CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Gemeenteraad 17 april 2025, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Landgoed De Bongerd'16.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Met paarse lijn is het ensemble aangegeven. Met rode cirkel is het deel aangegeven dat onderdeel is van het plangebied. Het betreft het zuidelijke deel, ten westen van de voormalige trambaan.

27

Afbeelding 4.2: Uitsnede topografische kaart 1842

Karakteristiek voor Ophoven is de bijzonder gave combinatie van gehucht met oude omsloten hoeven, een aangrenzend beekdal met oude passagemogelijkheid door een brug in de Bellekeweg, bijzonder fraaie boomgaarden en de visueel open verbinding met het veld aan de zuidzijde van Ophoven waarover het tracé van een oude stoomtram loopt. De functie van dit deelgebied wordt met voorliggend initiatief niet gewijzigd. De gronden blijven in gebruik als grasland. De aanwezige kavelrand beplanting die bestaat uit verschillende soorten inheemse bomen en struiken wordt ook niet aangetast. De waarden van het gebied worden hierdoor niet aangetast. Door het plangebied loopt een aantal veldwegen en paden. Ze zijn een onderdeel van een regionaal netwerk van wandelpaden die aan elkaar zijn gekoppeld. Met voorliggend initiatief blijven deze paden en veldwegen behouden. Conclusie Gelet op bovenstaande draagt het initiatief bij aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Beleid, wet- en regelgeving In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of er voldoende afstand wordt gehouden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen).

28

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft een Handreiking Bedrijven en milieuzonering opgesteld. In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, de richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds als uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en kunnen per gebiedstype, waarin de ontwikkeling zal plaatsvinden, verschillen. Hierbij is het uitgangspunt dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Tabel richtafstanden per milieucategorie. Milieucategorie

Richtafstanden in 'rustige woonwijk'

Richtafstanden in 'gemengd gebied'

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

4.1

200 meter

100 meter

4.2

300 meter

200 meter

Situatie Invloed initiatief op de omgeving De agrarische functie van het gebied wordt niet gewijzigd. De nieuwe bedrijfswoning veroorzaakt geen hinder. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op ca. 600 meter van de bedrijfswoning. De nieuwe bedrijfswoning heeft geen invloed op de activiteiten van de omliggende agrarische bedrijven. De bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering beperkt. Invloed omliggende inrichtingen op plan Ten noorden van het plangebied ligt bedrijventerrein De Loop. Aan de zuidrand van dit bedrijventerrein is een maximale milieucategorie van 3.2 toegekend. Hiervoor geldt, in een rustige woonwijk, een richtafstand van 100 meter tot aan een gevoelige functie zoals wonen. De nieuwe bedrijfswoning wordt op minimaal 300 meter van het bedrijventerrein gesitueerd. Er wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

29

4.3

Bodem

Beleid, wet- en regelgeving Artikel 3.1.6 van het Besluit Ruimtelijke Ordening geeft aan dat in het kader van de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan onderzoek verricht dient te worden naar de (te verwachten) bodemkwaliteit in het plangebied door het raadplegen van beschikbare bodemgegevens. Een nieuwe functie mag pas worden toegekend als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe functie. Bij bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Bouw kan pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom dient bij iedere nieuwe bouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te worden gebracht. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem geschikt te maken. Situatie Voor het plangebied is een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Het vooronderzoek is uitgevoerd voor het gehele plangebied. Het verkennend onderzoek in de nabijheid van de toekomstige bebouwing.

Uit het onderzoek blijkt: Vooronderzoek Uit de terreinverkenning en de beschikbare informatie van de gemeente Echt-Susteren blijkt dat er, met uitzondering van de aanwezige (kleinschalige) boomgaard en de (voormalige) land/toegangswegen, zowel in het verleden als in het heden geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden binnen het gehele plangebied. De waterloop ‘Molenbeek’ betreft een verdachte waterbodem. Ter plaatse van de waterloop, de boomgaard en de land-/toegangswegen zijn geen werkzaamheden voorzien. Verkennend onderzoek Zintuiglijk zijn in de grond geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Derhalve wordt de locatie als onverdacht beschouwd op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de grond heterogene lichte verontreinigingen zijn aangetoond met cadmium, kobalt en zink. Bij bemonstering van het grondwater bleek dat de peilbuis niet meer aanwezig was en door een tractor de grond te zijn ingeploegd. Gezien de diepte van het grondwater (4,5 m-mv) en de verwachting op basis van het vooronderzoek (onverdacht) en de resultaten van de grond waarbij slechts enkele lichte verontreinigingen met zware metalen zijn aangetoond, is in overleg met het bevoegd gezag besloten, in afwijking op de NEN 5740 geen grondwateronderzoek uit te voeren.

De aangetoonde lichte verontreinigingen in de grond zijn in tegenspraak met de hypothese dat de onderzoekslocatie niet-verdacht is. De aangetoonde gehaltes zijn dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht.

30

Oplegnotitie Na de uitvoering van het verkennend onderzoek is de ligging van de toekomstige bebouwing gewijzigd. Ten opzichte van de uitgangspunten van het onderzoek is de beoogde situering van de bebouwing enkele tientallen meters verschoven. Daarom is er een oplegnotitie in het onderzoek opgenomen. Uit deze notitie blijkt dat het gebruik van de gronden ter plaatse van de nieuwe locatie niet anders is geweest. Zowel in het verleden als in het heden hebben geen bodembedreigende activiteiten plaatsgevonden binnen het gehele plangebied, zo blijkt uit het vooronderzoek. Derhalve is er geen reden om op voorhand te veronderstellen dat de resultaten van een verkennend bodemonderzoeken enkele tientallen meters verderop heel anders zullen zijn dan de resultaten van de grond die wel is bemonsterd. Al met al kan daarmee worden gesteld dat, hoewel de onderzoeken in formele zin niet aansluiten op de beoogde ontwikkeling zoals nu voorzien, de resultaten representatief zijn voor het planvoornemen. Conclusie De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen.

Indien bij de realisatie afvoer van grond plaatsvindt, dient men rekening te houden met het gestelde in het Besluit bodemkwaliteit en het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie.

4.4

Natuur

Beleid, wet- en regelgeving Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Bij een ruimtelijke ingreep is het volgens de Wet natuurbescherming verplicht om vooraf te toetsen of er negatieve effecten kunnen optreden op beschermde natuurgebieden en beschermde planten- en diersoorten. De Wet natuurbescherming (Wnb) is het wettelijke kader met betrekking tot de bescherming van de Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. Een onderdeel daarvan zijn de Natura 2000-gebieden, waarvan er in Nederland ruim 160 zijn. Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden met een Europese beschermingsstatus en zijn aangewezen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Situatie Er is een ecologische quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen. Natura 2000 Op circa 1,3 kilometer van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Grensmaas’. De

31

Grensmaas is een grensoverschrijdend dynamisch natuurgebied dat loopt vanaf Maastricht tot Maasbracht. Op circa 4 kilometer ligt het Natura 2000-gebied “Abdij Lilbosch & voormalig klooster Mariahoop”. De zolders van de Abdij Lilbosch en het gebouw van het voormalig klooster Mariahoop herbergen kraamkolonies van de ingekorven vleermuis. Op afbeelding 4.3 is de ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de gebieden (geel) weergegeven.

Afbeelding 4.3: Natura 2000

Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied zoals drukke verbindingswegen, bebouwing, (intensieve) landbouwgronden en door de aard van de ingreep, zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op deze Natura2000 gebieden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat de ingreep bijdraagt aan de stikstofdepositie op deze gebieden. Om dit te beoordelen is een berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen. Uit de rekenresultaten blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Op afbeelding 4.4 is de ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van de NNN-gebieden weergegeven.

32

Afbeelding 4.4: Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Er is geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Aangezien het initiatief geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNN en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Flora- en fauna Houtopstanden Binnen het plangebied worden geen houtopstanden gekapt, bescherming van houtopstanden is derhalve niet van toepassing. Vogels In het plangebied kunnen diverse vogelsoorten hun nesten en leefgebied hebben. Nesten van vogelsoorten uit categorie 1-3 zijn jaarrond beschermd. Voor vogels uit categorie 4 geldt dat er voldoende functioneel leefgebied aanwezig moet blijven. De ingreep heeft geen negatieve effecten op de aanwezigheid van de vogelsoorten uit de categorie 1 t/m 4. De ingreep heeft geen negatieve effecten op de aanwezigheid van algemene vogelsoorten. Vleermuizen Vleermuizen zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn. In het plangebied kunnen diverse soorten vleermuizen hun verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de potentieel aanwezige vleermuizen, hun verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden.

33

Eekhoorn De eekhoorn is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de eekhoorn mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van de eekhoorn. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Steenmarter De steenmarter is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de steenmarter mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van de steenmarter. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Das De das is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de das mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van de das. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Wild zwijn Het wild zwijn is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan het wild zwijn mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van het wild zwijn. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Hazelworm De hazelworm is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten.

In het plangebied kan de hazelworm mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van de hazelworm. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de levendbarende hagedis mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van de levendbarende hagedis. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Grote vos De grote vos is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de grote vos mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van deze vlindersoort. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart is beschermd volgens het beschermingsregime Habitatrichtlijn. In het plangebied kan de teunisbloempijlstaart mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied

34

hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van deze vlindersoort. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Veldparelmoervlinder De veldparelmoervlinder is beschermd volgens het beschermingsregime Andere soorten. In het plangebied kan de veldparelmoervlinder mogelijk zijn vaste rust- en/of verblijfplaats en leefgebied hebben. De ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van deze vlindersoort. Derhalve wordt de Wet natuurbescherming niet overtreden. Conclusie De aanwezigheid van een aantal beschermde soorten kan niet worden uitgesloten in het plangebied. Echter de ingreep heeft geen negatief effect op de aanwezigheid van deze soorten. Door het aanleggen van voedselbos, hagen, houtwallen, struwelen en fruitbomen, worden in de toekomst meer mogelijkheden voor verblijfplaatsen gerealiseerd en wordt het voedselaanbod groter. De verwachting is dan ook dat de biodiversiteit in het gebied in de toekomst zal toenemen. Vanuit de natuurbeleidskaders zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen initiatief.

4.5

Externe veiligheid

Beleid, wet- en regelgeving Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.

Situatie Met behulp van de kaarten ‘veilige omgeving’ uit de Atlas Leefomgeving is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op afbeelding 4.5 is een uitsnede van deze kaart weergegeven.

35

Afbeelding 4.5: Uitsnede kaart veilige omgeving (https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)

Buisleidingen Ten westen van het plangebied liggen twee buisleidingen (rode stippellijnen op afbeelding 4.5). Dit betreft een PRB-leiding (transport koolwaterstoffen) van Petrochemical Pipeline Services B.V en een aardgasleiding van de Gasunie. Gasleiding De plaatsgebonden risicocontour van de gasleiding (PR 10-6) bedraagt 0 meter. Er is sprake van een belemmeringenstrook van 4 meter rondom de leiding ten behoeve van het onderhoud. Enkele kenmerken van de aardgasleiding zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Het invloedsgebied van de leiding bedraagt 170 meter (1%-letaliteitsgrens). De gasleiding ligt op ca. 300 meter van het plangebied en op ca. 600 meter van de nieuwe bedrijfswoning. De gasleiding heeft geen invloed op het planvoornemen. PRB-leiding De plaatsgebonden risicocontour van de PRB-leiding bedraagt 11 meter. Binnen deze zone mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De leiding ligt op ca. 300 meter

36

van het plangebied en op ca. 600 meter van de nieuwe bedrijfswoning. De buisleiding heeft geen invloed op het planvoornemen. Hoogspanningslijn De dichtstbijzijnde hoogspanningslijn (bovengronds) betreft de lijn Maasbracht - Born (150 kV). Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve zone van 80 meter. Deze zone is vooral van belang bij langdurig verblijf van personen (o.a. een woning). De hoogspanningslijn ligt op een afstand van ca. 100 meter van het plangebied en op ca. 450 meter van de geplande bedrijfswoning. De hoogspanningslijn vormt geen belemmering voor het initiatief. Risicovolle inrichtingen In de omgeving zijn geen risicovolle inrichtingen (bedrijven waar zeer grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en/of bewerkt) aanwezig. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater Op ca. 800 meter van de nieuwe bedrijfswoning ligt de Rijksweg A2 (gele lijn op afbeelding 4.5). De A2 maakt deel uit van het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Hierover vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats zoals weergegeven in onderstaande tabel.

Het plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bedraagt 17 meter. De Rijksweg bevat geen GR-plafond. Het plangebied ligt binnen de effectafstanden van toxische vloeistof LT2. Op ca. 950 meter van de nieuwe bedrijfswoning ligt de vaarroute Maascorridor (zwarte lijn op afbeelding 4.5). Hierover vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats zoals weergegeven in onderstaande tabel.

37

Het plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bedraagt 0 meter. Het plangebied ligt binnen de effectafstanden van toxisch gas GT3. Op ca. 1,2 kilometer van het plangebied is de spoorlijn Echt-Sittard gelegen. Het invloedgebied bedraagt 460 meter. Het plangebied ligt op voldoende afstand. De spoorlijn hoeft niet meegenomen te worden in de beoordeling. Beoordeling Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van het groepsrisico. Vanwege de ligging binnen de effectafstanden van toxische vloeistoffen en gassen (vanwege de A2 en de vaarroute Maascorridor) is een beperkte verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 van het Bevt noodzakelijk. Dit houdt in dat alleen aandacht besteed hoeft te worden aan de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen.

Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is. Indien er sprake is van een calamiteit op de A2 kunnen personen afhankelijk van waar het ongeval gebeurd is, van de risicobron afvluchten naar het oosten, via de zuidelijke weg Ophoven. Via het noorden kunnen personen via verschillende wegen vluchten via de Palmbrugweg en de Lindestraat. Bij een calamiteit op de vaarweg gelden dezelfde vluchtmogelijkheden zoals hierboven beschreven. In het geval van een calamiteit bevindt de dichtstbijzijnde brandweerkazerne zich op ongeveer 2,5 kilometer van het plangebied. Het plangebied is over verschillende wegen te bereiken. Gelet op bovenstaande zijn de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten goed te noemen.

Toxisch scenario Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan

38

indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. In onderhavige situatie is gezien de afstand van de brandweerkazerne tot het plangebied het twijfelachtig of de brandweer tijdig aanwezig kan zijn. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. In onderhavige situatie is hier sprake van. Zelfredzaamheid Ten aanzien van het toxisch scenario als gevolg van vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, is schuilen de beste vorm van zelfredzaamheid. Het is van belang dat de bedrijfswoning lucht- en lekdicht kan worden afgesloten. Hiervoor dient de mechanische ventilatie handmatig te kunnen worden uitgezet. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect externe veiligheid de uitvoerbaarheid van het voorgenomen initiatief niet in de weg staat.

4.6

Geluid

Beleid, wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor de toelaatbare geluidbelasting. De geluidseisen zijn alleen van toepassing op geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de geluidzone van een geluidsbron. Een geluidzone is een gebied aan weerszijden van het spoor, van een weg of rond een bedrijven/ industrieterrein. Geluidgevoelige bestemmingen zijn woningen, basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen. Situatie Wegverkeerslawaai De nieuwe bedrijfswoning is gelegen binnen de geluidszone van de weg Ophoven waarvoor een maximum snelheid van 60 km/uur geldt. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai Uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Ondanks dat de bedrijfswoning niet wordt gerealiseerd binnen de geluidszone van de Rijksweg A2 is deze weg, vanuit het oogpunt van een goed akoestisch woon- en leefklimaat, wel meegenomen in het onderzoek. Voor de weg Ophoven geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze weg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. Voor de Rijksweg A2 geldt dat de geluidbelasting op de rand van het bouwvlak de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 1 dB overschrijdt.

Echter kan voor de Rijksweg A2 geen hogere waarde worden verleend, aangezien de planlocatie gelegen is buiten de geluidszone van de Rijksweg A2. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde.

39

Een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels wordt niet noodzakelijk geacht. Bij toepassing van standaard geluidwerende materialen en maatregelen is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Oplegnotitie Na de uitvoering van het akoestische onderzoek is de ligging van de toekomstige bebouwing gewijzigd. Ten opzichte van de uitgangspunten van het onderzoek is de beoogde situering van de bebouwing enkele tientallen meters verschoven. Daarom is er een oplegnotitie in het onderzoek opgenomen. Uit deze notitie blijkt dat de afstand van de bedrijfswoning tot aan de Rijksweg circa 715 meter bedraagt. De geluidszone van de Rijksweg bedraagt 600 meter. De nieuwe bedrijfswoning ligt hier buiten. Er moet worden opgemerkt dat de afstand tot de weg Ophoven in de nieuwe situatie iets wordt vergroot. Vanuit Ophoven zijn echter geluidbelastingen berekend ruim onder de voorkeursgrenswaarde. Daarmee kan worden gesteld dat de resultaten naar verwachting niet significant anders zullen zijn. Industrielawaai Op het noordelijke deel van het plangebied is de geluidszone van het gezoneerd industrieterrein De Loop gelegen. Binnen deze zone mogen geen nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen worden gerealiseerd. Daar is met voorliggend initiatief dan ook geen sprake van. Deze gronden worden ingericht als voedselbos en notenakker.

Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat het aspect geluid de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg staat.

4.7

Luchtkwaliteit

Beleid, wet- en regelgeving Wet milieubeheer (5.2 Luchtkwaliteitseisen) Het doel van Wet milieubeheer, hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor diverse stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate bijdragen’ en de Regeling 'Niet in betekende mate bijdragen’. Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate.

40

Situatie Met voorliggend initiatief wordt een agrarisch landgoed gerealiseerd met veel aandacht voor het landschap en de natuurwaarden van de omgeving. De agrarische functie van de gronden wordt met voorliggend initiatief nieuw elan ingeblazen. Er wordt een voedselbos als agrarisch systeem aangelegd. Als onderdeel van het landgoed wordt er een bedrijfswoning gerealiseerd. Akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt worden aangemerkt als niet in betekenende mate. De agrarische functie in de vorm van een voedselbos en een boomgaard kan worden aangemerkt als akkerbouw waardoor deze functies 'Niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Ook het aantal woningen draagt 'Niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Het initiatief hoeft hierdoor niet te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Wel dient er worden aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning. Vanuit de wet Milieubeheer worden de volgende grenswaarden gesteld: •

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM10 is 40 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van PM2,5 is 25 µg/m³;

•

de grenswaarde jaargemiddelde concentratie van NO 2 is 40 µg/m3 en een uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3. De uurgemiddelde grenswaarde mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Het RIVM heeft Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van Nederland waarop de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide geraadpleegd kan worden. Op afbeelding 4.6, 4.7 en 4.8 zijn de concentraties weergeven. Met blauwe pin is globaal de locatie van het plangebied aangegeven.

Afbeelding 4.6: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM10 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

41

Afbeelding 4.7: Uitsnede kaart fijnstof 2020, PM2,5 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

Afbeelding 4.8: Uitsnede kaart Stikstofdioxide, NO2 (Bron: Kaarten Atlas Leefomgeving)

De jaargemiddelde concentraties ter plaatse van het plangebied zijn voor fijnstof PM10 16,04 μg/m³, voor PM2,5 9,18 μg/m³ en voor stikstofdioxide NO2 16,28 μg/m³. De concentraties blijven onder de grenswaarden uit de wet Milieubeheer. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in de weg.

4.8

Verkeer

Beleid Voor een goede ruimtelijke ordening is een goede verkeersafwikkeling en een veilige verkeersontsluiting van alle modaliteiten van belang. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige

42

aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op de het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Op grond van het parkeerbeleid van de gemeente Echt-Susteren dienen in, op of onder gebouwen dan wel het daarbij behorende terrein voldoende parkeerplaatsen voor auto's aanwezig te zijn. Deze eis is ook op genomen in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Aan de gestelde eis van voldoende parkeergelegenheid wordt geacht te zijn voldaan als de parkeernormen opgenomen in de parkeerkencijfers worden nageleefd. Situatie Verkeer De bedrijfswoning wordt ontsloten via de weg Ophoven. Het toevoegen van de bedrijfswoning brengt extra verkeer met zich mee. Deze toename is minimaal en zal niet leiden tot een verslechtering van de verkeersafwikkeling. De capaciteit van de (omliggende) wegen is groot genoeg om het extra verkeer op te vangen. Parkeren Het plangebied ligt in het buitengebied in een ‘niet stedelijke’ omgeving (bron: CBS). Op grond van de gemeentelijke parkeerkencijfers wordt voor vrijstaande(bedrijfswoningen uitgegaan van een parkeernorm van 2,0 tot 2,8 parkeerplaatsen per woning. De parkeernormen hebben een bepaalde bandbreedte (minimaal en maximaal).

Een gemiddelde norm zorgt voor een goede parkeerbalans. Er geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen. Er dienen minimaal 3 parkeerplaatsen op eigen terrein te worden gerealiseerd. Er is voldoende ruimte om hier in te kunnen voorzien. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

4.9

Water

Beleid, wet- en regelgeving In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is tevens een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

43

Nationaal waterbeleid Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (NWP) is de opvolger van het Nationaal Waterplan 20162021. Het NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wettelijke bijlagen zijn opgenomen. Nederland heef de komende tijd te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen. De 3 hoofdambities voor het waterbeleid zijn in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater, Scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer- en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt in het NWP aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. Provincie Limburg Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het Provinciaal Waterprogramma Limburg 2022 2027.

Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.

44

Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de Provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg. Waterschap Limburg Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap Limburg. Het beleid van het waterschap is nog steeds gericht op het zo lang mogelijk vasthouden van gebiedseigen water, gecombineerd met het zoveel mogelijk scheiden van schoon en verontreinigd water. Het beleid van het waterschap is opgenomen in het Waterbeheerplan 2022-2027 en nader geconcretiseerd in de zogenoemde Keur van het waterschap. De Speerpunten van het Waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere: 1. Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas. 2. Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden. 3. Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlik ingericht. 4. Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema’s. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen.

Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. Gemeentelijk beleid Het beleid van de gemeente is dat bij nieuwbouwprojecten 100% van het regenwater dat valt op de daken van de bebouwing en andere oppervlakteverhardingen van de gemeentelijke riolering afgekoppeld dient te worden. Bij nieuwbouw en bij herstructurering of renovatie van bestaande bebouwing dient het regenwater binnen de grenzen van doelmatigheid maximaal afgekoppeld te worden van het riool (droogweerafvoer). Situatie Waterberging Met voorliggend initiatief vindt een toename van verharding plaats. Er wordt een bedrijfswoning, een bedrijfsgebouw en een kas gerealiseerd. Het hemelwater dat op de daken van de bebouwing valt dient te worden opgevangen en te worden geïnfiltreerd in de bodem. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van deze bebouwing wordt de infiltratievoorziening verder uitgewerkt. Hiervoor wordt een norm gehanteerd van 100 mm per m2 in 24 uur. Gedacht wordt aan één van navolgende opties: 1. natuurlijk uitvloeien op maaiveld (wadi); 2. aanleggen van infiltratiebuizen; 3. aanleggen van infiltratieschachten 4. plaatsen van infiltratiekratten

45

De oppervlakte van het landgoed is groot genoeg om te kunnen voorzien in de opvang van het hemelwater. Natuurlijk uitvloeien op het maaiveld (wadi) is het meest wenselijke scenario. Het centrale pad dat wordt toegevoegd aan het landgoed wordt uitgevoerd in halfverharding. Het hemelwater dat op dit pad valt wordt ter plekken geïnfiltreerd in de bodem. Afvalwater en hemelwater Het hemelwater en het huishoudelijke afvalwater worden gescheiden ingezameld. Het hemelwater wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. Ten behoeve van de waterkwaliteit worden zoveel mogelijk duurzame bouwmaterialen toegepast. Beschermingszone Door het plangebied loopt een primaire watergang de ‘Molenbeek Echt’. Op afbeelding 4.9 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

Afbeelding 4.9: Uitsnede leggerkaart (Bron: www.waterschaplimburg.nl/uwbuurt/kaarten-meetgegevens/leggerkaart)

De watergang zelf is geen onderdeel van het plangebied. Aan beide zijde heeft de watergang een beschermingszone voor het beheer en het onderhoud van de aangrenzende gronden, alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecologische waarden van de waterloop en aangrenzende gronden. Deze zone blijft met voorliggend initiatief vrij van bebouwing en bouwwerken. Middels een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterloop’ is deze zone opgenomen in voorliggend bestemmingsplan.

46

Conclusie De kwalitatieve en kwantitatieve waterbelangen komen met de uitvoerbaarheid van het initiatief niet in het gedrang.

4.10 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid, wet- en regelgeving Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (mer), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: •

Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige mer- (beoordelings)plichtige besluiten;

•

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden;

•

Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig.

Een plan is kaderstellend voor een toekomstig mer- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit MER. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit MER geldt nog wel de plicht om een ‘vormvrije merbeoordeling’ uit voeren. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten er toch een MER moet worden opgesteld. Situatie Voorliggend plan voorziet in het toevoegen van één bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken een bedrijfsgebouw en een kas. Deze activiteit wordt in de D-lijst van het Besluit MER aangemerkt als: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. Er dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Voorliggend plan blijft ver onder deze drempelwaarden. Daarnaast kan de herinrichting van de agrarische percelen worden aangemerkt als een ‘landinrichtingsproject danwel een wijziging of uitbreiding daarvan’.

De herinrichting is m.e.r.- plichtig wanneer het een functiewijziging in water, natuur, recreatie of landbouw met oppervlakte van > 125 ha betreft. Daar is met voorliggend initiatief geen sprake van. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden blijft geldt geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. De 'belangrijke nadelige gevolgen' moeten worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de

47

Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); 3. de kenmerken van het potentiële effecten Kenmerken van het project Er wordt een agrarisch landgoed gerealiseerd met veel aandacht voor het landschap en de natuurwaarden van de omgeving. De agrarische functie van de gronden wordt met voorliggend initiatief nieuw elan ingeblazen. Er worden graslanden, voedselbossen, notenakkers en een boomgaard voorzien. Daarnaast wordt er nieuwe bebouwing toegevoegd dat een ensemble vormt aan de rand van het voedselbos. Met de ontwikkeling van het landgoed wordt er kwaliteit toegevoegd aan het huidige landschap. Er is rekening gehouden met de (cultuurhistorische) waarden van het gebied. De ontwikkeling van een voedselbos heeft bovendien een gunstig effect op de waterkwaliteit en biodiversiteit in de omgeving en de Molenbeek in het bijzonder omdat er bij een voedselbos geen gebruik gemaakt wordt van bestrijdingsmiddelen en kunstmest. Aan het zuiden van het landgoed wordt een ontsluiting voor het landgoed toegevoegd. Parkeren wordt voorzien op eigen terrein. Er wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen.

De plaats van de activiteit (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu) Het effect van een activiteit op het milieu wordt bepaald door de activiteit zelf en door de kwetsbaarheid van het gebied en haar omgeving. Een deel van het plangebied ligt in een bodembeschermingsgebied. Ter bescherming van de kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn hiervoor regels opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het plangebied is niet gelegen binnen een waterwingebied en Natura-2000 gebied. Ook is met voorliggend initiatief geen sprake van directe vernietiging van natuur. Om te beoordelen of voorliggend initiatief leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is een berekening naar stikstofdepositie uitgevoerd. Uit de rekenresultaten blijkt dat het initiatief niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Kenmerken van het potentiële effect Voor het initiatief zijn, in deze toelichting, de relevante milieuaspecten beoordeeld en/of nader onderzocht. Hieruit zijn geen nadelige milieugevolgen gebleken. Conclusie Geconcludeerd wordt geen verplichting geldt tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat nadelige milieugevolgen voor de omgeving uitgesloten zijn.

48

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

5.1

Planbeschrijving

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en de legenda. Het bestemmingsplan bestaat uit drie onderdelen, namelijk: 1. de verbeelding, met zoveel mogelijk relevante informatie wat betreft de (dubbel)bestemmingen, aanduidingen, afmetingen en verklaringen van de betreffende gronden; 2. de regels, hierin wordt per bestemming een zo eenduidig mogelijke omschrijving van het gebruik en bouwmogelijkheden van de betreffende bestemming gegeven; 3. de toelichting, hierin worden de beweegredenen weergegeven die hebben geleid tot het geven van een bepaalde bestemming aan een stuk grond, als mede een interpretatie en uitleg van de gebruikte bestemmingen. De verbeelding en de bijbehorende regels vormen de enige juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan.

5.2

Regels

Inleidende regels Artikel 1: Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2: Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Bestemmingsregels Artikel 3: Agrarisch met waarden – Landschapswaarden De voor 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor

49

agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen een voedselbos. Behoud en ontwikkeling van recreatief medegebruik is mogelijk binnen deze bestemming, evenals het behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen. Er zijn bouwvlakken toegekend waarbinnen bebouwing is toegestaan. Middels een aanduiding is aangeven welke bebouwing is toegestaan. Artikel 4: Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden De voor 'Agrarisch met waarden – Natuur- en Landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik, waaronder mede begrepen een voedselbos. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van ecologische- en natuurwaarden. Middels een aanduiding is aangeven waar een boomgaard is toegestaan. Behoud en ontwikkeling van recreatief medegebruik is mogelijk binnen deze bestemming, evenals het behoud en bescherming van onverharde en halfverharde wegen. Artikel 5: Agrarisch – Landgoed De voor 'Agrarisch – Landgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik waaronder mede begrepen een voedselbos. Ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’ is één bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen toegestaan. Het bedrijfsgebouw is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfsgebouw’. In het bedrijfsgebouw is tevens het stallen van voertuigen toegestaan.

Artikel 6: Waarde – Archeologie 1 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m2 en met een diepte van meer dan 0,4 meter onder het maaiveld. Artikel 7: Waarde – Archeologie 3 Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond te verwachten archeologische waarden. Onderzoek is noodzakelijk bij bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m2 en met een diepte van meer dan 0,4 meter onder het maaiveld. Artikel 8: Waarde – Cultuurhistorie Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ zijn gronden gelegen bestemd voor de instandhouding en bescherming van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen, patronen en gebieden. Artikel 9: Waterstaat - Waterlopen Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterlopen' zijn de gronden mede bestemd voor het beheer en het onderhoud van de aangrenzende waterloop, alsmede voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van ecologische waarden van de waterloop.

50

Algemene regels Artikel 10: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel voorkomt dat dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking mogen worden genomen bij het verlenen van (verschillende) bouwvergunningen, waardoor bebouwingsmogelijkheden onbedoeld kunnen worden verruimd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening Artikel 11: Algemene bouwregels Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 van de regels – onbedoeld – geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Artikel 12: Algemene gebruiksregels De algemene gebruiksregels leggen een aantal vormen van gebruik vast die, ongeacht de bestemmingslegging, in ieder geval zijn uitgesloten. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, welke inhoudt dat het gebruiken en/of het laten gebruiken van de voor ‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden’ en ‘Agrarisch - Landgoed’ aangewezen gronden slechts is toegestaan wanneer de landschappelijke inrichting conform het als bijlage 1 bij de regels opgenomen landschapsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Artikel 13: Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen die gelden ter plaatse van een aantal gebiedsaanduidingen.

Artikel 14: Algemene afwijkingsregels Behalve de specifieke afwijkingsregels, opgenomen binnen de bestemmingsregels, kent het plan ook een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden. Deze bevoegdheden hebben als doel om flexibel te kunnen inspelen op afwijkingen en overschrijdingen van beperkte aard of omvang. Artikel 15: Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan het bevoegd gezag een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Artikel 16: Algemene procedureregels In deze bepaling staat aangegeven welke procedure dient te worden gevolgd bij de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen en het toepassen van een afwijkings- en een wijzigingsbevoegdheid. Artikel 17: Overige regels In de overige regels is een parkeerregeling opgenomen, waarmee wordt verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

51

Overgangs- en slotregels Artikel 18: Overgangsrecht Het overgangsrecht is van toepassing op bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Het opnemen van deze regel is verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 19: Slotregel De slotregel geeft aan hoe de regels van het plan worden aangehaald.

52

6

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De ontwikkeling wordt geheel op risico van de initiatiefnemer aangegaan en is daarmee een volledig particulier initiatief. Het plangebied is volledig in eigendom van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Echt-Susteren en de initiatiefnemer is een anterieure-exploitatieovereenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal is verzekerd. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omgevingsdialoog Er heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Het initiatief is voorgelegd aan enkele omwonenden en aan Heemkundekring Echter Landj. Hier is een verslag van gemaakt. Dit verslag is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Het dialoog heeft geleid tot aanpassingen van het plan. Vooroverleg artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan daarbij overleg pleegt met relevante overlegpartners. Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met de provincie Limburg en Waterschap Limburg. Zienswijzen De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wro juncto afdeling Awb. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. Eventuele zienswijzen zullen worden meegenomen in de besluitvorming omtrent onderhavig plan. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 17 november 2023 zes weken ter visie gelegen. Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen ingediend.

Als gevolg van de zienswijze van de Provincie Limburg is de woonbestemming en de daarin opgenomen (recreatie)woning en de bijbehorende carport komen te vervallen en is een bestemming 'Agrarisch - Landgoed' toegevoegd waarin een bedrijfswoning is toegestaan. Het bedrijfsgebouw en de kas zijn gehandhaafd omdat dit noodzakelijke faciliteiten zijn

53

om het beoogde landgoed te kunnen exploiteren. Hierdoor is het principe van een agrarisch landgoed beter geborgd.

54

Klement Rentmeesters. Liefde voor monumenten en landgoederen.

Makelaardij Beheer en exploitatie Herbestemming Subsidies Grondzaken

www.klement2.com 55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=11e046f2-a426-401d-9b6b-db9b70150499