Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Toetsing bestemmingsplanwijziging Abdij Lilbosch te Echt, november 2023 31
Bijlage 2 Bestemmingsplan Abdij Lilbosch, regels
Quickscan flora en fauna Toetsing bestemmingsplanwijziging Abdij Lilbosch te Echt, november 2023 32
Bijlage 3 Wnb Vergunning (Livar)varkenshouderij aan de Pepinusbrug 6 te Echt, Zaaknummer 2015-1108
Quickscan flora en fauna Toetsing bestemmingsplanwijziging Abdij Lilbosch te Echt, november 2023 33
Bijlage 2 Aanmeldnotitie vormvrije mer beoordeling met bijlagen
bestemmingsplan Abdij Lilbosch
41
Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Herbestemming Abdij Lilbosch (gem. Echt-Susteren) Gemeente Echt-Susteren
Notitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Herbestemming Abdij Lilbosch (gem. Echt-Susteren) Gemeente Echt-Susteren
Rapportnummer:
P230160.003.R1
Naam opdrachtgever:
Gemeente Echt-Susteren
Adres opdrachtgever:
Postbus 450 6100 AL ECHT
Opsteller: Status:
definitief
Datum:
8 december 2023
Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V. Wijchenseweg 102 6538SX Nijmegen T (024) 322 45 79 info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op pouderoyentonnaer.nl
P230160.003.R1/ELO
Inhoud 1
Inleiding .............................................................................................................. 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Het besluit milieueffectrapportage ........................................................................................ 4 1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ................................................................................................. 5
2
Het plan .............................................................................................................. 7
3
De planlocatie ................................................................................................... 10
4
Milieueffecten .................................................................................................. 11 4.1 Natuur................................................................................................................................... 11 4.1.1
Natuurgebieden ............................................................................................................................... 11
4.1.2
Flora en fauna - soortenbescherming .............................................................................................. 13
4.1.3
Stikstof depositie ............................................................................................................................. 15
4.2 Lucht ..................................................................................................................................... 17 4.2.1
Fijnstof ............................................................................................................................................. 18
4.2.2
Geur ................................................................................................................................................. 21
4.3 Geluid ................................................................................................................................... 24 4.4 Externe veiligheid ................................................................................................................. 25 4.5 Bodem .................................................................................................................................. 26 4.6 Water .................................................................................................................................... 27 4.7 Cultuurhistorie ...................................................................................................................... 27 4.8 Archeologie........................................................................................................................... 29
5
Conclusie .......................................................................................................... 30
Bijlagen ................................................................................................................... 32
2
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Abdij Lilbosch is een cisterciënzer abdij van de trappisten. De abdij ligt aan de Pepinusbrug 6-6A in het Limburgse Echt (figuur 1). Abdij Lilbosch bestaat onder andere uit een kerk, een gastenverblijf en een abdijwinkel. Daarnaast heeft de abdij haar eigen boerderij en beheert natuur. Het landbouwbedrijf omvat ook een varkenshouderij voor het Livar kloostervarken. Het vigerende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan “Buitengebied” van de gemeente Echt-Susteren, vastgesteld op 14-12-2017. Voor de gronden van het plangebied geldt de enkelbestemming maatschappelijk. Voor de Pepinusbrug 6A geldt de nadere bestemming ‘Maatschappelijke voorzieningen’. Door de herbestemming van de Abdij Lilbosch worden de agrarische activiteiten van de abdij adequaat ingepast in het nieuwe bestemmingsplan. De Wmvergunde rechten worden één op één ingepast. Het plangebied heeft globaal gezien, betrekking op het bebouwde deel van het complex. De onbebouwde agrarische percelen rondom het bebouwde deel van het complex zijn niet in het plangebied meegenomen, omdat deze in het geldende bestemmingsplan al adequaat zijn bestemd. Het bestemmingsplan betreft een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen. Nieuwe bouwmogelijkheden en ontwikkelingen worden hierin niet mogelijk gemaakt.
Figuur 1 Luchtfoto van de planlocatie
3
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Voor de betreffende locatie is eerder (in combinatie met de ontwikkellocatie Zandweg 10) voorzien in een herbestemming. Het hierop betrekking hebbende bestemmingsplan ‘Abdij Lilbosch/LIVAR – Experience Centre’ is vernietigd (uitspraak van de afdeling bestuursrechtssrpaak van de Raad van State d.d. 17 februari 2021 ,kenmerk ECLI:NL:RVS:2021:333). Voor de ontwikkellocatie Zandweg 10 is inmiddels voorzien in een ontwerpbestemmingsplan ‘Swaantjes- en Zandweg’ dat mede is gebaseerd op het kader van de ‘Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014 (samenhang OVL2021)’ zoals verwerkt in de geconsolideerde Omgevingsverordening Limburg 2014 (d.d. 16 december 2022). Voor de locatie Abdij Lilbosch / Pepinusbrug 6 (inclusief opvolgende lettertoevoegingen) geldt nog de opgave om tot herstel te komen van door de gemeenteraad van Echt –Susteren (dubbel) onder overgangsrecht geplaatste planologische gebruiksmogelijkheden en bijbehorende bebouwingsregeling.
1.2
Het besluit milieueffectrapportage
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan een besluit of plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen, een milieueffectrapport (MER = rapport) opgesteld dient te worden. De milieueffectrapportage (m. e.r. = procedure) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden, zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Er wordt onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r. nodig is, en een verplicht m.e.r. (categorie C). Om te bepalen in welke categorie een besluit of plan valt is er per categorie een lijst met activiteiten opgenomen in het Besluit m.e.r.. Hierin zijn ook de drempelwaardes in opgenomen, die aangeven welke procedure er doorlopen moet worden. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor besluiten boven de D-drempel moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd. Voor plannen boven de D-drempel kan sprake zijn van plan-m.e.r.-beoordeling of een m.e.r.-plicht.
Voor activiteiten onder de drempelwaarden in de D-lijst moet een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ worden uitgevoerd. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst kent de vormvrije m.e.r.-beoordeling in essentie twee mogelijke uitkomsten: • het is uitgesloten dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn; dit moet dan in het besluit worden gemotiveerd; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten; in dit geval is tenminste een m.e.r.-beoordeling nodig (bij besluiten) of een MER noodzakelijk (bij een plan).
4
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Omdat de vormvrije mer-beoordeling moet worden toegepast bij alle activiteiten van de D-lijst onder de drempelwaarde, ongeacht de omvang, is het niet mogelijk om algemene richtlijnen te geven over de diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De benodigde diepgang hangt af van: • de aard van de voorgenomen activiteit; • de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; • de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; • mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan aandacht worden besteed aan het volgende: • een globale beschrijving van de ingreep -effectrelaties en dosis-effectrelaties van de voorgenomen activiteit; • wat zijn maatgevende effecten van de voorgenomen activiteit? Is er sprake van emissies (bijvoorbeeld van geluid, lucht), verkeers-aantrekkende werking e.d.? Wat is het ruimtebeslag? • wat is de afstand van de activiteit(en) tot gebieden die gevoelig zijn? • zijn er over de activiteit indicatieve invloed afstanden bekend? • waarvoor zijn de gebieden gevoelig? Heeft de voorgenomen activiteit daar invloed op? Bij onderhavig voornemen komen bovenstaande vragen, voor zover relevant, aan de orde. De aanmeldnotitie ziet hierbij uitsluitend toe op de herbestemming zoals hieronder verwoord.
1.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Wanneer een bestemmingsplan wordt getoetst in het kader van een milieueffectrapportage dan bestaat het voornemen uit de volgende elementen: - Niet-benutte vergunningsruimte - Nieuwe activiteiten en (her)bestemmingen), die nog niet zijn vergund - Positieve bestemming voor een overgangsrechtelijke situatie. Het voornemen wordt vergeleken met de referentie situatie. De referentie situatie moet uitgaan van de feitelijke, (juridisch planologisch) legale situatie in combinatie met de autonome ontwikkeling. Met het bestemmingsplan wordt voorzien in een herbestemming van het plangebied. Het houden van varkens valt in de huidige situatie planologisch onder het overgangsrecht. Met de herbestemming worden de varkenshouderijactiviteiten positief bestemd. Het voorzien in een positieve bestemming wordt in deze situatie beschouwt als onderdeel van het voornemen. Het voornemen wordt vergeleken met de referentiesituatie, waarin planologisch geen varkenshouderij toegestaan is. Relevante categorieën besluit m.e.r.: In de bijlagen van het besluit m.e.r. zijn de volgende categorieën opgenomen voor een m.e.r. – beoordeling (D-lijst): D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Waarbij voor varkens de volgende drempelwaarden zijn genoemd:
5
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
• • •
2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3), 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1),
Op pagina 8 is in tabel 1 een volledig overzicht van vergunde dieraantallen per categorie weergegeven. Voor wat betreft categorie D14 als bedoeld in de bijlagen van het besluit m.e.r. en hierin genoemde drempelwaarden is relevant dat het aantal te houden varkens bij de abdij 197 gespeende biggen, 30 fokzeugen en 227 vleesvarkens betreft. Dit ligt ruim onder de drempelwaarden van categorie D.14. Daarnaast is er geen passende beoordeling vereist omdat de reeds aanwezige onherroepelijke natuurvergunning één op één wordt ingepast in het bestemmingsplan. Om deze redenen geldt voor het planvoornemen geen directe m.e.r.-plicht. Als een plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst maar beneden de drempelwaarden vallen, moet wel een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarom is voor het bestemmingsplan een ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.
6
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
2 Het plan Het bestemmingsplan voorziet in het inpassen van de aanwezige activiteiten. Abdij Lilbosch bestaat onder andere uit een kerk, een gastenverblijf en een abdijwinkel. Ook onderdeel van de abdij is het landbouwbedrijf met een varkenshouderij voor het Livar kloostervarken. De varkenshouderij wordt herbestemd naar ‘agrarisch met waarden – natuur- en landschapswaarden’, met de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ en ‘grondgebonden veehouderij’ (figuur 2).
Figuur 2 Concept verbeelding
Het plan maakt de volgende ontwikkelingen mogelijk: - Opname van de veehouderij activiteiten door de functieaanduidingen Intensieve veehouderij en grondgebonden veehouderij, bouwaanduidingen, bouwvlak - Bedrijfswoning toegevoegd De beschermingszones waaronder dubbelbestemmingen voor archeologische waarden en gebiedsaanduidingen voor ecologische waarden, zijn overgenomen vanuit het vigerende bestemmingsplan. De bouwaanduidingen wijken op sommige onderdelen van het plan af van het vigerende bestemmingsplan. Echter geldt in het bestemmingsplan dat het rechtstreeks (ver)bouwen binnen het plangebied niet mogelijk is, daarvoor moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd worden waarin wordt getoetst aan onder andere archeologische, cultuurhistorische en ecologische waarden.
7
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Omgevingsvergunning De Abdij heeft een Omgevingsvergunning voor het houden van varkens en koeien (Omgevingsvergunning-revisie 09-07-2018). De vergunning heeft betrekking op het houden van guste en dragende zeugen, kraamzeugen, biggen, vleesvarkens en dekberen (tabel 1). De varkens zijn verdeeld over 5 stallen en twee schuilhutten (tabel 2). Daarnaast zijn er vier koeien vergund, in een aparte koeienstal. De omgevingsvergunning wordt één op één ingepast in het bestemmingsplan en vormt daarom het uitgangspunt voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling. Tabel 1 Overzicht Omgevingsvergunning-revisie 09-07-2018) dierenaantallen per diercategorie
RAV-code D1.1.100 D1.2.100 D1.3.10/BWL 2010.09 D3.100
D2.100 D3.3.2
D1.1.100 A2.100 A3.100 D.3.3.2 D.3.3.2 Totaal
Diercategorie omschrijving Biggenopfok (gespeende biggen) Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) Guste en dragende zeugen Vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking Dekberen, 7 maanden en ouder Vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking Biggenopfok (gespeende biggen) Zoogkoeien Jongvee Schuilhut 1 Schuilhut 2
Aantal dieren 120 6 24 7
1 220
77 2 2 21 21 501
Tabel 2 Overzicht Omgevingsvergunning-revisie (09-07-2018) emissies per stal
Stal 1,2,3 4 5 Koeienstal Schuilhut 1 Schuilhut 2 Totaal
8
NH3 emissie (kg/j) 221,5 53,13 660 17 63 63 1077,63
Geur emissie (ouE/s) 1.731,9 600,6 5.060 483 483 8358,5
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
Fijnstof emissie (g/j) 15.291 5.698 33.660 248 3213 3213 54649
P230160.003.R1/ELO
Verkeersbewegingen Door het mogelijk maken van de agrarische activiteiten, vindt er een toename plaats van verkeersbewegingen. Er is een inschatting gemaakt van de toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van de herbestemming. Aantallen zijn een inschatting op basis van de dierenaantallen in de vergunning en oppervlakte aan landbouwgronden (tabel 3). Voor veehouderijactiviteiten en akkerbouwactiviteiten worden in de CROW publicatie geen waarden gepresenteerd. Daarom wordt de verkeersgeneratie voor de veehouderij- en akkerbouwactiviteiten onderbouwd op basis van ‘expert judgement’. Uitgangspunten van het aantal verkeersbewegingen zijn uitgewerkt in bijlage 2. De verkeersbewegingen van het zware verkeer voor de varkenshouderij betreft met name aan- en afvoer van voer, dieren, mest, kadavers, bedrijfsafval en bedrijfsstoffen. Gezien het extensieve karakter zijn de zware verkeersbewegingen beperkt. De akkerbouwactiviteiten zijn seizoensgebonden. In de oogstperiode vinden de meeste verkeersbewegingen plaats. Het aantal verkeersbewegingen opgenomen in onderstaande tabel gaat om een gemiddeld aantal verkeersbewegingen. Het zware verkeer betreft het bewerken en bemesten van de landbouwgrond, uitrijden gewasbeschermingsmiddelen en afvoer van akkerbouwproducten richting de opslag. Tabel 3 Overzicht gemiddeld aantal verkeersbewegingen per dag
Vracht verkeer Personenauto
9
Varkenshouderij (circa 500 dieren) 8
Grondgebonden veehouderij (4 dieren) 2
Akkerbouw (90ha)
Bedrijfswoning
Totaal
17
0
27
4
2
4
9
19
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
3 De planlocatie Het plangebied ligt aan de Pepinusbrug 6 in Echt, Limburg, en omvat de kadastrale percelen ECH00AB-376 en ECH00-AB-71. De locatie is gelegen in landelijk gebied en wordt omringd door landbouwgronden (figuur 3). In het noordwesten van de planlocatie bevindt zich een woonzorgcomplex en een asielzoekerscentrum. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende veehouderijen aanwezig met voornamelijk melkrundvee en vleesvarkens. Ook liggen er diverse woningen in verscheidene richtingen en een restaurant ten noorden van het plangebied. Natuurreservaat Haeselaarsbroek ligt op circa 700 meter ten oosten van het plangebied.
Figuur 3 Omgeving van de planlocatie
10
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
4 Milieueffecten Voor een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie bestaan geen vereisten voor de diepgang van het onderzoek. De milieueffecten hebben geen grensoverschrijdend karakter. Gelet op de kenmerken van het plan worden in dit hoofdstuk de thema’s met potentieel belangrijke nadelige effecten beschouwd.
4.1
Natuur
4.1.1
Natuurgebieden
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de verzamelnaam voor het netwerk van Europese natuurgebieden. Natura 2000gebieden vallen onder de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en zijn verankerd in de Wet Natuurbescherming. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient de gemeenteraad rekening te houden met de gevolgen voor de Natura2000-gebieden. Een besluit mag alleen genomen indien de raad zich ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast. Het plangebied is onderdeel van Natura 2000-gebied ‘Abdij Lilbosch & voormalig Klooster Mariahoop’ (figuur 4). In het gebied wordt één soort beschermd; de ingekorven vleermuis (Habitatrichtlijn, H1321). De enige twee kraamkolonies van de ingekorven vleermuis in Nederland, bevinden zich in dit Natura 2000-gebied. De kraamkolonies bevinden zich op de zolders van de abdij. Het doel is het behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied (zomerverblijven) van de ingekorven vleermuis voor het behoud van de populatie. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Staro (2022 &2023) (toelichting bestemmingsplan bijlage 1), waarin effecten op het Natura 2000-gebied zijn beoordeeld.
Voor het deel van het plangebied met de toekomstige bestemming “agrarisch met natuur- en landschapswaarden” kunnen toekomstige ontwikkelingen of werkzaamheden een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstelling of kermopgave van het Natura 2000-gebied Lilbosch & Voormalig klooster Mariahoop, door een afname van kwaliteit van foerageergebied of een negatieve beïnvloeding op de vliegroutes van ingekorven vleermuis. In de vergunning Wnb (bijlage 3) worden de voorwaarden beschreven ten aanzien van de instandhoudingsdoelstelling en kernopgave voor ingekorven vleermuis. Het naleven van deze voorwaarden wordt in het gewijzigde bestemmingsplan verankerd met regel 3.1.2 d (Voorwaardelijke verplichting mitigerende maatregelen vleermuizen, Het bouwen en gebruiken van het bouwvlak: 1. is uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat de mitigerende maatregelen in verband met vleermuizen als vermeld in de Bijlage 2 Vergunning Wet natuurbescherming locatie Abdij Lilbosch). De mitigerende maatregelen gaan over het voorkomen van effecten door verstoring van licht. Door het nemen van onderstaande maatregelen, worden significant negatieve effecten op de Ingekorven vleermuis voorkomen: - boomkronen en bosranden onbelicht laten; - geen continue kunstmatige nachtelijke verlichting in de gevoelige periode;
11
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
-
lichtarmaturen met zo min mogelijk strooilicht naar boven; vleermuisvriendelijke (amberkleurig) verlichting.
Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 6 km afstand. Gezien de grote afstand van de planlocatie tot de overige Natura2000 gebieden kunnen effecten zoals verdroging, versnippering en verstoring door licht, geluid en trilling in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen worden uitgesloten. Op de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden wordt ingegaan in paragraaf 4.2.3 Stikstof.
Figuur 4 Natuurgebieden rondom de planlocatie
Natuur netwerk Het natuur netwerk is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het doel van het netwerk is om natuurgebieden beter met elkaar en met omringend agrarisch gebied te verbinden. De bescherming van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro: Stb 2016 nr. 351) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. De bescherming van de NNN is ruimtelijk vastgelegd en geborgd door middel van het bestemmingsplan. In de provincie Limburg is het natuur netwerk in de provinciale omgevingsverordening verwerkt in goudgroene, zilvergroene en bronsgroene natuurzones met voorwaarden voor ingrepen in de natuurzone. Het plangebied is onderdeel van het Natuur netwerk en van de ‘Natuur in de goudgroene natuurzone’ (figuur 4). Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel
12
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten (omgevingsverordening Limburg, 2014). In het provinciaal Natuurbeheerplan (met bijbehorende beheertypenkaart en ambitiekaart) zijn de wezenlijke kenmerken en waarden voor bestaande natuurgebieden en nagestreefde natuurdoeltypen vastgesteld. Voor het plangebied is het natuurbeheertype en het ambitietype “kruiden- en faunarijk grasland” (N12.02). In het vigerende bestemmingsplan is ter plaatse van het natuur netwerk de gebiedsaanduiding ‘overige zone – ecologische hoofdstructuur’ geldend. In dit gebied mogen geen werkzaamheden worden verricht waarbij blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. In de aanpassing van het bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – ecologische hoofdstructuur’ en bijbehorende regels overgenomen. De voorgenomen ontwikkeling (bestemmingsplanwijziging) heeft geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en is niet strijdig met de provinciale omgevingsverordening Limburg 2014, mits de ontwikkeling en werkzaamheden passen binnen de regels van het gewijzigde bestemmingsplan.
Door de bestemmingsplanwijziging zijn negatieve effecten op het beheer- en ambitietype kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) uitgesloten. Dit wordt geconcludeerd in de quickscan flora en fauna uitgevoerd door Staro (2022 &2023) (toelichting bestemmingsplan bijlage 1).
4.1.2
Flora en fauna - soortenbescherming
In de Wet natuurbescherming is ook soortenbescherming geregeld (flora en fauna). In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels conform de Europese Vogelrichtlijn, voor dieren plantensoorten conform de Europese Habitatrichtlijn en voor overige te beschermen soorten. Het is kortgezegd verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook de niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren, niet mogen worden uitgevoerd. In 2022 is reeds een quickscan flora en fauna (Staro, 2022) opgesteld, die in oktober 2023 is geactualiseerd (toelichting bestemmingsplan bijlage 1). In de quickscan wordt de bestemmingsplanwijziging getoetst aan vigerende natuurwet- en regelgeving.
De quickscan geeft inzicht in de aanwezigheid van beschermde soorten en de mogelijke effecten van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op de aanwezige soorten.
13
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Het is uit te sluiten dat in het plangebied beschermde flora, libellen, kevers, weekdieren en vissen voorkomen. Tabel 4 geeft een overzicht van de mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied. Tabel 4 Overzicht mogelijk aanwezige en aangetroffen beschermde soorten in de omgeving van het plangebied waarvoor ecologisch onderzoek noodzakelijk is bij uitvoering van werken, werkzaamheden of sloop of uitwendige aanpassingen aan bouwwerken, zoals beschreven
Soort(groep) Vogels
Bescherming § 3.1 Wnb (nest niet jaarrond beschermd) § 3.1 Wnb (nest jaarrond beschermd)
Vogels
Kleine ijsvogelvlinder Vleermuizen
§ 3.3 Wnb § 3.2 Wnb
Algemeen voorkomende amfibieën Levendbarende hagedis Algemene spits-, woel- en ware muizen Steenmarter en eekhoorn
§ 3.3 Wnb § 3.3 Wnb § 3.3 Wnb § 3.3 Wnb
Functie plangebied Nestgelegenheid Leefgebied huismus, nestlocaties van roofvogels Voortplantingslocatie Verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied Land- en overwinteringshabitat Leefgebied Leefgebied (onderdelen van het) leefgebied
De beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied kunnen effecten ondervinden van: - Graafwerkzaamheden - Sloop van bouwwerken - Uitwendig veranderen van bouwwerken - Rooien van bomen - Verandering of aanpassing van verlichting Bovenstaande werkzaamheden kunnen bijvoorbeeld leiden tot directe verwoning, doding of verstoring, maar ook tot verwijdering van verblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied of verwijdering van voor de soort belangrijke planten. In het gewijzigde bestemmingsplan wordt middels de regels 3.5.1, 3.5.2 en 3.5.3 omschreven welke werken en werkzaamheden zijn toegestaan. Indien afgeweken wordt van deze voorwaarden, is een omgevingsvergunning noodzakelijk waarin beschreven wordt op welke wijze uitvoering aan de werken of werkzaamheden wordt gegeven, waarbij geen blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of functies. In regel 3.6 wordt verwoord dat bij sloopwerkzaamheden of het uitwendig aanpassen van bouwwerken een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Onderdeel van de omgevingsvergunning is een ecologisch onderzoek naar aanwezige beschermde soorten. Indien beschermde soorten aanwezig zijn, dienen mitigerende maatregelen worden toegepast waardoor geen afbreuk aan de soort en zijn habitateisen optreedt.
14
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Bij verandering of aanpassing van de verlichting in het plangebied dienen de gestelde voorwaarden in de Wnb vergunning te worden nageleefd. In het bestemmingsplan is voldoende rekening gehouden met de bescherming van (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Uitvoering van voorgenomen ontwikkeling heeft geen negatief effect op beschermde flora en fauna en de bestemmingsplanwijziging is niet strijdig met de Wet natuurbescherming. 4.1.3 Stikstof depositie Het plan mag geen negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000gebieden. Als blijkt dat er sprake is van een toename van de stikstofbelasting van Natura 2000gebieden kan er sprake zijn van significant negatieve effecten. Als dat het geval is, dan is er toestemming nodig in het kader van de Wet natuurbescherming voor het onderdeel gebiedsbescherming. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten als er door het voornemen geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieen die gevoelig zijn voor een toename van stikstofdepositie, in vergelijking met de referentiesituatie. Als er toch depositie plaats vindt kan soms op voorhand negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden worden uitgesloten in een ecologische voortoets. Als dit niet kan worden uitgesloten moet een passende beoordeling worden opgesteld.
In een passende Beoordeling wordt getoetst of het project de natuurlijke kenmerken van het gebied aantast. Als er geen risico is op het aantasten van de natuurlijke kenmerken, dan mag de vergunning worden verleend. Op de abdij vinden verschillende activiteiten plaats waarbij een stikstofemissie vrij komt. Deze worden navolgend beoordeeld in het kader van de herbestemming. Varkenshouderij Het houden van varkens, veroorzaakt afhankelijk van het aantal varkens, het type varkens en het stalsysteem een bepaalde ammoniak emissie. Hiervoor zijn emissiefactoren vastgesteld in de Regeling ammoniak en veehouderij. Voor het houden van varkens op de Abdij is een vergunning verleend op basis van de wet natuurbescherming in 2018 (zie ook hoofdstuk 2). De vergunning heeft betrekking op de emissie van 1.077,63 kg NH3/jaar. Het bestemmingsplan zorgt voor één op één inpassing van de vergunning. Er geldt geen verplichting tot het maken van een passende beoordeling als het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan eerder een passende beoordeling is gemaakt (een zogenoemde één-op-één-inpassing) en een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat project. Een nieuwe passende beoordeling zal niet leiden tot nieuwe inzichten. De uitgangsgegevens zijn niet veranderd.
Het aantal dieren is hetzelfde gebleven en voor de stalsystemen zijn de emissiefactoren sinds 2018 niet veranderd. Er worden op dit bedrijf geen emissiearme stalsystemen (geen emissiearme vloeren of luchtwassers) toegepast waardoor er geen onzekerheid is over de ammoniakemissie. De natuurvergunning is op nieuw doorgerekend met de huidige versie van AERIUS (oktober 2023). De berekening is toegevoegd als bijlage 4. De resultaten van de berekening laten zien dat er alleen een toename van stikstofdepositie is op relevante hexagonen (stikstofgevoelige habitats) waar een randeffect optreedt.
15
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Randeffecten zijn rekenresultaten bij verschilberekeningen die geen realistisch beeld geven van het te verwachten effect, omdat niet alle situaties in de verschilberekening op gelijke wijze zijn meegenomen (Handboek Werken met AERIUS Calculator, versie 2023 v2). Deze effecten treden op door de maximale rekenafstand van 25 kilometer die in AERIUS geldt (figuur 5). Wanneer er intern gesaldeerd wordt (wat in deze berekening het geval is), kan een randeffect optreden: een rekenkundig effect van de implementatie van de maximale rekenafstand, en niet een daadwerkelijk te verwachten effect. Er vindt geen toename van stikstof depositie plaats op voor stikstofgevoelige habitats, wanneer randeffecten niet zijn meegenomen.
Figuur 5 Schematische weergave van toe- en afnames ten gevolge van maximale rekenafstand 25 km. Situaties beide met 1 bron. (bron: Handreiking omgaan met randeffecten 25 km, 24 januari 2022)
Vervoersbewegingen Naast het houden van dieren is ook verkeer een bron van stikstofemissie. Het planvoornemen brengt vervoersbewegingen met zich mee, welke mogelijk een effect kunnen hebben op de stikstofdepositie op natuurgebieden (Natura 2000). Om te beoordelen of er sprake is van significante effecten is hiernaar onderzoek verricht. De vervoersbewegingen moeten worden meegenomen tot het punt dat ze opgaan in het algemene verkeersbeeld. In dit geval is dat de provinciale weg N572 (Pepinusbrug). In de AERIUS berekening is een lijnbron ingevoerd vanaf het plangebied, via de Patersweg naar de Pepinusbrug. Er is gerekend met een stagnatiefactor van 10% en het rekenjaar 2023. De Aerius berekeningen met betrekking tot de effecten op het gebied van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden ten gevolge van de veehouderij en verkeer (afzonderlijk en cumulatief) zijn opgenomen in bijlage 5 en 7.
16
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Bedrijfswoning Het bestemmingsplan maakt ter plaatse van de huidige Abdijwinkel, een bedrijfswoning mogelijk. De verbouwing van de Abdijwinkel tot een bedrijfswoning kan een stikstofemissie tot gevolg hebben. Voor de berekening is (worstcase) uitgegaan van een stikstof emissie van 3 kg NOX/jaar1. Dit is het kerngetal voor de bouw van een woning. De stikstofemissie wordt daarom overschat. De AERIUS berekening is toegevoegd in bijlage 6. Totaal berekening De stikstofemissie per bron ten gevolge van de herbestemming zijn weergegeven in onderstaande tabel 5. Om het totaal effect (cumulatief) van de herbestemming te bepalen zijn alle bronnen meegenomen in een AERIUS berekening. Deze berekening is toegevoegd in de bijlage 7. De resultaten laten zien dat er (zonder randeffecten) geen significante toename van stikstofdepositie is op voor stikstofgevoelige habitats. Negatieve gevolgen op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Tabel 5 Overzicht van stikstofemissie ten gevolge van de herbestemming
Situatie
Bron
Referentie Beoogd
Veehouderij Veehouderij Toename vervoersbewegingen Verbouwing bedrijfswoning
4.2
Stikstofemissie NOx (kg/jaar) 0,0 0,0 28,4 3,0
Stikstofemissie NH3 (kg/jaar) 1.084,3 1.077,6 0,7 0,0
Lucht
De luchtkwaliteit wordt bepaald door de aanwezigheid van luchtverontreinigende stoffen. Een slechte luchtkwaliteit kan een gezondheidsklachten tot gevolg hebben en schade aanrichten aan de natuur (zie ook stikstof hierboven). Stoffen die in Nederland vooral belangrijk zijn voor het bepalen van de luchtkwaliteit zijn fijn stof en stikstofdioxide. De stikstofdioxide concentratie ligt in Nederland ver onder de normen (40 µg/m³). Verhoogde concentratie van stikstofdioxide (NO2) zit vooral in de lucht op plekken met veel wegverkeer. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van veel wegverkeer. Stikstofdioxide wordt daarom niet verder meegenomen in deze notitie. Daarnaast is geur een belangrijk onderdeel van de luchtkwaliteit. Op deze thema’s wordt hieronder verder ingegaan.
1
Handreiking woningbouw en AERIUS, januari 2020
17
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
4.2.1 Fijnstof In de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor wel emissiefactoren ten aanzien van fijnstof (PM10) zijn vastgesteld. Daarnaast is er sprake van fijnstof als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Verder zijn er nog enkele vervoersbewegingen binnen de inrichting. Om te beoordelen of deze toename gevolgen heeft voor het achtergrondniveau ter plaatse van gevoelige objecten in de omgeving, is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Achtergrondconcentratie De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied is 15 µg/m³ (figuur 6). De achtergrondconcentratie (de concentratie op basis van bronnen in de wijde omgeving, inclusief de bijdrage uit het buitenland) ligt ruim zeer onder de grenswaarde van 40 µg/m³ als jaargemiddelde. De achtergrondconcentratie ligt ook zeer ruim onder de waarde van 31,2 µg/m³, de waarde waarboven het aantal overschrijdingsdagen maatgevend wordt. De WHO-advieswaarde voor fijnstof PM10 is 15 µg/m³. Ook aan deze waarde wordt voldaan.
Figuur 6 Achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) in 2022
Bijdrage veehouderij De indicatieve cumulatieve belasting fijnstof PM10 vanuit emissie van veehouderij bedrijven is weergegeven in onderstaande figuur 7. De belasting is gebaseerd veehouderij gegevens in de Kernregistratie dierverblijven (KRD) (4-10-2023).). Er is gerekend met één emissiepunt gelegen op het midden van de veehouderij. De bijdrage van fijnstof PM10 uit veehouderijbedrijven ter plaatse van het plangebied ligt tussen 0,2 en 0,6 μg/m3.
18
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
De fijnstof vanuit veehouderij bedrijven wordt voornamelijk veroorzaakt door de varkenshouderij aan de Hekbergerweg 7. Door de veehouderij activiteiten die mogelijk worden gemaakt in de herbestemming, is een lichte stijging in fijnstof bijdrage vanuit veehouderij zichtbaar ter plaatse van het plangebied. Deze toename beperkt zich echter tot binnen het bouwvlak. De bijdrage van veehouderijbedrijven aan de achtergrondconcentratie is dermate klein dat het geen betekenisvol effect heeft op de achtergrondconcentratie. Bovendien is de fijnstof (PM10) uitstoot uit de veehouderij al meegenomen in de bepaling van de achtergrondconcentratie. De fijnstof bijdrage vanuit de veehouderij van het plangebied blijft binnen het eigen terrein.
Figuur 7 Indicatieve cumulatieve belasting fijnstof (PM10) vanuit veehouderijbedrijven in de omgeving (2km) van het plangebied
Endotoxine Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. De endotoxinen binden zich aan bacteriereten, stofdeeltjes of waterdeeltjes. Op deze manier vormen endotoxinen een onderdeel van het fijnstof dat afkomstig is uit veehouderijen. De stallucht uit veehouderijen vormt de belangrijkste emissiebron van endotoxinen. Er kan ook emissie plaatsvinden bij de mest op en -overslag, bij mestbehandeling en bij mestverspreiding op het land. Het immuunsysteem van het lichaam kan op de endotoxinen reageren alsof het besmet is geraakt. De effecten die dan optreden zijn luchtwegklachten en in hogere dosis temperatuursverhoging en koortsachtige verschijnselen. Uit de onderzoeken blijkt dat varkenshouderijen en pluimveehouderijen de belangrijkste bronnen van endotoxine zijn.
19
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Voor endotoxine is nog geen wettelijke norm vastgesteld. Er is een advieswaarde voor omwonenden door de Gezondheidsraad voorgesteld (30 EU/m3) welke door het ondersteuningsteam en de GGD is overgenomen. Afstanden, waarbinnen deze advieswaarde wordt overschreden, zijn te berekenen door middel van het Endotoxine-toetsingskader. Voor vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens zijn afstandsgrafieken opgesteld, aan de hand waarvan op basis van de fijnstofemissie in kilogrammen per jaar kan worden bepaald welke afstand tot gevoelige objecten moet worden aangehouden. Binnen de risicocontour is in beginsel geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen en is bijvoorbeeld woningbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op basis van de fijnstofemissie van vleesvarkens is voor de Abdij berekend wat de minimale afstand tot gevoelige objecten moet zijn. De endotoxine-risiscocontour is 14 meter (emissie = 60.175 gram PM10/jaar; afstand = 60,0608184*(Ln(emissie in kg)-231.712643). Binnen 14 meter zijn geen gevoelige objecten aanwezig, zie ook figuur 7. Er wordt aan de advieswaarde voldaan. De varkenshouderij bij de Abdij zorgt niet voor een overschrijding van de endotoxine advieswaarde op omliggende gevoelige functies.
Bijdrage verkeersbewegingen Vervoersbewegingen zijn een bron van fijnstof en zouden een verhoging van de fijnstofconcentratie kunnen veroorzaken. Met de NIBM-tool kan de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan luchtkwaliteit worden vastgesteld. Hierbij is uitgegaan van de verwachte toename in verkeersbewegingen zoals beschreven in tabel 3. De resultaten van de NIBM-tool staan in onderstaande uitsnede (figuur 8). De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekende-mate. Dit betekent dat de verkeerstoename door het bestemmingsplan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij draagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Figuur 8 NIBM-tool uitkomst voor toename aantal verkeersbewegingen ten gevolge van herbestemming
20
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
4.2.2 Geur Bij onderhavige veehouderijtak in de beoogde situatie worden dieren gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij dient derhalve berekend te worden of ter plaatse van geurgevoelige objecten in de omgeving voldaan kan worden aan de geldende geurnormen. Voor het plangebied gelden de geurnormen zoals vastgesteld in de “Verordening Wet geurhinder en veehouderij gemeente Echt-Susteren 2009”. Dit betekent dat de geurbelasting op een geurgevoelig object niet meer bedragen dan 14 OUE/m3 lucht. Zowel de voorgrondbelasting als de (cumulatieve) achtergrondbelasting wordt aan de geurnormen getoetst. Bedrijfswoningen van andere veehouderijen worden niet getoetst aan de regulier geurnorm van maximaal 14 Ou, maar aan vaste afstanden. Voor dergelijke woningen geldt in het buitengebied een vaste afstand van 50 meter. Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van díe veehouderij welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen.
De voorgrondbelasting is van belang voor het bepalen van de verwachte hinder, omdat uit onderzoek is gebleken dat de geurhinder als gevolg van de voorgrondbelasting hoger is dan als gevolg van de achtergrondbelasting, bij gelijke belastingen. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. De voorgrondbelasting is berekent op basis van de verleende vergunning (Omgevingsvergunningrevisie 09-07-2018), zie ook hoofdstuk 2 (tabel 6). In de berekening zijn de zoogkoeien en het bijbehorend jongvee < 1 jaar niet meegenomen omdat voor deze diercategorieën geen emissiefactor is vastgesteld. Voor deze koeien geldt een vaste afstandscontour (zie figuur 8). De berekening is uitgevoerd met het rekenprogramma V-stacks vergunning v2022. De voorgrondbelasting op omliggende gevoelige functies is uitgerekend, als mede de voorgrondbelasting op de bedrijfswoning/abdijwinkel en de logies die bij de Abdij aanwezig zijn. Resultaten zijn weergegeven in onderstaand figuur 9. Er vindt alleen normoverschrijding plaats op de rekenpunten binnen het terrein van de Abdij. Het gaat hier om de abdijwinkel/bedrijfswoning en het zuidelijkste logiesgebouw. Omdat deze gebouwen onderdeel uitmaken van de veehouderij, gelden de geurnormen voor deze gebouwen niet.
De hoogste voorgrondbelasting op een gevoelig object dat geen onderdeel uitmaakt van de veehouderij is 3,9 OU. Dit ligt ver onder de norm van 14 OU die voor dit object geldt. Een voorgrondbelasting van 3,9 OU komt in een concentratiegebied overeen met een hinderpercentage tussen de 10-15%, wat de GGD beoordeeld als een redelijk goed woon en leefklimaat (tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022). Op andere omliggende gevoelige objecten is de voorgrondbelasting nog veel lager, en is er sprake van een nog beter woon- en leefklimaat. Ook aan de vaste afstandsnormen (100 meter voor binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom) wordt voldaan.
21
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Tabel 6 Input gegevens geurberekening V-stacks vergunning
Bron ID Stal 1,2,3 Stal 4 Stal 5 Schuilstal 1 Schuilstal 2
X coord 191909 191930 191953 191889 191957
Y coord 343805 343818 343777 343766 343766
EP hoogte 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50
Gem. Geb. Hoogte 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50
EP Binnendiam 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50
EP Uittree 0,40 0,40 0,40 0,40 0,40
E aanvraag 1731,90 600,60 5060,00 483,00 483,00
Figuur 9 Resultaten geur voorgrondbelasting
Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting van alle veehouderijen in de omgeving van het geurgevoelig object. Voor de planlocaties is de achtergrondbelasting berekend. Dit is gedaan op basis van de vigerende vergunningen zoals opgenomen in de Kernregistratie dierverblijven (KRD) (4-10-2023). De achtergrondbelasting is berekend met V-Stacks Gebied (v2020). De emissiepunten van veehouderijen in een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn meegenomen in de berekening. Voor de veehouderijen is gerekend met de parameters (emissiepunt hoogte, gemiddelde gebouwhoogte, schoorsteenbinnendiameter, uittreesnelheid) en emissiepunten zoals vermeld in de KRD Limburg.
22
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
De berekende indicatieve achtergrondbelasting is weergegeven in figuur 10. Voor de geurgevoelige objecten ten noorden van het plangebied is de achtergrondbelasting maximaal 4,77 OU. De enige uitzondering is Pepinusbrug 6K, met een achtergrondbelasting van 6,5 OU. Ten zuiden van het plangebied is de achtergrondbelasting hoger, voornamelijk door de aanwezigheid van andere veehouderijen in dit gebied. De maximale achtergrondgeurbelasting is 19,3 ter plaatse van Patersweg 10. Voor de woningen van Scheidingsweg 1/1A geldt een belasting van 11,2 OU.
Figuur 10 Resultaten geur achtergrondbelasting
Beoordeling woon- en leefklimaat Voor alle geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied geldt dat de achtergrondbelasting bepalende is voor het woon- en leefklimaat (voorgrondbelasting is minder dan de helft van de achtergrondbelasting). De enige uitzondering hierop is Pepinusbrug 6K, gevestigd aan de overzijde van de straat ten opzichte van het plangebied (voorgrondbelasting 3,9 OU en achtergrondbelasting 6,5 OU). Op basis van de voorgrondbelasting geldt ter plaatse van de Pepinusbrug 6K een redelijk goed woonklimaat (zie ook paragraaf ‘Voorgrondbelasting’). Voor de overige gevoelige objecten is de achtergrondbelasting bepalend voor het woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting voor de overige geurgevoelige objecten ten noorden van het plangebied is maximaal 4,77 OU. Dit komt voor een concentratiegebied overeen met een goed woon- en leefklimaat (tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022). Hoogste achtergrondbelasting vindt plaats op de woningen dichtbij andere veehouderijen in de omgeving ten zuiden van het plangebied, met een hoogste waarde van 19,3 OU op de Patersweg 10 (gelegen tegenover veehouderij Patersweg 4). De beoordeling van het woon- en leefklimaat is weergegeven in tabel 7.
23
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
De GGD sluit met betrekking tot het percentage (ernstige) hinder aan bij een richtwaarde van maximaal 12% kans op hinder (0-3% ernstige hinder) en een bovenwaarde van maximaal 20% kans op hinder (tot 10% ernstige hinder). Aan de bovenwaarde wordt voldaan. Tabel 7 Beoordeling woon- en leefklimaat voor omliggende geurgevoelige objecten op basis van tabel A en B van de Handreiking Wgv & GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2022. Een dikgedrukte geurbelasting betekend dat deze bepalend is voor het woon- en leefklimaat.
Geurgevoelig object
Patersweg 10 Scheidingsweg 1/1A Pepinusbrug 6K Overige geurgevoelige objecten
4.3
Voorgrond geurbelasting (OU) 1 1,2 3,9 max 1,7
Achtergrond geurbelasting (OU) 19,3 11,2 6,5 max 4,77
Kans op geurhinder
Woon- en leefklimaat (concentratiegebied)
15-20% 10-15% 10-15% 5-10%
matig redelijk goed redelijk goed goed
Geluid
Ten aanzien van geluid zijn de regels uit de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh voorziet rond (gezoneerde) industrieterreinen, langs wegen en langs spoorwegen in zones en bevat tevens geluidsnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbare geluidsniveaus van de voorgenoemde geluidsbronnen. Als een bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, moet volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De planlocatie ligt niet binnen een zone voor industrielawaai of railverkeerslawaai. De planlocatie is wel onderhevig aan wegverkeerslawaai door de wegen Pepinusbrug, Patersweg en de Scheidingsweg. Het bestemmingsplan voorziet in een herbestemming met een één op één overname van de bestaande onherroepelijk vergunde situatie. Omdat er in de huidige situatie op het Abdijcomplex gewoond wordt, is de locatie altijd al geluidgevoelig geweest. Er is dus geen sprake van een “Nieuwe situatie” in het kader van de Wet geluidhinder en derhalve is een toets niet aan de orde.
Verder is er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen sprake van een geluidrelevante ontwikkeling die nader dient te worden beschouwd.
24
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
4.4
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op het risico dat een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Plaatsgebonden risico (PR) De kans dat één persoon buiten het inrichtingsterrein overlijdt als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (plaatsgebonden risico). Groepsrisico (GR) De kans dat meerdere personen buiten het inrichtingsterrein overlijden als gevolg van een calamiteit bij het bedrijf (groepsrisico). Voor het groepsrisico wordt een oriëntatiewaarde gegeven en geldt voor nieuwe situaties een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. Om de risico's ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid (ev-signaleringskaart.nl). Bijgaand is een uitsnede van de risicokaart opgenomen (figuur 11). De herbestemming maakt geen nieuwe risico volle inrichtingen mogelijk. Het plangebied ligt op voldoende afstand van risico volle inrichtingen en transport routes van gevaarlijke stoffen. Ter plaatse van het plangebied is er geen sprake van een verhoogd risico. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
25
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Figuur 11 Risicovolle inrichtingen en transportroutes en veiligheidszones in de omgeving van het plangebied (Quickscan Signaleringskaart Externe Veiligheid)
4.5
Bodem
Bij ruimtelijke plannen moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie en of sprake is van een eventuele saneringsnoodzaak. In een bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen van een bestemmingsplan. Voor de volgende bouwwerken moet de bodemkwaliteit worden getoetst: • bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag; • voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning om te bouwen vereist is. De gemeente kan ontheffing verlenen tot het indienen van een bodemonderzoek indien uit het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is. Bij het actualiseren van bestemmingsplannen wordt de bestaande bebouwing en inrichting veelal gehandhaafd. Dan vindt geen grondverzet plaatst en worden geen saneringen opgestart. Een inventarisatie van de (vermoedelijke) gevallen van bodemverontreiniging volstaat. De gemeente Echt-Susteren heeft in 2020 de Nota Bodembeheer Limburg Noord 20202-2029 vastgesteld.
Bij de nota hoort de bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart. De
26
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
bodemfunctieklasse ter plaatse van het plangebied is ‘Landbouw/Natuur’. Dezelfde categorie geldt voor de ontgravingskwaliteit voor zowel de bovengrond als ondergrond en de toepassingskwaliteit voor de boven en ondergrond. Voor het plangebied zijn geen specifieke gegevens beschikbaar. Wel is er voor een perceel belendend aan het plangebied een toplaag onderzoek uitgevoerd nadat een stal binnen het Abdijcomplex was afgebrand. Uit het onderzoek is gebleken dat het belendend aan het plangebied gelegen perceel geschikt is voor de functie ‘Landbouw/Natuur’. Het betreffende onderzoek is gevoegd in de bundel met plan- en vergunninginformatie in bijlage 3 bij de toelichting. Dit betekent dat er niet met zekerheid kan worden gezegd dat de ondergrond schoon is. Andersom wijzen historische bedrijfsactiviteiten niet op een verhoogde kans op bodemverontreiniging. De agrarische functies die het bestemmingsplan mogelijk maakt, passen binnen de bodemfunctie en kwaliteit zoals aangegeven op de bodemkwaliteitskaart. Bovendien gaat het bestemmingsplan over een actualisatie. Er vindt daarom geen grondverzet plaatst naar aanleiding van het vaststellen van het bestemmingsplan. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de herbestemming.
4.6
Water
Bij bestemmingsplannen wordt in een vroeg stadium overleg gevoerd met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen en de invloed daarvan op de waterhuishouding. Uitgangspunt daarbij is dat negatieve effecten voor het watersysteem zoveel mogelijk moeten worden vermeden. In aansluiting op het landelijke beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht dient te worden hoe omgegaan kan worden met het schone hemelwater. Hierbij worden de volgende afwegingsstappen doorlopen: hergebruik, infiltratie, berging, lozing op het oppervlaktewater, lozing op de riolering. Het bestemmingsplan is een conserverend plan, waarbij nieuwe ontwikkelingen niet rechtstreeks mogelijk worden gemaakt. Het bestemmingsplan heeft daarom geen effect op de waterhuishouding in het gebied. Er mag alleen gebouwd worden wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verleend en wanneer de bebouwing niet meer dan 10% toeneemt. In het bestemmingsplan is opgenomen dat de verlening van de vergunning alleen is toegestaan als er geen onevenredige aantasting is van de hydrologie/waterhuishoudkundige situatie/hydrologie. Daarnaast is er voor nieuwe bouw werkzaamheden in de regels van het bestemmingsplan een norm van 100 mm opgenomen.
4.7
Cultuurhistorie
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
27
Notitie vormvrije mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
Het plangebied is onderdeel van het ensemble Lilbosch (figuur 12). Tot het ensemble behoort onder andere de abdij zelf, de Duitse vluchtbunker, een laan en stukken bos met monumentale bomen. Met name waardevol in het ensemble zijn de regelmatige wegenstructuur met laanbomen, de agrarische ruimten tussen en naast de lanen (als vierkante en rechthoekige ‘kamers’), de hier en daar monumentale beplanting buiten de lanen (met name het oude bos rond de bunker) en het geconcentreerde abdijcomplex met monumentale bebouwing in de zuidelijke hoek en de nabijgelegen Duitse vluchtbunker. Er zijn geen monumenten in het kader van de Monumentenwet 1988, aanwezig in het plangebied.
Figuur 12 Cultuurhistorisch ensemble Lilbosch, Bestemmingsplan Cultuurhistorie Echt-Susteren (vastgesteld 2016-0922)
Het ensemble is in het vigerende bestemmingsplan aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorisch waardevol ensemble’. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding ‘overige zone landschapselementen’. In het bestemmingsplan worden deze elementen beschermd. Wanneer ontwikkelingen ter plaatse van beschermde elementen plaatsvinden (waaronder bouw en grondwerkzaamheden), zal aangetoond moeten worden dat de cultuurhistorische waarden behouden of versterkt worden. Er moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het verwijderen van landschapselementen, of wanneer deze aan het zicht onttrokken worden, verstoord of schade wordt toegebracht. In het voorgenomen bestemmingplan is de bestemming ‘Waarde - Cultuurhistorisch waardevol ensemble’ en de bijbehorende regels volledig overgenomen. Hetzelfde geldt voor de gebiedsaanduiding ‘overige zone – landschapselementen’. De herbestemming houdt daarmee voldoende rekening met cultuurhistorische waarden en worden voldoende beschermd.
28
Mer beoordeling bestemmingsplan herbestemming abdij Lilbosch
P230160.003.R1/ELO
4.8
Archeologie
In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin worden meegewogen in de besluitvorming. In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect 'archeologie'. De wet beoogt het archeologische erfgoed in hoofdzaak in situ te beschermen. Voor de gemeente Echt-Susteren is een archeologische verwachtingskaart vastgesteld (Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Echt-Susteren, 2010). Hierop is aangeduid aan welke gebieden archeologische waarden en archeologische verwachtingswaarden zijn toegekend. Hierin wordt onderscheid gemaakt in een hoge, middelhoge en lage verwachting. Ter plaatse van het plangebied geldt grotendeels een verwachtingswaarde hoge verwachting voor droge landschappen. In het zuidoosten geldt voor een klein gedeelte van het plangebied een middelhoge verwachting voor natte landschappen. In het vigerende bestemmingsplan geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3’.