CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Ruimtelijke onderbouwingvoor een woon-zorgcomplex teSusteren

Gemeenteraad 13 maart 2025, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Woonzorgcomplex Jozefstraat, Susteren32.374 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 4: Luchtfoto plangebied

Figuur 5: Obliekfoto plangebied

17

De onderstaande afbeelding toont de voorzijde (westzijde) van de huidige situatie, gefotografeerd vanaf de T-splitsing van de Jozefstraat met de Patersweg.

Figuur 6: Voorzijde (westzijde) huidige situatie De onderstaande afbeelding toont de zuidelijke zijde van de huidige situatie, gefotografeerd vanaf de kruising van de Tuinstraat met de Spoorstraat.

Figuur 7: Zuidzijde huidige situatie

18

De hoofdingang van de voorgenomen ontwikkeling ligt aan de Jozefstraat. Onderstaande afbeeldingen tonen de Jozefstraat in noordelijke en zuidelijke richting ten opzichte van de hoofdingang.

Figuur 8: Jozefstraat in noordelijke richting

Figuur 9: Jozefstraat in zuidelijke richting

19

Ten noorden van het plangebied ligt de Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangenkerk en het Zuyderland Hospice Mariaveld, zie onderstaande afbeelding.

Figuur 10: Onze-Lieve-Vrouw Onbevlekt Ontvangenkerk (links) en het Zuyderland Hospice Mariaveld (rechts) Ten oosten van het plangebied ligt een fietspad die langs het spoor is gelegen, zie onderstaande afbeelding.

Figuur 11: Fiestpad en spoor ten oosten van het plangebied Ten zuiden en ten westen van het plangebied zijn huizenblokken gelegen die onderdeel uitmaken van de woonkern Susteren, dit is zichtbaar op de luchtfoto van het plangebied (figuur 3).

20

4. Projectbeschrijving 4.1.

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt het bouwplan beschreven voor de realisering van het beoogde woon-zorgcomplex. Het bouwplan voorziet in een tweelaags woongebouw met een voetprint van circa 1500 m². In dit woongebouw worden (in totaal op twee lagen) 32 zelfstandige groepswoningen, 4 zorgwoningen, 3 centrale woonkamer/keuken combinaties, een bijeenkomstruimte voor dagbesteding, en diverse personeelsruimten gerealiseerd. Het gebouw wordt voorzien van een lift. Tevens wordt voorziening in voldoende parkeergelegenheid, een verkeersveilige manier om te laden en lossen en tevens worden de nieuwe ontwikkeling binnen het plangebied op een zorgvuldige manier landschappelijk ingepast.

4.2.

Bouwplan woon-zorgcomplex

Door de initiatiefnemer is een bouwplan vervaardigd voor de ontwikkeling van een nieuw woon-zorgcomplex met daarin ruimte voor 32 zelfstandige groepswoningen, 4 zorgwoningen, 3 centrale woonkamer/keuken combinaties, een bijeenkomstruimte voor dagbesteding en diverse personeelsruimten. In het voorliggende bestemmingsplan wordt het volledige plangebied bestemd tot ‘Maatschappelijk’ (dit is tevens de vigerende bestemming). Voor de realisering van het gebouw wordt op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan een bouwvlak aangeduid met een oppervlakte van circa 2195 m² (zie paragraaf 6.2.2). De hoofdentree van het gebouw bevindt zich aan de westelijke zijde van het gebouw. Ten zuiden van het gebouw worden 18 parkeerplaatsen aangelegd. Meer informatie over het parkeren is opgenomen in paragraaf 4.3 van deze toelichting. Tevens worden binnen het plangebied voorzieningen voor de afwikkeling van het hemelwater gerealiseerd. Meer informatie over de afwikkeling van hemelwater is te vinden in paragraaf 5.1 van deze toelichting. De situatietekening, een plattegrondtekening van de begane grond en eerste verdieping, en tekeningen van de gevelaanzichten, zijn ontworpen door Volantis Architects B.V., onder het nummer 20220473, d.d. 31-08-2023. Onderstaand zijn deze tekeningen weergegeven, tevens zijn de tekeningen als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd.

Figuur 12: Situatietekening

21

Figuur 13: Plattegrondtekening begaande grond

22

Figuur 14: Plattegrondtekening 1e verdieping

23

Figuur 15: Gevelaanzichten buitenzijden

Figuur 16: Gevelaanzichten binnentuin

24

Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen en heeft een maximale bouwhoogte van circa 6,70 meter. De onderstaande 3Dafbeeldingen geven een indicatie van het mogelijke toekomstbeeld:

Figuur 17: 3D-impressie zuidzijde

Figuur 18: 3D-impressie westzijde (Jozefstraat)

25

Figuur 19: 3D-impressie oostzijde

Figuur 20: 3D-impressie zuidwestzijde (Jozefstraat)

26

4.3.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt in de gemeente Echt-Susteren gebruik gemaakt van de CROWparkeernormen. Deze parkeernormen zijn als bijlage opgenomen bij de regels van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’. In deze parkeernormen worden verschillende gebiedstypen, verschillende stedelijkheidsgraden en verschillende categorieën woningen gehanteerd. Bij de parkeerkencijfers voor verpleeg- en verzorgingstehuizen wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende gebiedstypen en stedelijkheidsgraden. Tevens zijn de parkeerkencijfers inclusief parkeren voor personeel, zie onderstaande afbeelding.

Figuur 21: Uitsnede uit CROW-parkeernormen (bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1711.BP20150950-VG02/b_NL.IMRO.1711.BP20150950VG02_rb8.pdf) Zoals in de afbeelding te zien zijn de kencijfers minimaal 0,5 en maximaal 0,7. Voor het plan met 36 woningen, komt dit neer op een minimum van 18 parkeerplaatsen en een maximum van 25,2. Ten zuiden van het nieuwe woongebouw wordt een parkeerstrook aangelegd met 18 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen worden middels een omheining en in- en uitrijstrook volledig van de openbare weg gescheiden. Het betreft parkeerplaatsen die volledig verhard zijn (beklinkerd terrein). Op de situatietekening (figuur 11) in paragraaf 4.2 van deze toelichting is de parkeerstrook weergegeven. Middels het aanleggen van deze strook parkeerplaatsen wordt voldaan aan de CROW-parkeernormen.

4.4.

Landschappelijke inpassing

Met de realisatie van het woon-zorgcomplex staat landschappelijke inpassing centraal, waarbij een deel bestaand groen en bestaande beplanting worden verwijderd. Het streven is echter om zoveel mogelijk bestaand groen te behouden. Op onderstaande overzichtskaart is getoond welke bomen verwijderd worden en welke behouden blijven. Deze kaart, met kenmerk “20220473-040-206-AL 2023-03-07”, is als separate bijlage bij deze toelichting opgenomen.

27

Figuur 22: Overzichtskaart behouden en te verwijderen bomen Ter compensatie van de te verwijderen bomen wordt het groen rondom het woon-zorgcomplex verbeterd ten opzichte van de huidige situatie. Het uitgangspunt is om het groene karakter van de kern Susteren te versterken en de beleving van het gebied te vergroten, terwijl ook de biodiversiteit wordt bevorderd. In de huidige situatie is veelal sprake van wildgroei, in de toekomstige situatie worden bomen, hagen, struiken en grasland doelbewust toegepast. Er wordt gebruik gemaakt van inheemse soorten, die worden afgestemd op het gehele plangebied en de omliggende omgeving. Het plangebied wordt aan de zuid- en westzijde gekenmerkt door een parkachtig karakter. Dit karakter zal worden behouden en versterkt door het continueren van bestaande hagen en grasbegroeiing. Aan de noord- en oostzijde is sprake van een bosachtig karakter. Het huidige bosachtige groen is echter in een verouderde staat doordat er geen sprake is geweest van onderhoud, wat terug te zien is in de uitstraling en wat de kwaliteit vermindert. Met de ontwikkeling van het beoogde woon-zorgcomplex wordt het bestaand groen gerevitaliseerd, wat zal resulteren in een bosrijke omgeving van hoogwaardige kwaliteit die het karakter van het gebied versterkt.

Bovendien wordt in de noordwestelijke hoek, tussen het Zuyderland Hospice Mariaveld en het beoogde woon-zorgcomplex, nieuw parkachtig groen toegevoegd om het parkachtig karakter daar nog verder te versterken. Op onderstaande afbeelding is e.e.a. verduidelijkt.

28

Figuur 23: Landschappelijke inpassing van het plan

4.5.

Duurzaamheid

Duurzaamheidsvisie initiatiefnemer (algemeen) De initiatiefnemer heeft een algemene duurzaamheidsvisie, welke diverse aspecten omvat. Het beginpunt van duurzaamheidsinspanningen is het verduurzamen van zorgvastgoed, zowel nieuw als bestaand. Daarnaast worden bewoners aangemoedigd om duurzamer te wonen, met zowel financiële effecten alsook op het comfort van hun woning. Een bredere visie wordt ontwikkeld met betrekking tot klimaatadaptatie, circulariteit en gasloze woningen, inclusief vervolgstappen. Hierbij wordt actief bijgedragen aan de Warmtetransitievisies van gemeenten. Tot slot is een concrete stap de introductie van de digitale huismeester in 2023. Door middel van monitoring van apparatuur in woningen, zoals zonnepanelen, wordt beoordeeld of deze naar behoren functioneren en het beoogde duurzame effect bereiken. Duurzaamheidsambitie initiatiefnemer (projectspecifiek) In relatie tot onderhavig project is de duurzaamheidsvisie (zoals hierboven beschreven) vertaald in een projectspecifieke duurzaamheidsambitie. Deze duurzaamheidsambitie is gerelateerd aan diverse milieuaspecten, en is onderstaand toegelicht: -

-

-

-

Energie: In basis wordt er voldaan aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen), zoals dit conform de meest recente wetgeving (Bouwbesluit 2012) is vastgelegd. BENG-berekeningen dienen te worden opgesteld om aan te tonen dat het ontwerp voldoet aan dit wettelijk kader. Echter is het streven om te voldoen aan de ENG-eisen (Energie Neutrale Gebouwen); Water: Water dat op verhard terrein (dakoppervlak en bestrating) opgevangen wordt, wordt op eigen terrein geïnfiltreerd (indien benodigd middels een geschikte voorziening). Waar functioneel mogelijk wordt open bestrating toegepast, teneinde de waterhuishouding te optimaliseren alsook hittestress te reduceren; Biodiversiteit: Het streven is om biodiversiteit intact te houden en waar mogelijk zelfs te verbeteren. Concreet betekent dit het toepassen van verschillende plantensoorten, en het bestaande groen opwaarderen. Er moet tevens sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing. Materiaalgebruik gebouw: Bij het materiaalgebruik van gebouwen wordt gestreefd naar een hoge circulariteit/recyclebaarheid, door

29

gebruik van circulaire materialen en een demontabel ontwerp. Daarnaast wordt er gestreefd naar gebruik van gezonde materialen. Het voornemen is om in het ontwerp een houten voorgevel toe te passen. Bovenstaande punten gelden als ambitie en worden bij de nadere planuitwerking concreet uitgewerkt en op haalbaarheid getoetst. Duurzaamheid gebouwconcept Het gebouwconcept is dusdanig ontwikkeld dat er met minimale aanpassingen een transformatie naar een nieuwe functie kan plaatsvinden. De constructieve onderdelen zijn van staal, maar de verdere indeling van de woningen is met lichte, demontabele wanden gerealiseerd (metalstud). Dit maakt het mogelijk om redelijk eenvoudig de indeling van het gebouw aan te passen. Door volwaardige zorgwoningen voor mensen met een zorgbehoefte te maken, is het mogelijk om in dezelfde indeling later reguliere appartementen te realiseren. De leidingkokers, waarin de technische installaties zitten, lopen vanaf de begane grond tot het dak en zitten op strategische plaatsen in de plattegrond (ondergeschikte bouwdelen). Het gebouw is compact ontworpen en heeft hierdoor een goede verhouding tussen de binnenruimtes en de uitwendige scheidingsconstructies wat ertoe leidt dat het warmteverlies (of opwarming in de zomer) geminimaliseerd is. Hierdoor zal er minder verwarmd en/of gekoeld dienen te worden.

Het gebouw wordt gerealiseerd conform de meest recente bouwvoorschriften (nieuwbouw): Het wordt onder andere gasloos gebouwd, en tevens voorzien van een warmtepomp en zonnepanelen. Tevens wordt er gestreefd naar duurzame bouwmaterialen met een hoge losmaakbaarheid, dit vergroot de recyclebaarheid/circulariteit op alle momenten.

30

5. Milieuplanologische aspecten 5.1.

Water

Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027, dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal Waterprogramma 2016-2021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de provincie Limburg de komende periode met haar partners wil bereiken op het gebied van water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. Onderhavig plangebied Voor de onderhavige projectlocatie kent dit beleid geen specifieke uitgangspunten. Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 De gemeente Echt-Susteren valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Op 8 december 2021 heeft het Waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin zijn de Limburgse wateropgaven voor de toekomst bepaald. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor het beheer van het regionale oppervlaktewater in Limburg. elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden.

Met het Waterbeheerprogramma geeft het waterschap richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De verplichting om elke zes jaar een nieuw waterbeheerprogramma vast te stellen is vastgelegd in de (nog niet in werking getreden) Omgevingswet. Het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma hebben dezelfde looptijd en bieden de kaders voor het waterbeheerprogramma. Het Provinciaal Waterprogramma geeft onder andere kaders voor het strategisch grondwaterbeheer, de regionale normering wateroverlast, de functietoekenning voor de oppervlaktewateren en de waterkwaliteitsdoelen voor de KRW-waterlichamen (Kader Richtlijn Water) en de overige wateren. Het Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 geeft hier de regionale invulling aan. Legger en Keur Waterschap Limburg Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende legger als kaart, bijgewerkt tot maart 2019). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur. De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen, watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones.

Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Ten aanzien van dit plangebied zijn er geen aanduidingen op de legger van het waterschap aangegeven. Het beleid van Waterschap Limburg schrijft voor de afhandeling van regenwater de trits ‘opvangen, bergen en infiltreren’ voor. Dit beleid is opgenomen in de Keur van het waterschap. Per 1 april 2019 geldt als norm voor Midden- en NoordLimburg dat 100 mm/dag per m² verhard oppervlak opgevangen dient te worden binnen het plangebied. Deze norm wordt in acht genomen. Afkoppelen hemelwater Het hemelwater in het plangebied dient te worden afgekoppeld. Voor het afkoppelen van het hemelwater heeft het Waterschap Limburg een 8-stappenplan opgesteld. Bij de realisatie van het beoogde woon-zorgcomplex dienen de in het stappenplan opgenomen stappen in acht te worden genomen. Deze voorwaarden worden opgenomen in de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Afkoppelen van hemelwater in 8 stappen: 1.

2.

Circa 10% van het plangebied reserveren voor water a. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of het plangebied nodig is voor de wateropgave van omliggende gebieden, zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd; Rekening houden met hoogteverschillen in het plangebied en omgeving

31

a.

3. 4. 5.

6.

7.

8.

Voorkomen dat wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom; Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand a. Input voor het ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen; Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit a. Schoonhouden, scheiden, zuiveren; Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit a. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool; Toepassen van voorkeurstabel afkoppelen a. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen; Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord-Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard, met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur a. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren; Beheer en onderhoud regelen a. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

Onderhavig plangebied Door bureau Geonius is ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek, met kenmerk “GA230402.R01.V1.0_Infiltratieonderzoek”, d.d. 28-09-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Het onderzoek bevat de resultaten van het infiltratieonderzoek en het infiltratieadvies, alsook een beschouwing van de huidige en toekomstige situatie. Er is gekozen voor infiltratiekratten als infiltratievoorziening. De resultaten van het infiltratieonderzoek en de waterbalans zijn getoetst aan de beleidseisen van de Keur van het Waterschap Limburg. Om te garanderen dat de infiltratievoorziening voldoende snel ledigt en in staat is een volgende bui te verwerken (>24 uur) is een vertraagde afvoer richting oppervlaktewater (of indirect via HWA-riolering) noodzakelijk. Om het systeem binnen 24 uur te ledigen is een vertraagde afvoer nodig van 10 l/s/ha.

5.2.

Ecologie en stikstof

In paragraaf 2.1 van deze ruimtelijke onderbouwing is het wettelijke kader aangegeven van de Wet natuurbescherming. Daarbij is onderscheid gemaakt in soortenbescherming en gebiedsbescherming. Door voorafgaand aan een (bouw)project of ruimtelijke ontwikkeling rekening te houden met het eventueel voorkomen van beschermde en/of zeldzame planten- en diersoorten kan effectief worden omgegaan met de aanwezigheid van een beschermde soort. Onderhavig plan Soortenbescherming Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is door bureau Geonius een quickscan Flora en fauna uitgevoerd, waarin soortenbescherming aan bod komt. Het onderzoek, met kenmerk “EA230040.R01.V2.0 Qs Wnb Jozefstraat Susteren”, d.d. 13-11-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Uit de quickscan is gebleken dat het plangebied functies biedt voor de volgende beschermde soorten: Broedvogels met en zonder een jaarrond beschermd nest Gebouw- en boombewonende vleermuizen Eekhoorn, konijn, vos, steenmarter, bunzing, kleine marterachtigen en kleine grondgebonden zoogdieren als diverse muizensoorten Boomkikker en algemeen voorkomende amfibieën Levendbarende hagedis en hazelworm Grote vos en Iepenpage Door de voorgenomen ingreep leidt dit tot negatieve effecten en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb.

Deze negatieve effecten zijn voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest, gebouwbewonende vleermuizen, konijn, vos en kleine grondgebonden zoogdieren en algemeen voorkomende amfibieën te mitigeren. De mogelijke negatieve effecten voor broedvogel met een jaarrond beschermd nest, boombewonende vleermuizen,

32

eekhoorn, steenmarter, boomkikker, levendbarende hagedis, hazelworm, grote vos en iepenpage zijn niet volledig te mitigeren. Er is nader onderzoek benodigd om de aanwezigheid van verblijfplaatsen en of functies van deze soorten in het plangebied in beeld te brengen. Dit onderzoek is uitgevoerd vóór de vaststelling van het plan door de Raad. Dit onderzoek is namelijk noodzakelijk om vast te kunnen stellen dat het soortenbeschermingsregime uit de Wnb de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg staat. Door Geonius is een vervolgonderzoek inclusief mitigatieplan uitgevoerd. Dit onderzoek, met kenmerk “EB230040.R02.V2.0 Natuurtoets+Mitigatieplan Daelzicht, Jozefstraat Susteren”, d.d. 29-11-2024, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Uit het onderzoek blijkt het volgende: De voorgenomen ingreep kan door de aanwezigheid van rosse vleermuis en gewone dwergvleermuis leiden tot schadelijke handelingen zoals genoemd in Artikel 11.46, lid d uit het Bal. Deze overtreding is niet te voorkomen met maatregelen. De voorgenomen ingreep is hiermee vergunning plichtig in het kader van de Omgevingswet onderdeel soortenbescherming. Onderdeel van deze vergunningaanvraag is een onderbouwing van de belangen en een mitigatieplan.

In dit plan zijn de maatregelen uitgewerkt die ervoor zorgen dat er voorafgaand tijdens en na de werkzaamheden afdoende habitat voorhanden is en nadelige gevolgen zoveel als mogelijk voorkomen worden. Gebiedsbescherming (stikstofdepositie) Het plangebied maakt geen onderdeel van een Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura2000-gebieden zijn ‘Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop' op circa 4,2 km ten noordoosten, en ‘Grensmaas’ op circa 4,3 km ten westen. Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is door Volantis een stikstofdepositieonderzoek met een AERIUS- berekening uitgevoerd. Het onderzoek, met kenmerk 20230304-072-RA001_C_Stikstofdepositieberekening, d.d. 15-11-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de stikstofdepositiebijdrage, als gevolg van de realisatie en het gebruik van het woon-zorgcomplex te Susteren, ter plaatse van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden maximaal 0,00 mol/ha/jaar betreft. Hiermee wordt voldaan aan het wettelijk kader en is een Wnb-vergunning, in het kader van stikstofdepositie, niet noodzakelijk. Aangetoond is dat als gevolg van het plan geen toename van stikstofdepositie te verwachten is op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

Dit betekent dat significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten. De instandhoudings- doelstellingen van de Natura 2000gebieden worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast.

5.3.

Geluid

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder maar daarnaast ook in de Wet ruimtelijke ordening wanneer het gaat om de beoordeling of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid kent voor een aantal bestemmingen (zoals wonen) in combinatie met een aantal typen geluidbronnen een wettelijk kader dat van belang is bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidsbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel noodzaken tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Onderhavig plan Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is door Volantis een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek, met kenmerk 20230304-071-RA-001_C_Akoestisch onderzoek, d.d. 2-11-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. In het onderzoek is gekeken naar de gevelgeluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai.

Daarnaast is de geluidimmissie ten gevolge van de representatieve bedrijfssituatie van de beoogde nieuwbouw ter plaatse van woningen beoordeeld op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ plus het Activiteitenbesluit. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels uit de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai’ van 1999 (HMRI 1999). Uit de toetsing van de berekeningsresultaten aan het toetsingskader van de VNG-publicatie en het Activiteitenbesluit volgt dat:

33

-

De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus voldoen aan het toetsingskader; De maximale geluidniveaus voldoen aan het toetsingskader; De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus als gevolg van indirecte hinder voldoen aan het toetsingskader; De inrichting voldoet aan het BBT-principe en de geluidimmissie is binnen redelijkheid niet verder te reduceren.

Het beschouwde plan is niet gesitueerd in de directe nabijheid van een zoneplichtige weg. Derhalve is toetsing aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai volgens de Wet geluidhinder niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is evenwel toch de gevelgeluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op de nabijgelegen 30 km/uur wegen bepaald. Voor railverkeerslawaai geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 53 dB Lden wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 68 dB Lden wordt niet overschreden. Er wordt geadviseerd een hogere grenswaarde aan te vragen. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek naar de gevelgeluidbelasting blijkt dat de hoogst optredende volgens Miedema gecumuleerde gevelbelasting 56 dB bedraagt als gevolg van weg- en railverkeerslawaai. Om een binnenniveau van 33 dB conform afdeling 3.1, artikel 3.3 van het Bouwbesluit te kunnen waarborgen dient de karakteristieke gevelgeluidwering GA;K maximaal 29 dB te zijn.

5.4.

Bodem

Voorafgaand aan het volgen van een ruimtelijke procedure dient te worden nagegaan of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik. Het belangrijkste uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreinigingen geen onaanvaardbare risico’s opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Onderhavig plan Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige plan is door Geonius een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van het voorliggende bestemmingsplan is geborgd dat de gronden pas voor de beoogde maatschappelijke functie mogen worden gebruikt wanneer uit een verkennend bodemonderzoek is gebleken dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde maatschappelijke functie. Het onderzoek, met kenmerk MA230189.R01.V1.0_bodemonderzoek, d.d. 30-09-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Bij de monstername is in eerste instantie een sterke verontreiniging met koper aangetroffen in de bovengrond. Derhalve is dit mengmonster in het laboratorium uitgesplitst. Na uitsplitsing van het mengmonster blijkt er geen verhoogd gehalte meer te worden aangetoond. Dit kan uitzonderlijk voorkomen. Het kan bijvoorbeeld een uitschieter in het laboratorium zijn geweest, waardoor het na heranalyse niet meer wordt aangetroffen.

Dit resulteert in een positief resultaat: De bodem is niet verontreinigd; Het grondwater is licht verontreinigd; Er zijn geen belemmeringen voor het huidige en geplande gebruik van de locatie.

5.5.

Externe veiligheid

Risicobenadering externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving als gevolg van gebruik en opslag van gevaarlijke stoffen bij bedrijven, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en door buisleidingen. De risicobenadering externe veiligheid kent twee begrippen om het risiconiveau van transport en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in relatie tot de omgeving aan te geven. Deze begrippen zijn het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats in de omgeving van een transportroute of inrichting bevindt, overlijdt door een ongeval met het transport van gevaarlijke stoffen op die route of binnen die inrichting. Plaatsen met een gelijk risico kunnen door zogenaamde risicocontouren op een kaart worden weergegeven. Voor nieuwe situaties is voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) de grenswaarde voor het PR gesteld op een niveau van 10¯6/jr. Voor beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld bedrijven) is dit een richtwaarde. Het GR geeft aan wat de kans is op een ongeval met tien of meer dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde transportroute of inrichting. Het aantal personen dat in de omgeving van de route of inrichting verblijft, bepaalt daardoor mede de hoogte van het GR.

Wet- en regelgeving Externe veiligheid risicovolle bedrijven

34

Bij de beoordeling van de risico's voor de externe veiligheid worden de normen voor het PR en GR gehanteerd, zoals vastgelegd in het Besluit externe veiligheid voor inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid voor inrichtingen (Revi). Bij de besluitvorming dient het bevoegd gezag een verandering van het GR te verantwoorden. Het gebied waarbinnen de verantwoordingsplicht van toepassing is voor categoriale inrichtingen (zoals LPG tankstations) is wettelijk vastgelegd in het Revi. Transport van gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is op 1 januari 2010 een circulaire gepubliceerd voor de risiconormering voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen). Deze Circulaire is in juli 2012 gewijzigd in verband met Basisnet Spoor en enige andere aanpassingen (Stc. 2012-14687, d.d. 20.07.2012). Voor de risico's als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of waterweg wordt in navolging van het Bevi gewerkt aan een Besluit externe veiligheid voor transportroutes. Met betrekking tot veiligheidsaspecten van transport over de weg, het water en het spoor, wordt momenteel beleid geformuleerd in het kader van het Basisnet Weg, Basisnet Water en Basisnet Spoor.

Het definitieve ontwerp voor het Basisnet Water is inmiddels aangeboden aan de Tweede Kamer. Hieruit blijkt dat bij zelfs een zeer extreme groei van het transport, er nagenoeg nergens een 10-6 contour op de oever terecht komt en er ook geen overschrijdingen van de oriëntatiewaarde voor het GR optreden. Wel is er een extra veiligheidsambitie gesteld. Voor het meest voorkomende transport (brandbare vloeistoffen LF1/LF2) wordt hiermee rekening gehouden door plasbrandaandachtsgebieden vast te stellen. Het definitieve ontwerp voor het Basisnet Weg is tevens aangeboden aan de Tweede Kamer. Wat betreft het Basisnet Spoor is een stand van zaken aangeboden aan de Tweede Kamer. Voor het Basisnet Spoor lopen nog diverse discussies tussen belanghebbende partijen over de te hanteren uitgangspunten. Externe veiligheid buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) in werking getreden. In dit besluit worden in lijn met het Bevi normen gesteld aan het PR en het GR voor buisleidingen.

Externe veiligheid hoogspanningskabels In het advies met betrekking tot hoogspanningslijnen van de Staatsecretaris van VROM is aangegeven dat, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (µT), de magneetveldzone. Binnen deze 0,4 µT zone wordt geadviseerd geen nieuwe gevoelige bestemmingen (woningen, scholen, kinderopvangplaatsen) te realiseren. Onderhavig plan Voor het onderhavig plan is externe veiligheid één van de belangrijkste milieuaspecten, dit in verband met de nabijgelegen spoorbaan Sittard-Roermond ten oosten, die gebruikt wordt voor transport van gevaarlijke stoffen. Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige bouwplan is, in het kader van het creëren van een veilige woon- en leefomgeving in relatie tot de nabijgelegen spoorbaan, door bureau WSP in Nederland een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek, met kenmerk SLM023638-NOT-001.AC.RL, d.d. 05-04-2023, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Dit onderzoek is ter advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN). Deze heeft op 19 juni jl. geadviseerd over het plan.

Dit adviesrapport, met kenmerk Adviesrapport VRLN_2023-027247, is als separate bijlage bij het dossier bijgevoegd. Onderstaand zijn de voorgestelde adviesmaatregelen weergegeven, welke zullen worden uitgevoerd tijdens de realisatiefase van het plan: 1.

2.

3.

4.

Voer de beglazing uit conform klasse P2A van de NEN 356. Door overdruk ten gevolge van een BLEVE kan er glasbreuk optreden. Het scherfwerend uitvoeren van de beglazing verkleint de kans op letsel bij personen en vergroot hierdoor de zelfredzaamheid. Borgen in de omgevingsvergunning voor bouwen. Ontwerp de sterkte van de constructie, kozijnen en glasbezetting op basis van de hoogste klasse I voor windbelasting. Het gebouw biedt dan optimaal bescherming tegen een overdruk als gevolg van een BLEVE (explosie) op het spoor. Voer de buitenzijde van de constructiematerialen van gevels van het zorgcentrum uit in brandklasse A of B. Hierdoor wordt het risico verlaagt op overslag van brand door warmtestraling van een plasbrand of BLEVE op het spoor. Borgen in de omgevingsvergunning voor bouwen. De mechanische ventilatie moet met een druk op een knop snel kunnen worden afgeschakeld door de BHV. Het uitschakelen van de mechanische ventilatie voorkomt dat er toxische gassen het zorgcentrum binnendringen als het gebouw is gelegen in een toxische gaswolk. Borgen in de omgevingsvergunning voor bouwen.

35

5. 6.

7. 8.

5.6.

Realiseer aan de westzijde van het zorgcentrum extra vluchtroutes, waardoor snel in tegenovergestelde richting van het spoor (van de risicobron af) kan worden gevlucht. Borgen in omgevingsvergunning voor bouwen. De BHV en zorgmedewerkers bereiden zich voor op de ongevalscenario’s met gevaarlijke stoffen op het spoor. Indien het gebouw onvoldoende bescherming voor veilig schuilen biedt, moeten de BHV en zorgmedewerkers het ontruimingsproces ondersteunen. Ontruiming vindt plaats van de risicobron af. Stel een ontruimingsplan op waarin is opgenomen dat men in tegengestelde richting (in westelijke richting) van de risicobron af dient te vluchten bij een ongeval met gevaarlijke stoffen op het spoor. Informeer de gebruikers over de risico’s van een ongeval met gevaarlijke stoffen op het spoor (risicocommunicatie). Communiceer het juiste handelingsperspectief (schuilen of vluchten) bij een ongevalscenario en de veilige vluchtroutes van de risicobron af bij een ontruiming van het gebouw.

Luchtkwaliteit

In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer is titel 2 luchtkwaliteitseisen opgenomen (ook ‘Wet luchtkwaliteit’ genoemd). Gelijktijdig zijn de volgende besluiten en regelingen van kracht: het besluit ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM), de regeling ‘Niet in betekenende mate’ (NIBM), de regeling ‘Beoordeling luchtkwaliteit 2007 en de regeling ‘Projectsaldering luchtkwaliteit 2007’. Deze wet- en regelgeving omvat maatregelen om zowel de uitstoot van schadelijke stoffen te beperken en te voorkomen dat mensen langdurig worden blootgesteld aan verontreiniging. Besluit gevoelige bestemmingen Conform artikel 5.16a van de ‘Wet luchtkwaliteit’ kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur nog nadere regels worden gesteld om te voorkomen dat bij een (dreigende) overschrijding van één of meerdere grenswaarde(n) projecten doorgang vinden die ertoe leiden dat het aantal blootgestelden met een verhoogde gevoeligheid toeneemt. Dit Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) beperkt de mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen uit te voeren in overschrijdingssituaties voor zogenaamde ‘gevoelige bestemmingen’. Tot die gevoelige bestemmingen worden scholen, kinderopvang en bejaarden-, verpleeg- of verzorgingshuizen gerekend. Het voorliggende plan behoort niet tot deze gevoelige bestemmingen, waardoor het Besluit gevoelige bestemmingen op dit bouwplan niet van toepassing is.

Niet in betekenende mate (NIBM) In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Concreet houdt dit in dat bijvoorbeeld ontwikkelingen kleiner dan of gelijk aan 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Ook voor andere ruimtelijke initiatieven is aangegeven wanneer deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te voldoen aan het geschetste luchtkwaliteitskader. Onderhavig plan Ter voorbereiding op de realisering van het onderhavige plan is de NIBM-monitoringstool ingevuld met de voertuigbewegingen inclusief aandeel vrachtverkeer. Zie onderstaand.

36

Uit deze figuur blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden. De bijdrage is daarmee Niet In Betekende Mate.

5.7.

Archeologie en cultuurhistorie

Sinds 1 juni 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. Het betreft zowel het roerend als het onroerend erfgoed. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de zorg voor ons bodemarchief en zijn de vertaling van het Verdrag van Malta, dat Nederland in 1992 ondertekende. De essentie van deze wetgeving is dat waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem behouden blijven. Het uitgangspunt is dat archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Als het niet mogelijk is de archeologische waarden te behouden en het bodemarchief verstoord raakt, moet de veroorzaker de kosten voor zijn rekening nemen die nodig zijn om de archeologische informatie die in de bodem ligt opgeslagen, veilig te stellen en de resultaten uit te werken. Onderhavig plan Archeologie Het onderhavige plangebied is in het vigerende bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied’ voor een klein deel (op het oostelijke deel van het perceel) voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Een klein deel van het woon-zorgcomplex raakt de archeologische zone, alsmede een deel van de parkeerplaatsen. Echter, de ingreep in de bodem ligt ruim onder de 500 m2.

Een archeologisch onderzoek, zoals benoemd in artikel 32.2 van het bestemmingsplan, is derhalve niet aan de orde (Bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1711.BP20150950VG02/r_NL.IMRO.1711.BP20150950-VG02.html#_32_Waarde-Archeologie3). In onderstaande figuur is het bouwplan inclusief de zone met de archeologische dubbelbestemming weergegeven.

37

Figuur 24: Plattegrondtekening met de archeologische dubbelstemming in rood weergegeven Cultuurhistorie In het ter plaatse vigerende facetbestemmingsplan ‘Cultuurhistorie Echt-Susteren’ is het onderhavige plangebied voorzien van een dubbelbestemming ‘waarde – cultuurhistorie’ ten behoeve van de bescherming van cultuurhistorische waarden. In de regels van deze dubbelbestemming wordt in artikel 5.1.2 verwezen naar Bijlage 19 Cultuurhistorisch ensemble Mariaveld Stationsstraat. Uit de toelichting in de bijlage blijkt dat de cultuurhistorische waarde van de wijk vooral schuilt in de stedenbouwkundige opzet van kruisende wegen, waarbij de Vincentiuslaan geprojecteerd is op de monumentale kerk met het klooster. De waarde van de wijk als een geheel betreft hoofdzakelijk het feit dat het om linten gaat van in bouwmassa en opzet min of meer gelijkaardige, maar in architectuur verschillende panden uit uiteenlopende periode, maar met een sterke nadruk op de jaren ’20, toen de basis voor de wijk werd gelegd. (Bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1711.BP20150990-VG01/b_NL.IMRO.1711.BP20150990VG01_rb19.pdf). Bij het ontwerp van het woon-zorgcomplex is rekening gehouden met inpassing, waarbij gekeken is naar omliggende bebouwing (o.a. massa en verschijningsvorm).

Tevens wordt de welstandsnota gehanteerd (deze is getoond in het principeverzoek), waarbij diverse aspecten genoemd worden die terug dienen te komen in het ontwerp. Aspecten zijn onder andere:

38

-

Parkachtig karakter behouden; Structuur afstemmen op bestaande structuur van het rijksmonument; In massa en hoogte ondergeschikt maken aan rijksmonument; Verticale gevelgeleding relateren aan het rijksmonument;

Wanneer het definitieve ontwerp gereed is, wordt de welstandcommissie om een advies verzocht. Dit advies wordt verwerkt in het ontwerp. Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de realisering van het onderhavige plan.

5.8.

Milieuzonering

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gesitueerd die een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied kunnen belemmeren. Direct ten oosten van het plangebied is een spoorweg gelegen. In het kader van de milieuzonering zijn voor deze functie de aspecten geluid en externe veiligheid maatgevend. Middels een akoestisch onderzoek is onder andere voor het aspect ‘railverkeerlawaai’ aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. (zie paragraaf 5.3 van deze toelichting). Daarnaast is met een onderzoek externe veiligheid aangetoond met inachtname van welke maatregelen een veilige situatie gewaarborgd is. Het aspect milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor de realisering van het plan.

5.9.

Overige milieuhinder

Trillingshinder Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening is het voor het bestemmingsplan van belang om aandacht te hebben voor eventuele trillingshinder, gelet op de nabijheid van het spoor. Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect trillingshinder, nadere eisen stellen aan het bouwplan om te voorkomen dat trillingshinder optreedt voor de toekomstige gebouwfuncties. In juli 2019 is door het Rijk de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen gepubliceerd. Indien er onvoldoende rekening wordt gehouden met trillingen van het spoorverkeer kan dat in de toekomst gevolgen hebben voor de gezondheid van bewoners en gebruikers van bedrijfsruimten. In de handreiking wordt voor verschillende situaties aangegeven hoe er kan worden omgegaan met de trillingshinder, bijvoorbeeld door gebouwen zodanig te ontwikkelen dat de eindgebruiker er zo min mogelijk last van heeft. Voor het beoordelen van trillingen op het risico van gebouwschade, hinder voor personen in gebouwen of verstoring van apparatuur/processen, heeft de Stichting Bouwresearch de SBR-richtlijn 'Trillingen' uitgegeven. De richtlijn heeft geen wettelijke status, maar heeft mede door jurisprudentie een ruim draagvlak opgebouwd en wordt geïnterpreteerd als de meest recente stand der inzichten. Deze richtlijn bestaat uit de volgende drie delen: SBR-A: Schade aan gebouwen, uitgave 2017.

SBR-B: Hinder voor personen in gebouwen, uitgave 2002. SBR-C: Storing aan apparatuur, uitgave 2002. Het plangebied ligt naast het spoor en er is kans dat trillingshinder optreedt voor de toekomstige bewoners en gebruikers van het nieuwe gebouw dat het bestemmingsplan mogelijk maakt. De SBR-richtlijn hanteert streefwaardes die afhangen van de toekomstige gebouwfunctie. Bij de nieuwbouw zal rekening moeten worden gehouden met deze streefwaarden. Wanneer uit onderzoek blijkt dat het trillingsniveau hoger is dan de streefwaarde, zijn bouwkundige maatregelen of overdrachtsmaatregelen mogelijk, zoals het aanbrengen van een stijve(re) fundering, een trillingsarm gebouwontwerp of een ingreep in de bodem tussen het spoor en het gebouw. Deze zaken dienen in de vergunningsfase te worden beoordeeld. Zodoende is in de regels van het bestemmingsplan opgenomen dat Burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen aan het bouwplan om te voorkomen dat trillingsniveaus optreden voor de toekomstige gebouwfuncties die hoger zijn dan de streefwaarden uit de SBR-richtlijn 'Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen' (zie regels, art. 3.3.2 Bescherming tegen trillingshinder). Lichthinder Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een lichthindergevoelige functie. In de nabije omgeving zijn echter geen objecten gelegen die lichthinder kunnen veroorzaken.

Geurhinder Het initiatief betreft de realisering van een woon-zorgcomplex. Dit is een geurgevoelige functie. In de directe omgeving is geen sprake van een inrichting met een geurcontour. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het plan veroorzaakt zelf ook geen geurhinder voor naastgelegen functies.

39

5.10.

Kabels en leidingen

Aangrenzend aan of in het plangebied zijn geen kabels en/of leidingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. Ook reiken geen beschermingszones van in de omgeving gelegen leidingen tot in het plangebied.

5.11.

Besluit m.e.r.

In bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten plan-m.e.r.plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Onder de drempelwaarden van de D-lijst kan volstaan worden met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Dit project kan worden ondergebracht in categorie 11.2 van de D-lijst: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ De (relevante) drempelwaarde van categorie 11.2 ziet toe op gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.

Een oppervlakte van 100 hectare of meer; Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Onderhavig plan Het voorliggende plan voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject met een voetprint/oppervlakte van circa 1.500 m² (circa 0,15 hectare) en 36 woningen. Hiermee wordt de drempelwaarde zoals vastgelegd onder categorie 11.2 van de Dlijst niet overschreden. Aangezien de activiteit onder de drempelwaarden van 11.2 van de D-lijst blijft dient voor de voorgenomen activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Omdat hier sprake is van ‘vormvrij’, dient deze ruimtelijke onderbouwing, met de beoordeling van milieuaspecten in hoofdstuk 5, tevens als vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden beschouwd. Het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Echt-Susteren, moet beoordelen of bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden waarvoor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Het besluit op de vormvrije m.e.r-beoordeling dient voor aanvang van de procedure te worden vastgesteld door het bevoegd gezag.

40

6. Het bestemmingsplan 6.1.

Feitelijke planopzet

In de voorgaande hoofdstukken van deze toelichting zijn de aan dit bestemmingsplan ten grondslag liggende beleidsuitgangspunten en de verschillende omgevings- en milieuaspecten weergegeven. Een en ander is vertaald in de regels van dit plan. Deze regels voldoen aan de eisen volgend uit de Wro en de Wabo. Dit hoofdstuk bevat een toelichting op deze regels. Het voorliggend bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken van de nieuwbouw van een woonzorgcomplex. Hiertoe wordt op de locatie bestaand groen en beplanting verwijderd en wordt een bouwvlak toegevoegd aan de huidige bestemming ‘Maatschappelijk’.

6.2. 6.2.1.

Juridische planopzet Planvorm

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding bestemmingen en daarop betrekking hebbende regels de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden. De juridische regeling is opgebouwd conform de SVBP2012, de landelijke standaard voor het vervaardigen van bestemmingsplannen, die bij de invoering van het nieuwe Bro als verplichte opbouw is opgenomen. Het bestemmingsplan ‘Woon-zorgcomplex Jozefstraat te Susteren’ bestaat formeel uit een verbeelding en regels. Deze gaan vergezeld van een toelichting waarin het plan en de daaraan ten grondslag liggende beleidsmatige afwegingen zijn verwoord. De indeling van de regels is hierna beknopt en artikelsgewijs beschreven. De planvorm betreft een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan IDN is NL.IMRO.1711.BP20230515-VG01.

6.2.2.

Verbeelding

De verbeelding is getekend op een BGT-ondergrond, schaal 1:500. Voor de benaming, kleur en vorm van de bestemmingen en aanduidingen zijn de richtlijnen voor digitalisering en standaardisering van bestemmingsplannen (SVBP2012) overgenomen. Op onderstaande afbeelding is de verbeelding weergegeven. Deze verbeelding is tevens als separate bijlage bijgevoegd onder het kenmerk “20220743-040-200-AL_A 2024-02-22”.

Figuur 25: Verbeelding behorende bij het bestemmingsplan

41

6.2.3.

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. Artikel 1 bevat de definities van begrippen die van belang zijn voor toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de regels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaardbegrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied beoogde functies. Per bestemmingsregel zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder voorafgaande afwijking of wijziging) toegestaan. Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) kan hiervoor vanuit bestemmingsplantechnisch oogpunt een omgevingsvergunning worden verleend. Hoofdstuk 3 Algemene regels De algemene regels van het bestemmingsplan gelden voor het gehele plangebied. Hier zijn onder meer de algemene gebruiks- en afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Ook zijn hier de zoneringen die vanuit milieuwetgeving op kaart gezet moeten worden opgenomen. In het voorliggende bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied‘ opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is bepaald dat bouwwerken, die op het moment van de tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is dit in strijd met de bouwregels. Het gebruik van gronden en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag worden gehandhaafd. Dit overgangsrecht komt voort uit artikel 3.2.1 van het Bro en is een verplicht onderdeel van de regels. In de slotregel wordt aangegeven onder welke naam de planregels kunnen worden aangehaald.

6.2.4.

Beschrijving van de bestemmingen

In het navolgende worden de in hoofdstuk 2 van de planregels opgenomen bestemmingsregels kort toegelicht. Deze regels zijn in lijn met de vigerende bestemming ‘maatschappelijk’ in het vigerende bestemmingsplan, met als aanvulling een bouwvlak. Artikel 3: enkelbestemming ‘Maatschappelijk’ De bestemming ‘Maatschappelijk’ is toegekend aan het volledige plangebied. Op de verbeelding is een bouwvlak opgenomen, dat volledig mag worden bebouwd. Het bouwvlak is voorzien van de bouwaanduiding ‘gestapeld’ [gs]. Ter plaatse van deze aanduiding zijn 32 zelfstandige groepswoningen, 4 zorgwoningen, 3 centrale woonkamer/keuken combinaties, een bijeenkomstruimte voor dagbesteding en personeelsruimten toegestaan. Binnen deze bestemming zijn tevens de functies gezondheidszorg, bij de bestemming behorende multifunctionele vergader-/ kantoor- en opslagruimten, duurzaam bodem- en waterbeheer, verhardingen, groenvoorzieningen, straatmeubilair, terrassen, in- en uitritten en nutsvoorzieningen toegestaan. Parkeren is toegestaan ter plaatse van de parkeerplaatsen zoals deze zijn aangeduid op de tekeningen van Volantis Architects B.V. De bouwhoogte van het gebouw (woon-zorgcomplex) mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)’.

In het onderhavige geval is een maximale bouwhoogte van 7 meter op de verbeelding opgenomen. Het bouwen van bijbehorende bouwwerken is toegestaan tot een maximale oppervlakte van 100 m² waarbij de goot- en bouwhoogte maximaal 3,50 respectievelijk 7,00 meter mag bedragen. Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is wel toegestaan, zowel binnen als buiten het bouwvlak. Hierbij geldt dat deze maximaal 10,00 meter hoog mogen zijn, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen. Deze mogen maximaal 2,00 meter hoog zijn en vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1,00 meter hoog. Overkappingen mogen maximaal 4,50 meter hoog zijn en nutsvoorzieningen en vlaggenmasten en lichtmasten mogen maximaal 8,00 meter hoog zijn.

42

7. Financiële uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 6.2.1 een opsomming gegeven van de bouwplannen die worden beschouwd als bouwplan in de zin van 6.12 Wro waarvoor een exploitatieplan dient te worden vastgesteld indien het kostenverhaal niet anderszins is geregeld (dat wil zeggen indien men geen anterieure privaatrechtelijke overeenkomst heeft kunnen sluiten met de ontwikkelende partij). In deze lijst is onder 6.2.1 sub a en b aangegeven dat het bouwen van één of meer woningen of andere hoofdgebouwen wordt gezien als een bouwplan. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Echt-Susteren is een anterieure overeenkomst gesloten. Hiermee wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

43

8. Handhavingsparagraaf Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de regels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Hoe minder knellend de regels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien.

In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van Burgemeester en Wethouders geen bouwvergunning verlenen. Gebruiksregels worden opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeente dient in de eerste plaats zelf haar regels na te leven en vervolgens dient de gemeente er zorg voor te dragen dat anderen deze regels naleven.

44

9. Communicatieparagraaf 9.1.

Omgevingsdialoog

De initiatiefnemer van het voorliggende plan heeft op 21-11-2023 een informatieavond georganiseerd. Tijdens deze informatieavond zijn omwonenden en andere belanghebbenden geïnformeerd over het beoogde initiatief. Een verslag van deze informatieavond is als separate bijlage (kenmerk “20231121 Verslag Omgevingsdialoog Daelzicht Jozefstraat Susteren) bij deze toelichting opgenomen.

9.2.

Wettelijk vooroverleg instanties ex art. 3.1.1 Bro

Het plan is tijdens de zienswijze periode tevens voorgelegd aan de betrokken instanties, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het plan is voorgelegd aan het Waterschap Limburg en de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Dit heeft niet tot een inhoudelijke reactie geleid.

9.3.

Zienswijzen ex art. 3.8 Wro

Procedure De procedure van het bestemmingsplan is vastgelegd in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Gedurende deze procedure kan eenieder binnen de termijn van terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan naar keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan indienen. Het ontwerp heeft met ingang van 23-11-2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Een ieder is hiermee in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze(n) in te brengen. Er zijn twee zienswijzen ingebracht; één door een omwonende en één door ProRail. De afhandeling van deze zienswijzen is opgenomen in het zienswijzenverslag met kenmerk “Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen”, dat als separate bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijze van ProRail is het plan op enkele punten nog aangepast. Op 13-03-2025 is het bestemmingsplan vastgesteld.

45

slaapka 10 m 2 mer apparte 19 m 2 ment apparte 19 m 2 ment slaapka 10 m 2 mer slaapka 10 m 2 mer

apparte 19 m 2 ment

slaapka 10 m 2 mer

wm/d

verkeers 95 m 2 ruimte

apparte 19 m 2 ment

badkam er 5 m2

r

badkam er 5 m2

apparte 19 m 2 ment bergin 2 m2 g wm/d

aansl. kt+afz

3.1 opslag 15 m 2 wk/k

kk

/keuke

n

apparte 20 m 2 ment

aansl. kt+afz

wm/d

bergin 2 m2 g

kk

central 76 m 2 e woonka mer

r

bergin 2 m2 g

r

badkam er 5 m2

wm/d wm/d

badkam er 5 m2

apparte 19 m 2 ment

r

aansl. kt+afz kk

kk

r wm/d

bergin 2 m2 g

badkam er 5 m2

3.5 MK 2 m2

3.3 opslag 10 m 2 vuil linn en entree 56 m 2

bergin 6 m 2 g facilitai r

wm

bergin 2 m2 g

slaapka 10 m 2 mer

badkam er 5 m2

ussen postb

badkam er 5 m2

slaapka 10 m 2 mer

3.3 opslag 10 m 2 schoon linnen

EE GROE PSWO NING EN

r

apparte 19 m 2 ment

ENTR

4.4 slaapwa 12 m 2 chtruim te dr

RENVOOI:

3.5 toilette 8 m 2 n person eel

tillift/ douche 5 m 2 stoel

3.5

miva 4 m2

logeerk 15 m 2 amer

badkam er 5 m2

ENTR EE

techniek 18 m 2 patch 5 m2

toilet 7 m2

bestaande boom

KK

bergin 7 m 2 g dagbes ted

ing slaapka 10 m 2 mer

dagbes 317 2 teding m

apparte 19 m 2 ment apparte 19 m 2 ment slaapka 10 m 2 mer

kk

kk

bergin 2 m2 g wm/d

r

kt + afz

badkam er 5 m2

aansl. vw

kt + afz

2

VR

miva 4m

aansl. vw

bergin 2 m2 g

verkeers 36 m 2 ruimte

r

bergin 2 m2 g

wm/d

badkam er 5 m2

r

kt + afz

aansl. vw

wm/d

r

kk

slaapka 10 m 2 mer

aansl. vw kt + afz

wm/d

badkam er 5 m2

bergin 2 m2 g

kk

ENTR EE

wm/d

bergin 2 m2 g

apparte 19 m 2 ment

kast 5 m2

person 13 m 2 eelsruim te

badkam er 5 m2

r

bergin 2 m2 g

slaapka 10 m 2 mer slaapka 10 m 2 mer

lift 5 m2

slaapka 10 m 2 mer

kk

apparte 20 m 2 ment

slaapka 10 m 2 mer

bergin 2 m2 g

3.5 poetska st 5 m2

kk

kk

r

aansl. kt+afz

wm/d

aansl. kt+afz

bergin 2 m2 g

aansl. kt+afz

aansl. kt+afz

badkam er 5 m2

r

bergin 2 m2 g

badkam er 5 m2

wm/d

apparte 19 m 2 ment

r

kk

slaapka 10 m 2 mer

wm/d

badkam er 5 m2

kk

bergin 2 m2 g

aansl. kt+afz

r

aansl. kt+afz

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=17957e86-58d9-414d-b521-35bb0f234d9e