Toelichting
Tekst van het document
Er wordt in dit verband een onderscheid gemaakt tussen: Algemene welstandscriteria (vangnetcriteria); Welstandscriteria bij ingrepen in bestaande gebieden (op basis van gebiedsbeschrijving); Welstandscriteria bij grotere ontwikkelingsprojecten (nader uit te werken beeldkwaliteitsplannen); Welstandscriteria voor specifieke typen bouwwerken. De welstandscriteria worden per gebied omschreven, waarbij ook de "intensiteit" van het welstandstoezicht wordt bepaald. Er worden drie welstandsniveaus onderscheiden. Het betreft binnen het plangebied Welstandsniveau 2: plannen in gebieden die in het bestemmingsplan tevens zijn bestemd als cultuurhistorie, benevens panden die in datzelfde bestemmingsplan zijn aangemerkt als karakteristiek. Het betreft hier gebieden die worden gekenmerkt door de ter plaatse aanwezige stedenbouwkundige, cultuurhistorische en in architectuurhistorisch opzicht waardevolle elementen (monumenten, karakteristieke bebouwing), patronen en verkavelingen. Het welstandstoezicht is erop gericht, dat de waardevolle elementen in stand worden gehouden en worden beschermd, zodat nieuwe ontwikkelingen voldoen aan de historisch bepaalde eisen van de context. Het beleid is gericht op instandhouding en bescherming, maar biedt tevens ruimte aan ontwikkelingen die moeten voldoen aan de cultuurhistorisch bepaalde context. De welstandseisen zijn hier streng.
Relevantie voor het plan De ontwikkeling van een foodmarkt in het aanwezige monumentale pand geeft invulling aan de Welstandsnota. Verder vinden er op voorhand geen wijzigingen en/of aanpassingen plaats die relevant zijn in relatie tot de geldende Welstandsnota.
54
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
3.3.4
Vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied is gelegen binnen diverse bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan waar het grootste deel van het plangebied binnen valt, is het bestemmingsplan “Stedelijk gebied”. Dit bestemmingsplan is op 26 mei 2016 door de raad van de gemeente Echt-Susteren vastgesteld. Voor het plangebied gelden diverse bestemmingen, dubbelbestemmingen, aanduidingen en maatvoeringen. Daarnaast geldt ook bestemmingsplan De Loop 2012, 1e herziening (vastgesteld op 14 december 2012).
Afbeelding 22: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Stedelijk gebied' (bron: ruimtelijk eplannen.nl)
Afbeelding 23: Uitsnede vigerend bestemmingsplan Bedrijventerrein De Loop 2012, 1e herziening (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
55
Relevantie voor het plan Voorliggend bestemmingsplan bevat een aantal ontwikkelingen en regelt voor een groot deel de bestaande, huidige situatie binnen het centrum van Echt. Dit bestemmingsplan beslaat het grondgebied waarvoor een voorbereidingsbesluit is genomen, met daarbij nog een extra perceel aan de zuidwest zijde van het plangebied.
56
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
Hoofdstuk 4 M ilieutechnische en planologische randvoorwaarden 4.1
Milieueffectrapportage
Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden.
De belangrijkste wijzigingen betreffen het aanpassen van de richtlijnen m.b.t. de activiteiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling of een m.e.r. moet worden opgesteld. De plandrempels zijn gewijzigd, maar het karakter ervan is eveneens gewijzigd. Het bevoegd gezag zal zich er voortaan van moeten vergewissen of de activiteiten in dit onderdeel ook beneden de drempel geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. In bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' zijn de selectiecriteria beschreven die bepalen of er mogelijk sprake is van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu.
Hierbij moet worden gedacht aan de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en natuurlijk de mate van verontreiniging of hinder. Ten tweede is de locatie van de projecten natuurlijk van belang. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen. Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende te allen tijde te worden meegewogen: Het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking). Het grensoverschrijdende karakter van het effect. De waarschijnlijkheid van het effect. De duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Het Besluit m.e.r. is gewijzigd ter implementatie van de Wijzigingsrichtlijn m.e.r. Het gewijzigde Besluit m.e.r. kent een nieuwe procedure voor de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is geregeld in artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r.
Relevantie voor het plan In Bijlage 24 is de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Op basis hiervan heeft het college van burgemeester en wethouders op 9 juni 2020 de beslissing genomen dat het opstellen van
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
57
een milieueffectrapport niet noodzakelijk is.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Beleidskader Op basis van de Erfgoedwet en het gemeentelijke archeologiebeleid is het verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening te houden met bekende én te verwachten archeologische waarden in het plangebied.
Cultuurhistorie De cultuurhistorische waarden zijn door de gemeente Echt-Susteren verankerd in het bestemmingsplan "Cultuurhistorie Echt-Susteren". Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 22 september 2016. De regels uit dit bestemmingsplan met betrekking tot bebouwing en/ of cultuurhistorische ensembles zijn middels de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Ook de status van Rijksmonument, die op de bebouwing op het Valk-terrein rust, is in dit bestemmingsplan opgenomen.
Archeologie Voor de gemeente Echt-Susteren is een kaart met archeologische verwachtingswaarden opgesteld. De gronden met een archeologische verwachtingswaarden zijn van een dubbelbestemming voorzien in voorliggend bestemmingsplan. Wat betreft de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de begrenzingen zoals opgenomen in reeds geldende bestemmingsplannen. Ter plaatse van het terrein van De Valk is geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen. Archeologie staat de ontwikkeling van dit terrein dan ook niet in de weg.
Relevantie voor het plan De reeds geldende dubbelbestemmingen voor archeologische verwachtingswaarden en cultuurhistorische waarden zijn overgenomen in dit bestemmingsplan. Hiermee zijn deze waarden voorzien van een passende bescherming.
4.3
Bedrijven- en milieuzonering
De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken, moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In aanvulling op de milieuvergunning worden er in voorkomende gevallen ook afstanden vastgelegd tussen bedrijven en woonbuurten. De benodigde afstand tussen bedrijven en woonbuurten is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijk gebieden.
In het kader van de haalbaarheid van de planologische inpassing van de herstructurering van het centrum van Echt in de gemeente Echt-Susteren is een onderzoek 'bedrijven- en milieuzonering' uitgevoerd. In Bijlage 7 van dit document is het complete onderzoek opgenomen.
58
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. Het plangebied betreft het centrum van de kern Echt. Dit centrum wordt gekenmerkt door een diversiteit van functies. Ook buiten de grens van het plangebied is sprake van een diversiteit aan functies, waaronder wonen, bedrijven en horeca. Gelet op de invulling van het plangebied en de omgeving, is de omgeving als 'gemengd gebied' te karakteriseren.
Zowel de richtafstanden vanuit de omgeving als de richtafstanden binnen het plangebied zijn beschouwd in het onderzoek. Het plangebied bevindt zich deels binnen de richtafstanden van het naastgelegen bedrijventerrein. Nadere beschouwing van de milieuaspecten wijst uit dat de realisatie van het plangebied niet leidt tot een beperking van de milieuruimte van de naastgelegen bedrijven. Binnen het plangebied is sprake van een goed verblijfklimaat ten gevolge van de naastgelegen bedrijven. Binnen het plangebied is sprake van de realisatie van een foodmarkt, parkeerterrein en op termijn wellicht bedrijvigheid tot en met categorie 2 (uit te werken bestemming). Voor de foodmarkt geldt dat het aspect geluid het enige relevante milieuaspect is. Voor de nieuw te ontwikkelen bedrijvigheid dient te zijner tijd te worden aangetoond dat deze past binnen de omgeving. Voor de foodmarkt met naastgelegen parkeerterrein is daarom door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond dat enerzijds wordt voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en anderzijds dat bij de woningen in de omgeving sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de inhoud van dit onderzoek wordt hier verwezen naar paragraaf 4.6 en Bijlage 8 bij deze toelichting. Relevantie voor het plan Het aspect bedrijven- en milieuzonering staat de ontwikkelingen binnen dit plangebied niet in de weg.
Wat betreft geluid in relatie tot ontwikkeling van de foodmarkt binnen het plangebied, zie ook paragraaf 4.6 en Bijlage 8. In het kader van de opgenomen wijzigingsbevoegdheden wordt te zijner tijd opnieuw het aspect 'bedrijven- en milieuzonering' onderzocht.
4.4
Bodem
In Nederland regelt de Wet bodembescherming de omgang met gronden met als doel te voorkomen dat nieuwe bodemverontreinigingen ontstaan en bestaande bodemverontreinigingen worden verspreid. Ook worden eisen gesteld aan de bodemkwaliteit bij verschillende gebruiksfuncties. De kwaliteit van de bodem (aan/afwezigheid van verontreinigingen) dient bijvoorbeeld beter te zijn bij de toekenning van een woonfunctie dan bij het gebruik van gronden voor industrie.
Bodemonderzoek verbindingsweg NEN 5725 In het kader van de ontwikkeling van het ‘Centrumplan Echt’ en de aanleg van een verbindingswegvanaf de weg Zuiderpoort naar de parkeerplaats bij het Ursulinenplein, wordt de bestemming van het betreffende perceel aangepast. Om na te gaan of de milieukundige kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de bestemmingswijziging, is een bodemonderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd.
Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport dat als Bijlage 10 bij deze toelichting is opgenomen.
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
59
Historisch grondgebruik Voor zover uit de oude topografische kaarten kan worden afgeleid, is de locatie altijd in gebruik geweest als landbouwgrond (als akker- of weiland) en is ter plaatse nooit bebouwing of verharding aanwezig geweest. Het historisch gebruik van de grond is derhalve onverdacht. Door het agrarisch grondgebruik kunnen evenwel licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK in de bovengrond (als gevolg van de toepassing van meststoffen) niet worden uitgesloten. Deze verwachte kwaliteit komt ook overeen met de (ontgravings-)kwaliteit van de boven- en ondergrond zoals aangegeven in de Bodemkwaliteitskaart (BKK) van de gemeente Echt-Susteren. Asbest Het onderzoeksperceel aan de Zuiderpoort is van oudsher tot op heden in gebruik geweest als landbouwgrond. Volgens historische kaarten is op het perceel nooit bebouwing of verharding aanwezig geweest, waardoor de aanwezigheid van asbest in de grond kan worden uitgesloten. De locatie is asbest-onverdacht. PFAS en GenX De onderzoekslocatie is onverdacht ten aanzien van lokaal verhoogde gehalten aan PFAS en/of GenX in de grond als gevolg van (historische) bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De aanwezigheid van licht verhoogde (diffuus verspreide) gehalten aan PFAS in de grond (hoger dan de detectiegrens) kunnen niet worden uitgesloten.
Gehalten aan PFAS in de grond hoger dan de voorlopige toepassingswaarden worden echter niet verwacht. Verontreinigingen omgeving De onderzoekslocatie is gelegen op relatief korte afstand van een tankstation (Zuiderpoort 12). Hoewel ter plaatse van het tankstation een sterke verontreiniging met minerale olie in de grond is aangetoond en (in 1993) zelfs bodemsanering heeft plaats gevonden, was de omvang van de grondverontreiniging beperkt tot de directe nabijheid van de tankzuil. De olieverontreiniging in de grond is met de sanering waarschijnlijk niet volledig verwijderd, waardoor in het ondiepe grondwater ter plaatse nog lichte of matige verontreinigingen met minerale olie zijn aangetoond. Door de noordwestelijke grondwaterstromingsrichting wordt ter plaatse van de onderzoekslocatie echter geen nadelige invloed van het (noordwestelijk gelegen) tankstation op de grondwaterkwaliteit verwacht. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie (bovenstrooms voor wat betreft de rondwaterstromingsrichting) was vroeger een elektronica-printplatenfabrikant gelegen (Mommers Printservice; chemo-grafische industrie). Als gevolg van lekkage van ontvettingsbaden is het grondwater ter plaatse tot op grote diepte en tot in de wijde omtrek verontreinigd geraakt met vluchtige organochloorverbindingen (VOCl).
Met onderzoek in 1996 op het naburige perceel Zuiderpoort 12 zijn in het ondiepe grondwater boven- en benedenstrooms van het tankstation, lichte verontreinigingen met VOCl aangetoond. Hierdoor kunnen ook in het grondwater ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie verhoogde gehalten aan VOCl niet worden uitgesloten. Grondwaterverontreiniging xylenen In 2003 is in het grondwater bovenstrooms van het tankstation (Pb1) een lichte verontreiniging met xylenen aangetoond. De herkomst van de verontreiniging met xylenen is onbekend. Hierdoor kunnen ook in het grond water ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie verhoogde gehalten aan xylenen
60
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
niet worden uitgesloten. Molenbeek De onderzoekslocatie grenst in oostelijke richting aan de Molenbeek. Ter plaatse van de Molenbeek heeft in 1999-2000 bodemsanering plaatsgevonden vanwege ernstige verontreiniging met zware metalen. Hierbij is het verloop van de Molenbeek in westelijke richting verlegd. Het oorspronkelijke verloop van de Molenbeek ligt circa 10 à 50 meter verder in oostelijke richting (ter hoogte van de huidige Grachtstraat en verder oostelijk). Verontreiniging van de grond ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie als gevolg van de afzetting van verontreinigd slib tijdens overstromingen van de Molenbeek, wordt niet verwacht doch kan ook niet volledig worden uitgesloten.
Aanbevelingen Ter plaatse van de aan te leggen verbindingsweg op het perceel aan de Zuiderpoort kunnen in de grond (vanwege het historische, agrarische gebruik) licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK worden verwacht. In het ondiepe grondwater (naar verwachting vanaf circa 3,5 m –mv) kunnen lichte (lokale) verontreinigingen met VOCl en xylenen, alsmede (regionale) licht verhoogde gehalten aan zware metalen worden verwacht. Hoewel niet geheel uit te sluiten, worden in de grond geen verhoogde gehalten aan PFAS of GenX verwacht. Een verontreiniging met asbest wordt in de grond niet verwacht. De te verwachten lichte verontreinigingen in de grond vormen geen belemmering voor de realisatie van de verbindingsweg. Vrijkomende grond is op basis van de Bodemkwaliteitskaart binnen een vergelijkbare (of zone met slechtere kwaliteit) herbruikbaar. De kwaliteit van het grondwater is voor de uitvoering van de plannen niet relevant.
Bodemonderzoek Aasterberg conform NEN 5740 Voor het terrein aan de Aasterbergweg is een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 11 bij deze toelichting. Onderstaand zijn de conclusies kort weergegeven.
De verhardingslaag (in dikte variërend van 20 tot 200 cm) die bestaat uit gecertificeerd puin is ten behoeve van het onderzoek ontgraven door Noortman Grondverzet. Door de aanwezige bodemopbouw was het handmatig plaatsen van peilbuizen niet mogelijk, deze zijn op 12-09-2019 machinaal geplaatst. Alle boringen zijn doorgezet tot minimaal 50 cm onder de verhardingslaag. Op enkele plaatsen werden nog restanten ongebroken puin aangetroffen in de bodem onder de verhardingslaag. De verhardingslaag ligt op het grootste deel van de plaatsen op de leemhoudende ondergrond, op enkele plaatsen is deze leemlaag afwezig en ligt de verharding rechtstreeks op de ondergrond van zandig grind. Sporadisch wordt een bijmenging met puin in de onderliggende bodem aangetroffen. Bij boring 201 werd een zwakke olie-achtige lucht waargenomen in de bodemlaag onder het puin (204-254 cm-mv). Deze bodemlaag blijkt niet verontreinigd te zijn met minerale olie of vluchtige aromaten. De bodem onder de verhardingslaag is diffuus licht verontreinigd met zware metalen, waarschijnlijk betreft het hier voor het overgrote deel van nature verhoogde gehalten. In de onderliggende bodem ter plaatse van het terreindeel wat overgaat naar de gemeente Echt-Susteren is geen PFAS aangetroffen.
Het grondwater is diffuus licht verontreinigd met zware metalen en ter plaatse van het zuidelijk terrein (zeer) licht verontreinigd met dichlooretheen en trichloorethaan. De hypothese verdachte locatie kan worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
61
Onderzoek naar de kwaliteit van de gronddepots op de locatie vindt in ander kader plaats. Naar aanleiding van deze conclusies is aangegeven dat er op basis van de onderzoeksresultaten, vanuit bodemhygienisch oogpunt geen restricties gesteld hoeven te worden aan aan- of verkoop van of bouwactiviteiten op de onderzochte locatie. De sporadische bijmenging met puin in de onderliggende bodem vormt, op basis van NEN5707, geen aanleiding tot het instellen van een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest. De lichte verontreinigingen in de bodem onder de puinlaag vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek of het treffen van sanerende maatregelen.
Indien, bijvoorbeeld bij bouwactiviteiten, grond vrijkomt die op een andere locatie zal worden hergebruikt dan dient bepaald te worden wat de kwaliteit is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
Relevantie voor het plan Op basis van de uitgevoerde onderzoeken bestaan er vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen.
4.5
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten: het plaatsgebonden risico. het groepsrisico. In Bijlage 12 van deze toelichting is het volledige onderzoek met betrekking tot externe veiligheid opgenomen. Hierna zijn kort de conclusies van dit onderzoek weergegeven.
Transport over het water Het plangebied ligt op een afstand van 700 meter van het Julianakanaal. Over deze waterweg vindt structureel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied reikt tot over de grens van het plangebied. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over water dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Transport over de weg Het plangebied ligt binnen de 200 meter-zone van de gemeentelijke weg Zuiderpoort-Peijerstraat-Bosstraat, waardoor de hoogte van het groepsrisico kwantitatief bepaald dient te worden. Ten aanzien van het invloedsgebied blijkt dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de
62
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
A2 en de voornoemde gemeentelijke weg is gelegen. De hoogte van het groepsrisico dient meegenomen te worden in een verantwoordingsrapportage. Transport over het spoor Het plangebied bevindt zich op circa 1.000 meter van de spoorlijn Sittard-Roermond (traject 50) en ligt niet binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Buisleidingen Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een hogedruk gasleiding. Ook de op circa 170 meter gelegen PRB-leiding vormt geen aandachtspunt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is ook hier niet aan de orde. Inrichtingen Binnen het plangebied bevindt zich een LPG-tankstation. Op grond van de ligging dient de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk gemaakt te worden en dienen de risico's als gevolg van inrichtingen meegenomen te worden in een uitgebreide verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Naar aanleiding hiervan is een nader onderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage als Bijlage 13 bij deze toelichting is opgenomen. Uit het nader onderzoek blijkt dat de berekening blijkt dat de plaatsgebonden 10-6-risicontour ten gevolge van het LPG-tankstation aan Zuiderpoort 12 te Echt niet tot kwetsbare objecten binnen het plangebied reikt.
Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de planvorming.
Wel ligt de beoogde showroom (beperkt kwetsbaar object) binnen de plaatsgebonden 10-6-risicontour. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze risicocontour een richtwaarde. Verder is aangetoond dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden in de huidige situatie. De berekening van de toekomstige situatie heeft aangetoond dat de realisatie van diverse commerciële ruimten binnen het centrumplan een lichte verhoging van het groepsrisico tot gevolg heeft. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt als gevolg van de planvorming echter niet overschreden. In de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations' wordt het bevoegd gezag verzocht rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten en 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Binnen 60 meter is geen sprake van een (beperkt) kwetsbaar object, maar binnen 160 meter rondom het LPG-tankstation is een basisschool gelegen. Deze basisschool is reeds in de huidige situatie aanwezig, waardoor de planvorming geen invloed heeft op deze situatie. In artikel 13 van het Bevi is bepaald dat een verantwoording van het groepsrisico verplicht is ten aanzien van het vaststellen van een bestemmingsplan.
Verantwoording groepsrisico Naar aanleiding van bovengenoemde onderzoekresultaten is een verantwoordingsrapportage opgesteld, die als Bijlage 14 bij deze toelichting is opgenomen. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. In het kader van de verantwoording van het groepsrisico wordt onder meer ingegaan op bestrijdbaarheid en beheersbaarheid van eventuele calamiteiten en de zelfredzaamheid van personen binnen het gebied. De rapportage is
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
63
voor advies voorgelegd aan de veiligheidsregio. Dit advies is opgenomen in de verantwoordingsrapportage en dient de gemeente mee te nemen in haar verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Voor meer informatie wordt verwezen naar de verantwoordingsrapportage in Bijlage 14 bij deze toelichting.
Relevantie voor het plan Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt het plan vanuit het aspect externe veiligheid inpasbaar geacht.
4.6
Geluid
In het kader van de planvorming voor het centrum Echt, met daarbinnen een aantal ontwikkelingen, zoals de vestiging van een foodmarkt, is een tweetal geluidonderzoeken uitgevoerd. Het gaat om een onderzoek met betrekking tot wegverkeerslawaai en een onderzoek industrielawaai. Deze onderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 15 en Bijlage 8 bij deze toelichting. Hierna is per onderzoek aangegeven wat is onderzocht en wat de uitkomsten zijn. Voor de complete onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen. 4.6.1
Wegverkeerlawaai
Wet geluidhinder Aanleg nieuwe weg De geluidbelastingen vanwege de Verlengde Diepstraat, een nieuw aan te leggen gemeentelijke weg gelegen tussen de nieuwe rotonde Sint-Janskamp en de Diepstraat, bedragen ter plaatse van bestaande woningen niet meer dan de voorkeurwaarde uit de Wet geluidhinder. Ter plaatse van nagenoeg het gehele wijzigingsgebied 1 bedraagt de geluidbelasting, ook bij toepassing van een stille wegdekverharding, meer dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Er dient voor eventuele realisatie van woningen binnen dit gebied voorafgaand aan het doorlopen van de wijzigingsprocedure een hogere waarde aangevraagd te worden.
Aanleg nieuwe rotondes Ter plaatse van de Sint-Janskamp wordt een rotonde aangelegd waar een nieuwe weg (Verlengde Diepstraat) op wordt aangesloten. Door de aanleg van de rotonde en de bijbehorende fysieke wijzigingen aan de Sint Janskamp nemen de geluidbelastingen ter plaatse van woningen in de omgeving van de rotonde toe. De toename is (afgerond) maximaal 1 dB. Er is geen sprake van reconstructie conform de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de Zuiderpoort wordt een rotonde aangelegd waar om een nieuwe weg (verbindingsweg Ursulinenplein) op wordt aangesloten. Door de aanleg van de rotonde en de bijbehorende fysieke wijzigingen aan de Zuiderpoort nemen de geluidbelastingen ter plaatse van woningen in de omgeving van de rotonde toe. De toename is (afgerond) maximaal 1 dB. Er is geen sprake van reconstructie conform de Wet geluidhinder. Nieuwe ontwikkelingen Ter plaatse van een drietal wijzigingsgebieden bedragen de geluidbelastingen vanwege verkeer op de gezoneerde wegen meer dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Toepassing van een stiller wegdek zorgt niet voor voldoende verlaging van de geluidbelasting tot maximaal de voorkeurswaarde ter plaatse van de gehele wijzigingsgebieden en is tevens vanuit verkeers- en onderhoudstechnisch oogpunt
64
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
ongewenst. Aangezien afschermende maatregelen (schermen) in stedelijke situaties ongewenst zijn, dient voor (woningen binnen) een deel van deze gebieden voorafgaand aan het doorlopen van de wijzigingsprocedure een hogere waarde aangevraagd te worden. Voor de 2 nieuwe woningen aan de Aasterbergerweg en de (maximaal) 6 appartementen op de begane grond van de Zuiderpoort/Bovenstestraat dient, respectievelijk vanwege de A2 en de Zuiderpoort Peijerstraat, een hogere grenswaarde vastgesteld te worden.
Aanleg/wijziging 30 km/uur-weg De geluidbelastingen ten gevolge van verkeer op de nieuw te realiseren nieuwe weg ter ontsluiting van parkeerterrein Ursulinenplein aan de zuidzijde via een bestaande weg (Zuiderpoort) bedragen ter plaatse van de bestaande geluidsgevoelige gebouwen maximaal 50 dB. De milieukwaliteit is als redelijk tot goed te beoordelen. Er is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Door de afwaardering van de bestaande Diepstraat en Aasterbergerweg neemt de geluidbelasting ter plaatse van de bestaande gebouwen af (met ruim 5 dB). De milieukwaliteit verbetert van matig naar goed (woningen aan de Aasterbergerweg en Wijnstraat) en van tamelijk slecht naar matig (woningen aan Diepstraat). Cumulatie Bij meerdere woningen in het onderzoeksgebied is sprake van verschillende veranderingen aan de infrastructuur. Voor sommige woningen kan er zowel een toename van geluid zijn als gevolg van een reconstructie als van een aanleg van een nieuwe weg (al dan niet gezoneerd). Ter plaatse van de woningen aan c.q. nabij de (Verlengde) Diepstraat is er sprake van een afname van de geluidbelasting (zie paragraaf 5.2.1) en/of wijzigt de milieukwaliteitsmaat niet richting een negatieve(re) klasse.
De gecumuleerde geluidbelastingen omgeving ter plaatse van de wijzigingsgebieden bedragen 55 tot maximaal 65 dB exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. De milieukwaliteitsmaat is matig tot slecht. Maatregelen waarmee de geluidsbelasting doelmatig kan worden teruggedrongen zijn beschouwd in paragraaf 5.1.3. Bij realisatie van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in de wijzigingsgebieden dienen de geluidbelaste gevels te voldoen aan de eisen ten aanzien van geluidwering uit het Bouwbesluit 2012. Ter plaatse van de geluidbelaste woningen (nabij de rotonde Zuiderpoort) bedragen de gecumuleerde geluidbelastingen 56 tot maximaal 67 dB exclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. De kwaliteit van de akoestische omgeving in een milieukwaliteitsmaat volgens de "methode Miedema" is matig tot slecht. Aangezien voor deze woningen in het verleden hogere waarden zijn vastgesteld die gelijk of meer bedragen dan de gecumuleerde geluidbelastingen, kan gesteld worden dat de destijds geldende grenswaarden worden gerespecteerd en dat er geen onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal optreden. Voor de nieuwe woonbestemmingen (2 nieuwe woningen aan de Aasterbergerweg en de (maximaal) 6 appartementen op de begane grond van de Zuiderpoort/Bovenstestraat) is geen sprake van een relevante blootstelling door verschillende geluidsbronnen.
Er is slechts sprake van overschrijding van de voorkeurswaarde door één geluidsbron (één weg).
Aanvullende notitie
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
65
Naar aanleiding van een zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan in relatie tot mogelijke geluidreflectie van wegverkeer van de nieuwe weg naar het Ursulinenplein op de woningen aan de Zuiderpoort, is een aanvullende notitie opgesteld (zie Bijlage 16). Aanvullend op het onderzoek naar wegverkeerslawaai is in de aanvullende notitie ter plaatse van de bestemming 'Bedrijf - Perifere detailhandel' een gebouw met een hoogte van 15 meter (de maximale hoogte conform het vigerende bestemmingsplan) ingevoerd. Hiermee is het mogelijke effect van geluidreflectie meegenomen, tegen een gebouw dat in de bestaande en nieuwe situatie weliswaar mogelijk is, maar feitelijk niet gerealiseerd is.
Uit de aanvullende berekeningen die zijn uitgevoerd, blijkt dat vanwege de geplande wegaanpassing (aanleg rotonde Zuiderpoort) de geluidbelastingen ter plaatse van woningen in de omgeving van de rotonde toenemen. De toename is (afgerond) maximaal 1 dB. Er is, ook bij realisering van het geprojecteerde gebouw, geen sprake van reconstructie conform de Wet geluidhinder. Vanuit dit kader bestaan er kortom geen belemmeringen.
Relevantie voor het plan Het aspect verkeerslawaai staat de planvorming voor het centrum van Echt niet in de weg. Voor een aantal situaties is/wordt een hogere grenswaarde vastgesteld. 4.6.2
Industrielawaai
Het plangebied bestrijkt het gehele centrum van Echt. Het onderzoek spitst zich echter toe op het westelijke deel van het plangebied: het gezoneerde industrieterrein De Loop alsmede de herinrichting van het terrein van de voormalige dakpannenfabriek "De Valk". De uitgangspunten en daaruit voortvloeiende resultaten van het onderzoek vormen de basis voor het bevoegd gezag bij de beoordeling van het aspect geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ten behoeve van de milieuhygiënische afweging is aansluiting gezocht bij het stappenplan uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" editie 2009 alsmede het Activiteitenbesluit. Uit de berekeningen van de geluidbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein (na dezonering van het De Valk-terrein) blijkt dat op alle locaties wordt voldaan aan de zonegrenswaarde dan wel verleende HGW's/MTG's. De woningen aan de Diepstraat 1a/1d die binnen de geluidzone komen te liggen alsmede de nieuwe woningen op het De Valk-terrein in de monumentale gebouwen leggen geen aanvullende beperkingen op aan de bedrijven op het resterende deel van het gezoneerde industrieterrein. De hoogste geluidimmissie vanwege de beoogde ontwikkelingen op het De Valk-terrein bedraagt 50 dB(A) etmaalwaarde en wordt berekend ter plaatse van de woning aan de Diepstraat 1A.
Hiermee wordt voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie (stap 2) en het Activiteitenbesluit. Ook indien de foodmarket en de parkeerplaats separaat zouden worden getoetst, worden deze normen gerespecteerd. Ter plaatse van de nieuwe woningen aan de Aasterbergerweg (appartementen) en de nieuwe woningen in de menghal bedraagt het LAr,LT ten hoogste 53 dB(A). Deze geluidbelasting voldoet niet aan de richtwaarden conform stap 2 uit de VNG-publicatie (stap 2), maar wel aan de normering volgens stap 3. Vanwege de cumulatie met wegverkeerslawaai dient de gevelgeluidwering voor de woningen aan de Aasterbergweg 24 dB en voor de woningen in de menghal 28 dB te bedragen. Op deze wijze wordt een aanvaardbaar akoestisch binnenklimaat gegarandeerd. Het hoogste maximaal geluidniveau (78 dB(A)) in de dagperiode wordt berekend ter plaatse van de nog
66
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
te realiseren appartementen aan de Aasterbergerweg en zijn toe te schrijven aan het aan- en afrijden van vrachtwagens ten behoeve van de bevoorrading van de foodmarket. Met de genoemde gevelgeluidwering van minimaal 24 dB bedraagt het binnenniveau ten hoogste 54 dB(A), waarmee voldaan wordt aan de geluideisen uit het Activiteitenbesluit voor het maximaal geluidniveau, waardoor een aanvaardbaar leefklimaat wordt gegarandeerd. Aangezien deze maximale geluidniveaus alleen in de dagperiode optreden - in de avond- en nacht treden geen relevante piekgeluiden op - is eventuele slaapverstoring niet aan de orde. Overigens worden maximale geluidniveaus vanwege laden en lossen in de dagperiode uitgezonderd van toetsing aan het Activiteitenbesluit. De berekende maximale geluidniveaus (LAmax) ter plaatse van de overige woningen bedragen ten hoogste 68 dB(A) in de dagperiode, waarmee wordt voldaan aan stap 2 volgens de VNG-publicatie. Verkeersaantrekkende werking vormt geen belemmering voor het plan. Het bedrijf Cardon & Verwijlen voldoet de standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Relevantie voor het plan Het aspect industrielawaai staat de planvorming voor het centrum van Echt niet in de weg. Voor een aantal situaties is/wordt een hogere grenswaarde vastgesteld, waarmee het aspect wegverkeerslawaai de planvorming voor het centrum van Echt evenmin in de weg staat.
4.7
Luchtkwaliteit
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekenende mate' een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden, is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
67
Onderzoek In verband met de ontwikkelingen die middels het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar de als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen onderzoeksrapportage.
Ten behoeve van de berekening van de immissieconcentraties fijn stof en NO2 is een rekenmodel opgesteld. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de concentraties van de hierboven genoemde stoffen ver onder de wettelijke grenswaarden liggen. Hetzelfde geldt voor het aantal toegestane overschrijdingen. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in titel 5.2 (artikel 5.6 lid 1) van de Wet milieubeheer. Vanaf 2022 zullen alle concentraties ook voldoen aan de advieswaarde van de WHO.
Relevantie voor het plangebied Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan.
4.8
Natuur
In het kader van zowel de nieuwe verbindingswegen als de herontwikkeling van De Valk zijn ecologische onderzoeken uitgevoerd. In de onderstaande subparagrafen wordt hier afzonderlijk nader op ingegaan. 4.8.1
Verbindingswegen
In het kader van de nieuwe verbindingswegen is een verkennend flora en faunaonderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 17 bij deze toelichting is opgenomen. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar Bijlage 17.
Wettelijke gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich niet binnen of aangrenzend aan een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft de 'Grensmaas', op circa 1.900 meter te westen van het plangebied.
Provinciale gebiedsbescherming Enkele delen van het plangebied bevinden zich binnen de door provincie Limburg aangewezen beschermde landschaps- en natuurzones. Het plangebied valt zowel binnen de Bronsgroene landschapszone als de Goudgroene natuurzone. De Bronsgroene landschapszone omvat landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones. De Goudgroene zone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk (NNN). Binnen deze zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur.
Verkennend natuuronderzoek infrastructuur Het doel van het verkennend flora- en faunaonderzoek is het verkrijgen van een indruk omtrent de (mogelijk) aanwezige beschermde flora en fauna binnen en in de nabijheid van het plangebied. Daarnaast is nagegaan of ter plaatse van het plangebied of de directe omgeving sprake is van
68
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
gebiedsbescherming. Binnen het onderzoek is beoordeeld of de groene wet- en regelgeving (Wet natuurbescherming, provinciale verordening/beleidsregel en provinciale gebiedsbescherming) de uitvoering van het project in de weg kan staan. In de afbeelding hierna is het onderzochte gebied weergegeven.
Afbeelding 24: Onderzoeksgebied verkennend natuuronderzoek nieuwe infrastructuur
In het zuidelijke deel van het plangebied wordt een nieuwe verbindingsweg aangelegd tussen de Palmbrugweg en de parkeerplaats ten oosten van deze weg. Hierbij wordt een brug over de Molenbeek gerealiseerd. In het noordelijk deel van het plangebied wordt de kruising Zuiderpoort-Palmbrugweg omgevormd tot een rotonde. Vanaf deze nieuwe rotonde wordt een nieuwe verbindingsweg gerealiseerd naar de parkeerplaats aan de westzijde van het centrum. Ook hier loopt de weg met een brug over de Molenbeek.
Het onderzoek is uitgevoerd door een veldbezoek af te leggen en door middel van literatuuronderzoek. Een ter zake deskundige ecoloog heeft een veldbezoek afgelegd op 22 november 2019. Verder heeft er literatuuronderzoek plaatsgevonden. De samenvatting van het totaalonderzoek is opgenomen in onderstaande tabel.
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
69
Hieruit volgt dat het aspect natuur ter plaatse van de nieuwe infrastructuur het planvoornemen niet in de weg staat, wanneer bij de uitvoering rekening wordt gehouden met het voorgaande. Relevantie voor het plan Vanuit het aspect natuur bestaan er met inachtneming van de genoemde aandachtspunten, geen belemmeringen. 4.8.2
Herontwikkeling De Valk
In het kader van de herontwikkeling van het terrein 'De Valk' zijn diverse ecologische onderzoeken uitgevoerd. Het betreft een quickscan flora en fauna (Bijlage 18) en een vervolgonderzoek (Bijlage 19), naar aanleiding waarvan vervolgens een activiteitenplan (Bijlage 20) is opgesteld. Op basis van deze stukken is uiteindelijk door de provincie Limburg een ontheffing van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming is verleend (Bijlage 21). Daarnaast is een onderzoek met betrekking tot stikstofdepositie (Bijlage 22) uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van deze onderzoeken. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportages.
Quickscan flora en fauna In de onderstaande tabel zijn de onderzoeksresultaten van de quickscan voor het terrein De Valk weergegeven.
70
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
Op basis van de quickscan flora en fauna is gebleken dat voor uitvoering van de plannen middels aan vullend veldonderzoek duidelijkheid dient te worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen, gierzwaluwen, huiszwaluwen, huismussen en de grote gele kwikstaart. Dit kan midddels een nader onderzoek waarbij de aanwezigheid van nest- en verblijfplaatsen van deze soorten kan worden vastgesteld dan wel uitgesloten. Ten aanzien van steenmarters dient het aantasten van potentiele verblijfplaatsen in de vrijstellingsperiode plaats te vinden. Indien dit niet mogelijk is dient ook naar deze soort nader onderzoek plaats te vinden om te bepalen of- en waar eventuele verblijfplaatsen zich bevinden. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om materiaalopslag buiten het broedseizoen te verwijderen. Voor overige beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming gezien de aard van de voorgenomen ingreep of wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.
Met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt geadviseerd om middels een Aerius berekening de effecten van stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op Natura 2000-gebieden nader te onder zoeken. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd en als Bijlage 22 bij deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat het projecteffect op de Nederlandse en Belgische Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
71
een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage (Bijlage 22). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland worden bij de voorgenomen werkzaamheden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen hertontwikkeling op de onderzoekslocatie.
Aanvullend onderzoek Uit het aanvullend onderzoek dat als Bijlage 19 bij deze toelichting is opgenomen, blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden leiden tot verstoring en het verloren gaan van 15 nestplaatsen van de gierzwaluw en 6 verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Ten behoeve van voorgenomen plannen zullen maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen en de functionaliteit van deze nestlocaties en verblijfplaatsen te garanderen. Deze maatregelen bestaan uit het realiseren van tijdelijke alternatieve verblijfplaatsen, verstorende werkzaamheden uitvoeren buiten de evoelige periodes voor desbetreffende soorten en het realiseren van nieuwe permanente voorzieningen voor de aangetroffen soorten en functies. Maatregelen dienen te worden vastgelegd in een ecologisch activiteitenplan en ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. Op basis van de huidige onderzoeksinspanning kan worden uitgesloten dat de onderzoekslocatie een functie heeft als vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter en als nestplaats van de huismus, huiszwaluw en grote gele kwikstaart. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soorten is niet aan de orde bij de voorgenomen herontwikkeling. Gedurende de werkzaamheden dient te allen tijde de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Eventueel ten tijde van de werkzaamheden op de onderzoekslocatie aanwezige dieren dienen de mogelijkheid te krijgen om weg te komen. Het verwijderen van de materialen als stenenstapels, takkenhopen en bladeren dient buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Daarnaast moet voor algemene broedvogels rekening gehouden worden met het broedseizoen.
Activiteitenplan Naar aanleiding van de resultaten van het aanvullend onderzoek is een activiteitenplan opgesteld, dat als Bijlage 20 bij deze toelichting is opgenomen. Dit activiteitenplan is de basis voor de ontheffingsaanvraag bij de provincie Limburg.
In het activiteitenplan zijn de volgende conclusies opgenomen: Ten aanzien van de omvang en duurzame staat van instandhouding van de bij de ingreep betrokken populaties van beschermde soorten wordt gesteld dat zowel op korte termijn als op lange termijn er geen sprake is van negatieve effecten op populatieniveau van de gewone dwergvleermuis en gierzwaluw, zowel landelijk als lokaal, mits de voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd. Met betrekking tot het behoud van de functionaliteit van de voortplantingsplaatsen en vaste rust- of verblijfplaatsen wordt gesteld dat de functionaliteit van de voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen gegarandeerd behouden blijft, doordat er binnen en in de directe omgeving te allen tijde voldoende alternatieve nest- en verblijfplaatsen voorhanden blijven. Door aanvullende rust- en verblijfplaatsen aan te bieden conform de Kennisdocumenten van de betreffende soorten is met voldoende zekerheid te voorspellen dat negatieve effecten op de lange termijn zijn uitgesloten. Aan de zorgplicht wordt voldaan door het werken buiten de gevoelige perioden van de betreffende soorten, dan wel door de nest- en verblijfsplaatsen buiten de kwetsbare perioden ongeschikt te
72
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
maken. De exacte werkwijze zal worden beschreven in een ecologisch werkprotocol. Er zijn geen meer bevredigende oplossingen. De huidige situatie, waarin het pand leeg staat en in een vervallen staat verkeert, leidt tot vermindering van de veiligheid. Het enige werkbare alternatief is om het voormalig fabriekspand te herontwikkelen, waardoor leegstand wordt voorkomen. Bij de planning van de werkzaamheden en inrichting wordt rekening gehouden met de aangetroffen beschermde soorten. Ten aanzien van de wettelijke belangen waardoor de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd wordt opgemerkt dat er sprake is van dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en bescherming van volksgezondheid en openbare veiligheid. Ontheffing Wet natuurbescherming Op basis van de voorgaande stukken heeft de provincie Limburg een ontheffing van de verbodsbepalingen als bedoeld in de artikelen 3.1 en 3.5 van de Wet natuurbescherming verleend. De ontheffing is verleend voor de periode vanaf 1 september 2020 tot 1 september 2025. Aan de ontheffing zijn voorschriften verbonden. Voor meer informatie wordt verwezen naar Bijlage 21 bij deze toelichting.
Relevantie voor het plan Vanuit het aspect natuur bestaan er met inachtneming van de bovengenoemde aandachtspunten en te nemen maatregelen en op voorwaarde dat de voorschriften zoals verbonden aan de door de provincie Limburg verleende ontheffing van de Wet natuurbescherming, geen belemmeringen.
4.9
Water
Om zorg te dragen voor het goed omgaan met water in de ruimtelijke ordening is het opstellen van een waterparagraaf een verplicht onderdeel van de bij een ruimtelijke procedure behorende onderbouwing.
Het grootste deel van het plangebied blijft ongewijzigd. Het bestaande centrum, met de bestaande bebouwing ondergaat weinig verandering. Ter plaatse van het De Valk terrein vinden wijzigingen plaats, onder andere in de vorm van de vestiging van een foodmarkt. In het verleden was het De Valk terrein in gebruik als bedrijfslocatie.
Hierna is daarom kort weergegeven hoe het aspect water meeweegt in de planvorming voor het te herontwikkelen terrein binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor meer informatie ten aanzien van de watertoets in relatie tot het terrein De Valk wordt verwezen naar Bijlage 23.
In het kader van het waterbeleid van Waterschap Limburg is voor de bergingsopgave binnen het plan bepalend in hoeverre sprake is van uitbreiding van het verharde oppervlak. Met dit planvoornemen is feitelijk geen sprake van uitbreiding van het verharde oppervlak omdat ter plaatse van de ontwikkellocatie binnen het plan sprake is / was van verharding en/of bebouwing. Dit is met Waterschap Limburg besproken. Voorheen was de locatie namelijk in gebruik als bedrijventerrein en vrijwel volledig verhard. De bebouwing is gesloopt en de vrijgekomen materialen zijn hergebruikt als funderingsmateriaal. In de overgangsfase is het terrein volledig verhard met de vrijgekomen materialen (verwerkt tot korrelmix). Daarbij geldt dat met de beoogde toekomstplannen het verhardingspercentage blijft gehandhaafd. Het plan wordt overigens wel voorzien van een duurzaam watersysteem. Dat wil zeggen dat regenwater wordt geïnfiltreerd in de bodem (Laagst gemeten k-waarde is 2 meter /dag). Om die reden is samen met Waterschap Limburg, de gemeente Echt-Susteren en de ontwikkelaar bergingsruimte gezocht op en
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
73
nabij de locatie. Daarbij gaat het om een combinatie van ondergrondse berging en bovengrondse berging. De ondergrondse bergingsvoorzieningen mogen niet dieper worden aangelegd dan de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). Deze is voor de locatie vastgesteld op NAP + 23,9 meter. De bovengrondse berging bestaat uit het vergroten van de bestaande buffervoorziening met aanvullende waterberging op aangrenzend, openbaar gebied. Uitgangspunt voor het ontwerp van het regenwaterstelsel is dat de neerslaggebeurtenis die het Waterschap Limburg als maatgevend beschouwt (neerslaggebeurtenis met een herhalingstermijn van T=100 jaar [100 mm]) hier toegepast wordt en deze niet mag leiden tot wateroverlast. Om die neerslaggebeurtenis te kunnen bergen wordt, naast de genoemde bergingsvoorzieningen, in de terreinprofilering meegenomen dat regenwater dat niet geborgen kan worden in de genoemde voorzieningen kan worden geborgen in terreinlaagten ter plaatse van de toekomstige parkeerplaatsen. Bij neerslaggebeurtenissen met een intensiteit groter dan T=100 jaar raakt het regenwatersysteem overbelast. Voor die gevallen is een escape-voorziening naar de aangrenzende Molenbeek voorzien. Overtollig water kan in alle gevallen gecontroleerd afstromen naar het oppervlaktewaterstelsel.
Relevantie voor het plan In samenspraak met het waterschap, de gemeente Echt-Susteren en de ontwikkelende partij is gekomen tot voorgaande insteek wat betreft het aspect water binnen het plangebied, met name de ontwikkellocatie. Verder wordt binnen de wijzigingsbevoegdheden als voorwaarde gesteld dat rekening dient te worden gehouden met het aspect 'water'. Het aspect water staat de planvorming voor dit bestemmingsplan, met daarbinnen een aantal initiatieven, ontwikkelingen niet in de weg.
74
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
5.1
Feitelijke planopzet
5.1.1
Algemeen
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. 5.1.2
Wettelijk kader
Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan. 5.1.3
Planonderdelen
Het bestemmingsplan ‘Centrum Echt' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een topografische ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.
De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Centrum Echt’ zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
75
5.2
Juridische planopzet
5.2.1
Inleidende regels
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in de SVBP2012 en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. 5.2.2
Bestemmingsregels
Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting:
Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden “met daaraan ondergeschikt”. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.
Nadere eisen Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een bouwvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de bouwvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er
76
Bestemmingsplan "Centrum Echt" (vastgesteld)
in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).