CConstaterende datEcht-Susteren
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagen bij toelichting bestemmingsplan 150kV Born-Graetheide Vastgesteld

Commissie Omgeving 13 september 2021, gemeente Echt-SusterenBij agendapunt: Bestemmingsplan Uitbreiding Hoogspanningsnet Born-Graetheide23.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

N.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwe rken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1.

grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;

2.

het verlagen van het waterpeil;

3.

het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

4.

het aanleggen van ondergrondse transport -, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houden de constructies, installaties of apparatuur.

b.

Het verbod, als bedoeld in lid 4, sub a, is niet van toepassing indien: 1.

mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad;

2.

mede op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat archeologische waarden op de betrokken locatie niet aanwezig zijn;

c.

3.

de werken een oppervlakte hebben tot ten hoogte xx m2 of smaller zijn dan 1 m1;

4.

er reeds een verleende aanlegvergunning, ontgrondin gvergunning of omgevingsvergunning is verleend;

5.

de werken reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan;

6.

de werken behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;

7.

de werken ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

Voor zover mede op basis van archeologisch onderzoek bepaald is dat de in lid 4, sub a genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kunnen aan de vergunning de volgende voorwaarden worden verbonden: 1.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;

2.

de verplichting tot het doen van opgravingen of;

3.

de verplichting de uitvoering van de bodemverstorende activiteit te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificatie.

Bijlage 1: Meldingsplicht Bij een verstoringsdiepte groter dan 30 cm geldt altijd een meldingsplicht voor de aanvang van de werkzaamheden. Dit betekent dat in de omgevingsvergunning moet worden opgenomen dat de aanvang van het bouwrijp maken van het perceel moet worden gemeld bij de gemeentelijk archeoloog. De volgende teksten zullen worden opgenomen in de omgevingsvergunning: 1. De aanvang van het bouwrijp maken van het perceel dient twee weken voor de werkstart aan de gemeentelijk archeoloog te worden gemeld per email (marion.aarts@sittardgeleen.nl) 2. De mogelijkheid dat er in het plangebied archeologische vondsten worden gedaan, wordt – gezien de hoge archeologische verwachting en de reeds aangetroffen vindplaatsen in de directe nabijheid – niet uitgesloten. Wij wijzen u nadrukkelijk op uw wettelijke verplichting (Erfgoedwet; paragraaf 5.4) om archeologische vondsten te melden. Bij het doen van vondsten waarvan u vermoedt dat het om archeologische vondsten of sporen gaat bent u verplicht deze onmiddellijk te melden bij de bevoegde instantie, in dit geval de gemeente. U kunt uw vondsten melden bij de gemeentelijk archeoloog Mw. M. Aarts (046-4777456) en aan de gemeentelijk projectleider of de gemeentelijk contactpersoon van uw project.

Rapport Projectnummer: 369538 Referentienummer: SWNL0263711 Datum: 14-01-2021

Archeologisch onderzoek Born-Graetheide. Inventariserend veldonderzoek verkennende fase, gemeente Sittard-Geleen en Echt-Susteren SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2364

Definitief 1

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Cesco Paré Adviseur Archeologie T +31 88 811 41 93 M +31 6 53 96 20 28

Verantwoording Titel

Subtitel

Archeologisch onderzoek Born-Graetheide. Inventariserend veldonderzoek verkennende fase, gemeente Sittard-Geleen en Echt-Susteren SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2364

ISSN-nummer

2468-4813

Projectnummer

369538

Referentienummer

SWNL0263711

Revisie

D1

Datum

14-01-2021

Auteur

Cesco Paré Wouter Weerheijm KNA-prospector 38767204

E-mailadres

cesco.pare@sweco.nl

Gecontroleerd door

Jeroen van Rooij MA (senior KNA-prospector, actornummer 596281)

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Jeroen van Rooij MA, teammanager

Paraaf goedgekeurd

Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 ’Archeologie’ (versie 4.1) en de protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1).

2 (24)

Administratieve gegevens Uitvoerder Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kaartbladnummer Kadastrale gegevens x/y-coördinaten

Opdrachtgever

Onderzoeksmeldingsnummer Archis monumentnummer Archis waarnemingsnummer Oppervlakte plangebied Bevoegde overheid

Projectmedewerker Periode van uitvoering

Beheer en plaats van documentatie

Sweco Nederland B.V. Limburg Sittard-Geleen, Echt-Susteren Born, Graetheide Born-Graetheide 60W meerdere N x:186128 / M x:185468 / Z x:186525 / TenneT TSO BV Utrechtseweg 310 6812AR ARNHEM 4757709100 Circa 198 hectare Gemeente Sittard-Geleen Ruimtelijk Beleid Team Ruimtelijke Ontwerp Mevr. drs. M.E.N. Aarts E-mail: marion.aarts@sittard-geleen.nl

y:340115 y:337562 y:334645

Gemeente Echt-Susteren Contactpersoon Archeologie en Monumenten Mevr. M.P.A.P. Stokbroekx Vergunningverlener/bouwplantoetser Team Wabo E-mail: marielle.stokbroekx@servicecentrum-mer.nl C.A. Paré MSc Veldwerk: december 2019 – februari 2020 Concept rapportage: juli – november 2020 december 2020 Sweco Nederland B.V. De Bilt

3 (24)

Inhoudsopgave Samenvatting ......................................................................................................................... 5 1

Inleiding .................................................................................................................. 8

1.1

Aanleiding van het onderzoek ................................................................................. 8

1.2

Noodzaak van het onderzoek .................................................................................. 9

1.3

Archeologische verwachting .................................................................................... 9

2

Veldonderzoek ..................................................................................................... 10

2.1

Doelstelling en vraagstelling .................................................................................. 10

2.2

Methodiek .............................................................................................................. 10

2.3

Resultaten en interpretatie .................................................................................... 11

2.3.1

Bodemopbouw ....................................................................................................................11

2.3.2

Archeologie .........................................................................................................................20

3

Conclusie .............................................................................................................. 21

3.1

Synthese ................................................................................................................ 21

3.2

Conclusie ............................................................................................................... 21

3.3

Advies .................................................................................................................... 22

3.4

Selectieadvies bevoegd gezag .............................................................................. 22

Literatuurlijst en gebruikte bronnen .................................................................................. 24

Bijlage 1.

Locatie plangebied

Bijlage 2.

Locatie boringen

Bijlage 3.

Boorprofielen

Bijlage 4.

Geomorfologische kaarten

Bijlage 5.

Bodeminterpretatiekaarten

Bijlage 6.

Archeologisch advies nr. SIT20a08 door Marion Aarts, gemeente SittardGeleen

4 (24)

Samenvatting In opdracht van Tennet TSO B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch verkennend booronderzoek uitgevoerd naar een toekomstig kabeltracé tussen Born en Graetheide, in de gemeenten Echt-Susteren en Sittard-Geleen. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen van de opdrachtgever om een 150kV kabelverbinding te realiseren tussen de bestaande hoogspanningsstations Born en Graetheide. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten (op basis van landschap, grondwaterstanden et cetera). Het gaat dan om een brede archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode vanaf het Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In principe is vanaf het Paleolithicum al menselijke bewoning en activiteit mogelijk geweest binnen het plangebied. De mogelijke archeologische sporen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum/Mesolithicum tot nederzettingsterreinen uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd.

Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in de noordelijke helft van het plangebied, daar waar volgens de geomorfologische kaart dalvlakteterrassen en dalvormige laagtes zijn gekarteerd, bestaat uit terrasafzettingen (ooivaaggronden) en in de zuidelijke helft van het plangebied uit lössafzettingen (kuil- en radebrikgronden). Het archeologische niveau bevindt zich naar verwachting onder de bouwvoor. Er hebben geen omvangrijke verstoringen plaatsgevonden in het gebied. Er zijn echter ook geen duidelijke archeologische lagen herkend of indicatoren aangetroffen, maar dat was ook niet het doel van dit booronderzoek. Enkele losse boringen daargelaten, zijn er geen aanwijzingen aangetroffen die er op duiden dat de bodem dieper dan de omgewerkte bouwvoor is verstoord. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied vervolgonderzoek aanbevolen. Het wordt geadviseerd om archeologisch inventariserend vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van proefsleuven (IVO-P) en daarbij direct door te kunnen starten naar een opgraving (DO) indien daar aanleiding toe is. Voor het plangebied grenzend aan het NedCar parkeerterrein (boorpunt 12 t/m 19) wordt, indien de werkzaamheden hier niet d.m.v.

gestuurde boring kunnen worden uitgevoerd, geadviseerd de werkzaamheden archeologisch te laten begeleiden (DO variant begeleiding) omdat de strook van de berm hier geen praktische uitvoering van een proefsleuvenonderzoek toelaat. Selectiebesluit bevoegde overheid De conceptversie van deze rapportage is aan de bevoegde overheid ter beoordeling voorgelegd. De bevoegde overheid heeft aangegeven in te stemmen met het advies. 1 Daarbij heeft de gemeente aangegeven dat er tijdens het vervolgonderzoek eisen vanuit de gemeente zullen worden gesteld wat betreft kennis en ervaring van het veldteam in lössbodems en de archeoregio. De toetslijst van de gemeente is als bijlage aan deze rapportage toegevoegd. Het rapport is niet door de gemeente Echt-Susteren beoordeeld Nawoord 1

Archeologisch advies nr. SIT20a08 door Marion Aarts, gemeente Sittard-Geleen & mailcontact M. Aarts (gemeente Sittard-Geleen) en C.A. Paré (Sweco), d.d. 2-12-2020.

5 (24)

Na de beoordeling van de bevoegde overheid is de opdrachtgever tot een iets gewijzigd tracé gekomen. Op basis van het gewijzigde tracé zijn de kaarten in het rapport en de kaartbijlagen opnieuw uitgedraaid met als enige wijziging de versie van het geprojecteerde tracé. Dit heeft er toe geleid dat de locaties van de uitgevoerde boringen op enkele plekken afwijken van het uiteindelijke tracé.

6 (24)

Tabel 1 Overzicht van archeologische perioden2 Periode Tijd Laat-Paleolithicum (Oude Steentijd) Mesolithicum (Midden Steentijd) 9.000 v.Chr.

tot -

9.000 v.Chr. 4.900 v.Chr.

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

5.325 v.Chr.

-

1.900 v.Chr.

Bronstijd

1.900 v.Chr.

-

800 v.Chr.

IJzertijd

800 v.Chr.

-

12 v.Chr.

Romeinse Tijd

12 v.Chr.

-

450 n.Chr.

Vroege Middeleeuwen

450

-

1.050 n.Chr.

Late Middeleeuwen

1.050

-

1.500 n.Chr.

Nieuwe Tijd

1.500

-

heden

Tabel 2 Indeling van het Kwartair chronostratigrafie Kwartair Holoceen Subatlanticum Subboreaal Atlanticum Boreaal Preboreaal Pleistoceen Laat Weichselien (ijstijd) Eemien Midden Saalien (ijstijd) Elsterien (ijstijd) Vroeg

2

jaren geleden 3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 130.000 120.000 130.000 800.000 200.000 400.000 2.400.000 -

heden 3.000 5.000 8.000 9.000 10.000 10.000 120.000 130.000 130.000 315.000 800.000

Bron: Brandt e.a., Archeologisch Basis Register 1992.

7 (24)

1

Inleiding

1.1 Aanleiding van het onderzoek Als onderdeel van het project 'Versterken 150 kV-net Born-Graetheide' dient een nieuwe ondergrondse 150 kV-hoogspanningsverbinding gerealiseerd te worden tussen de 150 kVhoogspanningsstations Born en Graetheide in Zuid-Limburg. De versterking van het 150 kV-net tussen de stations Born en Graetheide maakt onderdeel uit van een grotere versterking van het hoogspanningsnet in de regio. Op basis van een tracéstudie is een voorkeursalternatief (VKA) tussen beide stations gekozen. Binnen het VKA is vervolgens een definitief tracé bepaald (hierna te noemen: plangebied). Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Binnen het plangebied hebben diverse veldwerkzaamheden plaats gevonden welke input hebben gevormd voor de conditionerende onderzoeken.

Figuur 1: de ligging van het plangebied.

8 (24)

1.2 Noodzaak van het onderzoek Het plangebied ligt in de provincie Limburg, binnen de gemeenten Sittard-Geleen en EchtSusteren. Het plangebied bestaat uit een ongeveer 8 kilometer lang tracé waarbinnen een 150 kV-verbinding zal worden aangelegd. Hierbij worden graafwerkzaamheden uitgevoerd die de eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen verstoren. Op de locaties waar open ontgravingen gepland zijn zullen deze een breedte tot 6 meter hebben en een diepte van 1,5 tot 2 meter beneden maaiveld. Daarnaast worden er bouwputten gerealiseerd voor persingen (circa 10 bij 15 meter). Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Onderhavig inventariserend onderzoek draagt bij aan de waarborging van het aspect archeologie binnen dit nieuwe bestemmingsplan.

1.3 Archeologische verwachting In het kader van dit project is reeds een archeologisch bureauonderzoek 3 uitgevoerd, op basis waarvan is geadviseerd een verkennend booronderzoek uit te voeren op de locaties waar open ontgravingen gaan plaatsvinden en waar een verhoogde archeologische verwachting geldt: ” Hoewel het plangebied weinig bekende archeologische waarden kent, heeft het plangebied volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaarten wel overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten (op basis van landschap, grondwaterstanden et cetera). Het gaat dan om een brede archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode vanaf het Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In principe is vanaf het Paleolithicum al menselijke bewoning en activiteit mogelijk geweest binnen het plangebied. De mogelijke archeologische sporen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum/Mesolithicum tot nederzettingsterreinen uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Binnen het plangebied zijn veel vondstlocaties uit deze perioden bekend. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen en houtskool; tot de tweede categorie behoren o.a.

grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Deze sporen kunnen in principe op of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen. Voor de periode Nieuwe tijd zijn op basis van historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen voor bewoning aangetroffen; dit kan echter ook niet geheel worden uitgesloten. Mogelijk kunnen binnen het plangebied nog sporen van verkaveling of agrarisch landgebruik worden aangetroffen.”4

3

Paré, C. & W. Weerheijm, 2019. Bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie. Versterken 150kV-net BornGraetheide. SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2233. Eindconcept. 4 Paré, C. & W. Weerheijm, 2019. Bureauonderzoek archeologie en cultuurhistorie. Versterken 150kV-net BornGraetheide. SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2233. Eindconcept.

9 (24)

2

Veldonderzoek

2.1 Doelstelling en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting. Het inventariserend veldonderzoek (IVO) is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4003 en bestaat uit: 1. Controle aanwezigheid en volledigheid informatie (LS05, LS06 PS05, VS05, VS07) 2. Opstelling Plan van Aanpak IVO-Overig (VS01, SP01, VS08) 3. Aanmelden onderzoek bij Archis 4. Uitvoeren veldwerk IVO-Overig (VS02, VS03, VS04) 5. Melden eerste bevindingen onderzoek bij Archis 6. Uitwerken vondsten en (boor)monsters (VS03, SP02) 7. Analyseren resultaten IVO-Overig (VS02, VS03, VS04) 8. Opstellen standaardrapport IVO-Overig en waardering (VS05, VS06) 9. Opstellen selectieadvies (VS07) 10. Aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis 11. Aanleveren van analoge projectdocumentatie (DS01, DS02, OS17) 12. Aanleveren van vondsten en monsters (DS03, OS17) 13. Aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05) 14. Verwijderen gedeselecteerde vondsten en monsters (OS13) Het Inventariserend Veldonderzoek bestaat uit een booronderzoek verkennende fase.

De gekozen onderzoeksmethode voor het veldwerk is gebaseerd op de resultaten van het bureauonderzoek (uitmondend in de gespecificeerde archeologische verwachting) en het protocol inventariserend veldonderzoek uit de KNA versie 4.1 (protocol 4003). Voorafgaand aan het veldonderzoek is een Plan van Aanpak opgesteld. Onderhavig booronderzoek is, met uitzondering van het aantal uitgevoerde boringen (zie onder), uitgevoerd conform het Plan van Aanpak. Vanwege het ontbreken van betredingstoestemming voor enkele percelen of de onbegaanbaarheid van het perceel zijn er 101 boringen in plaats van de oorspronkelijk 146 boringen uitgevoerd. De in onderhavige rapportage opgestelde conclusies en adviezen gelden enkel voor de locaties waar de boringen zijn uitgevoerd. Met het verkennend booronderzoek is de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan bepaald.

Het leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: • Wat is de bodemopbouw in het plangebied? • Is deze opbouw nog intact? • Zijn (mogelijke) archeologische waarden aanwezig in het plangebied?  Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? • In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? • In hoeverre worden de (mogelijke) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? • Is het plangebied voldoende onderzocht?  Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? 2.2 Methodiek Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht op 19, 20, 23, 24 en 25 maart 2020 door Wouter Weerheijm (KNA-prospector 38767204), Leonie Ouwerkerk (KNAprospector 92218907), Jeroen van Rooij (senior KNA-prospector 19995135), Jorick Palma,

10 (24)

en Cesco Paré (junior archeoloog). Hierbij zijn 101 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 centimeter. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 meter in de C-horizont en/of tot een maximale diepte van 2 meter beneden maaiveld. De boringen zijn gezet in een grid van om de 50 meter een boring. De boorpunten zijn ingemeten met behulp van een handheld-GPS. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald met behulp van het Actueel Hoogtemodel Nederland (AHN3, ahn.nl). De opgeboorde grond is onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren, zoals verbrand of bewerkt vuursteen, houtskool, verbrand bot en aardewerk. Verder is gekeken naar bodemverkleuringen die zouden kunnen wijzen op mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen. De boorprofielen zijn lithologisch beschreven conform NEN5104 en de STIBOKA legenda. 2.3 Resultaten en interpretatie De locaties van de boringen worden weergegeven in bijlage 2. De tekeningen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3. Bijlage 5 toont een overzicht van de boorinterpretatiekaarten, waarop is aangegeven welk bodemtype in welke boring is aangetroffen en waar de boringen liggen op de bodemkaart.

2.3.1 Bodemopbouw De laagopeenvolging in de bodemopbouw wordt van beneden naar boven beschreven. Vanwege de grote hoeveelheid uitgevoerde boringen is er ten behoeve van de leesbaarheid van deze rapportage voor gekozen om de bodemopbouw van de uitgevoerde boringen in vijf clusters te bespreken.

11 (24)

2.3.1.1 Cluster A = boorpunt 4 t/m boorpunt 19 Kartering conform bodemkaart: Ooivaaggronden (KRd1) en Poldervaaggronden (Ln5). Kartering conform geomorfologische kaart: Dalvlakteterras (E44) en Dalvorminge laagte (R23).

Figuur 2: Boorpunten cluster A.

Boring 4 t/m 10 De basis van het bodemprofiel in boring 4 t/m boring 10 bestaat uit matig tot zeer grof, sterk tot zwak siltig, zwak grindig, lichtbruin tot beige zand. In boring 4 is deze laag op een diepte van 115 centimeter beneden maaiveld (31,25 meter NAP) aangetroffen. In de overige boringen is deze laag rond de 70 centimeter beneden maaiveld (31,30 meter NAP) aangetroffen. Deze laag is in alle boringen kalkloos. Boven deze laag zijn twee lagen aangetroffen waarvan de onderste bestaat uit sterk zandige, zwak grindige, kalkloze, lichtgrijze/bruine leem en op een diepte van rond de 40 centimeter beneden maaiveld is aangetroffen (31,80 meter NAP). De bovenste laag löss bestaat uit sterk zandige, zwak grindige, zwak humeuze, lichtgrijze/bruine leem en is vanaf een diepte van rond de 30 centimeter beneden maaiveld (31,90 meter NAP) aangetroffen. Hierboven bevindt zich de bouwvoor die bestaat uit sterk zandige, zwak grindige, matig humeuze, donkerbruine/grijze kalkrijke klei. Interpretatie Het profiel bestaat uit natuurlijke afzettingen in de vorm van terrasafzettingen waarvan de basis zandig is en naar boven toe lemiger. Hierboven bevindt zich de omgewerkte bouwvoor met een dikte van 30 centimeter. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied van ooivaaggronden. Dit bodemtype is ook tijdens de boringen aangetroffen.

12 (24)

Boring 11 t/m 19 De basis van het bodemprofiel in boring 11 t/m 19 bestaat uit sterk zandige, zwak grindige, neutraal beige/grijze leem en is op een diepte van rond de 85 centimeter beneden maaiveld (31,80 meter NAP) aangetroffen. In boring 11 bestaat de basis van de bodemopbouw uit sterk zandige klei (waarschijnlijk een oude geulvulling want deze boring ligt pal naast een sloot). Deze boring ligt naast de Venkebeek, een zijtak van de Geleenbeek.5 Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, zwak grindige, lichtgrijze/bruine, plaatselijk ijzerhoudende leem vanaf een diepte van rond de 70 centimeter beneden maaiveld (31,95 meter NAP). Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, zwak grindige, zwak humeuze, lichtbruine/grijze leem vanaf een diepte van rond de 30 centimeter beneden maaiveld (32,20 meter NAP). Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, matig tot sterk humeuze, donkerbruine/grijze leem dat vanaf het maaiveld aanwezig is. In boring 18 is de bodem tot 90 centimeter beneden maaiveld (31,70 meter NAP) omgewerkt. In boring 11 bestaat de top van het bodemprofiel uit sterk zandige, zwak grindige, matig humeuze, donkerbruine/grijze klei. Boring 13 diende gestaakt te worden vanwege een grind fractie op 95 centimeter beneden maaiveld (31,65 meter NAP).

Boring 14 werd gestaakt door een laag keien op een diepte van 90 centimeter beneden maaiveld (31,70 meter NAP) en boring 15 werd gestaakt door een grindlaag op een diepte van 65 centimeter beneden maaiveld (32,05 meter NAP). Interpretatie Het profiel bestaat uit natuurlijke afzettingen in de vorm van terrasafzettingen waarvan de basis zandig is en naar boven toe lemiger. De omgewerkte bouwvoor is hier 30 centimeter dik, met uitzondering van boring 18 waar de bodem tot 90 centimeter beneden maaiveld is verstoord. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in of naast een gebied van poldervaaggronden. Tijdens het booronderzoek zijn enkel ooivaaggronden aangetroffen. 2.3.1.2 Cluster B = boorpunt 20 t/m boorpunt 38 Kartering conform bodemkaart: Ooivaaggronden (KRd1) en Poldervaaggronden (Ln5). Kartering conform geomorfologische kaart: Dalvlakteterras (E44).

Aanvulling door G. Hensen als reactie op versie C1 van dit rapport: “Bij eerder booronderzoek in het gebied zijn geen typische beekafzettingen aangetroffen, waardoor vermoed wordt dat het hier om een rechtgetrokken deel van de beek gaat. Dit zal vervolgonderzoek moeten uitwijzen (zie hiervoor Roggen, 2016, Pasveld-Born (zaakid. 3292872100).” 5

13 (24)

Figuur 3: boorpunten cluster B.

Boorpunt 20 t/m boorpunt 30 De basis van het bodemprofiel in boorpunt 20 t/m 30 bestaat uit sterk zandige, zwak grindige, neutraal beige leem dat plaatselijk roestvlekken bevat of matig fijn, uiterst siltig zand met roestvlekken. Deze laag is op een diepte van 80 centimeter beneden maaiveld (32,10 meter NAP) aangetroffen. Hierboven bevindt zich een laag zwak zandig, lichtbruine/grijze leem wat naar onderen toe meer roesthoudend wordt. Deze laag is vanaf een diepte van 30 centimeter beneden maaiveld (32,55 meter NAP) aangetroffen. Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, matig humeuze, donkerbruine/grijze leem vanaf het maaiveld. In de laag sterk zandige, zwak grindige, neutraal beige leem met roestvlekken zijn in boring 22 stukjes natuurlijk vuursteen aangetroffen. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit natuurlijke sterk zandige, zwak grindige leemafzettingen tot matig fijn, uiterst siltig zand. Naar boven toe wordt het leem minder zandig. Deze laag wordt geïnterpreteerd als terrasafzettingen afgedekt met een pakket löss. De omgewerkte bouwvoor is hier ongeveer 30 centimeter dik. Boring 20 t/m 23 liggen op de bodemkaart uit 2014 in een gebied met ooivaaggronden. Boring 24 t/m 30 liggen op die in een gebied met poldervaaggronden. In al deze boringen zijn tijdens het booronderzoek ooivaaggronden aangetroffen.

Boorpunt 31 t/m boorpunt 38 De basis van het bodemprofiel in boorpunt 31 t/m 38 bestaat uit zwak zandige, lichtbruine tot neutraal beige leem of matig grof, matig siltig lichtbruin zand. Deze laag is aangetroffen

14 (24)

op een diepte van rond de 130 centimeter beneden maaiveld (34,0 meter NAP). Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, lichtbruine leem dat is aangetroffen op een diepte van rond de 70 centimeter beneden maaiveld (34,60 meter NAP). Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, zwak humeuze, lichtbruine leem dat aanwezig is op een diepte van rond de 20 centimeter beneden maaiveld (35,10 meter NAP). Hierboven bevindt zich vanaf het maaiveld een laag zwak zandige, matig tot sterk humeuze, donkerbruine leem. Boring 34 bleek geheel verstoord en is op een diepte van 100 centimeter beneden maaiveld (33,90 meter NAP) gestuit op steenresten, waardoor de boring gestaakt werd. Boring 36 is op een diepte van 150 centimeter beneden maaiveld (33,50 meter NAP) gestuit op (vermoedelijk van nature aanwezig) grind. Interpretatie Het gehele profiel bestaat uit zwak zandige leem. De basis van het profiel is plaatselijk omschreven als matig siltig zand. De lössafzettingen zijn natuurlijk. De omgewerkte bouwvoor is hier zo’n 20 centimeter dik. Deze boorpunten liggen volgens de bodemkaart uit 2014 in een gebied met ooivaaggronden. Ook tijdens het booronderzoek zijn in deze boringen ooivaaggronden aangetroffen. 2.3.1.3 Cluster C = boorpunt 52 t/m boorpunt 72 Kartering conform bodemkaart: overgang van Kuilbrikgronden (BLn5) naar Poldervaaggronden (Lnd5) naar Radebrikgronden (BLd5).

Kartering conform geomorfologische kaart: Daluitspoelingswaaier (G21), Dalvorminge laagte (R23), Lösswand (A51) en Tussenterras (E42).

Figuur 4: boorpunten cluster C.

15 (24)

Boorpunt 52 t/m 61 De basis van het bodemprofiel in boorpunt 53 t/m 61 bestaat uit matig grof, matig siltig, zwak grindig, lichtbruin/grijs zand of sterk zandige, lichtbruine/grijze leem. Deze laag is op een diepte van circa 90 centimeter beneden maaiveld (34,80 meter NAP) aangetroffen en is plaatselijk ijzerhoudend. Hierboven is een laag zwak zandige, zwak humeuze, neutraal bruine/grijze leem aanwezig vanaf een diepte van circa 25 centimeter beneden maaiveld ( 35,45 meter NAP) aangetroffen. Hierboven is een laag zwak zandige, matig humeuze, donkerbruine/grijze leem aanwezig vanaf het maaiveld. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit een natuurlijke laag matig siltig, zwak grindig zand dat plaatselijk is omschreven als sterk zandige leem. Deze laag is geïnterpreteerd als terrasafzettingen. Hierboven is een circa 90 centimeter dik pakket zwak zandige, humeuze leem aangetroffen waarvan de bovenste 25 centimeter de omgewerkte bouwvoor betreft. De laag onder de bouwvoor is geïnterpreteerd als löss. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boringen in een gebied met kuilbrikgronden. Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bt-horizont niet als zodanig herkend. Boorpunt 67 t/m 72 De basis van het bodemprofiel in de uitgevoerde boorpunten tussen nr. 67 t/m 72 bestaat uit zwak zandige, lichtgrijze/bruine leem met plaatselijk ijzer.

Deze laag is aangetroffen op een diepte van circa 100 centimeter beneden maaiveld (36,40 meter NAP). In boring 70 en 72 bestaat de basis van het bodemprofiel uit matig grof, matig siltig, bruin zand vanaf 80 tot 100 centimeter beneden maaiveld (38,50 meter NAP tot 41,20 meter NAP). Hierboven is een laag zwak zandige, zwak humeuze, lichtbruine en ijzerhoudende leem aanwezig. Deze laag is aangetroffen op een diepte van rond de 30 centimeter beneden maaiveld (38,85 meter NAP). In boring 69 is op een diepte van 35 centimeter beneden maaiveld (37,05 meter NAP), een laag zwak zandige, zwak humeuze, neutraal bruine leem aangetroffen. Hierboven is vanaf het maaiveld een laag zwak zandige, matig humeuze donkerbruine/grijze leem aanwezig met plaatselijk resten baksteen. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit zwak zandige leem, dat is geïnterpreteerd als löss, of plaatselijk uit matig grof, matig siltig zand, dat is geïnterpreteerd als terrasafzetting. Hierboven is een 70 centimeter dikke laag zwak zandige, zwak humeuze leem (löss) aangetroffen waar in boring 69, op een diepte van 35 centimeter beneden maaiveld (37,05 meter NAP), een mogelijk restant van een B-horizont in is herkend. De omgewerkte bouwvoor is hier zo’n 35 centimeter dik. Op de bodemkaart uit 2014 liggen boorpunten 67, 69 en 70 in een gebied met poldervaaggronden.

Boorpunten 71 en 72 liggen op deze kaart in een gebied met radebrikgronden. Waarschijnlijk zijn in al deze boringen radebrikgronden aangetroffen, maar een Bt-horizont is niet als zodanig herkend. 2.3.1.4 Cluster D = boorpunt 75 t/m boorpunt 92 Kartering conform bodemkaart: Radebrik gronden (BLd5). Kartering conform geomorfologische kaart: Lösswand (A51) en Tussenterras (E42).

16 (24)

Figuur 5: boorpunten cluster D.

Boorpunt 75 t/m 92 De basis van het bodemprofiel in de boorpunten nr. 75 t/m 92 bestaat uit zwak zandige, neutraal bruine/grijze/beige leem met plaatselijk sporen roest. Deze laag is aangetroffen op een diepte van 30 tot 50 centimeter beneden maaiveld (45,65 meter NAP tot 50,10 meter NAP). Hierboven is vanaf het maaiveld een laag zwak zandige, zwak humeuze, grijze/bruine leem aanwezig met plaatselijk brokken baksteen. In boring 76, 84 en 90 bestaat de basis van het bodemprofiel uit matig fijn, sterk siltig, bruin zand vanaf 95 tot 190 centimeter beneden maaiveld (45,35 meter NAP tot 48,10 meter NAP). Hierboven bevindt zich in boring 84 een laag zwak siltig, zwak humeus, bruin/grijs zand vanaf een diepte van 30 centimeter beneden maaiveld (48,0 meter NAP). In de overige twee boringen bevindt zich boven de basis van een bodemprofiel een laag zwak zandige, bruine/grijze leem vanaf een diepte van ca. 40 centimeter beneden maaiveld (45,85 meter NAP in boring 76 en 49,70 meter NAP in boring 90). De bovenste bodemlaag bestaat in deze drie boringen uit zwak zandige, matig humeuze, grijze/bruine leem. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit een natuurlijk pakket lössafzettingen bestaand uit zwak zandige leem en plaatselijk uit sterk siltig zand. Dit pakket bevindt zich in de meeste boringen direct onder de 30 tot 50 centimeter dikke omgewerkte bouwvoor.

In enkele verspreide boringen bevindt zich hiertussen nog een laag zwak siltig zand of zwak zandige leem. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied met radebrikgronden.

17 (24)

Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bthorizont niet als zodanig herkend. 2.3.1.5 Cluster E = boorpunt 100 t/m boorpunt 144 Kartering conform bodemkaart: Radebrik gronden (BLd5). Kartering conform geomorfologische kaart: Tussenterras (E42).

Figuur 6: boorpunten cluster E.

Boorpunt 100 t/m 109 De basis van het bodemprofiel in de boorpunten 100 t/m 109 bestaat uit zeer fijn, sterk siltig, bruin/beige zand vanaf een diepte van rond de 180 centimeter beneden maaiveld (49,70 meter NAP tot 52,40 meter NAP). In boring 101, 102, 105 en 109 is deze laag niet aangeboord. Hierboven bevindt zich een laag zwak zandige, zwak humeuze, bruine/grijze leem met plaatselijk sporen roest, vanaf een diepte van 35 centimeter beneden maaiveld (51,10 meter NAP tot 54,40 meter NAP). Deze laag is gevlekt met zwarte spikkels (mangaan). In boring 103, 104 en 108 is deze laag op een diepte van rond de 115 centimeter beneden maaiveld (51,70 meter NAP tot 53,0 meter NAP) sterk zandig (band van ongeveer 25 centimeter). In boring 107 is in deze laag een baksteensplinter aangetroffen op een diepte van 80 centimeter beneden maaiveld (52,30 meter NAP). Hierboven is een laag zwak zandige, zwak humeuze, grijze/bruine leem aanwezig vanaf het maaiveld. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit sterk siltig zand of zwak zandige leem wat is geïnterpreteerd als natuurlijke lössafzettingen. De omgewerkte bouwvoor is hier zo’n 35 centimeter dik.

18 (24)

Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied met radebrikgronden. Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bthorizont niet als zodanig herkend. Boorpunt 110 t/m 116 De basis van het bodemprofiel in de boorpunten 110 t/m 116 bestaat uit matig tot zeer fijn, uiterst siltig, beige/bruin zand vanaf een diepte van rond de 130 centimeter beneden maaiveld (53,30 meter NAP tot 54,40 meter NAP). Plaatselijk is de bovenkant van deze laag zwak humeus met sporen roest. Hierboven is een laag zwak zandige, zwak humeuze, bruine/grijze leem met sporen roest aanwezig vanaf een diepte van 20 centimeter beneden maaiveld (54,25 meter NAP tot 55,55 meter NAP). In boring 116 is deze laag tussen de 120 en 140 centimeter beneden maaiveld (vanaf 54,60 meter NAP) sterk zandig. Hierboven is vanaf het maaiveld een laag sterk zandige, zwak humeuze, grijze/bruine leem aanwezig. Interpretatie De basis van het profiel bestaat uit uiterst siltig zand en zwak zandige leem wat is geïnterpreteerd als natuurlijke lössafzettingen. De omgewerkte bouwvoor is hier zo’n 20 centimeter dik en bestaat uit sterk zandig, zwak humeus leem. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied met radebrikgronden. Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bthorizont niet als zodanig herkend.

Boorpunt 118 t/m 130 De basis van het bodemprofiel in de boorpunten 118 t/m 130 bestaat uit matig fijn, uiterst siltig, beige/bruin zand. Deze laag is aangetroffen op een diepte van rond de 100 centimeter beneden maaiveld (56,40 meter NAP tot 53,10 meter NAP). De bovenste 20 tot 50 centimeter van deze laag is plaatselijk bruin/grijs van kleur en zwak humeus met sporen roest. Hierboven is een laag zwak zandige, zwak humeuze, bruine/grijze leem met sporen roest aanwezig vanaf een diepte van 20 tot 50 centimeter beneden maaiveld (56,40 meter NAP tot 53,55 meter NAP). Deze laag is licht gevlekt met wat zwarte spikkels (mangaan). Hierboven is vanaf het maaiveld een laag zwak zandige, zwak humeuze, grijze/bruine leem aanwezig. Interpretatie Het profiel bestaat uit uiterst siltig zand en zwak zandige leem wat is geïnterpreteerd als natuurlijke lössafzettingen. De omgewerkte bouwvoor is hier 20 tot 50 centimeter dik en bestaat uit zwak zandige, zwak humeuze leem. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied met radebrikgronden. Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bthorizont niet als zodanig herkend. Boorpunt 140 t/m 144 De basis van het bodemprofiel in de boorpunten 140 t/m 144 bestaat uit matig fijn, uiterst siltig, bruin tot beige zand met plaatselijk roestvlekken.

Deze laag is aangetroffen op een diepte van rond de 60 tot 120 centimeter beneden maaiveld (52,0 meter NAP tot 52,50 meter NAP). In boring 140 is deze laag zwak humeus en bevat de bovenste 50 centimeter van de laag roest vlekken en grijze vlekken. In boring 141 is deze laag matig grof en matig siltig en aangetroffen op een diepte van 170 centimeter beneden maaiveld (51,90 meter

19 (24)

NAP). In boring 142 bevat deze laag zeer veel brokken roest en is de laag half oranje half grijs gevlekt. In boring 143 is de bovenste 20 centimeter van deze laag zwak humeus. Hierboven bevindt zich een laag zwak zandig, zwak humeus bruin/grijs gevlekte leem met plaatselijk brokken roest. Deze laag is aangetroffen op een diepte van rond de 30 centimeter beneden maaiveld (52,90 meter NAP tot 53,20 meter NAP). Hierboven is vanaf het maaiveld een laag zwak zandig, zwak tot matig humeus, grijze/bruine leem aanwezig. Interpretatie Het profiel bestaat uit uiterst siltig zand en zwak zandige leem wat is geïnterpreteerd als natuurlijke lössafzettingen. De omgewerkte bouwvoor is hier 30 centimeter dik. Op de bodemkaart uit 2014 liggen deze boorpunten in een gebied met radebrikgronden. Deze bodemsoort is tijdens het booronderzoek in alle boringen aangetroffen, al is een Bthorizont niet als zodanig herkend. Dit is vermoedelijk te wijten aan de minimale ervaring van de veldwerker met lössgronden. 2.3.2 Archeologie Er zijn in de boringen geen archeologische indicatoren en/of vondsten aangetroffen, maar dat is ook niet het doel van een verkennend booronderzoek.

20 (24)

3

Conclusie

3.1 Synthese In opdracht van Tennet TSO B.V. heeft Sweco Nederland B.V. een verkennend archeologisch booronderzoek uitgevoerd naar een toekomstig kabeltracé tussen Born en Graetheide, in de gemeenten Echt-Susteren en Sittard-Geleen. De aanleiding voor dit onderzoek is het voornemen van de opdrachtgever om een 150kV kabelverbinding te realiseren tussen de bestaande hoogspanningsstations Born en Graetheide. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat er binnen het plangebied overwegend een middelhoge tot hoge archeologische verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische resten (op basis van landschap, grondwaterstanden et cetera). Het gaat dan om een brede archeologische verwachting voor het aantreffen van resten uit de periode vanaf het Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. In principe is vanaf het Paleolithicum al menselijke bewoning en activiteit mogelijk geweest binnen het plangebied. De mogelijke archeologische sporen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Paleolithicum/Mesolithicum tot nederzettingsterreinen uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot en met de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd.

Uit het veldonderzoek is gebleken dat de bodemopbouw in de noordelijke helft van het plangebied, daar waar volgens de geomorfologische kaart dalvlakteterrassen en dalvormige laagtes zijn gekarteerd, bestaat uit terrasafzettingen (ooivaaggronden) en in de zuidelijke helft van het plangebied uit lössafzettingen (kuil- en radebrikgronden). Het archeologische niveau bevindt zich naar verwachting onder de bouwvoor. Er hebben geen omvangrijke verstoringen plaatsgevonden in het gebied. Er zijn echter ook geen duidelijke archeologische lagen herkend of archeologische indicatoren aangetroffen, maar dat was ook niet het doel van dit booronderzoek. Enkele losse boringen daargelaten, zijn er geen aanwijzingen aangetroffen die er op duiden dat de bodem dieper dan de omgewerkte bouwvoor is verstoord. 3.2 Conclusie De in paragraaf 2.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord:

• Wat is de bodemopbouw in het plangebied? In de noordelijke helft van het plangebied, tot grofweg waar volgens de geomorfologische kaart de grond overgaat van de noordelijke gelegen daluitspoelingswaaiers en dalvormige laagtes naar de zuidelijk (en hoger) gelegen lösswanden en tussenterrassen, bestaat de bodemopbouw uit grove, sterk zandige en zwak grindige terrasafzettingen (pleistoceen) onder een laag zwak zandig löss. De bouwvoor is hier zo'n 20 tot 35 centimeter dik. In de zuidelijke helft van het plangebied bestaat de bodemopbouw uit zwak zandige lössafzettingen. In boring 69 is een mogelijk restant van een B-horizont aangetroffen. De bouwvoor is hier tussen de 20 en 50 centimeter dik.

• Is deze opbouw nog intact? Enkel in drie van de uitgevoerde boringen (nr. 7, 18 en 34) bleek de bodemopbouw van het boorpunt dieper verstoord dan de bouwvoor. De omgewerkte bouwvoor is in het plangebied tussen de 20 en 50 centimeter dik.

• Zijn (mogelijke) archeologische waarden aanwezig in het plangebied?  Zo ja, op welke diepte? Archeologische waarden kunnen in het plangebied direct onder de bouwvoor aanwezig zijn, met uitzondering van de bovengenoemde verstoorde boringen.

21 (24)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=EchtSusteren&id=2cc48c1a-2c91-4205-97a5-28c0150db16b