebied van de steenmarter. Het plangebied, voor zover het betreft het deel zilvergroene natuurzone, bestaat voorts volledig uit kort gegraasd weiland. Bij het veldbezoek zijn geen (resten van) beschermde planten aangetroffen en is vastgesteld dat geschikte biotopen voor beschermde planten ontbreken. Uit het bronnenonderzoek zijn binnen een straal van een kilometer van het plangebied geen (nieuw) beschermde plantensoorten naar voren gekomen. Uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)blijk dat op een afstand van een tot vijf kilometer de volgende beschermde planten voorkomen: glad biggenkruid, groot spiegelklokje, grote leeuwenklauw (§3.3 Wnb). In de quickscan flora en fauna zijn de plantensoorten weergegeven en is beoordeeld of ze op basis van biotoopeisen (www.verspreidingsatlas.nl) mogelijk in het plangebied voorkomen. Voor de inhoud hiervan wordt naar betreffende rapportage in bijlage 9 verwezen.
Aangrenzend aan de uitbreidingslocatie zijn parallel aan de Annendaalderweg twee bosgebieden gelegen met de structuur ‘Goudgroene zone’ die reeds met elkaar zijn verbonden. Het betreft bosgebieden van het beheertype 16.01 droge bossen met productie. Op gebiedsniveau is rekening gehouden met deze waarden door middel van inzet op forse landschapsmaatregelen. Hieronder begrepen de introductie van een nieuwe ecologische verbinding in het plangebied tussen de voornoemde bossen en de Pepinusbeek. Hiermee wordt een voorwaarde gecreëerd voor
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
43
PouderoyenTonnaer
kleine soorten om via een droge groene verbinding te migreren. Zie hiervoor ook het beeldkwaliteitsplan (bijlagen 3 en 4 van de planregels).
Pepinusbeek
bosgebied
Conclusie ten aanzien van lid 1: Een en ander betekent dat de realisatie van de varkenshouderij met akkerbouwactiviteiten op de locatie Zandweg 10, waarin wordt voorzien in open stallen gecombineerd met mitigerende maatregelen ten aanzien van het aspect verlichting, positief bijdragen aan het leefgebied van de ingekorven vleermuis. De invulling van het plangebied leidt verder niet tot aantasting van natuurwaarden in de ‘Zilvergroene natuurzone’ en de nabije ‘Goudgroene natuurzone’. Een verdere ecologische impuls vindt plaats door introductie van een ecologische verbinding in het plangebied tussen de bossen in de ‘Goudgroene zone’ en de Pepinusbeek waarmee een voorwaarde voor kleine soorten wordt gecreëerd om via een droge groen verbinding te migreren.
Lid 2, onder a, b en c: Op basis van het Landschapskader Noord- en Midden Limburg 2009 is het plangebied ter plaatse van de Zilvergroene natuurzone gelegen binnen het landschapstype ‘Plateau-ontginning’ gecombineerd met de landschapstypen ‘Mozaïek’ en ‘Beekdal’ in de vorm van een droogbeekdal. In dit gedeelte van het plangebied is sprake van de volgende kernkwaliteiten: Kernkwaliteiten Groene karakter (groene waarden): Het plangebied bestaat volledig uit kort gegraasd weiland. Uit de in bijlagen 9 en 10 opgenomen Flora- en Faunaonderzoeken blijkt dat bij de veldbezoeken geen beschermde planten zijn aangetroffen. Tevens is vastgesteld dat geschikte biotopen voor beschermde planten ontbreken.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
44
PouderoyenTonnaer
Visueel-ruimtelijk karakter: Ter plaatse van de Zilvergroene natuurzone grenst het plangebied deels aan bossen en deels aan open akkers. Er is sprake van een lichtglooiend landschap met wisselende doorzichten naar het achterliggende, meer open landschap. Verder betreft het een jonge ontginning, te herkennen aan het rechtlijnige patroon van de omringende kavels en wegen. Cultuurhistorisch erfgoed: Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is dit gebied met name interessant, omdat het een resultante betreft van één van de laatste ontginningsgolven. Reliëf: Ter plaatse van de Zilvergroene natuurzone is de locatie hoog en droog gelegen vanwege de ligging van de locatie op een plateau. Tevens is de locatie vlak tot licht glooiend en is er sprake van een droogdal. Dit droogdal is in het landschap nauwelijks herkenbaar, omdat dit afgedekt is door een grondlaag.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
45
PouderoyenTonnaer
Bescherming en versterking kernkwaliteiten / compensatie negatieve effecten: Binnen de Zilvergroene natuurzone wordt een deel van de varkensstallen, het vleesatelier en het bezoekerscentrum beoogd. Wanneer uitgegaan wordt van de in het Landschapskader opgenomen ontwerpuitgangspunten voor het landschapstype ‘Mozaïek’ dan geldt voor de ontwikkeling in het onderhavige gebied het volgende: - ontwikkelen van bos, singels en lanen bij voorkeur in een 250 meter brede zone direct aansluitend op bestaande bossen vallend binnen de landschapstypen droge- en natte heideontginningen; - geen aaneengesloten bossen, maar ‘kamers’; - incidentele bebouwing, zo mogelijk clusteren en koppelen aan bestaande bebouwing. In het beeldkwaliteitsplan (bijlage 4 van de planregels) is inzichtelijk gemaakt op welke wijze met voornoemde uitgangspunten rekening is gehouden. Zie tevens onderstaande tekening, welke is opgenomen op pagina 24 van het beeldkwaliteitsplan.
Ter plaatse van de Zilvergroene natuurzone wordt bebouwing beoogd ingepast met bos/bomen en gras/open plekken. Er is echter in deze fase van de planvorming nog geen definitief ontwerp van de bebouwing voorhanden. In het beeldkwaliteitsplan zijn in dit verband beeldkwaliteitseisen opgenomen. De hoofdlijnen van het landschappelijk inpassingsplan zijn voorts planologisch geborgd via voorwaardelijke verplichtingen die gekoppeld zijn aan de bijlagen bij de regels. In het verlengde hiervan is in de anterieure overeenkomst vastgelegd dat binnen het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen naast het welstandsplan tevens een concrete detailuitwerking van het landschappelijk inpassingsplan wordt voorgelegd aan de LKMcommissie. Voor de betreffende locatie zijn GKM-gelden (€ 145.000,--) gelabeld (zie pagina 10 / 11 van het beeldkwaliteitsplan) Alleen bij een positief advies van de LKM-commissie kan aanspraak gemaakt worden op deze GKM-gelden.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
46
PouderoyenTonnaer
Conclusie ten aanzien van lid 2: Gelet op het bovenstaande en onder verwijzing naar de verantwoording ten aanzien van lid 1 alsmede het beeldkwaliteitsplan, waarvan onderdeel uitmaakt het landschapsplan en het landschappelijk inpassingsplan, wordt vastgesteld dat adequaat rekening is gehouden met de kernkwaliteiten in relatie tot de ontwikkeling.
3.2.5
Toetsing provinciaal beleid: Regionale bestuursafspraken
In December 2014 hebben Provinciale Staten unaniem het POL2014 (voorloper van de Omgevingsvisie Limburg) vastgesteld. Daarna zijn de gemeenten in regionaal verband (Noord/Midden/Zuid) aan de slag gegaan met de uitwerking van acht thema’s: wonen, bedrijventerreinen, kantoren, detailhandel, landbouw, vrijetijdseconomie, energie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Dit proces heeft in elk van de drie regio’s geresulteerd in regionale bestuursafspraken. De afspraken zijn een belangrijke mijlpaal op weg naar het realiseren van de ambities uit het POL2014 en het gezamenlijk aanpakken van de grote maatschappelijke opgaven waar Limburg voor staat. De regionale afspraken kennen hun verankering via paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014. De regionale afspraken gaan vooral over regionale afstemming van initiatieven en over het vorm en inhoud geven aan dynamisch voorraadbeheer voor thema’s als wonen en winkels. Ze geven uiting aan het groeiend besef dat deze vraagstukken regionaal opgepakt moeten worden en dat daarbij stevige keuzes niet uit de weg gegaan mogen worden, juist om ruimte te creëren voor initiatieven die echt iets toevoegen. De afspraken (met uitzondering van het thema wonen) zijn nog vooral procesafspraken. Het onderhavige initiatief is afgestemd in het werkveld Economisch beleid. Landbouwinitiatieven worden regionaal niet afgestemd.
Vanuit het werkveld Economisch beleid is aangegeven dat er geen bezwaren bestaan tegen het initiatief. Zie hiervoor de bijlagen 17 en 18 bij de toelichting.
3.2.6
Klimaatadaptatie
In artikel 2.19 van de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 staat dat er met een ruimtelijke ontwikkeling rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de risico's van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico's ten aanzien van: a. wateroverlast (door overvloedige neerslag); b. overstroming; c. droogte. Daarnaast vraagt het betreffende artikel om een beschrijving in de toelichting van de maatregelen en voorzieningen die (indien aan de orde) worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Voor wat betreft het aspect klimaatadaptatie wordt in deze paragraaf ingegaan op de relevante
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
47
PouderoyenTonnaer
aspecten die aan de orde zijn bij zowel de ontwikkeling aan de Zandweg 10 als de ontwikkeling aan de Swaantjesweg 16 (gelet op het feit dat de ruimtelijke onderbouwing van Swaantjesweg hierin nog niet voorziet). Zandweg 10 Voor wat betreft het in beeld krijgen van de in artikel 2.19 benoemde risico’s kan gebruik gemaakt worden van de stresstest- en overstromingskaarten van de klimaatatlas van Water in Limburg, waterpanel Noord. Deze zijn raadpleegbaar via https://wpn.klimaatmonitor.net/ Wateroverlast en overstroming: Voor wat betreft wateroverlast vanwege neerslag blijkt dat in het plangebied geen risico’s zijn voor wateroverlast. Een mogelijke overstroming van de Pepinusbeek bereikt het plangebied op grond van de gecombineerde stedelijke en regionale wateroverlastkaart uit de bovengenoemde klimaatatlas niet.
Afbeelding: gecombineerde stedelijke en regionale wateroverlast kaart in de omgeving van de planlocatie, waarbij de blauwe arcering duidt op mogelijke wateroverlast (bron: klimaatatlas van Water in Limburg, waterpanel Noord) Voor wat betreft overlast van grondwater laat de stresstestkaart voor deze omgeving geheel geen risico’s zien.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
48
PouderoyenTonnaer
Droogte: In onderstaande afbeelding zijn de scenario’s voor wat betreft een daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand vervat voor een droog jaar (KNMI Klimaatscenario WH2050). Uit onderstaande afbeelding valt af te leiden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een lichte daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand. Ten noorden van het plangebied kleurt de kaart ‘meer rood’, hetgeen betekent dat daar grotere dalingen zijn te verwachten en dus meer droogte. Binnen het plangebied ten zuiden van de Zandweg speelt dit in mindere mate. Een daadwerkelijk risico op droogte is binnen het plangebied minder aan de orde.
Afbeelding; de gemiddelde laagste grondwaterstand vervat voor een droog jaar (KNMI Klimaatscenario WH2050) Maatregelen Zandweg 10: In dit bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 2.19 van de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 invulling gegeven aan een klimaatadaptieve ontwikkeling waarbij waterberging en realisatie van groenelementen een nadrukkelijk onderdeel vormen. Hiervoor wordt verwezen naar overige delen van deze toelichting. Van echte risico’s ten aanzien van wateroverlast, overstroming en droogte is binnen het plangebied geen sprake.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
49
PouderoyenTonnaer
Swaantjesweg 16 Voor wat betreft het in beeld krijgen van de in artikel 2.19 benoemde risico’s kan gebruik gemaakt worden van de stresstest- en overstromingskaarten van de klimaatatlas van Water in Limburg, waterpanel Noord. Deze zijn raadpleegbaar via https://wpn.klimaatmonitor.net/ Wateroverlast en overstroming: Voor wat betreft wateroverlast vanwege neerslag blijkt dat in het plangebied geen risico’s zijn voor wateroverlast.
Afbeelding: gecombineerde stedelijke en regionale wateroverlast kaart in de omgeving van de planlocatie, waarbij de blauwe arcering duidt op mogelijke wateroverlast (bron: klimaatatlas van Water in Limburg, waterpanel Noord) Droogte: In onderstaande afbeelding zijn de scenario’s voor wat betreft een daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand vervat voor een droog jaar (KNMI Klimaatscenario WH2050). Uit onderstaande afbeelding valt af te leiden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een lichte daling van de gemiddelde laagste grondwaterstand. Een daadwerkelijk risico op droogte is binnen het plangebied niet aan de orde.
Afbeelding; de gemiddelde laagste grondwaterstand vervat voor een droog jaar (KNMI Klimaatscenario WH2050)
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
50
PouderoyenTonnaer
Maatregelen Swaantjesweg 16: In dit bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 2.19 van de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg 2014 invulling gegeven aan een klimaatadaptieve ontwikkeling waarbij ontstening en realisatie van groenelementen een nadrukkelijk onderdeel vormen. Hiervoor wordt verwezen naar overige delen van de toelichting die zijn opgenomen in bijlage 15 bij deze toelichting. Van echte risico’s ten aanzien van wateroverlast, overstroming en droogte is binnen het plangebied geen sprake.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
51
PouderoyenTonnaer
3.3
Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Echt – Susteren 2012 – 2025, ‘Ontwikkelen met kwaliteit’ De 'Structuurvisie Echt-Susteren 2012 – 2025, ‘Ontwikkelen met kwaliteit' is opgesteld met het doel een duidelijke en actuele visie te formuleren op het gehele gemeentelijke grondgebied, waaronder begrepen het plangebied. Deze visie, met de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke gebiedsanalyse, is een belangrijke onderlegger geweest voor de opstelling van het integrale bestemmingsplan ‘Buitengebied’ . In de Structuurvisie is tevens het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu verwerkt. Voor onderhavige opgave biedt de visie een kader om het initiatief af te wegen en deze via een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure te verwezenlijken. Hierbij geldt als kanttekening dat de Structuurvisie voornamelijk ziet op voorspelbare c.q. standaard ontwikkelingen. De ontwikkeling van het ‘LIVAR Experience Centre’ moet worden gezien als een ontwikkeling, welke om een maatwerkbeoordeling vraagt. Algemene beschouwing Structuurvisie De dynamiek in het landelijk gebied neemt toe. Sommige veranderingsprocessen zijn voorzienbaar, andere doen zich als het ware 'willekeurig' en 'onvoorspelbaar' voor op basis van initiatieven in het veld.
Waar het bestemmingsplan bij uitstek geschikt is, om bestaande rechten en de voorzienbare ofwel 'bekende' toekomst goed te regelen, is het bestemmingsplan veel minder in staat om de 'onbekende' toekomst op juiste wijze te geleiden. De toegenomen dynamiek in het landelijk gebied stelt het gemeentebestuur steeds vaker voor vragen die door het bestemmingsplan niet kunnen worden beantwoord. Vragen die voortvloeien uit initiatieven in het veld waarvan het waard is dat hierop positief kan worden gereageerd, mits zij een bijdrage leveren aan de kernkwaliteiten van het gebied. De structuurvisie kent dan ook 3 tijdshorizonnen, namelijk: • •
•
het visie- en strategiedeel met zes leidende principes die gelden bij de beoordeling van een initiatief; het beleidskader waarin de ambities voor de komende 10 jaar staan beschreven, inclusief een landschapskader dat de kernkwaliteiten en ontwikkelingsperspectieven van de zes onderscheiden landschappen beschrijft; het uitvoeringsprogramma waarin staat aangegeven wat de concrete acties zijn voor de eerstkomende jaren.
De Structuurvisie heeft een globaal karakter en beschrijft niet precies waar wat precies komt en hoe groot iets worden mag of moet. Deze normen worden in een bestemmingsplan opgenomen. De Structuurvisie geeft koersen aan op hoofdlijnen en laat daarbij ruimte voor de 'onbekende' toekomst. De Structuurvisie maakt ontwikkelingen mogelijk die we nu nog niet kunnen voorzien, maar evengoed (onder voorwaarden) toe willen laten als ze bijdragen aan de centrale doelstelling: de kwaliteit van ons landelijk en stedelijk gebied.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
52
PouderoyenTonnaer
In de Structuurvisie staan de volgende kwaliteitscriteria centraal: 1. 2. 3. 4.
meer aandacht voor de duurzame ondergrond (lagenbenadering); zorgvuldig ruimtegebruik met aandacht voor (beeld)kwaliteit; grensoverschrijdend denken en handelen; tegengaan van verstening in het buitengebied (indien geen passend onderdeel van doelstellingen); 5. kwaliteit belangrijker dan kwantiteit; 6. bereikbaarheid is belangrijker dan aanwezigheid/nabijheid. De Structuurvisie besteedt op basis van trends en ontwikkelingen uitgebreid aandacht aan het buitengebied. In de Structuurvisie staat vermeld dat het buitengebied veel verschillende functies kent zoals natuur, water, land- en tuinbouw, recreatie, toerisme en kleinschalige bedrijfsfuncties. “Ten aanzien van natuur geldt dat deze onder druk staat van toenemende verstedelijking, uitbreiding van de landbouw en intensiever gebruik door de recreant. Tevens zijn er door bezuinigingen op rijksniveau flink minder financiële middelen om de gestelde natuurdoelstellingen te halen. Rond het thema water noopt de klimaatverandering tot het nemen van maatregelen om wateroverlast tegen te gaan en zien we verder natuurlijk een blijvende behoefte aan voldoende schoon drinkwater. Ten aanzien van de landbouw geldt dat deze sector van oudsher erg belangrijk is voor de gemeente Echt-Susteren. Zowel in economisch als in sociaal opzicht.
De landbouw staat echter onder druk en er doen zich de komende jaren majeure veranderingen voor in de landbouwsector: Europese landbouwsubsidies worden afgebouwd, de grondprijzen stijgen, de overheid neemt maatregelen om milieuproblemen en (verspreiding van) dierziekten tegen te gaan en de consument vraagt om schone, diervriendelijke en veilige productiewijzen. Ook de toenemende waardering voor natuur en landschap, rust en ruimte legt een druk op de landbouw. Daarnaast zijn er mondiale landbouwtrends als toenemende schaalvergroting, intensivering van het grondgebruik en mechanisering. De reacties van boeren op deze ontwikkelingen lopen uiteen. Er is een groep die inzet op intensivering en schaalvergroting. Ook is er een groep die overschakelt op kleinschalige, extensieve of gespecialiseerde vormen van landbouw zoals boomteelt. Een derde groep zoekt het in de verbrede landbouw, zoals agrarisch natuurbeheer en een boerenerf dat steeds meer ook werkterrein wordt voor zorg, recreatie, zakelijke dienstverlening, horeca en detailhandel. Zowel streekproducten als biologische producten zijn in opkomst. Tot slot is er een groep die emigreert of stopt met het boerenbestaan. Op basis van landelijke inschattingen betreft deze laatste groep naar verwachting zo'n 30-50% van alle veebedrijven. Dit zal leiden tot vrijkomende bedrijfslocaties.
Op het vlak van recreatie valt op dat de burger steeds meer vrije tijd heeft en die steeds vaker doorbrengt in korte vakanties in het buitengebied. Het buitengebied wordt daarbij een soort consumptiegebied voor hem, waar hij volop wil fietsen, paardrijden, wandelen en cultuurhistorisch en landschappelijk gezien wil kunnen genieten.” (citaat uit de structuurvisie). Voor het buitengebied heeft de gemeente een aantal ambities geformuleerd. Het realiseren van deze ambities draagt bij aan het halen van onze algemene doelstelling om ook in 2025 en lang daarna een aantrekkelijke gemeente te zijn waar het prettig wonen, werken en recreëren is.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
53
PouderoyenTonnaer
Het betreft de volgende ambities: 1. 2. 3. 4. 5.
de rust en ruimte in het buitengebied behouden en waar mogelijk versterken; verdere verstening tegengaan (indien geen passend onderdeel van doelstellingen); vergroting van de contrasten tussen de aanwezige landschappen; komen tot een groen-blauwe ecologische ladder; behoud van een economisch gezonde, duurzame agrarische sector met het juiste bedrijf op de juiste plek; 6. ruimte bieden aan een breed georiënteerde plattelandseconomie; 7. het zijn van een toeristisch-recreatieve schakel in de Euregio. Ter realisering van voornoemde ambities is het buitengebied in een aantal zones verdeeld. Dat wil zeggen dat het in een aantal gebieden is verdeeld, waarin de ontwikkeling van sommige functies gestimuleerd en die van andere afgeremd worden. Op deze wijze kunnen de hoofdfuncties natuur, landbouw en recreatie ieder voor zich en in onderling verband ook in de toekomst maximaal tot hun recht komen door deze functies ruimtelijk bij elkaar te brengen waar dat nuttig is en de functies te scheiden waar ze elkaar dwars (dreigen te) zitten. In de Structuurvisie is een 'Functionele Zonering Buitengebied' opgenomen. Deze kaart bevat een ruimtelijk-functionele zonering die aangeeft welke functies in de verschillende gebieden worden toegelaten of gestimuleerd en welke moeten worden geweerd en teruggedrongen. Grofweg zijn twee hoofdzones te onderscheiden: een groene zone en een agrarische zone.
Aan het buitengebied gebonden recreatie kan zich, onder voorwaarden, meestal zowel in de groene als in de agrarische zone bevinden. Dit sluit aan bij de gedachte dat de economische kracht van het buitengebied ook bij de in de toekomst verwachte afname van agrarische bedrijven moet worden behouden en aan de vrijkomende agrarische bebouwing een nieuwe functie moet worden gegeven. Met behulp van de Structuurvisie biedt de gemeente daarom in het gehele buitengebied ruimte voor nieuwe economische dragers, zoals (aan het buitengebied gerelateerde) recreatieve ontwikkelingen. Voorts is van belang dat de gemeente op termijn streeft naar het realiseren van een 'groen-blauwe ecologische ladder' die bestaat uit met elkaar verbonden natuurgebieden. Deze dient aan te sluiten op gemeentegrens overschrijdende delen van deze ladder. Niet alleen flora en fauna zijn bij deze ecologische ladder gebaat, ook de recreant en de bewoner zal deze landschappelijke versterking waarderen. De ladder omvat de gehele ecologische hoofdstructuur (EHS, P1 in POL2006), het Provinciaal OmgevingsGroen (POG, P2 in POL2006) en de Wensen Groene Waarden uit de Gebiedsvisie Groene Waarden Westelijke Mijnstreek. Buiten de groen-blauwe ladderstructuur wordt gestreefd naar een aantrekkelijk agrarisch cultuurlandschap.
Structuurvisie in relatie tot ontwikkeling Livar Experience Centre In onderstaande is een uitsnede van de verbeelding van de Structuurvisie opgenomen van de locatie Zandweg 10. In vergelijk met de verbeelding van de zonering van de Omgevingsverordening Limburg 2014 valt hierbij de herbegrenzing van het P1 (EHS) gebied op in de vertaling naar ‘Goudgroene natuurzone’ naar ‘Zilvergroene natuurzone’ voor wat betreft de locatie Zandweg. De betreffende ‘Goudgroene natuurzone’ is ter plaatse van de Zandweg nu buiten het plangebied gelegen.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
54
PouderoyenTonnaer
Uitsnede kaartbeeld structuurvisie Echt-Susteren (Ontwikkellocatie Zandweg 10 omcirkeld).
Het Livar Experience Centre bezien in relatie tot de ontwikkelmodules van de Structuurvisie: Met het Livar Experience Centre bestaat het voornemen om bezoekers op één locatie kennis te laten maken met alle aspecten van het Limburgs Kloostervarken en de bijbehorende bedrijfsvoering. In de beoogde situatie bestaat het planvoornemen uit drie hoofdonderdelen die gelijkwaardig in combinatie met elkaar moeten kunnen functioneren. Dit betreft de boerderij met huisvesting voor uitloopvarkens, het vleesatelier en het bezoekerscentrum (inclusief proeflokaal en winkel). In het Livar Experience Centre concept worden de volgende doelstellingen nagestreefd: 1. Innovatie: a. Maatschappelijk verantwoord: verbetering dierenwelzijn/verminderen milieubelasting/vlees smaakvoller maken. b. Verbeterde stalsystemen en ammoniakreductie. c. Energieneutrale bedrijfsvoering. d. Landschappelijke inpassing. 2. Educatie: a. Bezoekers leren waar het karbonaadje/ham vandaan komt en welke verschillen er zijn tussen soorten varkens/vlees. b. Samenwerking met onderwijsinstellingen in de regio. Voor een ambachtelijk bedrijf als Livar is het van belang dat mensen enthousiast worden gemaakt voor het ambachtelijke slagersvak en het vak van dierverzorger.
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
55
PouderoyenTonnaer
3. Toerisme en transparantie: a. Bezoekers laten zien dat Livar varkens een goed leven hebben en dat op een ambachtelijke kleinschalige wijze mooie producten gemaakt kunnen worden. b. Bezoekers krijgen de mogelijkheid om het gehele bedrijf te kunnen zien. In de stallen worden hiertoe bezoekersruimten gemaakt. Buiten worden wandelpaden gemaakt om c.
de varkens in de buitenuitlopen te kunnen zien. Door de aanwezigheid van een horecafaciliteit en een winkel is het geheel een leuk dagje uit voor gezinnen met kinderen.
4. Economisch: a. Productpresentaties/proeverijen. b. Na afloop van een bezoek aan de boerderij kan gebruik gemaakt worden van een Livarproeverij en/of in de winkel/slagerij kunnen producten gekocht worden. De Structuurvisie is opgesteld met als doel gewenste ontwikkelingen zoveel mogelijk te faciliteren en ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied dusdanig financieel te belasten dat deze vanuit economisch oogpunt onaantrekkelijk worden gemaakt. In de Structuurvisie is hiertoe een afwegingskader (ontwikkelmodules) per functie (bijvoorbeeld wonen, agrarische bedrijvigheid of recreatie) opgenomen. In het afwegingskader wordt vervolgens de wenselijkheid van de ontwikkeling per landschapstype aangegeven. De mate van wenselijkheid komt tevens tot uitdrukking in de financiële GKM-verplichting. Wanneer het totaalconcept ondergebracht dient te worden onder het afwegingskader (de ontwikkelmodules), zoals opgenomen in de Structuurvisie, dan leidt dit tot de situatie dat er geen passende ontwikkelmodule voor handen is om de wenselijkheid/locatiekeuze van het initiatief te kunnen beoordelen. Er is immers sprake van een totaalconcept waarbij de hoofdfuncties (agrarisch ( varkenshouderij met vrije uitloop en vrije weidegang)/vleesatelier/bezoekerscentrum) elk als gelijkwaardig uit te oefenen functies aangemerkt dienen te worden.
Als gevolg hiervan is bij de onderhavige ontwikkeling geen sprake van één hoofdfunctie waar het afwegingskader in de Structuurvisie vanuit gaat. Zoals gesteld bestaat het Livar Experience Centre concept uit verschillende functies waar in het kader van de ontwikkelmodules verschillende (financiële)kwaliteitsbijdragen voor gelden. Wanneer uitgegaan wordt van de afzonderlijke van toepassing zijnde ontwikkelmodules (4. Nieuwvestiging IV (een varkenshouderij wordt op grond van de Structuurvisie generiek nog als intensieve veehouderij aangemerkt op basis van oud provinciaal beleid)/ /9. niet-buitengebied relateerde bedrijven/16. Overig gebouwde functies) dan worden door het GKM de volgende ‘prikkels’ afgegeven: a. industriële functies dienen gerealiseerd te worden op een regulier bedrijventerrein; b. verstening van het buitengebied dient te worden tegengegaan; c. detailhandel en andere niet-gebiedseigen functies dienen gerealiseerd te worden in de kernen d. nieuwvestiging van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan in het Landbouw Ontwikkelingsgebied en op locaties waar planologisch een intensieve veehouderij is toegestaan
Bestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’
56
PouderoyenTonnaer
Wanneer de voornoemde prikkels worden afgegeven ten aanzien van het Livar Experience Centre dan dient de voorgenomen ontwikkeling vanuit het GKM te worden voorzien van compenserende kwaliteitsmaatregelen. Vanuit het GKM dient het vleesatelier immers in beginsel op het bedrijventerrein gevestigd te worden en de beoogde detailhandel/horeca/bezoekerscentrum binnen de kern. Daarnaast is de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij (zo wordt een varkenshouderij generiek nog beschouwd in de Structuurvisie op basis van oud provinciaal beleid) in beginsel alleen binnen een landbouwontwikkelingsgebied mogelijk of op een bestaande intensieve veehouderijlocatie. Zoals gesteld is er geen passende ontwikkelmodule voor handen voor de nieuwvestiging van de agrarische activiteiten gecombineerd met het vleesatelier en een bezoekerscentrum. Echter, wanneer het totale concept wordt afgezet tegen de afzonderlijke gemeentelijke beleidsdoelstellingen dan is het concept wel wenselijk. Hierbij geldt verder dat vanuit het oogpunt van het bieden van een totaalconcept met agrarische activiteiten (in uitvoering vergelijkbaar aan een varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop), waarin alle relevante bedrijfsonderdelen op één locatie samenkomen, uitsluitend een locatie in het buitengebied, zoals de onderhavige, geschikt is.