CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (ontwerp), Waldfeuchterbaan 51 Maria Hoop9.541 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Afbeelding voorblad hier invoegen! Bij invoegen cursor boven tekst plaatsen of gehele tekst verwijderen

Ruimtelijke onderbouwing Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop

Ruimtelijke onderbouwing

Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop

Planlocatie:

Waldfeuchterbaan 51 6105 BK Maria Hoop

Opgesteld door:

Bergs Advies B.V. J.A.M. Goertz-Habets BBA

Datum:

15 februari 2022

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’

Inhoudsopgave 1.

2.

Inleiding ..................................................................................................................................................... 1 1.1.

Aanleiding .......................................................................................................................................... 1

1.2.

Doel.................................................................................................................................................... 1

1.3.

Ligging plangebied ............................................................................................................................. 1

1.4.

Vigerend bestemmingsplan ............................................................................................................... 2

1.5.

Leeswijzer .......................................................................................................................................... 3

Huidige situatie en beoogde ontwikkeling ............................................................................................ 5 2.1.

Huidige situatie .................................................................................................................................. 5

2.2.

Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................................ 6

2.2.1. 3.

Beleidskader ............................................................................................................................................. 9 3.1.1.

Omgevingsvisie Limburg ........................................................................................................... 9

3.1.2.

Omgevingsverordening Limburg 2014 .................................................................................... 10

3.1.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking ..................................................................................... 11

3.1.4.

Limburgs kwaliteitsmenu ......................................................................................................... 11

3.1.5.

Conclusie provinciaal beleid .................................................................................................... 11

3.2.

4.

Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit ............................................................ 12

3.2.2.

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................................... 13

3.2.3.

Conclusie gemeentelijk beleid ................................................................................................. 13

Onderzoeksaspecten ............................................................................................................................. 15 Milieuaspecten ................................................................................................................................. 15

4.1.1.

Bodem ...................................................................................................................................... 15

4.1.2.

Milieuzonering .......................................................................................................................... 15

4.1.3.

Geur ......................................................................................................................................... 16

4.1.4.

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................... 18

4.1.5.

Geluid ....................................................................................................................................... 20

4.1.6.

Externe veiligheid .................................................................................................................... 22

4.1.7.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................................... 23

4.2.

6.

Gemeentelijk beleid ......................................................................................................................... 12

3.2.1.

4.1.

5.

Landschappelijke inpassing ....................................................................................................... 6

Overige planologische aspecten ..................................................................................................... 25

4.2.1.

Kabels en leidingen ................................................................................................................. 25

4.2.2.

Natuurbescherming ................................................................................................................. 25

4.2.3.

Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................................. 30

4.2.4.

Waterhuishouding .................................................................................................................... 30

4.2.5.

Verkeer en parkeren ................................................................................................................ 31

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................................................... 33 5.1.

Financiële uitvoerbaarheid............................................................................................................... 33

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................... 33

Conclusie ................................................................................................................................................ 35

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’

Bijlagen: 1. Landschappelijk inpassingsplan, Bergs Advies, 17 februari 2022 2. Vooronderzoek bodem, Econsultancy, 31 januari 2022 3. Voorgrondbelasting geur, V-Stacks Vergunning 2020, Bergs Advies, 31 januari 2022 4. Voorgrondbelasting fijnstof, ISLA3a, Bergs Advies, 8 februari 2022 5. Ontvangstbevestiging provincie Limburg, 2 maart 2022

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’

1.

Inleiding

1.1.

Aanleiding

Aan Waldfeuchterbaan 51 (6105 BK) te Maria Hoop bevindt zich een vrijstaand landhuis uit 2001. De wens bestaat om op de locatie een bedrijfsruimte te realiseren voor het houden, verhandelen en verladen van duiven. De bedrijfsruimte met showroom wordt 748 m 2 groot. Gemiddeld zijn er 1.000 duiven binnen aanwezig. In het bedrijf zullen ca. 6-8 personen werkzaam zijn. Parkeren, laden en lossen vindt plaats op eigen terrein (met bestelauto/lichte vrachtwagen). Het perceel waarop de gewenste ontwikkeling wordt voorzien is kadastraal bekend als gemeente Echt, sectie Y, nummer 576. Initiatiefnemer is een toonaangevend bedrijf dat zich richt op het aanbieden van exclusieve postduiven aan liefhebbers wereldwijd, zij is marktleider in China en in Europa bezet het bedrijf de tweede positie in de markt. Sinds de oprichting van het bedrijf is als doel gesteld om alleen de allerbeste duiven uit Europa aan te bieden aan klanten waarmee zij wereldwijd grote successen kunnen boeken. Voor de gewenste ontwikkeling is op 4 mei 2019 een principeverzoek ingediend waarbij onder voorwaarden principemedewerking is verleend. Het principebesluit is bekend met kenmerk Z19/009128-D-20325. Nadien is het principebesluit tot 14 juni 2022 bestendigd.

1.2.

Doel

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld d.d. 14 december 2017 en het nadien op 6 november 2019 vastgestelde bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Deregulering”. Om de gewenste ontwikkeling te kunnen realiseren is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig, volgens art. 2.12 lid 1, sub a onder 3 o Wabo. Hiertoe is de voorliggende ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ opgesteld.

1.3.

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan Waldfeuchterbaan 51 te Maria Hoop in het buitengebied van de gemeente EchtSusteren, ten zuiden van de kern Maria Hoop. Het plangebied is gesitueerd aan de noordzijde van de weg Waldfeuchterbaan. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door woon- en agrarische bestemmingen met verspreid liggende bebouwing, afgewisseld met open ruimte. In de navolgende figuur wordt de ligging van het plangebied weergegeven.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 1

plangebied

Figuur 1: Ligging plangebied (www.pdok.nl: Open Topo Achtergrondkaart)

1.4.

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is juridisch-planologisch geregeld in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied” dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Echt-Susteren op 14 december 2017. Nadien is op 6 november 2019 het bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Deregulering” vastgesteld waarvan regels van toepassing zijn op de locatie. In het bestemmingsplan “Buitengebied” is het plangebied bestemd met de enkelbestemming ‘Wonen’ en geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – zone buitengebied’. De enkelbestemming ‘Wonen’ heeft een oppervlakte van circa 6.700 m2. De navolgende figuur bevat een uitsnede van de verbeelding behorende bij het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied” met daarop het vigerend bouwvlak.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 2

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied’ met vigerend bouwvlak (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

1.5.

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van de beoogde ontwikkeling is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording die het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt beschreven dat de ontwikkeling passend is binnen de geldende beleidskaders volgens het provinciaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de onderzoeksaspecten en toont aan dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en duurzame ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan en tenslotte bevat hoofdstuk 6 de conclusie.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 3

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 4

2.

Huidige situatie en beoogde ontwikkeling

2.1.

Huidige situatie

Op de locatie Waldfeuchterbaan 51 te Maria Hoop bevindt zich een vrijstaand landhuis uit 2001 met een oppervlakte van circa 735 m2. De enkelbestemming ‘Wonen’ heeft een oppervlakte van circa 6.700 m2. Op de onderstaande luchtfoto is de huidige situatie te zien.

1

2 3 7

5 6

8

Figuur 3: Huidige situatie (bron: streetsmart.cyclomedia.com)

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 5

4

2.2.

Beoogde ontwikkeling

De wens bestaat om op de locatie Waldfeuchterbaan 51 te Maria Hoop een bedrijfsruimte te realiseren voor het houden, verhandelen en verladen van duiven. De beoogde ontwikkeling voorziet in de bouw van een bedrijfsruimte ten noordoosten van de bestaande woning. De afmetingen van de bedrijfsruimte zijn 20 x 37,4 meter (oppervlakte 748 m 2). Gemiddeld zijn er 1.000 duiven binnen aanwezig. In het bedrijf zullen ca. 6-8 personen werkzaam zijn. Parkeren, laden en lossen vindt plaats op eigen terrein (met bestelbus/lichte vrachtwagen) In de navolgende figuur wordt de beoogde ontwikkeling weergegeven.

Figuur 4: Uitsnede tekening met de beoogde situatie

2.2.1.

Landschappelijke inpassing

Kwaliteitsregels In artikel 37.2 van het bestemmingsplan “Buitengebied” worden instrumenten beschreven die erop gericht zijn nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied te combineren met de benodigde kwaliteitsverbetering. Deze kwaliteitsverbetering vindt via een tweetal benaderingen plaats:  

ruimtelijke kwaliteit ‘landschappelijke inpassing’ voor agrarische ontwikkelingen; ruimtelijke kwaliteit ‘kwaliteitsbijdrage’ voor overige ontwikkelingen.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 6

Agrarische ontwikkelingen: ‘Landschappelijke inpassing’ De benadering ruimtelijke kwaliteit ‘landschappelijke inpassing’ voor agrarische ontwikkelingen heeft betrekking op agrarische bedrijven. Ten behoeve van de uitbreiding van bebouwing binnen het agrarisch bouwvlak is het instrument van toepassing via de nadere eisen. Overige ontwikkelingen: ‘Kwaliteitsbijdrage’ De benadering ruimtelijke kwaliteit ‘kwaliteitsbijdrage’ is van toepassing voor overige ontwikkelingen in het buitengebied. Op hoofdlijnen betreft het:   

functie - gebruikswijzigingen het ontwikkelen van nevenactiviteiten uitbreidingen van bestaande situaties

Toets kwaliteitsregels Er is geen sprake van een ontwikkeling op een agrarisch bedrijf. Er is sprake van een overige ontwikkeling in het buitengebied. Het leveren van een extra kwaliteitsbijdrage in de vorm van een landschappelijke en ruimtelijke inpassing is aan de orde. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de specifieke kenmerken van het landschap, zoals omschreven in bijlage 6 Landschapstypen en kenmerken van het vigerende bestemmingsplan. Naar aanleiding van voornoemd beleid, een uitgebreide analyse van het landschap, de historie en kijkend naar de directe omgeving zijn de randvoorwaarden c.q. uitgangspunten geformuleerd voor het landschappelijk inpassingsplan. Het landschappelijk inpassingsplan is toegevoegd als bijlage 1. De navolgende figuur bevat een beeld van de landschappelijke inpassing en sortiment keuze.

Figuur 5: Landschappelijke inpassing Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 7

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 8

3.

Beleidskader

3.1.1.

Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld; deze visie is op 25 oktober 2021 in werking getreden. De Omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is een strategische visie voor de lange termijn (2030-2050) op de fysieke leefomgeving. De visie gaat naast de fysieke leefomgeving ook in op onderwerpen als gezondheid, veiligheid, economie en sociale aspecten. En dat in onderlinge samenhang. De Omgevingsvisie is een zelfbindend document en bindt daarmee (enkel) de provincie Limburg. Als het nodig is voor de uitwerking van onderdelen van het beleid om bindende regels te stellen dan gebeurt dat via de omgevingsverordening. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkintreding van de Omgevingswet. Dit is voorzien op 1 juli 2022. Tot die tijd geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Hoewel de visie gaat over de periode 2030-2050 is de ‘Omgevingsvisie Limburg’ geen blauwdruk voor de toekomst. Bij (nieuwe) ontwikkelingen kan de provincie nog keuzes maken. Daarbij kiest de provincie Limburg voor maatwerk en wordt rekening gehouden met het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Als er afwegingen gemaakt moeten worden, dan gebeurt dat op basis van de onderstaande Limburgse principes: 1. 2. 3. 4.

Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; Kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal; Meer stad, meer land; Zorgvuldig omgaan met onze ruimte en voorraden bovengronds én ondergronds.

In het landelijk gebied worden slechts 3 zoneringen aangegeven: Groenblauwe mantel, Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebieden) en Buitengebied. De locatie aan de Waldfeuchterbaan 51 is gelegen in de zone Buitengebied. Kenmerkend voor het buitengebied is dat er een grote transitieopgave ligt in de komende decennia. Landbouwtransitie, klimaatadaptatie en energietransitie zijn voorbeelden van een gezamenlijke aanpak in dit gebied. Met name vanwege de aanwezigheid van intensieve veehouderijen is de transitieopgave in verband met de problemen rondom stikstof en fijnstof groot. Tegelijkertijd is de agrarische sector aan het veranderen en is er sprake van stoppende boeren en vrijkomende agrarische bebouwing. Ook thema’s als huisvesting internationale werknemers en woonurgenten en stille armoede leggen hun beslag op de beschikbare ruimte in het landelijk gebied. Er wordt gezocht naar een goede balans tussen alle claims op het buitengebied. Keuzes waarbij belangen van economie, energievoorziening, gezondheid, natuur en ruimtelijke kwaliteit moeten tegen elkaar worden afgewogen. De opgaven spelen Limburg-breed, maar de accenten verschillen per gebied en per sector. Per sector is in de omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is voor de sector, welke ambitie de provincie heeft met deze sector en welke keuzes worden gemaakt per sector.

Ook voor de sector ‘landbouw’ is op deze manier beschreven welke richting de provincie de komende jaren op wil. Er is veel aandacht voor de leefomgeving rondom (intensieve) veehouderijen en overige land- en tuinbouwbedrijven. Geuroverlast, fijnstof, ammoniakemissie en mogelijke gezondheidsrisico’s zorgen voor maatschappelijke onrust. De belasting op natuurgebieden door onder andere stikstofdepositie, vraagt om maatregelen. Ook de biodiversiteit staat in het agrarisch gebied en haar omgeving onder druk als gevolg van onder andere intensivering en schaalvergroting in de landbouw, het opkomen van exoten, klimaatverandering en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 9

Het landelijk gebied is steeds minder een productieruimte en steeds meer een consumptieruimte waar gewoond, gewerkt en gerecreëerd wordt. Deze verwevenheid en claim op het buitengebied vragen maatregelen om de omgevingskwaliteit te verbeteren en ruimtelijke keuzes over vestiging, herbestemming en sanering van leegstaand agrarisch vastgoed. Verweving van functies voor landbouw, natuur, waterbeheer, landschapsbeheer en andere maatschappelijke diensten én meervoudig grondgebruik zal de komende tijd, meer dan in het verleden, van belang zijn. Het planvoornemen betreft realisatie van een bedrijfsruimte voor het houden, verhandelen en verladen van duiven. De bedrijfsruimte met showroom wordt 748 m 2 groot. Initiatiefnemer is een toonaangevend bedrijf dat zich richt op het aanbieden van exclusieve postduiven aan liefhebbers wereldwijd. Initiatiefnemer is marktleider in China en in Europa bezet het bedrijf de tweede positie in de markt. Gedurende de jaren is het bedrijf een gekende naam geworden in de internationale postduivensport. Sinds de oprichting van het bedrijf is als doel gesteld om alleen de allerbeste duiven uit Europa aan te bieden aan klanten waarmee zij wereldwijd grote successen kunnen boeken. De emissies van geur, fijnstof en ammoniak voldoen aan de gestelde normen.

De nieuwe bebouwing wordt landschappelijk ingepast en voldoet aan de aanvullende kwaliteitsverbetering en vormt daarmee geen verslechtering van de omgevingskwaliteit op de locatie en in de directe omgeving. Conclusie POVI Het planvoornemen past in de ambities en keuzes die provincie Limburg geformuleerd heeft in de Omgevingsvisie Limburg.

3.1.2.

Omgevingsverordening Limburg 2014

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. De omgevingsverordening is vastgesteld op 12 december 2014. Nadien zijn er nog een aantal wijzigingsverordeningen vastgesteld. De meest recente geconsolideerde versie van de omgevingsverordening dateert van 22 november 2019. Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale milieubeschermingsgebieden, waartoe op grond van de OvL2014 specifieke regelgeving geldt. In de navolgende figuur is een uitsnede van de kaart milieubeschermingsgebieden opgenomen.

Figuur 6: Uitsnede kaart 8 van de OvL2014

Uit kaart 8 van de OvL2014 blijkt dat het plangebied gelegen is in milieubeschermingsgebied Boringsvrije zone “Roerdalslenk”. In deze zone zijn alle boringen (en roeren grond) dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden. Boringen dieper dan 30 meter moeten gemeld worden. Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 10

Conclusie OvL2014 De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de beleidslijnen zoals opgenomen in het POL2014.

3.1.3.

Ladder voor duurzame verstedelijking

De zogenaamde ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, zoals deze inwerking is getreden op 1 juli 2017, is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1 verankerd. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen dient te worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Conclusie ladder voor duurzame verstedelijking Conform de definitie betreft de beoogde ontwikkeling (een bedrijfsruimte voor het houden, verhandelen en verladen van duiven) geen stedelijke ontwikkeling. Dit bedrijf past beleidsmatig het beste in het buitengebied. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet noodzakelijk.

3.1.4.

Limburgs kwaliteitsmenu

Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ (waarvan in casu sprake is) is het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. In z’n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijze tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijk inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen. Het LKM is door de gemeente Echt-Susteren verwerkt in haar “Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit”.

Conclusie Limburgs kwaliteitsmenu Het LKM is door de gemeente Echt-Susteren verwerkt in haar “Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit”. Hiermee is het LKM vastgelegd in het gemeentelijke beleid. De bijdrage ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is uitgewerkt in paragraaf 3.2.1.

3.1.5.

Conclusie provinciaal beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerende provinciale beleid bestaan er geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 11

3.2.

Gemeentelijk beleid

De beoogde ontwikkeling dient te worden getoetst aan voor de ontwikkeling relevant gemeentelijk beleid. Er wordt getoetst aan de “Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit” en aan de regels van het bestemmingsplan “Buitengebied” en het nadien vastgestelde bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Deregulering”.

3.2.1.

Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit

Doel Het in de structuurvisie vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkeling (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Bestemmingsplan ‘Buitengebied’ kwaliteitsregels Uit paragraaf 2.2.1 blijkt dat in de onderhavige situatie de ruimtelijke kwaliteitsbijdrage voor overige ontwikkelingen van toepassing is. Structuurvisie Echt-Susteren De structuurvisie biedt de basis om nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk te maken en tegelijkertijd inkomsten te genereren om de kwaliteit van het buitengebied te versterken. Dit is in lijn met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) en het daarin opgenomen Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Grondprincipe van het kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsverbeterende maatregel en/of financiële bijdrage. Dit LKM is in de Structuurvisie vertaald naar het gemeentelijk kwaliteitsmenu en vormt de basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage voor ontwikkelingen buiten de rode contour (buitengebied).

Het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) is van toepassing op vanuit ruimtelijk oogpunt gezien nietonaanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen die via een projectafwijking, wijziging of herziening van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Kenmerkend voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het veelal nieuwe functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen met daaraan verbonden specifieke ruimtelijke invloeden op de omgeving. Voor ‘uitbreiding niet aan het buitengebied gebonden bedrijven’ geldt bij uitbreiding van het bestemmingsvlak van het bedrijf dat dit in beginsel alleen is toegestaan indien het bedrijf geen mogelijkheden heeft om te verplaatsen naar een bedrijventerrein of (kern)winkelgebied. In dat geval zal per m² nieuw bestemmingsvlak een bijdrage moeten worden geleverd van € 70,- per m² nieuw bestemd bedrijfsterrein. Indien er zeer groot verhard oppervlakte wordt gerealiseerd binnen het nieuwe bestemmingsvlak, waardoor de bijdrage onevenredig hoog wordt, wordt bezien of er maatwerk kan worden geleverd. In dat geval zal er ook een aangepaste bestemming worden toegepast zoals verkeersdoeleinden of onbebouwd terrein. Het is niet de bedoeling dat dit terrein op termijn bebouwd wordt. Toets Er dient een kwaliteitsbijdrage te worden geleverd ter compensatie van het beoogde bedrijfsmatige gebruik en verstening met bebouwing en verharding.

In onderhavig planvoornemen treedt een kwaliteitsverlies op van in totaal €72.360,-: - Bebouwing: oppervlakte 748 m 2 x €70,- = €52.360,- Verkeersdoeleinden c.q. onbebouwd terrein: oppervlakte ca. 500 m 2 x €40,- = €20.000,- (o.b.v. maatwerk, de bijdrage werd onevenredig hoog) Voor het kwaliteitsverlies wordt een kwaliteitsbijdrage geleverd van in totaal ca. €85.000,-: - Bestemming van ‘Agrarisch’ naar ‘Natuur’ oppervlakte ca. 5.300 m2 x €7,00 = €37.100,- Inrichten ‘groen’ binnen bestemming ‘Natuur’ oppervlakte ca. 5.300 m 2 x €6,50 = €34.450,- Inrichten ‘groen’ binnen bestemming ‘Wonen’ oppervlakte ca. 2.100 m 2 x €6,50 = €13.500,-

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 12

Conclusie Structuurvisie 2012 – 2025 Ontwikkelen met kwaliteit Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarin uit gegaan wordt van bestaande structuren en het bestaande karakter van de locatie en de omgeving. Tevens wordt er voldaan aan de gevraagde kwaliteitsbijdrage.

3.2.2.

Vigerend bestemmingsplan

Bestemmingsplan “Buitengebied” De ligging van de locatie in het bestemmingsplan “Buitengebied” is uitgewerkt in paragraaf 1.4. Bestemmingsplan “Facetbestemmingsplan Deregulering”. Het facetbestemmingsplan is vastgesteld om burgers, bedrijven en instanties, waar mogelijk en ruimtelijk aanvaardbaar, zoveel mogelijk te ondersteunen bij het realiseren van bouwplannen en gebruikswijzigingen. Indien plannen niet (rechtstreeks) passen binnen het bestemmingsplan dient een principe-aanvraag te worden ingediend, waarna bij accordering een procedure dient te worden gevolgd. Dit levert (vaak onnodige) belemmeringen bij het toetsen van initiatieven en bouwplannen. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen dit bestemmingsplan, enkel inleidende regels en enkele algemene regels van dit bestemmingsplan zijn van toepassing op deze locatie.

3.2.3.

Conclusie gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerend gemeentelijk beleid bestaan er geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 13

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 14

4.

Onderzoeksaspecten

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuaspecten en overige planologische aspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling. In paragraaf 2.1 worden de milieuaspecten onderzocht en in paragraaf 2.2 worden de overige planologische aspecten behandeld.

4.1.

Milieuaspecten

In de navolgende paragrafen worden de volgende milieuaspecten onderzocht: bodem, milieuzonering, geur, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.1.1.

Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De bedrijfsruimte is bedoeld voor het houden, verhandelen en verladen van duiven. Tevens is er in de bedrijfsruimte een video- en fotoruimte aanwezig, een administratieve ruimte en kantine. In dit kader is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en/of NEN 5707. Uit het vooronderzoek bodem blijkt dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen activiteit. Verder geven de onderzoeksresultaten géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Het vooronderzoek bodem is toegevoegd als bijlage 2. Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.1.2.

Milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 15

Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” of daarmee vergelijkbaar. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets milieuzonering In het principestandpunt staat opgenomen dat het bedrijf valt in de milieucategorie 2. Een bedrijf dat is gericht op het ‘Fokken en houden van overige dieren’ (SBI-code 0125) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 2 bedrijf. De richtafstand voor de milieuaspecten ‘geur’ en ‘geluid’ (deze milieuaspecten kennen de grootste richtafstand) tot omgevingstype “rustige woonwijk” bedraagt 30 meter. De richtafstand tot omgevingstype “gemengd gebied” bedraagt 10 meter. Hieronder een tabel met de bijbehorende richtafstanden en indices.

Tabel 1: richtafstanden tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies Afstanden in meters(1) Fokken en houden van Overige dieren

geur 30

stof 10

geluid 30C

Indices gevaar

cat. 2

verkeer 1G

visueel 1

Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 gelegen in gebiedstype “rustige woonwijk”. De afstand van de grens van de bestemming ‘Wonen’ tot de woning Waldfeuchterbaan 59 (Enkelbestemming Agrarisch met waarden landschapswaarden) bedraagt ca. 25 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. De afstand van de grens van de bestemming ‘Wonen’ tot de woning Waldfeuchterbaan 40 (Enkelbestemming Wonen) bedraagt ca. 26 meter. Er wordt niet voldaan aan de richtafstand. Conclusie milieuzonering Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor geur en geluid, zijnde 30 meter. De aspecten geur en geluid worden onderbouwd in respectievelijk de paragrafen 4.1.3 en 4.1.5.

4.1.3.

Geur

Wet geurhinder en veehouderij Voorgrondbelasting Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de normen uit deze wet. Standaard normen voor dieren met geuremissiefactor De wet geurhinder en veehouderij bevat standaardnormen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Op grond van artikel 3 van deze wet mag de geurbelasting op een geurgevoelig object niet meer bedragen dan:  3 OUE/m3 lucht binnen een concentratiegebied binnen de bebouwde kom;  14 OUE/m3 lucht binnen een concentratiegebied buiten de bebouwde kom.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 16

N.B.: De locatie Waldfeuchterbaan 51 te Maria Hoop ligt in een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom. Geurverordening Geurhinder en veehouderij Echt-Susteren 2009 Gemeenten hebben onder de Wet geurhinder en veehouderij de bevoegdheid gekregen om, binnen de kaders die deze wet stelt, eigen normen te stellen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Deze normen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in een geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. Op 18 december 2009 heeft de gemeente Echt-Susteren haar “Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente EchtSusteren 2009” vastgesteld. In deze verordening geldt op de planlocatie, dat gelegen is in het buitengebied de norm van 14 OUE/m3 lucht. Vaste afstand voor afstandsdieren De standaard normen ten aanzien van de maximale geurbelasting gelden alleen voor diersoorten waar een zogenaamde geuremissiefactor voor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor diersoorten zonder geuremissiefactor (afstandsdieren) geldt vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object een vaste afstand.

Deze wettelijke vaste afstand is:  100 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom;  50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Vaste afstand voor alle dieren Naast bovenstaande wettelijke afstanden voor afstandsdieren geldt voor ‘alle’ dieren nog de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Deze wettelijke afstand is:  50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom;  25 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Wanneer in één inrichting meerdere diersoorten worden gehouden, met en zonder geuremissiefactor, dan dient zowel getoetst te worden aan de concentratie volgens de odour units, als aan de vaste afstanden. Toets afstanden Binnen het plangebied worden géén dieren gehouden waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat de wettelijke afstand die geldt voor ‘afstandsdieren’ van toepassing is. Daarnaast is ook van toepassing de wettelijke afstand die geldt voor ‘alle’ dieren. Toets afstand die geldt voor ‘afstandsdieren’ De afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Waldfeuchterbaan 59 (gelegen buiten de bebouwde kom) bedraagt 73 meter.

Er wordt voldaan aan de vaste afstand welke geldt voor ‘afstandsdieren’. De afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Waldfeuchterbaan 40 (gelegen buiten de bebouwde kom) bedraagt 96 meter. Er wordt voldaan aan de vaste afstand welke geldt voor ‘afstandsdieren’. De afstand van het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Diergaarderstraat Zuid 4a (gelegen binnen de bebouwde kom) bedraagt 207 meter. Er wordt voldaan aan de vaste afstand welke geldt voor ‘afstandsdieren’. Toets afstand die geldt voor ‘alle’ dieren De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Waldfeuchterbaan 59 (gelegen buiten de bebouwde kom) bedraagt 44 meter. Er wordt voldaan aan de afstandseis welke geldt voor ‘alle’ dieren. De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Waldfeuchterbaan 40 (gelegen buiten de bebouwde kom) bedraagt 69 meter. Er wordt voldaan aan de afstandseis welke geldt voor ‘alle’ dieren. De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenzijde van de woning Diergaarderstraat Zuid 4a (gelegen binnen de bebouwde kom) bedraagt 187 meter. Er wordt voldaan aan de afstandseis welke geldt voor ‘alle’ dieren.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 17

V-Stacks Ondanks dat voor duiven geen geuremissiefactor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij is een geurberekening uitgevoerd met het rekenprogramma V-Stacks. Hierbij is de postduif vergeleken met een leghen. Volgens het klimaatplatform pluimveehouderij weegt een leghen 1,9 kg. Een postduif heeft een gemiddeld gewicht van 310 gram. Voor de postduif is 1/6 van de emissiefactor aangehouden welke geldt voor de diercategorie E 2.100, zijnde 0,34 OUe/sec per dier per jaar. Voor de postduif wordt dan een emissiefactor gehanteerd van 0,0567 OUe/sec per dier. In de berekening is derhalve een emissie ingevoerd van 57 OUe/sec (1.000 * 0,0567). De V-Stacks berekening is toegevoegd als bijlage 3. Conclusie voorgrondbelasting Er wordt voldaan aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij en de Geurverordening Geurhinder en veehouderij Echt-Susteren 2009. Achtergrondbelasting De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt de ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Uit de berekening met het rekenprogramma V-Stacks blijkt dat de geurbijdrage van het plan op geurgevoelige objecten zeer gering is. Geconcludeerd wordt dat het plan op geurgevoelige objecten niet bij draagt aan een verhoging van de achtergrondconcentratie. Conclusie geur Gelet op vorenstaande vormt het aspect geur geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.1.4.

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 van de Wet milieubeheer is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:  er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;  een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;  een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Voor de voorgenomen activiteit is voornamelijk de emissie van fijnstof vanuit de bedrijfsruimte (fijnstof die dieren produceren) bepalend voor de luchtkwaliteit. Hoewel ook andere stoffen uit de inrichting kunnen ontwijken, zoals NOx en SO2, blijken deze emissies zeer gering te zijn ten opzichte van de achtergrondwaarden.

Derhalve zal ten aanzien van andere stoffen dan fijn stof (PM 10 en PM2,5) zonder problemen worden voldaan aan de Wet luchtkwaliteit. ISL3a Voor het bepalen van de concentraties fijnstof vanuit de bedrijfsruimte zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die de duiven produceren. Hierbij is de postduif vergeleken met een leghen. Volgens het klimaatplatform pluimveehouderij weegt een leghen 1,9 kg. Een postduif heeft een gemiddeld gewicht van 310 gram. Voor de postduif is 1/6 van de emissiefactor aangehouden welke geldt voor de diercategorie E 2.100, zijnde 84 gram/dier/jaar. Voor de postduif wordt dan een emissiefactor gehanteerd van 14 gram/dier/jaar. In de berekening is derhalve een emissie ingevoerd van 1,4 kg (1.000 * 14 gram) per jaar. In ISL3a dient de emissie in gram per seconde te worden ingevoerd. Afgerond is dit voor 1.000 duiven, 0,00044 gram per seconde PM10 en 0,00002 gram per seconden PM2,5.De fijnstof berekening is toegevoegd als bijlage 4. Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 18

Conclusie toets PM10 Uit de berekening blijkt dat in de beoogde situatie de hoogste jaargemiddelde concentratie PM 10 maximaal 16.28 µg/m3 bedraagt. Conclusie: er wordt voldaan aan de norm van 40 µg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10. Tevens blijkt dat de norm van 50 µg/m 3 voor het aantal overschrijdingsdagen maximaal 6.1 dagen bedraagt. Conclusie er wordt voldaan aan de norm van 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen. Conclusie toets PM2,5 Uit de berekening blijkt dat in de beoogde situatie de hoogste jaargemiddelde concentratie PM 2,5 maximaal 9,86 µg/m3 bedraagt. Conclusie: er wordt voldaan aan de norm van 25 µg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10. Gelet op vorenstaande wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit. Huidige achtergrondconcentratie Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. De situatie is dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

plangebied

Figuur 7: uitsnede NSL monitoringskaart (bron: www.nsl-monitoring.nl)

De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied bedraagt conform de kaarten uit de Monitoringstool van het NSL minder dan 35 μg/m 3. Dit is lager dan de norm van 40 μg/m 3. Ook de achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) is ter plaatse van het plangebied lager dan 35 μg/m3, waar eveneens 40 μg/m 3 de norm is. De luchtkwaliteit ter plaatse is derhalve voldoende geschikt. Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning. Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 19

4.1.5.

Geluid

Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Onderhavig planvoornemen leidt niet tot het realiseren van een geluidgevoelig object. Geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer- en railverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde. Industrielawaai Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij woonbestemmingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening (acceptabel woon- en leefklimaat) gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1. Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. 2. Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. 3. Stappen 3 en 4 alleen bij buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel.

Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. 4. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)

Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A)[1]

Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)

Tabel 2: Geluidgrenswaarden VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 [1] Exclusief piekgeluiden door aan- afrijdend verkeer

Toets Uit paragraaf 4.1.2 blijkt dat niet voldaan wordt aan de richtafstand derhalve dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 voor “rustige woonwijk”. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Binnen de inrichting zijn geen ventilatoren of andere installaties aanwezig die in open verbinding staan met de buitenlucht. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau zijn de verkeersbewegingen op het bedrijfsterrein van de personenauto’s (16 bewegingen = 8 auto’s) en van een bestelbus/lichte vrachtwagen (2 bewegingen = 1 auto) maatgevend. Waldfeuchterbaan 59 Op basis van ervaring wordt geconcludeerd dat met deze beperkte verkeersbewegingen het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de gevel van Waldfeuchterbaan 59 voldoet aan 45 dB(A) etmaalwaarde. Daarnaast zijn er in gevel oost van de woning Waldfeuchterbaan 59 op een hoogte van 1,5 meter geen te openen delen aanwezig. Deze gevel is doof en hoeft derhalve niet getoetst te worden. Waldfeuchterbaan 40 Verkeersbewegingen op het bedrijfsterrein van de personenauto’s en van een bestelbus/lichte vrachtwagen hebben op de gevel van de woning Waldfeuchterbaan 40 geen effect. Op deze woning is de beoordeling van het maximaal geluidniveau (piekgeluiden) relevant. Hierna meer.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 20

Maximaal geluidniveau (piekgeluiden) Piekgeluiden kunnen ontstaan door bijvoorbeeld het dichtslaan van autoportieren, het ontluchten van remsystemen van zware vrachtwagens, laad- en losactiviteiten en het sluiten van een sectionaalpoort. Bij de voorgenomen activiteit worden de duiven en het voer handmatig aan de achterkant van de bedrijfsruimte geladen en gelost. Aan de voorkant van de bedrijfsruimte is geen sectionaalpoort aanwezig. Voor het maximaal geluidniveau (piekgeluiden) is het dichtslaan van autoportieren maatgevend. Waldfeuchterbaan 40 Bij de voorgenomen activiteit vinden geen verkeersbewegingen met zware vrachtwagens plaats waardoor piekgeluiden ten gevolge van ontluchten van remsystemen op het begin van de inrit niet aan de orde zijn. Op basis van ervaring wordt geconcludeerd dat piekgeluiden als gevolg van het dichtslaan van autoportieren op het parkeerterrein op de woning Waldfeuchterbaan 40, vanwege de afstand, voldoen aan 65 dB(A) etmaalwaarde. Waldfeuchterbaan 59 Bij de voorgenomen activiteit vinden geen verkeersbewegingen met zware vrachtwagens plaats waardoor piekgeluiden ten gevolge van ontluchten van remsystemen op het begin van de inrit niet aan de orde zijn. Voor de woning Waldfeuchterbaan 59 zijn piekgeluiden als gevolg van het dichtslaan van autoportieren op het parkeerterrein maatgevend.

In gevel oost van de woning Waldfeuchterbaan 59 zijn op een hoogte van 1,5 meter geen te openen delen aanwezig. Deze gevel is doof en hoeft derhalve niet getoetst te worden. Verkeersaantrekkende werking Om de geluisbelasting ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de voorgenomen activiteit te bepalen is een geluidonderzoek uitgevoerd. Er is gerekend met de volgende uitgangspunten: - maximaal 8 personenauto’s in de dagperiode; - maximaal 1 bestelbus/lichte vrachtwagen in de dagperiode. - snelheidsregime Waldfeuchterbaan 60 km/uur; - referentiewegdek; - voor de horizontale afstand tot het midden van de weg is rekening gehouden met de woning Waldfeuchterbaan 41A. De gevel van deze woning ligt op een afstand van circa 8 meter; - voor de aanwezige wegversmalling is worst-case rekening gehouden met een drempel. In de navolgende figuur is een uitsnede van de berekening indirecte hinder opgenomen.

Figuur 8: Uitsnede berekening indirecte hinder

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 21

Conclusie verkeersaantrekkende werking Er wordt voldaan aan een geluidbelasting van 50 dB(A) etmaalwaarde. Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.1.6.

Externe veiligheid

In onderhavig geval is geen sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het beleid is derhalve niet van toepassing. Desalniettemin is er een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurantsA. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes), of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.

A Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 22

Toets externe veiligheid Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de risicokaart geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen. In de navolgende figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.

plangebied

Figuur 9: uitsneden risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)

Uit de voorgaande figuur blijkt dat er geen risico’s zijn met betrekking tot externe veiligheid. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.1.7.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is:  Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden;  Plannen die kader stellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Passende beoordeling Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. In paragraaf 4.2.2 is een toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura2000-gebieden. Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 23

Kaderstellend plan Een ruimtelijk plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De voorgenomen activiteit betreft de realisatie van een bedrijfsruimte voor het houden, verhandelen en verladen van duiven. Gemiddeld zijn er binnen 1.000 duiven aanwezig. Duiven staan niet opgenomen in de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. De grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. worden hiermee niet overschreden derhalve is een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet aan de orde. Conclusie vormvrije m.e.r. beoordeling Het opstellen van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 24

4.2.

Overige planologische aspecten

In de navolgende paragrafen worden de volgende overige planologische aspecten onderzocht: kabels en leidingen, natuurbescherming, archeologie en cultuurhistorie, waterhuishouding én verkeer en parkeren. 4.2.1.

Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Voordat er machinaal gegraven wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen in beeld te brengen.

plangebied

Figuur 10: Uitsnede Netkaart met aanduiding plangebied (bron: www.geodata.rivm.nl/netlijnen.html

Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

4.2.2.

Natuurbescherming

In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Ruimtelijke onderbouwing ‘Waldfeuchterbaan 51, Maria Hoop’ 25

Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998). In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Onderhavig initiatief kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten.

Toets verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Voor het realiseren van onderhavig initiatief is bij de provincie Limburg een aanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend. In overleg met de provincie Limburg worden voor de diercategorie duiven, de emissiegegevens vergeleken met een leghen. Volgens het klimaatplatform pluimveehouderij weegt een leghen 1,9 kg. Een postduif heeft een gemiddeld gewicht van 310 gram. Met dit gegeven wordt voor de postduif 1/6 van de emissiefactor aangehouden welke geldt voor de diercategorie E 2.100, zijnde 0,315 kg NH3 per dierplaats per jaar. Voor de postduif wordt dan een emissiefactor gehanteerd van 0,0525 gram NH 3 per dierplaats per jaar. De ontvangstbevestiging van de aanvraag in het kader van de Wnb is toegevoegd als bijlage 5. Toets overige storingsfactoren De beoogde ontwikkeling leidt, door de grote afstand van 1,1 kilometer tot Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop (gebiedsnummer 151) en 5,6 kilometer tot het Roerdal (gebiedsnummer 150), verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=1d301ef5-8df1-4833-9eef-a89034a2fff6