Toelichting
Tekst van het document
Ten noorden van het plangebied, in de restgeul, heeft voor deze periode een verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen gerelateerd aan economische en rituele activiteiten die in een water gerelateerde context hebben plaatsgevonden. Zoals sporen van visserij, landbouw, veeteelt, wegen, kano’s en andere water gerelateerde gebruiksobjecten. Tevens staat deze periode bekend om de rituele deposities in natte context waardoor er bijvoorbeeld zwaarden of bijlen als losse vondst of complex in de rivier of restgeul aangetroffen kunnen worden. Late landbouwsamenlevingen Binnen het plangebied is een score 1 gegeven voor het aantreffen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten (Figuur 22). Zoals sporen van landbouw, veeteelt en wegen. Tevens staat deze periode bekend om de rituele gebruiken waarbij altaren of andere cultusplaatsen kunnen worden aangetroffen. Daarnaast is het ook mogelijk om rituele deposities als losse vondsten te vinden. Ten noorden van het plangebied heeft voor deze periode een verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen gerelateerd aan economische en rituele activiteiten die zowel op het land als in een water gerelateerde context hebben plaatsgevonden. Zoals sporen van visserij, landbouw, veeteelt, wegen, bruggen, kades en aanlegplaatsen voor boten.
Staatssamenlevingen Binnen het plangebied is een score 1 voor het aantreffen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten (Figuur 23). Zoals sporen van landbouw, veeteelt en wegen. Tevens staat deze periode bekend om de rituele gebruiken waarbij altaren of andere cultusplaatsen kunnen worden aangetroffen. Daarnaast is het ook mogelijk om rituele deposities als losse vondsten te vinden. Ten noorden van het plangebied heeft voor deze periode een verwachting op het aantreffen van archeologische vindplaatsen gerelateerd aan economische activiteiten die zowel op het land als in een water gerelateerde context hebben plaatsgevonden. Zoals sporen van visserij, landbouw, veeteelt, wegen, bruggen, kades, havens en aanlegplaatsen voor boten.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
29 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 20. Archeologisch verwachtingskaart voor het Maasdal periode Jager-Verzamelaars.
Figuur 21. Archeologische verwachtingskaart voor het Maasdal, periode Vroege landbouwsamenlevingen.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
30 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 22. Archeologische verwachtingskaart voor het Maasdal, periode Late landbouwsamenlevingen.
Figuur 23. Archeologische verwachtingskaart voor het Maasdal, periode Staatssamenlevingen.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
31 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
4.4
Vindplaatsen
4.4.1
AMK-terreinen
Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende, gewaardeerde, archeologische vindplaatsen weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terreinen van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde, en zeer hoge waarde – beschermd. In het laatste geval is het terrein een beschermd Rijksmonument. Het uitgangspunt bij AMK-terreinen is in principe behoud van archeologische resten in situ. Er zijn geen AMK-terreinen binnen het plangebied of onderzoeksgebied gelegen.
4.4.2
Vondstlocaties en waarnemingen
Vondstlocaties zijn archeologische vindplaatsen die geregistreerd zijn in Archis. De vondstlocaties zijn weergegeven op de kaart in Figuur 24 en staan vermeld in Tabel 2.
Figuur 24. Overzicht AMK-terreinen en vondstlocaties. Tabel 2. Overzicht vondstlocaties
Zaak IDnummer
3987034100 (objectnr. 1179531)
Datum en Plaats
Beschrijving
2016, Susteren
(Complextype, diepte -Mv) Bij een proefsleuvenonderzoek is in een laklaag vondstmateriaal uit de (Midden-/Late-) IJzertijd gevonden op circa 28,40 meter +NAP in het noorden, tot circa 29,15 meter +NAP in het zuiden. Dit betrof aardewerk, bewerkt vuursteen en houtskool. Er zijn daarentegen geen
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
32 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
sporen aangetroffen die direct op nederzettingsactiviteiten wijzen.
2300207100 (objectnr. 1093422)
4.5
2010, Holtum
Tijdens een proefsleuvenonderzoek van een pechhaven aan de A2 bij Holtum werden geen sporen aangetroffen. Wel werden zes natuurlijke bodemlagen gedocumenteerd. Het betreft hier de bouwvoor (S 9000) en vijf afzonderlijke rivierafzettingspakketten (S 8000, S 7000, S 6000, S 5000 en S 4000). Daarnaast zijn 8 vondsten aangetroffen. Het gaat om aardewerk uit de Prehistorie (waarschijnlijk de IJzertijd), vuursteen uit de Steentijd en een metalen voorwerp met een jonge (Nieuwe tijd – subrecente?) datering.
Eerder uitgevoerd onderzoek
In verschillende zones binnen het onderzoeksgebied is eerder archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Deze zones zijn aangegeven op de kaart in Figuur 25 en de resultaten van het onderzoek zijn beschreven in Tabel 3.
Figuur 25. Overzicht onderzoeksmeldingen. Tabel 3. Overzicht vondstmeldingen.
Zaak IDnummer 4725487100
Datum/ uitvoerder/ Type onderzoek 2018 / Antea/ Bureauonderzoek
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
Resultaten 20 m ten zuiden van plangebied. Geen rapport op archis of danseasy aanwezig.
33 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
4711343100
2019/ Sweco/ Bureauonderzoek
0 m van plangebied. Geen rapport op archis of danseasy aanwezig.
4752605100
2020/ Hamaland Advies vof/ Bureauonderzoek
0 m van plangebied. Geen rapport op archis of danseasy aanwezig.
3299490100
2015/ Sweco/ Bureauonderzoek
100 m ten noordoosten van plangebied. Studie op de beekdalen ten noorden van het plangebied in verband met de verbreding van de A2. De verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden uit de Vroege Prehistorie (met name Neolithicum en Mesolithicum), Late Prehistorie (Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd) en Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen is hoog. De verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden uit de Vroege en Volle Middeleeuwen is eveneens hoog, maar voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd wordt deze kans als laag ingeschat. Wel kunnen uit de perioden sporen gerelateerd aan infrastructuur en waterbeheer worden aangetroffen. Er wordt geadviseerd archeologische begeleiding in de vorm van proefsleuven, opgraving en bij het grondwerk.
3987034100
2016/ Transect/ proefputten en proefsleuven
150 m ten noordwesten van plangebied. Zie 3987034100 bij vondstmeldingen.
3292118100
2015/ Transect/ Bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek
150 m ten noordwesten van plangebied. De voorstudie van 3987034100.
4760592100
2019/ Antea/ Boring
150 m ten westen van plangebied. Geen rapport op archis of danseasy aanwezig.
2300207100
2010/ RAAP/ archeologische 250 m ten westen van plangebied. Rapport van 2300207100 bij begeleiding vondstmeldingen.
4598990100
2018/ IDDS Archeologie B.V./ Bureauonderzoek
200 m ten westen van plangebied. De hoogste archeologische verwachting geldt voor de gebieden die op de overgang liggen van de beekdalen naar de hogere delen. Deze gebieden waren met name in de prehistorie bij uitstek geschikt als bewoningslocaties. Ook voor de beekdalen geldt een (middel)hoge verwachting, maar dan voor een natte context. In deze gebieden geldt met name een hoge verwachting voor oversteekplaatsen (bruggen en voorden), afvaldumps en rituele deposities. Deze verwachting geldt voor een gebied ten noorden van plangebied Born. Er wordt hier archeologische begeleiding geadviseerd.
4757709100
2019/ Sweco/ Boring
0 m van plangebied. Geen rapport op archis of danseasy aanwezig.
2016/ RAAP/ Bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek
200 m ten zuidwesten van plangebied. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat het plangebied landschappelijk gezien gelegen is opeen dalvlakteterras. Dit terras wordt doorsneden door de Venkebeek. Volgens de bodemkaart is zowel oude rivierklei als zandige leem aanwezig binnen het plangebied. Rondom het plangebied zijn enkele archeologische vindplaatsen bekend die wijzen op de archeologische rijkdom van het gebied uit verschillende periodes (Prehistorie tot en met Late Middeleeuwen). Historisch gezien was het plangebied akkerland. Ten aanzien van intacte vindplaatsen van jager/verzamelaars geldt een lage verwachting en een hoge verwachting voor resten van landbouwers. In de omgeving van de Venkebeek geldt een middelhoge verwachting voor resten gerelateerd aan een beekdal (afval/rituele deposities). Tijdens het veldonderzoek zijn tevens vondsten uit het Neolithicum, Romeinse Tijd en
3292872100
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
34 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
IJzertijd/Vroege Middeleeuwen aangetroffen. Het plangebied kent op basis van deze gegevens een hoge archeologische verwachting voor sporen van landbouwende gemeenschappen, specifiek uit hoger vermelde periodes. Door het ontbreken van beekdalsedimenten ontbreekt de context voor natte beekdalresten. Op basis van het veldonderzoek worden deze resten niet verwacht, waardoor de middelhoge verwachting naar laag wordt bijgesteld. Er wordt daarna proefsleuvenonderzoek geadviseerd.
4.6
Synthese archeologische waarde
In het onderzoeksgebied zijn een aantal vondsten uit verschillende perioden aangetroffen. Het gaat om Prehistorisch aardewerk (waarschijnlijk de IJzertijd) en vuursteen, aardewerk, bewerkt vuursteen en houtskool uit IJzertijd en een metalen voorwerp met een jonge datering. Ook uit de eerdere uitgevoerde onderzoeken komt naar voren dat er een verwachting is op een ruimte periode vanaf het Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen, maar ook worden sporen en vondsten uit Nieuwe Tijd gevonden. Vanwege de ligging op het dalvlakteterras langs een beek was het plangebied een geschikte plaats voor bewoning en landbouw.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
35 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies besproken en op basis daarvan een gespecificeerde archeologische verwachting geformuleerd. Als laatste wordt een advies gegeven voor archeologisch vervolgonderzoek.
5.1
Conclusie
1.
Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
De slenk is gevuld door de fluviatiele afzettingen van de Rijn en de Maas. Door de insnijding van de rivier de Maas zijn er Maasterrassen gevormd. De sedimenten van de jongste fase van de opvullingen in de Maas en de Maasterrassen worden aangeduid als de Formatie van Beegden. De Formatie van Beegden ligt op de Formatie van Sterksel, die bestaat uit riviersediment aangevoerd door de Rijn met de Maas als zijrivier, daterend uit het laatste deel van het Vroeg-Pleistoceen en Cromerien. In de warmere perioden kwam de vegetatie terug waardoor het sediment werd vastgehouden en grootschalige zandverstuiving afnamen. In deze perioden ontstond een dekzandlandschap met paraboolduinen en dekzandruggen met daartussen uitgestoven laagtes en dekzandvlakten. Dit dekzandlandschap is deels bepalend voor het huidige reliëf van onder meer Noord en Midden Limburg. Deze dekzand laag behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Naast de vlakke, oude rivierterrassen en dekzand kenmerkt het Maasdalgebied zich, geomorfologisch gezien, door de lagergelegen Maas in zijn huidige bedding en de hoger gelegen rivierduinen. Landschappelijk gezien ligt het plangebied op het overgangsgebied van het zuidelijkere lössgebied naar het rivierengebied dat onder invloed van de Maas gevormd is. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dalvlakteterras.
Ten oosten van het plangebied wordt het terras doorsneden door een zuidwest, noordoost georiënteerde dalvormige laagte zonder veen. In deze laagte bevindt zich de bedding van de Venkebeek. Ten noorden van het plangebied is een restgeul, een voormalige maasarm. Voor het plangebied geldt een grondwatertrap VII. Dit betekent dat het grondwaterpeil erg diep is en daardoor archeologische resten niet goed geconserveerd zijn. Het zijn droge bodems, die geschikt waren voor landbouw vanwege de geschikte vochthuishouding. De bodemstructuur maakte het plangebied geschikt voor akkerbouw. 2.
Welke archeologische vindplaatsen in en rond het plangebied zijn bekend?
In het onderzoeksgebied zijn een aantal vondsten uit verschillende perioden aangetroffen. Het gaat om Prehistorisch aardewerk (waarschijnlijk de IJzertijd) en vuursteen, aardewerk, bewerkt vuursteen en houtskool uit IJzertijd en een metalen voorwerp met een jonge datering. Ook uit de eerdere uitgevoerde onderzoeken komt naar voren dat er een verwachting is op een ruimte periode vanaf het Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen, maar ook worden sporen en vondsten uit Nieuwe Tijd gevonden. Vanwege de ligging op het dalvlakteterras langs een beek was het plangebied een geschikte plaats voor bewoning en landbouw. 3.
Welke historische gegevens (complexen en landgebruik) in en rond het plangebied zijn bekend?
In de 19de en eerste helft 20ste eeuw bevond het plangebied zich in een akker vlak langs twee beken, de Geleenbeek en Venkebeek. Eind jaren ’70 is op het oostelijke perceel een trafostation gebouwd, vanwege de hoogspanningstracés ten westen van het plangebied. Voor de aanleg van het trafostation is binnen het plangebied geen bewoning geweest. Ten oosten van het plangebied bevindt zich aan de Geleenbeek een korenmolen. Ten zuiden van het plangebied ligt het kasteel Wolfrath, een 17 de eeuws kasteel, maar al bewoning vanaf de 12de eeuw. Tevens heeft op circa een kilometer ten noordoosten van het plangebied de Geullinie gelegen. Rondom deze linie, op een afstand van 500 meter van de Geullinie, lag een operatieterrein genaamd de Roerdriehoek. Het terrein werd gebruikt voor operatie Blackcock, waar heftig is gevochten tussen de Duitsers en de geallieerden.
5.2
Gespecificeerd verwachtingsmodel
4.
Wat is, op basis van bovenstaande gegevens, de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Wat zijn de prospectiekenmerken van de te verwachte vindplaatsen?
Op basis van de landschappelijke setting (pleistocene afzettingen van de Formatie van Sterksel, Formatie van Beegden en Laagpakket van Wierden) kunnen archeologische resten vanaf het Paleolithicum voorkomen. Voor de periode Paleolithicum en het Mesolithicum geldt een middelhoge archeologische Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
36 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
verwachting. De resten worden vanaf 31 m +NAP verwacht in de Formatie van Sterksel en Formatie van Beegden. De verwachting is dat de gaafheid van vondsten uit deze periode goed is. In het Weichselien hebben eolische verplaatsingen van zand plaatsgevonden. Deze dekzanden behoren tot de formatie van Boxtel, laagpakket van Wierden. De verwachting voor het Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd is een middelhoge verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten. De gaafheid van de vondsten is slecht tot redelijk, vanwege het diepe grondwaterpeil. In de periode vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd heeft ten noorden van het plangebied een restgeul gelegen. In de restgeul zelf is de kans laag op archeologische sporen. Het plangebied zelf lag langs deze restgeul, waarbij een middelhoge verwachting geldt voor het aantreffen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten. Eventuele losse vondsten of ontginningssporen worden direct onder het maaiveld of bouwvoor verwacht. De gaafheid van de vondsten is slecht tot redelijk. Tabel 4. Archeologische verwachtingsmodel per periode. Archeologische periode
Verwach -ting
Complextype
Kenmerken
Omvang
Diepteligging
Gaafheid
Laat Paleolithicum Mesolithicum
Middelhoog
(Jacht)kampen
Indicatoren houtskool en vuursteen
200-1000 m2
Vanaf 31 m + NAP. In Formatie van Sterksel of Formatie van Beegden
Slechtredelijk
Neolithicum
Middelhoog
(Jacht)kampen
Indicatoren houtskool en vuursteen
200-1000 m2
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Bronstijd
Middelhoog
Nederzettings-resten en losse vondsten
Vondst- en sporen niveau
500-2000 m2
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
IJzertijd
Middelhoog
Nederzettings-resten en losse vondsten
Vondst- en sporen niveau
500-2000 m2
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Romeinse Tijd
Middelhoog
Nederzettings-resten en losse vondsten
Vondst- en sporen niveau
500-2000 m2
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Vroege Middeleeuwen
Middelhoog
Nederzettings-resten en losse vondsten
Vondst- en sporen niveau
500-2000 m2
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Late Middeleeuwen
Middelhoog
Ontginningssporen
Sporenniveau
lineaire structuren
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Nieuwe tijd A- B
Middelhoog
Ontginningssporen
Sporen- en vondsten-niveau
lineaire structuren
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Nieuwe tijd C
Middelhoog
Ontginningssporen Losse vondsten Tweede Wereldoorlog
Sporen- en vondsten-niveau
lineaire structuren
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Recente geschiedenis
Middelhoog
Ontginningssporen
Sporen- en vondsten-niveau
lineaire structuren
Direct onder bouwvoor in Lp. Van Wierden
Slechtredelijk
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
Slechtredelijk
37 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
5.3
Advies
5.
In welke mate worden de bekende en/of verwachte archeologische vindplaatsen bedreigd door de geplande ontwikkeling?
De verwachting is dat tijdens de aanleg van het hoogspanningsstation het terrein niet is opgehoogd of afgegraven. Dit betekent dat onder de bestrating op het huidige terrein en het perceel ten oosten van het huidige station de bodem intact is. Mogelijk kunnen archeologische vindplaatsen door de geplande ingrepen, betreffende verstoring van 1,5 m – Mv voor de nieuwe gebouwen en 0,5 m – Mv voor de vergraving overig terrein, worden bedreigd. 6.
Is archeologisch vervolgonderzoek nodig en zo ja, welke onderzoeksmethode wordt geadviseerd?
Op basis van de resultaten van het onderhavige bureauonderzoek wordt geadviseerd om het gespecificeerde verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Dit verkennend booronderzoek heeft als doel de bodem opbouw en/of bodemverstoringen gedetailleerd in kaart te brengen. Conform KNA dienen onderzoekstechnieken en strategieën te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA) dat voor de uitvoering voorgelegd moet worden aan het Bevoegd Gezag. Er kan gebruik worden gemaakt van de volgende technieken en strategieën: • boortype: Edelmanboor (Ø 7 cm) of guts (Ø 3 cm); • boordichtheid en -grid: Een grid van 20x25 meter. • • •
aantal boringen: 9 waarnemingsmethode: Visuele waarneming van de boorkern in het veld. boordiepte: Tot 2 m in de Pleistocene ondergrond
Als prospectiekenmerken van de eventueel aanwezige archeologische resten kunnen worden benoemd: • •
een cultuurlaag. Deze wordt gekenmerkt door een afwijkende (vaak relatief donkere) kleur ten opzichte van de eronder en erboven liggende laag; de aanwezigheid van objecten als aardewerk, vuursteen, houtskool en bot in het boorresidu.
Dit advies kan door de initiatiefnemer te worden voorgelegd aan het Bevoegd Gezag, in dit geval de Gemeente Echt-Susteren. Het Bevoegd Gezag kan van het door Arcadis gegeven advies afwijken.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
38 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
BRONNEN Literatuur Bakker, de, H. en A.W. Edelman-Vlam, 1976. De Nederlandse bodem in kleur. Wageningen: stichting voor bodemkartering. Centrum voor landbouwpublicaties en landbouwdocumentatie. Provincie Noord-Brabant, 2011. Gebiedspaspoorten. Uitwerking Structuurvisie ruimtelijke ordening. Ball, E.A.G., L.A. Tebbens & C.M. van der Linde, 2018. Het Maasdal tussen Eijsden en Mook De bewoningsen gebruiksgeschiedenis van het Maasdal op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk. Nederlandse Archeologische Rapporten 60, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Berendsen, H.J.A., 1998. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2000. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.A.J., 2005. Landschappelijk Nederland, De fysisch-geografische regio’s. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2008. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Doppert, J.W.Chr., Ruegg, G.H.J., Van Staalduinen, C.J., Zagwijn, W.H., Zandstra, J.G. 1975. Formaties van het Kwartair en Boven-Tertiair in Nederland. In: Zagwijn, W.H., Van Staalduinen, C.J. (eds.): Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland. Rijks Geologische Dienst, Haarlem, 11-56. Esri Nederland, 2015. Historische kaarten vanaf 1815 tot heden. Gemeente Echt-Susteren, 2011.
Archeologische beleidskaarten. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Renes, J., 1999. Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Leeuwarden: Uitgeverij Eisma bv en Maastricht: Maaslandse Monografieën (9). Stiboka, 1993. Bodemkaart van Nederland 1:50000, Wageningen. Stiboka, 1987. Geomorfologische kaart van Nederland 1:50000, Wageningen. Stouthamer, E., Cohen, K.M., & W.Z. Hoek, 2011. De vorming van het land. Geologie en geomorfologie. Perspectief uitgevers, Utrecht. Tebbens, L.A. 2016: Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologische Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. TNO, 2010. Geologische overzichtskaart van Nederland 1:600.000, Utrecht. Weerts, H., J. Schokker, K. Rijsdijk & C. Laban, 2006. Geologische overzichtskaart van Nederland. TNO Bouw en Ondergrond, Utrecht. Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen.
Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus)
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
39 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Zijverden van W., & Moor de J., 2014. Het groot profielenboek. Fysische geografie voor archeologen. Leiden: Sidestone Press. Zuidhof, F.S. & J. Huizer (red.) 2015. De noordelijke Maasvallei door de eeuwen heen. Vijftienduizend jaar landschapsdynamiek tussen Roermond en Mook Inventariserend archeologisch onderzoek ‘Verkenning Plus’ Project Maasvallei voor vijftien plangebieden. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten (ADC Monografie 19).
Kaarten • • • • • • •
Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN). Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Archeologisch Informatiesysteem Archis2; Rijksdienst voor het Culturele Erfgoed (RCE). Bodemkaart Nederland (1:50:000); Alterra. Geomorfologische Kaart (1:50:000); Alterra. Indicatieve kaart militair erfgoed (IKME). Paleogeografische kaarten (zie Vos e.a. 2018).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
40 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
COLOFON BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN ARCADIS ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 258
KLANT Enexis AUTEUR Susan de Jong en Wanda Zijl PROJECTNUMMER C05022.214167 ONZE REFERENTIE D10012331:34 DATUM 17 juli 2020 GECONTROLEERD DOOR
VRIJGEGEVEN DOOR
Wanda Zijl Chandra Sly Senior KNA-Archeoloog en adviseur Cultuurhistorie Projectleider
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
41 van 41
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Bijlage 2 Aerius-berekening
84
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via:
www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie
Activiteit
Omschrijving Toelichting
Berekening
Enexis Magistratenlaan 116, 5223 MB 's-Hertogenbosch Uitbreiding hoogspanningsstation Enexis Realisatiefase uitbreiding hoogspanningsstation Enexis - aerius versie 2023.0.1
AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie
S2qeYbYg2HAb 15 december 2023, 10:56 Wnb-rekengrid
Totale emissie
Rekenjaar
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
Resultaten
Hoogste bijdrage
Hexagon
Gebied
Realisatiefase - Beoogd Realisatiefase - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) Gekarteerd oppervlak met afname (ha) Grootste toename Grootste afname
S2qeYbYg2HAb (15 december 2023)
2025 -
4,0 kg/j
66,2 kg/j
2/6
Projectberekening
Realisatiefase (Beoogd), rekenjaar 2025 Emissiebronnen 2
Anders... | Anders... | Werkterrein; Werktuigen Verkeersnetwerk
S2qeYbYg2HAb (15 december 2023)
Emissie NH₃
Emissie NOₓ
3,9 kg/j 0,1 kg/j
63,1 kg/j 3,1 kg/j
3/6
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald
Grootste toename (projectberekening) Grootste afname (projectberekening) Hoogste totaal (achtergrond + projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S). S2qeYbYg2HAb (15 december 2023)
4/6
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Realisatiefase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Berekend (ha gekarteerd)
Totaal
S2qeYbYg2HAb (15 december 2023)
-
Hoogste totale Met toename Grootste depositie (mol (ha gekarteerd) toename (mol N/ha/jr) N/ha/jr)
-
-
-
Met afname (ha Grootste afname gekarteerd) (mol N/ha/jr)
-
-
5/6
Projectberekening
Realisatiefase, Rekenjaar 2025 1
Wegverkeer | Weg
Naam Locatie Lengte Wegtype Rijrichting Tunnelfactor Type hoogteligging Weghoogte t.o.v. maaiveld Verkeer
Licht verkeer Middelzwaar vrachtverkeer Zwaar vrachtverkeer Busverkeer 2
Anders... | Anders...
Bouwverkeer X:186620,94 Y:340121,86 1.028,04 m Buitenweg Beide richtingen 1 Normaal 0m
Type scherm Hoogte Afstand tot de weg
Max. snelheid
Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren Voorgeschreven factoren
Naam Werkterrein; Uittreedhoogte Werktuigen Warmteinhoud Locatie X:186161,09 Spreiding Y:340018,7 Oppervlakte 0,17 ha Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele variatie Standaard Profiel Industrie
2,5 m 0,035 MW 1m
Links Rechts NOₓ - NO₂ - NH₃
-
-
Aantal voertuigbewegingen
3,1 kg/j 1,0 kg/j 0,1 kg/j
In file
3.674,0 /jaar 0,0 /jaar 814,0 /jaar 0,0 /jaar
0,0 % 0,0 % 0,0 % 0,0 %
NOₓ NH₃
63,1 kg/j 3,9 kg/j
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie 2023.1_20231207_46ea8e9191 Database versie 2023.1_46ea8e9191_calculator_nl_stable Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
S2qeYbYg2HAb (15 december 2023)
6/6
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Bijlage 3 Quickscan Ecologie
91
ONDERWERP
PROJECTNUMMER
Quickscan ecologie hoogspanningsstation Born
C05022.214167
DATUM
ONZE REFERENTIE
16 december 2020
D10011430:21
VAN
Stefan van den Akker AAN
Enexis
Aanleiding en werkzaamheden Enexis heeft het voornemen om het hoogspanningsstation gelegen aan de Holtummerweg te Susteren uit te breiden met een extra transformator. De geplande uitbreiding wordt ten oosten van het bestaande hoogspanningsstation gerealiseerd (zie Figuur 1 voor de ligging en Bijlage B voor een impressie). De voorgenomen ingreep heeft mogelijk een negatieve impact op beschermde natuurgebieden en soorten. Arcadis is gevraagd een inschatting te maken of en zo ja welke mogelijk negatieve effecten op kunnen treden en of vervolgstappen nodig zijn. In dit memo zijn de resultaten van deze inschatting opgenomen.
Figuur 1. Het plangebied (rood omkaderd).
Voornemen en werkzaamheden Het voornemen is om het huidig plangebied volledig her in te richten voor de realisatie van de uitbreiding van het hoogspanningsstation. Uitgangspunt voor deze quickscan is dat binnen de begrenzing van het plangebied alle vegetatie verdwijnt, de bomen gekapt worden en grond wordt verzet.
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
1 van 14
Huidige situatie Het zuidelijk deel van het plangebied gebied bestaat uit een kleine gemengde opstand met soorten zoals de eik, berk, gewone sering en hazelaar met ondergroei in de vorm van klimop en bramen. Ten noorden wordt het plangebied begrenst met een rij knotwilgen en bramen als ondergroei. Het middenstuk van het plangebied bestaat uit hoge grassen met brandnetels en enkele opkomende hazelaars. Het plangebied wordt omringt door agrarisch gebied en ligt buiten de bebouwde kom (zie Bijlage B). Planning Het uitgangspunt van de quickscan is dat de werkzaamheden in het plangebied jaarrond kunnen plaatsvinden.
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN binnen Limburg is dit onderverdeeld in de “goud- zilver- en bronsgroene zone”, waarbij de bronsgroene zone niet van toepassing is. Limburg kent geen externe werking, effecten zijn dan ook uitgesloten (zie Figuur 2) (zie Bijlage A voor het wettelijk kader).
Figuur 2. Plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNN, zowel goudgroene als zilvergroene zone. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Grensmaas” op ongeveer 2.6 kilometer (zie Figuur 3). Omdat het plangebied niet binnen een Natura 2000-gebied ligt, zijn direct negatieve effecten, bijvoorbeeld door ruimtebeslag, op voorhand uitgesloten (zie Bijlage A voor het wettelijk kader). Gezien de ruime afstand tot de Natura 2000-gebieden en tussengelegen industrie en snelweg, zijn indirecte effecten als gevolg van verstoring door bijvoorbeeld geluid, eveneens op voorhand uitgesloten. De werkzaamheden leiden echter wel tot een tijdelijke emissie van stikstof. Stikstof kan in Natura 2000-gebieden in overmaat leiden tot vermesting en verzuring. Dit betekent dat mogelijk sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van habitatsoorten door de aanlegwerkzaamheden. Om dit inzichtelijk te maken moet een AERIUS berekening gemaakt worden.
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
2 van 14
Figuur 3. Plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000 gebieden en NNN. Bron:https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten – Geraadpleegd op 17 juni 2020.
Soortbescherming Bureaustudie en veldbezoek Om de aanwezigheid en mogelijke effecten op beschermde soorten inzichtelijk te maken, is een bureauonderzoek en een veldbezoek uitgevoerd. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van vrij beschikbare informatie, zoals verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) van de afgelopen vijf jaar (01-01-2015 t/m 18-06-2020). Daarnaast is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • www.verspreidingsatlas.nl • www.zoogdiervereniging.nl • www.ravon.nl Het veldbezoek is uitgevoerd op 18-06-2020 in de middag door Stefan van den Akker, ecoloog van Arcadis. De omstandigheden tijdens het veldbezoek waren zonnig, 23°C bij windkracht van 2 Bft. Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de uitkomsten van het bureauonderzoek en de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Tijdens het veldbezoek is globaal geïnventariseerd of en welke soorten (mogelijk) in en om het gebied aanwezig zijn. Hierbij is aandacht besteed aan alle relevante soortgroepen en beoordeeld of mogelijke standplaatsen, verblijfplaatsen, voortplantingsplaatsen of leefgebieden binnen of in de directe omgeving van het ingreepgebied (kunnen) worden aangetast bij ontwikkelingen.
In Tabel 1 is per soortgroep weergegeven of en zo ja, welke beschermde soorten mogelijk voorkomen binnen het plangebied, op basis van zowel het bureauonderzoek als veldbezoek. Alle soorten vallen onder de zorgplicht en zijn daaronder beschermd. Hieronder wordt onder de conclusie aangegeven of streng of algemeen beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn ja of nee.
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
3 van 14
Tabel 1. Voorkomen en functie leefgebied van beschermde soorten binnen het plangebied per relevante soortgroep. Soortgroep Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Conclusie Flora Bureauonderzoek Voorkomen van In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van beschermde planten beschermde soorten binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van is uitgesloten binnen verspreidingsgebied en biotoop (deels struweel, deels hoge grassen het plangebied. ingesloten binnen agrarisch gebied) komen mogelijk de volgende soorten voor: • dreps • getande veldsla • grote leeuwenklauw • kleine wolfsmelk • naakte lathyrus • naaldenkervel • ruw parelzaad • spits havikskruid (verspreidingsatlas.nl). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Het perceel was dusdanig klein dat het volledig plangebied nagelopen kon worden. Het zeer eutrofe, tamelijk vochtige en schaduwrijk karakter van het gebied, met woekerende brandnetels en bramenstruiken, maakt het ongeschikt voor het voorkomen van de bovenstaande beschermde soorten, het voorkomen hiervan is dan ook uitgesloten. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Bureauonderzoek In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van broedvogels zonder jaarrond beschermd nest binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn tjiftjaf en houtduif waargenomen. Het plangebied is geschikt voor nestplaatsen )opgaande delen) en als foerageergebied (volledig plangebied) voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest. Voor deze soorten geldt dat het geen essentieel leefgebied is en dat voldoende alternatief aanwezig is.
Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Bureauonderzoek In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van broedvogels met jaarrond beschermd nest binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen broedvogels met jaarrond nest waargenomen. Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen nesten aangetroffen. Broedvogels met jaarrond beschermd nest zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Het plangebied kan incidenteel gebruikt worden om te foerageren, maar de omgeving bestaat uit gebieden die potentieel een vergelijkbare functie vervullen.
Grondgebonden zoogdieren
Bureauonderzoek In de NDFF zijn waarnemingen opgenomen van de dwergspitsmuis. Op basis van verspreidingsgegevens kunnen soorten zoals de haas, konijn, ree en marterachtigen voorkomen zoals de wezel en hermelijn (verspreidingsatlas.nl). Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen grondgebonden zoogdieren of sporen hiervan waargenomen. Voor de bovengenoemde soorten is geschikt
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
Voorkomen van algemeen beschermde broedvogels is niet uit te sluiten. Functie: Foerageergebied Leefgebied
Broedvogels met jaarrond beschermd nest hebben geen nestplekken binnen het plangebied. Incidenteel kan het plangebied gebruikt worden om te foerageren. Dit betreft geen essentieel foerageergebied.
Algemene soorten zijn niet uit te sluiten binnen het plangebied. Functie: Foerageergebied Leefgebied
4 van 14
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat foerageer- of leefgebied aanwezig in de vorm van grasland, struweel met voldoende dekking.
Conclusie
Vleermuizen
Bureauonderzoek In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van vleermuizen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Soorten zoals de ruige dwergvleermuis en watervleermuis kunnen voorkomen binnen het gebied (zoogdiervereniging).
Vleermuizen gebruiken het plangebied mogelijk als foerageergebied. Dit betreft geen essentieel foerageergebied. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen aanwezig.
Veldbezoek Binnen het plangebied ontbreken geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuissoorten zoals spleten en gaten in bomen. Er zijn geen belangrijke lijnvormige structuren aanwezig binnen het plangebied, het plangebied zelf maakt ook geen deel uit van een mogelijk belangrijk lijnvormige structuur binnen het landschap die als mogelijke vliegroute dient. Het plangebied kan incidenteel gebruikt worden om te foerageren, maar de omgeving bestaat uit gebieden die potentieel een vergelijkbare functie vervullen. Reptielen
Bureauonderzoek In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van reptielen. Op basis van verspreidingsgebied kan de hazelworm voorkomen (RAVON). Veldbezoek De aanwezigheid van dichte begroeiing, takkenhopen en strooisellaag maken het plangebied geschikt voor de hazelworm.
Amfibieën
Bureauonderzoek In de NDFF zijn geen waarnemingen opgenomen van amfibieën binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van verspreidingsgebied kunnen algemene soorten zoals de gewone pad, bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander voorkomen. Daarnaast valt het plangebied binnen het verspreidingsgebied van de poelkikker (RAVON). Veldbezoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen poelen, maar wel een geschikte waterweg aanwezig. Binnen het plangebied en in de directe omgeving ontbreekt geschikt landhabitat voor beschermde amfibieën. Incidenteel kunnen algemene soorten zoals de gewone pad voorkomen, deze zijn niet gebonden aan waterhoudend habitat. Het plangebied vormt geen essentieel leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën. (RAVON).
Functie: Foerageergebied
Het voorkomen van de hazelworm kan niet uitgesloten worden binnen het plangebied. Functie: Foerageergebied Leefgebied Het incidenteel voorkomen van algemene soorten amfibieën kan niet uitgesloten worden. Het betreft geen essentieel leefgebied. Functie: Foerageergebied Leefgebied
Vissen
Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Het voorkomen van vissen is uitgesloten.
Het voorkomen van beschermde vissoorten is uitgesloten binnen het plangebied.
Overige soorten
Bureauonderzoek Geen waarnemingen bekend van ongewervelden binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
Incidenteel kunnen beschermde soorten vlinders en libellen voorkomen, het
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
5 van 14
Soortgroep
Aanwezigheid beschermde soorten / geschiktheid habitat Veldbezoek Binnen het plangebied is geen geschikt habitat aanwezig voor beschermde ongewervelden zoals vlinders en libellen. Het gebrek aan water en kruidenrijk grasland met bloeiende planten maken het plangebied ongeschikt als leefgebied. Incidenteel kunnen soorten voorkomen die zich vanuit de directe omgeving (waterweg) zich door of langs het plangebied bewegen, het betreft geen essentieel leefgebied.
Conclusie betreft geen essentieel leefgebied.
Effectbeschrijving Op basis van de bovengenoemde voorkomende soorten, is in Tabel 2 per soort(groep) een beschrijving gegeven van mogelijke effecten als gevolg van het voornemen. Daarbij is nog geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van de uitkomst van deze beoordeling is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Tabel 2. Effecten per soortgroep als gevolg van werkzaamheden. Soortgroep Mogelijke effecten
Toetsing vereist?
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
De werkzaamheden leiden tijdens het broedseizoen mogelijk tot verstoring en vernielen of beschadigen van nestplaatsen, eieren of legsel van aanwezige algemene broedvogels.
Ja
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten
Door het ontbreken van nestplekken of essentieel foerageergebied zijn negatieve effecten door de voorgenomen werkzaamheden uitgesloten. Soorten die incidenteel voorkomen hebben voldoende uitwijkmogelijkheden.
Nee
Grondgebonden zoogdieren
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring, verwonden en doden van haas, konijn, dwergspitsmuis, ree, wezel en hermelijn.
Ja
Vleermuizen
Door het ontbreken van verblijfplaatsen of essentieel foerageergebied zijn negatieve effecten door de voorgenomen werkzaamheden uitgesloten. Soorten die incidenteel voorkomen hebben voldoende uitwijkmogelijkheden.
Nee
Reptielen
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring, verwonden en doden van de hazelworm.
Ja
Amfibieën
De werkzaamheden leiden mogelijk tot verstoring, verwonden en doden van de gewone pad.
Ja
Vissen
Binnen het plangebied is geen water aanwezig. Het voorkomen van vissen is uitgesloten.
Nee Het voorkomen van beschermde vissoorten is uitgesloten binnen het plangebied.
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
6 van 14
Toetsing In onderstaande tabel is per soort/soortgroep opgenomen tot welke beschermingscategorie deze behoort: Tabel 3: Beschermingscategorie van de relevante soorten. Beschermingscategorie Soort/ soortgroep Vogelrichtlijnsoorten Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Andere soorten met vrijstelling Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Andere soorten met vrijstelling onder voorwaarde dat werkzaamheden buiten de gevoelige periode (1 juli tot 1 oktober) plaatsvinden
Hazelworm
Binnen de provincie Limburg geldt een vrijstelling voor de binnen het plangebied algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën waar effecten op voorzien zijn. Deze zijn hieronder daarom niet meegenomen. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht, zie Bijlage A.
Overtreding verbodsbepalingen In de onderstaande tabellen is per soort/soortgroep op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wnb kunnen worden overtreden door de werkzaamheden. Daarbij is geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Tabel 4: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van Artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn. Soortgroep Lid 1 Lid 2 Lid 3 Lid 4 Lid 5 Als gevolg van Broedvogels zonder X X X Verwijderen van bomen en struiken. jaarrond beschermd nest Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; verstoring toegestaan indien niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Lid 5: het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest kunnen het grond verzetten in de directe omgeving van de beek leiden tot het doden of opzettelijk verstoren/vernielen van rustplaatsen of nesten (Lid 1, 2 en 4). Tabel 5: Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van andere soorten. Soort a b c Als gevolg van Hazelworm X X Graafwerkzaamheden binnen de gevoelige periode Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Voor de hazelworm kunnen aanwezige individuen gedood worden en vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen vernield worden door graafwerkzaamheden. Voor deze soort geldt een vrijstelling buiten de gevoelige periode (zie Bijlage A).
Mitigerende maatregelen Op basis van de quickscan is de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten niet uit te sluiten. Omdat bij uitvoering van de werkzaamheden sprake kan zijn van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb, moeten maatregelen genomen worden. De te nemen maatregelen per soort worden hier behandeld. Algemene maatregelen (zorgplicht) De Wnb kent een algemene zorgplicht (Artikel 1.11 Wnb). Dit betekent dat zorgvuldig met alle aanwezige dieren moet worden omgegaan. Hiervoor moeten de volgende maatregelen worden genomen: Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
7 van 14
• • •
Voer de werkzaamheden rustig uit en op een dusdanige manier dat dieren niet ingesloten raken. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden. Het materieel moet zorgvuldig en deskundig worden gebruikt, zodat geen onnodige schade wordt veroorzaakt of onnodige verstoring van flora en fauna optreedt. Maai en/of snoei voorafgaand aan de werkzaamheden de nog aanwezige vegetatie in het werkgebied kort en houd deze kort totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens de werkzaamheden.
Broedvogels (zonder jaarrond beschermd nest) • Voer werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen loopt ongeveer van 15 maart tot 15 juli, maar kan afhankelijk van het weer en andere factoren verschuiven. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken: maak geschikte broedlocaties voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt en houd deze ongeschikt totdat de werkzaamheden zijn uitgevoerd. Als werkzaamheden starten in het broedseizoen, dan is het verstandig om een deskundig ecoloog de aanwezigheid van broedende vogels te laten onderzoeken, in het bijzonder als het gebied niet ongeschikt voor broedende vogels is gemaakt. Mitigerende maatregelen voor de hazelworm • Door algemene maatregelen (zorgplicht) te treffen en buiten de gevoelige periodes te werken (deze periode loopt van 1 juli tot 1 oktober) worden negatieve effecten op de hazelworm voorkomen.
Conclusie Binnen het plangebied komen mogelijk beschermde soorten voor. Als gevolg van de werkzaamheden zijn mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten niet uitgesloten en worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. Door de voorgeschreven mitigerende maatregelen in acht te nemen kunnen de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder overtreding van verbodsbepalingen.
Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
8 van 14
BIJLAGE A WETTELIJK KADER Gebiedsbescherming NNN Goudgroene- en Zilvergroene zone In provincie Limburg wordt niet over het NNN maar over de Goudgroene zone gesproken. De zilvergroene zone is geen NNN maar heeft een vergelijkbare bescherming en is daarom hieronder opgenomen. Limburg kent geen externe werking. De volgende tekst is afkomstig uit de Geconsolideerde versie Omgevingsverordening Limburg 2014 (versie december 2019): Paragraaf 2.6 Goudgroene natuurzone Artikel 2.6.1 Begrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. Goudgroene natuurzone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Goudgroene natuurzone; b. wezenlijke kenmerken en waarden Goudgroene natuurzone: voor bestaande natuurgebieden de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen en voor te realiseren natuurgebieden de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaartikel en de ambitiekaartikel van het Provinciaal Natuurbeheerplan. Artikel 2.6.2 Bescherming Goudgroene natuurzone Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Paragraaf 2.13 Zilvergroene natuurzone Artikel 2.13.1 Begrippen In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.
Zilvergroene natuurzone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Zilvergroene natuurzone; b. Goudgroene natuurzone: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Goudgroene natuurzone. c. Natura 2000-gebied: gebied dat op de kaarten behorende bij deze verordening is aangeduid als Natura 2000-gebied
Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn aangewezen/ aangemeld. De Europese Unie heeft deze twee richtlijnen vastgesteld die moeten zorg dragen voor de bescherming van de belangrijkste Europese natuurwaarden: de Vogelrichtlijn uit 1979 en de Habitatrichtlijn uit 1992. Hoewel het om twee afzonderlijke richtlijnen gaat, worden ze vanwege hun overeenkomsten vaak in één adem genoemd. Men spreekt dan over de ‘Vogel- en Habitatrichtlijn’. De Europese Unie heeft alle Vogel- en Habitatrichtlijngebieden ondergebracht in een samenhangend netwerk ‘Natura 2000’. Bij de bescherming van Natura 2000-gebieden staan de habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en kwalificerende vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden centraal. De wet biedt verschillende instrumenten om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren: • Het treffen van instandhoudingsmaatregelen. • Het treffen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechterd of soorten verstoord worden. • Beoordelingsplicht voor plannen, projecten en andere handelingen die kunnen leiden tot (significante) verslechtering of significante verstoring van Natura 2000-gebieden. Voor projecten en andere handelingen geldt daartoe een vergunningplicht.
Het is verboden zonder vergunning een project uit te voeren dat -gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied- de kwaliteit van de natuurlijke habitats of habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (art 2.7 lid 2). Wanneer het een project betreft dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een gebied, en dat afzonderlijk of in cumulatie significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt de vergunning niet verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast (art 2.7 lid 3 onder a en art 2.8 lid 1). Een uitzondering is een project dat een herhaling of voortzetting is van een ander project, of deel uitmaakt van een ander plan, waarvoor al een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens op inzichten op kan leveren (art 2.8 lid 2). Onze referentie: D10011430:21 - Datum: 16 december 2020
9 van 14