Toelichting
Tekst van het document
Dit betekent dat ontwikkelingen op dit gebied zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Conclusie De uitbreiding van het hoogspanningsstation draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging omdat er geen sprake is van een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen of toename van relevante emissies vanuit het station. De luchtkwaliteitsaspecten vormen daarmee geen belemmering voor het project.
4.9
Externe veiligheid
Bij Externe Veiligheid gaat het om de risico's voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico's moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden twee soorten risico's gehanteerd: Het plaatsgebonden risico (PR) is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door dewijziging een norm wordt overschreden. Voor het plaatsgebonden risico PR zijn risicocontouren(10-6) vastgesteld waarbinnen kwetsbare of beperkt kwetsbare bebouwing niet is toegestaan. Deze contouren liggen: rond inrichtingen waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over de weg, het spoor, het water of per buisleiding leiden tot knelpunten voor het plaatsgebonden risico indien er langs de transportassen een 10-6 contour ligt. Analyse Op 200 meter van het plangebied ligt een PRB-leiding.
De leiding heeft een 10-6 plaatsgebonden risicocontour van 11 m. Dit betekent dat er geen kwetsbare objecten binnen deze contour aanwezig mogen zijn. Het risicocontour ligt ver buiten de contour van het HS-station. Naast de PRB-leiding zijn er
31
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen waar rekening mee dient te worden gehouden. Evenmin vinden er in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijfsacitiviteiten plaats. Conclusie Het hoogspanningsstation met bijbehorende uitbreiding betreft geen gevaarlijke inrichting waarop het Bevi van toepassing is. Daarnaast is er geen risico voor de externe veiligheid, omdat het hoogspanningsstation en de voorgenomen uitbreiding op meer dan 200 meter afstand van de buisleidingen liggen. Verder zijn er op of rondom het plangebied geen gevaarlijke inrichtingen of transportroutes aanwezig welke een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Elektromagnetische straling
Hoogspanningsleidingen moeten zo zijn geplaatst dat ze niet bereikbaar zijn vanwege het risico op elektrocutie. Voor de diverse bovengrondse hoogspanningsleidingen heeft het RIVM afstanden bepaald in relatie tot gezondheidsrisico's. Bij een verdeelstation moet het gebouw dan ook deugdelijk zijn afgesloten. Ook moet de installatie goed worden onderhouden waardoor kans op kortsluiting minimaal is. Voor bovengrondse hoogspanningslijnen heeft het Ministerie van VROM in 2015 (nader verduidelijkt in 2008) een voorzorgbeleid geformuleerd met als norm 0,4 µT (microtesla) voor gevoelige bestemmingen (kinderdagverblijven, woningen). Dit beleid wordt door TenneT tevens toegepast op ondergrondse kabelverbindngen en hoogspanningsstations. Voor publiekstoegankelijke locaties geldt een norm van 100 µT en voor werknemers binnen locaties geldt een norm van 500 µT. Conclusie Voor het nieuwe HS-station zijn geen berekeningen uitgevoerd. Op basis van expert judgement wordt verwacht dat de 0,4 µT contour zich rondom het nieuwe station zal bevinden, gezien het feit dat het om de ontwikkeling van een HS-station gaat. Binnen deze contour liggen geen gevoelige bestemmingen. De verwachting is dat de norm voor publiekstoegankelijke locaties van 100 µT niet wordt overschreden evenals de norm voor werknemers.
4.11
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van bedrijfsvestigingen, wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies als wonen en recreëren. Daarnaast is de milieuwetgeving van toepassing. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke afstand hierbij (minimaal) in acht genomen moet worden. Hierbij onderscheidt de VNG diverse omgevingstypen. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied voor bepaalde hinder afhankelijk is van het omgevingstype. De door de VNG aangegeven afstanden hebben betrekking op een rustige woonwijk. De mate van milieuhinder bepaalt in welke van de zes milieucategorieën een bedrijfssoort is ingedeeld. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
In principe is bedrijvigheid behorende tot de categorie 1 goed te mengen met de functie wonen, dit geldt in de meeste gevallen ook voor de categorie 2-bedrijven. Het is wenselijk om de bedrijvigheid in de categorie 3 te clusteren en een zonering in acht te nemen. Vanaf categorie 4 is menging met milieugevoelige functies niet mogelijk.
32
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Voor een transformatorstation van 10 MVA - 200 MVA geldt volgens de VNG-lijst een milieucategorie van 4.2. Voor een milieucategorie 4.2 geldt een richtafstand van 300 meter uitgaande van een rustige omgeving. Omdat de omgeving getypeerd kan worden als gemengd gebied mag de richtafstand met één milieustap verlaagd worden naar 200 meter. Binnen deze richtafstand is de woning aan de Poolmolen 2 gelegen. Daarnaast bevindt het kasteel Wolfrath zich op meer dan 200 meter afstand. Ten oosten van het HS-station ligt een manege op circa 600 meter afstand. Conclusie Er wordt wat betreft de richtafstanden voor het aspect geluid en veiligheid niet voldaan aan de VNG voorschriften. De aspecten geluid en veiligheid zijn daarom apart getoetst (zie paragraaf 4.7 en 4.10).
4.12
Landschappelijke inpassing
Voor de uitbreiding van het HS-station aan de Holtummerweg is een landschappelijk inpassingsplan beplantingsplan opgesteld (zie Bijlage 7). De kern van het landschappelijke inpassing is het creëren van een oase voor flora en fauna, door het toepassen verschillende soorten inheemse hagen, heesters en bomen die bovendien een hoge biodiversiteitswaarde hebben. Door de uitbreiding van het station dient een klein perceel met bosplantsoen te worden verwijderd. Dit wordt deels gecompenseerd door langs de achterzijde van het station een aantal bomen van verschillende soorten en groottes aan te planten. Deze bomen komen veelal in het Limburgse landschap voor. Als onderlaag wordt een middelhoge heester/struweellaag met voornamelijk besdragende soorten zoals meidoorn en sleedoorn voorgesteld (zie afbeelding hieronder). In het struweel kunnen zich allerlei kleine zoogdieren en vogels schuilen en foerageren. Om uit te sluiten dat wortels van de bomen en de struwelen de kabels raken wordt voorgesteld om langs de bestrating een wortelscherm aan te brengen, zodat de wortels de kabels niet beschadigen.
33
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Wegens de beperkte ruimte aan de zuid-, west-, oost en noordwestzijde wordt een haag van haagbeuk (zuidzijde, langs de Holtummerweg) en veldesdoorn (west-, oost en noordwestzijde) voorgesteld. Hier komt een haag, zodat het station wordt afgeschermd en daardoor vanuit de omgeving minder zichtbaar wordt. Bomen en een brede struweelrand zijn op deze plekken niet mogelijk, wegens de kabeltracés en de onderhoudswegen. Naast dat hagen het verdeelstation afschermen, zorgen de hagen ook voor schuilmogelijkheden voor vogels en kleine zoogdieren. Langs de perceelsgrens is een strook van 1 meter vrijgehouden van beplanting, zodat vanaf deze strook het struweel en de haag beheerd kan worden en het hekwerk zo nu en dan gecontroleerd kan worden. Op plekken waar geen opgaande beplanting mogelijk is, bijvoorbeeld op kabeltracés en rondom de gebouwen wordt na de werkzaamheden een bloemrijk grasmengsel ingezaaid. Mengsel G1 van Cruydthoeck is een voorbeeld van mengsel wat voor deze plek geschikt kan zijn, want dit mengsel heeft een ingetogen karakter en is zeer aantrekkelijk voor bijen, vlinders en vogels. Door goed beheer kan er zich een duurzame natuurlijke middelhoge vegetatie ontwikkelen. Een bloemrijk resultaat kan vanaf het tweede of derde jaar verwacht worden. Jaarlijks 1 à 2 keer maaien. Hiermee wordt het HS-station
34
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
landschappelijk ingepast in de omgeving. Conclusie Het HS-station wordt landschappelijk ingepast in zijn omgeving, waarmee het de ruimtelijke kwaliteit borgt of verbetert.
4.13
M.e.r.-plichtig
Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen is het van belang dat beargumenteerd wordt in hoeverre de voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-plichtig is. Met een m.e.r (milieueffectrapportage) worden mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu inzichtelijk gemaakt. Door een toetsing aan de activiteitomschrijving van het Besluit m.e.r. wordt er getoetst in hoeverre een voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-plichtig is. Binnen deze toetsing dient inzichtelijk gemaakt te worden of de voorgenomen ontwikkeling opgenomen is in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r.. Deze onderdelen wijzen activiteiten en gevallen aan waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt. Analyse Een uitbreiding van een HS-station is niet als activiteit of geval opgenomen in onderdeel C of D. Enkel in geval er een aanleg of wijziging van een bovense- of ondergrondse hoogspanningsleiding bestaat er een directe m.e.r.-plicht. Dit is opgenomen in activiteitenomschrijving D24.1 en D24.2. Conclusie De doorlopen toetsing wijst uit dat de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r-plichtig bevonden is.
35
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Hoofdstuk 5
Planopzet
5.1
Feitelijke planopzet
5.1.1
Algemeen
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het projectgebied door voor de grond bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. 5.1.2
Wettelijk kader
Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.
5.1.3
Planonderdelen
Het bestemmingsplan ‘Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan ‘Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren’ zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.
5.2
Juridische planopzet
5.2.1
Inleidende regels
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in de SVBP2012 en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen.
5.2.2
Bestemmingsplanregels
In het bestemmingsplan zijn de volgende enkelbestemmingen:
36
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Agrarisch; Bedrijf - Nutsbedrijf; Verkeer; Water Verder kent het plan vier dubbelbestemmingen: Leiding - Hoogspanningsverbinding (ondergronds); Waarde - Archeologie 3; Waarde - Cultuurhistorie; Waterstaat - Waterlopen. 5.2.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouwregels, conform de Bro. Deze hoeven dus niet opgenomen te worden in het bestemmingsplan. Algemene gebruiksregels Hierin is een aantal gebruiksverboden opgenomen. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om, tenzij anders vermeld, afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Algemeen aanduidingsregels Het plangebied bevindt zich binnen een bestaande geluidzone. Verder is er een nieuwe geluidzone aanwezig vanwege het hoogspanningsstation. Hierbinnen zijn geen geluidgevoelige functies toegelaten. Het hoogspanningsstation is niet-geluidgevoeling. Het hoogspannningsstation zelf is aangeduid als gezoneerd industrieterrein.
Ten slotte zijn er nog algemene aanduidingsregels opgenomen voor het Natuurnetwerk Nederland en voor de aanwezige landschapselementen. Algemene wijzigingsregels In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven. Algemene procedureregels In deze bepaling wordt aangegeven welke procedure moeten worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. De procedure voor het wijzigen of het afwijken van het bestemmingsplan is al bij wet geregeld. Overige regels In dit artikel is aangegeven dat de dubbelbestemming voorgaat op de enkelbestemming.
37
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
5.2.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen. Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald
38
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 onder 1 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het kader van de bestemmingsplanprocedure de economische uitvoerbaarheid van het plan te worden onderzocht. Enexis Netbeheer B.V. zal de benodigde grond voor de bovengrondse assets van de gemeente aankopen. Er is bij dit plan sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. De gemeenteraad moet hiervoor op basis van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening in principe een exploitatieplan vaststellen. Er hoeft geen exploitatieplan vastgesteld te worden als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. Er zal een anterieure overeenkomst worden gesloten met de initiatiefnemers. Tevens komen de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de bijbehorende onderzoeken en planschade voor rekening van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Vooroverleg
In het kader van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan voorgelegd aan de besturen van de instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
6.2.2
Zienswijzen
Het bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 Wro conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht vanaf 22 december 2023 gedurende zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode werden burgers en maatschappelijke organisaties in de gelegenheid gesteld om een zienswijze aangaande het plan in te dienen. Door TenneT is een zienswijze ingediend (zie Bijlage 8) in verband met een geconstateerde omissie op de verbeelding en in de regels behorende bij het ontwerpbestemmingsplan. TenneT geeft aan dat op de verbeelding en in de regels de van toepassingsverklaarde dubbelbestemming ‘Leiding – Hoogspanning’ uit het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘150 kV Born-Graetheide’ ontbreekt. Deze constatering is correct. Deze omissie is hersteld door op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan alsnog de betreffende dubbelbestemming op te nemen. 6.2.3
Ambtshalve wijzigingen
Tevens is ambtelijk een omissie op de verbeelding en in de regels geconstateerd. De onderliggende enkelbestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Verkeer’ en ‘Water’ alsmede de onderliggende dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’ en de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone – gezoneerd industrieterrein’, ‘overige zone – landschapselementen’ en ‘overige zone – Natuurnetwerk Nederland’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – natuur- en landschapswaarden’ waren op de verbeelding en in de regels van het ontwerpbestemmingsplan niet opgenomen. Deze zijn op de verbeelding en in de regels van het vast te stellen bestemmingsplan alsnog toegevoegd. Daarnaast is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee de uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan is geborgd. In het ontwerpbestemmingsplan was dit nog niet vastgelegd in de regels. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat de tot ‘Bedrijf –
39
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Nutsbedrijf’ bestemde gronden enkel als zodanig mogen worden gebruikt wanneer het landschappelijk inpassingsplan (dat als bijlage bij de regels is opgenomen) binnen maximaal twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is uitgevoerd en vervolgens duurzaam in stand wordt gehouden.
40
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Bijlagen bij de toelichting
41
bestemmingsplan Uitbreiding hoogspanningstation Holtummerweg 5 te Susteren (vastgesteld)
Bijlage 1 Bureauonderzoek Archeologie
42
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN UITBREIDING STATION BORN Arcadis Archeologische Rapporten 258 Arcadis Archeologische Rapporten 258
Enexis Enexis 23 APRIL 2021
17 JULI 2020
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Contactpersoon SUSAN DE JONG Adviseur Archeologie en Cultuurhistorie
M +31 6 4600 0054 E susan.dejong@arcadis.com
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING
5
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding van het onderzoek
7
1.2
Plangebied en onderzoeksgebied
7
1.3
Administratieve gegevens
8
1.4
Huidige en toekomstige situatie plangebied
8
1.5
Doel van het bureauonderzoek
10
1.6
Werkwijze
10
1.7
Juridisch- en beleidskader
11
1.7.1
Europees: Verdrag van Malta (1992)
11
1.7.2
Nationaal: Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
11
1.7.3
Gemeentelijk: beleidskaart en bestemmingsplan
12
2
3
4
LANDSCHAP
14
2.1
Inleiding
14
2.2
Landschap
14
2.2.1
Geologie
14
2.3
Geomorfologie en bodem
20
2.4
Hoogtebestand AHN
22
HISTORIE
23
3.1
Inleiding
23
3.2
Historische informatie
23
3.2.1
Ontginningsgeschiedenis en historisch landgebruik
23
3.2.2
Historische bewoning
23
3.2.3
Tweede Wereldoorlog
23
ARCHEOLOGISCHE INFORMATIE
27
4.1
Inleiding
27
4.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
27
4.3
Archeologische verwachtingskaart van het Maasdal
28
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
3 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
5
4.4
Vindplaatsen
32
4.4.1
AMK-terreinen
32
4.4.2
Vondstlocaties en waarnemingen
32
4.5
Eerder uitgevoerd onderzoek
33
4.6
Synthese archeologische waarde
35
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
36
5.1
Conclusie
36
5.2
Gespecificeerd verwachtingsmodel
36
5.3
Advies
38
BRONNEN
39
COLOFON
41
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
4 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
SAMENVATTING In opdracht van Enexis Netbeheer heeft Arcadis Nederland bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor plangebied hoogspanningsstation Born aan de Holtummerweg 5, te Holtum in de gemeente Echt-Susteren. Het plangebied ligt op 33,0 tot 31,0 meter +NAP. Bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen mogelijk archeologische waarden worden verstoord. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden. Het huidige station heeft drie transformatoren en er wordt een vierde bijgebouwd. De transformator heeft een afmeting van 13 meter bij 13 meter en betreft het rode vierkante blok aan de oostzijde op de ontwerptekening. Onder het nieuwe station wordt een opvangbak voor het lekken van olie aangelegd. Daarnaast worden nog drie bijgebouwen gebouwd met een afmeting van elk 7 meter bij 24 meter. Voor het nieuwe transformatorgebouw en de bijgebouwen wordt uitgegaan van een fundering van 1,5 meter - Mv. Tevens wordt rondom de nieuwe gebouwen 500 m2 verharding aangebracht, waarbij de toplaag van de bodem wordt verwijderd. Hierbij wordt uitgegaan van 0,5 meter vergraving van de toplaag. Het plangebied bevindt zich in het stroomdal van de Maas. Door de insnijding van de rivier de Maas zijn er in de afgelopen 3 miljoen jaar Maasterrassen gevormd.
De sedimenten van de jongste fase van de opvullingen in de Maas en de Maasterrassen worden aangeduid als de Formatie van Beegden. De Formatie van Beegden ligt op de Formatie van Sterksel, die bestaat uit riviersediment aangevoerd door de Rijn met de Maas als zijrivier, daterend uit het laatste deel van het Vroeg-Pleistoceen en Cromerien. In de warmere perioden kwam de vegetatie terug waardoor het sediment werd vastgehouden en grootschalige zandverstuiving afnamen. In deze perioden ontstond een dekzandlandschap met paraboolduinen en dekzandruggen met daartussen uitgestoven laagtes en dekzandvlakten. Dit dekzandlandschap is deels bepalend voor het huidige reliëf van onder meer Noord en Midden Limburg. Deze dekzand laag behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Naast de vlakke, oude rivierterrassen en dekzand kenmerkt het Maasdalgebied zich, geomorfologisch gezien, door de lagergelegen Maas in zijn huidige bedding en de hoger gelegen rivierduinen. Landschappelijk gezien ligt het plangebied op het overgangsgebied van het zuidelijkere lössgebied naar het rivierengebied dat onder invloed van de Maas gevormd is. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dalvlakteterras. Ten oosten van het plangebied wordt het terras doorsneden door een zuidwest, noordoost georiënteerde dalvormige laagte zonder veen.
In deze laagte bevindt zich de bedding van de Venkebeek. Ten noorden van het plangebied is een restgeul, een voormalige maasarm. Voor het plangebied geldt een grondwatertrap VII. Dit betekent dat het grondwaterpeil erg diep is en dat archeologische resten niet goed geconserveerd zijn. Het zijn droge bodems, die geschikt waren voor landbouw vanwege de geschikte vochthuishouding. De bodemstructuur maakte het plangebied geschikt voor akkerbouw. In de 19de en eerste helft 20ste eeuw bevond het plangebied zich in een akker vlak langs twee beken, genaamd de Geleenbeek en Venkebeek. Eind jaren ’70 is op het oostelijke perceel een trafostation gebouwd, vanwege de hoogspanningstracés ten westen van het plangebied. Volgens de archeologische verwachtingskaarten voor het Maasdal (AVM) geldt voor alle perioden een kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten. In het onderzoeksgebied zijn een aantal vondsten uit verschillende perioden aangetroffen. Het gaat om Prehistorisch aardewerk (waarschijnlijk de IJzertijd) en vuursteen, aardewerk, bewerkt vuursteen en houtskool uit de IJzertijd en een metalen voorwerp met een jonge datering.
Ook uit de eerdere uitgevoerde onderzoeken komt naar voren dat er een verwachting is op een ruime periode vanaf het Paleolithicum tot de Late Middeleeuwen, maar ook worden sporen en vondsten uit Nieuwe Tijd gevonden. Vanwege de ligging op het dalvlakteterras langs een beek was het plangebied een geschikte plaats voor bewoning en landbouw. De verwachting is dat tijdens de aanleg van het hoogspanningsstation het terrein niet is opgehoogd of afgegraven. Dit betekent dat onder de bestrating op het huidige terrein en het perceel ten oosten van het huidige station de bodem intact is. Mogelijk kunnen archeologische vindplaatsen door de geplande ontwikkeling worden bedreigd. Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
5 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Voor het plangebied wordt een vervolgonderzoek in de vorm van verkennend booronderzoek geadviseerd. Dit advies kan door de initiatiefnemer te worden voorgelegd aan het Bevoegd Gezag, in dit geval de Gemeente Echt-Susteren. Het Bevoegd Gezag kan van het door Arcadis gegeven advies afwijken.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
6 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding van het onderzoek
In opdracht van Enexis Netbeheer heeft Arcadis Nederland bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor plangebied hoogspanningsstation Born aan de Holtummerweg 5, te Holtum in de gemeente Echt-Susteren. Enexis heeft het voornemen om het hoogspanningsstation (HS-station) aan de Holtummerweg te Born uit te breiden met een extra transformator. De aanleiding hiervoor is de energietransitie waarin we ons begeven. Om de energietransitie mogelijk te maken dient Enexis haar infrastructuur aan te passen en de capaciteit te vergroten. Het HS-station in Born loopt tegen haar grenzen aan met betrekking tot de capaciteit. Om de capaciteit van dit HS-station te vergroten dient het station uitgebreid te worden met een extra transformator (100 Mva). Bij de uitbreiding wordt ook rekening gehouden met een tweede transformator die in de toekomst kan worden toegevoegd. Om de uitbreiding van het station mogelijk te maken zal Enexis ten oosten van het huidige station gaan uitbreiden en zijn omgevingsvergunningen nodig. Bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen kunnen mogelijk archeologische waarden worden verstoord. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied kunnen bevinden.
1.2
Plangebied en onderzoeksgebied
Voor het bureauonderzoek is uitgegaan van een onderzoeksgebied dat bestaat uit het plangebied en een buffer van 300 meter (Figuur 1). Hierdoor wordt een compleet beeld verkregen van de archeologische context van het plangebied. Het plangebied is gelegen aan de Holtummerweg 5 ten oosten van de A2 en het dorp Holtum, coördinaten (x: 340050, y:186200). Een gedeelte van het plangebied bevindt zich op het terrein van het hoogspanningsstation Born en is geasfalteerd. Ten oosten van het plangebied ligt een klein bos en akker, waar nu uitbreidingen van het station zijn gepland.
Figuur 1. Plangebied en onderzoeksgebied HS-station Born. Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
7 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
1.3
Administratieve gegevens
Tabel 1: Objectgegevens onderzoek Objectgegevens onderzoek Arcadis Projectnummer
C05022.214167
ISSN-nummer
2666-8718
Projectnaam
Uitbreiding HS-station Born
Plaats
Holtum
Gemeente
Echt-Susteren
Provincie
Limburg
Coördinaten (X,Y)
340050, 186200
Oppervlakte plangebied
0,2 ha
Onderzoeksmelding Archis3
4874519100
Uitvoerder
Arcadis Nederland BV
Auteur
Susan de Jong en Wanda Zijl
Contactpersoon
Susan de Jong Arcadis Nederland B.V. Susan.dejong@arcadis.com
Opdrachtgever
Enexis
Bevoegd Gezag
Gemeente Echt-Susteren
Uitvoeringsperiode onderzoek
Juli-september 2020
Beheerder en plaats documentatie
Arcadis Nederland BV, locatie Arnhem
1.4
Huidige en toekomstige situatie plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Holtummerweg ten oosten van de A2 (Figuur 2). Het westelijke gedeelte van het plangebied bevindt zich reeds binnen de contouren van het HS-station Born. Dit gedeelte is geasfalteerd en wordt gebruikt als ingang en parkeerplaats. Het perceel ten oosten van het station is in gebruik als bos en weiland. Rondom het plangebied zijn in het onderzoeksgebied percelen in gebruik als wei of akker. Er zijn een paar boerderijen binnen het onderzoeksgebied aanwezig. Ten zuiden van de Holtummerweg bevindt zich kasteel Wolfrath met bijbehorende oprijlanen met bomen. Het huidige station heeft drie transformatoren en er wordt een vierde bijgebouwd (Figuur 3). De transformator heeft een afmeting van 13 meter bij 13 meter en betreft het rode vierkante blok aan de oostzijde op de ontwerptekening. Onder het nieuwe station wordt een opvangbak voor het lekken van olie aangelegd. Daarnaast worden nog drie bijgebouwen gebouwd met een afmeting van elk 7 meter bij 24 meter. Voor het nieuwe transformatorgebouw en de bijgebouwen wordt uitgegaan van een fundering van 1,5 meter - Mv. Tevens wordt rondom de nieuwe gebouwen 500 m2 verharding aangebracht, waarbij de toplaag van de bodem wordt verwijderd. Hierbij wordt uitgegaan van 0,5 meter vergraving van de toplaag.
Door de aanleg van het transformatorstation, bijgebouwen en verharding zal het perceel met bos en weiland verdwijnen en worden bijgevoegd als terrein van het hoogspanningsstation. Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
8 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 2. Huidige situatie plangebied en onderzoeksgebied HS-station Born.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
9 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 3. Globale weergave van de uitbreiding van het hoogspanningsstation, de transformator (rood), e-house (oranje) en bijbehorende modulaire blokken (roze), looppaden (lichtblauw) en een transportweg (donkerblauw).
1.5
Doel van het bureauonderzoek
Het doel van het bureauonderzoek is drieledig: 1. 2. 3.
1.6
Inzicht verschaffen in de archeologische en historische resten die zich in het plangebied bevinden of verwacht worden. Opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel conform KNA 4.1. Advies opstellen over of en waar er archeologisch vervolgonderzoek nodig is, en indien nodig, uit welke onderzoeksmethode het vervolgonderzoek moet bestaan.
Werkwijze
De landschappelijke en archeologische situatie wordt beschreven op basis van een aantal bronnen. De landschappelijke opbouw en ontwikkeling van het onderzoeksgebied zegt veel over de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. In combinatie met gegevens over bekende archeologische vondsten en historische gegevens wordt een verwachting opgesteld voor de kans op het aantreffen van archeologische resten. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de verwachte aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. De doelstellingen vermeld bij 1.5 worden bereikt door het beantwoorden van de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Hoe ziet de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied eruit? Welke archeologische gegevens in en rond het plangebied zijn bekend? Welke historische gegevens (complexen en landgebruik) in en rond het plangebied zijn bekend? Wat is, op basis van bovenstaande gegevens, de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied? Wat zijn de prospectiekenmerken van de te verwachte vindplaatsen? In welke mate worden de bekende en/of verwachte archeologische vindplaatsen bedreigd door de geplande ontwikkeling?
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
10 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
6.
Is archeologisch vervolgonderzoek nodig en zo ja, welke onderzoeksmethode wordt geadviseerd.
Voor het bureauonderzoek archeologie worden de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • •
Archeologische Monumenten Kaart (AMK); Gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart; Relevante publicaties van reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek; Bodemkaarten, geomorfologische kaarten, het AHN, paleogeografische kaarten; Informatie uit Archis 3; Historische kaarten; Informatie over de Tweede Wereldoorlog.
1.7 1.7.1
Juridisch- en beleidskader Europees: Verdrag van Malta (1992)
Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: • •
•
Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid). De gedachte daarachter is dat er bodemarchief voor toekomstige generaties bewaard moet blijven. “Behoud in situ” wordt bereikt door in de planvorming tijdig rekening houden met de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Dit gebeurt door vooraf onderzoek uit te voeren naar archeologische resten. Door er vooraf rekening mee te houden, wordt vertraging in bouwprocessen voorkomen. Wanneer ‘behoud in situ” niet mogelijk is, dienen de behoudenswaardige archeologische resten te worden veiliggesteld door middel van archeologisch onderzoek. Elke lidstaat die het Verdrag van Malta ondertekent is verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij particuliere of openbare ontwikkelingsprojecten de kosten van de noodzakelijke archeologische maatregelen worden gedekt (artikel 6). In de Nederlandse wetgeving is dit vertaald in het ‘de verstoorder betaalt’-principe (Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2008). De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten.
1.7.2
Nationaal: Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
Sinds 1 juli 2016 geldt de nieuwe Erfgoedwet. Deze wet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale Erfgoedwet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. Een belangrijke wijziging voor archeologie is dat in de Erfgoedwet de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde komen. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving wordt onderdeel van de Omgevingswet. Tot dat de Omgevingswet ingaat blijven de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die niet terugkomen in de Erfgoedwet van kracht, waaronder regelingen omtrent omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. •
•
Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
11 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
1.7.3
Gemeentelijk: beleidskaart en bestemmingsplan
Het plangebied ligt op de grens van de gemeente Echt-Susteren. In 2011 heeft de gemeente een archeologische verwachtings- en beleidskaart opgesteld. In onderstaande tabel zijn de op het plangebied van toepassing zijnde beleidseenheden met bijbehorend beleid weergegeven: Beleidszone
Vrijstellingsoppervlak
Vrijstellingsdiepte
Beschermd AMK-terrein
0 m2; RCE is BG
0 cm – Mv; RCE is BG
AMK-terrein (zeer hoog tot hoge waarde)
100 m2
40 cm -Mv
AMK-terrein (archeologische waarde)
250 m2
40 cm -Mv
Zone rondom ARCHISwaarneming of vondstmelding
30 m2 (binnen zone van 50 of 75 m)
40 cm -Mv
Hoog en middelhoog voor droge en natte landschappen; middelhoog voor provinciale aandachtsgebieden
500 m2
40 cm -Mv
Hoog voor provinciale aandachtsgebieden
500 m2
40 cm -Mv
Laag voor provinciale aandachtsgebieden
1000 m2
40 cm -Mv
Laag voor droge en natte landschappen
Geen restricties
Geen restricties
Tabel 2 Archeologisch beleid Gemeente Echt-Susteren. Het plangebied ligt op de archeologische beleidskaart in beleidszone hoge en middelhoog voor droge en natte landschappen (Figuur 4). Deze kent een vrijstellingsgrens van 500 m2 en 40 cm -Mv. Deze ondergrenzen zijn wel overgenomen in de regels het bestemmingsplan Buitengebied gemeente EchtSusteren, vastgesteld op 14 december 2017 (Figuur 5). In het bestemmingsplan zijn dubbelbestemmingen voor waarde archeologie opgenomen, voor het plangebied betreft dit dubbelbestemming archeologie waarde 3. De geplande ingreep van de aanleg van het transformatorhuis en de bijgebouwen heeft een oppervlakte van 505 m2 en een diepte van 150 cm -Mv en is hiermee onderzoeksplichtig. Daarnaast wordt er 500 m2 van het terrein verhard door max 50 cm af te graven. Ook dit gedeelte is hierdoor onderzoeksplichtig.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
12 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 4. Uitsnede beleidskaart met plangebied.
Figuur 5. Uitsnede bestemmingsplan Buitengebied gemeente Echt-Susteren.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
13 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
2
LANDSCHAP
2.1
Inleiding
De keuze voor een vestigingslocatie werd in het verleden in grote mate bepaald door de landschappelijke omgeving en de mogelijkheden die hierin geboden werden. De locatie was afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden en voorwaarden veranderden gedurende de perioden. Een relatief hoge plaats ten opzichte van de omgeving en beschikbaarheid van (stromend) water gold voor nagenoeg alle perioden als voorwaarde voor een vestigingslocatie. Gedurende de jager/verzamelaar periode (tot en met het Neolithicum) was echter met name de beschikbaarheid van natuurlijke voedselbronnen van belang, terwijl de landbouwers (vanaf de Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen) de voorkeur hadden voor de aanwezigheid van vruchtbare gronden voor akkerbouw. De geologische, geomorfologische en bodemkundige situaties zijn daarom van belang voor het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting.
2.2 2.2.1
Landschap Geologie
Van belang voor de beschrijving van het landschap zijn de geologische processen die zich in Nederland hebben afgespeeld. Het huidige Nederlandsche landschap is gevormd gedurende het Pleistoceen en het Holoceen. Ter hoogte van het plangebied zijn het met name de landschappelijke ontwikkelingen uit Holoceen die het huidige landschap gevormd hebben. Het plangebied bevindt zich op de overgang van het Zuid-Limburgse löss-gebied en in het stroomgebied van de Maas. Op de geologische kaart ligt het plangebied in een zone van de Formatie van Beemden veelal met een dek van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden (Be4) (Figuur 6). Deze zone bestaat uit rivierzand en -grond veelal met een zanddek. Pleistocene ontwikkelingen Het plangebied bevindt zich in een dalingsgebied ontstaan door breuktektoniek die het zuidoostelijk deel van Nederland al sinds het Carboon beïnvloed, ook wel de Centrale Slenk. Door Limburg loopt een stelsel van zuidoost-noordwest georiënteerde tektonische breuklijnen (Berendsen, 1998). De breuklijnen verdelen de ondergrond in slenken (dalingsgebieden) en horsten (opheffingsgebieden). De breuken die in de ondergrond van Limburg voorkomen, hebben een belangrijke rol gespeeld in de latere sedimentatie- en erosiegeschiedenis van het gebied. In de dalende slenken zijn oude formaties weggezonken en bedekt met dikke pakketten jongere sedimenten.
In de ophogingsgebieden overheerste vanaf het Holoceen (11.700 jaar geleden tot nu) de erosie en kon de Maas zich dieper insnijden (Verhoeven, 2007). Het plangebied ligt in de Roerdalslenk, die al sinds 8 miljoen jaar geleden (laat Mioceen) dalingsgebied kent, en wordt in het noorden begrensd door de Peelrandbreuk en ten zuiden door de Feldbissbreuk (Ball, 2018). Door het verhang is de doorstroomcapaciteit in dit gedeelte van de Maas niet hoog, waardoor een relatief grindig-grofzandig (vooral in de glacialen) tot fijnzandig materiaal (in interglacialen) is afgezet. Zo blijkt dat ter hoogte van Holtum de holocene dalvlakte grindig is. De slenk is gevuld door de fluviatiele afzettingen van de Rijn en de Maas. De sedimenten van de jongste fase van de opvullingen in de Maas en de Maasterrassen worden aangeduid als de Formatie van Beegden. De Formatie van Beegden ligt op de Formatie van Sterksel, die bestaat uit riviersediment aangevoerd door de Rijn met de Maas als zijrivier, daterend uit het laatste deel van het Vroeg-Pleistoceen en Cromerien. In een boring op circa 300 meter ten noordwesten van het plangebied is de Formatie van Sterksel op een diepte van 13 meter vanaf maaiveld aangetroffen, bestaande uit grof zand (Figuur 7). Door de insnijding van de rivier de Maas zijn er Maasterrassen gevormd.
In totaal zijn er circa 30 Maasterrassen ontstaan in een periode van 3 miljoen jaar (Ball, 2018). Deze terrassen zijn restanten van oude, brede riviervlakten uit glaciale perioden. Bij een koude periode daalde de zeespiegel en sneed de Maas zich dieper om materiaal uit het achterland af te voeren. In een warmere periode werd de rivier verruimd doordat er meer water moest worden afgevoerd. Het hoogteverschil tussen de verschillende terrassen zit hem met name van het gevolg van enerzijds insnijding van de Maas in de rivierdalafzettingen en de er onder gelegen afzettingen van het Krijt en het Tertiair en anderzijds van tektonische opheffing van het landschap. De terrassen worden grofweg verdeeld in de Hoogterrassen (de oudste afzettingen), de Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
14 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Middenterrassen en de Laagterrassen (de jongste afzettingen). Bewoning vond vooral op de hogere terrassen plaats. Aan het eind van het Weichselien trad een aantal korte maar hevige klimaat fluctuaties op van afwisselend gematigd tijdens de interstadialen Bølling (14.700 – 14.100 jaar geleden) en Allerød (13.900 – 12.900 jaar geleden) en zeer koude stadialen: Oude Dryas (14.100 – 13.900 jaar geleden) en het Jonge Dryas (12.900 11.650 jaar geleden). In de gematigde perioden kwam de vegetatie terug waardoor het sediment werd vastgehouden en grootschalige zandverstuiving afnamen. Tijdens de stadialen namen de verstuivingen weer toe maar op kleinere schaal dan tijdens het Pleniglaciaal. In deze perioden ontstond een dekzandlandschap met paraboolduinen en dekzandruggen met daartussen uitgestoven laagtes en dekzandvlakten. Dit dekzandlandschap is deels bepalend voor het huidige reliëf van onder meer Noord en Midden Limburg. De dekzanden in Limburg liggen op de oudere pleistocene rivierterrassen (Berendsen, 2000; Renes, 1999). Deze dekzand laag behoort tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. Deze dekzand is in een boring op circa 300 meter ten noordwesten van het plangebied aangetroffen als toplaag tot 1 meter -Mv (Figuur 8).
Naast de vlakke, oude rivierterrassen en dekzand kenmerkt het Maasdalgebied zich, geomorfologisch gezien, door de lagergelegen Maas in zijn huidige bedding en de hoger gelegen rivierduinen. Holocene ontwikkelingen Aan het begin van het Holoceen (Vroeg-Mesolithicum) was er een stijging van de temperatuur evenals een toename van de neerslag. Als reactie op deze klimaatveranderingen sneed de rivier zich in het Jonge Dryasterras in en ontstond er een enkele meters diep ingesneden rivierdal. De voorheen ondiepe geulen van het vlechtende riviersysteem werden voor het overgrote deel verlaten door de Maas en vormden nu de lage delen van het Jonge Dryas-terras. Het terras waar het plangebied zich bevindt heet het Late Dryas terras en wordt omschreven als een Holocene dalvlakte. Er volgde een meanderend riviersysteem, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul, de voorloper van de huidige Maas. Op de paleogeografische kaarten bevindt de loop van de Maas zich aan de oostzijde van het plangebied (Figuur 9 en Figuur 10). Het plangebied zelf ligt in een zone van Pleistocene zandgebieden boven NAP in periode 9000 voor Chr. tot het heden. Er hebben zich wel andere beken vanaf het Jonge Dryas gevormd, zoals de Geleenbeek, die ten noordoosten van het plangebied loopt. Op de paleogeografische kaart van 800 na Chr. tot en met de situatie 1850 na Chr.
bevindt zich ten noorden van plangebied een riviervlakte (Figuur 10). Deze riviervlakte is ontstaan vanwege de restgeul behorende tot de Maas. Deze restgeul is anno 2020 niet meer aanwezig, en is met name op de AHN-kaart te lezen in het landschap vanwege de lagere ligging (Figuur 13).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
15 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 6. Geomorfologische kaart met plangebied (TNO, 2010).
Figuur 7. Boring B60A0336, op circa 300 meter ten NW van plangebied.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
16 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 8. Boring B60A1700, op circa 300 meter NW van het plangebied.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
17 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 9. Paleogeografische kaarten met plangebied (blauwe stip) (Vos e.a., 2018).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
18 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 10. Paleogeografische kaarten met plangebied (blauwe stip) (Vos e.a., 2018).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
19 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
2.3
Geomorfologie en bodem
Figuur 11. Geomorfologische situatie met plangebied (Stiboka, 1987).
Landschappelijk gezien ligt het plangebied op het overgangsgebied van het zuidelijkere lössgebied naar het rivierengebied dat onder invloed van de Maas gevormd is. Volgens de geomorfologische kaart (Figuur 11) ligt het plangebied op een dalvlakteterras. Ten oosten van het plangebied wordt het terras doorsneden door een zuidwest, noordoost georiënteerde dalvormige laagte zonder veen. In deze laagte bevindt zich de bedding van de Venkebeek. Ten noorden van het plangebied is een restgeul, een voormalige maasarm. Op de bodemkaart (Figuur 12) is het plangebied gelegen een goed ontwaterde oude rivierklei bodem (ooivaaggrond, code KRd1g-VII1) gekarteerd, met grind in de ondergrond. Ten zuiden van het plangebied
1 Diepte en dynamiek van de grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld wordt aangeduid met de term grondwatertrappen.
Grondwatertrappen worden aangeduid met de Romeinse cijfers I-VII en zijn gebaseerd op de gemiddeld hoogste en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GHG en GLG).
Grondwatertrap GHG in cm beneden maaiveld GLG in cm beneden maaiveld
I
II
III
IV
V
VI
VII
(<20)
(<40)
<40
>40
<40
40-80
>80
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
(>160)
Tabel 3: Grondwatertrappen.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
20 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
bevindt zich een zandige leembodem (poldervaaggrond, code Ln5m1A). De oude maasarm heeft een kalkloze poldervaaggrond met zware zavel en lichte klei (code Rn95Cm-VI) als ondergrond. Het grondwaterpeil bepaalt voor een groot deel de mate van conservering van archeologische resten in de bodem. Met name organische resten die zich onder de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bevinden, worden door het water tegen degradatie beschermd. Resten die boven de GLG liggen raken in de loop van de tijd steeds ernstiger aangetast door verdroging en oxidatie. Wanneer de grondwaterstand permanent wordt verlaagd kan dit leiden tot degradatie van het aanwezige bodemarchief. Voor het plangebied geldt een grondwatertrap VII. Dit betekent dat het grondwaterpeil erg diep is en dat archeologische resten niet goed geconserveerd zijn. Het zijn droge bodems, die geschikt waren voor landbouw vanwege de geschikte vochthuishouding. De bodemstructuur maakte het plangebied geschikt voor akkerbouw.
Figuur 12. Bodemkaart met plangebied (Stiboka, 1993).
Vaaggronden Vaaggronden zijn gronden waar nog geen of weinig bodemvorming heeft plaatsgevonden en niet voldoen aan de criteria van de overige mineralen gronden. Vaaggronden bestaan vaak uit een dunne of lichtgekleurde Ah horizont op de oorspronkelijke C-horizont. Er kan humusaanrijking optreden maar te weinig om het te classificeren als een eerdgrond. In vaagggronden kan ook humusinspoeling en uitspoeling maar niet genoeg om de bodem te classificeren als een podzolbodem (Zijverden en de Moor, 2014).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
21 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
2.4
Hoogtebestand AHN
Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) geeft de precieze en gedetailleerde maaiveldhoogtes van Nederland in meters ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP). De maaiveldhoogtes worden in een kleurenschaal weergegeven. In Figuur 13 is de AHN van het plangebied weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied op een hoogte ligt van 33,0 tot 31,0 meter +NAP. De restgeul en de riviervlakte van de Maas ten noorden van het plangebied bevindt zich een meter lager in het landschap.
Figuur 13. AHN kaart met plangebied.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
22 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
3
HISTORIE
3.1
Inleiding
De historie van een plangebied speelt een grote rol bij het bepalen van de archeologische verwachting. Historische bronnen verschaffen informatie over de ontginning en gebruik van en bewoning in het plangebied. Voor de negentiende en twintigste eeuw is deze informatie beschikbaar middels historisch kaartmateriaal te onderzoeken. Kaarten werden met een relatief grote regelmaat geproduceerd, en laten de ontwikkeling van een landschap nauwkeurig zien.
3.2
Historische informatie
Om een indicatie te verkrijgen van de historische ontwikkeling van het onderzoeksgebied en mogelijke historische bewoningsplaatsen zijn historische kaarten een zeer waardevolle bron.
3.2.1
Ontginningsgeschiedenis en historisch landgebruik
Volgens de historische kaart van 1900 bevond het plangebied zich in een akker vlak langs twee beken, genaamd de Geleenbeek en Venkebeek (Figuur 14). Over de akker zijn stippellijntjes getekend. Dit wijst op looppaden over de akker. Ten westen van het plangebied bevond zich het dorp Holtum. Ten zuiden van het plangebied lag het kasteel Wolfrath met bijbehorende slotgrachten en oprijlanen. Het huidige kasteel is 17de eeuws, maar er is al sprake van bewoning in de 12de eeuw. Het plangebied lag tussen twee wegen; de doorgaande weg tussen Holtum en Susteren, die nu de Holtummerweg wordt genoemd en een weg aan de noordzijde. De weg aan de noordzijde heeft iets hoger gelegen in het landschap, gezien een talud is getekend aan de rand van de weg. De letters K.M. op de kaart van 1900 staan voor Korenmolen, verwijzend naar de korenmolen aan de Geleenbeek. In het plangebied staan de letter Br., dit staat voor de brug over de Venkebeek. In de eerste helft van de 20ste eeuw verandert er weinig aan het landschap van het plangebied (Figuur 15 en Figuur 16). In de jaren ’60 van de 20ste eeuw is de A2 aangelegd (Figuur 17). De snelweg vormt een barrière tussen de akker en het dorp Holtum. De groter akker is na de aanleg van de A2 opgeknipt in percelen. Eind jaren ’70 is op het oostelijke perceel een trafostation gebouwd, vanwege de hoogspanningstracés ten westen van het plangebied (Figuur 18).
Bij het trafostation wordt ook wat beplanting aangelegd. Het is niet bekend of een ophoging van het terrein voor de aanleg het trafostation heeft plaatsgevonden. Mogelijk vanwege de zandgrond in de ondergrond, is dit niet nodig geweest.
3.2.2
Historische bewoning
Het plangebied heeft geen historische bewoning gekend tot de aanleg van het trafostation eind jaren ’70 van de twintigste eeuw.
3.2.3
Tweede Wereldoorlog
Op circa een kilometer ten noordoosten van het plangebied heeft linie gelegen. Deze Geullinie diende als een vooruitgeschoven positie van de Maaslinie in de meidagen van 1940. Rondom deze linie, op een afstand van 500 meter van de Geullinie, lag een operatieterrein genaamd de Roerdriehoek. De bevrijding van Nederland in september 1944 kwam tot stilstand bij de Vloedgraaf. Het terrein tussen Sittard en Roermond, de Roerdriehoek, werd gebruikt voor operatie Blackcock, waar heftig is gevochten tussen de Duitsers en de geallieerden. De slag duurde van september 1944 tot februari 1945 (info Ikme.nl).
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
23 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 14. Historische situatie 1900.
Figuur 15. Historische situatie 1930. Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
24 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 16. Historische situatie 1950.
Figuur 17. Historische situatie 1970. Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
25 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
Figuur 18. Historische situatie 1990.
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
26 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
4
ARCHEOLOGISCHE INFORMATIE
4.1
Inleiding
Om de gespecificeerde archeologische verwachting voor een gebied op te kunnen stellen, is kennis nodig van de reeds bekende archeologische gegevens van het gebied. In dit hoofdstuk worden de bekende archeologische vindplaatsen, uitgevoerde onderzoeken en verwachtingen aan de hand van verschillende bronnen beschreven. Periode
Begin
Einde
Recente geschiedenis
1945
Heden
Nieuwe Tijd C
1850
1945
Nieuwe Tijd B
1650
1850
Nieuwe Tijd A
1500
1650
Late Middeleeuwen
1050
1500
Vroege Middeleeuwen
450
1050
Romeinse Tijd
12 v. Chr.
450
Late IJzertijd
250 v. Chr.
12
v. Chr.
Midden IJzertijd
500
v. Chr.
250
v. Chr.
Vroege IJzertijd
800
v. Chr.
500
v. Chr.
Late Bronstijd
1.100 v. Chr.
800
v. Chr.
Midden Bronstijd
1.800 v. Chr.
1.100 v. Chr.
Vroege Bronstijd
2.000 v. Chr.
1.800 v. Chr.
Laat Neolithicum
2.850 v. Chr.
2.000 v. Chr.
Midden Neolithicum
4.200 v. Chr.
2.850 v. Chr.
Vroeg Neolithicum
5.300 v. Chr.
4.200 v. Chr.
Laat Mesolithicum
6.450 v. Chr.
4.900 v. Chr.
Midden Mesolithicum
7.100 v. Chr.
6.450 v. Chr.
Vroeg Mesolithicum
8.800 v. Chr.
7.100 v. Chr.
Laat Paleolithicum
35.000 v. Chr.
8.800 v. Chr.
Midden Paleolithicum
300.000 v. Chr.
35.000 v. Chr.
Tabel 4: Archeologische perioden (Bron: ABR).
4.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
De archeologische verwachtingswaarde van een gebied geeft de kans op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats weer. De meeste Nederlandse gemeenten hebben een archeologische Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
27 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
verwachtingskaart. Volgens deze gemeentelijke verwachtingskaart geldt voor het plangebied een hoge verwachting op droge landschappen (Figuur 19).
Figuur 19. Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Echt-Susteren.
4.3
Archeologische verwachtingskaart van het Maasdal
De archeologische verwachtingskaart voor het Maasdal (AVM) is opgesteld om een in vooronderzoek een betere specificering van de mogelijk aanwezige archeologische resten te verkrijgen (Isarin e.a. 2015). De kaart maakt onderscheid tussen vier periode: • • • •
Jagers, verzamelaar en de eerste boeren (JV; circa.12.000 – 3400 v Chr.) Vroege landbouwsamenlevingen (LBV; circa. 3400 – 1500 v. Chr.) Late landbouwsamenlevingen (LBL; circa. 1500 – 900 n. Chr.) Staatssamenlevingen (SSL; 900 – 1950 n. Chr.)
Op basis hiervan wordt een archeologische basisverwachting gegeven waarbinnen onderscheid gemaakt wordt tussen: • • • • • •
E: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan economische activiteiten; Ew: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan water gebonden economische activiteiten; ER: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan economische en rituele activiteiten; ERw: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan watergebonden economische en rituele activiteiten; WEB: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving en economische activiteiten; WBER: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten;
Onze referentie: D10012331:34 - Datum: 17 juli 2020
28 van 41
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE UITBREIDING STATION BORN
•
WBERw: kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten.
Naast de basis verwachting wordt ook een aanvullende verwachting aangegeven op het aantreffen van sporen gerelateerd aan bewoning en begraving. Deze aanvullende verwachting wordt aangeduid met een nummer 1 t/m 4 of 5. Waarbij 1 de laagste verwachting is en 5 de hoogste. Uit de verschillende periode kaarten voor het plangebied Born komt het volgende naar voren: Jager/ verzamelaars Binnen het plangebied is een gespecificeerde verwachting opgesteld (Figuur 20). In het plangebied is er een kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten (cumulatieve score 2). Economische en rituele activiteiten die op het land gerelateerde context hebben plaatsgevonden. Het gaat dan bij economisch gerelateerde resten om bijvoorbeeld visfuiken, pijlpunten en andere vuursteen artefacten of kleine jachtkampementen. Bij rituele deposities kan het gaan om losse objecten die in of langs de Maas zijn gedeponeerd. Dit betekent dat deze zone in deze periode aantrekkelijker was voor bewoning en begraving. Vroege landbouwsamenlevingen Voor het plangebied geldt in deze periode een verhoogde kans op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan bewoning, begraving, economische en rituele activiteiten (score 2) (Figuur 21). Zoals sporen van landbouw, veeteelt, wegen, en andere gerelateerde gebruiksobjecten.