Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Voornoemde lichte overschrijdingen vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt echter geen belemmeringen voor de beoogde bouwplannen en het gebruik van onderhavig perceel ten behoeve van woondoeleinden. Uit de resultaten van de ondergrond blijkt, dat in deze grondmengmonsters lichte overschrijdingen met kobalt en nikkel worden aangetroffen. Ook deze lichte overschrijdingen vormen vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen directe belemmeringen voor de beoogde bouwplannen. Het onderzoek stelt dat de hypothese ‘diffuus-verdacht’ op basis van de onderzoeksresultaten wordt bevestigd. De aangetroffen overschrijdingen zijn van dien aard dat deze vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen opleveren voor de beoogde bouwplannen en het gebruik van onderhavig perceel ten behoeve van woondoeleinden. Verder kan op basis van de bevindingen van het zintuigelijk bodem en het vooronderzoek de hypothese ‘onverdacht’ met betrekking tot asbest worden gehandhaafd. Gesteld wordt dat er geen aanleiding is om de grond aanvullend analytisch op asbest te laten analyseren. Het verkennend bodemonderzoek concludeert dat, naar aanleiding van de visuele en analytische bevindingen, er geen belemmeringen zijn met betrekking tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
Hierbij wordt opgemerkt dat wanneer meer dan 25 m³ grondverzet gaat plaatsvinden, ook al is de grond niet sterk verontreinigd, een graafmelding in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) dient te worden verricht. 5.5.3 Conclusie bodemkwaliteit
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
27
ROM250056.004/WWU
5.6
Wegen, verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavig project dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.
5.6.1 Wegen en verkeer
Er dient te worden beoordeeld of onderhavig project gevolgen heeft voor de verkeersstructuur, doorstroming, -afwikkeling en -veiligheid in de omgeving. Onderhavig voornemen ziet op het realiseren van een appartementencomplex met daarin 10 appartementen. De benodigde parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het projectgebied en worden ontsloten middels een in-/ uitrit op de openbare weg, zijnde de Maasbrachterweg. Als gevolg van onderhavig planvoornemen zal sprake zijn van een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen rondom het projectgebied. Volgens CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers 2024 - basis voor parkeernormering’ zal het voornemen een verkeersgeneratie van circa 63 voertuigbewegingen per etmaal als gevolg hebben. Hierbij is, daar de gemeente deze uitgangspunten tevens aanhoudt voor de parkeercijfers, uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ en een ligging in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op deze beperkte (vergeleken met het totaal aantal verkeersbewegingen over de weg) toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de appartementen.
Gelet op het vorenstaande is geen sprake van een ontwikkeling die leidt tot een dusdanige toename van het aantal verkeersbewegingen waardoor sprake zou kunnen zijn van problemen in de verkeersstroming, -afwikkeling en -veiligheid. 5.6.2 Parkeren
Als bijlagen bij het bestemmingsplan ‘Initieel omgevingsplan Echt-Susteren’ zijn de parkeercijfers opgenomen die de gemeente Echt-Susteren hanteert. Bij de parkeerkencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheidsgraad en naar de ligging in de stedelijke zone. Voor het projectgebied moet uitgegaan worden van de stedelijkheidsgraad 'Weinig stedelijk' en ligging in de stedelijke zone 'rest bebouwde kom'. Hierbij moet uit worden gegaan van de 'maximale' parkeerbehoefte. Gelet op bovenstaande uitgangspunten dient het appartementencomplex te beschikken over 2 parkeerplaatsen per appartement binnen het projectgebied. Dit komt neer op een totale behoefte van (2 parkeerplaatsen x 10 appartementen=) 20 parkeerplaatsen. Navolgende uitsnede van het schetsontwerp maakt de ligging van de 20 parkeerplaatsen (rood omlijnd) inzichtelijk.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
28
ROM250056.004/WWU
Uitsnede Bijlage 1; Situatietekening nieuwe situatie met aanduiding parkeerplekken en ontsluiting.
Binnen het projectgebied is voldoende ruimte aanwezig voor de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen. Het resultaat van afdoende parkeerruimte is dat geen sprake zal zijn van (openbare) parkeerproblematiek. Ook is de locatie goed ontsloten op de openbare weg. 5.6.3 Conclusie wegen, verkeer en parkeren
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Wegen, verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Omgevingsveiligheid In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises.
5.7.1 Wettelijk kader
Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een brand, ramp of crisis. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, alsook op het vervoer ervan. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
29
ROM250056.004/WWU
In het algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. risicovolle activiteiten (Besluit activiteit leefomgeving); 2. aandachtsgebieden (Besluit kwaliteit leefomgeving). In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: • activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; • het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • buisleidingen met gevaarlijke stoffen (indien opgenomen in het Bal); • windturbines (indien opgenomen in het Bal). Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor ook een ‘aandachtsgebied’ zijn toegewezen. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico’s geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. 5.7.2 Risicobronnen/risicovolle activiteiten
Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico’s is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
Uitsnede Atlas Leefomgeving – Register Externe Veiligheid, 2024.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
30
ROM250056.004/WWU
Zoals zichtbaar op voorgaande kaart is het projectgebied niet gelegen binnen een plaatsgebonden risiconorm of aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Gesteld kan worden dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van het projectgebied bij een eventuele calamiteit goed. Geconcludeerd kan worden dat het project in het kader van de omgevingsveiligheid verantwoord te noemen is. Ter plaatse van het projectgebied is in het kader van de omgevingsveiligheid sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.7.3 Conclusie omgevingsveiligheid
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Natuur
5.8.1 Wettelijk kader
Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden.
5.8.2 Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Bal, dat de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden. Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het projectgebied aanwezig. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'de Grensmaas', dit gebied betreft een Habitatrichtlijn. De Grensmaas is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer (zuid)westen van het projectgebied. Op een afstand van circa 4,2 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied ligt de Abdij Lilbosch. Het voormalig Klooster Mariahoop ligt op een afstand van circa 7 kilometer ten zuidoosten van het projectgebied.
Beide locaties vallen onder het Natura 2000-gebied 'Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop', het gehele Natura 2000-gebied betreft een Habitatrichtlijn.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
31
ROM250056.004/WWU
Ligging projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.
Stikstofemissie kan mogelijk een indirect effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de sloop-, realisatieals de gebruiksfase van het voornemen is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 ‘Voortoets stikstof, Aelmans ROM BV (d.d. 27-03-2025)’. De losse AERIUS berekeningen van de sloop- inclusief de realisatiefase en de gebruiksfase zijn separaat opgenomen als Bijlage 6 en Bijlage 7. Op basis van de resultaten uit de twee AERIUS berekeningen kan geconcludeerd worden dat voor de sloop- inclusief de realisatiefase en de gebruiksfase van de 10 appartementen negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van NOx- en NH3 uitstoot uitgesloten kunnen worden. Uit de berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig natura 2000-gebied. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen met zekerheid worden uitgesloten. De uitkomsten van deze voortoets geven derhalve geen aanleiding tot het aanvragen van een vergunning Natura 2000-activiteit vanwege mogelijke effecten door NOx- en NH3-emissies op Natura 2000-gebieden.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
32
ROM250056.004/WWU
5.8.3 Soortenbescherming
Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor vrijwel voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Als gevolg van onderhavig project worden activiteiten uitgevoerd die een effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving ter plekke. In dat kader is door bureau Ecolybrium een quickscan ecologische waarden uitgevoerd ter plaatse van de te slopen bebouwing aan de Maasbrachterweg 2 te Echt. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. De quickscan concludeert dat ter plaatse geen nestlocaties aanwezig zijn van broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten), omdat de daken en de bebouwing zelf ongeschikt zijn. Ook in de aanwezige vegetatie zijn geen actieve nesten aangetroffen van algemeen voorkomende soorten en soorten met jaarrond beschermde nesten. In dat kader is een nader onderzoek niet aan de orde. In de bebouwing zijn geen geschikte openingen voor vleermuizen aanwezig, voorts doet de bebouwing geen dienst als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen.
Ook de zolder is ongeschikt voor vleermuizen om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Effecten op vleermuizen zijn op voorhand uit te sluiten. Verder is ter plekke van de ingreeplocatie het voorkomen van beschermde soorten, planten, libellen, dagvlinders, vissen, reptielen, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en overige ongewervelden uit te sluiten. Effecten treden daarmee niet op. In het kader van de Omgevingswet kan geconcludeerd worden dat geen verbodsbepalingen overtreden worden. Ecolybrium adviseert om de meest verstorende werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de broedperiode van vogels (dus buiten half maart - half augustus). Algemene zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 5.8.4 Houtopstanden
Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op ‘bosbouwkundig verantwoorde wijze’. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften voor vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
33
ROM250056.004/WWU
Aan de rechterzijde (oostzijde) van het projectgebied zijn diverse soorten bestaande beplanting aanwezig. Deze beplating (circa 158 m²) zal worden gehandhaafd in de vorm van een groenbuffer. Ter realisatie van voorliggend voornemen worden geen beschermde houtopstanden gerooid. Derhalve is geen sprake van het vellen van houtopstanden. 5.8.5 Conclusie natuurbescherming
Gelet op vorenstaande wordt in het kader van natuurbescherming voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.
5.9
Water en watersystemen
5.9.1 Wettelijk kader
In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke Rijksbelangen gelden aanvullende instructieregels: • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. 5.9.2 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027
In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: • Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. 5.9.3 Provinciaal Waterplan Limburg 2022-2027
Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water:
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
34
ROM250056.004/WWU
•
•
•
Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen.
De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders vast voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven. 5.9.4 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027
Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. 5.9.5 Hemelwaterverordening Echt-Susteren 2023
De 'Hemelwaterverordening Echt-Susteren 2023' is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Echt-Susteren op donderdag 14 december 2023. De hemelwaterverordening stelt dat met het oog op het beperken van wateroverlast in bepaalde situaties, zoals bij nieuwe gebouwen, het lozen van hemelwater in een openbaar riool in eerste instantie niet is toegestaan. Het is wel toegestaan indien er een hemelwaterberging is geïnstalleerd en wordt onderhouden, waarin het hemelwater en/of grondwater gecontroleerd moet worden geloosd.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
35
ROM250056.004/WWU
In de hemelwaterverordening worden eisen gesteld aan de minimale capaciteit van een dergelijke hemelwaterberging: a. Voor eigenaren van gebouwen en bedrijfspercelen gelegen op bedrijventerreinen is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 45 mm per m² verhard oppervlak; b. Voor eigenaren van percelen waarop nieuwe bouwwerken worden opgericht, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 45 mm per m² verhard oppervlak; c. Voor eigenaren van percelen en bouwwerken welke ingrijpend worden gerenoveerd is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 45 mm per m² vergroting van de bouwschil; d. Bij herinrichting van een openbaar gebied, waarbij de inrichting van het gebied wordt gewijzigd, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 45 mm per m² per verhard oppervlak. De hemelwaterberging dient zo te worden ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 72 uur weer volledig beschikbaar is. Het hergebruiken van hemelwater is toegestaan. In geval van extreme neerslaggebeurtenissen mag een hemelwaterberging van een overloop naar de openbare ruimte worden voorzien. 5.9.6 Afvalwater en hemelwater
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig projectgebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd op de bestaande aansluiting aan de gemeentelijke riolering van de gemeente Echt-Susteren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het projectgebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening. Het voornemen is om gebruik te maken van een wadi in de voortuin aan Maasbrachterweg of infiltratiekratten onder de verharding. Capaciteit hemelwatervoorziening Gelet op de ‘Hemelwaterverordening Echt-Susteren 2023’ mag, met oog op het beperken van wateroverlast, geen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool worden geloosd. Voor hemelwater geldt een verplichting tot waterberging op eigen terrein.
Voor percelen waarop nieuwe bouwwerken worden opgericht, is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 45 mm per m² verhard oppervlak. Binnen het projectgebied wordt circa 1.300 m² verhard. De hemelwatervoorziening dient hierbij een capaciteit te hebben van circa (45 mm x 1.300 m² = 58 m²) 60 m³, deze capaciteit is reeds naar boven afgerond. Het voornemen is om het water ter plaatse van het projectgebied te infiltreren middels een wadi in de voortuin aan de Maasbrachterweg of diverse infiltratiekratten onder de erfverharding.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
36
ROM250056.004/WWU
Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. 5.9.7 Conclusie water en watersystemen
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10 Cultureel erfgoed Ten behoeve van het uitvoeren van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving dient te worden aangegeven op welke wijze bij de beoogde activiteiten rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteiten aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Voorts dient te worden aangetoond op welke manier het project stedenbouwkundig wordt ingepast. 5.10.1 Cultureel erfgoed
In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: ‘monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed’ gaat het zowel om roerend erfgoed (‘cultuurgoederen’) als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; • verplaatsing van beschermde monumenten; • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; • aantasting van de omgeving van een beschermd monument; • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. 5.10.2 Archeologie
Het bestemmingsplan ‘Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren’ kent de functies ‘Waarde - Archeologie (1 t/m 5)’. Gronden die als zodanig zijn aangeduid zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
37
ROM250056.004/WWU
Op grond van het bestemmingsplan ‘Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren’ zijn ter plaatste van het projectgebied geen functies/ aanduidingen opgenomen voor archeologische waarde. Verdere toetsing aan het aspect ‘archeologie’ is derhalve niet noodzakelijk, archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.10.3 Overig cultureel erfgoed
In het kader van de instandhouding en versterking van ter plaatse aanwezige cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten en karakteristieke bebouwing), patronen (beplantingspatronen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld) en gebieden, kent het bestemmingsplan ‘Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren’ de functie ‘Waarde Cultuurhistorie’ en/of ‘Waarde - Aardkundige waarde’. Beide functies zijn ter plaatse van het projectgebied niet van toepassing. Op basis van de cultuurhistorische waarde kaart, bijgevoegd als bijlage 50 van het bestemmingsplan ‘Initieel Omgevingsplan Echt-Susteren’, is het projectgebied aangeduid als ‘droge kampontginning, type open akker’. Op of in de directe nabijheid van het projectgebied zijn geen cultuurhistorische objecten aanwezig die geschaad zouden kunnen worden als gevolg van onderhavige ontwikkeling. 5.10.4 Conclusie cultureel erfgoed
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'cultureel erfgoed' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.11 Activiteiten en milieuzonering Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid, geur en andere milieuregels voor industrieterreinen en bedrijfslocaties. 5.11.1 Algemeen
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is de nieuwe publicatie 'Activiteiten en milieuzonering' gekomen. Deze is echter gericht op bedrijventerreinen, andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerrein) en woongebieden. De in deze nieuwe handreiking beschreven waarden voor geur gelden niet voor agrarische activiteiten, daarvoor bevat het Bkl specifieke instructieregels waar bij het wijzigen of afwijken van het Omgevingsplan aan moet worden voldaan of waarvoor door de gemeenten zelf in een algemene verordening of geurverordening regels zijn vastgelegd. Voor het aspect geur wordt verwezen naar paragraaf 5.4. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het Omgevingsplan. In het voorliggende geval heeft de gemeente Echt-Susteren een Omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
38
ROM250056.004/WWU
milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Daar de gemeente Echt-Susteren nog geen milieuwaarden heeft vastgesteld in haar Omgevingsplan, wordt in de praktijk hoofdzakelijk (nog) uitgegaan van de uitgangspunten uit de vervallen VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringstechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling. Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. 5.11.2 Beoordeling
Onderhavig voornemen ziet op het realiseren van een appartementencomplex met daarin 10 appartementen. Op het projectgebied aan de Maasbrachterweg 2 te Echt is in de huidige situatie reeds één vrijstaande woning aanwezig, deze woning wordt gesloopt ter realisatie van onderhavig planvoornemen. Woningen/ appartementen zijn geen milieubelastende activiteit en hebben derhalve geen invloed op het woon- en leefklimaat van bestaande woningen. Andersom betreft het te realiseren appartementencomplex daarentegen wel een milieugevoelige functie ten opzichte van bestaande bedrijvigheid. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woonen leefklimaat in de te realiseren woningen gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. Aan de noord-/ oostzijde van het projectgebied is een supermarkt aanwezig op het adres Maasbrachterweg 2b te Echt. Op basis van de uitganspunten uit de vervallen VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering’ valt dergelijke bedrijfsvoering onder de categorie ‘Supermarkten, warenhuizen’ (SBI-2008: 471). Dergelijke bedrijfsvoering kent een richtafstand voor geluid en gevaar van 10 meter.
Daar middels onderhavig voornemen nieuwe woningen worden toegevoegd, is door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de activiteiten en werkzaamheden van het bedrijf gelegen aan de Maasbrachterweg 2b te Echt. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9. Het onderzoek naar industrielawaai brengt de in de omgeving optredende geluidniveaus ten gevolge van het bedrijf in kaart en toetst deze aan de geldende geluidnormen. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de gegevens welke zijn verstrekt door de opdrachtgever. Op basis van deze gegevens is middels een geluidoverdrachtsmodel een berekening gemaakt van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus LAr,LT en de maximale geluidniveaus LAmax. De rapportage van het onderzoek concludeert dat bij een maximale planologische invulling van de bedrijfslocatie sprake is van een langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 48 dB(A) etmaalwaarde. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de normen uit Artikel 22.63 van het Omgevingsplan gemeente Echt-Susteren. Daarnaast wordt het bedrijf niet belemmerd in zijn vergunde geluidruimte.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
39
ROM250056.004/WWU
Het voornemen kan, gelet op het bijgevoegde akoestisch onderzoek industrielawaai, akoestisch inpasbaar worden geacht. 5.11.3 Conclusie activiteiten en milieuzonering
Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'activiteiten en milieuzonering' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.12 M.e.r.-beoordeling 5.12.1 Wettelijk kader
Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming. 5.12.2 Toepassing
In Bijlage V. bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Bij voorliggende activiteit is geen sprake van een project met daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Bijlage V Omgevingsbesluit Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201501297/1/R4) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen (geen) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J 11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft daarmee (g)een m.e.r.- plichtige activiteit.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
40
ROM250056.004/WWU
2. Ligging binnen een gevoelig gebied Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig projectgebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. 3. Belangrijke milieugevolgen In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 5.12.3 Conclusie m.e.r.-beoordeling
Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activiteit op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.13 Duurzaamheid en klimaat 5.13.1 Algemeen
Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.
Klimaat Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
41
ROM250056.004/WWU
In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. 5.13.2 Beoordeling
Wat betreft het aspect duurzaamheid is van belang dat in de praktijk wordt gelet op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Voorts kan door tijdens de bouw zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. 5.13.3 Conclusie duurzaamheid en klimaat
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat bij voorliggend plan rekening wordt gehouden met het aspect 'duurzaamheid en klimaat' en dat dit aspect geen belemmeringen impliceert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
42
ROM250056.004/WWU
6 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit dient in relatie tot de (financiële)haalbaarheid te worden aangetoond. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen activiteiten, in afwijking van het planologisch-juridisch kader, aanleidingen kunnen geven tot aanspraken om nadeelcompensatie als bedoeld in artikel 15.1 van de Omgevingswet (Ow).
6.1
Economische uitvoerbaarheid
6.1.1 Algemeen
In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd. 6.1.2 Kostenverhaal
Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaal-plichtige activiteiten. Dat zijn: • Aangewezen bouwactiviteiten. • Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. Artikel 8.13 Ob bepaalt voor welke activiteiten een kostenverhaal verplicht is. Artikel 8.14 bepaalt de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal. Artikel 8.13 Bouwactiviteiten waarvan kosten worden verhaald als bedoeld in artikel 13.11, eerste lid, aanhef, van de Omgevingswet, zijn: • de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; • de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; • de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte;
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
43
ROM250056.004/WWU
• de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; • de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. Ten behoeve van voorliggend project wordt een anterieure overeenkomst tussen de gemeente EchtSusteren en initiatiefnemer afgesloten waarin het verhaal van kosten is verzekerd. Financiële consequenties ten gevolge van onderhavig planvoornemen zullen uitsluitend door initiatiefnemers worden gedragen. Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemers, heeft onderhavig plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën. 6.1.3 Financiële bijdrage
Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van onderhavige aanvraag (Buitenplanse omgevingsplanactiviteit; BOPA) zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de orde. 6.1.4 Nadeelcompensatie
Artikel 15.1 van de Omgevingswet (Ow) biedt de grondslag voor de nadeelcompensatie regelingen. Een nadeelcompensatie (voorheen planschadevergoeding) wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt. Artikel 4.126 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een project een overeenkomst te sluiten. De strekking van een dergelijke overeenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een project wijzigen van het omgevingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. Tussen de gemeente Echt-Susteren en de initiatiefnemer van voorliggend project wordt een overeenkomst gesloten waardoor eventuele voor vergoeding in aanmerking komende nadeelcompensatieclaims voor rekening komen van initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Participatie
Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
44
ROM250056.004/WWU
Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op ‘actieve deelname’. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: “Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit”. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie.
Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten en welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij de aanvraag Buitenplanse omgevingsplanactiviteit kent onder de Omgevingswet aanvraagvereisten. In dat kader dient bij de aanvraag te worden aangegeven hoe partijen zijn betrokkenen en wat de resultaten daarvan zijn (Artikel 7.4 Or). Dit artikel bepaalt dat bij een aanvraag wordt aangegeven of burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken en als deze betrokken zijn, verstrekt de aanvrager bij de aanvraag gegevens over hoe zij betrokken zijn en wat de resultaten daarvan zijn. 6.2.2 Omgevingsdialoog
Bij voorliggende project is sprake van een aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Om te omwonenden te informeren over de beoogde plannen, hebben de initiatiefnemers van voorliggend project omwonende per brief geïnformeerd. Deze brief hebben ze persoonlijk aan huis afgegeven. Gedurende het afgeven van de brieven is reeds met een groot aantal omwonende gesproken. Omwonende die destijds niet thuis waren, hebben de brief ontvangen in de brievenbus. In de brief is het voornemen tekstueel toegelicht, ondersteund met; een plattegrond, afbeelding van de huidige situatie en een visualisatie van de beoogde situatie. Middels de brief zijn tevens de mogelijkheden bekend gemaakt voor het inplannen van een persoonlijk gesprek om de plannen nader
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
45
ROM250056.004/WWU
toe te lichten en eventuele vragen te beantwoorden. Daarnaast is ook de mogelijkheid geboden om zonder een persoonlijk gesprek vragen of opmerkingen te delen met de initiatiefnemers. Met name met de bewoners van het naastgelegen perceel, op het adres Maasbrachterweg 2a, is veelvuldig contact geweest. Naar aanleiding van de diverse gesprekken is een maatwerk voorstel gedaan. Naast het contact met de omwonenden, hebben initiatiefnemers ook contact gehad met de vastgoedmanager van de achtergelegen supermarkt. Uit de gevoerde omgevingsdialoog zijn geen zaken naar voren gekomen die naar verwachting impact zullen hebben op het verdere ontwerp of de bouw van het beoogde appartementencomplex. 6.2.3 Procedure vergunningverlening
De procedure voor verlening van een omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. In onderhavig geval is voor de aanvraag Buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
46
ROM250056.004/WWU
7 Afweging van belangen en conclusie Het voornemen is om op de locatie Maasbrachterweg 2 te Echt de bestaande vrijstaande woning te slopen en een appartementencomplex met daarin 10 appartementen terug te bouwen. Kadastraal staat het projectgebied bekend als gemeente Echt, sectie M, perceelnummer 2826. Voorliggend voornemen is in strijd met het ter plekke vigerende tijdelijke deel van het Omgevingsplan, het bestemmingsplan ‘Initieel Omgevingsplan Echt Susteren’. Op grond van de planregels voor de functie ‘Wonen – Stedelijk’ mag het aantal woningen niet toenemen en mogen woningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Hier voldoet onderhavig voornemen niet aan. Voor de beoogde activiteiten in de fysieke leefomgeving dient op grond van artikel 5.1, lid 1 van de Omgevingswet een omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Ten behoeve van de beoogde vergunningverlening is voorliggende motivering opgesteld. Tegen het project bestaan vanuit ruimtelijk en stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaren, aangezien aan de volgende uitgangspunten c.q.
randvoorwaarden wordt voldaan: • het project is niet strijdig met het Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid; • door de realisering van het project treden geen conflicterende belangen op ten aanzien van bedrijven en woningen in de omgeving; • de aspecten van de fysieke leefomgeving gezondheid, geluid, kwaliteit van de buitenlucht, geur, bodem, weg, verkeer, parkeren, omgevingsveiligheid, natuur, water en watersystemen, cultureel erfgoed, activiteiten en milieuzonering, m.e.r.-beoordeling, duurzaamheid en klimaat vormen geen beletsel voor de realisatie van het project; • de financiële consequenties van het project worden volledig gedragen door de initiatiefnemer. Op grond van vorenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat bij realisatie van het voorliggende project sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl).
Bijlagen
Ruimtelijke motivering Maasbrachterweg 2 te Echt Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu B.V.
47