CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels

Commissie Omgeving 17 juni 2024, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Tracébesluit A2'29.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 4.6.1 is niet van toepassing: a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 4.6.3

Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.6.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen en, wanneer mogelijk, een positieve bijdrage wordt geleverd aan de aanwezige cultuurhistorisch-landschappelijke waarden. 4.6.4

Advies

Het staat het bevoegd gezag vrij om advies in te winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld onder artikel 4.6.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie. 4.7

Wijzigingsbevoegdheid

4.7.1

Natuur

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het wijzigen van de gronden naar de bestemming 'Natuur', mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

30

a. de agrarische functie van de aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig wordt belemmerd; b. de gerechtigden ten aanzien van de betreffende gronden zulks wensen.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

31

Artikel 5 5.1

Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

agrarisch grondgebruik; behoud en bescherming onverharde en halfverharde wegen; behoud en ontwikkeling van ecologische waarden; behoud, herstel en ontwikkeling van de bestaande ecologische en natuurwaarden van Natura 2000-gebieden; e. de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven; f. behoud en ontwikkeling van recreatief medegebruik; g. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit, met dien verstande dat: 1. uitsluitend detailhandel in agrarische producten die op het eigen bedrijf of in de directe omgeving daarvan zijn geproduceerd en/of agrarische producten die op het eigen bedrijf en/of in de directe omgeving daarvan op een ander agrarisch bedrijf zijn bewerkt. Onder agrarische producten worden tevens streekproducten en aanverwante artikelen, passend in het assortiment van boerderijwinkels, gerekend; 2. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit uitsluitend is toegestaan binnen de bestaande bebouwing en het verkoopvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 200 m²; h. waterretentie, natuurvriendelijke oevers en het onderhouden van de waterloop voor zover de gronden zijn gelegen binnen 5 m van de bestemming 'Water'; i. kunstwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; met de daarbij behorende: j. nutsvoorzieningen; k. inritten, erven en terreinen; l. erfbeplanting; m. tuinen bij bedrijfswoningen; n. wegen en paden; o.

water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 5.2

Bouwregels

5.2.1

Toegestane bouwwerken binnen de gehele bestemming

Binnen de gehele bestemming mogen uitsluitend worden gebouwd: a. bestaande schuilgelegenheden, met dien verstande dat de schuilgelegenheden op een legale wijze tot stand zijn gekomen; b. bestaande bebouwing, met dien verstande dat de bestaande bebouwing op een legale wijze tot stand is gekomen; c. gebouwen van openbaar nut, zoals trafo's, abri's, schakelstations, meet- en regelstations; d. teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend in de vorm van afdekfolie en minitunnels; e. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming zoals bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het recreatief medegebruik (o.a. zitbanken en wegwijzers), openbaar nut en verkeersgeleiding. 5.2.2

Bouwen

Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in sublid 5.2.1, gelden de volgende regels: a. de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan in de onderstaande tabel is aangegeven:

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

32

Bouwwerken

Maximale Maximale Maximale goothoogt bouwhoogte oppervlakte in m² e in m in m

Maximale inhoud in m³

Teeltondersteunen n.v.t. de voorzieningen

4

Geen beperking

n.v.t.

Teeltondersteunen n.v.t. de voorzieningen, in de vorm van afdekfolie en minitunnels

0,5

Geen beperking

n.v.t.

Hooibergen, voedersilo's e.d.

n.v.t.

15

Geen beperking

Geen beperking

Erf- en n.v.t. terreinafscheidinge n binnen het bouwvlak

2

n.v.t.

n.v.t.

Erf- en n.v.t. terreinafscheidinge n buiten het bouwvlak

1,50

n.v.t.

n.v.t.

gebouwen van 2,7 openbaar nut, zoals trafo's, abri's, schakelstations, meet- en regelstations

3,5

15

Geen beperking

Bouwwerken, geen n.v.t. gebouwen zijnde ten behoeve van deze bestemming zoals bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van het recreatief medegebruik (o.a. zitbanken en wegwijzers), openbaar nut en verkeersgeleiding

2, met dien Geen beperking verstande dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de openbare verkeersverlic hting niet meer dan 6 mag bedragen.

Geen beperking

Overkappingen buiten het bouwvlak

n.v.t.

2

40 m² per ha

Geen beperking

kunstwerken

n.v.t.

12

n.v.t.

n.v.t.

overige n.v.t. bouwwerken, geen gebouwen zijnde

2

n.v.t.

n.v.t.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

33

b. indien de bestaande bebouwing afwijkt van het bepaalde onder a dan geldt de bestaande bebouwing op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht. 5.3

Nadere eisen

a. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de landschappelijke en ruimtelijke inpassing, zoals is bedoeld in artikel 29.2, van de uitbreiding van de agrarische bebouwing binnen het bouwvlak. b. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van waarborging van de brandveiligheid, rampenbestrijding en zelfredzaamheid van personen en overige nadere eisen ten aanzien van externe veiligheid in het algemeen, bijvoorbeeld ten aanzien van de oriëntatie van gebouwen en toegang en vluchtwegen, de bereikbaarheid van het perceel en bouwkundige maatregelen ter beperking van de effecten van bijvoorbeeld een ongeval met gevaarlijke stoffen, alsmede ter voorkoming van hoge personendichtheden. 5.4

Afwijken van de bouwregels

5.4.1

Schuilgelegenheden

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 ten behoeve van het realiseren van schuilgelegenheden, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De schuilgelegenheid is noodzakelijk uit het oogpunt van dierenwelzijn. b. De schuilgelegenheid wordt uitsluitend gebruikt voor hobbymatig (agrarisch) gebruik. c. Het perceelsoppervlak bedraagt minimaal 5.000 m² en grenst niet aan het huisperceel van de eigenaar. d. De schuilgelegenheid wordt aan de rand van perceel opgericht. e. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m² en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m. f. Eén wand van de schuilgelenheid dient open te zijn. g. De landschappelijke- en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast. h. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg mogen niet worden aangetast. i. Er mag geen buitenopslag plaatsvinden. j. De schuilgelegenheid mag niet worden voorzien van bouwwerken, zoals een rijbak, stapmolen, stroen hooiopslag en parkeerplaats voor een paardentrailer. k. Aangetoond is dat de landschappelijke en ruimtelijke inpassing op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij wordt aangetoond op welke wijze wordt voldaan aan de te leveren verbetering van de omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 29.2.2. 5.4.2

Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.2 ten behoeve van het oprichten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen dienen direct aansluitend aan het bouwvlak te worden gerealiseerd, tenzij is aangetoond dat er geen mogelijkheden zijn om teeltondersteunende voorzieningen direct aansluitend aan het bouwvlak te realiseren. b. De tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen maximaal 6 maanden per jaar aanwezig zijn en na afloop geheel worden verwijderd. c. Aangetoond is dat de landschappelijke en ruimtelijke inpassing op een zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij wordt aangetoond op welke wijze wordt voldaan aan de te leveren verbetering van de omgevingskwaliteit zoals bedoeld in artikel 29.2.2. d. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan in de beekdalen zoals zijn weergegeven in de Structuurvisie Echt-Susteren 2025. 5.4.3

Hagelnetten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 ten behoeve van het oprichten van hagelnetten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. Hagelnetten niet zijn toegestaan in de beekdalen zoals zijn weergegeven op kaart 4c van het Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

34

Provinciaal Omgevingsplan Limburg. b. De hagelnetten dienen landschappelijk te worden ingepast. Dit betekent in ieder geval dat netten niet mogen doorlopen tot aan de grond en voorts dat er randvoorwaarden kunnen worden gesteld aan de zichtbaarheid van de hagelnetten. Bij het toetsen van de toelaatbaarheid zijn, mede met het oog op de zichtbaarheid, de volgende aspecten van belang: c. zicht op de continuïteit van het agrarisch bedrijf; d. beschrijving van de locaties waar de hagelnetten geplaatst worden; e. invloed van het reliëf op de zichtbaarheid; f. het gebruikte (constructie)materiaal voor de netten; g. de aangevraagde oppervlakte hagelnetten; h. de ligging ten opzichte van wegen, paden, dorpen en bebouwing. i. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de omliggende waarden en functies. j. De bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond. 5.4.4

Hogere bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.2 ten behoeve van het vergroten van de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak tot ten hoogste 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d.

De grotere bouwhoogte is noodzakelijk in verband met de bestemming. De erfafscheidingen mogen niet gesloten zijn. De landschappelijke waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg mogen niet worden aangetast. e. Het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast. 5.5

Specifieke gebruiksregels

5.5.1

Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 24.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. b. c. d.

het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren; verkooppunten voor motorbrandstoffen; seksuele dienstverlening; permanente bewoning, voor zover het vrijstaande bijbehorende bouwwerken en recreatieve verblijven (bv. vakantieappartement/vakantiewoning) betreft; e. bewoning als inwoning; f. het gebruik van gronden als volkstuin; g. het beoefenen van lawaaisporten; h. buitenopslag, behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik; i. het stallen van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen buiten het bouwvlak; j. de inname van mest van derden. 5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.6.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 5.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

35

d. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas; e. het bebossen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als (agrarische) houtteelt; f. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; g. het verwijderen van half- en onverharde wegen of paden; h. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur. 5.6.2

Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 5.6.1 is niet van toepassing: a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 5.6.3

Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.6.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen en, wanneer mogelijk, een positieve bijdrage wordt geleverd aan de aanwezige cultuurhistorisch-landschappelijke waarden. 5.6.4

Advies

Het staat het bevoegd gezag vrij om advies in te winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld onder artikel 5.6.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie. 5.7

Wijzigingsbevoegdheid

5.7.1

Natuur

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het wijzigen van de gronden naar de bestemming 'Natuur', mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de agrarische functie van de aangrenzende, niet bij het bedrijf behorende gronden en bebouwing niet onevenredig wordt belemmerd; b. de gerechtigden ten aanzien van de betreffende gronden zulks wensen.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

36

Artikel 6 6.1

Bedrijventerrein

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. ter plaatse reeds bestaande bedrijven; b. bedrijven met een perceelsomvang van maximaal 10.000 m², overeenkomstig onderstaande tabel: Ter plaatse van de aanduiding

Bedrijven die zijn opgenomen in de van deze regels deel uitmakende toegesneden lLijst van bedrijfsactiviteiten (Bijlage 4 bij de regels) onder:

Bedrijf tot en met categorie 3.2 Categorie 2 tot en met 3.2-bedrijven, met een grootste afstand van 100 meter *

* alsmede daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bedrijven.

een en ander met uitzondering van risicovolle inrichtingen; c. kantoren bij bedrijven, niet zijnde zelfstandige kantoren, mits het kantoorvloeroppervlak maximaal 40% van het bedrijfsvloeroppervlakte van de gebouwen bedraagt, tot een maximum van 1.500 m²; met de daarbij behorende: d. e. f. g. h.

terreinen en verhardingen; voorzieningen ter ontsluiting van de bedrijven; wegen, paden en parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen.

6.2

Bouwregels

6.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen zijn niet toegestaan. b. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 5,00 meter, tenzij deze afstand in de legaal bestaande situatie kleiner is, in welk geval de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet mag worden verkleind. 6.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken geen gebouwen zijnde, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd worden, met uitzondering van: 1. terreinafscheidingen, welke binnen het gehele bestemmingsvlak mogen worden gebouwd; 2. reclame-uitingen, welke uitsluitend buiten 3 meter van de bestemmingsgrens mogen worden gebouwd; 3. een sproeiinstallatie ter voorkoming van stofvorming bij weegbruggen; b. het bebouwingspercentage van 70%, zoals genoemd onder 6.2.1 onder b, dient bij het bepalen van de maximaal toelaatbare gezamenlijke oppervlakte van alle bouwwerken op het bouwperceel, in acht te worden genomen; c. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 15,00 meter, met uitzondering van: 1. erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen; Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

37

2. reclame-uitingen, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5,00 meter; d. de bouwwerken geen gebouwen zijnde passen voor het overige naar aard en afmetingen bij deze bestemming. 6.3

Nadere eisen

6.3.1

Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van: a. de situering en afmetingen van bouwwerken; b. de inrichting van de gronden voor wat betreft de aanleg en omvang van parkeer- en groenvoorzieningen; c. de aanleg van waterhuishoudkundige voorzieningen, (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen, blusvijvers en bluswatervoorzieningen; d. de aanleg en profilering van toegangs- en ontsluitingswegen; indien zulks noodzakelijk is: e. ten behoeve van een goede stedenbouwkundige inpassing; f. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; g. ter waarborging van de verkeersveiligheid, brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding; h. in verband met de opvang van de benodigde parkeer- laad- en losruimte van voldoende omvang op eigen terrein. 6.4

Afwijken van de bouwregels

6.4.1

Maximale bouwhoogte bouwwerken, geen gebouw zijnde

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 voor zendmasten, communicatiemiddelen en daarmee vergelijkbare bouwwerken, geen gebouw zijnde, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 35,00 meter; het woon- en leefmilieu wordt niet onevenredig aangetast; het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast; de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen niet onevenredig worden aangetast.

6.4.2

Maximale bouwhoogte technische installaties

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken van het bepaalde in artikel 6.2.2 voor technische installaties, kranen, silo's en daarmee vergelijkbare bouwwerken, geen gebouw zijnde, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 35,00 meter; het woon- en leefmilieu wordt niet onevenredig aangetast; het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast; de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen niet onevenredig worden aangetast.

6.5

Specifieke gebruiksregels

6.5.1

Verboden gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 24.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. b. c. d. e.

f.

risicovolle inrichtingen; wonen, behoudens in een bedrijfswoning als bedoeld in 6.1; permanente of tijdelijke bewoning van bijbehorende bouwwerken; detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel, niet zijnde handel in voeding- en genotmiddelen, mits de verkoopvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 10% van het totale bedrijfsvloeroppervlak, met een maximum van 500 m²; detailhandel in volumineuze goederen als bedoeld in 6.1 onder g;

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

38

g. detailhandel en broodjeszaken bij verkooppunten voor motorbrandstoffen en wasstraten tot een maximum bruto-verkoopvloeroppervlak van 80 m² en uitsluitend in samenhang met de verkoop van motorbrandstoffen/wasstraten; h. een verkooppunt voor motorbrandstoffen inclusief LPG; i. horeca, met uitzondering van ondergeschikte horeca ten dienste van het desbetreffende bedrijf en de broodjeszaken zoals bedoeld in artikel 6.5.1 onder d onder 3; j. zelfstandige kantoren; k. seksuele dienstverlening; l. opslag, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik, tot een hoogte van ten hoogste 3,00 meter, met dien verstande dat: m. opslag uitsluitend is toegestaan binnen het bouwvlak, dan wel op ten minste 10 meter uit de bestemmningsgrens; n. opslag voor de voorgevelrooilijn is in zijn geheel niet toegestaan. 6.6

Afwijken van de gebruiksregels

6.6.1

Vergroten perceelsomvang

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken van het bepaalde in artikel 6.1 onder b en c voor bouwpercelen met een grotere omvang dan respectievelijk 10.000 m² dan wel 15.000 m², ten behoeve van de uitbreiding van bestaande bedrijven, onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.

de omvang mag eenmalig worden uitgebreid met maximaal 20% van de bestaande omvang; het woon- en leefmilieu wordt niet onevenredig aangetast; de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen worden niet onevenredig aangetast; het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast; de verkeersveiligheid wordt niet aangetast; de (brand)veiligheid wordt niet aangetast.

6.6.2

Hogere milieucategorie

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken van het bepaalde in artikel 6.1 onder b en c ten behoeve van het toelaten van bedrijven uit een hogere categorie dan op grond van de in artikel 6.1 opgenomen tabel mogelijk is, onder de volgende voorwaarden: a. per categorie is afwijken slechts mogelijk voor bedrijven uit de volgende categorieën: en: Ter plaatse van de aanduiding

Categorie bedrijven als opgenomen in de van deze regels deel uitmakende toegesneden lijst van bedrijfactiviteiten (Bijlage 4 bij de regels) waarvoor afwijking mogelijk is binnen de gestelde voorwaarden:

Bedrijf tot en met categorie 3.2

Categorie 4.1-bedrijven, met een grootste afstand van 200 meter *

* alsmede daarmee naar aard en omvang gelijk te stellen bedrijven. b. bij de bedrijven worden afdoende fysieke maatregelen genomen, in de vorm van voorzieningen met een afdoende afschermende werking, en/of wordt een aangepaste bedrijfsvoering gevoerd, opdat sprake blijft van een afdoende omgevingsafstemming. De zwaarte van de maatregelen neemt daarbij toe naargelang het verschil tussen de categorie, waartoe het bedrijf behoort en de bij de zone behorende hoogste categorie groter wordt; c. het woon- en leefmilieu wordt niet onevenredig aangetast; d. de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen worden niet onevenredig aangetast; e. het straat- en bebouwingsbeeld wordt niet onevenredig aangetast; f. de verkeersveiligheid wordt niet aangetast; g. de (brand)veiligheid wordt niet aangetast.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

39

6.6.3

Risicovolle inrichting

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning toestemming verlenen af te wijken van het bepaalde in: a. artikel 6.1 onder b en artikel 6.5.1 onder a ten behoeve van de vestiging van een risicovolle inrichting waarvan de plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar bij voorkeur binnen de perceelgrenzen blijft, met dien verstande dat: b. vooraf advies dient te worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio; c. verantwoording van het groepsrisico plaatsvindt.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

40

Artikel 7 7.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

groenvoorzieningen; bermen en beplanting; paden; speelvoorzieningen; hondenuitlaatplaatsen; voorzieningen van algemeen nut; kunstwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; geluidwallen ter plaatse van de aanduiding 'geluidwal'; waterlopen en waterpartijen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2

Bouwregels

7.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut worden gebouwd; b. de maximale bouwhoogte bedraagt 3,00 meter; c. de maximale oppervlakte van voorzieningen van algemeen nut bedraagt 15 m². 7.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5,00 meter bedragen; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. in afwijking van het bepaalde onder a mag: 1. de hoogte van lichtmasten maximaal 12,00 meter bedragen; 2. de hoogte van kunstwerken maximaal 12,00 meter bedragen; 3. de hoogte van een geluidwal maximaal 5 meter bedragen. 7.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing: a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving; c. ter waarborging van de verkeersveiligheid; d. ter waarborging van de sociale veiligheid; e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding. 7.4

Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 24.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

41

Artikel 8 8.1

Natuur

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.

behoud, herstel en versterking van landschappelijke, aardkundige en natuurwaarden; op natuurbeheer gericht agrarisch grondgebruik; behoud en herstel van rust binnen het gebied; behoud en herstel van aanwezig reliëf behoud en ontwikkeling van de archeologische waarden; behoud en herstel van de aanwezige poelen en watergangen; behoud, herstel en ontwikkeling van ecologische en natuurwaarden van Natura 2000-gebieden; kunstwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; waterretentie, natuurvriendelijke oevers en het onderhouden van de waterloop; extensief recreatief medegebruik; behoud en bescherming onverharde en halfverharde wegen; bestaande perceelsontsluitingen;

met de daarbij behorende: m. verkeersvoorzieningen; n. voorzieningen van openbaar nut. Binnen de bestemming 'Natuur' is het beleid primair gericht op behoud en versterking van de ecologische en landschappelijke kwaliteiten. Het bieden van mogelijkheden voor recreatief medegebruik mag geen afbreuk doen aan deze primaire doelstelling. Het hele gebied binnen deze bestemming mag in beginsel worden gebruikt voor extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het recreatief medegebruik zijn beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan, zoals picknicktafels, bankjes, bewegwijzering e.d. 8.2

Bouwregels

8.2.1

Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. 8.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van hoogzitten mag niet meer bedragen dan 4,5 m; b. de bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 12 meter; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde erf- en terreinafscheidingen, mag niet meer bedragen dan 2 m. 8.3

Afwijken van de bouwregels

8.3.1

Beheerschuur

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.1 ten behoeve van het realiseren van beheerschuur ten behoeve van het beheer van het onderhoud van de gronden voor doeleinden als beschreven in lid 8.1, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d. e.

Het bouwwerk ter plaatse is noodzakelijk voor het beheer en het onderhoud van de gronden. Het bouwwerk heeft betrekking op een beheersobject van ten minste 50 ha. De inhoud bedraagt niet meer dan 50 m³. De goothoogte bedraagt niet meer dan 3 m. De bouwhoogte niet meer bedraagt 4,5 m.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

42

f. Het bouwwerk geen aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer- of vaartuig betreft. g. Uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit is gebleken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe voorziening. h. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg niet mogen worden aangetast. 8.3.2

Brandtoren/uitzichtstoren

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 ten behoeve van het oprichten van een brandtoren/uitzichtstoren, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De toren is vanuit een oogpunt van brandpreventie of brandbestrijding noodzakelijk, respectievelijk uit het oogpunt van educatie gewenst. b. Uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit is gebleken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. c. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg mogen niet worden aangetast. 8.3.3

Bouwwerken ten behoeve van recreatief medegebruik

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 ten behoeve van het oprichten van bouwwerken ten behoeve van recreatief medegebruik, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. De inhoud van gebouwen bedraagt niet meer dan 50 m³. b. De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4,5 m. c. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg mogen niet worden aangetast. 8.3.4

Erf- en terreinafscheidingen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 ten behoeve van het oprichten van erf- en terreinafscheidingen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. b. c. d. 8.4

De bouwhoogte bedraagt niet meer dan 2 m. Er is sprake van een open afrastering. De afrastering is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. De wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Limburg mogen niet worden aangetast. Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 24.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. agrarische doeleinden, behoudens voor zover dat ten dienste staat van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden; b. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest; c. het gebruik van gronden als volkstuin; d. het gebruik voor recreatiedoeleinden, behoudens extensief recreatief medegebruik; e. het beoefenen van lawaaisporten; f. paardenbakken; g. militair gebruik; h. het winnen van bosstrooisel of mos, behoudens voor zover dit ten dienste staat aan het instandhouden van de natuurwaarden; i. houtwinning.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

43

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1

Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 8.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; b. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; c. het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; d. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; e. het verwijderen van half- en onverharde wegen of paden; f. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur; g. het ontginnen van de gronden, behoudens voor zover dit ten dienste staat aan het instandhouden van de natuurwaarden; h. het vellen/rooien van bos. 8.5.2

Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 8.5.1 is niet van toepassing: a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 8.5.3

Toelaatbaarheid

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en/of cultuurhistorische waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen en, wanneer mogelijk, een positieve bijdrage wordt geleverd aan de aanwezige cultuurhistorisch-landschappelijke waarden. 8.5.4

Advies

Het staat het bevoegd gezag vrij om advies in te winnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

44

Artikel 9 9.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.

wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeers- en verblijfsfunctie; voet- en rijwielpaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting; straatmeubilair; voorzieningen van algemeen nut; geluidswerende voorzieningen; faunavoorzieningen; kunstwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; een reclamemast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - reclamemast'; waterlopen en waterpartijen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen.

9.2

Bouwregels

9.2.1

Gebouwen

Op of in deze gronden is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. 9.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 15 m bedragen; b. overkappingen zijn niet toegestaan; c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer maximaal 18 m bedragen; d. In afwijking van het bepaalde onder a. mag de bouwhoogte van de reclamemast ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - reclamemast' maximaal 30 m. bedragen. 9.3

Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 24.1 wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als: a. verkooppunten voor motorbrandstoffen; b. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

45

Artikel 10 10.1

Water

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bescherming, beheer en onderhoud van watergangen en waterpartijen; b. de ontvangst, berging en/of afvoer van water; c. behoud en ontwikkeling van ecologische waarden, waaronder meandering van de watergang/beek en behoud van aanwezig poelen beplanting; d. behoud, herstel en ontwikkeling van ecologische en natuurwaarden van Natura 2000-gebieden; e. scheepvaart; f. kunstwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - kunstwerk'; g. waterhuishoudkundige voorzieningen. 10.2

Bouwregels

10.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. 10.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer bedragen dan 12 meter; b. Voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt dat: 1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m²; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

46

Artikel 11 11.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een vrijwaringstrook aan weerszijden van de leiding ter plaatse van de bestemming 'Leiding Hoogspanningsverbinding'. 11.2

Bouwregels

a. In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leiding(en) worden opgericht. b. Indien bestaande gebouwen en/of bouwwerken worden vervangen, vernieuwd of veranderd is dit toegestaan indien de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 11.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 11.2 voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, met dien verstande dat: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de betreffende hoogspanningsverbinding; b. het bevoegd gezag hierover tijdig tevoren schriftelijk advies heeft ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder(s). 11.4

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend een gebruik dat geen rekening houdt met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsverbinding en de risico's die ermee verbonden zijn. 11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.5.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 11.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a. het aanbrengen van bovengrondse kabels of leidingen; b. het wijzigen van het bestaande maaiveld- of weghoogte door ophogingen of ontgrondingen of het verrichten van andere graafwerkzaamheden; c. het aanbrengen van hoogopgaande bomen of beplantingen; d. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 2,5 meter; e. het opslaan van goederen, materialen of (brandbare) stoffen; f. het aanbrengen van wegen of paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van (reeds bestaande) watergangen, alsmede het verhogen of verlagen van het waterpeil; h.

het aanleggen en/of slopen van bovengrondse opstallen, constructies, straatmeubilair, installaties of apparatuur anders dan ten dienste van de in lid 11.1 omschreven bestemmingsomschrijving; i. het aanleggen van zonneparken. 11.5.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 11.5.1 is niet van toepassing:

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

47

a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen. 11.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden in artikel 11.5.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen het doelmatig en veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de in lid 11.1 genoemde leiding(en) kan worden geschaad. Alvorens te beslissen omtrent de omgevingsvergunning wordt door het bevoegd gezag schriftelijk positief advies ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

48

Artikel 12 12.1

Leiding - Ondergronds

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Ondergronds' aangewezen grondenn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, instandhouding en/of bescherming van: a. gas-, olie- en stikstofleidingen; b. een ondergrondse leiding ten behoeve van het transport van vloeibare koolwaterstoffen en etheen ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - brandstof'; c. een ondergrondse hoge druk aardgastransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding gas'; d. een ondergrondse rioolwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - riool'. 12.2

Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald ten aanzien van het bouwen krachtens de overige bestemmingen van deze gronden, mogen op of in deze bestemming begrepen gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bedoelde leiding(en) worden opgericht. 12.3

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 12.2 voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, met dien verstande dat: a. deze uitsluitend toelaatbaar zijn indien de belangen in verband met de betrokken leiding(en) zich hier niet tegen verzetten; b. het bevoegd gezag hierover tijdig tevoren schriftelijk advies heeft ingewonnen bij de betrokken leidingbeheerder(s); c. geen kwetsbare objecten worden toegelaten. 12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.4.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden op de in lid 12.1 bedoelde gronden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren of uit te laten voeren: a. het wijzigen van het bestaande bodemniveau door ophogingen of afgravingen of het verrichten van andere graafwerkzaamheden; b. het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60 m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; c.

het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; d. het aanbrengen van diepwortelende en/of hoogopgaande bomen of beplantingen of anderszins beplanten van gronden met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters in verband met tuinbouw of als houtteelt; e. het aanleggen van landschapselementen; f. het vellen, rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - landschappelijke elementen'; g. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m²; h. het verwijderen van onverharde wegen of paden; i. het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur; Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

49

j. het heien of anderzins inbrengen van voorwerpen in de grond; k. het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties, apparatuur of objecten zoals lichtmasten, wegwijzers, informatiepanelen en ander straatmeubilair; l. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen; m. het inrichten van (tijdelijke) evenemententerreinen. 12.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 12.4.1 is niet van toepassing: a. op werken of werkzaamheden waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is verleend; b. op werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreden van het bestemmingsplan in uitvoering waren en hiervoor een vergunning is verleend; c. op werken of werkzaamheden welke het normale onderhoud en beheer betreffen; d. op werken en/of werkzaamheden die gericht zijn op het verwijderen van diepwortelende beplantingen en bomen door of namens de leidingbeheerder van de in lid 12.1 bedoelde leiding.

12.4.3 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in 12.4.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Alvorens te beslissen omtrent de omgevingsvergunning dient schriftelijk advies van de leidingbeheerder ingewonnen te worden.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

50

Artikel 13 13.1

Waarde - Aardkundige waarde

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Aardkundige waarde' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het instandhouden en versterken van de cultuurhistorische, natuurlijke, landschappelijke en aardkundige waarden, een en ander conform: a. Bijlage 5 Cultuurhistorische waardenkaart; b. en

13.2

ter plaatse van de aanduiding:

conform:

'specifieke vorm van waarde - aardkundig ensemble Oude Maas'

Bijlage 6 Aardkundig ensemble Oude Maas

Bouwregels

13.2.1 Algemeen Op de voor 'Waarde - Aardkundige waarde' aangewezen gronden mag worden gebouwd overeenkomstig onderliggende bestemmingen. 13.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering, de vorm en de kwaliteit van de bouwwerken ter voorkoming van onevenredige aantasting van de cultuurhistorische, natuurlijke, landschappelijke en aardkundige waarden, indien uit cultuurhistorisch onderzoek als bedoeld in artikel 13.4.3 is gebleken, dat ter plaatse beschermingswaardige aardkundige waarden aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.4.1 Verbod Het is verboden op de in artikel 13.1 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. het aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; d. het aanleggen van bos of boomgaard, danwel het rooien hiervan waarbij stobben worden verwijderd; e. het ophogen, afgraven, vergraven, verzetten, ontgronden, egaliseren, ontginnen en/of diepploegen van gronden; f.

het verwijderen van natuur- en landschapselementen; g. het verwijderen van zandwegen; h. het telen van houtige gewassen in en/of op de grond (containervelden). i. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering; j. het doorbreken, wijzigen en/of verleggen van bestaande wegen, paden en/of andere (infra)structuren; k. het toevoegen van natuur-/landschapselementen en/of kunstwerken die de in artikel 13.1 genoemde aanwezige waarden aan het zicht onttrekken of verstoren, of anderszins schade toebrengen. 13.4.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 13.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, danwel van ondergeschikte betekenis zijn;

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

51

b. die reeds in uitvoering zijn, danwel krachtens een verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken; d. die zijn gericht op de instandhouding, het herstellen en/of instandhouding van gebouwen en terreinen met cultuurhistorische waarden. 13.4.3 Cultuurhistorisch onderzoek De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 kan alleen worden verleend indien uit cultuurhistorisch onderzoek blijkt dat de volgende kwaliteiten in acht worden genomen: a. de beleefde kwaliteit met zichtbaarheid en herkenbaarheid; b. de fysieke kwaliteit met gaafheid of authenticiteit; c. inhoudelijke kwaliteit met als waarderingscriteria zeldzaamheid, informativiteit, samenhangendheid c.q. ensemblewaarde en representativiteit. 13.4.4 Advies Het bevoegd gezag kan advies inwinnen ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag om een vergunning als bedoeld artikel 13.4.1 bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie. 13.5

Wijzigingsbevoegdheid

13.5.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Aardkundige waarde' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen indien op basis van cultuurhistorisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen cultuurhistorische waarden (meer) aanwezig zijn. 13.5.2 Advies Alvorens te beslissen over de wijzigingen als bedoeld in 13.5.1 kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen bij de in de gemeente operationele en ter zake deskundige commissie op het vlak van monumenten, welstand, landschap, archeologie en cultuurhistorie.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

52

Artikel 14 14.1

Waarde - Archeologie 1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 14.2

Bouwregels

14.2.1 Binnen de dubbelbestemming Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. 14.2.2 Binnen de overige bestemmingen Voor het bouwen binnen de andere daar voorkomende bestemmingen zijn de desbetreffende regels behorende bij die bestemmingen van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 100 m² de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde bouwwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. 14.2.3 Uitzonderingen Het indienen van een ingevolge artikel 14.2.2 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

14.2.4 Voorwaarden omgevingsvergunning Indien uit het in artikel 14.2.2 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde bouwwerkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 14.3

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden, indien uit het onderzoek als bedoeld in artikel 14.2.2 of artikel 14.4.3 is gebleken, dat ter plaatse beschermingswaardige archeologische waarden aanwezig zijn. Toepassing van deze bevoegdheid mag niet leiden tot een onevenredige beperking van het meest doelmatige gebruik. 14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 14.4.1 Verbod Het is verboden op de in artikel 14.1 bedoelde gronden de navolgende werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden uit te voeren, te doen of laten uitvoeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

53

a. grondbewerkingen, zoals het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden; b. het slopen van funderingen; c. het aanleggen of verbreden van wegen, paden of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies; f. het aanleggen van bos of boomgaard, dan wel het rooien hiervan waarbij stobben worden verwijderd. 14.4.2 Uitzonderingen op het verbod Het bepaalde in artikel 14.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud, gebruik en/of beheer betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; b. die reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. waarbij de bodemverstoring beperkt is tot maximaal 40 cm onder maaiveld.

14.4.3 Archeologisch onderzoek Indien een omgevingsvergunning vereist is, de bodemverstoring als gevolg van de werken/werkzaamheden dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 100 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde werken/werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. 14.4.4 Uitzonderingen op de onderzoeksplicht Het indienen van een ingevolge artikel 14.4.3 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven, indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd. 14.4.5 Regels omgevingsvergunning Indien uit het in 14.4.3 genoemde rapport blijkt dat archeologische waarden van de gronden door de beoogde werken/werkzaamheden kunnen of zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden verbinden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 14.5

Wijzigingsbevoegdheid

14.5.1 Verwijderen dubbelbestemming Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen door op een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien: a. uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; b. het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan voorziet in bescherming van deze waarden; c. aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn veiliggesteld.

Tracébesluit A2 NL.IMRO.1711.BP20220086-OW01 vastgesteld

54

Artikel 15 15.1

Waarde - Archeologie 3

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden gelegen in droge en natte landschappen met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde; dan wel een provinciaal aandachtsgebied met hoge en/of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. 15.2

Bouwregels

15.2.1 Binnen de dubbelbestemming Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. 15.2.2 Binnen de overige bestemmingen Voor het bouwen binnen de andere daar voorkomende bestemmingen zijn de desbetreffende regels behorende bij die bestemmingen van toepassing, met dien verstande, dat indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen dieper is dan 0,40 meter onder maaiveld én de omvang van de bodemingreep groter is dan 500 m² de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen of zullen worden verstoord naar oordeel het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld of waaruit blijkt dat: a. het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden gewaarborgd of; b. de archeologische waarden door de beoogde bouwwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. 15.2.3 Uitzonderingen Het indienen van een ingevolge artikel 15.2.2 vereist archeologisch onderzoek kan achterwege blijven indien de archeologische waarde of verwachtingswaarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan als een rapport beschouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=7c957c6f-c242-4083-b873-cae2dea81fc0