CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Kadernota 2026

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Kadernota 202611.074 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kadernota 2026

In Echt-Susteren vieren we het goede leven. We zijn met trots een Cittaslow gemeente. Meer informatie op www.echt-susteren.nl/cittaslow.

Kadernota 2026 meerjarenperspectief 2026-2029

Kadernota 2026

1

Kadernota 2026

2

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

5

2.

Financiële kaders

6

3.

Ontwikkelingen

22

4.

Financiële vertaling ontwikkelingen

26

5.

Financiële recapitulatie

28

6.

Meerjareninvesteringsprogramma

29

Kadernota 2026

3

Kadernota 2026

4

1. Inleiding De kadernota 2026 bevat de kaders voor de nog op te stellen ontwerpbegroting 2026. Het gaat hierbij om zowel beleid als budget. De nota bevat keuzes over bestaand en nieuw beleid en bijbehorende baten en lasten. De discussie en de afweging over de inzet van de financiële middelen vindt pas plaats bij de begrotingsbehandeling. Moment raadsbehandeling: Raadsvergadering voor de zomervakantie van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de begroting (waarvoor de kadernota kaders stelt) betrekking heeft. Regelgeving: Verordening Uitgangspunten van het financieel beleid, alsmede de regels voor het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Echt-Susteren (vastgesteld 9 november 2023) Artikel 4. Kaders ontwerp-begroting 1. Het college biedt vóór 15 juni aan de raad een Kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de ontwerp-begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze Kadernota vóór 15 juli vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 103.500 opgenomen. Tekort Deze kadernota 2026 sluit met een tekort voor alle jaren. Voor de uitwerking van de Voorjaarsnota 2025 en dekking van de tekorten wordt verwezen naar de inleiding van de 1e Bestuursrapportage 2025.

Kadernota 2026

5

2. Financiële kaders Geldende kaders eerdere begrotingen De gemeente staat voor de plicht met een structureel sluitende begroting te werken. Dit is niet alleen een voorschrift van de toezichthouder, de provincie Limburg, maar is ook een plicht die de gemeente in het kader van het BBV (Besluit Begroten en Verantwoorden Provincies en Gemeenten) en een gezond financieel beleid moet vervullen. Uitgangspunt is dat nieuw beleid gerealiseerd kan worden als bestaand beleid wordt ingeleverd. Wanneer de raad dit niet wil, moeten de inkomsten verhoogd worden i.c. de OZB-belastingen. Verhoging van de tarieven is het laatste redmiddel. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de beperkingen die vanuit het rijk aan de OZB-verhoging is opgelegd. Allereerst wordt gekeken naar efficiency en wordt bestaand beleid ter discussie gesteld. Repressief toezicht De raad moet volgens artikel 189, lid 2 Gemeentewet zorgen voor evenwicht in de begroting. Evenwicht wil zeggen dat de structurele lasten in de begroting met structurele baten worden gedekt en dat de ramingen volledig en realistisch zijn. De toezichthouder, provincie Limburg, gaat na of de raad zich aan deze wettelijke opdracht houdt.

Is dat niet het geval, en is er dus sprake van een tekort in de begroting dat ook aan het eind van de meerjarenraming nog steeds bestaat, dan plaatst zij op basis van artikel 203, lid 1 Gemeentewet een dergelijke begroting onder preventief toezicht. Mogelijkheid inzet algemene reserve als structureel dekkingsmiddel om de begroting sluitend te krijgen. Met ingang van het begrotingsjaar 2026 wordt deze mogelijkheid voor het eerst geboden. Dat blijkt uit een brief van minister Uitermark van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer. Een ruimere structurele inzet van reserves werd mogelijk gemaakt omdat de reservepositie van een groot deel van de gemeenten volgens de minister de afgelopen vier jaar is verbeterd. Die verbetering van de reservepositie blijkt uit de jaarrekeningen van de gemeenten gezamenlijk: in de afgelopen jaren lieten die een overschot zien van 1,7 tot 3,7 miljard euro per jaar. Dat komt dan met name omdat het gemeenten niet altijd lukt het geld uit te geven dat ze van plan waren uit te geven. Als verklaring daarvoor geldt, volgens de minister, een gebrek aan uitvoeringskracht: onvoldoende personeel ten opzichte van het aantal taken en ambities. Niet oneindig Het putten uit de algemene reserves is alleen toegestaan voor gemeenten met een omvangrijke reservepositie.

Jaarlijks mogen die maximaal 10 procent van het surplus in de algemene reserve – het deel dat niet nodig is voor afdekking van toekomstige risico's – inzetten als structureel dekkingsmiddel. Aanvullende voorwaarden zijn dat de solvabiliteit van de gemeente minimaal 20 procent is (en blijft) en voldoende weerstandsvermogen. Minister Uitermark benadrukt in haar brief dat het inzetten van reserves als structureel dekkingsmiddel niet oneindig kan doorgaan. Het is slechts een hulpmiddel. Het is geen structurele oplossing in het geval dat financiële tekorten bij gemeenten zich blijven voordoen. Mogelijkheid gemeente Echt-Susteren Voor onze gemeente geldt dat de algemene reserve nodig is voor het afdekken van het benodigde weerstandsvermogen. Er is dus geen ruimte om de algemene reserve in te zetten als structureel dekkingsmiddel. Thema-onderzoeken (voorheen Verdiepingsonderzoeken) Op 2 juli 2024 heeft Gedeputeerde Staten van Limburg besloten om de financiële Verdiepingsonderzoeken, zoals deze jaarlijks per regio werden uitgevoerd, niet langer in deze vorm tot uitvoering te brengen. De provincie gaat starten met het uitvoeren van themaonderzoeken, waarin specifieke onderwerpen worden uitgediept voor alle gemeenten van Limburg.

Kadernota 2026

6

Beheerplannen Een van de pijlers voor goed inzicht in de financiële positie is het beschikken over actuele, door de raad vastgestelde beheerplannen, waarbij ook het kwaliteitsniveau wordt bepaald. Dit is ook een eis van de toezichthouder. Beheerplannen Plannen

Verkeer, GVVP 2016-2025 Waterketenplan 2022-2026 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2022-2026 Verlichtingsplan 2024-2028 Uitvoeringsplan Civieltechnische Kunstwerken 2022-2026. Beheerplan Gebouwen 2024-2033 Kadernota Regie op Groen Groenbeheerplan 2019-2023 Wegbeheerplan 2022 – 2026 Bomennota 2023 - 2033

Kadernota 2026

Vastgesteld door de raad

Nieuwe planning in raad/college

Financiële vertaling begroting en meerjarenraming

Ja Nee Ja

2025 nvt 2026

Ja Ja Ja

Ja Nee

2028 2026

Ja Ja

Ja

n.v.t.

Ja

Nee Nee Ja Ja

n.v.t. 2024 2026 2033

Ja Ja Ja Ja

7

Heffingenbeleid Het heffingenbeleid bevat informatie over het tarievenbeleid voor de gemeentelijke heffingen, de ontwikkeling van de lokale heffingen en het kwijtscheldingsbeleid van de gemeente. Soorten belastingen In de Gemeentewet en in enkele bijzondere wetten is geregeld welke lokale heffingen de gemeente aan de inwoners en bedrijven mag opleggen. Echt-Susteren kent de volgende heffingen, op basis van door de raad vastgestelde verordeningen: 1. Belastingen waarvan de opbrengst vrij besteedbaar is: OZB (onroerendezaakbelasting) De onroerendezaakbelastingen zijn de belangrijkste gemeentelijke belastingen waarvan de opbrengst tot de algemene middelen behoort en dus naar eigen inzicht kan worden besteed. De hoogte van de aanslagen is zowel afhankelijk van de waarde van een object, zoals die elk jaar wordt bepaald op basis van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ), als van de door de raad vastgestelde tarieven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen tarieven voor eigenaren van woningen, eigenaren van niet-woningen en gebruikers van niet-woningen. Vanaf 1 oktober 2016 zijn WOZ-waarden van woningen verplicht openbaar. Door de gerealiseerde aansluiting van Echt-Susteren medio oktober 2017 op de landelijke voorziening (LV-WOZ) voldoet de gemeente aan deze wettelijke plicht.

Beleid:  In het hoofdlijnenakkoord 2022-2026 is aangegeven dat de onroerendezaakbelasting in de periode 2023-2026 met maximaal het inflatiepercentage te laten stijgen en indien mogelijk daar onder te blijven. Uitgangspunt hierbij is om op of onder het provinciaal gemiddelde te blijven.  Bij het vaststellen van de begroting 2024 is bepaald, gelet op het hoge inflatiecijfer in 2022 en 2023, de OZB voor woningen in 2025 met 3,25% te verhogen en voor niet-woningen met 4,00%.  De grondslag voor de aanslagen OZB 2026 is de, naar prijspeil 1 januari 2025, vastgestelde waarden van het onroerend goed. Overzicht inflatiecijfers op basis consumentenprijsindex (CPI) stijging OZB: Jaar

inflatie

Stijging OZB

2022 2023 2024 2025

10,0% 3,8% 3,3% (Prognose) 3,2%

3,25% 3,25% 3,25% 3,25%

Totaal

20,3%

13,0%

Toeristenbelasting De toeristenbelasting is een algemene belasting en daarmee een algemeen dekkingsmiddel. De belasting is gebaseerd op de gedachte dat door personen die binnen de gemeentegrenzen verblijven en niet zijn ingeschreven in het BRP, maar wel gebruik maken van de (algemene) gemeentelijke voorzieningen, een bijdrage leveren aan deze algemene voorzieningen. De belasting moet dan ook worden gezien als een tegemoetkoming in de kosten van de gemeente voor de instandhouding van die voorzieningen. De belasting wordt verschuldigd voor het houden van verblijf met overnachting tegen vergoeding en wordt geheven van degene die verblijf biedt. Deze is dan op grond van regelgeving bevoegd de belasting te verhalen op de persoon of personen die verblijf houden. Beleid:  Om bij de toeristenbelasting onderscheid te maken in het tarief tussen het kort verblijf van arbeidsmigranten in verblijven met een niet-recreatieve bestemming (bijvoorbeeld huisvesting volgens de Kadernota 2026

8

 

beleidsnotitie ‘huisvesting shortstay-arbeidsmigranten gemeente Echt-Susteren’ enerzijds en elke andere vorm van kort verblijf anderzijds, is vanaf 2018 de lijst van definities uitgebreid en is onderscheid gemaakt in het van toepassing zijnde tarief per persoon per nacht. Het onderscheid is gebaseerd op de aard van het verblijf dat voor overnachting ter beschikking wordt gesteld. Een en ander houdt in dat verblijf door bijvoorbeeld arbeidsmigranten in verblijven met een recreatieve bestemming (of verblijven die bepaalde perioden van het jaar als zodanig worden gebruikt), belast wordt tegen het reguliere (hogere) tarief. Het tarief voor de toeristenbelasting bedraagt vanaf 2025 € 2,00 per persoon per overnachting. Het tarief voor kort verblijf arbeidsmigranten is € 1,00 per persoon per nacht.

Forensenbelasting Met ingang van 2022 is een forensenbelasting ingevoerd om zodoende de niet-ingezetene die in de gemeente een tweede woning hebben, bij te laten dragen in de algemene voorzieningen die de gemeente biedt. De eigenaar betaalt weliswaar onroerendezaakbelasting over zijn bezit, net als de ingezetene met een eigen huis in de gemeente, maar voor de niet-ingezetene wordt geen vergoeding via de algemene uitkering ontvangen. De forensenbelasting wordt direct geheven bij de niet-ingezetene die de beschikking heeft over een woonruimte. Voorwaarde voor het heffen van een forensenbelasting is dat de eigenaar geen ingezetene is, meer dan 90 dagen beschikt over de tweede woning en dat de woning gemeubileerd is. De niet-ingezetene betaalt een vast bedrag per jaar. Beleid: De tarieven voor de forensenbelasting worden jaarlijks aangepast met het stijgingspercentage van de onroerendezaakbelasting. Het percentage is 3,25%. Hondenbelasting De hondenbelasting is volgens de Gemeentewet een algemene belasting. De gemeente kan kiezen voor welk beleidsdoel ze de opbrengst van deze belasting aanwendt. De gemeente heft hondenbelasting voor het houden van een hond. Het bedrag van de aanslag is afhankelijk van het aantal honden. Beleid: Het tarief voor de hondenbelasting wordt met ingang van 2023 aangepast met het stijgingspercentage van de onroerendezaakbelasting. Het percentage is 3,25%.

Precariobelasting De gemeente heft precariobelasting voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Vanaf 2021 geldt een nieuwe verordening precariobelasting. De gemeenteraad heeft ermee ingestemd dat geen precariobelasting meer wordt geheven voor terrassen, omdat de gemeente het belang erkent dat terrassen de leefbaarheid van kernen vergroten en centra aantrekkelijker worden voor winkelend publiek. Beleid: De tarieven voor 2025 worden niet verhoogd en zijn gelijk gebleven aan de tarieven van 2022. 2. Belastingen om kosten mee te verhalen: de bestemmingsheffingen en rechten. De opbrengst is niet vrij besteedbaar maar is gerelateerd aan een gemeentelijke zorgplicht of aan specifieke dienstverlening. Hiertoe behoren: Afvalstoffenheffing De afvalstoffenheffing is een bestemmingsbelasting. De rijksoverheid heeft bepaald dat de gemeente de opbrengst van de afvalstoffenheffing gebruikt voor de dekking van de kosten van het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. De tarieven van de afvalstoffenheffing: - Vast recht per aansluiting voor een éénpersoons huishouden. - Vast recht per aansluiting voor een meerpersoons huishouden. - Een variabel deel dat wordt geheven per lediging.

Kadernota 2026

9

Reinigingsrecht Naast de verplichte vuilinzameling bij huishoudens zamelt de gemeente ook afval in van bedrijven en instellingen. Voor deze niet-verplichte diensten kan geen afvalstoffenheffing worden geheven. De kosten voor deze dienstverlening kan de gemeente dekken uit de reinigingsrechten. De reinigingsrechten zijn een retributie. Ook voor deze belasting geldt dat de gemeente de opbrengst van de reinigingsrecht moet gebruiken voor de dekking van de kosten voor de afvalinzameling. De tarieven van het reinigingsrecht - Vastrecht per aansluiting. - Een variabel deel dat wordt geheven per lediging. Beleid:  De raad heeft in de vergadering van 21 februari 2019 gekozen voor een moderne en duurzame afvalinzameling, volgens de startnotitie Van Afval Naar Grondstoffen. Het scheidingsgedrag van de inwoners wordt maximaal gestimuleerd met een goede service en een financiële prikkel.  De tarieven zijn 100% kostendekkend en als de inwoners het afval goed scheiden betalen zij een lagere afvalstoffenheffing dan voorheen. Vanaf 2023 draagt RWM zorg voor de afvalinzameling binnen de gemeente.  Het vastrechttarief bedraagt voor 2025 € 205 een tarief per lediging van € 12,00. Hieruit voortvloeiend zijn de tarieven voor het ondergronds inzamelsysteem € 2,75 en € 1,40 afhankelijk van het volume dat aangeboden wordt.

 De tarieven voor 2026 worden bepaald in de raadsvergadering van december 2025 )vaststellen belastingverordeningen. Rioolheffing De rioolheffing is een bestemmingsbelasting. De rijksoverheid heeft bepaald dat de gemeente de opbrengst van de rioolheffing gebruikt voor de dekking van de kosten van: - de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, ook zuivering van huishoudelijk afvalwater; - de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, evenals het treffen van maatregelen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te bereiken. De tarieven van de rioolheffing: - Tarief voor eigenaren van een woning die is aangesloten op de gemeentelijke riolering. - Tarief voor eigenaren van een niet-woning (bijvoorbeeld een kantoor of een winkel) die is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Beleid:  De raad heeft op 18 januari 2023 het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2022-2026 vastgesteld. Het vertrekpunt voor het nieuwe GRP was het Waterketenplan 2021-2025. Dit plan beschrijft de gezamenlijk visie vanuit het samenwerkingsverband Waterpanel Noord met betrekking tot de toekomst van de waterketen in onze regio. Het Waterketenplan 2021-2025 geeft de ambities voor een water- en klimaatbestendig Noord- en Midden-Limburg.

Het GRP 2022-2026 beschrijft de invulling van die prioriteiten op lokaal niveau voor onze gemeente en bestaat uit een visie, een plan en een programma. Volgens het GRP 2022-2026 worden de tarieven voor de rioolheffing jaarlijks met 3,5% verhoogd.  Streven is 100% kostendekkende tarieven. Leges De gemeente heft leges voor door haar verstrekte diensten, genoemd in de bij de legesverordening behorende tarieventabel. De tarieventabel is onderverdeeld in drie titels: - Hoofdstuk 1 Algemene Dienstverlening. Onder andere: burgerlijke stand, reisdocumenten, rijbewijzen, verstrekkingen uit de basisregistratie personen.

Kadernota 2026

10

-

Hoofdstuk 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning. Onder andere: bouwvergunning, aanlegvergunning en sloopvergunning. Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder Europese dienstenrichtlijn. Onder andere: horeca en organiseren evenementen.

Beleid:  De tarieven voor de leges werden voorheen jaarlijks verhoogd met consumentenprijs-indexcijfer (CPI). Door de economische onrust steeg de CPI voor Nederlandse begrippen naar grote hoogte. Daarom heeft de raad bij de vaststelling van de belastingverordeningen 2023 besloten om af te wijken van deze lijn. Met ingang van 2023 worden de niet wettelijk vastgestelde legestarieven aangepast met het stijgingspercentage van de onroerende zaakbelasting. Het percentage is 3,25%.  De Nota kostentoerekening 2024 vermeldt maximale kostendekkendheid als uitgangspunt bij de kostentoerekening. Dit betekent dat de hoogte van de tarieven (en dus de opbrengsten) zo dicht mogelijk bij de begrote kosten liggen, tenzij er aantoonbare redenen of beleidsmatige afwegingen zijn om hiervan af te wijken.  De hoogte en de kostendekkendheid van de tarieven worden in december door de gemeenteraad vastgesteld. Kruissubsidiëring: Binnen hoofdstuk 1 is kruissubsidiëring toegestaan. Zo mag bijvoorbeeld het tarief voor huwelijksvoltrekkingen meer dan kostendekkend worden vastgesteld ter compensatie van een niet kostendekkend tarief voor paspoorten. Ook binnen hoofdstuk 2 is kruissubsidiëring toegestaan en ook tussen hoofdstuk 1 en 2.

Niet kostendekkende tarieven voor de diensten die vallen onder hoofdstuk 1 mogen dus gecompenseerd worden door meer dan kostendekkende tarieven voor de omgevingsvergunning uit hoofdstuk 2. Op grond van de Europese Dienstenrichtlijn is binnen hoofdstuk 3 kruissubsidiëring niet toegestaan. Grafrechten De gemeente heft lijkbezorgingsrechten voor het gebruik van de begraafplaatsen en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaatsen Annahof in Echt en Elsene in Nieuwstadt. Beleid: Hoewel de grafrechten van openbare begraafplaatsen niet kostendekkend zijn worden deze niet verder verhoogd. Er is duidelijk een maatschappelijke trend zichtbaar dat het aantal crematies toeneemt en het aantal begravingen afneemt. Dit heeft tot gevolg dat de lasten van de begraafplaatsen over minder begravingen moet worden omgeslagen, waardoor de kosten per begraving sterk stijgen. Hierdoor wordt de keuze voor een begraving of crematie om financiële redenen bijna onmogelijk. Dit is een onwenselijke ontwikkeling. Daarom zijn de tarieven van begravingen bevroren op het niveau van het jaar 2015. Lastendruk De gemeente staat er door een jarenlange conservatieve begrotingspolitiek financieel goed voor.

In het hoofdlijnenakkoord 2022-2026 is afgesproken dat dit beleid gecontinueerd wordt waarbij jaarlijks sluitende meerjarenbegrotingen uitgangspunt zijn in combinatie met een aanvaardbare lokale lastendruk voor de huishoudens die onder het provinciaal gemiddelde ligt. Uit het belastingoverzicht 2025 van de provincie Limburg blijkt dat de gemeente er in geslaagd is om vanaf 2020 onder het niveau van dit provinciale gemiddelde te komen. Dit komt met name door de nieuwe systematiek van afvalinzameling. De gemiddelde lastendruk voor meerpersoonshuishoudens is in 2025 € 34 lager dan het provinciale gemiddelde. Nota risicomanagement en weerstandsvermogen Conform artikel 21 lid 2 van de Financiële verordening gemeente Echt-Susteren 2023 dient het beleid inzake het risicomanagement te worden vastgelegd in een "Nota Risicomanagement". Deze Nota Risicomanagement Echt-Susteren 2022 geeft hier invulling aan. Het doel van deze nota is om kaders voor de uitvoering van risicomanagement in de gemeente Echt-Susteren te stellen. Hierbij staan de volgende vragen centraal: • Wat verstaan we onder risicomanagement? Kadernota 2026

11

• Waarom doen we aan risicomanagement? • Hoe doen we het risicomanagement? • Wat moet het risicomanagement opleveren? Conform artikel 21 lid 2 van de Financiële verordening gemeente Echt-Susteren 2017 dient de gemeente te beschikken over een "Nota Weerstandsvermogen". Deze Nota Weerstandsvermogen EchtSusteren 2022 geeft hier invulling aan. Het doel van deze nota is om beleidskaders te stellen voor het weerstandsvermogen. Hierbij staan de volgende vragen centraal: • Waarom bepalen we het weerstandsvermogen? • Wat verstaan we onder weerstandsvermogen? • Hoe bepalen we het weerstandsvermogen? • Wat moet de bepaling van het weerstandsvermogen opleveren? Op 3 november 2022 heeft de raad de nota’s risicomanagement en weerstandsvermogen vastgesteld. De nota’s worden tenminste één maal per raadsperiode geactualiseerd. Beleid reserves De nota reserves en voorzieningen wordt elke twee jaar aan de raad ter vaststelling aangeboden. In de tussenliggende jaren vindt er alleen een cijfermatige bijstelling van de reserves plaats, voor zover dat nodig is. De bijstelling nota reserves en voorzieningen 2023 is in november 2024 tegelijk met de begroting 2024 door de raad vastgesteld. In november 2025 wordt gelijktijdig met de begroting 2026 de nota reserves en voorzieningen 2025 aan de raad aangeboden. Een aantal reserves worden vanwege hun specifieke doel apart toegelicht.

In de nota reserves en voorzieningen 2023 is bepaald dat van een aantal posten in de begroting, niet gebruikte incidentele middelen reeds voor resultaatbepaling, worden toegevoegd aan reserves. Wordt het plafond bereikt van deze reserves dan wordt het surplus afgeroomd en wordt het surplus toegevoegd aan de reserve vermindering kapitaallasten. Met het raadsbesluit inzake de bijstelling reserves en voorzieningen 2024, raadsvergadering van 7 november 2024, is besloten dat deze toevoeging aan reserves vóór resultaatbepaling achterwege wordt gelaten en incidenteel vrijvallende middelen bij de jaarrekening, deel uit maken van het jaarrekeningresultaat. Het "potten" in reserves is geen doel op zich, maar een middel om in minder goede tijden in te zetten om toch een sluitende en realistische begroting te presenteren. Dit is ook toegepast bij de jaarrekening 2024. Met andere woorden: in goede tijden sparen om in minder goede tijden te ontsparen. Dankzij ons voorzichtig begrotingsbeleid zijn we nu in staat om reserves in te zetten om ondanks de tegenvallende uitkering uit het gemeentefonds, toch het bestaande beleid en nieuw beleid uit te voeren. Algemene reserve De algemene reserve moet worden beschouwd als een buffer voor het opvangen van risico´s waarvoor geen bestemmingsreserves of voorzieningen bestaan.

De omvang van de benodigde weerstandscapaciteit en de normatieve ondergrens van het absolute weerstandsvermogen wordt tweemaal per jaar herrekend, zie de paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing in de begroting en de jaarrekening. De algemene reserve is onderdeel van de weerstandscapaciteit. Reserve vermindering kapitaallasten In de Kadernota 2018, vastgesteld door de raad in de vergadering van 13 juli 2017 is bepaald dat substantiële incidentele meevallers in principe toegevoegd worden aan de reserve vermindering kapitaalasten. Deze kan worden ingezet om structureel ruimte te creëren binnen het meerjarenperspectief van de begroting. Reserve revolverende investeringen Het doel van de reserve is te investeren in investeringen waarmee een rendement behaald kan worden, waaronder duurzaamheid. Doordat het geïnvesteerde bedrag wordt terugverdiend, wordt dit weer toegevoegd aan de reserve om het vervolgens te investeren voor nieuwe projecten. Verder is (conform kaderbrief 2021) besloten om de opbrengst verkoop gemeentelijke eigendommen toe te voegen aan de

Kadernota 2026

12

reserve revolverende investeringen, zodat ook met de verkoopopbrengsten inkomsten kunnen worden gegenereerd. Reserve gemeenschapshuizen Een van de punten uit het hoofdlijnenakkoord 2022-2026 is te zorgen voor een gemeenschapsvoorziening in elk kerkdorp van onze gemeente. Hiermee zijn behoorlijke investeringsbedragen gemoeid. Om onze toekomstige begrotingen niet te zwaar te belasten met kapitaallasten is bij de bestemming saldo jaarrekening 2024 voorgesteld een nieuwe reserve gemeenschapsvoorzieningen te vormen, van waaruit dekking van de kapitaallasten kan plaatsvinden. De reserve wordt in eerste instantie opgebouwd voor de gemeenschapsvoorzieningen Pius X, Susteren en Nieuwstadt. Voorgesteld wordt uit het saldo van de jaarrekening 2024 een bedrag van € 2.000.000 te storten in deze nieuwe reserve. Bij het opstellen van de Nota reserves en voorzieningen 2025 wordt bekeken of deze reserve verder aangevuld kan worden vanuit de reserve vermindering kapitaallasten.

Eigen financieel beleid Verder is in de loop der jaren nog financieel beleid ontwikkeld over: Algemene uitkering Voor wat betreft de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt in de begroting 2026 uitgegaan van de meicirculaire (2025) en de daarin opgenomen uitkeringsfactoren. Bij de bepaling van de accressen voor de jaren na het begrotingsjaar houden de beheerders van het gemeentefonds rekening met een mutatie van de prijsontwikkeling van het BBP (Bruto Binnenlands Product). De gemeente begroot de algemene uitkering voor de jaren 2026-2029 op basis van constante prijzen en houdt aan de lastenkant van de meerjarenraming geen rekening met een inflatiepercentage. Verordening artikel 212 In artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen dat de raad bij verordening de uitgangspunten voor het financieel beleid vaststelt. Het gaat hierbij om uitgangspunten die binnen de verslaggevingsregels van het BBV ter invulling aan de gemeente zijn gelaten en die kunnen worden afgestemd op de specifieke omstandigheden van de gemeente. Door de uitgangspunten vast te leggen in de verordening wordt invulling gegeven aan de kaderstellende rol van de raad. Hiermee wordt voor een ieder helderheid verstrekt over keuzes die over het financieel beleid zijn gemaakt en de argumentatie daarbij.

Ook is hiermee helder welke spelregels bij de begrotingsuitvoering moeten worden gevolgd en geeft dit waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. De verordening is in november 2023 door de raad vastgesteld. Onvoorziene uitgaven In de begroting is een bedrag van € 103.500 opgenomen voor onvoorziene uitgaven. Om praktische redenen is het college gemandateerd een beroep te kunnen doen op deze post en daarover de raad pas achteraf te informeren door één van de beide bestuursrapportages of de jaarrekening. Stelposten In de begroting zijn een aantal stelposten opgenomen om uitgaven te dekken die vooraf nog niet te ramen zijn. a. Stelpost cao-ontwikkelingen. Het vaststellen van een cao-voor gemeenteambtenaren, (de laatste cao heeft een looptijd van 1 januari 2024 tot 1 april 2025), heeft tot gevolg dat de brutosalarissen stijgen, maar heeft ook vaak gevolgen voor de diverse werkgeversafdrachten. Daarnaast heeft deze cao ook gevolgen voor de bijdrage aan de verbonden partijen waarop deze cao eveneens van toepassing is, met name het SC MER. Ook andere verbonden partijen met een eigen cao, zoals sinds een aantal jaren de veiligheidsregio’s zullen de gemeenten om een hogere bijdragen vragen.

Voor de nieuw af te sluiten cao in 2025 moeten aanvullende middelen aan de stelpost worden toegevoegd, zodat hiermee de financiële gevolgen kunnen worden afgedekt.

Kadernota 2026

13

b. Stelpost toekomstige ontwikkelingen algemene uitkering In de diverse circulaires inzake de algemene uitkering worden vaak middelen aan de gemeenten beschikbaar gesteld, waarvoor eerst nog beleid ontwikkeld moet worden. Zolang er nog geen directe bestemming aan de middelen kan worden gegeven worden deze “geparkeerd” in deze stelpost. c. Stelpost verrekeningen algemene uitkering Deze stelpost is bestemd om afrekeningen met het rijk inzake de algemene uitkering te dekken. Vaak vindt de afrekening pas na een of twee jaar plaats. d. Stelpost Servicecentrum MER In het kader van de invoering van de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2024 is in MER-verband een extern bureau ingehuurd om de kostenonderbouwing van de leges Omgevingswet te toetsen. Uit dit onderzoek is gebleken dat niet alle daartoe in aanmerking komende kosten die de gemeente maakt in de leges zijn doorberekend. De nieuw opgestelde berekening laat zien dat structureel een bedrag van € 1.316.155 kan worden bijgeraamd. Voor het geval de leges achterblijven bij de raming is een stelpost opgenomen van € 600.000. Deelfondsen 3D’s In 2015 is de uitvoering van het sociaal domein (zorg, jeugdhulp en werk) gedecentraliseerd naar de gemeenten. Hiervoor ontvingen de gemeenten aparte uitkeringen in de vorm van deelfondsen.

Het rijk heeft besloten om de budgetten voor de drie pijlers met ingang van 2019 te ontschotten en deel uit te laten maken van de algemene uitkering. In het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is afgesproken dat de budgetten op basis van de bedragen uit de begroting 2018 geoormerkt blijven voor het sociaal domein en mogelijke tekorten binnen bepaalde pijlers binnen het programma op te vangen. Overschotten blijven geoormerkt binnen de bestaande (egalisatie-) reserves voor het sociaal domein. Indexering budgetten Het is regel dat budgetten niet automatisch geïndexeerd worden. De indexering moet gezocht worden door het maken van slimme keuzes. Het is in sommige gevallen onoverkomelijk dat dit ten koste gaat van de kwaliteit (lager uitvoeringsniveau). De jaarlijkse inflatie moet worden opgevangen door het interen op de huidige budgetten. Gelet op de hoge inflatie die zich in 2022 en 2023 heeft voorgedaan, zullen de kosten van uit te voeren werken en diensten behoorlijk toenemen. Het is niet zeker dat deze hogere kosten binnen de bestaande begrotingsposten opgevangen kunnen worden, waardoor overschrijdingen onoverkomelijk zijn. Uw raad wordt hierover via de bestuursrapportages of raadsinformatiebrieven geïnformeerd. Incidentele meevallers Substantiële incidentele meevallers worden in principe toegevoegd aan de reserve vermindering kapitaalasten.

Deze kan worden ingezet om structureel ruimte te creëren binnen het meerjarenperspectief van de begroting. Naast de incidentele meevallers is bij elke reserve (voor zover mogelijk) een plafond ingesteld. Het surplus dat boven dit plafond uitgaat, wordt toegevoegd aan de reserve vermindering kapitaallasten of aan de reserve revolverende investeringen. Overheveling niet volledig bestede budgetten Bij het niet volledig besteden van budgetten uit de 2e bestuursrapportage vóór 31 december van het boekjaar, mag een bestemmingsreserve worden gevormd, waaruit in een volgend jaar deze specifieke lasten worden gedekt. Voorafgaand aan het opnieuw beschikbaar stellen van het budget wordt voorgesteld om in het daarop volgende boekjaar wel al uitgaven te doen ten laste van het nog door de raad opnieuw beschikbaar te stellen budget. Uitgaven uit reserves Wanneer uitgaven uit reserves gedekt worden en deze aan het einde van enig boekjaar niet volledig zijn uitgevoerd, maar in het daarop volgende jaar nog nodig zijn, is het toegestaan in het daarop volgende boekjaar al uitgaven te doen ten laste van het nog door de raad opnieuw beschikbaar te stellen budget.

Kadernota 2026

14

Voorbereidingskrediet faciliterende en actieve grondexploitaties. Wanneer de gemeente overweegt om zelf of in samenwerking met een projectontwikkelaar, een (uitleg)gebied te (laten)ontwikkelen, moeten hiervoor, met name in de initiatief- en voorbereidingsfase, kosten worden gemaakt. Vervolgens kan definitief worden besloten om de gronden al dan niet in exploitatie te nemen of de exploitatie daarvan te faciliteren. Bij een actieve grondexploitatie ontwikkelt de gemeente de gronden zelf en bij een faciliterende grondexploitatie faciliteert de gemeente de randvoorwaarden voor een gewenste ontwikkeling van gronden door een derde partij. Het algemeen budgetrecht is een raadsbevoegdheid. Normaal gesproken mag het college geen kosten voor grondexploitaties maken, voordat de raad hiervoor geld ter beschikking heeft gesteld. De raad kan het college echter de ruimte bieden om binnen kaders zelfstandig financiële besluiten hierover te nemen. Vanwege de doorlooptijden van raadsvoorstellen is het niet te doen om met name bij de veelvoud aan kleinere projecten, per project een voorbereidingskrediet door de raad te laten vaststellen voordat voorbereidende kosten kunnen worden gemaakt.

Om toch in de voorbereidingsfase al kosten te kunnen maken, deze op juiste wijze te registreren en dekking daarvoor te regelen, wordt het volgende voorgesteld: Limiet De raad geeft het college de ruimte om jaarlijks zonder voorafgaande tussenkomst van de raad tot een totaal bedrag van maximaal € 100.000 bestedingen te doen voor de voorbereiding van actieve- en faciliterende grondexploitaties, dit met inachtneming van de volgende voorwaarden die het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) voor voorbereidingskosten dwingend voorschrijft:  De kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening / bijlage IV bij het Omgevingsbesluit; en  De kosten mogen maximaal 5 jaar geactiveerd blijven. Na maximaal 5 jaar moeten de kosten hebben geleid tot een actieve of faciliterende grondexploitatie dan wel worden afgeboekt ten laste van het jaarresultaat of er moet een voorziening worden getroffen. De in de beginfasen te maken voorbereidingskosten zijn meestal planontwikkelingskosten, maar kunnen ook bestaan uit o.a. beheerskosten, sloopkosten, (strategische) verwervingskosten en rente.

Afhankelijk van de indeling in een actieve- of faciliterende grondexploitatie, worden kosten die al worden gemaakt voordat het grondexploitatiecomplex mag worden geopend, volgens het nieuwe Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) verantwoord onder ‘Immateriële Vaste Activa (ImVA)’ of ‘Overlopende activa’. Overgang naar exploitatie Worden deze plannen daadwerkelijk in ontwikkeling genomen. dan worden de onder ImVA of overlopende activa geactiveerde voorbereidingskosten overgeheveld naar het actieve of faciliterende grondexploitatiecomplex. Afboeking De op ImVA of overlopende activa verantwoorde kosten waarvan de 5 jaarstermijn in het actuele boekjaar verstrijkt, worden in dat actuele boekjaar afgeboekt ten laste van het jaarresultaat. Als dekking wordt hiervoor de algemene reserve grondbedrijf gebruikt. Indien er een voorziening is gevormd, hoeven de kosten niet te worden afgeboekt, maar kunnen ze later alsnog worden ingebracht in de grondexploitatie als de raad daartoe heeft besloten. Risicobeheersing Om te voorkomen dat op enig moment meer voorbereidingskosten worden gemaakt dan de algemene reserve grondbedrijf kan afdekken, wordt met de verantwoording van kosten op het voorbereidingskrediet telkenmale ook een claim opgenomen op de algemene reserve grondbedrijf.

Algemeen voorbereidingskrediet Om de uitvoering van de projecten volgens het meerjareninvesteringsplan (MIP) te kunnen realiseren is het noodzakelijk om de voorbereiding een jaar eerder te starten dan vermeld in het MIP. Hiervoor moet jaarlijks een algemeen voorbereidingskrediet van € 250.000 beschikbaar zijn voor alle kredieten die in het MIP zijn opgenomen. In het jaar dat een bepaald project in het MIP is opgenomen,

Kadernota 2026

15

worden gemaakte voorbereidingskosten overgeheveld naar het krediet voor dat project. Op dit voorbereidingskrediet wordt niet afgeschreven. Bovenstaande is al besloten in de 1e bestuursrapportage 2013. Naast bovenstaande investeringen van het MIP kunnen ook in de loop van het jaar nieuwe investeringen worden voorbereid. Deze staan dan nog niet op het MIP vermeld. Ook voor deze investeringen geldt dat voorbereidingskosten worden gemaakt, voordat de vraag om een krediet beschikbaar te stellen aan de raad wordt voorgelegd. De raad geeft het college de ruimte om jaarlijks zonder voorafgaande tussenkomst van de raad binnen het genoemde voorbereidingskrediet bestedingen te doen voor het maken van voorbereidingskosten voor (nieuwe) investeringen. Als de raad afwijzend besluit over het beschikbaar stellen van een krediet, dan moeten de gemaakte voorbereidingskosten ten laste worden gebracht van de reserve vermindering kapitaallasten. Wordt het krediet wel beschikbaar gesteld, dan worden de voorbereidingskosten overgebracht naar het dit krediet.

Kadernota 2026

16

Uitgangspunten Aantal inwoners Voor de begroting 2026 wordt uitgegaan van een inwonertal van 32.300. Het werkelijk aantal inwoners op 1 januari 2025 is 32.273 inwoners. Rentepercentage In de begroting 2026 wordt een rekenpercentage toegepast van 2%. De rente voor langlopende leningen bedraagt per 14 maart 2025 voor een 10 jarige lineaire lening 3,32%, voor 20 jaar lineair 3,37% en voor 30 jaar lineair 3,40%. De rente voor langlopende leningen schommelt vanaf 2023 tussen de 2,75 en 3,50%. Als de rente verder gaat stijgen, kan de begroting onder druk komen te staan en zullen de rentelasten toenemen. In 2019 is besloten tot het aantrekken van financieringsmiddelen voor een totaalbedrag ad € 40 miljoen tegen verschillende looptijden. Voorwaarde was en is dat de rente negatief moet zijn. Ná de onzekere periode in november 2019 is de rente weer stilaan gestegen, totdat eind januari 2020 de rente voor lang geld weer begon te dalen. Op 9 maart 2020 werd de rente voor het eerst negatief en er zijn toen twee lineaire geldleningen van € 10 miljoen elk aangetrokken. Een geldlening met een looptijd van 15 jaar en een rente van -/- 0,11%. De tweede geldlening met een looptijd van 20 jaar en een rente van -/- 0,02%. Per 15 oktober 2020 is de rente weer gedaald en is nog een geldlening afgesloten van € 10 miljoen met een looptijd van 20 jaar tegen een rente van -/- 0,035%.

Met de aangetrokken € 30 miljoen kunnen investeringswerken en aflossingen van langlopende schuld gefinancierd worden. De middelen die niet direct nodig zijn worden “geparkeerd" bij de schatkist. Doordat we beschikken over voldoende financieringsmiddelen, waarvan de rente die ruim onder de huidige marktrente ligt, is de rekenrente niet verhoogd en gehandhaafd op 2%. Uitzetten overtollige middelen Een gemeente mag geen middelen aantrekken en vervolgens uitzetten om inkomsten te genereren. De gemeente is verplicht om de overtollige liquide middelen te parkeren bij de schatkist. Hierop is één uitzondering. Een gemeente mag de overtollige liquide middelen wel uitlenen aan ander decentrale overheden. Sinds de rente in het 2e halfjaar 2022 aan het stijgen is, is de vraag van collega gemeenten groot om overtollige liquide middelen van een collega gemeentes te kunnen lenen. Het mes snijdt dan aan twee kanten: De uitlenende gemeente ontvangt een hogere rente dan bij de schatkist, de lenende gemeente betaalt een lager rente dan bij de bank. Per 14 maart 2025 was geen bedrag uitgeleend aan collega gemeenten. Ondanks diverse renteverlagingen door de Europese Centrale bank is dit niet terug te zien in de lineaire leningen voor gemeenten.

Meerjarige liquiditeitenplanning Voor de normale exploitatielasten wordt uitgegaan van het principe dat jaarlijkse uitgaven worden voldaan uit de jaarlijkse inkomsten. Voor een goede liquiditeitenplanning zijn twee zaken van belang, namelijk de verwachte investeringen en de renteontwikkeling op korte en op lange termijn. Voor de investeringen wordt uitgegaan van het meerjareninvesteringsplan. De renteontwikkeling wordt dagelijks bijgehouden en per kwartaal met de portefeuillehouder financiën besproken. Als de renteontwikkeling daarvoor aanleiding geeft wordt in direct overleg met de portefeuillehouder gehandeld, om mogelijke renterisico’s te beperken. Naast de investeringen wordt ook in de liquiditeitenplanning meegenomen de eventuele verkoopopbrengsten uit het grondbedrijf. Door deze aspecten regelmatig te monitoren wordt optimaal gebruik gemaakt van de renteontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt. Aandachtspunten en aanvullende notities commissie BBV Met ingang van 2017 zijn er wijzigingen aangebracht in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en zijn een aantal notities van de commissie BBV verschenen met dwingende voorschriften.

Daarnaast heeft de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording door het college met ingang van het jaar 2024 over het jaar 2023 genoodzaakt tot wijzigingen in de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet. Deze is opnieuw vastgesteld door de raad op 9 november 2023. De volgende elementen zijn van toepassing bij het opstellen van de begroting.

Kadernota 2026

17

Activeren van investeringen Het activeren van investeringen heeft financiële effecten. Enerzijds leidt het activeren tot structurele kapitaallasten, die structureel gedekt moeten worden. Daarnaast kent het activeren op de langere termijn ook een kostenverhogend effect, namelijk de rentecomponent. Dit is een extra kostenpost, die is opgenomen in onze (meerjaren)- begroting en de beheerplannen. Anderzijds kan het zijn, dat in de startjaren incidentele ruimte binnen de begroting ontstaat door een gefaseerde invoering (alleen nieuwe investeringen worden geactiveerd). Veelal werden investeringen gedekt uit incidentele middelen (reserves). Door te activeren zijn structurele middelen nodig in plaats van de eventueel beschikbare incidentele middelen. Het is natuurlijk ook mogelijk dat beschikbare incidentele middelen gebruikt worden voor de vorming van een bruteringsreserve. De structurele kapitaallasten kunnen dan gedekt worden uit deze bruteringsreserve. Financiële kengetallen In de begroting en de jaarstukken is de gemeente verplicht een basisset van vijf financiële kengetallen op te nemen. Deze kengetallen zijn bedoeld om de gemeentelijke financiële positie inzichtelijker te maken en de vergelijkbaarheid tussen gemeenten te vergroten. Een afzonderlijk kengetal zegt weinig over hoe uw financiële positie moet worden beoordeeld.

De kengetallen moeten altijd in samenhang worden bezien, omdat ze alleen gezamenlijk en in hun onderlinge verhouding een beeld geven van de financiële positie van de gemeente. Het is dan ook van belang dat de kengetallen door het college worden voorzien van een adequate toelichting. Vanuit de controlerende en kaderstellende rol is het aan de raad om eventueel bijstellingen te verlangen. Bij de invoering van de kengetallen is een bewuste keuze gemaakt om geen norm op te leggen. Een kengetal of de ontwikkeling van een kengetal is een weerspiegeling van het gevoerde beleid. Voor de toezichthouder hebben de kengetallen een signaleringswaarde en worden ze betrokken bij het krijgen van een completer inzicht in de financiële situatie van de gemeente. Kengetalen en indicatoren In 2016 zijn door de commissie BBV (Besluit Begroting en Verantwoorden provincies en gemeenten) een aantal indicatoren verplicht gesteld. Deze wettelijke indicatoren zijn oorspronkelijk bedoeld om gemeenten en provincies beter met elkaar te kunnen vergelijken. Door de jaren heen zijn er steeds meer indicatoren toegevoegd, zowel op verzoek van de raad als op eigen initiatief van het college en de budgethouders. Met ingang van de begroting 2025 zijn de kengetallen en indicatoren kritisch onder de loep genomen. Kengetallen en indicatoren moeten een toegevoegde waarde hebben.

Tevens is bekeken welke minimumeisen aan kengetallen en indicatoren worden gesteld. De bevindingen hiervan leveren op dat een groot aantal kengetallen en indicatoren kunnen vervallen of op een andere wijze worden gepresenteerd. Onderstaande verbeteringen zijn doorgevoerd: - Indicatoren worden maar éénmalig vermeld in de begroting op de plaats waar ze het meeste thuishoren. - De bron van de indicator wordt vermeld in de begroting. Hierdoor is het voor iedereen duidelijk waar ze moeten zoeken en welke bron gehanteerd is. - Indicatoren worden niet meer meerjarig opgenomen. Dit is namelijk vanuit het BBV geen verplichting. - Alle indicatoren worden gepresenteerd in één totaaloverzicht per programma. Dit geeft meer “rust” in de begroting. Nu staan onder elk product indicatoren vermeld. - Eigen indicatoren toevoegen kan. Deze moeten dan wel aan de volgende voorwaarden voldoen: - een duidelijke bron die goed te vinden is. - het geven van stuurinformatie. Disconteringsvoet De disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde voor het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties is voor alle gemeenten gelijk gesteld en gekoppeld aan het streefpercentage van de ECB voor de inflatie, zijnde 2%.

Kadernota 2026

18

Looptijd grondexploitatiecomplex Om de risico’s die samenhangen met zeer lang lopende projecten te beperken is de richttermijn van een grondexploitatiecomplex maximaal 10 jaar. Deze 10 jaar moet voortschrijdend worden bezien en er kan alleen gemotiveerd van worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord is in de begroting en de jaarstukken. De motivatie moet zijn voorzien van passende risico-beperkende beheersmaatregelen op basis van de specifieke omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan:  het hebben van daadwerkelijke afzetcontracten voor de periode verder dan 10 jaar;  het hebben van herleidbare afspraken (intenties van projectontwikkelaars/corporaties) voor de periode verder dan 10 jaar;  het hebben van harde opbrengsten in eerdere jaren die alle kosten van de exploitatie over de gehele looptijd op voorhand dekken;  voor de berekening van het eindsaldo (en het bepalen van de mogelijke verliesvoorziening) niet rekenen met een indexering op de opbrengsten die verder liggen dan 10 jaar;  andere maatregelen die de omvang van het geïnvesteerd vermogen beperken en daarmee de risico’s verkleinen op onvoldoende dekking vanuit (nog te realiseren) grondexploitatiebaten.

Notitie Materiële vaste activa De commissie BBV heeft in januari 2020 de geactualiseerde notitie Materiele vaste activa gepubliceerd over investeren, activeren, waarderen, afschrijven en onderhoud kapitaalgoederen. In de notitie zijn in relatie tot materiele vaste activa relevante onderwerpen aan bod gekomen, zoals:  omvangscriterium bij vaste activa  afschrijvingsbeleid vaste activa  stelsel- en schattingswijzigingen  instellen van onderhoudsvoorzieningen. Autorisatie van (restant)budgetten investeringen Investeringsbudgetten worden door de raad vastgesteld, hetzij via de vastgestelde begroting, hetzij via een afzonderlijk besluit van de raad. Op basis van de Gemeentewet heeft het college van burgemeester en wethouders een actieve informatieplicht aan de raad. Bij routine-investeringen wordt regelmatig de behoefte gevoeld de investeringsbudgetten gedeeltelijk over te hevelen naar het volgende boekjaar. Dit om te voorkomen dat er (tijdelijk) geen budget is, maar toch uitgaven gedaan moeten kunnen worden. Wanneer een besparing ontstaat op de toegekende budgetten, is het aan de raad om te besluiten wat er met de restantbudgetten gebeurt.

Met de raad moeten nog afspraken gemaakt worden, zoals:  op welk moment gerapporteerd moet worden over de restantbudgetten en het voorstel om een budget af te sluiten dan wel open te houden voor toekomstige uitgaven;  het minimum bedrag wat overgeheveld kan worden (per gemeente te bepalen). Deze afspraken (rapporteringscriteria) kunnen worden vastgesteld in de financiële verordening op grond van artikel 212 Gemeentewet. Beheersing budget: termijn van open houden van een budget In de praktijk blijkt hoe moeilijk het is om investeringsbudgetten te beheersen, omdat de doorlooptijd van investeringen lang is. Het kan voorkomen dat investeringsbudgetten overschreden worden, termijnen van uitvoering niet gehaald worden en dat jaargrenzen onbedoeld worden gepasseerd. Door de planning van het verloop van investeringen- waarin inzichtelijk is voor welk bedrag het budget uitgeput gaat worden - kan inzicht worden verkregen in een eventuele vertraging bij de uitvoering van het project. Om te voorkomen dat investeringsbudgetten keer op keer door een begrotingswijziging worden opgevoerd, kunnen hierover afspraken met de raad worden gemaakt. Afgesproken kan worden dat budgetten die langer dan 3 jaar uitlopen, vrij vallen. Als het investeringsbudget toch nog langer nodig is, moet het college dit aan de raad voorleggen door een budgetvoorstel.

Notitie Overhead 2023 De Notitie overhead 2023 is een actualisatie van de Notitie overhead uit 2016 en gaat in op de inhoud en reikwijdte van het begrip ‘overhead’ zoals voorgeschreven in artikel 1 van het Besluit begroting en verantwoording (‘BBV’). Daarnaast wordt in deze notitie duiding gegeven aan de onderwerpen die in directe relatie met de overhead staan. Kadernota 2026

19

Aanvankelijk werd vanaf 2016 gebruik gemaakt van de definitie zoals deze werd toegepast binnen Venster voor bedrijfsvoering (‘VvB’). Met de actualisatie van de notitie wordt die verbinding losgelaten, maar niet verbroken. De definitie van overhead is binnen VvB een dynamisch begrip en past, als zodanig, bij de doelstellingen van dit platform. Het is een nuttig instrument voor het uitwisselen van best practices en het vergelijken van organisaties. De commissie BBV is echter van mening dat de aanhaking bij VvB geen duurzame definitie oplevert, terwijl deze wel noodzakelijk is voor de rechtszekerheid. Met name ten aanzien van de lokale heffingen is er behoefte aan een eenduidige, duurzame basis. Vanwege deze opvatting komt in deze notitie de definitie van overhead meer uitgebreid aan de orde. Door deze definitie te gebruiken kan een meer eenduidig inzicht worden gegeven in de lasten die direct zijn toe te rekenen aan bepaalde taakvelden. Deze geactualiseerde notitie geeft een overzicht van de regelgeving inzake de overhead en geeft op een aantal punten een nadere toelichting. Deze geactualiseerde notitie is van toepassing vanaf de begroting 2025. Notitie grondbeleid in begroting en jaarstukken 2023 Deze Notitie grondbeleid in begroting en jaarstukken 2023 is een actualisatie van de Notitie grondbeleid uit 2019.

Vanwege de invoering van de Omgevingswet is een actualisatie noodzakelijk. Alle wijzigingen in de notitie die te maken hebben met de Omgevingswet treden in werking gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Alle overige wijzigingen treden in werking met ingang van begrotingsjaar 2025. Toepassing met ingang van de jaarrekening 2024 is mogelijk maar niet verplicht. Voor de tussenliggende periode is de notitie uit 2019 leidend aangevuld met het addendum uit december 2022 inzake warme gronden. In bijlage 12 van de notitie is een overzicht opgenomen van consequenties van de sinds 2016 doorgevoerde wetswijzigingen. Naast aanpassingen in terminologie vanwege wijzigingen in wet- en regelgeving heeft de invoering van de Omgevingswet met name gevolgen voor de verslaggevingsaspecten bij faciliterend grondbeleid. Deze notitie gaat met name in op gemeentelijke grondexploitaties en faciliterend grondbeleid. In deze nieuwe notitie is rekening gehouden met de strekking van alle gegeven antwoorden uit de vraag- en antwoordrubriek. De commissie BBV verwerkt alle aandachtspunten voortkomend uit de vraag- en antwoordrubriek in haar notities. Ook voor deze Notitie grondbeleid zijn, aanvullend op de wijzigingen als gevolg van de invoering van de Omgevingswet, enkele verduidelijkingen doorgevoerd die vanuit de vraag- en antwoordrubriek naar voren zijn gekomen.

Notitie rente 2023 In de Notitie rente 2023 wordt ingegaan op de verwerking van de rentelasten en –baten in de begroting en jaarstukken. Doelstelling van deze notitie is het bevorderen van een eenduidige handelwijze met betrekking tot rente door gemeenten (harmonisering), stimuleren dat gemeenten de (verwachte) werkelijke rentelasten opnemen in de begroting en de jaarstukken en het eenduidig inzichtelijk maken van de wijze waarop de gemeenten met rente zijn omgegaan (transparantie). De belangrijkste wijziging betreft de rentetoerekening aan de grondexploitaties. Vanaf 2016 was in verband met de invoering van de Vennootschapsbelasting (Vpb) voor grondexploitaties de rentetoerekening gebaseerd op het gemiddelde rentepercentage over het vreemde vermogen. In de praktijk hanteert de Belastingdienst een andere toerekening van rente aan de grondexploitaties. Hiermee is de noodzaak voor een afwijkend rentepercentage voor grondexploitaties vervallen en ligt het voor de hand de renteomslag ook te gebruiken voor de rente aan de grondexploitaties. In het publiekrechtelijke kostenverhaal bij faciliterende grondexploitaties moet overeenkomstig de Omgevingswet voor de rentetoerekening wel een ander rentepercentage worden gehanteerd. Bij kostenverhaal op basis van een overeenkomst kunnen uiteraard ook afspraken worden gemaakt over het verrekenen van rente.

De hoogte van het rentepercentage is dan onderdeel van de afspraken in de overeenkomst en kan afwijken van de omslagrente. De bepalingen en richtlijnen van deze notitie treden in werking met ingang van het begrotingsjaar 2025. Eerdere toepassing bij de begroting 2024 is toegestaan. Met het verschijnen van deze notitie wordt de eerdere versie (gepubliceerd in 2017) buiten werking gesteld.

Kadernota 2026

20

Notitie structurele en incidentele baten en lasten 2024 In 2024 is deze notitie aangevuld naar aanleiding van de publicatie van de Notitie incidenteelstructureel voor het Bestuurlijk Overleg Financiële verhoudingen (BOFv) van 21 november 2023 Hierin zijn afspraken vastgelegd en verduidelijkingen opgenomen over de verschillende vraagstukken die onder de noemer incidenteel/structureel worden geschaard. Het wordt gemeenten door de financieel toezichthouders met ingang van 2024 onder voorwaarden toegestaan om het surplus van de algemene reserve ruimer in te zetten. Hierbij wordt benadrukt dat het BBV en de uitingen van de commissie BBV als leidend worden bestempeld bij de uitleg van het begrip incidentele baten en lasten. Deze notitie bevat een nieuw hoofdstuk dat specifiek gericht is op raadsleden. Op grond van artikel 189 Gemeentewet ziet de raad erop toe dat de begroting structureel en reëel in evenwicht is. Hiervan kan de raad afwijken indien aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht. Met structureel evenwicht wordt bedoeld dat structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Met reëel evenwicht wordt bedoeld dat de geraamde baten en lasten in de begroting en meerjarenraming volledig en realistisch zijn.

De gemeente moet zich rekenschap geven van daadwerkelijk te verwachten groei of afname van baten en lasten. Voor het inzicht in de financiële positie op korte en langere termijn is het voor de raad van groot belang om een goed beeld te hebben van het structureel begrotingssaldo. Ook bij het nemen van besluiten met grotere financiële gevolgen is het van belang dat raadsleden kunnen zien wat de gevolgen daarvan zijn op langere termijn. Doel van deze notitie is om het onderscheid tussen incidentele en structurele baten en lasten te verduidelijken, zodat de begrippen ‘incidenteel’ en ‘structureel’ meer eenduidig toegepast worden. Kadernota rechtmatigheid 2024 De commissie BBV geeft via de kadernota rechtmatigheid haar visie over de invulling van het begrip rechtmatigheid in de rechtmatigheidsverantwoording van de decentrale overheden conform artikel 75, lid 2 BBV. De kadernota rechtmatigheid wordt door de commissie BBV geactualiseerd als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Voor de jaarrekening 2023 was hier aanleiding toe omdat in aansluiting op de aanpassing van de Gemeentewet en Provinciewet het Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties in de IBI‐nieuwsbrief 121 heeft geadviseerd de rechtmatigheidsverantwoording in de jaarrekening 2023 op te nemen.

Met ingang van het verslagjaar 2023 wordt de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders (‘college’) voor de rechtmatigheid benadrukt doordat het college een verantwoording over rechtmatigheid af geeft in plaats van de accountant. Deze wijziging komt voort uit het rapport ‘Vernieuwing van de begroting en verantwoording van gemeenten’ van de commissie Depla. Het uitgangspunt van de wetgever is dat de reikwijdte van de verantwoording door het college niet wijzigt ten opzichte van de situatie waarin de accountant een oordeel gaf. Naar aanleiding van het eerste verslagjaar 2023 waarin de rechtmatigheidsverantwoording 2023 was opgenomen heeft de commissie vragen, ervaringen, aanbevelingen en adviezen ontvangen. Deze hebben geleid tot aanpassingen in deze Kadernota rechtmatigheid 2024. Deze kadernota bevat een hoofdstuk dat specifiek gericht is op raadsleden. Op grond van artikel 213 Gemeentewet stelt de raad bij verordening regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst. De commissie merkt op dat de kadernota bewust niet (meer) is gericht op de accountantscontrole. Dit is het gevolg van het verdwijnen van het separate oordeel van de accountant over rechtmatigheid.

Kadernota 2026

21

3.

Ontwikkelingen

Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de ontwikkelingen die in 2026 en volgende jaren op ons afkomen. Het is uitdrukkelijk de bedoeling een realistisch beeld neer te zetten over de financiën van onze gemeente. Deze kadernota kan dienen als discussiestuk om na te gaan welke maatregelen genomen kunnen worden, om het gezonde en voorzichtige financiële beleid van de gemeente voort te zetten. Opgemerkt wordt dat de beschreven ontwikkelingen een momentopname zijn. De inhoud van deze kadernota moet dan ook gezien worden als dynamisch. Zodra er ontwikkelingen zijn, wordt de informatie bijgesteld en wordt de raad geïnformeerd door een raadsinformatiebrief of wordt de laatste stand van zaken verwerkt in de 1e begrotingswijziging 2026. In de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat posten, kleiner dan € 50.000, niet toegelicht hoeven te worden. Omdat er maar 2 posten in deze kadernota staan die kleiner zijn dan € 50.000 is er voor gekozen om alle posten toe te lichten. Subsidies worden te allen tijde toegelicht ook al is het bedrag lager dan € 50.000.

Programma’s 1 Bevolking en bestuur  3.1.1 Ict-devices en telefonie nieuwe decentrale politieke ambtsdragers Ingevolge het nieuwe Rechtspositiebesluit (en de daarop gebaseerde vastgestelde nieuwe verordening Rechtspositie raads- en commissieleden 2025) hebben alle raads- en commissieleden recht op informatie- en communicatievoorzieningen die hen door de gemeente ter beschikking worden gesteld voor de duur van de uitoefening van hun functies. Na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2026 moet een en ander weer geëffectueerd worden. Op basis van het huidig aantal raadsen commissieleden (23 + 40) betekent dit dat grofweg met een budget van € 100.000 rekening moet worden gehouden. Programma 2 openbare orde en veiligheid Geen mutaties Programma 3 Beheer openbare ruimte  3.3.1 Toezichthouden uitbreiden ondergrondse netwerkstructuur Vanaf 2026 vinden uitbreidingen plaats aan de structuur van het ondergrondse stroomnetwerk. Deze activiteiten hebben directe impact op onze leefomgeving en de kwaliteit van de openbare ruimte. De huidige bezetting van toezichthouders is niet voldoende om een langdurig project van deze omvang te monitoren. Inhuur van een toezichthouder is noodzakelijk. Voorgesteld wordt het budget te verhogen van 2026 tot met 2028 met € 120.000 per jaar. 

3.3.2 Afvalbegroting RWM start vanaf 2026 met de voorbereidingen van een nieuwe huisvesting. De kosten van grondaankoop en nieuwbouw worden naar rato doorbelast aan alle aandeelhouders. De hoogte van de doorbelasting is nog niet bekend. De milieuparken, binnen het RWM werkgebied Beek, Echt-Susteren, Sittard-Geleen en Stein, worden de komende jaren geoptimaliseerd door het maken van efficiënte keuzes in zowel locaties als voorzieningen ten gunste van de spreiding en dienstverlening. De kosten van de optimalisatie zijn nog niet bekend. Een deel van onze afvalinzameling verloopt via ondergrondse containers (OGI's). Een groot aantal ondergrondse restvalcontainers zijn technisch afgeschreven en zijn aan vervanging toe. In combinatie met een uitfasering van het afvalemmergebruik de komende jaren is vervangen, herpositioneren en vernieuwen van de ondergrondse afvalcontainers noodzakelijk. De kosten van dit project zijn nog niet voorhanden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=c099928b-f353-47e1-a2b3-c6f508da8e7e