M1a. bijlage - Rapport Hemelwater belasten of belonen.pdf
Tekst van het document
Hemelwater belasten of belonen
31
9 Conclusies en aanbevelingen 9.2 Aanbevelingen
9.1 Conclusies In deze verkenning is gekeken naar de mogelijkheden voor het differentiëren van lokale perceel-gebonden belastingen. Gaandeweg werd steeds duidelijker dat differentiatie in belastingen een werkwijze is die voor een vergroting in het bewustzijn van het omgaan met water kan zorgen. Dat het voor het inrichten van veerkrachtige steden van belang is om het hemelwater zo goed als mogelijk is te bergen, te gebruiken en/of in de bodem te infiltreren.
De onderzochte sporen kennen meer haken en ogen dat tevoren gedacht. Welke financiële gevolgen de voorgestelde mogelijkheden van differentiatie hebben voor de burger, de vastgoedeigenaar en schatkist en de lokale heffingen is op voorhand nog niet te bepalen. Hiernaar zou nader onderzoek moeten worden verricht. Een eerste opzet kan worden gedaan door de in hoofdstuk 7 genoemde pilots verder uit te werken en met een aantal varianten door te rekenen.
Als we dan kijken naar de mogelijkheden om te differentiëren, dan blijkt dit op het moment al mogelijk in de rioolheffing. Geadviseerd wordt om daarbij bij het gebruikersdeel (het afvalwater) als basis het drinkwatergebruik te kiezen. Op deze wijze wordt ook het gebruik van hemelwater voor het spoelen van toiletten bijvoorbeeld gestimuleerd. Het stimuleert het toepassen van maatregelen dat gebruik van hemelwater stimuleert, en de bijbehorende innovaties. Voor het hemelwaterdeel wordt geadviseerd om het waterlabel te werken, of om te werken met m2 verhard oppervlak.
Voor het spoor van de rioolheffing zou het goed zijn als een aantal gemeenten gaan experimenteren met differentiatie bij een aantal verschillende gebouwen en in verschillende wijken. Ten eerste om te kijken welke vorm van uitvoering het meest efficiënt en effectief is. Ten tweede om over enkele jaren te bekijken in hoeverre het waterbewustzijn is vergroot, en men om deze reen ook meer klimaatadaptieve maatregelen gaat treffen. Onderling leren is hierbij van belang.
Het juridische kader van de waterschapsbelasting biedt geen mogelijkheden voor differentiatie. Hiervoor is een aanpassing van de waterschapswet nodig. Deze aanpassing zou dan gericht moeten zijn op de zuiveringsheffing. Belastingplichtigen die de beoogde maatregen op hun perceel hebben doorgevoerd en dit kunnen aantonen, krijgen dan korting op hun zuiveringsheffing. Differentiatie via de OZB lijkt nog het meest te stuiten op juridische- en praktische bezwaren. De enige mogelijkheid is om delen van een gebouw of perceel vrij te stellen van belasting. Een dergelijke vrijstelling is complex en ook niet logisch aan de duurzaamheid van een gebouw te verbinden. Echter de OZB wordt gebaseerd op de WOZ. Een denkbare route is om te kijken of er differentiatie rond de WOZ mogelijk is. Dat er bijvoorbeeld naast een financiële waarde ook een maatschappelijke waarde of duurzame waarde aan een perceel inclusief gebouw wordt toegekend. Deze zou dan grondslag kunnen zijn voor de OZB, en/of waterschapsbelasting. Een dergelijke variant biedt zelfs mogelijkheden op het gebied van inkomstenbelasting.
Voor het spoor van de waterschapsbelasting dient verder uitgezocht te worden wat de invulling en haalbaarheid van een eventuele wetswijziging is. Een dergelijke exercitie dient met de Unie van Waterschappen samen vorm te krijgen. Voor differentiatie in de OZB dient het spoor van de WOZ verder uitgezocht te worden. Wat zouden de mogelijkheden en consequenties zijn van het ontwikkelen van een alternatieve WOZ. Voor differentiatie blijkt het in ieder geval van belang te zijn om te kunnen toetsen op perceel niveau. Een mogelijkheid is het waterlabel hiervoor in te zetten en verder te ontwikkelen. Bij verdere uitwerking van differentiatie belastingen is het ook van belang om de wateroverlast kant van klimaatadaptatie te verbreden met het voorkomen van droogte en het verminderen van hittestress. Dit zal een ontwikkeling en toepassing van waterhergebruiksystemen stimuleren.
Het verzamelen van de benodigde gegevens voor het waterlabel bleek nog niet zo eenvoudig als aanvankelijk gedacht. Gebouweigenaren kunnen wel aangeven hoe groot hun groene dak is, maar hebben dan geen beeld bij het bergend vermogen.
Hemelwater belasten of belonen
32
BIJLAGEN
Schillemans, R.A.A. en Blom, M.J. (CE Delft, 2006) Energieprestatie gewaardeerd in de OZB; Studie naar de haalbaarheid van een OZB-korting naar energieprestatie van woningen
Bijlage 1: Referenties
Terpstra, S. en Troost, S. (Twynstra Gudde 2015) De prijs van het Nederlandse Waterbeheer
(OESO 2015) Watergovernance in the Netherlands: fit for the future Blom M.J., Boon B.H., Rooijers F.J. en Schillemans R.A.A. (CE Delft, 2004) Vergroening van het fiscale en financiële stelsel; Mogelijkheden voor gemeenten en provincies Van Cleef, R. (Twynstra Gudde, juli 2015) Toekomstbestendige en duurzame financiering van het Nederlandse waterbeheer; Presentatie Welke verbeteringen in de financiering van het Nederlandse waterbeheer zijn mogelijk? Gribnau, J. L. M. en Happé, R. H. (Fiscaal Instituut Tilburg, 2008) Vergroening OZB juridisch getoetst H. Havekes, M. Hofstra, A. van der Kerk, B. Teeuwen, R. van Cleef en K. Oosterloo (Water Governance Centre, 2016) Building blocks for good water governance Heijden, J. van der, Engen, G. van Engen (2016), ‘Multifunctionaliteit in gebiedsontwikkeling, Van investering naar co-investering’ in: Verruimen, Maatschappelijk rendement met ruimtelijk talent, Bijdragen aan de Plandag 2016, Stichting Planologische Discussiedagen, Antwerpen. Heijden, J. van der, Bakker, M., (Netherlands Enterprise Agency, Ministry of Economic Affairs, 2016) Reinventing Multifunctionality, Combining Goals, Sharing Means, Linking Interest
Bijlage 2: Juridische analyse onroerendzaakbelasting Door Ruben Visser (Visser Advies)
Vergroening van het decentrale belastingstelsel
Terecht wordt in de rapportage van Blom e.a. opgemerkt dat de eigenaar van een onroerende zaak in het huidige belastingstelsel van de OZB in principe gestraft wordt doordat de WOZ-waarde van de onroerende zaak na het treffen van energiebesparende maatregelen stijgt en de OZB daarmee verhoudingsgewijs ook.30 In de jaren na het treffen van de maatregelen blijft de eigenaar van het perceel een verhoogde belasting betalen, waardoor de terugwintijd van de maatregel wordt verlengd en onaantrekkelijk wordt. Een subsidie van de gemeente lijkt dan ook een sigaar uit eigen doos. 31 In de rapportage van Blom e.a. is onderzocht in hoeverre in de OZB gedifferentieerd kan worden naar de energieprestatie van de woning. Blom e.a. merken op dat een differentiatie op basis van zuivere kwaliteitseisen, zoals de energieprestatie van een woning, voorkomen wordt dat in strijd met het zakelijke en objectieve karakter van de OZB wordt gehandeld. Blom e.a. suggereren dat andere methoden kunnen leiden tot onredelijke en willekeurige belastingheffing en daarmee strijdig zijn met de algemene rechtsbeginselen. Energielabels voor woningen, de energieprestatiecoëfficiënt of normen van de EPA worden door Blom e.a. genoemd als mogelijke zuivere kwaliteitseisen. Blom e.a. achten vergroening van de OZB met behulp van kortingsmogelijkheden voor bepaalde woningen mogelijk binnen de bestaande Gemeentewet.
Wanneer een systematiek gekozen wordt waarbij de tarieven gekoppeld worden aan de energieprestatie per woning is aanpassing van de Gemeentewet nodig. 32
J.A. Monsma, (Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden (ESBL), 2001) Gemeentelijke belastingen in de 21ste eeuw 30 Blom e.a., 2004, p. 25.
(Stichting RIONED, 2013) Riolering in beeld
31 Schillemans e.a. noemen het ook wel de perverse effecten van de het huidige OZB-stelsel. Schillemans e.a., 2006,
p.6. 32 Blom e.a., 2004, p. 26.
Hemelwater belasten of belonen
33
Energieprestatie gewaardeerd in de OZB
Met dat uitgangspunt, de energieprestatie van een woning (EPN of EPC), hebben Schillemans e.a. in 2006 nader onderzoek gedaan naar de facultatieve vrijstellingsmogelijkheid in artikel 220d, eerste lid 1, sub i, van de Gemeentewet.33 Schillemans e.a. merken op dat die vrijstellingsmogelijkheid ruimte geeft aan gemeenteraden om naar eigen invulling andere objecten, dan die reeds door de wetgever zijn benoemd, vrij te stellen van de OZB, waarbij de besturen gebonden zijn aan hoger recht en algemene rechtsbeginselen zoals het gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. 34 Schillemans e.a. hebben de volgende opties voor differentiatie onderzocht: a. Een vrijstelling van een deel van de WOZ-waarde binnen de OZB. b. Een correctie van de WOZ-waarde. c. Een vermindering op de algehele belastingaanslag. d. Differentiatie van het tarief. Optie a is blijkens het onderzoek van Schillemans e.a. mogelijk binnen het huidige wettelijke belastingstelsel. Voor de overige opties is aanpassing van de wet (WOZ en/of Gemeentewet). Belangrijk criterium is hierbij dat invulling moet worden gegeven aan het gelijkheidsbeginsel. In concreto moeten duurzame- en niet-duurzame woningen op dezelfde wijze fiscaal behandeld worden. Daarnaast mag er geen discussie over de uitleg en toepassing van de fiscale maatregel bestaan. Dat vraagt om objectieve en heldere normen.
Vergroening OZB juridisch getoetst
Gribnau e.a. hebben in opdracht van SenterNovem de juridische complicaties van de hiervoor genoemde vier opties beoordeeld.35 Vanzelfsprekend wijzen Gribnau e.a. op de toepassing van de beginselen van gelijkheid en evenredigheid, maar aanvullend betrekken de onderzoekers ook het verbod op lokale inkomenspolitiek. Daarnaast wijzen zij op de eisen met betrekking op de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van een belastingmaatregel.36 Vergroening van het belastingstelsel is een algemene trend volgens Gribnau e.a. Zij stellen dan ook de vraag of de differentiatie in de OZB het energieverbruik wel kan beïnvloeden. En ook vragen zij zich af of de OZB wel het geschikte middel is om het doel te bereiken (doeltreffendheid en doelmatigheid). Ten slotte zijn de juridische (on)mogelijkheden relevant voor de beoordeling van de belastingmaatregel. Deze onderzoeksvragen liggen dan ook aan de rapportage van Gribnau e.a. ten grondslag. In het hiernavolgende worden enkele kritiekpunten behandeld.
Profijtbeginsel
De heffing van de OZB is gebaseerd op het profijtbeginsel: de eigenaar van de onroerende zaak plukt ook de vruchten van de gemeente waarbinnen de onroerende zaak zich bevindt. Denk aan gemeentelijke infrastructuur, openbaar groen, voorzieningen, enz. Door heffing van de OZB betaalt de eigenaar een deel van de kosten. Hetzelfde geldt voor gebruikers van die onroerende zaken (niet zijnde woningen37). Een belangrijk gevolg hiervan is dat een korting op de inkomsten van de OZB dus invloed heeft op de bekostiging van die openbare voorzieningen. Dat maakt een korting op de OZB een gevoelig politiek-bestuurlijk onderwerp.
Grondslag voor de heffing moet zo breed mogelijk blijven
In 2001 is door het Erasmus Studiecentrum voor Belastingen van Lokale overheden (ESBL) gerapporteerd dat de OZB niet als een beleidsinstrument ingezet kan worden. 38 Voor een rechtvaardige belastingheffing is het noodzakelijk dat alle economische subjecten naar de mate waarin zij waarde genereren in het economische proces direct of indirect een fiscale bijdrage leveren aan de lokale gemeenschap. De grondslagen van belastingheffing moeten daarom zo breed mogelijk blijven.39
Inkomenspolitiek
Monsma wijst erop dat een belastingmaatregel voor energiebesparing aan strenge eisen zal moeten voldoen. Daaronder vallen die ten aanzien van de transparantie, de eenvoud, de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid. De discussie zal gevoelig liggen, zeker als er lastenverschuivingen plaatsvinden tussen verschillende groepen inwoners. Monsma wijst voorts op het bezwaar dat bij de systematiek van energieprestatie de inwoners met oudere minder energiezuinige woningen (lagere inkomens) benadeeld worden ten aanzien van nieuwe, duurzame woningen. Gribnau e.a. merken hierbij op dat erin het gevaar schuilt dat er op indirecte wijze inkomenspolitieke gevolgen optreden. Lagere inkomens worden immers dan zwaarder belast, zodat OZB toch naar draagkracht wordt geheven. Dat is gelet op artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet verboden.40
Objectief en zakelijk karakter OZB
Gribnau e.a. geven aan dat het objectieve en zakelijke karakter van de OZB zich ook tegen tariefdifferentiatie verzetten. Daarbij wijzen Gribnau e.a. erop dat de persoonlijke
37 Per wetswijziging van 2007 is er geen gebruikersdeel meer voor woningen. 33 Schillemans e.a., 2006. 34 Schillemans e.a., 2006, p.6.
38 J.A. Monsma, Gemeentelijke belastingen in de 21ste eeuw, Rotterdam, Erasmus Studiecentrum voor Belastingen
van Lokale overheden (ESBL), 2001.
35 Gribnau e.a., 2008
39 Gribnau e.a., 2008, p. 4.
36 Gribnau, e.a. 2008, p. 1 & 2 (het rapport bevat een nuttige samenvatting van het resultaat).
40 Gribnau e.a., 2008, p. 5 & 6.
Hemelwater belasten of belonen
34
omstandigheden van de belastingplichtige (i.c. draagkracht) in principe geen invloed heeft op de waardering van onroerende zaken.41
De opties van Schillemans
Schillemans e.a. noemde vier opties voor differentiatie. Gribnau e.a. behandelden er vijf. Zij betrokken namelijk ook de mogelijkheid om de verschuldigde belasting niet in te vorderen. Ten aanzien van de optie tot vrijstelling van een deel van de WOZ-waarde middels de OZB, waartoe Schillemans e.a. een lichte voorkeur leken te hebben, geven Gribnau e.a. daarentegen aan dat zij het profijtbeginsel aan de uitvoerbaarheid van die optie in de weg zien staan. Zij menen dat een eerste doel van belasting is dat deze opbrengsten genereert voor de heffende instantie. Een vrijstelling voor onroerende zaken die voldoen aan een energieprestatie-eis laat zich daarmee naar de mening van Gribnau e.a. niet verenigen.42 Dit is een opmerkelijke conclusie en er is wel commentaar op mogelijk. Het spreekt voor zich dat het eerste doel van belastingheffing het generen van inkomsten is. De wettelijke vrijstellingen van artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet wijzen echter duidelijk op de mogelijkheid dat andere (algemene) belangen ertoe kunnen nopen dat voor sommige (delen van) onroerende zaken geen belastingplicht geldt.
Deze vrijstelling strekt niet alleen tot het vrijstellen van onroerende zaken, waarvan de gebruiker niet (veel) gebruik maakt van de openbare voorzieningen (zoals cultuur- of natuurgrond) maar ook tot het vrijstellen van onroerende zaken waarvan de gebruikers wel een beroep doen op openbare voorzieningen, maar dat het vanuit een ander oogpunt wenselijk is om geen belasting te heffen (denk aan kerkgebouwen43). Daarnaast is het onzeker of het vrijstellen van een deel van de OZB leidt tot inkomstenverlies bij de heffende instantie. Dat hangt immers af van de grondslag waarop (een deel van) de OZB wordt vrijgesteld en de hoogte van de vrijstelling. Hier wordt later op teruggekomen. Ten aanzien van de andere vier opties merken Gribnau e.a. op dat hiervoor in het huidige wettelijke stelsel geen mogelijkheden bestaan.44 Het onderhavige onderzoek naar differentiatiemogelijkheden betreft een verkenning naar binnenwettelijke mogelijkheden. Daarom zal voor het onderzoek enkel de differentiatie via de facultatieve vrijstelling verder worden onderzocht. Daarbij is belangrijk om de vereisten voor een wijziging van de gemeentelijke verordeningen te belichten.
gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel. Voor de totstandkoming van een verordening wijzen Gribnau e.a. op instrumenten die daarbij gehanteerd kunnen worden. Voor regelgeving op rijksniveau bestaan er de Aanwijzingen voor de regelgeving45. Deze aanwijzingen geven invulling aan de algemene rechtsbeginselen die bij de totstandkoming van regelgeving gelden. De aanwijzingen zijn toepasbaar op decentrale regelgeving. Ook is het rapport van de Algemene Rekenkamer handig, Belastingen als beleidsinstrument46. Bij de totstandkoming van een verordening, waarin wordt voorzien in een differentiatie in de heffing van OZB voor duurzame gebouwen, moet worden gewaarborgd dat gelijke gevallen gelijk en ongelijke gevallen ongelijk naar de mate van hun ongelijkheid worden behandeld. Ten aanzien van de gelijke gevallen moet op basis van objectieve gegevens en zakelijke maatstaven vast komen te staan dat die inderdaad gelijk zijn en in gelijke mate in aanmerking komen voor een vrijstelling. Dit betekent dat de norm waaraan wordt getoetst voor elke belastingplichtige gelijk moet zijn en dat die norm goed en eenvoudig toetsbaar is. Ten aanzien van ongelijke behandeling (mensen die geen duurzame aanpassingen doen en dus geen vrijstelling krijgen) moet een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig zijn.
Er moet een legitieme doelstelling worden nagestreefd en er moet sprake zijn van een redelijke proportionaliteit tussen het gebruikte middel en de nagestreefde doelstelling.47 Een belastingmaatregel moet ook voldoen aan het evenredigheidsbeginsel. Er moet sprake zijn van het juiste middel gelet op het doel voor het middel. Het middel moet de juiste verhouding hebben (niet te ver gaan) en bovendien noodzakelijk zijn. Er moeten geen middelen beschikbaar zijn met hetzelfde effect maar met minder nadelen (subsidiariteit).
Diverse grondslagen voor differentiëren
In het geval dat een verordening van een gemeente voorziet in een vrijstelling voor de OZB zal die verordening door de rechter ten volle getoetst kunnen worden op het
De hierboven beschreven rapporten geven een goed beeld van de juridische complicaties bij de pogingen om via belastingdifferentiatie groene oplossingen voor gebouwen te stimuleren. De rapporten geven dan ook handvatten die gebruikt kunnen worden in de verdere beoordeling van de differentiatie die in het onderhavige impactproject voor ogen staat. Een kanttekening bij de rapporten betreft die van de context waarbinnen de rapporten zijn geschreven. Gezien het rapport van 2004 van Blom e.a. ziet de vraagstelling, waarbinnen de uiteindelijk vijf mogelijkheden van differentiatie zijn onderzocht, op de energieprestatie van
41 Gribnau e.a., 2008, p. 7.
45 Zie Circulaire Aanwijzingen voor de regelgeving, van de minister-president, inwerkingtreding 11-05-2011,
Gelijkheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel
42 Gribnau e.a., 2008, p. 8.
gepubliceerd Stcrt 2011-6602 (10-05-2011).
43 Vrijgesteld op grondslag van art. 220d, lid 1, sub c, van de Gemeentewet.
46 Kamerstukken II, 1998-1999, nr. 2.
44 Gribnau e.a., 2008, p. 8 – 11.
47 Gribnau e.a., 2008, p. 14 & 15.
Hemelwater belasten of belonen
35
gebouwen. Met andere woorden, hoe zuiniger een gebouw, hoe meer korting de eigenaar krijgt op de belastingheffing. De kritiek op de differentiatie van Gribnau e.a. is in dat opzicht goed te plaatsen. Immers zullen dan niet alle gelijke gevallen gelijk worden behandeld; de eigenaar van een oud huis moet veel meer investeren dan die met een nieuw huis. Ook is de discussie rondom inkomenspolitiek dan een wezenlijke. In het impactproject is de doelstelling anders. Elke verbetering aan een gebouw die bijdraagt aan een beter klimaat moet worden gestimuleerd. Of dat nu een jaren ’30 woning betreft of nieuwbouw. De verbetering hoeft niet per se gevonden te worden in isolatie of het plaatsen van een warmteterugwininstallatie. Juist ook de realisatie van groene daken en regenwatersystemen moeten worden gestimuleerd. Omdat deze aanpassingen voor elke eigenaar van een gebouw toegankelijk zijn, ligt het gevaar van ongelijkheid minder voor de hand. Daarnaast kan tegemoet worden gekomen aan de kritiek dat de OZB gebaseerd is op het profijtbeginsel en om die reden geen terugval in gemeentelijke inkomsten wenselijk is. Er kan van de fictie worden uitgegaan dat een (grote) groep eigenaren geen (dure) aanpassingen aan hun gebouw doet, omdat de maatregelen kostbaar zijn en de maatregelen bovendien de waarde van het gebouw doen stijgen.
Dit betekent dat de waarde in de WOZ hoger komt te liggen, met als gevolg dat dit merkbaar is in de inkomstenbelasting, rioolheffing en de OZB. In principe wordt goed gedrag dus bestraft. Het traditionele systeem van subsidiëren lost die problemen niet op. Dat is in wezen een vestzak-broekzak verhaal. De gemeente subsidieert een activiteit die uiteindelijk weer inkomsten oplevert. Vanuit de optiek dat een (dure) klimaatbestendige aanpassing aan een gebouw in de OZB wordt gecompenseerd, is aan te nemen dat veel meer mensen geneigd zullen zijn om die aanpassing te doen. De WOZ-waarde stijgt weliswaar, maar de OZB blijft gelijk. Nog veel effectiever zou de oplossing zijn om de WOZ aan te passen zodat via de WOZ klimaatadaptieve aanpassingen aan een gebouw gestimuleerd kunnen worden vanwege de positieve gevolgen voor de inkomstenbelasting en rioolheffing, maar dat ligt buiten de scope van dit onderzoek. Vanuit de redenatie dat gebouwen slechts worden aangepast als de verbouwing niet tot hogere OZB zullen leiden, kan worden gesteld dat de inkomsten van de gemeente in ieder geval gelijk blijven aan de situatie van voor de verbouwing. Het klimaat in de gemeente verbetert daarentegen en indien de aanpassing leidt tot vermindering van regenwater in het rioleringsstelsel levert dat ook besparing op voor de gemeente.
Verder kan een eenmalige subsidie achterwege blijven indien de kosten van de aanpassing niet tot verhoging van de OZB leiden. De winst voor de eigenaar zit dan in de kostenbesparing door verminderd energie- en/of gasverbruik en het gelijk blijven van zijn aanslag. In die zin kan worden gesteld dat de belastingmaatregel kostenneutraal is.
Toetscriterium voor OZB-differentiatie
Gribnau e.a. hebben gewezen op de eisen aan een belastingmaatregel. Die moet objectief en zakelijk zijn. Ter voorkoming van willekeur moet de maatregel voor alle gelijke gevallen hetzelfde uitpakken. Dat vraagt om zakelijke en meetbare toetscriteria voor de toepassing
van de differentiatie. Dat betreft de keuze van de aanpassing aan het gebouw en de winst die de maatregel oplevert in termen van energiebesparing, waterbesparing en/of biodiversiteit. In de rapporten van Blom e.a. en Schillemans is gewezen naar de mogelijkheden van het energielabel, dat toentertijd nog volop in ontwikkeling was. Ten tijde van deze rapportage is het waterlabel in ontwikkeling. Daarnaast is de EPC norm van een gebouw een sinds 1995 veel meer gebruikt toetscriterium.48 Rekening houdend met de juridische grenzen aan differentiatie is het van belang dat het voor elke eigenaar van een gebouw mogelijk moet zijn om in aanmerking te komen voor een OZB-vrijstelling. Daarnaast is het klimaat met elke stap in de goede richting gebaat. Daarom is een toetscriterium vereist die meetbaar maakt dat en in welke mate een gebouw in klimaatpositieve zin is verbeterd. Voor energiebesparing kan worden gekeken naar de toename van de warmteweerstand, gemeten in Rc-waarde. Ook kan worden gekeken naar de mate waarin energie (terug) gewonnen kan worden. Dat is meetbaar in besparing in Kwh of gas per m3. Ten aanzien van waterbesparing kan worden gekeken naar een waterlabel of via de terugloop in waterverbruik (eveneens per m3). Ten slotte kunnen voor biodiversiteit (een groen dak) richtlijnen worden ontworpen binnen welke standaarden sprake is van een verbetering.
Wat alle meetcriteria echter gemeen moeten hebben, is de eenvoud waarmee zij getoetst kunnen worden. Immers mag een belastingmaatregel in beginsel niet tot (administratieve) lastenvermeerdering leiden. Het energielabel lijkt hiervoor geschikt. Het label is inmiddels verplicht voor veel gebouwen. De aanwezigheid van het energielabel maakt dat er een systeem bestaat dat werkt en ook objectief is. De verplichte aanwezigheid ervan voor veel huizenbezitters maakt bovendien dat het dus al aanwezig is om als meetcriterium in gezet te worden. Onderzocht moet worden of redelijk objectief is vast te stellen welke investeringen gemiddeld nodig zijn om op de ladder van het energielabel te klimmen en daaraan een OZB-vrijstelling te relateren die gelijk staat aan die gemiddelde investering. Als die vrijstelling bovendien een percentage van de WOZ is, dan loopt die mogelijk lineair op met de kosten die verband houden met de verbouwing. Immers de aanpassing van een groter gebouw (met een hogere WOZ-waarde) zal naar verhouding kostbaarder zijn dan een kleiner huis (met een lagere WOZ-waarde). Energiebesparing gaat meestal of om oppervlakte (isolatie per m2) of om inhoud (hoe groter een huis, hoe meer gas om het warm te stoken). Een rekenexercitie moet worden verricht om deze stelling op een empirische wijze te onderbouwen.
Daarnaast kan vanwege het wettelijke stelsel enkel delen van een onroerende zaak van belastingheffing worden vrijgesteld via de gemeentelijke verordening. De redactie van artikel 220d van de Gemeentewet maakt dat er geen percentages van de waarde vrijgesteld kunnen worden.
48 Het Bouwbesluit gebruikt het EPC als maatstaf voor de energiezuinigheid van een gebouw. De huidige norm voor
nieuwbouw is een EPC van 0,4, zie artt. 5.1 e.v. Bouwbesluit 2012.
Hemelwater belasten of belonen
36